Liberale democratie

Bij De Correspondent steekt Rutger Bregman de loftrompet over de Europese Unie. Bregman over gesprekken met Oekraïense jongeren:  “Toen ik vertelde dat de meeste Nederlandse jongeren de EU vooral slaapverwekkend vinden, reageerden de Oekraïense studenten vol ongeloof.  … Wat wij vanzelfsprekend vinden, daar willen zij voor sterven.” Wat ‘wij’ slaapverwekkend vinden en waar ‘zij’ voor willen sterven is: “het liberale, democratische model van de EU.” Wij vallen erbij in slaap en zij willen ervoor sterven. Zou het werkelijk? Of willen zij sterven voor een ideaal en vallen wij in slaap bij de realiteit van dat ideaal?

Eigen foto

In zijn boek Globalist: The end of empire and the birth of neoliberalisme geeft de historicus Quinn Slobodian een geschiedenis van het ontstaan van het neoliberalisme. In zijn inleiding maakt Slobodian duidelijk waar het vervolg over gaat: ‘What follows is a story, not of a victory, but an ongoing struggle to determine which principles should govern the world economy, and, by extension, all our lives.[1]” Daar waar velen, waaronder Bregman in een artikel uit 2014, Friedrich Hayek en Milton Friedman centraal stellen in het ontstaan van het neoliberalisme, kijkt Slobodian verder. Hij begint bij Ludwig von Mises die in 1881 in Lviv dat toen Lemberg werd genoemd, werd geboren. Belangrijkste gebeurtenis in het leven van Mises was het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk in 1918. Uit het rijk ontstonden Oostenrijk, Hongarije, Tsjecho-Slowakije en delen van het rijk gingen op in Joegoslavië, Roemenië, het herrezen Polen en Italië. Door het uiteenvallen van dat oude Rijk werden oude economische banden vernield. Al die nieuwe soevereine vaak democratische landen waren baas in eigen huis en streefde zoveel als mogelijk naar economische onafhankelijkheid, naar autarkie. Mises zag dit met lede ogen aan omdat hierdoor het kapitaal en dus de bezitter ervan werd begrensd. Verhuizen van het ene naar het andere land betekende niet automatisch dat het bezit (kapitaal) mee kon verhuizen. Wat vooral stak was dat regeringen, vooral democratisch gekozen regeringen, zo maatregelen namen die de vrijheid van het individu en het kapitaal van het individu begrensden.

Mises en zijn volgelingen zoals de Duitse econoom Wilhelm Röpke zochten, zo betoogt Slobodian, niet naar manieren om markten vrij te maken, maar om de macht van regeringen over de economie in te perken. In de ogen van de neoliberalen waren democratie en kapitalisme (liberalisme) niet twee elkaar versterkende grootheden: “democracy meant successive waves of clamering demanding masses, always threatening to push the functioning market economy off its tracks.[2]” Voor Mises en Röpke was het een strijd tussen twee werelden. Aan de ene kant de wereld van imperium, de wereld van de economie en aan de andere kant de wereld van het dominium, de macht van een regering om zaken binnen haar grenzen te bepalen. De belangen van die twee werelden konden, zeker in democratische landen, wel eens met elkaar conflicteren. Neoliberalen zochten daarbij naar manieren om de wereld van het imperium te beschermen tegen dominium. Röpke: “To diminish national sovereignty is most emphatically one of the urgent needs of out time.” En daarbij was het vormen van een wereldregering, niet de weg: “the axcess of sovereignty should be abollished instead of being transferred to a higher political and geografical unit.[3]”

Slobodian doet uitgebreid verslag van de neoliberale zoektocht naar manieren om juist dat te bereiken. De meest succesvolle manier hierbij bleek het afsluiten van handelsovereenkomsten tussen twee of meer landen. Met die verdragen beperken de ondertekenende landen de in- en exporttarieven en regelen ze het vrije verkeer van goederen en kapitaal tussen de landen. Maar belangrijker voor de neoliberalen zijn de Investor-State Dispute Settlements, een zoals Wikipedia het formuleert: “voorziening in internationale handelsverdragen en internationale investeringsovereenkomsten die de investeerder het recht geeft om zelfstandig een arbitragezaak tegen een vreemde overheid aanhangig te maken op basis van internationale wetgeving. Bijvoorbeeld: een investeerder investeert in land A, dat deelnemer is van een internationaal handelsverdrag dat een ISDS-clausule bevat. Als land A een wet aanneemt die het verdrag schendt, kan de investeerder een schadeclaim indienen bij de overheid van land A. Deze schadeclaim wordt vervolgens behandeld door een daarvoor opgericht tribunaal.” Hiermee worden de mogelijkheden van landen om hun wetten te wijzigen bezwaard.

Nu is de EU in de basis een economisch samenwerkingsverband tussen de deelnemende landen. Dit begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die met het Verdrag van Parijs werd opgericht waarnaar er meerdere Europese gemeenschappen volgden die uiteindelijk allemaal opgingen in de Europese Unie. Dit met het verdrag van Lissabon. Verdragen waarmee de deelnemende landen het imperium overdroegen aan de EU. Nu hoeft dat geen probleem te zijn als het democratische dominium van de landen op dat terrein op een of andere democratische manier ook overgaat naar de EU. Helaas is dat niet gebeurt. De EU kent wel een Europees Parlement waarvan de leden gekozen worden door de inwoners van de Europese Unie maar dat parlement heeft geen enkele zeggenschap over het economische beleid. Die democratische controle berust bij de nationale parlementen. Die kunnen hun vertegenwoordigers aanspreken op het resultaat, maar hebben geen macht om het resultaat te wijzigen.

“Voor deze jongeren stond de EU gelijk aan democratie en mensenrechten, vrijheid en vooruitgang – verworvenheden die velen van ons vanzelfsprekend vinden, maar dat helemaal niet zijn.” Zo schrijft Bregman. Dat is het fictionele beeld waarmee de EU zich graag afficheert. Dat je hiervoor, als je het niet hebt of dreigt te verliezen, wilt sterven, is invoelbaar. Dat Nederlandse jongeren en ook jongeren uit andere EU-landen niet voor de reële EU willen sterven, is ook invoelbaar. Het democratische dominium, moet in de EU immers nog worden bevochten op het liberale imperium dat de schaapjes in de EU goed op het droge heeft.


[1] Quinn Slobodian, Golbalists. The end of empire an the birth of neoliberalism, pagina 26

[2] Idem, pagina 17

[3] Idem, pagina 11

Het oog van de naald

Vergeltungswaffe 2, beter bekend als de V2, zou je kunnen zien als de eerste ‘kruisraket’. De raket werd in Nazi-Duistland ontwikkeld door Werner van Braun en ingezet als lange afstandswapen. Het Nederlandse Wassenaar komt, zo lees ik op Wikipedia, de dubieuze eer toe om de plek te zijn van waaruit de eerste raket naar London werd verzonden. Van Braun werd na de oorlog door de Amerikanen ingelijfd en vervulde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het Amerikaanse raket- en ruimtevaartprogramma. Hierbij werd voortgeborduurd op de ervaringen met de V2. De keuze voor Wassenaar had ermee te maken dat de eerste versies van de raket zo’n 350 kilometer konden afleggen. Ik moest aan de V2 denken toen ik bij de NOS las over een Russische raketaanval op een Oekraïens militair trainingscentrum nabij de Poolse grens.

“Rusland neemt groot risico met raketaanval vlakbij Poolse grens.” Aldus de kop boven het artikel. We zijn dus door het oog van de naald gekropen. Polen is immers een NAVO-land en als er een of meerdere raketten op Pools grondgebied terecht zouden zijn gekomen, dan had het tot escalatie kunnen leiden: “In theorie kan een afzwaaier van Russische kant de hele NAVO bij het conflict betrekken.” Gelukkig zou dat niet automatische gebeuren aldus de geraadpleegde militair deskundige Oud-commandant Landstrijdkrachten Mart de Kruif: “Als er wat fout was gegaan had president Poetin vast een excuus achter de hand.” Rusland speelde met vuur en we kropen door het oog van de naald.

Dat Rusland met vuur speelt, staat buiten kijf. Het is een oorlog begonnen en oorlog is spelen met vuur. Maar hoe groot waren nu die risico’s die het land nam met deze raketaanval? En daarvoor moest ik aan het V2 denken. De eerste versies hadden, zoals gezegd, een bereik van zo’n 350 kilometer, de latere zo’n 450 kilometer. De raket bereikte een hoogte tot 93 kilometer, de maximale kruissnelheid bedroeg ruim 4.800  kilometer per uur en stortte verticaal neer met een snelheid van 3.600 kilometer per uur. De grootste risico’s op een misser, liep men in de buurt van de plek van lancering. Daar was de kans het grootst dat het mis ging. Eenmaal in de lucht was dat risico beperkt. Maar hoe nauwkeurig was het ding? Hoe kleiner de vluchtafstand, hoe nauwkeuriger de raket. Bij vluchten tegen de maximale lengte was, aldus weer Wikipedia waar ik al deze informatie vandaan heb gehaald, de afwijking tussen doel en inslagpunt maximaal 17 kilometer.

Nu is er sinds die eerste ‘kruisraket’ veel veranderd en verbeterd. Als we de fabrikanten van de nieuwe generatie kruisraketten mogen geloven dan kun je zo’n ding door mijn brievenbus deponeren. Voor het eerst zagen we er beelden van tijdens operatie Dessert Storm. De Amerikaanse opperbevelhebber Norman Schwarzkopf steeds beelden zien waarbij zo’n raket precies op het ‘kruisje’ insloeg en grapte daar een keer bij over de meeste gelukkige man van Irak. Die was net van de brug af toen de kruisraket de brug vernietigde. Dat er nog steeds zaken misgaan, blijkt uit de berichten over getroffen huizen van burgers die dan eufemistisch collateral damage worden genoemd. Meestal staan die huizen geen 17 kilometer van het doel maar om de hoek.

Nu lees ik in het NOS-artikel dat de basis met de naam International Peacekeeping and Security Center (IPSC) bij Yavoriv op zo’n 25 kilometer van de Poolse grens ligt. Zelfs met een ouderwets Duits V2 was Polen niet geraakt. Het oog van de naald waar we door kropen was zo groot dat we het onmogelijk konden missen. De oorlog erg genoeg, maar laten we alsjeblieft een beetje bij de feiten blijven.

Inter arma enim silent leges

“The way we selected these targets was determined by the VC. They chose the battleground and we really had no choice where we put the target.” Deze woorden sprak majoor James K. Gibson een Amerikaanse piloot die deelnam aan de slag om Ben Tré, een Vietnamees stadje ingeklemd tussen twee takken van de Mekong. Het stadje dat: “became necessary to destroy the town to save it.”  Volgens de woorden die de toen nog jonge journalist Peter Arnett in 1968 optekende uit de mond van een Amerikaanse officier. Die officier stond uit te leggen waarom de Amerikaanse troepen stadje hadden gebombardeerd ondanks de aanwezigheid van vele burgers in de stad. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Rosan Smits bij De Correspondent met als titel: “In Poetins oorlog wordt alles een wapen. Zelfs een humanitaire corridor.”

Ben Tré na de bombardementen. Bron: Flickr

Smits lijkt zich te verwonderen over de Russische manier van oorlog voeren. “De kern: Rusland zet álles in om te winnen. Van een nieuw wapenarsenaal tot clustermunitie, van cyberaanvallen tot economische druk. Zelfs humanitaire corridors en vredesbesprekingen zijn voor Poetin militaire tactieken. Of anders gezegd: Rusland maakt geen onderscheid tussen diplomaten en soldaten.”  Ik verbaas me over Smits verwondering hierover. Ik verbaas me over de, in mijn ogen, naïviteit die hieruit blijkt. Naïviteit dat er zoiets zou zijn als een ‘schone oorlog’ zonder burgerslachtoffers.

Als je een oorlog begint, doe je er immers altijd alles aan om te winnen. Dan gebruik je alle middelen die tot je beschikking staan. En ja, daar horen sinds twee decennia ook cyberaanvallen bij. En ja, dan zet je ook clusterbommen in. Nu zul je denken: ‘maar die zijn toch verboden?’ En ja inderdaad is er een verdrag waarin wordt gesteld dat het inzetten van clusterbommen verboden is. Dat verdrag is ook getekend door een honderdtal landen, ook door Nederland. Zij hebben zich met dat verdrag gebonden. De andere landen niet, en bij die landen hoort Rusland. Ook onder andere de Verenigde Staten, China, India, Pakistan, Turkije en Israël hebben het verdrag niet getekend. De Russen hebben zich niet gebonden en kunnen die spullen gebruiken. Ook economische druk op de vijand en landen die de vijand steunen is niet verbazingwekkend.

Daar hoort ook bij dat je de strijd probeert de voeren op plekken waar je de grootste kans hebt om de tegenstander te verslaan. Iets dat Saddam Hoessein niet goed leek te begrijpen. Die probeerde in 1992 de tegenstander te verslaan door de confrontatie in open terrein aan te gaan door de vijand met zijn tanks tegemoet te treden. Dodelijk als de tegenstander over beter en meer materieel beschikt. Dat doen de Oekraïners slimmer, ze hebben de les van Gibson geleerd. Die vermijden de directe aanval en voeren strijd op plekken waar het materiele overwicht van de tegenstander het minste gewicht in de schaal legt. Dat zijn precies ook de plekken waar de kans op burgerslachtoffers het grootste is, namelijk de bebouwde omgeving. En hoe grotere en onoverzichtelijker die omgeving, hoe gelijker het speelveld. Sterker nog, hoe groter de puinhoop, hoe gelijker het speelveld. De eerste granaten op een flatgebouw tasten de structurele integriteit van het gebouw aan. Als het gebouw is vervallen tot een hoop beton en steen met hier en daar een ruimte waarin zich iemand kan verschuilen, richten granaten niet zoveel schade meer aan. Ter vergelijking. Een kogel doorboort gemakkelijk een pagina van een krant. Je erachter verschuilen heeft niet zoveel zin. Dat wordt anders als het een ouderwets telefoonboek betreft.

Strijden in steden heeft in deze moderne tijd nog een ander voordeel. Een van de manieren om steun voor je kant te verwerven, is via de publieke opinie in landen die niet aan de strijd deelnemen. Daarvoor zijn beelden die de gruwelijke daden van je tegenstander laat zien een goed middel. In de moderne tijd met een camera op elke straathoek en in iedere broekzak, zijn er beelden te over die de gruwelijkheid van de tegenstander laten zien. Beelden zoals de auto op een kruispunt die wordt getroffen door granaten uit een Russische pantserwagen. Of een door granaten getroffen ziekenhuis. Als ik ‘baas’ van Oekraïne was, dan zou ik het ook zo doen als ik werd aangevallen door een veel sterkere tegenstander zoals de Russen. Al die zaken zou ik breed uitmeten. Dat zouden mijn ‘kogels’ in de strijd om de ‘harts and minds’ van de rest van de wereld zijn.

Als ik daarentegen ‘baas van Rusland’ was. Dat ben ik niet want als ik het was geweest dan was er nu geen oorlog, maar even fort he sake of the argument. Als ik ‘baas van Rusland’ was, dan zou ik er in de strijd om diezelfde ‘harts and minds’ alles aan doen om de ander zo schadelijk mogelijk te laten overkomen. Dan zou ik ook reppen over biologische en chemische wapens en vooral een link leggen met de VS. Dat land heeft immers een verleden met het liegen over dergelijke wapens[1]. Dan zou ik de bom op dat ziekenhuis betreuren maar erop wijzen dat de tegenstander de stad en dus ook het ziekenhuis en die moskee gebruikt als een menselijk schild. Je geeft, geheel in lijn met majoor Gibson, de tegenstander de schuld. Die koos er uit ‘lafheid’ immers voor om Ben Tré en nu Marioepol tot de plek te maken om het gevecht aan te gaan en niet te kiezen voor een ‘eerlijke strijd’ op de open vlakte. En ja, dan kunnen er burgers sneuvelen en dan kan het wel eens noodzakelijk zijn om een stadje te vernietigen om het te redden uit handen van die laffe vijand.

Bij het winnen van die oorlog, hoort ook het ‘spelen’ met vredesbespreking. Als het voorspoedig gaat, dan heb je er geen behoefte aan en traineer je ze. Zit je in het nauw dan is het aantrekkelijk om ze tot een succes te maken. Probleem is dan dat de ander aan de ‘voorspoedige kant’ zit en er geen behoefte aan heeft. Vredesbesprekingen hebben de meeste kans op succes als er evenwicht is. Als voor beide partijen verdere inspanning meer kost dan het oplevert.

Humanitaire hulp en corridors zijn iets van recente datum. De Romeinen en Dzjengis Kahn kenden ze niet. Een land was in oorlog en dat betekende dat alle inwoners in oorlog waren. Rusland gebruikt humanitaire corridors, zo schrijft Smit: “Niet zozeer om burgers in veiligheid te brengen, maar om de inname van de stad te vergemakkelijken.” Dat zou betekenen dat ook dit nieuwe al een middel wordt om het doel, het winnen van een oorlog, te bereiken. Dat kun je next level, cynisch of misdadig noemen, verbazen hoeft het niet. Alles wordt in een oorlog gebruikt om hem te winnen.

Dat kun je vervelend vinden en daarbij vind je mij aan je zijde. Het verandert er echter niets aan. ‘Inter arma enim silent leges’, of in Nederlands: ‘In tijden van oorlog zijn de wetten stil.’ Hoe graag we het ook anders zouden willen.


[1] Voor de VN betoogde de VS in 2003 dat Irak ‘weapons of mass destruction’ had, waaronder chemische en biologische. Dit terwijl jarenlange inspectie onder auspiciën van de VN er geen had gevonden. De VS gebruikte de aanwezigheid van die wapens om het land binnen te vallen. Na die inval zijn dergelijke wapens niet aangetroffen.  

Si vis pacem, para bellum?

Si vis pacem, para bellum’. Ofwel: als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. Die spreuk heb ik de afgelopen weken al verschillende keren voorbij zien komen. Ik moest hierbij denken aan het vak polemologie dat ik tijdens mijn studie geschiedenis volgde. Polemologie is de studie naar de oorzaken van oorlog en vrede. Ik moest vooral denken aan de docent die het vak gaf, Leon Wecke. Die trok tijdens een van de colleges een pistool, richtte het op de zaal en zei iets als: ‘als je dreigt moet je ook geloofwaardig overkomen, dan moet je je dreigement ook waar durven maken.’ Waarna hij de trekker overhaalde en een losse flodder afvuurde. Hij deed dat ieder jaar weer en gelukkig is het nooit fout gegaan. Dat zoiets fout kan gaan, laat het incident rond Alec Baldwin zien.

‘Si vis pacem, para bellum’ dus, als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. En nog weer wat anders geformuleerd: er is geen vrede zonder effectieve afschrikking. Zo is hij tegenwoordig bekend. Flavius Vegetius Renatus schreef de spreuk in het jaar 390 net iets anders: ‘Qui desiderat pacem, bellum praeparet.’Een Latijnse spreuk die terug gaat op De Wetten van de Athener Plato. ‘Si vis pacem, para bellum’ en dan steeds gevolgd door zoiets als ‘Europa (of Nederland) is naïef geweest door haar defensie te verwaarlozen. Daarom zijn we nu een speelbal van de grote machten die zich wel op oorlog voorbereiden’. Het was ook het motto van de in 1896 opgerichtte Deutsche Waffen und Munitionsfabriken zo is te lezen op Wikipedia.

Een oude Latijnse spreuk met Antiek Atheense wortels heeft al snel iets waars. En inderdaad komt het geregeld voor dat landen (vroeger rijken) zich door een oorlog lieten verrassen. Dus voorbeelden genoeg van ‘naïeve landen’. Neem Nederland in de jaren dertig. Voorbereiden op een oorlog was niet nodig want we waren een neutraal land. Die gebrekkige voorbereiding maakte dat de Duitsers maar vijf dagen nodig hadden om de zaak onder de voet te lopen. En nu heeft bijna heel West-Europa zich laten verrassen door het Rusland van Poetin. Er is teveel ‘vredesdividend’ genoten. Dus als je vrede wilt, moet je je op oorlog voorbereiden zodat je eventuele aanvallers afschrikt. Als je de stappen rond een oorlog beziet, voorbereiden, beginnen, winnen en de naoorlogse vrede, dan richt de Romeinse spreuk zich in de basis op die voorbereiding, die moet voorkomen dat je wordt getroffen door stap twee. Mocht je dan toch worden getroffen dan betreed je goed voorbereid het slagveld.

Als de Romeinen ergens goed in waren, dan was het om zich voor te bereiden op oorlog. Alleen leidde die voorbereidingen pas tot vrede na een oorlog. Dan werd het veroverde gebied onder de Pax Romana, de Romeinse orde gebracht. Afgezien wellicht van de Mongoolse horden onder de grote Khan Dzjengis en zijn opvolgers, heeft de wereld geen oorlogszuchtiger volk gekend dan de Romeinen. Je werd geen groot rijk omdat anderen bij je wilden horen maar door anderen te veroveren en de veroverden in slavernij af te voeren. Ik ken maar één rijk waar anderen graag bij willen horen en dat noemt zichzelf geen rijk. Een rijk waar je zelfs uit kunt treden en waar inwoners van de onderdelen daar ook hartstochtelijk voor pleiten. Dat rijk is de Europese Unie. De geschiedenis laat zien dat landen en rijken die zich voorbereiden op oorlog krijgen waarop ze zich voorbereiden en dat is oorlog. Neem de hegemoniale macht van de afgelopen dertig jaar, de VS. Dat land was en is zo machtig dat geen enkel ander land het in het hoofd zal halen er een oorlog tegen te beginnen. De VS bereiden zich nog steeds voor op oorlog en voeren die ook met grote regelmaat. Vooral tegen landen die een bedreiging vormen voor de Pax Americana. Dat maakt het twijfelachtig of de strategie om vrede na te streven door je voor te bereiden op oorlog een goede is. Je gaat immers al snel op iemands tenen staan.

Op dezelfde Wikipedia-pagina is ook te lezen dat als Napoleon een kenner van het Latijn was geweest, hij er ‘si vis bellum, para pacem’ van zou hebben gemaakt zo schreef zijn biograaf De Bourienne. Of te wel ‘als je oorlog wilt, bereid je voor op vrede.’ Nu kun je hier op twee manieren naar kijken. Als eerste als een ironische versie van het origineel: zoiets als een naïeveling die vrede wil en zich ontwapent of niet bewapent, krijgt oorlog.

Interessanter is de tweede manier: bereid je voor op de wereld na de oorlog. Die voorbereiding kent twee kanten en daarvoor weer even terug naar de stappen in een oorlog en dan vooral de derde stap. De tweede stap is niet interessant in deze. Een oorlog beginnen is makkelijk. Je valt een ander aan en je hebt oorlog. De derde stap, de oorlog winnen is wat moeilijker. Beste voorbeeld hiervan is de Eerste Wereldoorlog. Alle strijdende partijen dachten dat ze een makkelijke en snelle overwinning zouden halen. In alle betrokken landen werd afscheid genomen van de soldaten die naar het front moesten in de veronderstelling dat ze voor de Kerst weer thuis zouden zijn met de overwinning op zak. En bij die Kerst werd niet gedacht aan de Kerst 1918, maar die van 1914. Bovendien kwam niet iedereen als winnaar uit het strijdperk. Je voorbereiden op de vrede na de oorlog betekent dat je voorbereid moet zijn op winst maar ook op verlies.

Dat laatste zal zelden (ik denk zelfs nooit) gebeuren, dat staat immers gelijk aan defaitisme en daarvan wil je niet worden beschuldigd. Bovendien stond in het grootste deel van de geschiedenis vast wat er met je gebeurde als je verloor, dan werd je gebied geplunderd en werden de overlevenden in slavernij afgevoerd en als het vrouwen waren vaak ook nog verkracht. Het veroverde gebied werd eigendom van de winnaar en die gaf zijn getrouwen er delen van voor hun bewezen en in de toekomst nog te leveren diensten. Zo betaalden de overwonnenen de kosten van de oorlog. Tegenwoordig ligt dat wat gecompliceerder. Slavernij is afgeschaft en bevolkingen zijn zo talrijk dat het afvoeren naar andere delen van je gebied een lastige optie is. Waar vind je ruimte om ze te hervestigen? Dat betekent dat je je moet voorbereiden op bezetting van het gebied dat je verovert.

De recente geschiedenis laat zien dat bezetting geen stabiele situatie oplevert. Sterker nog, de verloren oorlog en het opgelegde bezettende regime leiden onder de bevolking van het overwonnen gebied al snel tot haat tegen de bezetter en/of diens vertegenwoordigers. Haat die zich uit in tegenwerking en al dan niet gewapend verzet. De Israëliërs kunnen erover meepraten en ook de ervaringen van de Amerikanen in Vietnam, Irak en Afghanistan en de Sovjets in hetzelfde Afghanistan spreken voor zich. Trouwens ook de Nederlandse koloniale ervaring laat, net als die van andere voormalige koloniale mogendheden, zien dat bezetten geen garantie is voor stabiliteit en rust.

Wie er ook wint, het winnen van de vrede na het einde van oorlog in Oekraïne zal een gigantische opgave zijn. Ik hoop dat de leiders in Rusland, maar ook in het Westen zich realiseren dat het winnen van vrede na de oorlog lastiger is dan het winnen van een oorlog. Ik hoop dat ze zich hierbij niet laten leiden door een Latijnse spreuk die teruggaat op het denken van een oude Athener en zelfs niet van de Napoleontische variatie erop. Ik hoop dat ze duurzame vrede willen en zich daar ook op voorbereiden. Oftewel: si vis pacem, para pacem.

Practice what you preach

De ‘nucleaire sanctie-optie’ zo wordt het genoemd. Daarmee wordt bedoeld een land, in dit geval Rusland, afsluiten van het SWIFT systeem. “Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication, kortweg SWIFT, is een in 1973 opgerichte internationale coöperatieve organisatie voor het verzenden van financiële berichten. Meer dan 8.000 financiële instellingen uit circa 200 landen zijn bij SWIFT aangesloten. Middels het zogenaamde SWIFT-adres, tegenwoordig beter bekend als de Business Identifier Code (BIC), wordt onder andere grensoverschrijdend betalingsverkeer gefaciliteerd.” Zo is te lezen op Wikipedia. Een goed idee? Deze keer hoeven jullie niet te wachten op een antwoord. Nee, ik denk dat het geen goed idee is.

En nee, dat zeg ik niet omdat ik een Poetinaanhanger ben. Ja, ik heb een voorliefde voor Rusland maar dat is niet vanwege het leiderschap van dat land. Dat heeft me nooit kunnen bekoren. Niet gedurende de Tsarentijd, niet tijdens de communistische periode, niet tijdens het presidentschap van ‘drankorgel’ Jeltsin en ook de afgelopen 23 jaar Poetin hebben mij niet kunnen bekoren. Verre van dat zelfs.

Ik zeg dat omdat ik denk dat het een slecht idee is. Rusland van SWIFT koppelen maakt handelen lastiger. Lastiger maar niet onmogelijk. Het land kan nog steeds producten verkopen en zo geld verdienen aan de export van vooral olie en gas. Poetins geldkraan blijft nog steeds geopend. Om het land te treffen zijn er andere, doeltreffendere manieren. Rusland, kan de gas- en oliekraan dichtdraaien, maar daarin is hij niet de enige. Dat kunnen wij ook. Wij kunnen per direct besluiten om geen Russische producten meer te kopen. Aangezien het overgrote deel van de Russische export naar de Europese Unie gaat, wordt Poetins geldkraan een flink eind dicht gedraaid. Nu heeft het land flinke reserves waarmee het een flinke tijd vooruit kan. Een veel effectievere sanctie dan betalen moeilijker maken. Je zegt er immers mee: wij hoeven jullie spullen niet en dat zeggen we niet met de afkoppeling van het land van SWIFT.

Ook kunnen we alle bezittingen van het land en haar inwoners in de landen van de Europese Unie confisqueren. Eigendommen zoals de dure Londense huizen, de brievenbusbedrijven op de Amsterdamse Zuidas, de jachten in de havens, de voetbalclubs zoals Chelsea en Vitesse. Ook de verstrekte westerse paspoorten van de eigenaren kunnen worden ingetrokken. Als vervolgens de vrede weer is uitgebroken en de onafhankelijkheid van Oekraïne is hersteld, dan kan het worden teruggegeven mits de voormalig eigenaar zich in woord en daad heeft verzet tegen de oorlog. Is dat niet het geval dan wordt het verkocht en worden de opbrengsten gebruikt om Oekraïne weer op te bouwen.  

Mijn belangrijkste bezwaar is echter een ander. Sindsdien zijn er andere landen die werken aan hun macht en invloedssfeer om juist die westerse en vooral Amerikaanse macht en raketten op afstand te houden.” Schreef ik in Een westerse droom, een Prikker van net voor de Russische inval in Oekraïne. Een Prikker waarin ik het opportuinisme van het Westen in de omgang met de rest van de wereld aankaartte aan de hand van de begrippen zelfbeschikkingsrecht en territoriale integriteit. SWIFT presenteert zich als een neutraal systeem dat door alle financiële instellingen gebruikt kan worden voor het doen van internationale betalingen. Met het woord neutraal, kom ik bij mijn belangrijkste bezwaar. Door zich SWIFT toe te eigenen zal het vertrouwen in dat systeem verloren gaan. En niet alleen het vertrouwen in SWIFT. Andere landen, zoals China, zullen hieruit concluderen dat er geen neutrale systemen zijn. Dat er alleen systemen zijn die ten dienste staan van de eigen macht. En dus dat je zo machtig wordt dat je anderen kunt dwingen om met jou systeem te werken. Dat lijkt mij een niet wenselijke situatie. Als deze optie nucleair is, dan is ze nucleair voor de internationale samenwerking en niet alleen voor de samenwerking met Rusland.

In de hierboven genoemde Prikker citeerde ik Jonathan Holslag: “Het buitenlands beleid van het Westen was een en al tegenstrijdigheid.[1]”  Het afkoppelen van Rusland van SWIFT is een voorbeeld van tegenstrijdig handelen. Aan de ene kant wordt er een beroep gedaan op het internationale recht dat is geschonden, een terechte constatering en verwijt aan Rusland. Zo’n verwijt maakt minder indruk als je vervolgens je macht gebruikt om het internationale recht naar je hand te zetten. Want dat is wat er gebeurt als SWIFT als sanctie wordt gebruikt. Dan gebruikt het Westen een neutraal iets voor haar doelen. Als je het internationale recht werkelijk centraal stelt, dan leg je een verzoek om afsluiting van een land, in dit geval Rusland, voor aan de algemene vergadering van Verenigde Naties.

Een langer en omslachtiger traject maar wel een waarmee je in woorden en daden hetzelfde zegt. Namelijk dat je de internationale samenwerking en het internationale recht echt centraal stelt. Voor de korte termijn (en ook voor de langere) is het stoppen van import uit Rusland veel efficiënter. Het is bovendien iets waarmee je de internationale (rechts)orde niet verstoort.  


[1] Jonathan Holslag, Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989, pagina 133-134.

Directe democratie

“Welke maatregel zou jij nemen om de Tweede Kamer beter in staat te stellen om zijn werk goed uit te voeren?” Die vraag stelt Simon van Teutem onder een artikel bij De Correspondent waarin hij concludeert dat de Kamer geen tanden heeft. Zelf stelt hij het volgende voor: “ Verdubbel daarom het aantal leden en vervijfvoudig stapsgewijs de ondersteuning. Ook zouden we serieus moeten nadenken over een kiesdrempel, om de wildgroei aan minifracties tegen te gaan. Bovendien hebben partijen zelf een verantwoordelijkheid – zij zouden meer moeten doen om hun meest ervaren volksvertegenwoordigers in de Kamer te houden.” Een goed idee?

Pericles in gesprek met de Atheners. Bron: Flickr

Om te beoordelen of het een goed idee is, moeten we eerst een beeld van het probleem hebben waarvoor het een oplossing moet zijn. “De Tweede Kamer moet het beleid van de regering controleren en wetten maken,” zoals Van Teutem terecht schrijft. “Een Kamerlid heeft gemiddeld twee medewerkers,” aldus Van Teutem terwijl de regering wordt gesteund door zo’n 124.000 fte aan ambtenaren. Dat is, zo schrijft Van Teutem:“ Alsof je het leger van Luxemburg vraagt om de grens van Oekraïne te bewaken tegen een aanval van de Russen.” Wat daarbij niet helpt is dat het aantal fracties steeds talrijker en kleiner wordt: “Door de wildgroei aan kleine partijen is het gemiddelde zetelaantal per fractie de afgelopen twintig jaar gehalveerd.” De steeds grotere rol van sociale media maakt het er niet makkelijker op. Die zorgen ervoor dat een Kamerlid meer bezig is met beeldvorming: “Steeds meer tijd besteedt de moderne politicus aan het markeren en uitstallen van ideeën, steeds minder aan het opbouwen van dossierkennis.” Dat gebeurt vooral door het stellen van vragen en indienen van kansloze moties: “Ooit waren moties bedoeld om inhoudelijk beleid te beïnvloeden, maar nu worden ze gretig gebruikt om de eigen standpunten te etaleren. Slaagt de motie, dan is dat mooi meegenomen. Wordt de motie geblokkeerd, dan kan de initiatiefnemer de concurrent publiekelijk aanvallen op haar stemgedrag. Een screenshot van de uitslag en 280 tekens aan geveinsde verontwaardiging zijn voldoende.” Ook neemt de tijd dat een Kamerlid in functie is af: “Het ambt verandert langzaam in een springplank voor andere beroepen. Bijna de helft (!) van de voormalig Tweede Kamerleden gaat aan de slag als belangenbehartiger of lobbyist.” Concluderend sluit hij af met: “Het speelveld van de machtscontrole staat op dit moment niet scheef, maar verticaal. Dat verander je niet met gerommel in de marge.” Zouden de oplossingen die Van Teutem voorstelt de verticale machtscontrole weer horizontaal kunnen krijgen?

Daarom even terug in de tijd. In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923.

De volksvertegenwoordiging is een oplossing voor een probleem uit de negentiende eeuw. Maar wat was dat probleem? Of beter wat waren die problemen? Het eerste probleem was dat het lastig was om het gehele kiesgerechtigde volk met elkaar in gesprek te laten gaan en vervolgens een besluit te laten nemen, ondanks dat het in eerste instantie slechts een beperkte groep was. Lastig omdat je met een diligence er al gauw een dag over deed om van Maastricht in Den Haag te komen. Dat maakte het kiezen van vertegenwoordigers een goede optie. Zeker als de belangen van kiezer en gekozene redelijk één op één lopen.

Uit de manier waarop het volk dat mocht kiezen is gegroeid, kun je opmaken dat het belangrijkste probleem eruit bestond dat de machtigen hun macht wilden behouden. Het volk dat waren de gegoede burgers en niet het gepeupel en de keuterboeren. Dus werd het kiesrecht beperkt. Door druk vanuit vooral de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen in de negentiende eeuw, werd het recht om te mogen stemmen steeds verder uitgebreid totdat in 1923 voor het eerst iedereen mocht stemmen. Met het groter worden van de groep kiezers moesten de rijken en machtigen op zoek naar een andere manier om hun rijkdom en macht te beschermen. Dat werd, wat we nu de verzuilde samenleving noemen. Via de pastoor en de dominee werden de machtelozen opgeroepen om op geloofsgenoten te stemmen en niet op die goddeloze socialisten. In de top van die zuilen zaten de ‘edelen en notabelen’ die ervoor zorgden dat hun belangen goed werden beschermd. Daar waar ze hun ‘kiesvolk’ zoveel mogelijk probeerden te behoeden voor contacten met de andere ‘geloven’, gold dat niet voor henzelf. Zo konden de ‘edelen en notabelen’ hun belangen goed borgen en de macht behouden en bleven de machtelozen wat ze waren machteloos. Na de Tweede Wereldoorlog en zeker vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw werd dat ‘bekonkelen’ steeds lastiger. De kerken liepen leeg, de ‘kiezer’ werd steeds mobieler en daarmee werden de partijen van de notabelen steeds kleiner en de mogelijkheid  om hun belangen via de democratie te beschermen steeds geringer. De huidige vrijhandelsverdragen en het vrij laten bewegen van kapitaal over de wereld kun je zien als een manier van de huidige ‘edelen en notabelen’ om hun belangen veilig te stellen. Die verdragen en de bijbehorende organisaties vallen onder geen enkele vorm van democratische controle. Hierop kom ik binnenkort een keer terug want dat gaat voor waar ik het nu over wil hebben te ver. Voor nu is het genoeg dat we ons realiseren dat de volksvertegenwoordiging zoals die in de negentiende eeuw in het leven is geroepen vooral een construct was om het volk machteloos te houden. Dus om de democratie zoveel mogelijk te beperken.

Onze voorouders in de negentiende eeuw hebben een parlementaire democratie gevormd waarin: “de regering verantwoording verschuldigd is aan een parlement van door het volk gekozen vertegenwoordigers,”  zoals de Van Dale het omschrijft. Ze hebben niet gekozen voor een directe democratie. Een getrapte democratie vanwege de voor die tijd grote afstand tussen Groningen en Den Haag. Maar vooral omdat de ‘edelen en notabelen’ hun macht wilden behouden. Dat is makkelijker als je gelijken tot de volksvertegenwoordigers behoren. Het afstandscriterium is inmiddels achterhaald. In drie uur ben je van Groningen in Den Haag en via de digitale snelweg is het slecht één muisklik. Dus dat staat een directe democratie niet meer in de weg.

‘Maar je kunt toch niet met 13 miljoen[1] mensen tegelijk in debat over een onderwerp? Als je al een zaal kunt vinden waar zoveel mensen in kunnen.’ Zo’n grote zaal vinden is lastig en als je al zo’n zaal vindt dan zal het nagenoeg onmogelijk zijn om in die zaal een fatsoenlijk gesprek te voeren. Laat staan een gesprek dat moet leiden tot een besluit. De moderne informatie en communicatietechnologie maakt het echter in toenemende mate overbodig om allemaal op een zelfde plek te zijn om een gesprek te voeren. Die techniek maakt het ook in toenemende mate mogelijk om met veel mensen in gesprek te gaan.

Begin dit jaar schreef ik een Prikker met als titel In defence of democracy. Aanleiding voor die Prikker was de vraag “(h)oe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?” Die vraag stelde GroenLinks leider Jesse Klaver zich op de website van zijn partij. Klaver pleitte onder meer voor een zo groot mogelijk democratisch ‘WIJ’. Iets waar ik me in kan vinden maar dan wel aangevuld met het versterken van dat WIJ door ons onderwijs te richten op het versterken van democratische vaardigheden. Toen ik die Prikker schreef, wist ik niet dat de Canadees Ierse Roslyn Fuller een boek had geschreven met dezelfde titel. Een boek waarin ze een vlammend betoog houdt voor directe democratie en waarin ze de bezwaren hiertegen fileert.

Directe democratie lost het probleem dat Van Teutem signaleert ook op. Directe democratie lost trouwens verschillende problemen van onze vertegenwoordigende democratie op. Politici willen worden herkozen en hebben daarom een fixatie op de korte termijn. Directe democratie lost dit probleem op, zo betoogt Fuller terecht omdat: “it does not have electoral cycles and therefore no arbitrary deadlines by when a policy needs to be a proven succes.[2]” Directe democratie maakt de echte verhoudingen met betrekking tot een onderwerp duidelijk. Nu stemmen we op een partij maar niemand is het eens met alles wat die partij verkondigd. Zelfs de meest verstokte leden van een partij denken op punten anders. Dit zorgt ervoor dat er zaken gebeuren waarvoor in de samenleving geen meerderheid is en dat andere zaken niet gebeuren terwijl er wel een meerderheid voor is. In een directe democratie gebeurt dat niet: “voters don’t need the approval of others in order to cast their own votes, nor are they obliged to agree with others on a long list of issues in order to have an impact. If you want to be tough on crime but don’t include drug possession in that, that’s up to you.[3]” Ook voorkomt het abrupte wijzigingen van beleid na verkiezingen.

Ook het probleem dat Van Teutem signaleert, is in één klap opgelost. Opgelost omdat het niet meer bestaat. Opgelost omdat de macht dan bij het volk ligt en het volk de regering controleert. Van Teutem wil het aantal Kamerleden verdubbelen en hun ondersteuning vervijfvoudigen. Dat betekent van 150 naar 300 Kamerleden en van 300 naar 1.500 ondersteuners. Een verviervoudiging van de ‘regeringscontrole. Vier keer zoveel is flink. Ik denk dat iedereen blij zou zijn met een verviervoudiging van zijn salaris. Een directe democratie betekent een toename van de ‘regeringscontrole’ van 450 naar 13.000.000, dat is bijna 28.900 keer zo veel. Ik denk dat de toeslagenaffaire dan veel eerder aan de orde zou zijn gesteld. Sterker nog, het zou zomaar kunnen dat die niet eens had plaatsgevonden.

Wordt het niet eens tijd dat we de slag naar directe democratie gaan maken? Daarbij meteen aangetekend dat we dit niet van de ene op de andere dag moeten doen. In haar boek beschrijft Fuller verschillende interessante technische hulpmiddelen die directe democratie kunnen ondersteunen. Hiermee moeten we experimenteren zodat we die technieken kunnen verbeteren. Zou het klimaatbeleid niet een interessant onderwerp zijn om hiervoor als pilot te dienen? Dus geen burgerberaad met 1.000 via het lot geselecteerde burgers, maar een beraad met 13.000.000 burgers van dit land? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[4]” Zo sprak Pierre Rosanvallon in zijn Spinozalezing van 2012. Via de directe democratie geven we daar op de meest uitgebreide manier handen en voeten aan. Op die manier vergroten we het WIJ maximaal en versterken we ook onze democratie maximaal. De moeite van het proberen waard!


[1] Nederland kent ruim 13 miljoen kiesgerechtigde inwoners. Bron:  https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2021/09/kiesgerechtigden-2021

[2] Roslyn Fuller, In defence of democracy, pagina 211

[3] Idem

[4] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 76

Een westerse droom

In de Volkskrant een interessante ingezonden brief van Armand Leenaers naar aanleiding van een artikel van Arie Elshout in dezelfde krant. Volgens Leenaers constateert Elshout terecht : “dat door toedoen van de Russische president Poetin de geschiedenis terug is in Europa.” Hij verhaalt vervolgens van neutrale bufferstaten die na de val van Napoleon in 1815 door de toenmalige grootmachten in het leven werden geroepen. Als eerste het Verenigd koninkrijk der Nederlanden: “Door toedoen van een autoritaire vorst ging dat niet lang goed (1815-1830).” Als tweede het bufferstaatje Moresnet: “een ministaatje met kaarsrechte grenzen ten zuiden van Vaals, gelegen rond een rijke zinkgroeve waar zowel koning Willem I als zijn Pruisische evenknie op aasden. België trok uiteindelijk in 1920 aan het langste eind.” Daarom geen gekonkel immers: “Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, moet het erop aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Dit verwijst naar het zelfbeschikkingsrecht. Naast ‘zelfbeschikkingsrecht’ is ‘territoriale integriteit’ een tweede argument dat wordt gebruikt. De territoriale integriteit van Oekraïne mag niet worden aangetast aldus premier Rutte.

Het voormalige Joegoslavië en haar deelrepublieken. Kosovo en Vojvodina waren autonome gebieden binnen de deelrepubliek Servië. Bron: WikimediaCommons

Iets meer en recentere geschiedenis. 1992, het jaar van het Deense voetbalzomersprookje. In de halve finale van het Europees kampioenschap versloegen de Denen het Nederlands elftal. Dit gebeurde na verlenging met strafschoppen. De grote Marco van Basten, de held van het Nederlandse voetbalzomersprookje van vier jaar eerder, miste een strafschop. In de finale werd wereldkampioen Duitsland met 2-0 verslagen waarmee de Denen Europees kampioen werden. Wat het sprookje nog sprookjesachtiger maakte, was dat de Deense spelers vlak voor de start van het toernooi van ‘het strand werden geplukt’ omdat ze pas een week voor de start van het toernooi in Zweden wisten dat ze mee mochten doen. In 1991 plaatste de waarschijnlijk talentvolste generatie Joegoslavische voetballers zich namelijk ten kosten van de Denen voor dat Europees kampioenschap. De Joegoslaven, met in hun midden Zvonimir Boban en Robert Prosinečki die zes jaar later ten kosten van het Nederlands elftal derde werden op het Wereld Kampioenschap van 1998 en Dragan Stojković de Maradonna van de Balkan en nog meer bijzondere voetbaltalenten, werden uitgesloten van deelname en vervangen door de Denen. In het jaar voor dat kampioenschap, op 25 juni 1991, scheidden twee opstandige deelrepublieken, Slovenië en Kroatië zich zeer tegen de zin van de centrale regering in Belgrado af van Joegoslavië. Op 23 december 1991 erkende de Duitse regering als eerste de twee landen, in januari 1992 gevolgd door de andere landen van de Europese Gemeenschap. De Duitsers beriepen zich hierbij op het zelfbeschikkingsrecht van landen[1]. Een bijzondere redenering omdat Slovenië en Kroatië pas ‘ land’ werden nadat ze door andere landen werden erkend. De afscheiding van Slovenië en Kroatië tastte de territoriale integriteit van Joegoslavië aan. In dit geval werd zelfbeschikking van deelrepublieken van een land belangrijker gevonden dan de territoriale integriteit van het hele land. Het geweld waarmee de federale Joegoslavische regering het uiteenvallen van het land wilde voorkomen, was aanleiding om de Joegoslavische voetballers te weren van het Europees Kampioenschap.

Het voormalige Joegoslavië viel daarop met veel geweld steeds verder uit elkaar. De tot nu toe laatste ‘splinter’ die onafhankelijk werd, was Kosovo, een deel van de voormalig Joegoslavische republiek Servië. De Albanese UÇK militie onder leiding van Ibrahim Rugova verzette zich tegen de centrale Servische regering. Dat verzet ging gepaard met geweld en dat werd door de Servische regering onder leiding van Slobodan Milošević beantwoord met keihard geweld. Die harde aanpak was een doorn in het oog van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. De VS haalden de UÇK van de ‘terreurlijst’ en uiteindelijk greep de NAVO in en bombardeerde doelen in Servië. Dit ondanks dat geen van de landen van deze defensieve verdragsorganisatie werd aangevallen of bedreigd, zonder instemming van de Verenigde Naties en zeer tegen het zere been van Rusland. Dit leidde ertoe dat Kosovo uiteindelijk onder beheer van de Verenigde Naties kwam. Op 17 februari 2008 riep het Kosovaarse parlement vervolgens de onafhankelijkheid uit. Die is door ongeveer de helft van de landen erkend[2]. Zelfs een viertal landen binnen de Europese Unie hebben de onafhankelijkheid niet erkend. Ook in dit geval tastte de afscheiding van Kosovo de territoriale integriteit van Servië aan. Die integriteit werd ook door de NAVO bombardementen geweld aangedaan. Ook hier vonden de VS en het gros van de landen van de Europese Unie de zelfbeschikking van de bewoners van het gebied Kosovo belangrijker dan de territoriale integriteit van Servië. Rusland maakte in deze precies de omgekeerde afweging en woog de territoriale integriteit van Servië zwaarder dan de zelfbeschikking van de Kosovaren. Rusland bezat echter niet de macht om dit te voorkomen.

Spanje was en is een van de landen van de Europese Unie die de onafhankelijkheid van Kosovo niet heeft erkend. En daarmee zijn we in 2017 aanbeland. In 2017 hield de regionale overheid van de Catalonië een referendum over het uitroepen van de onafhankelijke Catalaanse Republiek. De Spaanse overheid verzette zich fel tegen dit referendum en verbood het. Van de 42% van de stemmers die op kwamen dagen, stemde 90% voor onafhankelijkheid. Op 27 oktober 2017 werd de Catalaanse Republiek uitgeroepen waarop de Spaanse regering reageerde door het zelfbestuur van de regio op te schorten en een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de voltallige Catalaanse regioregering en andere actief bij het referendum betrokken personen. Tot op heden is die ‘Catalaanse Republiek’ door geen enkel land erkend, zelfs niet door Duitsland dat in 1991 het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Hier woog de territoriale integriteit zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van de Catalanen. Het niet erkennen van Kosovo door Spanje zou zomaar eens als reden kunnen hebben dat de Spaanse overheid vreesde dat erkenning voor Spaanse regio’s zoals Catalonië maar ook het Baskenland aanleiding zou kunnen zijn om hun vinger op te steken en te zeggen: als zij, dan wij ook!

Nu hebben twee gebieden hun onafhankelijkheid uitgeroepen en die worden door Rusland erkend. En daarmee kom ik bij de uitspraak van Leenaers dat: Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, (…) het erop (moet) aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Een redenering geheel in lijn met de Duitse regering in 1991 die ook het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Rusland beoordeelt nu dat het zelfbeschikkingsrecht van de veelal Russische bewoners van deze gebieden zwaarder weegt dan de territoriale integriteit van Oekraïne. Het Westen weegt nu juist de territoriale integriteit van Oekraïne zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van een deelgebied.  

‘Zelfbeschikkingsrecht’ en ‘territoriale integriteit’ zijn gelegenheidsargumenten die al naar gelang het eigen inzicht en vooral het eigen belang worden gebruikt om dat inzicht en belang goed te praten. En dat belang en inzicht draait om macht. “Wij zijn niet bereid om weer a la negentiende eeuw te gaan spreken over invloedssferen en de soevereiniteit van landen niet meer te respecteren,” sprak PvdA-Kamerlid Kati Piri bij Buitenhof. Daarmee zegt ze in feite dat Rusland ouderwets is en het Westen modern. Elshout deed dat in de Volkskrant ook door te zeggen dat door Rusland de geschiedenis terug is. Die invloedssferen zijn, en ook de geschiedenis is, nooit weggeweest. Het draaide altijd al en draait nog steeds om macht en dus om invloedsferen. En aan die van de Verenigde Staten en het Westen wordt flink geknibbeld. Niet vreemd want na de val van de Berlijnse muur en de instorting van de Sovjet Unie was er één dominante macht en één wereldwijde invloedsfeer, die van de Verenigde Staten en de rest van het Westen liftte mee op die macht.

Dat Piri het niet wil hebben over invloedssferen en dat Elshout beweert dat de geschiedenis weg was, wijst erop dat zij die Amerikaanse en in het verlengde Westerse macht en invloedssfeer zo vanzelfsprekend vonden dat ze haar niet meer zagen. Jonathan Holslag vat die westerse macht in zijn boek Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 kort samen: “Het buitenlands beleid van het Westen was een en al tegenstrijdigheid.”  Om te vervolgen met wat voorbeelden: “Het Westen droeg uit dat het de democratie wilde bevorderen, maar de crises in Haïti en veel Afrikaanse landen lieten zien dat het Westen niet bereid was tot langdurige, uitgebreide steun om die democratie een kans te geven. Zo namen in de jaren negentig de bedragen die voor ontwikkelingshulp werden uitgetrokken af. Dat was een eerste tegenstrijdigheid. Een tweede was dat de westerse regeringen hadden beloofd de mondiale markt een menselijker gezicht te geven. Daar was weinig van terecht gekomen. En hun strijd om maatschappelijk verantwoord en milieuvriendelijk te werken was met veel minder inzet gevoerd dan hun streven om bindende regels op te leggen aan het liberaliseren van de handel en de kapitaalmarkten. Een volgende tegenstrijdigheid was dat het Westen zich wel de rol van wereldleider aanmat, maar steeds vaker alleen op afstand bij dingen betrokken was en zich steeds vaker op langeafstandsraketten en sancties verliet, in plaats van waarachtig engagement ter plaatse, ook al vergde dat offers. Het Westen bekeek de wereld vooral via de lenzen van satellieten en spionagevliegtuigen en had veel minder belangstelling voor diepgaande inzichten in de historische ontwikkelingen, maatschappelijke structuren en economische realiteiten van een land.[3]”

De rest van de wereld zag die macht en invloedssfeer maar al te goed. Zij hadden ‘last’ van die invloedssfeer en van de grillen van de ‘machthebbers’. Landen die via de lenzen van die satellieten en spionagevliegtuigen werden beloerd en de kans liepen om te worden, en in sommige gevallen zelfs werkelijk werden, beschoten met die langeafstandsraketten. Sindsdien zijn er andere landen die werken aan hun macht en invloedssfeer om juist die westerse en vooral Amerikaanse macht en raketten op afstand te houden. Landen zoals China en Rusland, maar ook Turkije, Iran en Saoedi-Arabië. Het zijn niet de geschiedenis en de invloedssferen die terug zijn in het heden, het is het Westen dat na een mooie droom over een idyllische en utopische wereld terug is in de werkelijkheid. De werkelijkheid van macht en invloedssferen.


[1] https://duitslandinstituut.nl/artikel/2948/de-duitse-erkenning-van-kroatie-en-slovenie

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Internationale_erkenning_van_de_onafhankelijkheid_van_Kosovo

[3] Jonathan Holslag, Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989, pagina 133-134.

Perspectief

Op 24 juni 1812 stak la Grande Armée onder leiding van Napoleon, die zichzelf tot keizer had gekroond, een leger van 610.000 man de rivier de Memel over en viel Tsaristisch Rusland binnen. Een bijzondere veldtocht omdat de tegenstander niet leek te willen vechten. Die trok zich alleen maar terug maar vernielde op die terugweg wel alles wat de invallers zouden kunnen gebruikte: de tactiek van de verschroeide aarde met als doel om de tegenstander zich te laten doodlopen in de onmetelijkheid van het Russische achterland. Terugtrekken, het grote gevecht ontwijken maar wel de strijd aan gaan met kleine eenheden. Op 14 september 1812 bereikte het leger de vrijwel verlaten stad Moskou. De Grande Armée was inmiddels gedecimeerd tot een derde zonder dat er slag was geleverd met de vijand. In de stad was echter niets eet- en bruikbaars te vinden. Daarom verliet Napoleon en zijn leger op 20 oktober 1812 de stad en maakte rechtsomkeer. En dat letterlijk want de Russen, onder leiding van Maarschalk Koetoezov dwong hen precies dezelfde route te volgen. Een route waar niets eet- en bruikbaars te vinden was. Pas toen de Grande Armée uitgeput, hongerend en nog verder gedecimeerd de rivier Berezina bereikte, gingen de Russen de slag aan. Een slag die ze wonnen en waarbij ze hun tegenstanders alles afnamen, ook hun kleren waardoor er velen stierven door bevriezing. Over deze tocht zijn veel boeken geschreven. Zo staat het Russisch perspectief centraal in Oorlog en Vrede van Tolstoi. Voor muziekliefhebbers, de Overture 1812  van Tsjaikovski handelt er ook over.

Op één jaar en twee dagen na 130 jaar later, op 22 juni 1941 de langste dag van het jaar, tenminste op het noordelijk halfrond, zette een legermacht van zo’n 3,7 miljoen soldaten zich in beweging en viel de Sovjet Unie binnen. Het grootste deel van de soldaten was afkomstig uit nazi-Duitsland maar ook bondgenoten Italië, Hongarije, Roemenië en Finland leverden een bijdrage. Operatie Barbarossa startte en verliep in het begin zeer succesvol. Dat was voor een flink deel te danken aan de slechte staat van voorbereiding van de Sovjets. Soldaten die zonder wapens naar het front werden gestuurd, slechte communicatie en een hergroepering van troepen direct voorafgaand aan de inval. In korte tijd werden grote gebieden veroverd en dat zorgde voor problemen. De bevoorradingslijnen werden steeds langer en het veroverde gebied moest beheerst worden en dat beheersen betekende dat er soldaten achter moesten blijven om het gebied te bezetten. Uiteindelijk liep de operatie in december 1941 vast op de zich stug verdedigende en steeds beter georganiseerde Sovjettroepen en de invallende winter. In tegenstelling tot Napoleon haalden ze Moskou niet. Een winter waarop de Duitse troepen niet gekleed waren.

20 maart 2003, de zon stond op het punt om de Evenaar te passeren en de lente aan te kondigen op hetzelfde noordelijk halfrond. Op die dag zetten bijna 310.000 soldaten zich in beweging om Irak binnen te vallen om Saddam Hoessein uit het zadel te wippen. Operatie Iraqi Freedom lukte, een kleine twintig dagen later, op 9 april 2003, viel Bagdad in handen van de onder Amerikaanse leiding staande troepen. Dat betekende echter niet dat de strijd was gestreden. Het bezette gebied moest worden gecontroleerd en beheerst. Dat vergde tussen de 100.000 en 176.000 Amerikaanse troepen aangevuld met meer dan miljoen agenten en soldaten van Iraakse origine. Dat bleek een opdracht van een andere orde. Een orde waar we, en vooral de inwoners van Irak, nu nog steeds de gevolgen van ondervinden.

Al een paar maanden zijn de ogen gericht op de Oekraïne, of beter gezegd op de Russische troepenbewegingen in de buurt van het land. Rusland heeft, als ik de nieuwsberichten mag geloven, zo’n 100.000 tot 150.000 soldaten verzameld aan de grens met Oekraïne en nog eens 30.000 Russische soldaten oefenen in Belarus samen met het hun collega’s uit dat land. Leiders van diverse landen maken zich grote zorgen en sommige waarschuwen dat een oorlog voor de deur staat. “Op dit moment ben ik ervan overtuigd dat hij de beslissing heeft genomen, we hebben reden om dat te geloven,” aldus de Amerikaanse president Biden. 180.000 soldaten zijn er veel maar toch. Oekraïne stelt er 200.000 soldaten tegenover. Gelijk spel zou je zeggen. Maar evenveel soldaten is geen garantie voor succes. Dat ondervond Saddam in 2003. Betere bewapening bij de tegenstander en geringe motivatie onder zijn troepen beslechtten het pleit in zijn nadeel. Als ik de experts mag geloven dan zijn de Russen beter bewapend. Hoe het met de moraal aan beide kanten is, weet ik niet. Wel lijken mij die 180.000 man erg weinig om eerst oorlog te voeren en vervolgens het veroverde gebied te controleren. Een gebied waar ruim 40 miljoen mensen wonen.

De illusie van het autonome individu

“Hoe vinden wij deze nieuwe grond als individu dat de basis dient te zijn voor een nieuw wij?”  Die vraagt stelt Tom Ribbens zich in een artikel bij Joop. Ribbens maakt zich, zoals velen druk om de manier waarop de overheid de coronapandemie bestrijdt. Een bijzonder artikel.

Bron: Pxhere

Ribbens: “Als we dan kijken naar het gemak waarmee we vanuit een grote angst voor ziekte en dood onze individualiteit loslaten en laten manipuleren door de overheid, lijkt het alsof we onszelf meer dan ooit zijn kwijtgeraakt in een technocratisch en manipulerend systeem dat het van ons mensen aan het overnemen is.” Gelukkig worden: “Steeds meer mensen (…) zich bewust van deze situatie en komen in verzet, terwijl een grote groep het nog steeds normaal vindt om hun vrijheid op te geven voor een gevoel van veiligheid, dat geen enkele wetenschappelijk en feitelijke grond meer heeft.” Ik vraag me af waarop Ribbens zich baseert dat ‘een grote groep’ het normaal vindt en dat ze dat doen voor een ‘gevoel van veiligheid’, maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de manier waarop Ribbens naar dat ‘nieuwe wij’ wil zoeken. Hij zoekt het wij in het ik: “Op de eerste plaats door naar binnen te gaan. Door het aankijken van onze grootste angsten, namelijk die van de dood en de angst om uit de groep te vallen.” Want, zo gaat hij verder: “Deze beide, vaak onbewuste angsten zorgen ervoor dat we onszelf als individu loslaten, de redding buiten onszelf zoeken en daardoor makkelijk te manipuleren zijn.”  En: “Onze angsten, maar ook ons lijden zijn de ingang om contact te maken met dat deel, waar onze werkelijke individualiteit begint, namelijk onze essentie, ons geestelijk deel.”  

Ribbens gaat via het individu op zoek naar de groep. Een groep als een verzameling individuen die bewust voor de groep kiezen. “Het mooie is dat in die diepere grond van onze essentie we allen verbonden zijn met elkaar ook al zijn we verschillend. Dat maakt dat dit wij zo sterk en gelijkwaardig is en niet discriminerend of polariserend. Vanuit dit nieuwe wij zullen nieuwe vormen ontstaan, nieuwe vormen van leiderschap en samenwerking, een nieuwe democratie, veel dichter bij de mensen om wie het gaat dan nu het geval is.”  De komende gemeenteraadsverkiezingen bieden, zo betoogt Ribbens een kans om te: “laten zien dat we ons niet langer laten manipuleren en opkomen voor onze grondrechten als autonoom individu.”

Ribbens stelt het individu centraal en toont daarmee een ware neoliberaal. In het neoliberale kapitalisme staat het autonome individu dat opkomt voor zichzelf immers centraal. Bijzonder omdat hij zich daar juist tegen lijkt te verzetten als hij de manier: “hoe wij omgaan met de natuur, met dieren, met natuurlijke grondstoffen en wij de aarde niet respecteren naar de grote intrinsieke waarde die zij in zich draagt. Maar vanuit ons kapitalistisch systeem ermee omgaan als een gebruiksvoorwerp voor onze eigen macht, om geld te verdienen, rijk te worden.”

Begint het wij niet juist bij het je realiseren dat een autonoom individu een illusie is? Zeker in onze moderne samenleving.

Mensen en dierenrechten

In de Volkskrant een uitgebreid artikel van Jurriën Hamer waarin hij verslag doet van zijn innerlijke verscheurdheid waaraan op 1 januari van dit jaar een einde kwam. Met ingang van dit jaar eet hij geen vlees meer en hoeft zich dus niet ‘schuldig’ te voelen, zoals hij het zelf noemt. Het ‘geknaag’ in zijn hoofd begon toen hij filosofie ging studeren: “Tussen de filosofiestudenten, en later de promovendi, zaten heel wat vegetariërs die haarfijn uit konden leggen waarom vlees eten immoreel is. Hebben dieren geen rechten? En waarom hield ik ook alweer vast aan een antropocentrisch wereldbeeld? Ik kon die argumenten moeilijk weerleggen en wauwelde iets over dat dieren in het wild toch ook niet zielig zijn, en die we toch ook elkaar laten opeten. Ik kon mezelf niet eens overtuigen.” De twee interessante vragen die zijn vegetarisch medestudenten stelde, intrigeert mij.

Code of Hammurabi, king of Babylon, 1792 - 50 BCE (5) | Flickr
De Codex Hammurabi. Bron: Flickr

‘Hebben dieren geen rechten?’ Aan deze vraag gaat een andere vraag vooraf. Een vraag die niet wordt gesteld omdat we het antwoord dat we erop geven als vanzelfsprekend beschouwen. Die vraag is namelijk: hebben mensen rechten? Voor ons westerlingen is het antwoord op die vraag zo evident. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.” Aldus de Amerikaanse Declaration of Independence. De ‘Creator’ heeft iedere mens rechten gegeven. De Franse revolutionairen schreven in 1789 iets soortgelijks. Soortgelijks maar toch net iets anders in de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen. Zij beriepen zich namelijk niet op een ‘Creator’, maar op de natuur en spreken van “les droits naturels, inaliénables et sacrés de l’homme,” natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens. De Amerikanen hebben de rechten gekregen van god, de Fransen van de natuur.

Rechten die van god komen, zijn zo oud als het monotheïsme. Het geloof dat er één god is. Monotheïsme is een vrij recente menselijke ‘uitvinding’. De mens heeft millennia lang meerdere ‘goden’ aanbeden of gevreesd. Het leven en alles wat er in gebeurde, werd gezien als een strijd tussen die verschillende goden en de mens was een pion in het spel tussen de goden. Zo’n vier millennia geleden ontstonden ‘geloven met maar één god’. Het jodendom is de oudste nog bestaande variant ervan. In een meer goden, of polytheïstische, samenleving is het lastig om rechten aan die goden te ontlenen. Iedere god speelde immers zijn eigen spel met eigen regels. Met maar één machtige alles bepalende god werd het mogelijk om er gezag aan te ontlenen. In andere delen van de wereld, zonder zo’n monotheïstische religie (China en Japan) zagen de heersers zich niet als eerste vertegenwoordiger, maar als god zelf en dat maakte hun wil wet. In ons deel van de wereld beriepen heersers en koningen zich op god en zagen zich als gods eerste vertegenwoordiger.

Het beroep op de ‘natuurlijke rechten’ is recenter. Het is een uitvloeisel van de Verlichting. Mensen die zelf op zoek gingen hoe de wereld in elkaar zit en hierbij vertrouwden op hun eigen rede en niet op de dogma’s en autoriteit. Dogma’s en autoriteit van vooral het geloof. Zo ontdekte Newton de zwaartekracht door de ‘val van de appel’ en stond hij aan de basis van de klassieke mechanica. En analoog aan de wet van de zwaartekracht zouden er ook natuurwetten voor de inrichting van een samenleving: de natuurlijke rechten van de mens.

De vraag: ‘hebben dieren dan geen rechten?’ past in de ‘natuurrechten’ traditie. Immers als de natuur mensen rechten geeft, waarom dan niet ook aan de koe, het varken en de olifant? De mens is immers ook maar gewoon een dier. De natuur kan immers niet zo selectief zijn. Dat probleem heb je niet als je je op een god beroept. Niets staat goden immers in de weg om te selecteren en hiërarchie aan te brengen tussen alle schepsels. Het antwoord of dieren rechten hebben staat of valt met de vraag of mensen van nature rechten hebben.

Daarvoor naar de tweede vraag die de medestudenten stelden: ‘waarom zo’n antropocentrisch wereldbeeld?’ Een wereldbeeld waarin de mens centraal staat. De wereld achter die vraag is dat de natuur niet selectief kan zijn. Dus als mensen van nature rechten hebben dan hebben dieren die ook. Het ‘niet-antropocentrisch wereldbeeld’ van Hamers medestudenten biedt echter nog een andere optie. De optie dat de natuur geen rechten geeft. Niet aan mensen en ook niet aan dieren.

Daarmee kom ik op een derde variant waarop de mens zich bij het formuleren van zijn rechten kan beroepen en dat is zichzelf. Zichzelf niet als individu maar als groep. Rechten zijn afspraken die wij mensen maken zodat we een redelijk betrouwbare en voorspelbare samenleving krijgen. De eerste bekende wetboeken ontstonden ook zo’n vier millennia geleden. De bekendste, maar niet de oudste is, de Codex Hammurabi van rond 1750 voor onze jaartelling. Dat beiden, wetten en monotheïstische religies, in dezelfde periode ontstonden, zal geen toeval zijn. Zowel, wetten en monotheïstische godsdiensten zijn bedoeld om mensen te binden om er een groep van te maken. Het zijn verhalen om mensen te binden. Verhalen met regels hoe te handelen binnen de groep. Iets wat bij het groter worden van de groep belangrijk is en in die periode werden de rijken groter. Die wetten werden opgesteld door de heerser.

De Amerikanen en Fransen stelden hun verklaringen op zonder zo’n heerser. Die hadden ze immers net de deur gewezen. Ze moesten het zonder heerser doen. Daarbij deden ze respectievelijk een beroep op de ‘Creator’ en de natuur, maar wat er echt gebeurde was dat ze elkaar rechten toekenden. Ze hadden eigenlijk moeten zeggen: ‘wij mensen hier verzameld, zien onszelf als gelijk en kennen elkaar de volgende rechten toe.’ Door die rechten goddelijk en ‘self-evident’ of ‘natuurlijke en onvervreemdbaar’ te verklaren, worden deze rechten eeuwig en onveranderlijk gemaakt en tot de hoogste morele standaard verklaard. Vanuit god en de natuur kun je niet meer tot een andere conclusie komen terwijl een groep mensen in een andere tijd en setting tot andere rechten zou kunnen komen.

Terug naar die eerste vraag. De denkwijze dat de mens zichzelf deze rechten heeft gegeven, betekent nee als antwoord op de vraag ‘hebben dieren dan geen rechten?’ Nee, dieren hebben geen rechten. Ze krijgen pas rechten als mensen hen die rechten geven.