Zombie-jacht

De favoriete dystopie van de tegenwoordige filmmakers lijkt de zombie, de levende dode. Een dystopie is het tegengestelde van een utopie. Daar waar een utopie een toekomstige ideale samenleving beschrijft, beschrijft een dystopie een negatief toekomstbeeld. En tegenwoordig lijkt een zombie tot de favorieten te behoren van de filmmakers. Denk bijvoorbeeld aan de film World War Z en de tv-serie The Walking Dead.  Zombies die ontstaan omdat de mens bijvoorbeeld genetisch heeft zitten stoeien en er iets gruwelijk fout is gegaan, waardoor het grootste deel van de mensen zombies worden. De overgebleven mensen strijden vervolgens tegen de zombies en vaak ook tegen elkaar zoals in The Walking Dead. In die serie is een zombie levenloos, strompelt voort en voedt zich met het vlees en bloed van de levenden. Levenden die door een beet van een zombie zelf ook tot zombie verworden.

Tim Jackson

Illustratie: www.chrispacke.com

Nu waarschuwt de Duitse minister van financiën, Wolfgang Schäuble ons: “Door de toegenomen schulden ontstaan zeepbellen en wordt de economie als een zombie.” De economie als een levende dode die voortstrompelt en zich voedt door de levenden ‘uit te zuigen’, door ze in de schulden te steken. Volgens Schäuble hebben regeringen die met  stimulerende maatregelen de economie probeerden aan te jagen, hiermee de basis gelegd voor de volgende crisis. Ze hebben de zombie gevoed met schulden, die tot nieuwe zeepbellen leiden.

Een interessante en misschien wel passende vergelijking. Maar is die vergelijking niet nét iets anders dan Schäuble voorstelt? Want is het kapitalisme niet de zombie? Volgens Schäuble maken schulden de zombie. Zijn schulden niet een volgende manier van de zombie om zich te voeden en is groei niet het werkelijke voedsel van de zombie? Is krediet sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw niet de populaire manier om te groeien?

Zijn crises niet hét kenmerk van het kapitalisme? De Aziatische crisis, de Argentijnse crisis, de Roebelcrisis en dat zijn er nog maar drie in de vijftien jaar voor de bankencrisis die werd gevolgd door de eurocrisis. Zijn zeepbellen niet inherent aan het kapitalisme? Wie herinnert zich de Hollandse tulpenmanie, de zeepbel uit de Gouden zeventiende eeuw, nog?

Hoe nu deze ‘zombie’ te bestrijden? Schäuble stelt voor om te bezuinigen en de economie te hervormen. Hij zegt het niet, maar dat hervormen betekent deregulering en flexibilisering, omdat de markten de ruimte moeten krijgen. Daar moet de groei immers vandaan komen. Krijgt de zombie zo niet waar hij van leeft? Namelijk groei?

De Engelse econoom Tim Jackson geeft een goede analyse van onze huidige, op groei draaiende, economie. In Prosperity without Growth. Economics for a Finite Planet analyseert hij de werking van ‘de zombie’ al spreekt hij niet over zombies.

Volgens Jackson is de mens bang voor zijn eigen leegheid of onbeduidendheid. Die leegheid maskeert hij met producten. Zo zijn producten meer dan alleen producten, het zijn manieren om je als mens te onderscheiden van de groep, of er juist bij te horen. Tegenwoordig roepen producten sterke gevoelens op mensen en daardoor zijn ze dominant bij het bepalen van het succes of falen van een persoon, groep of samenleving.

Tegelijkertijd ziet hij de groeigerichtheid van de economie. Die gerichtheid is, volgens Jackson, eigen aan het streven naar efficiency:  “Efficiency stimuleert letterlijk groei. Het beperken van arbeid (en grondstoffen), zorgt voor het dalen van de kosten van producten. Hierdoor wordt de vraag gestimuleerd en daarmee ook de groei” (eigen vertaling).

De sociale logica om erbij te horen (om niet achter te blijven) en de economische fixatie op efficiency houden elkaar in de ‘ijzeren kooi van het consumentisme’, zoals Jackson het noemt. Volgens Jackson kunnen de problemen in onze samenleving (Schäubles zombie) alleen worden bestreden, door zowel aan de sociale logica als aan de economische fixatie op efficiency wat te doen.

De economische kant van de zombie, door onze economie in overeenstemming te brengen met ecologie. Hij denkt dan aan plafonds voor grondstoffengebruik en uitstoot van schadelijke stoffen. Plafonds met een verminderingsdoelstelling. Dit ondersteunt met fiscale maatregelen. Hierbij zouden de ontwikkelingslanden moeten worden geholpen. Ook zou de rol en de plek van arbeid in de samenleving moeten worden herzien. Het streven naar efficiency aan de ene kant en volledige werkgelegenheid aan de andere kant, jagen elkaar en daarmee de productie op.

En met arbeid komen we op het terrein van de sociale logica. Arbeid anders beoordelen, vraagt om een andere sociale logica. Anders dan werk beschouwen als toppunt van participatie. Anders denken over arbeid betekent ook werken aan andere, liefst sterkere sociale verbanden. Het belangrijkste waaraan, volgens Jackson, moet worden gewerkt is het verkleinen van ongelijkheid. Ongelijkheid versterkt, volgens Jackson, de statuscompetitie die de ‘zombie’ voedt.

Met wie gaan we op zombie-jacht met Schäuble of met Jackson?

Primaire waarde

In haar boek The Human Condition schrijft Hannah Arendt (eigen vertaling): ‘als producten niet primair worden gewaardeerd om hun bruikbaarheid, maar min of meer als incidentele resultaten van het productieproces waaruit ze voortkomen, waardoor het product niet wordt gewaardeerd om het vooraf bepaalde gebruik, maar voor de productie van iets anders, dan kan daar tegenin worden gebracht dat de waarde van het product alleen secundair is. En een wereld die geen primaire waarden kent, kent ook geen secundaire.” En dat ‘anders’ waarover Arendt spreekt, is geld en tegenwoordig economische groei.

afval

Foto: www.goudstandaard.com

Hieraan moest ik denken na het zien van een aflevering van de documentairereeks Planet e  die de Duitse TV (ZDF) uitzendt. De laatste droeg de titel Garantie vorbei-Gerät kaputt. De aflevering handelde over elektrische apparatuur die steeds sneller kapot gaat. Een onderwerp waarop Tegenlicht ook al het licht liet schijnen in een uitzending met de architect, Thomas Rau. Dergelijke producten zijn volgens Rau: “nog net niet stuk.” En de Duitsers ontdekten dat die spullen tegenwoordig steeds sneller kapot gaan.

Daar komt bij dat de apparaten tegenwoordig bijna niet meer te repareren zijn. Dit kent verschillende oorzaken. Vaak zijn reserve-onderdelen net zolang beschikbaar als het model in de verkoop is. Ook worden snel slijtende onderdelen zo geïntegreerd in een duur geheel, waardoor het vervangen (te) duur uitvalt. Veel voorkomend is ook het op een of andere manier dichtsmelten van onderdelen, zodat ze alleen als geheel zijn te vervangen.

Rau voegt er nog een categorie aan toe. Producten waarvan de ‘emotionele’ levensduur korter is dan de technische. Bijvoorbeeld een mobieltje. Er komen zo snel ‘nieuwe’ ‘betere’ en vooral ‘hippere’ (al is de emotionele levensduur van het woord hip ook al weer voorbij) op de markt en dat verleidt tot het kopen van een nieuwe, terwijl de oude nog niet versleten is.

Dit is goed voor de economie, want er wordt goed verkocht. Maar het levert heel veel afval op en het verslindt kostbare, schaarse grondstoffen.

Rau geeft bij Tegenlicht het voorbeeld van het tuingereedschap van zijn opa, dat is nog steeds goed te gebruiken. Dat is gemaakt om een probleem op te lossen. Zijn onze moderne producten nog steeds bedoeld om een probleem op te lossen of houden ze het probleem in stand? Is er niet nóg een categorie bijzondere producten? Kennen we tegenwoordig niet heel veel producten die ‘in de markt gezet’ moeten worden? Waarvoor een probleem of verlangen moet worden gecreëerd?

Moeten we niet op zoek naar dat wat primaire waarde heeft?

De paradox van de miljardairsfilantropie

Stel je wilt filantroop worden. Waaraan kun je dan het beste je geld uitgeven? Die vraag heb ik enige tijd geleden besproken, aan de hand van het boek Doing Good Better van William Macaskill. Ik moest hieraan denken toen ik het pleidooi van Maite Vermeulen bij de Correspondent las, of eigenlijk beluisterde. Vermeulen komt namelijk met een ‘goed doel’ dat volledig buiten de de scope van Macaskill, maar ook van de filantropische miljardairs als Zuckerberg en Gates ligt.

Maite VermeulenFoto: twitter.com

Vermeulen pleit, op basis van gesprekken met slumbewoners, voor bureaucratie. Ze pleit voor een goed werkend kadaster dat eigendommen registreert, een goed werkende belastingdienst die ervoor zorgt dat de verschuldigde belasting wordt geïnd, voor bouw en woningtoezicht dat ervoor zorgt dat er degelijk en veilig wordt gebouwd. Ze zou ook nog de arbeidsinspectie, gezondheidsinspectie, een goed openbaar ministerie, betrouwbare politie en goede rechtspraak kunnen noemen. Eigenlijk voor al die zaken die wij zo gewoon vinden en waarvan we soms ‘hinder’ ondervinden. Allemaal zaken die we kunnen vatten onder het Engelse begrip Rule of Law, de heerschappij van de wet. Een begrip dat inhoudt dat iedereen voor de wet gelijk is en ook als zodanig behandeld wordt.

Even terug naar die filantropische miljardairs. Eentje ervan, Bill Gates, was enkele weken geleden in Nederland op bezoek. In een interview met de Volkskrant vertelde hij dat hij zich richt op de armsten van de wereld. En een van de manieren waarop hij dat doet, is onderzoek naar bijvoorbeeld schone energie. Gates: “We hebben twintig landen zover gekregen dat zij hun onderzoeksbudget hebben verdubbeld. Natuurlijk steunen we start-ups overal ter wereld die een doorbraak op het gebied van schone energie weten te forceren. Maar als we moeten kiezen, zullen we eerder investeren in landen waarvan de overheid heeft meegedaan aan de budgetverdubbeling.”

Stel Maite Vermeulen begint een project gericht op de opbouw van Rule of Law en ze klopt bij Gates aan voor financiële ondersteuning. Zou Gates, of een van die andere miljardairs, dit financieren? Zouden zij de opbouw van belastingdiensten, kadasters, rechtbanken, arbeidsinspecties, bouwtoezicht en dergelijke steunen? Wetende dat juist hun bedrijven profiteren van het ontbreken hiervan. Wetende dat juist hun bedrijven in de VS en Europa lobbyen voor het behoud van allerlei schimmige belastingconstructies en tegen overheidsbemoeienis.

Een paradox voor de miljardairsfilantropie: help je mensen en landen ook als dat ten koste gaat van het eigen- of bedrijfsbelang?

Werken aan geluk

“Werken maakt niet gelukkig. Studeren ook niet. Het zijn vervelende activiteiten. We doen ze omdat het moet. Als het kon, dan stopten we er direct mee.” De eerste alinea uit een artikel van Mathijs Bouman in het Financieel Dagblad. Vrijen en dansen maken wel gelukkig. Hij haalt een artikel van twee economen in het Economic Journal aan. Zij hebben een app ontwikkeld, de ‘Mappiness’ en mensen een paar keer per dag vraagt  wat ze op die momenten aan het doen zijn en hoeveel geluk zij ervaren. Zij willen zo geluk meten. Vrijen en dansen komen daar als geluksbrengers uit naar voren.

mappinessIllustratie: steamregister.com

Nu kunnen we eindelijk beleid maken gericht op geluk. Maar dan moet je geluk wel definiëren en dat doen zij. Geluk is: “een stroom van plezierige gevoelens die de mens van moment tot moment ervaart.” En niet de mate waarin iemand tevreden is met zijn leven of het gevoel van doel, betekenis en eigenwaarde. En beleid maken?

Dat wordt toch wel lastig. Mensen worden ongelukkiger van ziek zijn en daar is niet veel aan te doen. En om te kunnen vrijen, moet je toch echt minimaal met z’n tweeën zijn. Bouman: “Dit onderzoek laat precies zien waarom geluk geen beleidsdoelstelling kan zijn. Met een verbod op werken en gratis condooms voor iedereen, komt het land niet veel verder.”

Bouman stelt: “De resultaten laten weinig ruimte voor twijfel.” Is dat wel zo?  Zo worden we van een museumbezoek ruim 8% gelukkiger volgens de onderzoekers. Als een museumbezoek werkelijk zo’n gelukstoename zou betekenen, waarom is het dan niet veel drukker in musea? Maar ja, mensen die musea haten, zullen geen museum bezoeken. Hun ‘ongeluk’ wordt zo niet gemeten. Worden op deze manier niet vooral positieve gebeurtenissen gemeten?

Bouman heeft een punt dat geluk geen beleidsdoelstelling kan zijn. Zeker niet als de meting voornamelijk positieve gebeurtenissen meet. Zeggen dergelijke uitkomsten niet alleen iets over activiteiten die iedereen moet doen en laat dat net de ‘geluksverhinderaars’ zijn, zoals werken of ziekte? Ziek zijn moet niet, maar je hebt geen keus?

Inderdaad komen we zonder werk niet verder. Zou het ‘ongelukscijfer’ voor werk niet aanleiding kunnen zijn om arbeid anders in te richten? Zouden we arbeid niet veel minder centraal moeten stellen? En zou de ‘vernietiging’ van vele banen en de schaarste aan werk, niet een tweede goede aanleiding zijn voor zo’n heroverweging?

Leuker kunnen we het niet maken

Op LinkedIn kwam ik een berichtje tegen. Een plaatje van een man, liggend in het gras met een tablet en de volgende tekst erbij: “Post van de gemeente digitaal ontvangen? Gebruik de Berichtenbox van MijnOverheid.” De overheid digitaliseert steeds meer dienstverlening en ook de correspondentie met de overheid gaat steeds meer digitaal. De overheid gaat met de tijd mee en dat is positief. Maar toch. Zoals alle digitalisering, die eigenlijk niet meer is dan automatisering, gaan hierbij arbeidsplaatsen verloren. Dat is vervelend maar daar wil ik het niet over hebben.

Overheid

Als de overheid vroeger contact met mij wilde zoeken, dan werd er een brief gestuurd die netjes door de PTT in mijn fysieke brievenbus werd gestopt. Als het erg belangrijk was, dan kon de brief worden aangetekend en moest ik tekenen voor ontvangst. Ik kon dus altijd zien of bijvoorbeeld de Belastingdienst iets van mij wilde, dan lag er immers een blauwe enveloppe op mijn deurmat.

Nu maakt de overheid een Berichtenbox aan en dan moet ik daar maar gaan kijken of er post voor mij is. En de overheid is niet de enige die het zo doet. Veel bedrijven doen hetzelfde. De ‘MijnEssents’ of ‘MijnKNPs’ zijn talrijk. Daar waar je vroeger je post van de deurmat haalde, moet je nu langs diverse sites surfen. Sites waar je steevast een gebruikersnaam en wachtwoord voor moet invullen en zo moet je zelf postbode spelen om je post te verzamelen. En als je wat vergeet, dan is het je eigen schuld.

Op al die ‘MijnBrievenbussen’ sites staan persoonsgegevens. En aangezien er geregeld digitale gegevens worden gestolen, lopen we het risico dat een van die ‘MijnBrievenbussen’ wordt gekraakt. Dat er gegevens worden verwijderd of toegevoegd. Ben ik ouderwets als me dat een unheimisch gevoel geeft?

Maar als dit de moderne manier van communiceren is, waarom dan niet op eenzelfde manier terug communiceren? Door een eigen digitale ‘MijnBrievenbus’ te beginnen en daarin alle post voor bijvoorbeeld de gemeente, het energiebedrijf, de Belastingdienst en anderen te zetten? Een brievenbus waarin zij dan inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord en kijken welke post ik voor hen heb?

Als toch ieder bedrijf of organisatie zelf bepaalt hoe er met haar moet worden gecommuniceerd, dan mag ik dat als persoon toch ook zelf bepalen? Leuker kunnen we het niet maken!

Staande ovatie

Gisteren haalde ik de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang aan. Chang is een bijzondere econoom. Want welke econoom zegt van zijn vak dat het voor 95 procent gezond verstand is dat ingewikkeld wordt gemaakt. En dat zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering in eenvoudige termen kan worden uitgelegd. Zijn boek 23 Dingen over het kapitalisme die ze je niet vertellen is het bewijs hiervan. Chang heeft een bijzondere en verfrissende kijk op zaken en onderbouwt die met argumenten en feiten.

OvatieFoto: www.operamagazine.nl

Zo heeft Chang een bijzondere en afwijkende kijk op de rol en functie van het onderwijs. Het Nederlandse beleid is gericht op het zo hoog mogelijk opleiden van de jeugdigen. Om een sterke, groeiende economie te behouden, moeten we het immers van de kennis hebben, de kenniseconomie heeft de toekomst.

Chang kijkt er wat anders naar: “Onderwijs is waardevol, maar de belangrijkste waarde is niet dat de productie verhoogt. Die ligt in het feit dat onderwijs ons helpt ons potentieel te ontwikkelen en ons in staat stelt een meer bevredigend en zelfstandig leven te leiden.” Als dat de belangrijkste functie van het onderwijs is, zou het onderwijs dan niet daarop gericht moeten zijn en niet op een plek op de arbeidsmarkt?

Chang gaat verder: “Als we ons onderwijs hebben laten groeien in het geloof dat het onze economie rijker zal maken, zullen we zwaar teleurgesteld worden want het verband tussen onderwijs en nationaal productiviteit is nogal vaag en ingewikkeld.” Om dit standpunt te ondersteunen verwijst hij naar Zwitserland. Een van de rijkste en meest geïndustrialiseerde landen van de wereld. Maar ook het land met verreweg het laagste percentage inschrijvingen voor het hoger onderwijs, aldus Chang.

Volgens Chang verspillen landen veel geld en middelen aan het streven om ‘iedereen’ hoger opgeleid te krijgen. De hogere opleiding is voor het beschikbare werk niet nodig, maar wel om met andere werkzoekenden te kunnen concurreren. Ook voor werk waarvoor een hogere opleiding eigenlijk niet nodig is. Zou dat de oorzaak ervan kunnen zijn dat veel mensen onder hun opleidingsniveau werken?

Chang maakt het beeldend: “Het stelsel van hoger onderwijs is in deze landen te vergelijken met een theater waar enkele mensen besloten te gaan staan om beter zicht te krijgen, waardoor ze anderen achter hen dwongen ook te gaan staan. Als eenmaal genoeg mensen staan, moet iedereen gaan staan, wat betekent dat niemand meer een beter zicht heeft terwijl iedereen het ongemak van staan ondervindt.” 

Revolutionaire waskracht

Gisteren schreef ik over de onderwijsplannen van Maurice de Hond. De Hond sprak over een andere wereld waarin onze kinderen opgroeien dan de wereld waarin mensen van boven de veertig zijn opgegroeid. Door deze zin moest ik denken aan het derde Venlo College dat ik afgelopen week bezocht. Een van de sprekers, crisiscommunicatie-specialist Hans Siepel, sprak over de bijzondere tijd waarin we leven. We staan op een kruispunt  tussen ‘eerlijke’ communicatie en ‘mannetjesmakerij’, zoals ik het interpreteer. En er is nu zo’n druk vanuit de samenleving, dat de eerlijke communicatie gaat winnen van het machtsdenken van de ‘mannetjesmakerij’. Barbara Tuchman heeft een boek geschreven over dat machtsdenken door de eeuwen heen. Conclusie: de mens blijkt hardleers.

wassenFoto: www.ehabweb.net

Nu horen we dat vaker: we leven in bijzondere tijden en de ‘Brave New World’ ligt binnen handbereik. Uitspraken waarbij de nadruk wordt gelegd op het bijzondere van het huidige tijdsgewricht. Aan het eind van het vorige millennium gingen we bijvoorbeeld het tijdperk van de ‘nieuwe economie’ in. Een tijdperk van eeuwigdurende economische groei mogelijk gemaakt door de dot.com revolutie en dat eindigde met een knappende ballon.

Nu denken mensen als De Hond dat er compleet andere tijden aanbreken. Tijden waarin de virtuele wereld de reële langzaam naar de achtergrond zal verdrijven. Het eerste Venlo College was eraan gewijd: “De technologische en digitale ontwikkeling gaat steeds sneller. Dit heeft grote gevolgen voor hoe we in de toekomst ons werk doen en hoe we in contact staan en communiceren met onze inwoners”, zo viel te lezen op de uitnodiging.

Is er sprake van een plotselinge verandering? Een algehele ommekeer? Of is het meer van hetzelfde? Werk vervangen door techniek is al zo oud als de vuistbijl. Informatie vastleggen om die voor het nageslacht beschikbaar te houden heeft ook al een lange baard. Wie kent er nog de oral history? De rotstekeningen? De kleitabletten? De papyrusrollen? De schilderijen? De gedrukte boeken? Is het niet een gestage ontwikkeling die alleen wat sneller gaat omdat we met wat meer mensen zijn?

Nu is het heel menselijk om de huidige tijd en de gebeurtenissen erin als revolutionair te zien. De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang constateert dat in zijn boek 23 Dingen die je ze niet vertellen over het kapitalisme ook en brengt perspectief aan: … in termen van economische en sociale veranderingen die erdoor teweeg zijn gebracht is de revolutie van het internet (althans tot nu toe) minder belangrijk geweest dan die van de wasmachine en andere huishoudelijke apparaten, … .” 

Zou Chang een revolutionair waskracht-punt hebben?

Hoe word ik een goede filantroop

 

Goed doen is makkelijk. Er zijn zoveel goede doelen die vragen om je geld. Geef je €100 aan de Hartstichting of aan het Rode Kruis? Allebei de doelen zullen zeer blij zijn met je bijdrage. Maar welke organisatie komt het verst met je €100? Daarover heeft William Macaskill een boek geschreven: Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference. Een interessant boek dat je ogen opent. Op meerdere manieren. Voor een uitgebreide bespreking van het boek en de erin verwoorde ideeën zie Minder t-shirt voor meer geld..

Eerlijke handelIllustratie: www.happynews.nl

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren kunnen hun geld wel eens meer dan waard zijn terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur kunnen zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. En zou de beste keuze niet kunnen zijn om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? En voor de consument het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet, ontwormingspillen of boeken kopen.

 

Nationaliseer het onderwijs

Frank Kalshoven zou het interessant vinden als er een soort ‘franchise-formule’ zou komen die landelijk een paar honderd scholen zou exploiteren. Zo’n keten zou een landelijk trainingscentrum kunnen inrichten, wetenschappelijk kunnen experimenteren, schaalvoordelen benutten bij het inkopen van leermiddelen en ICT en beter personeelsbeleid kunnen voeren.  Die scholen zouden meer kwaliteit per euro kunnen leveren en de huidige scholen het goed lastig maken. Meer marktwerking dus. “Wat een walhalla zou dat kunnen zijn,” volgens Kalshoven in de Volkskrant.

FORTIS OVERNAME

Foto: www.nrc.nl

“Creatieve destructie, dat is precies wat het basisonderwijs nodig heeft,” dit concludeert Kalshoven. Creatieve destructie is een proces van voortdurende innovatie, waarbij door succesvolle toepassingen van nieuwe technieken, oude worden vernietigd. De auto die het paard met wagen verving bijvoorbeeld. Nieuwe plannen van staatssecretaris Dekker moeten het stichten van scholen aan de ene kant makkelijker maken en aan de andere kant het sluiten ervan als niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.

Wat zouden de gevolgen van creatieve destructie via zo’n ketens zijn? Meer kwaliteit per euro kan, maar is dat een zekerheid? Hebben ervaringen in het MBO, HBO en WO niet laten zien dat het geld ook ergens anders aan kan worden besteed? Aan gebouwen bijvoorbeeld. Welk risico lopen ouders en kinderen als zo’n landelijke keten van bijvoorbeeld 200 scholen failliet gaat? Waar kunnen die kinderen dan onderwijs krijgen? Of moet dan de minister ingrijpen net zoals bij het ROC Leiden?

Leren ervaringen in ander sectoren, de financiële sector, de automobielindustrie enzovoorts, niet dat een markt alleen goed functioneert als er een sterke marktmeester is? En is dat niet juist de rol van de overheid. Moet de macht van die marktmeester niet toenemen naarmate de markt complexer is en dichter bij de mens zelf komt? Pleit dat dan niet voor een heel sterke onderwijsmarktmeester? Een meester die bovenop de markt zit?

Volgens Kalshoven zouden de franchise-scholen door hun omvang meer kwaliteit per euro leveren. Als dat zo is waarom dan niet één landelijke keten van scholen? Dan zou je toch de meeste kwaliteit per euro moeten krijgen?

En als we die sterke marktmeester en de kwaliteit per euro combineren. Zou dat er niet voor kunnen pleiten om deze taak te nationaliseren?

Wie zijn heden verprutst

“Het is erg wrang dat er nu zo veel werknemers in de zorg op straat komen te staan, terwijl deze cijfers uitwijzen dat we ze in de toekomst weer keihard nodig hebben.” Een uitspraak van de Limburgse gedeputeerde Daan Prevoo in Dagblad de Limburger als reactie op de laatste bevolkingsprognose. Die laat zien dat de Limburgse bevolking tussen nu en 2050 flink krimpt en veroudert. Dan staat tegenover één werkende één niet-werkende, nu is dat 3 op 2. Hierdoor zal de sociale zekerheid onder druk komen te staan, aldus onderzoeker Hans Kasper: “Minder mensen dragen actief bij aan bijvoorbeeld de bekostiging van uitkeringen. Hoe gaan we dat dan in de toekomst financieren?”

seneca  Illustratie: historiek.net

Nu is het bijzondere aan toekomstvoorspellingen dat het voorspellingen zijn en geen werkelijkheid. Tussen nu en 2050 liggen nog ruim dertig jaar. Dat biedt ruimte om er wat aan of mee te doen. Zou het nu niét ontslaan van de werknemers in de zorg, wat Prevoo lijkt te suggereren, in 2050 een oplossing bieden? Zouden veel van die werknemers dan niet zelf voor zorg in aanmerking komen?  Moeten de oplossingen in een andere richting worden gezocht?

Zou het verhogen van de kinderbijslag of het op een andere manier aantrekkelijk maken van het krijgen van kinderen een oplossing bieden? Als dat beleid nu wordt ingezet, dan levert dat veel extra jongeren en dus meer werkenden. Komen die vele leegstaande schoollokalen ook weer van pas.

Zou de technologische ontwikkeling niet een deel of misschien wel het gehele tekort aan arbeid kunnen oplossen? Zorgrobots die taken van mensen overnemen, administratieve processen die steeds verder worden geautomatiseerd en zaken die we ons nu nog niet voor kunnen stellen. Met andere woorden zou de behoefte aan arbeid niet ook af kunnen nemen? Zou nu daarin investeren over 30 jaar niet tot rendement kunnen leiden?

Met een gelijkblijvend nationaal (of provinciaal) inkomen (alleen voor inflatie gecorrigeerd) en dalende bevolking, stijgt het inkomen per hoofd van de bevolking. In meer dan dertig jaar kan nog veel gebeuren en is nog niets zeker. Of naar een goed Venloos gezegde: “det zit in wiej zek.” Is betaalbaarheid van sociale voorzieningen niet een kwestie van kiezen? Net zoals het nu een keuze was om te bezuinigen op zorg en dus de werknemers in de zorg op straat te zetten?

“Wie zijn heden verprutst, is de slaaf van zijn toekomst,” zei de Romeinse filosoof en staatsman Seneca. Zullen we het heden dan maar niet verprutsen?