Bestuurders en opvattingen

Bij ThePostOnline neemt Ralph Posset, Timothy Michael Kain de maat. Kain is de democratische vice-presidentskandidaat en is: “De man die een mogelijk doodzieke presidente Clinton zal opvolgen.” Nu heeft Clinton een longontsteking, maar ben je dan doodziek? Ja natuurlijk is ieder levend wezen doodziek. Het leven eindigt immers met de dood. Of je moet de dood als een tussenfase van het leven zien?

kain

Foto: www.bostonglobe.com

Volgens Posset heeft Kain nogal vreemde opvatting: En hij heeft vooral ook vreemde opvattingen over zijn opvattingen. Zo is hij fel gekant tegen de doodstraf. Wat hem als toenmalige gouverneur voor Virginia dan weer niet belette om 11 maal in te stemmen met dodelijke executies in zijn staat. Dat is toch alsof een vegetariër wel gaat jagen op wild maar de geschoten dieren vervolgens niet eet vanwege zijn overtuiging. Hij is tegen abortus maar wil geen wetgeving die het aborteren verbiedt. Verder is hij tegen het homohuwelijk. Voor Nederlandse begrippen zeker geen progressieve geest.” Is de opvatting van Kain over zijn opvattingen wel zo vreemd?

Als gouverneur staat hij aan het hoofd van de uitvoerende macht in een staat. En als, volgens de geldende wet, bij die uitvoering het instemmen met een uitkomst van een rechtsgang hoort, is het dan zo vreemd dat hij instemt? Natuurlijk kan hij als goeverneur wel een voorstel tot wijziging van de wet indienen en zich daarvoor hard maken. Zou het niet vreemder zijn als hij, tot die tijd, die wet aan zijn laars lapte omdat het niet strookt met zijn opvattingen? Wat als rechters gaan weigeren om scheidingen uit te spreken omdat scheiden volgens hun geloof niet mag? Wat is het recht waard als ieders persoonlijke opvattingen domineren?

Waarom moet iemand die tegen bijvoorbeeld abortus is, voor een wet tegen abortus zijn? Waarom moet iemand met dergelijke opvattingen wetgeving op deze gebieden nastreven? Getuigt het niet juist van tollerantie en van een liberale inslag als iemand zijn persoonlijke opvattingen voor zichzelf laat en anderen de ruimte geeft om er andere op na te houden? Een wet die abortus mogelijk maakt, beperkt Kain niet in zijn daden. Een wet die abortus verbiedt, belemmert voorstanders van abortus wel in hun daden.

Maakt een dergelijk flexibele en vooral liberale geest Kain niet uitermate geschikt voor een bestuursfunctie?

Logica

Op de opiniesite Joop reageert Tweede Kamerlid Selçuk Öztürk op een artikel van Joopcolumnist Han van der Horst. Onderwerp van hun meningsverschil is een wetsvoorstel van PvdA-kamerlid Yücel. Als dat wetsvoorstel wordt aangenomen dan moeten ondernemingen verantwoording afleggen aan de ondernemingsraad over het beleid dat ze hebben gevoerd om gelijke beloning tussen mannen en vrouwen te bevorderen. Öztürk heeft een amendement ingediend om die verantwoording te verbreden naar de afkomst van mensen. Volgens Van der Horst is dit: “extreem gevaarlijk.” 

logica

Illustratie: slides.com

Het gaat mij niet om het al dan niet gevaarlijk zijn van ‘etnische registratie’ door bedrijven. Het gaat mij om de logica achter het argument van Öztürk. Of eigenlijk het gebrek aan logica.  “Als men het geheel intersectioneel benadert zou een vrouw met een migrantenachtergrond dubbel benadeeld kunnen worden in haar loon: vanwege haar geslacht en vanwege haar afkomst,” stelt Öztürk. Klopt die redenering wel? Iedere werknemer in een bedrijf is man of vrouw, meer smaken zijn er niet (of is ‘onzijdig’ er ook? Dan is er een derde smaak). Als het doel van de wet is om ervoor te zorgen dat mensen die hetzelfde werk doen een gelijke beloning te laten krijgen, dan is het vergelijken van mannen en vrouwen meer dan voldoende. Alle werknemers vallen immers in die onderverdeling. Als er beloningsverschillen bij gelijk werk zijn, dan komen die zo naar boven.

Met dat naar boven komen verandert er echter niets en daar zit de zwakte van de wet.  Een ondernemingsraad moet instemmen met belonings- en functiewaarderingssystemen. Vervolgens gaat de leiding van het bedrijf aan de slag en is de rol van de Ondernemingsraad uitgespeeld. Welke ‘macht’ heeft de ondernemingsraad om op te treden en de bedrijfsleiding te dwingen zich aan het vastgestelde beleid te houden? Een Ondernemingsraad is geen parlement. Wie garandeert trouwens dat een ondernemingsraad de door de wetgever gewenste richting ondersteunt?

De directie moet afwijkingen in een jaarverslag motiveren. Is dat niet heel makkelijk? Je hoeft slechts te verwijzen naar de ‘kwaliteiten’ of een gebrek eraan van medewerkers. Beoordeling is altijd subjectief en gebeurt door … de bedrijfsleiding.

Sterker nog, zelfs het onderscheid ‘man’ versus ‘vrouw’ is overbodig. Het is voldoende om te kijken of de vervullers van eenzelfde functie gelijk worden beloond. Alle ongelijkheid in beoordeling wordt zo duidelijk. Maar ook zo verandert er niets, want nog steeds is er niemand die iets kan afdwingen.

Het verkeerde slagveld

Beste Annabel Nanninga, bij ThePostOnline herdenkt u de aanslagen van 9 september 2001. De vliegtuigen die de Twintowers invlogen met duizenden doden tot gevolg. Het verbaast u dat: “het gros van de Westerse leiders, media en burgers nog altijd de oorlogsverklaring van de mohammedaanse terroristen angstvallig afhouden” Volgens u leven zij: nog in de wereld zoals die er voor het laatst was in die ene seconde, toen Falling Man nog gewoon aan zijn bureau zat. In een toren die niet smeulde. Toen wij hier elf september nog als 11/9 schreven.”

wtcFoto: www.britannica.com

Beste mevrouw Nanninga, ik ben zo’n afhouder van die oorlogsverklaring. Nee ik ontken de impact van de aanslagen niet. Ik leef niet in 2001, maar in 2016. Ja ik geloof dat mensen een positieve en constructieve rol kunnen vervullen in het westen. En ja, ook islamieten. Maar ik weet ook dat mensen en niet alleen islamieten,  een negatieve en destructieve rol kunnen spelen. En ja, ik maak me zorgen om politici en vooral politieke leiders die mensen naar de mond praten om extra zetels te behalen. Die zich laten leiden door ‘de peilingen’.

Ik weiger om die aanslagen te zien als een oorlogsverklaring. Ik weiger omdat ik daardoor terecht kom in een oorlogsframe en ik denk we hierdoor verder van huis raken. Het oorlogsframe heeft gezorgd voor een kostbare, vele levens kostende en vooral nutteloze interventie in Afghanistan. Tot het dramatische, door een fundamentalistische ideologie van een andere soort gedreven, ingrijpen in Irak. Het oorlogsframe zorgt er, volgens mij, voor dat we het door de terroristen gewenste ‘strijdperk’ betreden. Oorlogen kennen een eigen dynamiek. Een dynamiek die op gespannen voet staat met de waarden van de rechtstaat en democratie. Door het oorlogsframe raken we verder verwijderd van de werkelijke kracht van onze samenleving. En zouden de door extreme interpretaties van de islam gemotiveerde terroristen juist die kracht niet het meest vrezen?

Die kracht is onder andere dat u en ik vrijelijk van mening kunnen verschillen en daarover van gedachten kunnen wisselen zonder dat we hoeven te vrezen voor ‘staatsingrijpen’. Die kracht is dat wij ons leven op een grotendeels door onszelf bepaalde manier vorm kunnen geven. Die kracht is dat wij uitgaan van de gelijkwaardigheid van mensen. Door die kracht is het bijzonder prettig leven in het westen. Op dit ‘strijdperk’ winnen we met gemak van de terroristen.

Daarom mevrouw Nanninga houd ik de oorlogsverklaring af. Niet angstvallig maar juist vanuit kracht.

Gelijkheid en geweld

Een tijd geleden las ik het boek De kunst van het vreedzaam vechten van Hans Achterhuis en Nico Koning. Een boek waarin de schrijvers  oorzaken van geweld en de manier waarop de mens geweld door de eeuwen heen heeft beteugeld, onderzoeken. Zij zien gelijkheid als een van de belangrijkste oorzaken van geweld.

Als de beteugeling van geweld van boven komt, dan is er, volgens hen, sprake van een verticale beschavingsorde. Dit was eeuwen lang de manier om het onderling geweld in een clan, stam, dorp, stad of rijk te beteugelen. Beteugelen door ongelijkheid aan te brengen. Het gezag kwam van boven en werd uiteindelijk gesanctioneerd door een god of de goden. In sommige culturen werd aan de hoogste leider zelfs een goddelijke status toegekend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Egyptische farao’s maar ook de Chinese en Japanse keizers. Dit zorgde voor stabiliteit en meestentijds voor interne vrede, meestentijds maar niet altijd. Rebellie tegen een heerser betekende dan vaak ook rebellie tegen de heersende godsdienst en dat zorgde voor een flinke drempel. Maar te brute uitoefening van gezag, het ontstaan van een concurrerende religie, ideologie of identiteit of langdurige onvrede over de manier waarop de macht wordt uitgeoefend, waren en zijn de drie hoofdoorzaken waarom mensen in opstand komen.

vreedzaam-vechten

Wat zien we als we naar onze huidige westerse samenleving kijken? Dan zien we dat gelijkheid samen met vrijheid de basis vormt van die samenleving. Onze samenleving kent, in de woorden van Achterhuis en Koning een horizontale beschavingsorde. De orde wordt niet van bovenaf afgedwongen en gesanctioneerd, dat kan immers niet tussen gelijken. De eerste artikelen van onze grondwet handelen over gelijkheid en vrijheid. Als gelijkheid een van de belangrijkste oorzaken van geweld is, zoals de auteurs beweren, hoe komt het dan dat onze samenleving die is gebaseerd op gelijkheid, toch relatief vreedzaam is? Volgens de auteurs is dit een gevolg van een proces van modernisering. Een proces dat ervoor heeft gezorgd dat in de westerse wereld de verticale ordening is vervangen door horizontale vormen van beschavingsordening. We hebben manieren gevonden om zonder de hiërarchie toch geweld te beteugelen. Hierbij moeten we denken aan beschavingsordening via: “… de rechtsorde, de marktorde, de wetenschap, de sport, de overlegcultuur en de democratische procedures.” Dit zijn manieren om de gevaren van gelijkheid te beteugelen en beheersen.

Laten we eens wat verder kijken? Lijkt er dan niet een vorm van verticale ordening te groeien in onze samenleving die horizontaal van aard is? Kijken we naar de marktorde dan zien we dat hier onder invloed van het neoliberalisme een verticale ordening te ontstaan tussen rijk en arm. De groeiende tweedeling tussen tussen de 1% en de overige 99%, zoals Joseph Stiglitz het noemt in zij  boek The Price of Inequality noemt, lijkt die richting op te wijzen. En voor wat betreft de Verenigde Staten toont Stiglitz aan dat die 1% ook de rechtsorde, de (economische en sociale) wetenschap, en de democratische procedures naar hun hand aan het zetten zijn. Barber noemt het in Consumed. How Markets Corrupt Children, Infantilize Adults & Swallow Citizens Whole het ‘consumer capitalism’ en komt tot eenzelfde conclusie.

Kijken we naar de politieke discussie dan is er steeds sprake van ‘elite’ en ‘volk’ die tegenover elkaar staan. Al is niet duidelijk wie  wanneer tot ‘volk’ of ‘elite’ behoort. Het denken in ‘elite’ en ‘volk’ is dat niet denken in verticale structuren? En als we kijken naar verschillende migranten, in hoeverre kennen de landen waaruit de migranten zijn geëmigreerd een verticale ordening? Zou dat een reden kunnen zijn voor wrijving tussen migrant en ‘land van aankomst’?

Een westerse wereld met een horizontale ordening en nu lijkt er onder de grote druk van de markt een nieuwe verticale ordening te ontstaan. Wat zou dat voor de westerse samenleving betekenen?  Achterhuis en Koning laten zien dat dit knellen in het verleden vaak gepaard gingen met veel geweld tenzij andere factoren een dempend effect hadden. Zou de manier waarop solidariteit of, zoals ik eerder schreef, empathie en compassie wordt vormgegeven niet een belangrijke ‘geweldsdempende’ factor kunnen zijn?

Sympathy is what we need my friend

Minister Schippers van Volksgezondheid hield dit jaar de H.J. Schoo-lezing georganiseerd door Elsevier. De minister sprak niet over haar beleidsterrein, maar hield een pleidooi voor het beschermen van onze kernwaarden. Dit omdat ze zich zorgen maakt om haar dochter: “Die zorgen gaan over de vrijheid die mijn dochter zal hebben om haar eigen keuzes te kunnen maken. Over de vrijheid die mijn dochter zal hebben om zelf te kunnen beslissen hoe zij wil leven en wie zij liefheeft. Om zelf te beslissen waarin zij wil geloven. Om haar eigen identiteit te kunnen bepalen. Wat zij wil worden, wat zij wil doen, hoe zij zich wil kleden.” Schippers wil terecht dat haar dochter zelf mag kiezen wat ze met haar leven wil.

Rare bird

Illustratie: www.youtube.com

Die toekomst wordt, volgens Schippers bedreigd door de politieke islam en de: “vaak hoogopgeleide mensen die bereid zijn tot dat compromis op onze kernwaarden.” Van die compromissen zijn anderen, homo’s, transgenders, vrouwen, mensen die kiezen anders te zijn, moslimvrouwen die meer vrijheid willen, kwetsbaren in onze samenleving de dupe.

Om die bedreiging het hoofd te bieden wil Schippers juist de kracht van de vrijheid inzetten, want, zo schrijft Schippers: “onze propositie is beter! Onze vrijheid is nú, onze kansen kun je nú pakken, onze welvaart kun je nú hebben, jouw kinderen kunnen het beter krijgen dan jij nu. Je mag nu van het leven genieten, muziek luisteren, een feestje vieren, jezelf ontplooien, verliefd worden.”  Uitgaan van de kracht van vrijheid, daar kan Schippers op mijn steun rekenen. Ik hield immers al eerder een pleidooi voor leiderschap dat uitgaat van de kracht van onze vrije, open democratische samenleving.

Alleen slaat een dergelijk pleidooi dood als het niet vergezeld gaat van empathie en compassie met degenen in onze samenleving die het minder hebben getroffen. Degenen waarvoor er geen of slechts kleine kansen zijn omdat ze voor een dubbeltje geboren zijn. Degenen met een andere dan een blanke huidskleur. Diegenen die door jaren van neoliberaal beleid, geen deel hebben aan ‘onze welvaart’ en waarvan de kinderen het waarschijnlijk niet beter krijgen. Diegenen die de vrijheid hebben, maar die het aan de mogelijkheid, of de vermogens zoals Martha Nussbaum en Amartya Sen het noemen, ontbreekt om van die vrijheid gebruik te maken. Schippers maakt zich hierbij terecht druk om de islamitische vrouw die vrijheid wil, maar er zijn veel meer mensen die het aan het vermogen ontbreekt om van die vrijheid gebruik te maken. Empathie en sympathie gevolgd door acties om hen die vermogens te geven.

Alleen slaat een dergelijk pleidooi dood als het niet wordt vergezeld van empathie en compassie met degenen buiten onze samenleving die het minder hebben getroffen. Daarvoor is, beste minister Schippers, een veel beter verhaal nodig dan de ‘opvang in de regio’ die ook u lijkt te bepleiten. Want die regio bestaat bijvoorbeeld uit landen als Turkije, Saoedie-Arabië en Iran. Landen die, en daar verzet u zich tegen, geld in: “koranscholen en moskeeën (pompen) om deze vijandige gedachten te verspreiden.” Landen die zich weinig tot niets aan de vrijheden waarvoor u terecht pleit, gelegen laten liggen.

Is die politieke islam wel de grootste bedreiging voor onze vrijheden? Is de onmacht van onze politieke leiders om empathie en sympathie met de achterblijvers in en buiten onze samenleving vorm te geven en iets aan hun situatie te verbeteren, niet een grotere vijand? En zou die onmacht gekoppeld aan de overreactie van vele politici, opiniemakers en ook gewone burgers op die politieke islam niet een veel grotere bedreiging zijn voor die vrijheden dan de politieke islam? Neem bijvoorbeeld de PVV die moskeeën en islamitische scholen wil sluiten en de koran wil verbieden. Ideeën die strijdig zijn met onze grondwet en onze vrijheden. Een partij die virtueel meer dan dertig kamerzetels heeft, meer dan eenvijfde van de kiezers. Dat is een veelvoud van het aantal politiekislamieten en door dat grote aantal ‘potentiële aanhangers’ nemen andere partijen ideeën over.

“And sympathy. Is what we need my friend. And sympathy. Is what we need. And sympathy. Is what we need my friend, ‘cause there’s not enough love to go round. Gevolgd door: “Now half the world. Hits the other half. And half the world. Has all the food. And half the world, lies down and quietly starves, ‘cause there’s not enough love to go round.” Aldus Rare Bird eind jaren zestig van de vorige eeuw. Een vooruitziende blik of is er sindsdien niet veel veranderd?

 

Verslaafd en borderline

Een van de opdrachten bij de Jeugdwet die per 1 januari 2015 van kracht werd, is zoveel mogelijk proberen te normaliseren. In plaats van de jeugdige uit zijn omgeving te lichten en hem te ‘behandelen’, moet gekeken worden hoe de jeugdige met zijn omgeving kan omgaan én de omgeving met de jeugdige. Of zoals in de memorie van toelichting beschreven staat:”Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.” De wetgever wil dat de samenleving problemen met jeugdigen zoveel mogelijk oplost. Dat is een nobel streven en daar kan niemand iets op tegen hebben. In ’t Schaep met de 5 pooten werd immers al gezongen: “We benne op de wereld om mekaar om mekaar om mekaar om mekaar te helpen, nietwaar?”

DSM V

Wat als de Belg, Dirk de Wachter, gelijk heeft? Hij vergelijkt in zijn boek ‘Borderlinetimes. Het einde van de Normaliteit’ onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPS of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenslijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties… .” Hoe normaal is de samenleving?

De bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen de DSM V bevat naast borderline ook verslaving als stoornis. Iemand is verslaafd als hij drie of meer van de volgende zeven kenmerken vertoont binnen twaalf maanden:

  1. Tolerantie treedt op, dat wil zeggen dat er steeds meer van het verslavende middel nodig is om het gewenste effect te bereiken of dat steeds minder effect optreedt bij het gebruik van eenzelfde hoeveelheid van het verslavende middel;
  2. Er treden ontwenningsverschijnselen op, specifiek voor dat middel, of er worden gelijksoortige middelen genomen om de ontwenningsverschijnselen het hoofd te bieden;
  3. Het middel wordt in steeds grotere hoeveelheden genomen, over een langere tijd dan eigenlijk de bedoeling was;
  4. Er is de drang om te stoppen met het middel, verschillende (mislukte) pogingen zijn ondernomen om te stoppen, te minderen;
  5. Veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van het middel en/of het gebruiken van het middel;
  6. Belangrijke sociale activiteiten, werk en/of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd voor het middelengebruik;
  7. Ook al weet de persoon dat het middel dat wordt genomen zorgt voor fysieke of psychologische aandoeningen of verslechtering daarvan, hij of zij blijft doorgaan met het gebruik ervan.

De DSM V is er om een individu te beoordelen, maar wat als de samenleving langs deze kenmerken wordt gelegd. Economische groei is de norm en die groei moet het liefst stevig en robuust zijn. Als de groei een half procent is dan noemen we het zwakke groei en we vergelijken ons altijd met landen die een hogere groei hebben. Die doen het beter. Met een beetje fantasie kun je beweren dat onze samenleving aan het eerste criterium voldoet.

Als de economie krimpt, dan ontstaat paniek en slaat de stress toe. Ook het tweede kenmerk, de ontwenningsverschijnselen, lijkt van toepassing.

Hoe hoger de groei, hoe beter het wordt beoordeeld. Groei wordt beoordeeld in vergelijking met andere landen en andere perioden. Het streven is daarbij om het beter te doen. Ik ben geen psycholoog en kan daarom niet goed beoordelen of daarmee wordt voldaan aan het derde kenmerk.

Het vierde kenmerk is slechts bij een klein deel van de samenleving te herkennen en nog zeker niet doorgedrongen tot politici en bestuurders. De samenleving zit nog in de ontkenningsfase: nee, wij zijn niet verslaafd. Economische groei staat centraal in politiek en beleid. In  verkiezingstijd komt dit bijvoorbeeld tot uiting en gaat het debat vooral over een paar tienden meer of minder economische groei bij het uitvoeren van de maatregelen uit de verkiezingsprogramma’s. Hierbij vervult het Centraal Plan Bureau de rol van ‘onafhankelijk scheidsrechter’. Alsof de modellen die hierbij worden gebruikt vrij van waarden en interpretaties zijn. Dus ja, veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van economische groei en daarmee aan het vijfde kenmerk.

Als het daarbij tegenzit, dan moet er worden bezuinigd en dat gebeurt vooral op zaken waarvan het economische rendement lastig tot niet te berekenen is, zaken zoals cultuur, sport en natuurbeheer. Zaken die wel belangrijk zijn voor het functioneren van een samenleving (zesde kenmerk).

Ook is bij een groot deel van de samenleving inmiddels het besef doorgedrongen dat we, het voor ons overleven zo belangrijke milieu, schoon water, schone lucht, schone bodem, de vernieling in helpen als het zo door gaat. Dat de grondstoffenvoorraad zo snel wordt uitgeput dat het leven van onze kinderen en kleinkinderen in gevaar komt. Het besef is er maar het wordt nog steeds verdoofd door het geloof in het technisch vernuft, de technologische ontwikkeling zal de reddende engel zijn en voor alle problemen oplossingen vinden.

Kan de conclusie worden getrokken dat onze samenleving niet alleen aan borderline lijdt, maar ook nog verslaafd is? Zouden de problemen met de jeugdigen voor een deel niet een gevolg kunnen zijn van deze ‘ziekte’ van de samenleving?

Beloften en gratuite excuses

De Haagse politici zijn weer terug van vakantie en met verkiezingen voor de boeg betekent dit veel kift. De eerste verkiezingsprogramma’s zijn al uit en partijleiders profileren zich nog wat meer. Bij dat profileren hoort voor VVD-leider Mark Rutte ook terugkijken en fouten toegeven. Voor Rutte zijn dat vooral beloften die hij niet is nagekomen: “Duizend euro voor werkend Nederland, niet morrelen aan de hypotheekrenteaftrek en geen geld meer naar de Grieken. Laat ik daar volstrekt helder over zijn: ik zeg daar sorry voor,” zo is te lezen in Trouw.

RutteFoto: www.nrc.nl

Mooi toch een politicus die zijn excuses aanbiedt voor gebroken beloften. “Ik stond simpelweg voor de keuze: ga ik die belofte ongeacht de politieke en economische realiteit toch gestand doen? Dan zou ik voor Nederland risico’s hebben gelopen,” zo beargumenteert Rutte zijn excuus. Goed, een politicus die kijkt naar het ‘landsbelang’ en daarvoor zelfs zijn eigen standpunten opoffert. Hulde voor Rutte.

Toch wringt er iets. De beloften werden gedaan vlak voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen, ze werden gebroken vlak erna. Was die politieke realiteit en het landsbelang in die korte tijd zo veranderd? Was die economische realiteit ineens heel anders? Werden er niet al voor de verkiezingen vraagtekens gezet bij het realiteitsgehalte van deze beloften? Werd niet al tevoren de vraag gesteld waarvan die duizend euro te betalen? Was de onhoudbaarheid van de hypotheekrenteaftrek niet al jaren duidelijk? En ook de Griekse problemen kwamen niet ineens uit de lucht vallen.

De ‘risico’s die Nederland’ liep met die beloften, waren al voor de verkiezingen duidelijk. Natuurlijk, er is nooit een verkiezingsprogramma dat tot op de letter wordt uitgevoerd. Dat weet iedere politicus en ook iedere kiezer. Met een belofte ligt dat wat anders, die gaat verder. Wat zegt het over een politicus in het algemeen en een politiek leider in het bijzonder, als hij mooi klinkende beloften doet waarvan hij weet dat ze onhoudbaar en schadelijk zijn? Is dat niet een schoolvoorbeeld van opportunisme? En maakt dat de excuses niet gratuit?

Of moeten we de komende verkiezingscampagne het advies van de Duitse toneelschrijver Max Halbe ter harte nemen: “Wenn ein Mensch sein Versprechen wiederholt, ist er entschlossen es zu brechen” ?

 

Een pleidooi voor agonisme?

Deze week keek ik naar het polsstokhoogspringen bij de Olympische Spelen. De Franse favoriet Renaud Lavillenie werd uitgejouwd door het Franse publiek. Hij was immers de enige die nog in de strijd was tegen de Braziliaanse troef en latere winnaar Thiago Braz da Silva. Lavillenie’s concentratie voor de sprong werd ruw verstoord door massaal gefluit en boegeroep van grotendeels Braziliaanse publiek. Het uitjouwen van de tegenstander is bij voetbal heel gewoon, bij atletiek niet.

 

Achterhuis

Iets later las ik het boek Met alle geweld van Hans Achterhuis uit. Een passage bleef daarbij hangen en ik moest aan Lavillenie denken: “Wanneer wij een bepaald doel nastreven dat we als overlevingsmachines aan anderen betwisten, dan verklaren we dit doel tot moreel goed waardoor wij de anderen niet simpelweg opzijschuiven maar hen als laag en minderwaardig verketterenen vervolgen: wij vechten voor idealen. Als we in de strijd om erkenning de ander miskennen en vernederen, doen we er nog en schepje bovenopdoor vanuit morele superioriteit te verkondigen dat die ander niet beter verdient. En wanneer we, tot slot, een zondebok kiezen om ons op af te reageren, is het niet voldoende dat deze zwalk is: hij moet moreel slecht zijn.” De brazilianen wilden goud voor hun man en ‘verketterden’ de Fransman.

Uitjouwen komt ook in de politiek voor en daarom bleef de passage extra hangen. Hier worden in het kort de Amerikaanse presidentsverkiezingen beschreven. Ook in het Nederlandse politieke en publieke debat is het door Achterhuis beschreven mechanisme zichtbaar. Vooral op de digitale media wordt er lustig op los verketterd. De toon en beledigingen over en weer zijn van dien aard dat elkaar met wapens te lijf gaan nog maar een kleine stap lijkt.

Partijen die door een verschil van mening eigen werelden creëren. Werelden die vooral bestaan uit het zwelgen in het moreel superieure eigen gelijk aan de ene kant en de verkettering van andersdenkenden aan de andere kant. Ze leven in verschillende werelden. De andere kant wordt bijna als een monster weggezet, als niet menselijk. En als die tegenstander eenmaal niet menselijk is, waarom zouden de mensenrechten dan nog van toepassing zijn?

In de werkelijkheid is er maar één wereld. Eén wereld waar mensen conflicten met elkaar hebben. Achterhuis citeert de Belgische politiek filosofe Chantal Muffé, zij ziet de oplossing in agonisme: “Dit betekent dat ze, hoewel ze met elkaar in conflict verkeren, elkaar zien als behorend tot dezelfde politieke gemeenschap, als deelhebbend aan een gemeenschappelijke symbolische ruimte waarbinnen het conflict plaatsvindt. We zouden kunnen zeggen dat het de taak van de democratie is om het antagonisme in agonisme te transformeren.” 

Een pleidooi voor agonisme?

Iets extra’s voor Bill

Verdere commercialisering van de de zorg, dat wordt een van de punten in de campagne voor de verkiezingen van 15 maart 2017.  Commercialisering die bestaat uit het aantrekken van particulier geld (van grote investeerders en beleggers), die hiervoor rendement ontvangen. Ik schreef er al eerder over. Raoul du Pré pleit in het commentaar in de Volkskrant voor ruimte om: “te onderzoeken of er nieuwe geldstromen kunnen worden aangeboord. Mits het onder strenge voorwaarden gebeurt en de toegang tot zorg voor iedereen gegarandeerd blijft, is er immers geen reden te denken dat er meteen grote ongelukken zullen gebeuren.”

marktwerking-in-de-zorgIllustratie: alkemajanet.wordpress.com

Volgens Du Pré heeft het huidige stelsel met meer marktwerking veel goeds gebracht: “De wachtlijsten zijn nagenoeg verdwenen. Er wordt veel beter op de kosten gelet. Het inkomensverschil tussen artsen en hun gemiddelde patiënt is gehalveerd (…). Het premiestelsel is nivellerender dan in de tijd van het oude ziekenfonds. En de kwaliteit van de zorg scoort onverminderd hoog op de internationale ranglijsten.”  Verdere marktwerking zou in ieder geval onderzocht moeten worden.

Een helder betoog. Maar toch, zijn die resultaten het gevolg van marktwerking of zouden ze ook te bereiken zijn in een zorgsysteem waar de markt geen rol speelt? Waarom zou een ziekenfonds niet zonder wachtlijsten kunnen werken? Waarom zou een ziekenfonds niet op de kosten kunnen letten? Of tot vermindering van inkomensverschillen of een nivellerender premiestelsel kunnen leiden?

En inderdaad, als Bill Gates het geld levert om een ziekenhuis te bouwen, dan hoeft dat niet uit de staatskas. Een voordeel voor de samenleving, dus doen. Maar is er wel sprake van een voordeel voor de samenleving? Gates zal rendement willen op zijn investering. Rendement dat de door hem gemaakte kosten vergoed plus wat extra’s waar hij van kan leven. Wie moet die kosten plus dat extra’s van Bill betalen? Dat zal de patiënt zijn en dus de betaler van verzekeringspremies. Zou die hierdoor goedkoper uitzijn?  Hij of zij moet dezelfde kosten als voorheen betalen plus het extra’s van Bill, dus iets meer.

Zo gaat de bijdrage van de overheid in de gezondheidszorg omlaag en dat is mooi voor de minister van Financiën. De kosten voor de samenleving, gaan omhoog en de vraag is of dat willen?

Grensland

Bij de Correspondent doet Rob Wijnberg een interessante exercitie. Hij stelt de vraag wat er overblijft van Nederland als er geen buitenland zou zijn. De top veertig zou een groot deel van de liedjes verliezen. We hadden geen tulpen. Van het Nederlands elftal zouden maar vier spelers overblijven. En zo gaat hij nog even door. Nederland is, zoals hij terecht constateert, een: “resultaat van een immer voortdurende uitwisseling met de wereld om ons heen.”

BelgieIllustratie: stamboombernaards.nl

Dit riep bij mij de vraag op of er zonder buitenland wel een landsgrens zou zijn? Een grens is immers een duidelijke afbakening van ‘binnen’- en ‘buiten’land. Bestaat het binnenland daarmee niet juist bij de gratie van het buitenland? Ontstaan grenzen niet juist door botsingen? Botsingen waarbij vreedzaam of met geweld (oorlog) tot een overeenkomst wordt gekomen. Een overeenkomst met een tijdelijk karakter: immers tot het conflict weer oplaait.

Geboren in het Limburgse Velden en wonend in Venlo ben ik Nederlander. Als het iets anders was gelopen was ik Belg geweest. Als de eisen van de Belgen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog waren ingewilligd, dan was Limburg naar België gegaan. En als in 1839 de werkelijke situatie was bestendigd, dan had Limburg (op Maastricht na) toen al bij België gehoord.

Met hetzelfde gemak, was ik Duitser geweest. De grens tussen het koninkrijk der Nederlanden en Pruisen (dat toen de baas was in het Duitse Rijnland) is bepaald met de kanonskogel. Met een kanon mocht je de boten op de Maas niet kunnen raken. Waren de kanonnen iets minder ontwikkeld, dan was ik wellicht in Duitsland geboren. Hadden ze iets verder geschoten, dan was Nederland groter geweest. Had Nederland na de Tweede Wereldoorlog zijn zin gekregen, dan was dat zeker het geval geweest. Dan lag Venlo nu redelijk centraal in het land. Nederland wilde immers het gebied tot aan de Rijn als herstelbetaling.

En wie weet wat de toekomst brengt. Het lijkt absurd, maar waarom zou een Lexit (Limburg dat zich van Nederland afscheidt) niet ooit werkelijkheid kunnen worden? En wellicht gevolgd door een Vexit, Venlo dat zich van Limburg afscheidt? Want is ook een land zelf niet, om Wijnberg weer aan te halen, het: “resultaat van een immer voortdurende uitwisseling met de wereld om ons heen”?