Etnisch profileren

Op de de site JOOP is een interessante bijdrage te lezen van Mitchell Esajas in het racisme-debat. Esajas vraagt terecht aandacht voor de nadelen die gekleurde mensen ondervinden in Nederland. Schade niet alleen door: “PVV-klootjesvolk’ en extreemrechtse gekken,” maar ook door: “goedbedoelende witte mensen.” 

Die laatste bagatelliseren de ernst van het racisme in Nederland door bijvoorbeeld zwarte piet te vergoelijken ondanks de pijn die ‘piet’ bij gekleurde mensen veroorzaakt. “Het wordt tijd dat ‘goedbedoelende keurige witte mensen’ als van der Horst zich meer gaan verdiepen in het koloniale verleden en de betekenis van institutioneel racisme en minder whitesplainen. Dat is een term dat gebruikt worden om aan te duiden wanneer, wellicht goed bedoelende, witte mensen op een paternalistische manier aan een zwart persoon uitleggen wat wel en wat niet als racisme beschouwd dient te worden. Alsof zwarte mensen, na 400 jaar slavernij, kolonialisme en discriminatie, niet weten wat racisme is en hoe ze er tegen moeten vechten,” aldus Esajas. Daarom pleit hij voor: “een publieke campagne over het koloniale verleden en migratiegeschiedenis in combinatie met verandering van het curriculum zodat er van het basis- tot het hoger onderwijs meer aandacht komt voor de relatie tussen het koloniale verleden en het heden.” Als historicus kan ik die extra aandacht voor de geschiedenis alleen maar toejuichen want een mens is een product van zijn verleden.

RacismeIllustratie: personanongrata.nl

Alleen zit ik met een probleem. Ik weet niet wat Esajas van mij verwacht. Ik ben redelijk op de hoogte van het koloniale verleden, de migratiegeschiedenis, de effecten van twee wereldoorlogen, de ontstaansgeschiedenis van Nederland, de kruistochten, de veroveringstochten van de Mongolen, de invloed van het Romeinse rijk en de Griekse beschaving.  Alles weet ik er niet van, maar wie wel? Ik ga me er niet voor verontschuldigen, want ik heb er geen schuld aan. Ik moet het ook maar doen met de gevolgen ervan en voor wat ik ermee doe, daarvoor ben ik verantwoordelijk.

Ik stoorde me enorm aan het aanroepen van de VOC-mentaliteit door toenmalig premier Balkenende. Ik erger me rot als ik Wilders over moslims hoor praten. Als wordt ‘vergeten’ welke rol het Westen in het Midden-Oosten speelde en speelt. Net zoals ik me rot erger aan ‘gekleurde jongeren’ die een witte vrouw in een rokje hoer noemen.

Ik voel me niet aangesproken als er over racisme wordt gesproken al weet ik dat de Nederlandse maatschappij wel dergelijke trekken heeft. Die stel ik aan de kaak. Zo schreef ik over de uitsluitende werking van taal. Dat mensen liever ‘klonen van zichzelf’ aannemen weet ik, daar kan iedereen het slachtoffer van worden alleen met een kleurtje ben je dat sneller.

Ik weet dat je tegenwoordig alleen maar aandacht krijgt, als je schreeuwt en overdrijft. Dat maakt het echter wel heel lastig om na te gaan of iets gemeend is of alleen zwaar aangezet. Zo voel ik me ‘etnisch geprofileerd’ door zinnen als: “Het omvat een dominante manier waarop de Nederlanders over zichzelf denken, als een klein doch rechtvaardig, ethisch, kleurenblind, vrij van racisme, dus een baken van licht voor andere volkeren en naties,” die Esajas van professor Gloria Wekker heeft overgenomen als er wordt geschreven over het Nederlandse zelfbeeld. Ik voel me in een hoek gezet, waarin ik me niet thuis voel en waarin ik niet thuis hoor. Alleen weet ik niet hoe ik uit die hoek kan komen. Want wie weet schaad ik, als ‘goed bedoelende witte mens’, dan wel iemand door mijn ‘paternalisme’ en dat wil ik ook niet.

Beste meneer Esajas, al maak ik het niet zelf mee, ik kan met u meevoelen en wil eraan meewerken dat die gevoelens verdwijnen. Voelt u ook met mij mee als ik me in de hoek gezet voel door de manier waarop u en de uwen het debat voeren?

Invictus

Race can be erased,” is de conclusie van Mark van Vugt in Trouw. Hij haalt hiervoor een onderzoek aan waarbij mensen zich moesten herinneren wie wat zei over een basketbalwedstrijd. Het antwoord: ja, mensen wisten of het een man of vrouw was en welke huidskleur de persoon had. Toen de sprekers een shirt aantrokken van een van de twee clubs, wisten zij alleen nog van welke club de persoon was, het geslacht of de huidskleur was niet meer relevant. “Trek een oranje shirt aan en je huidskleur doet er niet meer toe, aldus Van Vugt: “Sport verbroedert, letterlijk. Jammer dat we er niet bij zijn op het EK voetbal!”

Jonah Lomu

Foto: www.1eyedeel.com

Toen ik dit las moest ik denken aan de documentaire The Sixteenth Man. Een documentaire over Zuid-Afrika dat bij het aantreden van Nelson Mandela als president in 1994, dreigde te vervallen in een bloedige burgeroorlog. Mandela zag het wereldkampioenschap rugby van 1995, dat in Zuid-Afrika werd gehouden, als een grote kans om blank en zwart te verzoenen en te verbroederen.

Rugby was in die jaren de sport van de blanken. Zwarten waren bij wedstrijden van de Springboks (de nationale ploeg) altijd voor de tegenstander. De ‘Bokken’ waren immers van de blanke vijand. Een vrijwel hopeloze uitgangssituatie die nog werd verergerd door de staat van het rugbyteam dat in de aanloop naar het WK een hopeloze indruk maakte. Toch werden de Springboks in 1995 wereldkampioen en het land schaarde zich als één man achter het team en de president. Die eenheid werd goed verwoord door aanvoerder Francois Pienaar toen hij direct na de wedstrijd antwoord gaf op de vraag: ‘Was dit onmogelijk geweest zonder de steun van de 63.000 fans?’ Pienaar antwoordde: “we werden niet gesteund door 63.000 Zuid-Afrikanen, maar door 43 miljoen.’  Voor de filmliefhebbers, de film Invictus geeft een iets geromantiseerd beeld van dezelfde gebeurtenis. De voice-over van de documentaire, Morgan Freeman, speelt Mandela.

En nu we het over die film hebben. Als Mandela te horen heeft gekregen dat de sportraad heeft besloten om het shirt en de naam Springboks af te schaffen, komt hij in actie. Zijn politiek assistente waarschuwt hem dat het volk (het zwarte deel) de Springboks haat en dat dit besluit goed zal vallen bij de achterban. Daarop antwoordt hij: “In this instance the people are wrong. And it is my duty as their elected leader to show them that.”  Waarop zijn assistente hem eraan herinnert dat hij zo het vertrouwen van zijn achterban verliest en zijn toekomst als leider op het spel zet. Waarop hij haar antwoordt: “The day that I‘m afraid to do that, is the day that I’m no longer fit to lead.”  Missen we dergelijk leiderschap? Zou de rassendiscussie dan anders verlopen?

Enige minpunt aan film en documentaire, is dat mijn favoriete rugby-speler de wedstrijd verloor en nooit wereldkampioen werd. De legendarische, helaas te vroeg overleden Nieuw-Zeelander Jonah Lomu. Vandaar zijn foto als eerbetoon.

 

Een bus met gekleurde agenten

De politie staat de afgelopen dagen weer volop in het nieuws. Rapper Typhoon werd staande gehouden vanwege ‘etnisch profileren’: een jonge, donkere man in een SUV.  Sander van Walsum schrijft in het commentaar in de  Volkskrant: “Voor gekleurde Nederlanders – bekend of minder bekend – is het vernederend om zonder deugdelijke reden staande te worden gehouden door de politie. Zeker als zoiets vaak gebeurt en zeker als de betrokken agent blank is.” Daarom moet de politie qua samenstelling veel meer een afspiegeling zijn van de samenleving.

politie

Foto: powervrouwen.blog.nl

Natuurlijk is het vervelend als je door de politie staande wordt gehouden, zeker als andere mensen hiervan getuige zijn. Er is dan iets waardoor de ‘politiebellen’ gingen rinkelen, iets waardoor je ‘verdacht’ werd. Zou staande worden gehouden voor een ‘gekleurde’ Nederlander anders zijn dan voor een ‘ongekleurde’ Nederlander? Beiden worden immers even ‘verdacht’? Je voldoet aan een profiel.

Wanneer is een reden voor het staande houden deugdelijk? Is dat alleen als blijkt dat de persoon die staande is gehouden daadwerkelijk in overtreding is? Als Typhoon daadwerkelijk een kilo heroïne bij zich had of de auto had gestolen? Dat zou het politiewerk erg lastig maken want wanneer ben je honderd procent zeker. Hoe zou de politie zonder profielen moeten werken? Profielen zijn ‘voor-oordelen’ op basis van ervaringen uit het verleden, zonder welke het leven en zeker politiewerk, onmogelijk is. Na staande houding wordt het voor-oordeel getoetst en komt de politie tot een oordeel.

Zou het hierbij wat uitmaken welke ‘kleur’ de betrokken agent heeft? Is het minder erg als een agent met eenzelfde ‘kleur’ als Typhoon hem had staande gehouden op basis van hetzelfde profiel dat nu de ‘blanke’ agent gebruikte? Als dat het criterium is, dan wordt politiewerk nog lastiger. Dat wordt patrouilleren in een bus met agenten van alle mogelijke ‘kleuren’ en de juiste kleur de aanhouding laten verrichten. Natuurlijk zou het goed zijn als de politie een goede ‘afspiegeling’ is van de bevolking. Maar ook dan zal er met profielen moeten worden gewerkt en zal een agent van de ene kleur iemand van een andere kleur aanhouden en zal dat vaak onterecht zijn. Ook dat voorkomt niet dat in de ene buurt meer mensen worden staande gehouden dan in de andere.

Handelde de agent die Typhoon aanhield niet correct? Staande houden op basis van een profiel. En in deze fase al op een vriendelijke manier het waarom vertellen, dus het profiel uitleggen. Onderzoeken en komen tot een oordeel. Is er niets aan de hand, dan excuses en fijne dag verder. Zou die agent niet ten voorbeeld moeten worden gehouden aan zijn collega’s?

The colour of music

De nieuwe directeur van MOJO, Wilbert Mutsaers, gooide deze week weer een knuppel in het zwart/wit hoenderhok: Nederlandse festivals moeten kleurrijker. Er moet meer zwarte muziek worden geprogrammeerd: R&B, hiphop en de grote artiesten als Beyoncé en  Kanye West komen er nooit, wel stokoude rockers als Bruce Springsteen, the Rolling Stones en Paul McCartney. De festivals lopen zo: “het risico te vervreemden van het poppubliek, als daar geen poging wordt gedaan de grote zwarte muziek een plaats te geven.” Een paar dagen later geeft de rapper Fresku zijn analyse: “Maar we denken op een of andere manier dat pop wit is. Ten onrechte. We moeten niet onderschatten dat zwarte muziek in alles zit, maar dat toch altijd witte mensen het gezicht van een zwart genre worden.

Dead KennedysIllustratie: alibi.com

Waar komt toch de idee vandaan dat alles een afspiegeling moet zijn van ‘de samenleving’? Dat er evenveel mannen als vrouwen, gele rooie, blauwe en groene mensen, linkse als rechtse, ‘grachtengordel-‘ en ‘achterbuurtmensen’ enzovoorts, op tv en gast in talkshows moeten zijn? En nu ook muzikanten op festivals? Als artiesten op festivals een afspiegeling van de samenleving moeten zijn, dan claim ik ook een positie als ‘hoofdact’. Ik behoor tot de categorie vals zingende a-muzikalen en die moeten ook een plek hebben. Suggestie voor de programmeur, zet me als laatste dan is het terrein snel leeg.

Dat is natuurlijk absurd. Bij muziekfestivals draait het gelukkig om de muziek en het is aan de organisator om een programma samen te stellen. Een organisator van een hiphopfestival, zal Jan Smit niet programmeren. Dat is niet omdat Jan blank is, maar omdat hij geen hiphop maakt. De organisator zal ook de ‘zwarte’ band Living Colour niet uitnodigen omdat ze geen hiphop maken. Een organisator van een hardrockfestival zal Rihanna niet vragen, niet omdat ze zwart is, maar omdat zij geen hardrock speelt. Living Colour wordt wellicht wel gecontracteerd. Het Concertgebouworkest zal ook niet gevraagd worden voor Pinkpop. Richt ieder festival zich niet op een deel van het muzikale spectrum en betekent dit niet dat een ander deel er niet komt?

Heeft muziek een kleur of kent het verschillende stromingen als jazz, punk, new wave, hiphop enzovoorts? Wordt er niet al zolang als er muziek wordt gedraaid op de radio door artiesten geklaagd dat ze niet worden gedraaid en door fans dat ze hun muziek niet op de radio horen? Zo was mijn favoriete punkband Dead Kennedys zelden te horen op de radio. Zou de huidskleur van de artiest hierbij werkelijk een belangrijke rol spelen zoals Fresku beweert in zijn song Zo doe je dat? Of zou het aan de smaak van de discjockeys liggen of de kwaliteit van de muziek liggen?

Voorrechten of vooroordelen?

In de Volkskrant reageert auteur Renzo Verwer op een eerdere bijdrage van geschiedenisdocent Lofti Abdel Hamid. Hamid betoogde dat het islamdebat geen dialoog is op gelijkwaardige basis omdat: “moslims voornamelijk worden neergezet als theologisch denkende en handelende mensen met een in essentie achterlijk waardenstelsel,” en dan: “is een gesprek bij voorbaat een verspilling van tijd en energie.” Volgens Verwer is het in groepen wegzetten van mensen, eigen aan een debat. Zeker als een groep, zoals de moslims voorrechten hebben en speciaal worden behandeld. Waaruit bestaan die volgens Verwer: “ze mogen met hun haar onzichtbaar op de paspoortfoto (niet-moslims niet), ze mogen gescheiden zwemmen, ze mogen vrouwen discrimineren (geen hand geven, weigeren geholpen te worden in een winkel in het dorp Oranje), en we pikken het allemaal!”

vooroordelenIllustratie: arkompas.com

Laten we het eens nalopen. Een foto voor het paspoort moet aan strikte eisen voldoen. Hierbij moet het hoofd onbedekt zijn behalve als: “het om godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen niet toegestaan (is) om uw hoofd onbedekt te laten.” Het geldt voor iedereen die godsdienstige bezwaren heeft tegen een ontbloot hoofd. Dat kan een moslima zijn, maar ook van een sikh of welke andere religie dan ook. Is dit een voorrecht specifiek voor moslims?

Is gescheiden zwemmen een (voor)recht? Is iemand vrij om een zwembad af te huren en er vervolgens alleen met vrouwen of mannen in te zwemmen? Mag een zwembad als marktproduct niet een uurtje zwemmen voor alleen vrouwen aanbieden? Er wordt ook zwemmen met baby’s, zwemmen voor ouderen en wellicht nog andere doelgroepen aangeboden. Hoe moet het dan met wedstrijdzwemmen? Heeft Verwer wellicht ook bezwaar tegen gescheiden voetballen of hockeyen?

Het geven van een hand is een gebruik in Nederland, maar is het daarmee een verplichting? Staat het iemand niet vrij om zelf te bepalen wie hij of zij een hand geeft en met welke reden? Heb je, want dat is de andere kant van de medaille, recht op een hand? Staat het mij ook vrij om in een winkel te weigeren door iemand geholpen te worden? Is het dan niet aan de winkelier om daarop te reageren door iemand anders mij te laten bedienen of mij als klant de deur te wijzen en dat heb ik dan te accepteren?

Verwer windt zich op over het frame: “dat de eigenlijke slachtoffers van de terroristische aanslagen door moslims de moslims zelf zijn. Want die krijgen het nu zo zwaar.”  Kijkt Verwer wellicht met een frame dat van vooroordelen voorrechten maakt?

De volgende genocide?

Sylvana Simons kreeg een hele strontkar aan verwensingen en verwijten over zich, toen ze bekend maakte als politica actief te willen worden bij de nieuwe partij DENK. Vervolgens werden en worden nieuwe strontkarren uitgekeerd over de hoofden van de ‘kiepers van de karren’ over Simons. In dit ‘strontkarren kiepen’ speelt ook het woord genocide een rol en dan vooral de Armeense genocide. Aan de hand van een gebeurtenis in het verre verleden, nu de Armeense genocide maar het kan ook de slavernij of het kolonialisme zijn, een gebeurtenis waar de laatste overlevende waarschijnlijk al van is overleden, wordt bepaald hoe fout iemand in het heden is. Zo ook in de discussie onder een column van collega Sylvia Witte.

genocideFoto: www.examiner.com

Nu dus het onderwerp Armeense genocide, een gebeurtenis uit 1915 terwijl het woord genocide pas in 1944 is gemunt. Was er dan sprake van een genocide avant la lettre? Er wordt een nieuwe lat langs oud verleden gelegd en het is de vraag of dat wel correct is. Het is verleidelijk om te doen. Ligt echter misbruik van het verleden voor doelen in het heden dan niet op de loer? Houdt die fixatie op ‘fout’ zijn in de vorige, niet meegemaakte, oorlog niet het risico in dat we de huidige oorlog missen?

Neem het begrip genocide. De Engelse wikipedia onderscheidt acht stadia. Stadium één: mensen worden verdeeld in wij en zij. Stadium twee: als dit wordt gecombineerd met haat kunnen symbolen aan de paria-groepen worden opgedrongen. Stadium drie: de ene groep ontkent de menselijkheid van de andere groep en vergelijkt ze met dieren, ongedierte en ziektes. Stadium vier: speciale ‘legereenheden en milities’ worden getraind en bewapend. Stadium vijf: haatgroepen zenden hun propaganda uit. Stadium zes: slachtoffers worden geïdentificeerd en gesepareerd. Stadium zeven: de uitvoering van de ‘uitroeiing van de ander die toch geen mens is. Stadium acht: de ontkenning van de begane misdaad.

Wij versus zij, komt dat bekend voor? Symbolen als de ‘varkenskop’? De  IS-vlag? Vergelijkingen: de tsunami van islamisering? Onze cultuur is superieur? Ongelovigen mogen worden gedood? En ik vergeet vast nog wel iets. Hoe moeten we het duiden als steeds dezelfde mensen het slachtoffer zijn van de oorlog tegen het jihadisme? Als zij steeds uit de rij worden gepikt, uit vliegtuigen verwijderd omdat ze er ‘anders’ uitzien, je raar aankijken of een differentiaalvergelijking oplossen? Staan de sociale en reguliere media niet vol met propaganda voor ‘het goede doel’ en met afkeer van de andere? Hoe moeten we de segregatie in de samenleving duiden? Is dit een voorstadium van separatie. Gelukkig is de uitroeiing nog niet aan de orde. Maar komt het toejuichen van verdrinkende vluchtelingen niet al in de buurt?  Zouden de strontkarren die onder het mom van de vrije meningsuiting worden gestort, straks als ‘ontkenning’ worden gebruikt: ik maakte alleen van het recht op vrije meningsuiting gebruik?

Binnenstebuiten samenleving

“Is de multiculturele samenleving nou mislukt of geslaagd?” Die vraag werd gisteren gesteld bij Pauw. Nee, zei de een. Ik zie toch geslaagde integratie, zei de ander. Het is niet geworden zoals het ons is voorgespiegeld, zei de gastheer alsof er iemand ooit een plan had dat eraan ten grondslag lag. Het is het nog niet, zei weer een andere gast. De Turken en Marokkanen trouwen nog binnen hun groep, riep iemand. Nu is die multiculturele samenleving in het recente verleden al vaker onderwerp van discussie geweest. Discussie waarin werd geroepen dat ze is mislukt of dat ze moet worden afgeschaft.

SamenlevingIllustratie: www.kennislink.nl

Een bijzondere gesprek tussen mensen met meningen en opvattingen. Bijzonder omdat lukken of mislukken suggereert dat er een norm is waaraan een samenleving moet voldoen, om van succes te spreken. Alleen wat is die norm en wie bepaalt hem? Wat gebeurt er als een samenleving niet aan die norm voldoet? Is er dan geen sprake van een samenleving? Als er dan geen samenleving is, wat is er dan wel? De positieve kant is trouwens ook interessant. Want wat moet er dan gebeuren als een samenleving wel aan de norm voldoet? Mag er dan niets meer veranderen? Zou die samenleving dan eeuwig zo moeten blijven? Dit laatste roept de vraag op of die norm niet ook aan verandering onderhevig is. Het zou immers kunnen dat toekomstige generaties er anders over denken.

In het boek Denken in een tijd van sociale hypochondrie, beschrijft de socioloog Willem Schinkel de worsteling in het gesprek en Nederland. Mensen en groepen worden al naar gelang het doel van de spreker, gezien als probleem binnen de samenleving en toch gezien als staand buiten de samenleving. Dit is, volgens Schinkel: “… paradoxaal omdat enerzijds ‘de Nederlandse maatschappij’ een [integratie]probleem cq. -vraagstuk heeft, terwijl dat anderzijds juist bestaat uit het ‘buiten de maatschappij staan’ en het ‘niet meedoen’ van diegenen die binnen de maatschappij voor het [integratieprobleem] zorgen.”

Een samenleving is “het geheel van de met elkaar verkerende mensen.” Hoe vaststaand is dat geheel? Verandert een samenleving niet permanent omdat er mensen bij komen door geboorte en emigratie en en er vallen mensen weg door sterfte en immigratie? En ook door kennisontwikkeling? Dit verandert immers mensen. Is een samenleving daarmee niet een fluïde iets en iets wat nooit ‘af’ of ‘compleet’ is?

Twee plus drie is zeven

‘Twee plus drie is zeven!’ Fout zullen jullie mij inpeperen. Het juiste antwoord is vijf. ‘Nee, naar mijn mening is het antwoord zeven en we hebben vrijheid van meningsuiting en ik mag die mening hebben en dus ook uiten.’  Jullie zullen mij meewarig aankijken en me wellicht hoofdschuddend voor gek verklaren. Maar zullen jullie dat ook doen als ik leerkracht ben op de basisschool en dit jullie kinderen leer? Dan zullen jullie naar de directeur lopen en aandringen op mijn ontslag. Dat zou ik ook doen in jullie geval. De directeur valt mij bij en onderstreept mijn recht op vrije meningsuiting. Ook de rechter die jullie inschakelen geeft mij en de directeur gelijk. Jullie zouden je kinderen naar een ander school brengen. En daar zou hetzelfde kunnen gebeuren.

Gescinska

Een voorbeeld om te laten zien tot welke absurde situaties de absolute en onbegrensde vrijheid van meningsuiting leidt. Of zoals de Belgisch-Poolse filosofe Alicja Gescinska schrijft: “De context van het klaslokaal toont ook mooi aan dat onzin verkopen en beledigen niet zomaar overal ongestraft kan. Niet wanneer die onzin en beledigingen grote groepen treft, niet wanneer die gericht is tot een enkel individu. Een leraar mag ook niet zomaar het kleinste meisje van de klas voor stomme lilliputter uitschelden en de jongen met ietwat grote oren voor lompe olifant houden.” Natuurlijk mag een leraar kinderen niet uitschelden voor stomme lilliputter of lompe olifant, als dat gebeurt dan zal iedereen er schande van spreken en de leraar zal waarschijnlijk zijn baan verliezen. Toch vliegen in het publieke debat ons soortgelijke verwensingen om de oren. Personen en groepen die worden uitgescholden voor geitenneuker wat weer wordt beantwoord met andere verwensingen.

In haar boek De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan behandelt Gescinska de vrijheid en haar grenzen en daarbij komt in het laatste hoofdstuk ook de nu veel aangehaalde vrijheid van meningsuiting aan bod. Het filosofisch debat over vrijheid kent twee richtingen, de negatieve en de positieve. Om dit verschil duidelijk te maken, gebruikt zij een ervaring uit haar jeugd. Dat doet zij trouwens het hele boek door. Voorbeelden die een relatie leggen tussen de filosofische discussie en de wereldse werkelijkheid. Voorbeelden die het filosofische betoog een leesbare lichtheid geven.

Als klein meisje vluchtten haar ouders, net voor de val van de muur, vanuit het communistische Polen naar België. In Polen had zij verhalen gehoord van het prachtige speelgoed, de overvloed  en de vrijheid in het westen. Haar eerste kennismaking met die overvloed en vrijheid viel haar flink tegen. Met haar ouders en oudere zusje, bezocht zij een speelgoedwinkel. Inderdaad lag daar het mooiste speelgoed, waren er poppen in overvloed en konden die in alle vrijheid worden gekocht. Alleen het geld ontbrak om ook maar het kleinste popje te kopen. Zo is het ook met vrijheden. Je kunt er heel veel hebben, maar wat heb je eraan als je er geen gebruik van kan maken. Aanhangers van negatieve vrijheid, willen de best gevulde speelgoedwinkel. Aanhangers van positieve vrijheid willen werken aan de mogelijkheid van het kind om er iets te kopen.

Aanhangers van negatieve vrijheid pleiten voor een maximale individuele vrijheid. Voor vrije markten waarop vrije individuen dat doen waarvan zij denken dat het hen het meeste geluk brengt. Waarbij zij dat mogen doen zolang zij anderen geen schade berokkenen. De alcoholist mag niet worden belemmerd in zijn zucht naar drank, dat is zijn vrije keus. Een pleidooi voor absolute vrijheid van meningsuiting past hierbij. Zij pleiten voor een kleine, terughoudende overheid die alleen optreedt als schade wordt berokkend aan iemand anders.

Gescinska denkt daar anders over: “Keuzevrijheid impliceert niet automatisch een keuzevermogen, laat staan keuzeblijheid.” Iemand die niet kan lopen heeft natuurlijk de vrijheid om te gaan en staan waar hij of zij wil, de persoon mist alleen het vermogen om dit te doen. Voor een aanhanger van negatieve vrijheid is het hebben van die vrijheid voldoende. Gescinska vindt dit een wel erg beperkte opvatting van vrijheid en noemt dit moreel onverschillig. Je hebt alleen wat aan vrijheid, als je er gebruik van kan maken en daarbij kunnen mensen wel wat hulp gebruiken, bijvoorbeeld een rolstoel. Zij pleit voor een positieve invulling van vrijheid en in het verlengde daarvan een samenleving en overheid die zich wel met het individu bemoeit. Die mensen een duwtje in de rug geeft, een duwtje om zichzelf te ontdekken. Een duwtje uit belangeloze betrokkenheid. Een duwtje om aan je vrijheid te werken, want vrij zijn betekent werken en kost inspanning. Vrijheid komt niet vanzelf.

Aanhangers van negatieve vrijheid zullen tegenwerpen dat dit leidt tot ‘wij bepalen wel wat goed voor jou is’ en de deur open zet voor totalitarisme. Een staat die bepaalt wat geluk is, hoe dit te bereiken en wie daarvoor wat moet doen. Gescinska werpt tegen dat dit een karikatuur is van positieve vrijheid en onderbouwt dit met twee argumenten. Als eerste kun je je kunt afvragen hoe vrij de alcoholist, net zoals de drugsverslaafde en de luilak, is. “Zijn zij niet allen de slaven van hun onvermogen om te weerstaan aan het object van hun destructieve verlangen, en is verslaving niet sowieso het tegendeel van individuele vrijheid?” vraagt zij zich af. Als tweede betekent absolute vrijheid dat iedereen voor zichzelf bepaalt wat goed is en welke regels voor hem gelden: Niemand bepaalt zichzelf volledig, zoals niemand ook zijn eigen wetten uitvaardigt.” Absolute negatieve vrijheid leidt niet tot vrijheid en autonomie, maar tot chaos en het recht van de sterkste, ze keert zich tegen de mensen. Volgens Gescinska is autonomie juist een fundamentele pijler van de positieve vrijheid, die draait in essentie: “om zelfrealisatie en het goede leven. Maar zelfrealisatie en het goede leven zijn niet mogelijk als ze afgedwongen worden.”

Er zal niemand zijn die stelt dat iedereen de vrijheid heeft om welke daad dan ook te verrichten. Zelfs de pleitbezorgers van negatieve vrijheid vinden dat er een grens is en die is dat je de ander niet mag schaden. “Maar waarom zouden we dan wel de vrijheid moeten hebben om eender welk woord te spreken?” Vraag Gescinska zich af, want: “soms kunnen woorden even hard en pijnlijk zijn als een messteek in de rug of een slag in het gelaat.”

Gescinska houdt een boeiend pleidooi voor de positieve invulling van vrijheid, voor betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Ik zou bijna zeggen verplichte kost voor iedereen en zeker voor politici, journalisten, columnisten en satirici. Verplicht omdat het de voetangels en klemmen, de valkuilen en het mijnenveld toont van een gesprek over vrijheid. Lezen voordat je begint met schelden en beledigen! Alleen klinkt verplicht zo onvrij. Dus anders geformuleerd: politici, journalisten, columnisten en satirici, mag ik jullie een advies geven, lees De verovering van de vrijheid van Alicja Gescinska. Zo’n ‘duwtje in de rug’ past in een pleidooi voor positieve vrijheid.

 

Creativiteit en voorspelbaarheid

Adviezen heb je in soorten en maten. Soms lees je er een en vraag je je af wat ze nu bedoelen. Het rapport Winnaars van morgen, opgesteld onder leiding van de KNVB is er zo een. Tenminste, dat wat erover in de Volkskrant is verschenen.

Met de voor velen in Nederland belangrijkste bijzaak, het voetbal, gaat het immers niet zo goed. Komende zomer ontbreekt Nederland op het Europees kampioenschap waar de helft van alle landen aan deel neemt. Nederlandse clubs schoppen in de Europese competities geen deuk in een pakje boter. Ook is, volgens de deskundigen, het voetbal in de Eredivisie niet om aan te zien.

VoetbalFoto: www.bet.nl

Vele nationale en internationale toptrainers zijn gevraagd om hun mening en inbreng. Hun analyse en advies: “laat jullie voetbalcultuur niet los, de cultuur van aanvallend, dominant, creatief en positief arrogant voetbal, maar het moet beter. Jullie zijn te voorspelbaar, in je aanvallende en creatieve voetbal.” En toen kwamen de vraagtekens. ‘Te voorspelbaar in je creativiteit’? Creativiteit: het vermogen om iets te scheppen. Iets dat er niet was, iets nieuws. Hoe kun je te voorspellen zijn in creativiteit? Creativiteit is toch onvoorspelbaar?

“En we moeten stoppen met al die balletjes achteruit en breed. De bal moet goed en functioneel vooruit. Middenvelders in het jeugdvoetbal kijken vaak niet eens meer naar voren, en aanvallers rekenen niet eens meer op de bal.” Een uitspraak van de technisch manager van de KNVB, Jelle Goes. Hier is ‘voorspelbaarheid’ te lezen en een gebrek aan ‘creativiteit’. Zou dat de werkelijke analyse zijn? Dit lijkt een goede beschrijving van het Nederlandse voetbal.

Even naar het andere uiterste, naar Barcelona. De club van Messi. De club die wordt geroemd om haar creatieve voetbal. Alleen ontbrak die creativiteit een paar wedstrijden en zag het er in de kwartfinale van de Champions League tegen Atletico Madrid behoorlijk voorspelbaar uit. Het leek wel het Nederlands elftal, Ajax (met als extreem voorbeeld de wedstrijd tegen De Graafschap waar de club het kampioenschap miste) of een andere Nederlandse club. Rondspelen om de bal in bezit te hebben. Oorzaak, de creatieve spelers Messi en Neymar waren niet in vorm. Is creativiteit niet afhankelijk van creatieve individuen als Messi, Neymar en vroeger Maradonna, Cruijff en Pelé? Spelers die iets doen wat niemand verwacht?

Naast een geniaal voetballer en trainer is Cruijff ook bekend om zijn vele uitspraken. Uitspraken zoals: ‘De basis is de bal zo snel mogelijk onder controle krijgen, zodat je iets meer tijd hebt om te kijken.’ Een waarheid als een koe. Alleen heb je daar weinig aan als je speelt tegen super fitte spelers als die van Atletico Madrid. Door hun fitheid zijn ze eerder bij je en heb je nog steeds te weinig tijd om goed rond te kijken. Dat bewees de halve finale wedstrijd van die club tegen Bayern München. De Bayern spelers werden zo opgejaagd dat hen de tijd ontbrak om te kijken. En ook bij Bayern waren de ‘Messi’s’ er niet (Robben) of onder de maat (Ribéry). Is creativiteit dan toch afhankelijk van individuen?

De verbetertips: “… de kwaliteit van trainers, cursussen, het opleiden van echte verdedigers, hogere weerstand door sterkere competities te formeren, waarin de besten elkaar vaker treffen.” Dit lezend, denk ik aan Manchester City,  Chelsea. Teams die bestaan uit grote, sterke en fitte spelers. Spelers met een conditie om twee wedstrijden achter elkaar te spelen. Ze hebben alles behalve creativiteit. Dit lezend denk ik aan structuur, organisatie en discipline, aan alles behalve creativiteit. Creativiteit voelt zich niet thuis in structuren, zou dat niet ook voor voetballers gelden? Zou je creatieve voetballers niet vrij moeten laten en ze niet vangen in structuren? Neem Cruijff, die liep waar hij wilde, waar hij dacht dat het nodig was en deed vanaf die plek iets wat niemand verwachte. Sterker nog, hij werd niet eens op die plek verwacht. En Maradonna, die was ook niet aan een positie te binden en gebonden. Doet Messi nu niet precies hetzelfde? Zwerft hij niet ook over het veld?

Dit schrijvend, moet ik denken aan het boek De Barbaren van Alessandro Baricco. In dit boek beschrijft Baricco het steeds oppervlakkiger worden van de samenleving. Het draait steeds meer om de kick van het moment en niet om diepgang. Om snelheid in plaats van creativiteit en schoonheid. Ook het voetbal komt in dit boek aan de orde in de persoon van Roberto Baggio. Voor degenen van jullie die het niet weten of niet meer weten, Roberto Baggio was een geniale ouderwetse nummer tien. Een spelmaker om je vingers bij af te likken, omdat hij oplossingen verzon die niemand zag en die niemand kon uitvoeren. Alleen jammer dat hij een van de spelers was die in de beslissende strafschoppenreeks in de finale van het WK van 1994 namens Italië een strafschop miste.

Baggio was een geniale specialist en die werden en worden steeds minder gewaardeerd. Generalisten zijn gevraagd. De back moet kunnen aanvallen en een voorzet geven, de centrale verdediger moet inschuiven, de aanvaller mee verdedigen. Ze moeten dus vooral fit zijn, veel lopen, de middenvelders nog het meest. Allemaal hebben ze een goede basistechniek, ze kunnen de bal redelijk snel onder controle krijgen en als ze de bal niet hebben, snel bij de man met bal zijn. Ze kunnen veel maar zijn niet creatief. Die opkomende back is blij dat hij de achterlijn haalt en slingert de bal dan blind voor. Hij heeft niet de rust en het overzicht van een ouderwetse buitenspits als John van ’t Schip. De rust en het overzicht om tijdens het hollen en draven rond te kijken waar de bal het beste naar toe kan. Maar ja, de John van ’t Schips verdedigden veel minder mee, ze spaarden hun energie. Alleen dat kan tegenwoordig niet meer, je moet immers mee verdedigen. Die middenvelder holt, weet misschien wel waar de bal naar toe moet, maar heeft niet de techniek en de rust om die man voor hem, op het verkeerde been te zetten en zo de ruimte te creëren om de bal daar te krijgen. Baggio kon dat wel. Maar ja, Baggio was grote delen van de wedstrijd afwezig. Dan leek het of hij droomde. Dat kan tegenwoordig niet meer, hij zou moeten meeverdedigen, gaten trekken, ruimtes afdekken. Daarom zat hij, tot groot verdriet van Baricco en anderen, in de latere jaren van zijn carrière, veel op de bank.

Tegenwoordig moet alles snel en daarover zegt Baricco het volgende: “Om ervoor te zorgen dat er alles kan gebeuren op elk deel van het veld, moet je snel rennen, snel spelen, snel denken. Middelmatigheid is snel. Genialiteit is traag. In middelmatigheid vindt het systeem een snelle omgang van ideeën en handelingen; in de genialiteit, in de diepzinnigheid van de edelste individu, wordt dat ritme doorbroken.” Waar zullen de verbetertips toe leiden? Tot creativiteit of voorspelbaarheid? Kun je genialiteit en creativiteit opleiden?

Zou een Cruijff doorbreken in voetbal waar de nadruk ligt op structuur, organisatie, discipline en vooral grote en sterke spelers? Welke trainer zou nu het gedrag van de jonge Cruijff accepteren, zou accepteren dat een broekie van zeventien zegt hoe het moet? De laatste eigenwijze topspeler (Clarence Seedorf) die ons land heeft voortgebracht, werd al op jonge leeftijd verdreven naar het buitenland en heeft nooit een belangrijke rol in het Nederlands elftal vervuld. Lezen we niet genoeg berichten van ‘lastige jeugdspelers’ die bij de topclubs de deur worden gewezen? Spelers als Oussama Tannane. Een creatieve dwarsligger, niet van het niveau Cruijff of Messi, maar wel eentje die iets bijzonders doet. Is de opgave niet om creatieve eigenwijze spelers de ruimte te geven? Ruimte die zij nodig hebben, maar er niet moet zijn voor alleen eigenwijze types?

Heeft Messi niet het geluk gehad dat Cruijff de lijnen had uitgezet bij Barcelona? Lijnen die ruimte boden voor Messi. De vraag is alleen of de ervaren, eigenwijze, oude Cruijff zijn jonge zelf de ruimte zou hebben geboden om tegen hem in te gaan?

Moreel Esperanto

Multicultureel, multiculturalisme, multiculturelativisme, woorden die centraal staan in een artikel van Gert Jan Geling bij ThePostOnline. Geling is  op zoek naar een midden positie in het debat over de multiculturele samenleving.

Moreel Esperanto

Foto: www.bnr.nl

Hij doet een poging om tot een middenpositie te komen tussen zij die alle culturen even veel waard vinden en zij die uitgaan van de superioriteit van een cultuur. Een positie die gebruik maakt van de voordelen van diversiteit en toch universele waarden benoemt. Geling pleit voor het promoten van: “model van de open samenleving als vrije markt van culturen en waarden.” Voor Geling is: “Het vellen van een oordeel over culturen .. bij uitstek het meest waardevolle aspect van diversiteit in een open samenleving waarbinnen diverse culturen naast elkaar bestaan.” 

Maar waarin verschilt de positie van Geling met de positie van degene die rangorde aanbrengen en dus ‘superieure’ culturen benoemt? Want is het vellen van een oordeel over culturen niet hetzelfde als een rangorde aanbrengen? Doe je dat niet door als waarden botsen: “ … te streven naar universele waarden die breed gedeeld worden in de samenleving.” zoals Geling betoogt? Door te zoeken naar: “een dergelijke set van waarden … die als het ware als een moreel Esperanto functioneert op het gebied van waarden”?

Hoe bepaal je daar waar waarden botsen, welke keuze de juiste is voor dat ‘moreel Esperanto’? Als de waarde ‘individuele ontplooiing’ botst met ‘broederschap’, wat weegt dan het zwaarst? Bepaalt niet juist de keuze hiertussen, de culturele ‘rangorde’? En bijna net zo belangrijk, wie gaat dat bepalen?

Is de open samenleving te zien als ‘een vrije markt van culturen en waarden’? Is het niet veeleer een samenleving van individuen? Dat individu kan onderdeel uitmaken van een cultuur. En gaat het niet juist mis als we ‘moreel Esperanto’ afstemmen op culturen en hun botsingen? Mis, omdat dan het individu in de knel komt? In de knel tussen zijn ‘cultuur’ en ‘Gelings moreel Esperanto’? Zou het ‘moreel Esperanto’ niet de geldende wetgeving zijn?