Hans, en de vraag ‘Wie ben ik?’

In mijn laatste Prikker schreef ik over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? 

Bron Pixabay

Voor het beantwoorden van de eerste vraag begin ik, waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: ‘gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, ‘figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.” Daarmee zijn we terug bij mijn laatste Prikker. De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken. Het zelfbeeld van die trans persoon stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe op bladzijde 14 van zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe op pagina 15, niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, op pagina 19, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.” Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Maarten Luther. Bron: WikimediaCommons

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen.” 

Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval (pagina 55): “ De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.” Welke veranderingen dat waren beschrijft hij op pagina 57: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.” 

Om het wat duidelijker te maken, een voorbeeld (Fukuyama pagina 89). “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama (pagina 91): “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee (pagina 92): “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.   

Viering 14e juli Parijs. Bron: WikimediaCommons

In een recent interview door  de Volkskrant met de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante passage: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens, schrijft Appiah. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur?

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Appiah bevestigt dit en geeft een waardevol advies: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” 

Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat, zoals ik vorig jaar rond deze tijd schreef, het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon.


NEXIT? De verkeerde strijd.

“Het is genoeg. Nederland moet uit de EU. En daarom gaan wij een denktank opzetten om dit proces van uittreding te versnellen. We gaan de zaak promoten van een vrij en onafhankelijk Nederland. Wij maken samen met u een vuist tegen de macht van Brussel. Wij hebben uw ideeën en uw inzet hard nodig. U hoort snel van ons.” De laatste woorden van het visiedocument van de ‘Nexit-denktank’ van Rutger van den Noort. In een schrijven bij Opiniez geeft hij aan waarom die ‘danktank’ nodig is: “ Natuurlijk zijn er een hele hoop nadelen aan een Nexit en deze zijn voldoende bekend. Toch is er geen goed beeld van de Nederlandse toekomst zonder EU. Welke randvoorwaarden zijn er nodig voor een soeverein land dat op een goede manier handel kan drijven met zijn buurlanden?” Ik moest denken aan het boek The Globalization Paradox van Dani Rodrik. Op het waarom kom ik later terug. Eerst het visiedocument.

Bron: Flickr

“Jarenlang onderdeel uitmaken van de Europese Unie heeft Nederland lui gemaakt,” lezen we in de eerste alinea. Een stelling die niet wordt onderbouwd. Geen al te sterk begin voor een visiedocument.

Die zin wordt gevolgd door: “Door de EURO is het makkelijk om te betalen als je op reis bent, maar de kracht van de eurozone is laag. Uitwassen in Brussel en Straatsburg leiden tot voortdurende frustratie. De waardeoverdrachten vanuit Nederland naar Zuid/Oost-Europa maken ons arm.” Eerst die makkelijke euro. Die valt bij een Nexit weg en dan wordt het lastiger op reis. Dan moet de Nederlander zijn gulden, want ik neem aan dat Van den Noort die dan terug wil, inwisselen voor de valuta van het land waarnaar wordt gereisd. Als midvijftiger weet ik maar al te goed wat dat betekent. Nee, ik begin niet over de volle beurs met veel vreemde munten want we leven immers in het digitale tijdperk. Nou ja, niet overal, zelfs niet in Europa. Wat het wel betekent: extra kosten voor het wisselen, steeds prijzen moeten omrekenen: ‘hoeveel guldens gaan er in een pond, euro of dollar? 

Dan het tweede deel, het populaire verhaal dat het ‘Noorden’ wordt uitgemolken door het ‘Zuiden’. Wat wordt vergeten is dat tegenover die ‘waardeoverdrachten’ een positieve Nederlandse handelsbalans staat naar die landen. Die landen gebruiken dat geld om onze producten te kopen en ons zo aan het werk te houden. Hoe zou dat na een Nexit zijn? Dan moet er een wisselkoers worden vastgesteld tussen die nieuwe gulden en de euro. Wat die koers ook wordt, het kost Nederland ergens export. Of export naar Duitsland, het land waarmee we het meeste handel voeren. Of export naar die Zuid Europese landen. De ‘waardeoverdrachten’ vallen weg, maar ook het handelsoverschot en dus banen van mensen die de betreffende producten maken.

Over naar de tweede alinea: “Nederland staat bekend om zijn handel. Met onze handelsgeest, een belangrijke haven en een strategische agrarische ligging zijn we goed voorgesorteerd om internationaal zaken te doen. Veel van onze handel gaat naar andere EU landen, maar de toekomst van de handel ligt vooral in Noord Amerika, Azië (Belt & Road) en Afrika. Honderden jaren doen we al zaken wereldwijd en met of zonder de EU zullen we zaken blijven doen. We zijn een handelsnatie!”  De ligging van Nederland, in een rivierendelta, zal niet veranderen bij het verlaten van de Europese Unie. De Rotterdamse haven zal blijven liggen waar ze nu ligt. Maar zal die haven net zo belangrijk blijven? Van den Noort noemt in zijn opsomming van de toekomst van de handel ‘Belt & Road’. Laat dat Chinese initiatief nu net bedoeld zijn om de goederen via verschillende routes te laten stromen. Een vorm van Chinees kolonialisme’, divide et impera’ om een Latijnse spreuk te gebruiken. De Spaanse havenstad Algeciras, op dit moment de vijfde haven van Europa, zou een Nexit kunnen aangrijpen om haar positie op de Afrikaanse markt te versterken. Ook Antwerpen en Hamburg, respectievelijk de tweede en derde Europese havens, zouden flink van een Nexit profiteren. Een Nexit betekent immers één extra grens en dus een extra barrière voor Rotterdam.

Bij een ‘agrarische ligging’ kan ik me niet zoveel voorstellen. Maar als Van den Noort bedoelt dat de agrarische sector het makkelijker krijgt op de wereldmarkt, dan is daar nog wel wat over te zeggen. Het afzetgebied voor agrarische producten uit Nederland bevindt zich vooral in de Europese Unie. 72% van alle agrarische handel gaat naar tien landen waarvan er zeven (ik tel de Britten al niet meer mee) in de Europese Unie liggen. Een kwart gaat naar Duitsland gevolgd door onze zuiderburen met 11%, de Britten met 10% en de Fransen met 9%. Zouden grenzen de export makkelijker maken? Oh maar wacht eens, iets verderop lees ik dat het wel mee zal vallen want ‘we’ worden: “een Nederland met slimme technologisch georganiseerde grenscontroles, hoogwaardige handel met nieuwe handelspartners, maar bovenal een open houding naar andere Europese landen.” Even terzijde, hoe open is je houding als je de deur voor de ander sluit? Want dat is wat er gebeurt bij een Nexit. De techniek gaat dus oplossen wat we nu, omdat we deel uitmaken van de Europese Unie, al hebben opgelost. Als die ‘slimme techniek’ er is, waarom wordt die nu dan niet ingezet voor de bewaking van de grenzen? Hoe kan het dat Nederland dan wordt ‘overspoeld’ met drugs? Drugs die via onze havens het land binnenstromen en vervolgens ook het land weer verlaten.

Algeciras. Bron: Wikipedia

Hoe komt de boer en vooral de tuinder aan zijn arbeidskrachten? Die komen nu veelal uit andere, met name Oost Europese landen. “In de agrarische sector is, door de vele seizoensarbeid, de afhankelijkheid van werknemers uit Oost-Europa het grootst. Van de MOE-landers in Nederland werkt 26,4% in de land- en tuinbouw, gevolgd door de uitzendbranche met 20,8% (waar het ook vaak om agrarische werkplekken gaat),” zo is te lezen in een artikel op de site boerenbusiness. Een artikel waarin wordt gesproken over een tekort aan arbeidsmigranten omdat: “Door de sterke economische groei in Oost-Europa (…) minder Oost-Europeanen werk (zoeken) in West-Europa. Daarnaast gaan de hier reeds gevestigde arbeidsmigranten er sneller voor kiezen om terug te keren.” De agrarische sector staat hierin niet alleen. In de vele ‘logistieke blokkendozen’ die Nederland en vooral Venlo en omgeving telt, werken veel arbeidsmigranten. Die ‘dozen’ staan hier vanwege een goede ligging ten opzichte van het, Duitse en Europese achterland. Goed want zonder belemmeringen ontsloten via weg, rail en water. Wie gaat er na een Nexit werken? Maar wacht eens? Zou dat probleem in de logistiek zich niet vanzelf oplossen? Een Nexit zorgt immers voor belemmeringen, een grens. Dan zou onbelemmerd vervoer via Antwerpen en Hamburg wel eens aantrekkelijker kunnen zijn.

In de derde alinea van het visiedocument lezen we het volgende: “Lang is er hoop geweest dat de EU hervormbaar zou zijn. Dat met genoeg tegenkracht de megalomane projecten zoals de Green Deal kunnen worden afgezwakt. Dat het gebrek aan slagkracht rondom de bewaking van de buitengrenzen van de EU wel zou worden opgelost. Maar deze wens tot hervorming, tot rationalisatie van het Europees beleid blijkt ijdele hoop. De Brusselse bureaucratie wil maar één kant op: verdere integratie en verdere eenwording.”  Bijzonder. Aan de ene kant (green deal) wordt de Europese Unie verweten dat ze alleen maar verder wil integreren en meer macht naar zich toe wil trekken. Iets wat schijnbaar niet afgeremd kan worden. Aan de andere kant (bewaken van de buitengrenzen) dat ze te weinig centraliseert of in de termen van het document, ‘te weinig slagkracht ontwikkelt’. Daar is er blijkbaar toch ‘iets’ wat de zaak kan afremmen. 

Als we even afzien van deze ‘kronkel’, hoe zou dat zijn in een Nederland na de Nexit? Zou Nederland dan voldoende ‘slagkracht’ hebben om de eigen grenzen te bewaken? In de huidige situatie met slechts een deel van de grenzen die er bewaakt moeten worden, zee- en luchthavens, blijken de grenzen, zie het hiervoor genoemde voorbeeld van de drugs, voor goederen al een redelijk lek mandje. Uit mijn eigen jeugdervaringen, weet ik dat het vóór ‘Schengen’ ook al niet lukte om de grenzen voor mensen potdicht te houden. Als jeugdigen ondervonden we weinig problemen bij het illegaal de grens over te steken om in Walbeck te gaan zwemmen. En als dat wel lukt door, net als Trump en Israel, een soort muur te bouwen, dan weet ik niet of we daar in Venlo heel gelukkig van worden. Dat betekent namelijk dat wij zelf ook ingesloten zitten. Eventjes naar de Krickenbecker Seen wandelen en een kopje koffie drinken in het ouderwetse kroegje in Leuth of een wedstrijd van in de Bundesliga van Borussia Mönchengladbach bezoeken, wordt dan onmogelijk.

Ietsjes verderop is te lezen:“Wij willen geen machtsconcentratie in een centraal geleide, ondemocratisch bestuurde EU. Wij willen weer onze eigen baas zijn.”  Het is tegenwoordig populair om je af te zetten tegen de Europese Unie en die overal de schuld van te geven. Iets wat in dit visiedocument ook gebeurt. In dat afzetten doen woorden als ‘centraal geleid, ondemocratisch en machtsconcentratie’ het bijzonder goed.  Net als: “Steeds verder sluit het net van Europese regelgeving zich rondom de nationale besluitvorming. 70% van de wetgeving in Nederland heeft een Europese component. Ons eigen parlement staat buitenspel en onze eigen regering tekent bij het kruisje. We kiezen een Europees parlement dat in de praktijk weinig te vertellen heeft en niet kan opboksen tegen ongekozen Brusselse bestuurders.” Hoe is het in de praktijk?

Als de Europese Unie al ‘centraal geleid’ wordt, dan wordt het ‘politbureau’, om die oude Sovjet term maar eens te gebruiken, toch echt gevormd door de Europese Raad, de vergadering van de regeringsleiders. Die zitten aan de knoppen en bepalen wat er gebeurt. Namens Nederland zit premier Rutte daar ieder kwartaal aan tafel en bepaalt mee welke kant het op gaat. Er gebeurt niets zonder instemming van de Europese Raad. De regeringsleiders in de Raad willen de macht die ze hebben natuurlijk niet kwijt. Net zoals de parlementen van de landen ook geen machtig Europees parlement boven, of naast zich willen. Dan zouden ze een soort ‘provinciale staten’ worden. Zou dat de reden kunnen zijn dat het niet wil vlotten met dat democratische gehalte van de Europese Unie? Is de belangrijkste makke van de Europese Unie niet juist een gebrek aan macht en centrale leiding? Neem die grensbewaking als voorbeeld. Als de landen van de Unie werkelijk zouden kiezen voor slagkracht bij het bewaken van die buitengrens, dan zouden ze hun huidige douanecapaciteiten bundelen en onderbrengen in Frontex. Dan zou die organisatie uitgroeien tot de enige Europese douanedienst. Dat dit niet gebeurt, laat zien dat er niet ‘centraal’ wordt geleid. Alle macht die Brussel’ heeft, is macht die haar door de landen is gegeven. Gegeven door de regeringen en parlementen van de deelnemende landen. Door landen die ‘eigen baas’ zijn. Als ‘we’ iets van ‘Brussel’ moeten, dan is dat omdat ‘we’ daar zelf voor hebben gekozen. Het beperkte democratische gehalte van de Unie is een gevolg van besluiten in ‘Den Haag’, ‘Berlijn’, ‘Parijs’ en ook ’Brussel’, maar dan als hoofdstad van België. Een visiedocument dat de werkelijkheid wat geweld aandoet. Dat geeft te denken.

De passage hierboven wordt afgesloten met de zin: “Hoewel we op veel thema’s verschillen van de grote landen, wordt er veelal bij meerderheid besloten.” Hierboven hebben we gezien dat besluiten worden genomen in de Europese Raad. En, zo is te lezen op de site van de Europese Unie: “Besluiten worden gewoonlijk genomen bij consensus, maar soms ook bij unanimiteit of gekwalificeerde meerderheid. Alleen de staatshoofden en regeringsleiders kunnen stemmen.” Gewoonlijk dus bij consensus en dat: “wil zeggen dat een voorstel alleen aangenomen kan worden wanneer alle lidstaten het eens zijn. Er wordt niet gestemd, maar overlegd tot iedereen het met het voorstel eens is.” Alleen als in een verdrag is geregeld dat een besluit op een andere manier moet worden genomen, wordt hiervan afgeweken. Dan wordt er bij ‘unanimiteit’, of zoals het ook wordt genoemd, eenparigheid van stemmen besloten. Dit houdt in dat: “een voorstel alleen kan worden aangenomen als alle EU-landen, in het kader van de Raad bijeen, het eens zijn.” Of via een ‘gekwalificeerde meerderheid’. Dit betekent dat: “55% van de EU-landen (…) voor (is) – d.w.z. 16  van de 28” het voorstel steunen en die landen: “minstens 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen.”  Een ‘versterkt gekwalificeerde meerderheid’ kan ook. Dan moet 72% van de landen vóór stemmen en die landen moeten minstens 65% van de bevolking vertegenwoordigen. Een visiedocument dat de werkelijkheid nog wat meer geweld aandoet. Dat geeft nog meer te denken. 

Europees Parlement Brussel. Bron: WikimediaCommons

“(W)e zijn ook niet bang om samenwerkingsverbanden die niet werken te ontmantelen. En misschien worden we wel de founding father van de nieuwe EU.” Iedereen die zijn huis wel eens heeft verbouwd weet dat het veel moeilijker is en veel meer tijd kost om iets op te bouwen. Afbreken is makkelijk. Pak de sloophamer en binnen een paar uur is ‘dat muurtje’ weg. Een nieuwe muur optrekken, stuken en texen is een ander verhaal. Natuurlijk kan de huidige Europese samenwerking beter en vooral democratischer. En dan kom ik bij Dani Rodrik en het echte probleem. Het echte probleem is er een van schaalverschillen. Volgens Rodrik zijn markten (economie) en overheden complementair. Overheden, zo schrijft hij op pagina 19: “are necessary to establish peace and security, protect property rights enforce contract, and manage the macroeconomy. It is also because they are needed to reserve the legitemacy of markets by protecting people from risks and insecurities markets bring with them.” Overheden moeten de markt in toom houden. Alleen is er de afgelopen decennia iets veranderd. De markt is steeds meer en sneller geglobaliseerd. Ze heeft een andere schaal gekregen dan de overheid. De markt is de wereld geworden en dat betekent dat marktpartijen (bedrijven) die plek in de wereld zoeken waar ze het meeste winst kunnen behalen of het meeste van hun winst kunnen behouden. De markt overheerst de overheid. Rodrik noemt dit ‘the golden straijacket’, de gouden dwangbuis. Op pagina 201 beschrijft hij die wereld als volgt: “governments persue policies that they believe will earn them market confidence and attract trade and capital inflows: light money, small government, low taxes, flexibel labor markets, deregulations, privatization, and openness all arround.” Dit lijkt verdacht veel op onze huidige samenleving. 

In ons huidige tijdsgewricht is de markt te dominant. De markt heeft de overheden, om het plat te zeggen, in de achterzak. De ‘dividendbelasting’ is een goed voorbeeld hoe bedrijven proberen landen tegen elkaar uit te spelen. De winnaars bij dit uitspelen zijn die multinationale bedrijven. De landen en hun inwoners verliezen. De enige manier om macht van de markt te beteugelen en te voorkomen dat we tegen de Belgen en Duitsers worden uitgespeeld, is door de Europese overheid te versterken. Versterken van de overheid kan in onze contreien alleen door het versterken van de democratie. Sterke democratische Europese instellingen van en voor de inwoners. Kunnen we onze energie niet beter hierin steken dan samen met ‘Don Quichot’ Van den Noort en zijn rammelende visie te vechten tegen windmolens?

Gewelddadige Westen

“Er zijn mensen die claimen dat de westerse levensvorm het allerbeste is wat er is. Maar om dat te doen gelden, hebben ze geweld nodig. De geschiedenis van het Westen is een lange geschiedenis van geweld tegen alles wat zich niet aan die orde van het Westen conformeerde. Indigenous people zijn uitgeroeid, omdat ze niet wilden leven zoals in het Westen.” Woorden van de socioloog Willem Schinkels bij De Correspondent. Nu behoor ik niet tot die mensen. Dat de geschiedenis van het Westen doordrenkt is van geweld, zal ik niet ontkennen. Dus ook niet dat er ‘indigenous people’ zijn uitgeroeid. Toch is er iets met de uitspraak van Schinkels.

Bron: Flickr

De uitspraak wekt de suggestie dat het Westen daarin uniek is. Dat het Westen ‘patent’ heeft op geweld en het uitmoorden van diegenen die zich niet conformeren aan die orde. Laten we dat eens wat nader bekijken. Typ de meest gruwelijke oorlogen in en je komt bij de Top 10 Meest Gruwelijke Oorlogen. Dat moet dan een Westers lijstje worden. De eerste plek wijst al in die richting. Daar staat natuurlijk de Tweede Wereldoorlog op één met ruim 75 miljoen slachtoffers. Op twee een eerste aanwijzing dat geweld niet specifiek Westers is. Namelijk de Mongoolse invasie van China, India, het Midden-Oosten en Europa. Tussen de 30 en 40 miljoen doden. Daarbij moeten we ons realiseren dat de Aarde toen door zo’n 370 miljoen mensen op werd bewoond terwijl dat er in 1939 ruim anderhalf miljard waren. Op drie de Chinees Japanse oorlog die net aan de Tweede Wereldoorlog voorafging. Tussen de 20 en 30 miljoen doden. Met een ander dan een Westers perspectief, zou je deze oorlog bij de Tweede Wereldoorlog kunnen tellen. Op vier een rebellie in China midden negentiende eeuw. Op vijf de Eerste Wereldoorlog met 17 miljoen doden. Op 6, 7, 8, 9  Chinese oorlogen en opstanden. De lijst wordt afgesloten met op 10 de Chinese burgeroorlog. Geweld is niet iets specifiek Westers. 

Tot die conclusie komt Jonathan Holslag in zijn boek Vrede en Oorlog ook. “Een van de conclusies van dit boek is dat oorlog universeel is. Steeds weer hebben mogendheden beloofd dat hun opkomst de wereld ten goede zou komen, dat ze zouden afzien van agressie en dat ze stonden voor een rechtvaardige nieuwe orde. Steeds weer liep die belofte echter uit op een teleurstelling – ongeacht wanneer of waar die werd gedaan. Het Westen is daarbij niet agressiever te werk gegaan dan China, India of Afrika.”  Het Westen is alleen de laatste ‘mogendheid’ in een lange lijn en een ‘mogendheid’ die het op wereldschaal deed. Alhoewel de Mongolen in hun tijd met beperktere middelen ook al en heel eind kwamen.  

Volgens Holslag zijn vrede en oorlog een gevolg van het in elkaar grijpen van verschillende maar wel met elkaar samenhangende lagen. Hij onderscheidt er vijf. Als eerste macht. Macht heeft: “twee aspecten: de input, of kwaliteiten, en de output, of effectieve invloed. Die effectieve invloed kan zowel zacht als hard zijn, alles van subtiele aansporing tot gewelddadige onderwerping – waarbij diplomatie eenvoudigweg de kunst van het bemiddelen tussen binnenlandse belangen van eigen land en die van andere is.”  De tweede laag die Holslag onderscheidt is: “ de geschiedenis van de politieke organisatie. Gemeenschappen namen allerlei verschillende vormen aan: die van stad, stadstaat, natiestaat, multinationale unie of imperium, uiteenlopend van indirect handelsimperium tot direct territoriaal imperium. Ze werden ingericht als monarchie of republiek, dictatuur of democratie et cetera. En ze co-existeerden met andere invloedrijke actoren zoals religieuze groeperingen, internationale corporaties en zelfs piraten.” De derde laag betreft de geschiedenis: “de interactie tussen politieke entiteiten. Door de eeuwen heen zijn er keer op keer mensen opgestaan die verkondigden dat de aard van de internationale betrekkingen ten goede zou veranderen; de rivaliteit zou blijven bestaan, maar minder gewelddadig worden.”  De vierde laag: “de geschiedenis van de relatie tussen de mens en de planeet, met andere woorden: het belang van de natuur en veranderingen in het milieu. … Gedurende een groot deel van de geschiedenis was het een van de voornaamste taken van een monarch om bij de goden te pleiten voor gunstige weersomstandigheden. Klimaatverandering, voedselschaarste en volksverhuizingen die daardoor in gang werden gezet hebben zeker als sinds Egypte voor het eerst door de farao’s werd geregeerd sociale onrust en oorlog teweeggebracht.” Als laatste en vijfde: “het denken over de aard van de wereldpolitiek dat in de loop van de geschiedenis is veranderd. … Voor mensen die de internationale politiek bestuderen betekent dat: de voortdurende strijd tussen gemeenschappen en het ontbreken van duurzame kracht die kan bemiddelen in hun disputen of ze kan oplossen.”

Nee. geweld en moorden is niet iets typisch Westers. Net zoals ook het doden van mensen en groepen die ‘niet meewillen’ in de nieuwe orde niet typisch Westers is. Ook dat is eigen aan iedere mogendheid en kolonisator. Dat hebben diverse ‘indigenous people’ in het verleden aan den lijve ondervonden.

Lessons Learned? Not!

“We hadden geen idee wat we aan het doen waren.’ ‘Elk gegeven werd zo aangepast zodat we een zo gunstig mogelijk beeld konden schetsen.’ ‘We hebben duidelijk gefaald.’” Dit schijnen de conclusies te zijn van de evaluatie die de Amerikaanse legertop heeft gehouden over de oorlog in Afghanistan. Ten minste, dat valt te lezen in de Volkskrant. Lessons Learned schijnt de titel van het rapport te zijn. De hoofdlijnen uit het rapport, zo lees ik in de Volkskrant: “ Een gebrek aan strategie (na het verslaan van Al-Qaida), een gebrek aan begrip, een corruptie-bevorderende hoeveelheid geld en, allesoverkoepelend, een totaal gebrek aan eerlijkheid. Generaals, diplomaten en presidenten spraken allemaal in veel te rooskleurige termen over de oorlog, zozeer zelfs dat sommige geïnterviewden van ‘moedwillige misleiding’ spreken.”  Schokkend? Ja. Verrassend? Eigenlijk niet.

Bron: WikimediaCommons

Het machtigste en militair sterkste land van de wereld zou toch geen moeite moeten hebben met Afghanistan? Nu zijn de Amerikanen niet de eersten die zijn vastgelopen in het onherbergzame stammengebied. Als we een kleine 180 jaar terug gaan in de tijd, naar 1838, dan zien we dat het toen machtige Britse rijk een poging doet om het gebied onder haar controle te krijgen. De Britten vallen binnen om er een voor hen vriendelijker gezind staatshoofd aan de macht te krijgen. Dat leek even te lukken maar in 1841 brak over het gehele land de pleuris (opstanden) uit en een jaar later trokken de Britten zich terug. In 1878 waagden ze een tweede poging met min of meer hetzelfde verloop. De Britten zetten het hoofd van het land af en even is het rustig. In 1880 verlieten ze, na een forse nederlaag met de staart tussen de benen het land. Een volgende wereldmacht die zich op de taaiheid van de Afghanen verkeek, was de Sovjet Unie. Eind 1979 vielen de Sovjets Afghanistan binnen. Of, zoals ze het zelf zouden zeggen: schoten ze de bevriende communistische heerser te hulp nadat die erom had gevraagd. In 1989 verlieten ook zij met de staart tussen de benen het land.

In de negentiende eeuw was het Britse rijk het machtigste land van de wereld en eind jaren tachtig was de Sovjet Unie, op de Verenigde Staten na, het machtigste land. Beide machtige landen verslikten zich in de taaie Afghanen met hun sterke tribale inslag. ‘Eigenlijk niet’ dus omdat dit allemaal bekend is. Afghanistan staat bekend als het ‘kerkhof van wereldrijken’. Als de Verenigde Staten de geschiedenis hadden bestudeerd dan had dat hen misschien op andere gedachten gebracht. Als ze hun geschiedenislessen hadden geleerd, dan hadden ze kunnen weten dat ze zich in een wespennest gingen begeven.

Nu is er een connectie tussen de Amerikaanse poging om het land ‘verder te helpen’ van de afgelopen achttien jaar en de eerdere Sovjet inval. In deel drie van mijn vierluik met als titel Wat was en IS van begin dit jaar besteedde ik daar al aandacht aan. De Amerikanen steunden alle groepen die zich tegen de Sovjets verzetten. Dit met als adagium: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Een van die ‘vrienden’ was Osama Bin Laden. Na de terugtrekking van de Sovjets verloren de VS hun interesse in Afghanistan en lieten hun ‘vrienden’ vallen. Een deel van die vrienden onder leiding van Bin Laden beschouwden vervolgens de wereld als haar strijdtoneel voor de ‘ware islam’. Dit met de aanslagen van 11 september 2001 als gevolg. De aanslagen die leidden tot de Amerikaanse inval.

Afghanistan is niet de eerste keer dat de Verenigde Staten erop vertrouwden dat hun militaire macht ‘alles’ zou oplossen. “Als een dorp vijf of zes keer gewapenderhand wordt ingenomen, sneuvelen er een hoop burgers. Hun hele patroon van leven zal veranderen (…) Hoe langer de oorlog duurt, hoe meer we het doel vernietigen waar we voor vechten.”  Woorden van de Amerikaanse generaal James Gavin in 1968. Ik neem ze over uit het boek Vietnam een tragedie 1945-1975 van Max Hastings (pagina 774). Net voor dit citaat is de volgende passage te lezen: “De beslissingen van opeenvolgende Amerikaanse regeringen om het conflict te laten escaleren, zijn vooral achteraf verbijsterend, omdat de sleutelfiguren de onbekwaamheid erkenden van het regime in Saigon, dat ze slechts in stand hielden als de voor hen noodzakelijke Vietnamese façade van een Amerikaans bouwwerk.” En iets onder het eerste citaat: “De Amerikaanse beleidsmakers (…) hadden in de eerste plaats al geen oog voor de economische en culturele impact van een omvangrijk buitenlands leger op een Aziatische boerenmaatschappij. Een Vietnamese secretaresse in dienst van USAID verdiende meer dan een ARVN-kolonel (het Zuid-Vietnamese leger). Bulldozers en containers, antennes en pantservoertuigen, wachttorens, zandzakken en rollen prikkeldraad brachten al schade toe aan de omgeving nog voordat de kanonnen vuurden, de helicopters de lucht doorkliefden, de rijzige Amerikaanse soldaten de liefde kochten van de zoveel kleinere Vietnamese vrouwen. (…) De voetafdruk die zij (de communistische strijders van de Vietcong en het Noord-Vietnamese leger) achterlieten was licht in vergelijking met die van de Amerikanen, wier stappen vergeleken konden worden – en dat door ontwikkelde Vietnamezen ook werden – met die van een reus uit een of andere sciencefictionfilm die door het landschap dendert, de rust verstoort en alles op zijn pad wat kwetsbaar is gedachteloos vernietigt.”  De beschrijvingen van het rapport Lessons Learned in de Volkskrant lijken sprekend op de beschrijving die Hastings geeft van de manier waarop de Amerikanen in Vietnam opereerden en de bijna ‘moedwillige misleiding’ waarmee ze die oorlog aan de wereld en hun landgenoten in het bijzonder, verkochten.

Bron Pixabay

De historica Barbara Tuchman noemt ,in haar boek De mars der dwaasheid, de Vietnamoorlog als een voorbeeld van dwaasheid. Tuchman geeft drie criteria waaraan het handelen moet voldoen om voor haar dwaas genoemd te mogen worden. Als eerste moet de gevoerde politiek destijds ook als averechts zijn onderkend en niet pas achteraf. Het tweede criterium is dat er geschikte alternatieve gedragslijnen beschikbaar moesten zijn. Het laatste criterium is dat het de politiek van een groep moet zijn geweest die langer heeft geduurd dan een politieke levensduur en niet van een individuele heerser. Voldoet de Amerikaanse aanpak in Afghanistan niet ook aan deze criteria? 

“Lessons Learned” luidt zoals gezegd de titel van het Afghanistan-evaluatie. Het enige wat mij te binnen schiet is: NOT!


Bezopen nuchterheid

“De coalitie van FvD, SGP en PVV moet daarom de nieuwe coalitie van nuchter Nederland gaan worden.” Een van de laatste zinnen uit een betoog van student politicologie en SGP raadslid in Oldenbroek Tom de Nooijer bij Opiniez. Waarom het tijd is voor die coalitie? Omdat het “tijd (is) voor een nieuw politiek thuis van het redelijke midden.” Wat kenmerkt die coalitie en dus ‘nuchterheid’ en ‘redelijkheid’? Zou dat wat voor mij zijn?

Makgadikgadizoutvlaktes in Botswane. Bron: WikimediaCommons

Ik drink af en toe een glas bier. Zo ook gisteren tijdens de wedstrijd van VVV-Venlo tegen Emmen. Zou dat een belemmering zijn? Dronken was ik zeker niet, maar helemaal nuchter? Aan het einde was ik trouwens dronken van geluk en met mij vele anderen in het stadion omdat VVV won. Die betekenis van het woord ‘nuchter’ zal De Nooijer niet bedoelen. Ook niet de eerste betekenis in de Vandale, “zonder nog te hebben gegeten”. Hij zal eerder verwijzen naar de derde omschrijving: “verstandig en kalm, koel-zakelijk.” Laten we zijn betoog eens ontleden. Wellicht dat we dan kunnen ontdekken wanneer je tot de ’dronken’ en dus onverstandige, hysterische en warm-emotionele coalitie behoort. Die coalitie kan zich op verschillende plekken in het politieke spectrum bevinden. Die kan zowel aan de rechterkant als aan de linkerkant huizen. Maar ook in het midden. En als er een ‘redelijk midden’ is dan zou er ook zo maar een ‘onredelijk midden’ kunnen zijn. Net zoals er een ‘redelijk’ rechts en links kunnen zijn, zelfs in de meest extreme variant. Eens kijken of zijn analyse duidelijk biedt.

‘Nuchter’ is: “Centrum-rechts, vaak wonend in de provincie en vanuit calvinistische overblijfselen een tikkeltje gematigd en conservatief.” Aha, links is dronken en woont vaker in een stad en bijna het hele Zuiden van het land valt al af vanwege het katholieke verleden. De ‘calvinistische overblijfselen’ zijn daar immers als de wel bekende speld in een hooiberg. Wel vreemd dan dat de PVV zo goed scoort in het Zuiden. Oké, misschien is daar een andere verklaring voor.

“Vaak worden onderwerpen genoemd als de achterblijvende koopkracht of het irrationele klimaatbeleid van Nederland,” aldus De Nooijer als het gaat over zaken die de stemkeuze bepalen. Maar dat is niet alles: “opvallend is dat de zorgen steeds vaker gaan over culturele, waarschijnlijk zelfs existentiële, thema’s, die betrekking hebben op de lange termijn van ons land (of Avondland, zo u wilt). Hierbij staan immigratie en de alsmaar toenemende macht van de Europese Unie centraal. Uitzoomend, vallen al deze onderwerpen grofweg onder te brengen onder twee grote zorgen, namelijk zorgen over de identiteit en de soevereiniteit van Nederland.” Het redelijke en nuchtere moet dus ergens in deze thema’s verstopt zitten.

Als eerste neemt De Nooijer immigratie onder de loep. Hij analyseert aan de hand van het stemmen over het Marakeshpact. “Enige tegenstanders: FvD, SGP, PVV en 50+” Oké, redelijk en nuchter is dus tegen dit pact zijn omdat het pact vol staat met: “bizarre teksten die zelfs GroenLinks nog niet zou opschrijven in hun verkiezingsprogramma.” GroenLinks is, volgens De Nooijer, dus ‘bezopen’ en ‘onredelijk’. En daarbij draait het allemaal om: “artikel 13, waarin staat dat immigratie ‘in essentie voor iedereen iets goeds is, zolang het maar goed verloopt’.” De vraag is wat er zo bizar is aan deze tekst? Is immigratie slecht? Zonder immigratie zouden er in Nederland geen mensen zijn. In het grootste deel van de wereld trouwens niet. De homo sapiens vindt, naar de laatste wetenschappelijke inzichten, zijn oorsprong: “ongeveer op de plek waar nu de Makgadikgadizoutvlaktes liggen.” En emigreerde zo’n 130.000 jaar geleden van daaruit. Dus om te beweren dat migratie slecht is, gaat wel erg ver. Nu zal De Nooijer dat als rechtgeaard staatkundig gereformeerde waarschijnlijk anders zien en verklaren dat de Aarde nog niet zo oud is. 

Of zou het tegenwoordig anders zijn? Was immigratie ooit goed en is het nu slecht? Als dat het geval is, dan moeten de grenzen dicht. Maar dan ook twee kanten op. Dus ook geen Nederlander meer die naar ‘Silicon Valley’ gaat om daar zijn ‘geluk’ te beproeven. Als immigratie slecht is, is emigratie dat immers ook. Dat is de keerzijde van de medaille. Immers en dat moet De Nooijer bekend voorkomen: ’Wat gij niet wilt dat u geschiedt …” 

Wellicht valt De Nooijer over de passage ‘in essentie voor iedereen’ en vindt hij dat immigratie voor sommige mensen niet goed is. Of het goed is voor de immigrant, kan alleen die immigrant bepalen. Misschien is het slecht voor mensen op de plek waar naartoe wordt geïmmigreerd? Dat zou kunnen, daarom ook ‘zolang het maar goed verloopt’. Zolang het maar gereguleerd gebeurd en dat is nu niet het geval. Wat er waarom redelijke en nuchter is, maakt De Nooijer niet echt duidelijk.

Dan het tweede onderwerp, het klimaat. “Enige tegenstanders: FvD, SGP, PVV (en PvdD, die vonden het niet ver genoeg gaan).” De redelijke en nuchtere positie is dus tegen deze wet zijn en niet omdat die niet ver genoeg gaat. Waarom? Omdat: “ De klimaatwet (…) hét politieke besluit (was) waarin definitief duidelijk werd wie zich wel en niet schaarde achter de groene gekte. In deze wet staat dat er in 2030 49% CO2-reductie moet zijn, en 95% in 2050. Koste wat het kost. De heiligheid van deze getallen is zo groot, dat ze kennelijk zelfs per wet moesten worden vastgelegd.”  Waarin zit die gekte en wat is dan ‘nuchter’? Als we Baudet mogen geloven is de klimaatverandering positief. De wereld wordt groener omdat planten het goed doen op kooldioxide. Ook is het volgens Baudet, maar de vraag of de huidige opwarming wel een gevolg is van menselijke activiteit. Hoe redelijk en nuchter die positie is, dat is de vraag. 

Feit is dat de concentratie kooldioxide in de de atmosfeer toeneemt en dat die toename steeds sneller gaat. Een toename die vooral een gevolg is van menselijke activiteiten en dan vooral het verbranden van kolen, olie en gas. Ook een feit is dat de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Ze is de afgelopen 130 jaar met ongeveer 1,0 ° graad Celsius gestegen. Kooldioxide houdt warmte vast in de atmosfeer en werkt daarmee temperatuur verhogend. Ook dat is een feit. Zonder broeikasgassen in de atmosfeer zouden wij hier niet kunnen leven. Dan zou de gemiddelde temperatuur op Aarde ver onder het vriespunt liggen. Iets wat in de geschiedenis van de Aarde ook al is voorgekomen. Dat menselijke activiteit van invloed is op de gemiddelde temperatuur, is daarmee zeer waarschijnlijk. Dat verandering van dat menselijk gedrag dus ook invloed zal hebben, is zeer aannemelijk. Of de klimaatwet daarmee ‘groene gekte’ is en de ‘heiligheid van getallen’ te groot is, is zeer de vraag. Wat is daarmee ‘redelijk’ en nuchter’? 

Wat we ‘redelijk’ en nuchter’ kunnen constateren, en daarmee combineren we de eerste twee onderwerpen, is dat klimaatverandering tot migratie leidt. De plek waar nu de Makgadikgadizoutvlaktes liggen, zag er vroeger heel anders uit. Als het toen ook al zoutvlaktes waren, dan waren er waarschijnlijk geen homo sapiens geweest. Zoutvlaktes zijn immers slechte plekken om te wonen. Ooit vormden die zoutvlaktes: “een enorm meer, dat door plaattektoniek langzaam veranderde in moerasgebied.” En moerasgebieden zijn ideale gebieden voor levende wezens. Alleen veranderde dat, de meren droogden op. Waarschijnlijk als gevolg van een draaiing van de aardas waardoor het klimaat veranderde. Dat was de eerste keer dat de mens migreerde vanwege klimaatverandering. De eerste maar zeker niet de laatste. Zo droeg ‘klimaatverandering’ ook bij aan de val van het Romeinse Rijk. Die Hunnen gingen niet voor hun lol op trektocht naar Europa. Nee, diep in de Aziatische steppen veranderde het klimaat waardoor het leefgebied van de daar wonende mensen verslechterde. Zij trokken weg en veroorzaakten wat wij nu de ‘grote volksverhuizing’ noemen. De Nooijer zal ook hiervoor, als staatkundig gereformeerde, weer andere verklaringen hebben. Eentje waarin god een hoofdrol speelt.   

Als derde en laatste ijkpunt van ‘redelijkheid’ en ‘nuchterheid’ neemt De Nooijer de Europese Unie. En dan vooral een initiatiefwet waaraan SGP-fractievoorzitter  Kees van der Staaij maar liefst dertien jaar had gewerkt. “Een initiatiefwet die ervoor zorgt dat, wanneer er nieuwe bevoegdheden naar de EU gaan, er een tweederde meerderheid moet zijn in plaats van de helft plus een. Een gezonde drempel, om niet zomaar alle soevereiniteit over te dragen aan de EU. Zou je denken.” Hoe gezond een drempel van tweederde meerderheid is, laat onze Grondwet zien. Die kan alleen worden gewijzigd indien er in eerste instantie met gewone meerderheid over is besloten en na verkiezingen met tweederde meerderheid. Dit maakt majeure grondwetswijzigingen zeer zeldzaam en meestal gaat het maar over een klein detail. De laatste keer dat de Grondwet grondig werd herzien, was in 1983. En om die in perspectief te plaatsen, de discussie erover begon al in 1950. Dat is dus iets van zeer lange adem. Als we vervolgens bekijken wat ‘grondig’ inhield, dan valt dat ‘grondig’ wel mee. De echte ‘grondige’ voorstellen, werden afgewezen.  Voorstellen zoals de invoering van een beperkt districtenstelsel, de verkiezing van de formateur, rechtstreekse verkiezing van de Eerste Kamer, een andere benoeming van burgemeesters en Commissarissen van de Koning. Zaken waarover nu nog steeds wordt gepalaverd. 

Besluiten over het overdragen van bevoegdheden naar de Europese Samenwerking met een tweederde meerderheid betekent dat er niets wordt overgedragen. Tweederde meerderheid betekent dat alles bij het oude blijft. Als je vindt dat nu alles perfect is, is dat een begrijpelijke keuze. Alleen kunnen omstandigheden veranderen waardoor er iets anders nodig is. Als verandering noodzakelijk is, is het maar zeer de vraag of de keuze voor een tweederde meerderheid nog steeds ‘nuchter’ en ‘redelijk’ is. Besluiten met tweederde meerderheid komt in de buurt van dictatuur van de minderheid.

De Nooijer studeert politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Een studie die, zo is op de site van de Universiteit te lezen: “gaat over de wijze waarop gemeenschappen omgaan met conflicten, hoe zij besluiten nemen en hoe zij hun doelen realiseren.” De Nooijer heeft er in ieder geval geleerd zijn verhaal in woorden met een positieve klank te verpakken. Wie kan er nu bezwaar hebben tegen ‘redelijkheid’ en in het verlengde ervan ‘realisme’? En als jij de ‘redelijkheid’ of het ‘realisme’ claimt, is de ander al snel  een ‘onredelijk idealist’ of ‘irreëel’. Op de ‘redelijkheid’ van de opvattingen van De Nooijer valt nogal wat af te dingen. Dat “politiek thuis van het redelijke midden” voor‘nuchtere’ Nederland kon weleens behoorlijk bezopen en onredelijk kunnen uitpakken. Bezopen nuchterheid?

‘Cultureel systeem’

Afgelopen zondag zat ik weer op de tribune bij mijn clubje VVV-Venlo. Dat ‘Venlo’ erachter is trouwens dubbel omdat de eerste V voor Venlose staat, dat even terzijde. Gelukkig speelde Opoku mee. Dat biedt altijd voer voor een gesprek met een van mijn medesupporters. Die zeurt steevast dat Opoku er niets van kan. Vervolgens scoort hij of is hij betrokken bij een beslissende actie. Ook deze keer liep het weer zo. Hij leidde met een prachtige actie de 1-0 in. Maar ook daar gaat het mij nu niet om. Nee, een andere vaste bezoeker vond dat de scheidsrechter wel erg pietluttig floot en riep: “ut is gen wievevoetbal.” Ik keek hem aan zei, met de ‘racisme polemiek van de afgelopen weken in het achterhoofd: “det kin se neet zegge. Mietjes trouwes ok neet.” Aan deze gebeurtenis moest ik denken toen ik een artikel van Karim Bettache bij Joop las.

Stadion de Koel. Bron: Wikipedia

Volgens Bettache kenmerkt Nederland zich door een: “kolon(a)ial(.) culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties huidskleur … een absurde, arbitraire manier van het indelen van mensen en het maakt de samenleving voor veel mensen een hel op aarde.” Zo die zit. Hoe kwam Bettache tot die conclusie? Die conclusie trok hij uit: “een filmpje van een klein meisje in Nederland dat volgens de clip door twee volwassen ‘keurig uitziende’ witte Nederlanders uitgemaakt wordt voor Zwarte Piet.” Volgens Bettache ging er door dat filmpje een schok door de ‘wereld’: “Geschokt was men dat dit in het land gebeurde waarvan de meeste mensen een beeld hadden (dat) het een vrijdenkende, open samenleving is.” Bettache redeneert vervolgens: “De ontmenselijking zit er diep ingebakken als je een klein hulpeloos meisje zo kunt vernederen, zonder ook maar een greintje empathie te voelen voor dat kind. Dan mankeert er echt wat daar in de bovenkamer. Toch ga ik die mensen niet de schuld in de schoenen schuiven, want dat is het trucje dat al te lang is gebruikt. Racisme in de schoenen schuiven van individuen die eruit blaten wat de samenleving vaak diep daarbinnen denkt.”

Nu heb ik dat ‘filmpje’ van anderhalve minuut ook gezien. Nergens in dat filmpje wordt een kind voor ‘zwarte piet’ uitgemaakt. Wat we zien zijn een oudere man en vrouw die worden gefilmd door iemand die tegen hen staat te tieren. We horen de tierende mevrouw zeggen dat haar dochtertje door de oudere vrouw ‘zwarte piet’ zou zijn genoemd. Dat dit is gebeurd, wil ik best geloven. Maar of dat op een ‘ontmenselijkende en diepvernederende’ manier gebeurde, zoals Bettache betoogt, dat blijkt niet uit het filmpje. En de intentie maakt voor mij nogal wat uit. 

Mijn eerste gedachte, en daarom moest ik aan het voorval op de tribune denken, was dat de tierende mevrouw wel erg lange tenen moest hebben. Hoe ik tot die conclusie kwam? Mijn natuurlijke reactie als iemand tegen mijn kind iets zou zeggen wat mij niet aanstaat, dan zou ik ze op een rustige toon aanspreken en aangeven dat ik daar niet van gediend ben. Ik zou het vervolgens aan de ander laten om daar dan iets mee te doen en zich te verontschuldigen of niet. Ik zou zeker niet mijn telefoon pakken, de camera aanzetten en vervolgens gaan schreeuwen tegen die persoon. 

Tot zover het filmpje, terug naar de redenering van Bettache. Hij trekt een conclusie voor de samenleving als geheel uit één voorval. ‘Ho, ho’, zal hij daarop zeggen ‘er zijn veel meer van dergelijke voorvallen, neem het gebeuren bij FC Den Bosch.’ Inderdaad, er zijn meer van dergelijke voorvallen. Er zijn echter ook vele ‘voorvallen’ die in een andere richting wijzen. Alleen worden deze voorvallen niet gefilmd en komen ze niet in het nieuws. Goed nieuws is immers geen nieuws. Net zoals het merendeel van de supporters die niet meedoet aan ‘gescheld’ tegen spelers en scheidsrechter geen ‘nieuws’ zijn. Die negatieve voorvallen zijn volgens Bettache een gevolg van dat ‘koloniale culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties in huidskleur’. Hoe zijn die positieve ’voorvallen’ te verklaren als het niet aan individuen ligt maar aan dat ‘koloniale culturele systeem’? 

De waarde van slavernij

“Op het hoogtepunt van de slaafgedreven economie vertegenwoordigden de slaven een waarde die groter was dan alle Amerikaanse fabrieken en spoorwegen bij elkaar opgeteld.” Een zin uit een artikel in De Groene Amsterdammer van Casper Thomas. Het artikel behandelt een eventuele ‘herstelbetaling’ aan de nabestaanden van slavernij. Het gaat mij niet om nut en/of noodzaak van een eventuele ‘herstelbetaling’ en de haken en ogen die daaraan kleven. Het gaat mij om deze zin. De zin suggereert iets, een waarde, maar wat is die waarde? Een interessante vraag die het waard is te onderzoeken zonder iets af te willen doen aan de ellende van slavernij.

Bron: Wikimedia Commons

Deze zin lijkt opgenomen om het economische belang van slavernij aan te tonen. De Verenigde Staten waren tot voor kort de toonaangevende industriële macht in de wereld. Ook kent iedereen wel de verhalen over de onstaansgeschiedenis van het transcontinentale spoorwegennet. Al is het maar van Spoorweg door de prairie, een van de avonturen van Lucky Luke. De sneller dan zijn schaduw schietende cowboy met zijn trouwe viervoeter Jolly Jumper. Met dit in het achterhoofd kan de conclusie niet anders zijn dan dat slavernij een enorme bijdrage leverde aan de Amerikaanse welvaart. Toch is het beeld dat deze passage oproept ver bezijden de waarheid. 

Laten we de zin eens ontleden. Als eerste: het hoogtepunt van de slaafgedreven economie. Waneer was dat? Zoals iedereen weet werd de slavernij in de Verenigde Staten beëindigd in 1865 na bijna vier jaar burgeroorlog. Een burgeroorlog waarin de geconfedereerde staten zich wilden afscheiden. De economie in deze staten was vooral ‘slaafgedreven’ en dat wilden ze behouden. De unionistische noordelijke staten wilden de slavernij in de gehele unie afschaffen. Zie daar de aanleiding voor de burgeroorlog. De geconfedereerde staten verloren en op 18 december 1865 werd slavernij in de gehele Verenigde Staten afgeschaft. Het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven’ economie moet daarmee voor 1865 liggen. Thomas’ artikel opent met het wedervaren van Oluale Kossale die in 1860 als slaaf voet aan wal zette in de Verenigde Staten. Hij was de laatste en in de periode voor hem waren er vanaf 1808 steeds minder nieuwe slaven geïmporteerd. Met ingang van dat jaar verbood het Amerikaanse congres het naar Amerika halen van slaven. Dit besluit betekende dat de slaafgedreven economie het vanaf die tijd eerst met veel minder en later zonder nieuwe aanwas uit Afrika moest doen. De slavenhouders waren in toenemende mate aangewezen op ‘natuurlijke aanwas’. Het hoogtepunt van de ‘slaafgedreven economie’ lag daarmee in ieder geval voor 1861, het begin van de burgeroorlog en misschien zelfs wel voor 1807.

In 1861 waren er ruim 3,9 miljoen slaven in de Verenigde Staten, tegen bijna 900.000 in 1800. Als het om aantallen slaven gaat dan zou je zeggen dat 1860 het hoogtepunt was. Alleen moeten we dan wel kijken hoe het aantal slaven zich verhield tot de totale bevolking. De Amerikaanse bevolking, groeide tussen 1800 en 1860 van 5,4 miljoen naar 31,4 miljoen. Een forse groei veroorzaakt door immigratie. Een klein deel gedwongen als slaaf. Klein deel omdat slavenimport sinds 1808 was verboden. Het overgrote deel vrijwillig vanuit Europa. Het aandeel slaven in de totale bevolking daalde van bijna 17% in 1800 naar 12%. Dat zou dan weer pleiten voor 1800 als hoogtepunt.

Dan het tweede deel van de zin, de waarde van de fabrieken en spoorwegen. Om te beginnen die fabrieken. In 1870 waren de Verenigde Staten na Engeland de tweede industriële mogendheid van de wereld. Toch stelde die industrie niet zo veel voor. Maarten van Rossum opent zijn De Verenigde Staten in  de twintigste eeuw met de zin: “Tussen het einde van de Burgeroorlog en het begin van de Eerste Wereldoorlog veranderden de Verenigde Staten van een overwegend agrarisch in een overwegend industrieel land.” Twintig jaar eerder, in 1851, ten tijde van de wereldtentoonstelling in Londen, stond de wereld versteld van de gereedschappen en productiewijze van de Amerikanen. Alleen waren er niet veel ‘fabrieken’ zo is op de site theusaonline.com te lezen: “The industrial growth that began in the United States in early 1800’s continued steadily up and through the American Civil War. Still, by the end of the war, the typical American industry was small. Hand labour remained widespread, limiting the production capacity of industry. Most businesses served a small market and lacked the capital needed for business expansion.”  Waar het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven economie’ ook ligt, veel fabrieken waren er tot de burgeroorlog niet. Die ontstonden pas erna.

Als laatste de spoorwegen. Eigenlijk is een verwijzing naar Spoorweg door de Prairie voldoende. Het verhaal speelt zich, net als alle avonturen van Lucky Luke, af in de periode na de burgeroorlog. Maar toch, Wikipedia leert dat in 1829 de eerste stoomlocomotief, de Stourbridge Lion, in de Verenigde Staten werd geïmporteerd. En: “By 1835, dozens of local railroad networks had been put into place. Each one of these tracks went no more than a few miles, but the potential for this mode of transportation was finally being realized. With every passing year, the number of these railway systems grew exponentially. By 1850, over 9,000 miles of track had been lain.”  De echte groei kwam na de burgeroorlog toen de lokale lijnen werden verbonden door een groeiend netwerk van transcontinentale spoorwegverbindingen. De lijnen uit Spoorweg door de prairie.

Om de waarde van de zin te bepalen, is het van belang om te weten wanneer dat ‘hoogtepunt’ was. Was dat aan het begin van de 19e eeuw, dan zegt de zin helemaal niets. Er waren immers nog geen fabrieken en spoorwegen. Was dat in 1860, dan wordt het een ander verhaal. Maar dan nog is het maar de vraag of de zin zoveel waarde heeft als Thomas het doet voorkomen.

Vietnam en beleid maken

“Het hoofd van de luchtmacht Curtis LeMay is één zin in zijn in 1965 verschenen autobiografie altijd blijven aankleven: ‘ Mijn oplossing (…) zou zijn (de NoorVietnamezen) rechtuit te zeggen dat ze zich moeten terugtrekken en hun agressie moeten staken, omdat we ze anders terug naar het stenen tijdperk zullen bombarderen.” Zo begint hoofdstuk 14 van het boek Vietnam een tragedie 1945-1975 van Max Hastings. Het hoofdstuk heeft als titel Rollende donder. Dat, in het Engels Rolling Thunder, was de naam van de Amerikaans bombardementen op Noord-Vietnam vanaf februari 1965. Een paar zinnen verder: “Lyndon Johnson zette de Amerikaanse vliegtuigen in tegen Noord-Vietnam, omdat hij ten einde raad de cyclus wilde doorbreken waarin Washington voortdurend naar de pijpen van de vijand leek te dansen.” Op de afloop van de oorlog hadden de bombardementen trouwens geen enkele invloed. Tussen deze twee passages beschrijft  Hastings een bevinding van een andere Amerikaan: “Diep in de Zuid-Vietnemese jungle hunkerde een lezer van LeMay, Doug Ramsey, ernaar om de generaal te ontmoeten om hem erop te wijzen dat ‘het lastig is om iets naar het stenen tijdperk terug te bombarderen als het daar nog nooit uit is gekomen.”

Bron: Wikipedia

Aan deze passage uit Hastings’ boek, moest ik denken toen ik bij RTLZ een column van Wimar Bolhuis las met als titel De ijzeren wet van beleidsbehoud: een ramp voor alle uitvoerders. Die ‘ijzeren wet’ luidt dat beleidsmakers vasthouden aan wat ze eerder hebben bedacht: “Want toegeven dat het beleid niet uitpakt zoals de bedenkers hadden bedacht, is een politiek-ambtelijk teken van falen en dus slecht voor carrières en verkiezingsuitslagen.” Volgens Bolhuis: “veranderen beleidsparadigma’s vaak pas als het echt niet meer anders kan. Als het water aan de lippen staat.” Te lang wordt vastgehouden aan heilloze zaken: “Denk aan het falende automatiseringsbeleid bij het CBR, wat de mensen in het call center nu mogen oplossen. Denk ook aan het beleidsidee van Nationale Politie, waar de agenten nu nog steeds de scherven van aan het opruimen zijn. Of aan de bezuinigingen op onderwijs, waardoor overwerk in avonden en weekenden gaat toenemen. Denk aan hoe de jeugdzorg er nu aan toe is, nadat duizenden werknemers door nieuw beleid het veld ruimden.”

Toen Jonhson besloot tot een ‘GO’ voor Rolling Thunder stond het water nog niet tot aan de lippen al waren er wel voldoende signalen dat de Verenigde Staten een heilloze weg waren ingeslagen. Het water bereikte de lippen pas in 1973 een karrenvracht aan bommen met bijbehorende vernietiging, gewonden en doden later. “Ik gun alle uitvoerders dat zij de bedenkers hiervoor tijdig kunnen waarschuwen. En dat er geluisterd wordt. Voordat een ramp zich voltrekt.” Zo eindigt Bolhuis zijn schrijven. Met zijn artikel pleit hij: “voor extra waardering voor beleidsuitvoerders van Nederland. Voor de medewerker van de sociale dienst, de thuiszorgmedewerker, de schooldocent, de politieagent, ga zo maar door..”  Een pleidooi waarbij ik me van harte aansluit.

Ik zou er alleen nog iets aan toe willen voegen. Uit ervaring weet ik dat ambtelijke ‘beleidsschrijvers’ het niet makkelijk hebben. Niet makkelijk als ze een kritische noot laten horen op de door bestuurders en politici afgesproken koers. ‘Kan die kanttekening niet anders worden geformuleerd’?  ‘Als we dat risico benoemen, dan komen er lastige vragen’. Een kritische beleidsschrijver zal deze zinnen ongetwijfeld hebben gehoord. Bestuurders en ambtelijke managers die bang zijn dat afwijkende standpunten van ambtenaren ‘naar buiten komen. 

En dat zijn nog de meer onschuldige vormen. ‘Als de wethouder de bomen op de kop wil planten, dan adviseren wij dat ze op de kop moeten worden geplant.’ Die woorden sprak een afdelingsmanager van een gemeente waarmee de gemeente waarvoor ik werkte, ging fuseren. Toen ik dat hoorde, keek ik onder de tafel of mijn broek nog op de juiste plaatst zat. Het pleidooi dat ik vervolgens hield voor de beleidsambtenaar als onafhankelijk adviseur maakte geen indruk. Zo cru en uitgesproken als dit geval, maak je ze zelden mee. Als je die verzoeken vaak krijgt, ben je lastig en dat heeft zijn weerslag op je ‘toekomstperspectief’. Dit zorgt ervoor dat veel ‘beleidsschrijvers’ kiezen voor ‘baanzekerheid’. Dit terwijl openheid over afwijkende adviezen juist de kracht van het bestuur en het besluit versterkt. Het laat zien dat er binnen de overheid wordt gedacht, gediscussieerd en van mening wordt verschild. Juist die meningsverschillen en discussie zorgen voor betere besluiten. 

Cliteur en terreur

“De oorzaken van het terrorisme zijn niet materieel, maar cultureel. Het heeft te maken met een overweldigend verschil van opvatting over kernwaarden.” Dit schrijft FvD Eerstekamerlid Paul Cliteur bij TPO. “Jawed S., Junaid I., de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de terroristen van de Bataclan denken heel anders over kernwaarden dan de burgers van Nederland en Frankrijk.” Toen ik dit las, moest ik denken aan terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf. Zij noemt terroristen in het DWDD-college de ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Combineren we die twee dan is het zijn van ‘kluns en losers’ cultureel bepaald. Zou dat zo zijn?

De executie van Maximillien Robespierre. Bron: Wikimedia Commons

Cliteur richt zijn schrijven aan de Amsterdamse burgemeester Halsema. Volgens Halsema, en nu citeer ik Cliteur, ligt het aan: “teleurstelling of frustratie,”  veroorzaakt door het leven: “in wijken waar de bewoners worstelen met armoede en discriminatie hun loyaliteit met de ‘rechtsgemeenschap’ op het spel kan komen te staan.” Als we Halsema volgen dan is Terrorisme een gevolg van sociale condities waarin mensen verkeren. De verkeerde diagnose aldus Cliteur: Halsema gaat daarmee haar: “voorgangers Cohen en Van der Laan,” achterna die hebben: “jammerlijk gefaald bij het bedwingen van dit gevaar.” 

Twee verklaringen. Aan de ene kant ‘cultuur’ als oorzaak. Het vreemde is echter dat lang niet iedereen die zich in die ‘culturele’ situatie bevindt, ‘terrorist’ wordt. Bijzonder is ook dat enkele plegers van aanslagen tot kort voor hun daad helemaal niet ‘bekend’ stonden als fanatieke aanhanger van die ‘cultuur’. Zij stonden eerder bekend als (kleine) crimineel. Aan de andere kant de ‘sociale condities’ als oorzaak. En ook hier is het vreemd dat niet iedereen in die ‘conditie’ het schopt tot ‘terrorist’. Ook hier is het bijzonder dat plegers van terroristische daden helemaal niet uit situaties die Halsema beschrijft, komen. Zo waren de ouders van RAF lid Ulrike Meinhof historici die hun dochter de mogelijkheid boden te gaan studeren.  Ook van Bin Laden kun je veel zeggen, maar niet dat zijn ouders in een ‘achterstandswijk’ woonde.

Als we in het verleden duiken, dan zien we dat terreur niet iets is van een specifieke cultuur. Zoals ik begin dit jaar al schreef, is terrorisme afgeleid van la Terreur, een periode uit de Franse revolutie. Terreur heeft sinds die tijd een bijzondere omkering meegemaakt. In oorsprong was het het de staat die burgers ‘terroriseerde’. Robespierre de Fransen, Hitler als eerste de Duitsers, Stalin de Russen, Mao de Chinezen, Ho de Vietnamezen en Pol Pot de Cambodjanen Nu zijn het burgers die de staat ‘terroriseren’. En ook dat kent ‘geen grenzen’. Type ‘terrorisme’ in op Wikipedia en je vindt een keur aan voorbeelden uit verschillende culturen en streken van de wereld. Hieruit mag duidelijk zijn dat terrorisme niet ‘cultuur specifiek’ is zoals Cliteur beweert.

Beide ‘diagnoses’, om in Cliteurs vocabulaire te blijven, geven geen antwoord waarom iemand overgaat tot het plegen van terreur. Toch is er iets aan de diagnose van Cliteur dat zorgen baart. Als die ‘verklaring’ maar lang genoeg wordt herhaald, dan zou die verklaring wel eens haar eigen waarheid kunnen creëren. Door steeds te blijven herhalen dat terrorisme ‘cultuurbepaald’ is, lopen we het risico dat die cultuur en terrorisme als synoniem worden gezien. Daarmee worden mensen gestigmatiseerd en wordt de kans groter dat ze uiteindelijk het gedrag gaan vertonen dat Cliteur hun nu toedeelt. 

‘De vettigen Handdook’

Toen ik het ouderlijk huis verliet betrok ik een klein zolderappartement in Venlo. Een appartement met bijzondere buren. Aan de ene kant had groenteboer Janssen zijn zaak. Een echt familiebedrijf. Iedere dag verse groenten en vers fruit. Ik kwam er tenminste iedere week en vaak nog wel vaker. Aan de andere kant, en meteen ook de andere kant van het gezondheidsspectrum, zat een frietzaak. Daar kwam ik af en toe. Die frietzaak stond bekend als ‘De Vettigen Handdook’. Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur een stukje van de verdediging van gemeentebestuurders las tegen het alweer ‘centraliseren’ van een deel van de jeugdzorg: “Het is in Oost-Groningen echt een ander vraagstuk dan in Amsterdam, Goes of Enschede.” Dit naar aanleiding van de problemen in de jeugdzorg waarover ik gisteren ook schreef. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad is Oost Groningen anders dan Amsterdam, Goes of Enschede, daar heeft de Enschedese bestuurder Eelco Eerenberg, die deze uitspraak doet, een punt. Toch vraag ik me af of dit wel het punt is? Hoe ‘anders’ is het probleem van een kind dat in Oost Groningen of Goes vanwege de thuissituatie uithuis moet worden geplaatst? Wat is de specifiek Amsterdamse of Enschedese component aan de situatie van dat kind en het betreffende gezin? Als Eerenberg gelijk heeft dan is de vraag die Goes of iedere andere gemeente, zich moet stellen: hoe ziet specifiek Goes’ huiselijk geweld eruit? Geeft Eerenberg hier niet een voorbeeld van verkeerde veronderstelling of een kromme redenering?

En zelfs als Eerenberg het bij het rechte eind heeft en het probleem van een kind dat uit huis moet worden geplaatst afhankelijk is van de woonplaats en er zoiets bestaat als specifiek Enschedees huiselijk geweld, wil dat dan meteen ook zeggen dat de gemeente dan ook de juiste schaal is om de jeugdzorg te organiseren? Waarom zou het met een vanuit het rijk aangestuurde jeugdzorg onmogelijk zijn  om: “problemen op (te) lossen (…) in combinatie met sportclubs, scholen, huisartsen en veel andere partijen”? 

Laat McDonalds niet zien dat het goed mogelijk is om vanuit Oak Brook het ‘hongerprobleem’ lokaal aan te pakken? Het bedrijf geeft haar basismenu een ‘lokale twist’: in Nederland de McKroket, in Japan de Teriyaki burger enzovoorts. Het bedrijf sluit daarmee veel beter aan bij de wensen van het gros van de klanten dan  mijn oude buren van ‘De Vettigen Handdook’. Die zaak is jaren geleden opgedoekt.