Verslaafd en borderline

Een van de opdrachten bij de Jeugdwet die per 1 januari 2015 van kracht werd, is zoveel mogelijk proberen te normaliseren. In plaats van de jeugdige uit zijn omgeving te lichten en hem te ‘behandelen’, moet gekeken worden hoe de jeugdige met zijn omgeving kan omgaan én de omgeving met de jeugdige. Of zoals in de memorie van toelichting beschreven staat:”Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.” De wetgever wil dat de samenleving problemen met jeugdigen zoveel mogelijk oplost. Dat is een nobel streven en daar kan niemand iets op tegen hebben. In ’t Schaep met de 5 pooten werd immers al gezongen: “We benne op de wereld om mekaar om mekaar om mekaar om mekaar te helpen, nietwaar?”

DSM V

Wat als de Belg, Dirk de Wachter, gelijk heeft? Hij vergelijkt in zijn boek ‘Borderlinetimes. Het einde van de Normaliteit’ onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPS of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenslijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties… .” Hoe normaal is de samenleving?

De bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen de DSM V bevat naast borderline ook verslaving als stoornis. Iemand is verslaafd als hij drie of meer van de volgende zeven kenmerken vertoont binnen twaalf maanden:

  1. Tolerantie treedt op, dat wil zeggen dat er steeds meer van het verslavende middel nodig is om het gewenste effect te bereiken of dat steeds minder effect optreedt bij het gebruik van eenzelfde hoeveelheid van het verslavende middel;
  2. Er treden ontwenningsverschijnselen op, specifiek voor dat middel, of er worden gelijksoortige middelen genomen om de ontwenningsverschijnselen het hoofd te bieden;
  3. Het middel wordt in steeds grotere hoeveelheden genomen, over een langere tijd dan eigenlijk de bedoeling was;
  4. Er is de drang om te stoppen met het middel, verschillende (mislukte) pogingen zijn ondernomen om te stoppen, te minderen;
  5. Veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van het middel en/of het gebruiken van het middel;
  6. Belangrijke sociale activiteiten, werk en/of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd voor het middelengebruik;
  7. Ook al weet de persoon dat het middel dat wordt genomen zorgt voor fysieke of psychologische aandoeningen of verslechtering daarvan, hij of zij blijft doorgaan met het gebruik ervan.

De DSM V is er om een individu te beoordelen, maar wat als de samenleving langs deze kenmerken wordt gelegd. Economische groei is de norm en die groei moet het liefst stevig en robuust zijn. Als de groei een half procent is dan noemen we het zwakke groei en we vergelijken ons altijd met landen die een hogere groei hebben. Die doen het beter. Met een beetje fantasie kun je beweren dat onze samenleving aan het eerste criterium voldoet.

Als de economie krimpt, dan ontstaat paniek en slaat de stress toe. Ook het tweede kenmerk, de ontwenningsverschijnselen, lijkt van toepassing.

Hoe hoger de groei, hoe beter het wordt beoordeeld. Groei wordt beoordeeld in vergelijking met andere landen en andere perioden. Het streven is daarbij om het beter te doen. Ik ben geen psycholoog en kan daarom niet goed beoordelen of daarmee wordt voldaan aan het derde kenmerk.

Het vierde kenmerk is slechts bij een klein deel van de samenleving te herkennen en nog zeker niet doorgedrongen tot politici en bestuurders. De samenleving zit nog in de ontkenningsfase: nee, wij zijn niet verslaafd. Economische groei staat centraal in politiek en beleid. In  verkiezingstijd komt dit bijvoorbeeld tot uiting en gaat het debat vooral over een paar tienden meer of minder economische groei bij het uitvoeren van de maatregelen uit de verkiezingsprogramma’s. Hierbij vervult het Centraal Plan Bureau de rol van ‘onafhankelijk scheidsrechter’. Alsof de modellen die hierbij worden gebruikt vrij van waarden en interpretaties zijn. Dus ja, veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van economische groei en daarmee aan het vijfde kenmerk.

Als het daarbij tegenzit, dan moet er worden bezuinigd en dat gebeurt vooral op zaken waarvan het economische rendement lastig tot niet te berekenen is, zaken zoals cultuur, sport en natuurbeheer. Zaken die wel belangrijk zijn voor het functioneren van een samenleving (zesde kenmerk).

Ook is bij een groot deel van de samenleving inmiddels het besef doorgedrongen dat we, het voor ons overleven zo belangrijke milieu, schoon water, schone lucht, schone bodem, de vernieling in helpen als het zo door gaat. Dat de grondstoffenvoorraad zo snel wordt uitgeput dat het leven van onze kinderen en kleinkinderen in gevaar komt. Het besef is er maar het wordt nog steeds verdoofd door het geloof in het technisch vernuft, de technologische ontwikkeling zal de reddende engel zijn en voor alle problemen oplossingen vinden.

Kan de conclusie worden getrokken dat onze samenleving niet alleen aan borderline lijdt, maar ook nog verslaafd is? Zouden de problemen met de jeugdigen voor een deel niet een gevolg kunnen zijn van deze ‘ziekte’ van de samenleving?

Shoot the messenger!

Als de boodschap je niet bevalt dan is het tegenwoordig, trouwens vroeger ook, de boodschapper in discrediet te brengen. Tegenwoordig is dat aan de orde van de dag. Door de persoon af te vallen, hoef je immers niet op de inhoud in te gaan en kun je braaf in je eigen wereld blijven leven. Bij ThePostOnline geeft Sietske Bergsma daar een mooi voorbeeld van.

Rigthon

Foto: www.npo.nl

Bij Pauw werd afgelopen week gesproken over de foto van het Syrische jongetje Alan Kurdi die vorig jaar de vluchtelingencrisis symboliseerde. Bergsma valt over Volkskrantjournaliste Nathalie Righton heen: “De mevrouw van de Volkskrant die bij Pauw de foto koesterde, is een vrouw die ik goed ken, nou ja haar type, in groepjes. Ik zie ze dan samen. Ze houden die moederlijke glans over zich terwijl ze over hun werk praten, hun ogen wijd open, ze hebben hun huisjes mooi op orde, doen ‘liever even een frisje’, zien er verzorgd uit, maar dan wel nog van die laarzen over hun broek, dat dan weer wel. Ze hebben dode kindjes op het strand nodig, of een bebloed kindje in een ambulance om ‘nog wat te voelen bij de oorlog in Syrië”. Zo’n tuttebel, slaapkamergeleerde en vooral ‘grachtengordel’ type hoef je niet serieus te nemen.

Bergsma kent Righton goed, nou ja haar type. Is dat wel zo? Heeft ze zich verdiept in de journalistieke carrière en werk van Righton? Zou ze weten dat Righton zonder bescherming van welk leger dan ook, door Afghanistan heeft gereisd om daar verslag te doen van de ‘oorlog tegen het terrorisme’? Eigenlijk zoals het een goed journalist betaamt. Dat zij daar die mooie woorden van onze Haagse politici, zoals ‘opbouwmissie en vredebrengen’, in de praktijk heeft gezien? Dat zij de slachtoffers heeft gezien en gesproken? Dat zij dode kinderen heeft gezien en vervolgens ook heeft gezien hoe weinig dit teweeg bracht bij de (meer dan gemiddelde) Nederlander. Iets wat ook voor de vluchtelingen aan de Europese grens leek te gelden, tot die beroemde foto. Toen pas kwam er beweging.

Kent Bergsma ‘mensen als Righton’ echt?  Een van haar laatste zinnen suggereert anders: “Mensen die nog aan elkaar moeten bewijzen dat een dood kind erg is, zijn niet erg empathisch, maar bang voor een oordeel.” Wrang om zoiets over Righton te schrijven. Maar ja, je hoeft het zo niet over de inhoud te hebben.  Zou het kunnen dat Bergsma bang is voor een oordeel?

Geheime complotten

Complotten, samenzweringen veel mensen zien ze overal. In Nederland is het ‘geloof in een links complot’ groot. Onderzoeker Robert Grimes heeft onderzoek gedaan naar complotten en vooral naar hun houdbaarheid.

complotIllustratie: complotdenken.wordpress.com

Geheel volgens verwachting vraagt een complot dat lang verborgen moet blijven om weinig mensen die ervan weten. Wil je dat je geheim vijf jaar houdt, dan moet je het aan niet meer dan 2.531 mensen vertellen. Bij een geheim dat het honderd jaar moet uithouden, moeten niet meer dan 125 mensen betrokken zijn. Grimes komt tot deze cijfers op basis van populaire voorbeelden zoals de maanlanding.

Ik moest aan dit onderzoek denken toen ik las dat in Turkije weer 50.000 ambtenaren op non actief waren gezet vanwege de mislukte staatsgreep van juli. Daarmee zijn er in totaal al 130.000 ambtenaren ontslagen en zijn hun diploma’s ingenomen. En dan betreft het nog alleen maar ambtenaren en alleen maar in Turkije. In de beeldvorming in de media lijkt het alsof de Turkse regering iedere ‘aanhanger’ van Gülen verdenkt van betrokkenheid. Dan hebben we het over miljoenen mensen.

Als je zoveel mensen ontslaat en van alles uitsluit, dan moet je toch enig bewijs tegen ieder van hen hebben.Zoveel mensen die ‘betrokken’ zouden zijn bij de couppoging. En een coup pleeg je niet van vandaag op morgen, die vraagt om een flinke voorbereidingstijd dan kom je er niet met een weekje. Zeker niet met zoveel mensen die erbij betrokken zijn.

Gezien het grote aantal betrokken mensen komt de vraag op hoe het komt dat er uberhaupt een coup is gepleegd? Had die niet al uitgelekt moeten zijn voordat hij plaatsvond? Wellicht is de coup uitgelekt voordat hij plaatsvond en heeft de Turkse regering hem plaatslaten vinden om nu de teugels aan te trekken?

Nee, dat is denken in complotten. Want zouden er ook bij dat complot zouden niet zoveel mensen betrokken moeten zijn, dat het, volgens het onderzoek van Grimes, al zo ongeveer uit had moeten komen?

Trouw aan een land

Bij The PostOnline bekritiseert columnist Ralph Posset cultuurhistoricus en oud-hoogleraar Gerard Rooijakkers. Volgens Rooijakkers zorgen de sterke familiebanden ervoor dat Turken loyaal blijven aan Turkije. Volgens Posset is dit: “een absoluut kulargument. Je bent niet trouw aan een land dat in jouw ogen slecht voor jouw familie zorgt. … Het heeft er alles mee te maken dat men wel met voeten in de Nederlandse klei staat maar dat hun hart nog steeds klopt voor het Ottomaanse rijk.”  Een land dat je familie slecht behandelt, is je trouw niet waard. Een interessante redenering van Posset.

trouw aan je land

Illustratie: www.considerati.com

Laten we eens met de redenering van Posset naar de Nederlandse situatie kijken. Als een land slecht slecht voor jou en de familie zorgt, dan verdient dat land je trouw niet. Zou het kunnen dat velen die in dit land ‘allochtoon’ worden genoemd en zo met woorden buiten de samenleving worden gezet, niet zo’n warme band hebben met Nederland? Als je steeds te horen krijgt dat er nog iets schort aan je ‘inburgering’. Als je steeds wordt aangesproken op, en je moet distantiëren van het gedrag van anderen die tot ‘dezelfde groep’ behoren. Als je als groep en probleem wordt gezien en niet als individu. Zou je dan de indruk kunnen krijgen dat dat land ‘slecht voor je zorgt’? Zou je je dan af kunnen vragen of dat land je ‘trouw’ wel waard is?

Zou het dan kunnen dat je hart meer klopt voor een land dat jij ooit hebt verlaten? Of zelfs een land dat je ouders of grootouders ooit hebben verlaten? Een land dat je alleen maar kent van die jaarlijkse vakantie als iedereen blij is elkaar weer te zien en alles leuk lijkt. Een land dat je verder kent van de televisiezenders uit dat land. Televisiezenders die, net als de Nederlandse, een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Een land dat je hierdoor warmere gevoelens bezorgt dan het land waar je woont.

Zou de redenering van Posset, dat een land dat slecht voor je is, je trouw niet waard is, een kern van waarheid bevatten? Met dat verschil dat het land niet Turkije is, in het voorbeeld van Posset, maar Nederland?

Vier het leven

Deze zomer ben ik begonnen met het lezen van de filosofische trilogie Sferen van de filosoof Peter Sloterdijk. Ik ben goed op weg in het eerste deel Bellen. Aan een bijzondere passage in dit boek moest ik denken toen ik gisteren de Vier het leven bijeenkomst van vriendin Anja bijwoonde. Anja is getroffen door de ziekte kanker en nam met deze bijeenkomst afscheid van haar familie en vrienden. Een bijzondere herdenkingsbijeenkomst van het leven van Anja en haar partner Harry waar mooie woorden werden gesproken.

Sloterdijk haalt in zijn boek Nietsche aan, die in Die fröhliche Wissenschaft leven en dood op een bijzondere manier met elkaar verbindt: “Laten we ervoor oppassen te beweren dat de dood de tegenpool van het leven is. Het levende is slechts een bestaansvorm van het dode, een heel zeldzame wel te verstaan.” De mooie woorden en muziek die voor Anja werden gesproken, gespeeld en gezongen, maakten dat ik begon te malen over deze passage. Nu staat Nietsche niet bekend als de meest vrolijke mens die ooit op de aardbol heeft rondgelopen. Zo ongeveer de tegenpool van Anja en Harry. Wel als een van de weinigen die redeneringen tot in het uiterste doorvoerde. Vanuit die weinig vrolijke kijk kan ik begrijpen dat hij tot de conclusie kwam dat het leven, om mijn eigen woorden te gebruiken, slechts een bijzondere rimpeling van het dode is. Een die aansluit bij de uitspraak dat wij uit stof zijn gemaakt en tot stof zullen wederkeren.

Stel dat Nietsche vrolijk van aard was, zou hij dan tot een andere conclusie zijn gekomen? Want als wij weer wederkeren tot het stof waaruit wij zijn gemaakt, dan kan dat stof toch ook weer de basis zijn voor nieuw leven? Een Cradle to Cradle gedachte, de cirkel van het leven. Het doel van het stof, als je van een doel kunt spreken, is dan het leven. Dan zou je vanuit het stof geredeneerd kunnen zeggen: voor leven ben je gemaakt en tot leven zul je wederkeren. Wordt dan de dood niet een bijzondere rimpeling van het leven? Zou de ‘vrolijke’ Nietsche dan niet kunnen concluderen dat ‘het dode slechts een bestaansvorm van het levende is, een heel zeldzame wel te verstaan’?

Anja we zullen het leven blijven vieren, samen met je lieve Harry. We zullen je naam blijven noemen!

Schermafbeelding 2016-09-01 om 11.06.15

Oorlog en Vrede

“Behalve dat de handelsblokken elkaar dwars gaan zitten door hun valutakoersen te manipuleren, zullen ze elkaar nu ook blijven bestrijden met tarifaire (importheffingen) en non-tarifaire (regelgeving) handelsbarrières. En daar kwam gisteren nog een andere oorlog bij zodat in economische zin de totale oorlog bijna een feit is.” Aldus Peter de Waard in de Volkskrant. Die andere oorlog is gestart met de naheffing van dertien miljard die de EU gisteren aan Apple op heeft gelegd. En dat allemaal omdat TTIP niet doorgaat.

oorlog en vredeIllustratie: www.geschiedenis.nl

Dus omdat TTIP er niet komt, breekt er een volledige, totale economische oorlog uit. Economische anarchie en dat is slecht voor iedereen behalve het internationale bedrijfsleven: “Zij hebben de wereld als hun speelveld en gedijen bij oorlogen. Zo lang de grootmachten ruziën, zit het wel snor met hun voornemen zo weinig mogelijk belasting te betalen en zo veel mogelijk winst op te potten voor de aandeelhouders.” De Waard legt een verband tussen handelsverdragen en belastinginning. “ Als mondiaal afspraken worden gemaakt over uniforme handels- en belastingregels kunnen ze niet langer de machtsblokken tegen elkaar uitspelen,” aldus De Waard. Zonder verdragen als TTIP wordt belastingontwijking nog makkelijker.

Daar wordt ook anders over gedacht. Op de site RTLZ schetst Hella Hueck een heel ander beeld. De titel vat het kernachtig samen: “Belasting ontwijken wordt makkelijker door TTIP.”  Hueck: “Het heffen van belasting wordt gezien als een belangrijk onderdeel van de soevereiniteit van een land. Daarom maken de meeste landen bij het afsluiten van internationale handelsverdragen een uitzondering (‘carve-out’) : bedrijven mogen staten niet voor een arbitragehof slepen als het om belasting gerelateerde zaken gaat. Onderzoekers namen honderden ISDS-zaken onder de loep en nu blijkt dat in 24 gevallen landen toch gedaagd zijn over belastingwetgeving. Daar zijn ook gevallen bij waarbij het bedrijven is gelukt hun belastingaanslagen aan te vechten en te verlagen.” Nederland speelt hierbij een belangrijke rol vanwege de vele ‘brievenbussen op de Zuidas’. Met TTIP wordt belastingontwijking makkelijker. Dus ook zonder ruzie, met ‘vrede’ via verdragen ‘gedijt belastingontwijking door het bedrijfsleven’.

Handels- en belastingregels of niet, het bedrijfsleven gedijt bij economische Oorlog en Vrede? Of zouden de Apples van deze wereld in de problemen komen in een ‘oorlogssituatie’? Want wat als ze zich, gelokt door lage belastingen, vestigen op Barbados en de VS en de rest van de wereld, verhogen het importtatrief op de iPhone? Of als belastingontwijkers door een boycot getroffen worden vanwege ‘on Amerikaans’ gedrag?

Verkiezingen

In Trouw komt filosoof Ger Groot tot de conclusie dat verkiezingsprogramma’s de kiezer ook niet echt helpen. Hij pleit er dan ook voor om naar de persoon van de politicus te kijken: “In het onderhandelingsproces komt het op zíjn inslag en karakter aan, veel meer dan op de voornemens van zijn partij. Wat doet híj in de moeilijke en onvoorziene omstandigheden van de praktische politiek? Bewijst hij, zelfs wanneer hij de helft van zijn verkiezingsprogramma overboord kiepert, desondanks voor zijn kiezers een betrouwbare persoon te zijn?” Dan heb je niets aan programma’s ook al passen ze op één a-viertje.

Rawls

Maar hoe beoordeel je de woorden en daden van de politicus? Hoe vergelijk je politici onderling? En hoe verklein je het risico dat je wordt verleid door mooie woorden ter verdediging van verschrikkelijke daden? Hoe voorkom je dat de menselijkheid in bijvoorbeeld de zorg, wordt opgeofferd aan het streven naar economische groei. Groei die ook nog eens scheef wordt verdeeld.

In zijn belangrijke werk Een Theorie van Rechtvaardigheid pleit de filosoof John Rawls voor rechtvaardigheid als billijkheid. Hij formuleert twee beginselen. Een: “Elke persoon dient gelijke rechten te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele rechten, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen.” Twee: “Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder gelijke voorwaarden van billijke gelijkheid van kansen.”

Hoe zou het boerkinidebat verlopen met deze beginselen als leidraad? Hoe zou dan de pleitbrief om belastingverlaging van de Amerikaanse techbedrijven worden beoordeeld?  Met welke redenering en argumenten zou een politicus komen om een maatregel die tot meer ongelijkheid leidt, te bepleiten? Hoe zou een politicus een keuze die tot een schevere verdeling van de welvaart leidt, verdedigen?

Wellicht is het een idee om deze beginselen in een verkiezingsdebat eens centraal te stellen en de deelnemers dan een viertal casusses voor te leggen? Bijvoorbeeld twee handelend over de afgelopen vier jaar en twee vraagstukken die de komende jaren spelen. Het proberen waard?

 

‘Islamitisch hoofddoekje’

‘Geen islamitische hoofddoekjes in een publieke functie’, dat is een van de programmapunten van de PVV. Een programma met als titel en motto: ‘Nederland weer van ons’ en dat roept meteen de vraag op wie die ‘ons’ is, maar daar wil ik het niet over hebben. Het gaat mij over dat islamitisch hoofdoekjesverbod in publieke functies.

hoofddoekje

Foto: www.moossie.nl

Hoe kun je aan een hoofddoekje zien dat het ‘islamitisch’ is? Welke kenmerken heeft zo’n hoofddoekje en waarin verschilt het van andere hoofddoekjes? Natuurlijk bedoelt de PVV wat anders. Ze bedoelt dat het dragen van islamitische religieuze uitingen door mensen in een publieke functie, verboden moet worden en het dragen van een hoofddoekje is zo’n uiting. Net zoals het dragen van een kruisje een christenlijk religieuze uiting is, een sikh een tulband draagt en zo heeft iedere religie haar symbolen.

Bedoelt de PVV dat religieuze uitingen niet meer gedragen mogen worden door mensen in publieke functies? Dat zou wel consequent zijn. Als immers alleen het dragen van uitingen van één religie verboden zou zijn, dan discrimineert de overheid immers. Zou de PVV er dan ook voor willen ijveren om de verwijzing naar god in de aanhef van iedere Nederlandse wet (‘Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz’) te verwijderen? Door de ambtseed aan de passen en alleen af te sluiten met ‘Dat verklaar en beloof ik’ en dus ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’  niet meer toe te staan? ‘God almachtig’ is trouwens een goede vertaling van  ‘Allahoe akbar’.

Waarschijnlijk bedoelt de PVV dat niet. Het programma verwijst alleen naar islamitische symbolen en lijkt zich niet druk te maken over de bevoorrechting van de christenlijke god door de overheid zelf. Roept de partij de overheid op om te discrimineren op basis van religie? Of wil de partij ook de Grondwet aanpassen en daarin op laten nemen welke religie wel onder de godsdienstvrijheid valt en welke niet? En nog een stap verder, wil de partij de islam de status van godsdienst ontnemen? Dan ben ik benieuwd naar de onderbouwing van die keuze.

Gifpijlen op het verkeerde doel

Bij ThePostOnline gaat columniste Annabel Nanninga, met de boerkini-discussie in het achterhoofd, weer eens flink te keer tegen ‘links’. Nanninga: “En hier zien we wederom gebeuren wat de hele integratie tot zo een giftige mislukking heeft gemaakt: progressief-links verwart vrijheid en tolerantie met lafheid en laksheid. Het laten oprichten van moskeeën en islamitische scholen: ja, want we hebben vrijheid van godsdienst, maar uit lafheid is er nooit de eis gesteld dat Nederlands de voertaal is in dergelijke instellingen. Uit laksheid is er nooit op gelet waar het geld vandaan kwam.” 

schoolstrijdIllustratie: debrug.ipabo.nl

Beste Annabel, hoe kom je erbij dat dit komt omdat progressief links geen eisen stelt? Dat er moskeeën kunnen worden opgericht is een gevolg van de Nederlandse wetgeving die ons vrijheid van godsdienst geeft en ook de vrijheid om daarvoor speciale huizen te stichten. Dat gebeurt ook in de biblebelt waar nog steeds nieuwe kerken worden gebouwd. Dat de overheid niet controleert waar het geld vandaan komt, is ook een gevolg van die wetgeving. Ook die kerken in de bilblebelt hoeven niet aan te geven hoe zij hun ‘godshuizen’ betalen. Net zoals de katholieken dat vroeger ook niet hoefden. Terwijl dat geld weleens uit het, begin vorige eeuw nog ‘verketterde’ (al is dat een slecht woord in deze) Rome zou kunnen komen. Dat noemen we de scheiding tussen kerk en staat. Als je daar wat aan wilt doen, dan moet je de vrijheid van godsdienst ter discussie stellen. Iets wat schuurt tegen een ‘staatsgodsdienst’, want als je de ene wel toestaat en de andere niet, dan kun je spreken van ‘staatsgodsdienst’. Wil je dat?

Dat religieuze stromingen scholen kunnen stichten is een gevolg van de Nederlandse wetgeving die ons de vrijheid van onderwijs geeft. Een vrijheid om een school van je ‘stroming’ te stichten en als je aan de eisen voor een school voldoet, en Nederlands als voertaal is daarvoor een vereiste, dan heb je recht op bekostiging door de staat. Als je daaraan wilt tornen, dan moet je de vrijheid van onderwijs ter discussie stellen en pleiten voor alleen maar openbare, door de staat georganiseerde en gefinancieerde scholen, pleiten. Als je daarvoor pleit, vind je mij aan je zijde.

Die Nederlandse wet is geen ‘linkse laks- of lafheid’. Vooral niet als het de godsdienst betreft. Die is een gevolg van ons eigen godsdienstige verleden. Een verleden van strijd en twisten tussen de verschillende stromingen, tussen protestanten en ‘vanuit Rome aangestuurde’ katholieken. Maar vooral de strijd die de confessionele stromingen voerden met de socialistische en liberale stromingen. Een strijd juist om die rechten. Een strijd die in 1917 tot een monsterakkoord leidde, de ‘pacificatie’, waarmee een einde kwam aan de schoolstrijd en de socialisten het algemeen kiesrecht zekerstelden.

Geen laf- of laksheid van links, maar behoudzucht van confessioneel rechts. Beste Annabel, richt je je ‘gifpijlen’ wel op het juiste doel?

Beloften en gratuite excuses

De Haagse politici zijn weer terug van vakantie en met verkiezingen voor de boeg betekent dit veel kift. De eerste verkiezingsprogramma’s zijn al uit en partijleiders profileren zich nog wat meer. Bij dat profileren hoort voor VVD-leider Mark Rutte ook terugkijken en fouten toegeven. Voor Rutte zijn dat vooral beloften die hij niet is nagekomen: “Duizend euro voor werkend Nederland, niet morrelen aan de hypotheekrenteaftrek en geen geld meer naar de Grieken. Laat ik daar volstrekt helder over zijn: ik zeg daar sorry voor,” zo is te lezen in Trouw.

RutteFoto: www.nrc.nl

Mooi toch een politicus die zijn excuses aanbiedt voor gebroken beloften. “Ik stond simpelweg voor de keuze: ga ik die belofte ongeacht de politieke en economische realiteit toch gestand doen? Dan zou ik voor Nederland risico’s hebben gelopen,” zo beargumenteert Rutte zijn excuus. Goed, een politicus die kijkt naar het ‘landsbelang’ en daarvoor zelfs zijn eigen standpunten opoffert. Hulde voor Rutte.

Toch wringt er iets. De beloften werden gedaan vlak voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen, ze werden gebroken vlak erna. Was die politieke realiteit en het landsbelang in die korte tijd zo veranderd? Was die economische realiteit ineens heel anders? Werden er niet al voor de verkiezingen vraagtekens gezet bij het realiteitsgehalte van deze beloften? Werd niet al tevoren de vraag gesteld waarvan die duizend euro te betalen? Was de onhoudbaarheid van de hypotheekrenteaftrek niet al jaren duidelijk? En ook de Griekse problemen kwamen niet ineens uit de lucht vallen.

De ‘risico’s die Nederland’ liep met die beloften, waren al voor de verkiezingen duidelijk. Natuurlijk, er is nooit een verkiezingsprogramma dat tot op de letter wordt uitgevoerd. Dat weet iedere politicus en ook iedere kiezer. Met een belofte ligt dat wat anders, die gaat verder. Wat zegt het over een politicus in het algemeen en een politiek leider in het bijzonder, als hij mooi klinkende beloften doet waarvan hij weet dat ze onhoudbaar en schadelijk zijn? Is dat niet een schoolvoorbeeld van opportunisme? En maakt dat de excuses niet gratuit?

Of moeten we de komende verkiezingscampagne het advies van de Duitse toneelschrijver Max Halbe ter harte nemen: “Wenn ein Mensch sein Versprechen wiederholt, ist er entschlossen es zu brechen” ?