Witte zwanen, zwarte zwanen

“De pandemie, zegt Gerritsen, is een voorbeeld van een ‘ongetemd probleem’. Ongetemde problemen zijn inhoudelijk complex, veranderen voortdurend van aard, hebben noch een duidelijk eindpunt noch heldere oplossingen.” Erik Gerritsen is de voormalig hoogste ambtenaar van het ministerie van VWS. Volgens Gerritsen heeft, zo lees ik in een interview bij De Correspondent, het ministerie een topprestatie geleverd in het aanpakken van de pandemie. Want: “je kunt de beheersing van zo’n crisis niet simpelweg beoordelen op het resultaat. ‘Wat je moet doen, is kijken of de mensen op dat moment, met de kennis die ze toen hadden, het maximale hebben gedaan. Hebben ze goed geïmproviseerd?’” Daar heeft hij een punt waar ook premier Rutte in het begin van de pandemie op duidde toen hij zei dat besluiten moesten worden genomen met maar 50% van de benodigde informatie. Al betwijfelt Gerritsen die 50%: “Het was eerder 5 procent.” Een complex probleem maar toch. Ik moest denke aan De Zwarte Zwaan. De impact van het hoogst onwaarschijnlijke, een boek van Nassim Nicholas Taleb.

Zwaan Vogel Vijver Zwarte - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Taleb denkt en schrijft vooral over de invloed van toeval, kans en willekeur in onze samenleving in het algemeen en in het bijzonder in de derivatenhandel want daar heeft hij jaren in gewerkt. In die handel staan modellen centraal. Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing. Modellen zijn volgens de econoom Tomáš  Sedláček, en ik onderschrijf dit van harte: “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.[1]”  Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Sedláček vergelijkt het gebruik van modellen in de economische wetenschappen met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt: “De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” In de sociale wetenschappen: “…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.[2] Echter, zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving.

Maar die sociaalwetenschappelijke modellen zijn slecht in het voorspellen van een crisis en ook slecht in het bepalen van de schade die een crisis veroorzaakt. Want deze modellen houden geen rekening met het onvoorspelbare en juist dat onvoorspelbare heeft de grootste gevolgen. Nassim Nicholas Taleb noemt deze gebeurtenissen Zwarte Zwanen (de hoofdletters zijn van hem overgenomen) en dat zijn gebeurtenissen met drie kenmerken: “Ten eerste is het een totaal onverwachte gebeurtenis, een uitschieter die buiten de normale gang der dingen valt omdat er vooraf geen duidelijke aanwijzingen waren dat zoiets kon gebeuren. Ten tweede heeft het zeer grote gevolgen (…). En ten derde zit de mens zo in elkaar dat we naderhand, ook al was het een totaal onverwachte gebeurtenis, verklaringen bedenken die de gebeurtenis begrijpelijk maken [3]Maar ook het tegenovergestelde, iets wat tegen alle verwachtingen in niet gebeurt, is een Zwarte Zwaan. Volgens Taleb is de geschiedenis van de mens te verklaren aan de hand van een klein aantal Zwarte Zwanen.

Zwarte Zwanen zijn niet te voorspellen extremen. We weten dat ze komen maar er is geen mogelijkheid om te voorspellen wanneer er een komt en al helemaal niet hoe die gebeurtenis eruit ziet. En met die Zwarte Zwaan ben ik waar ik wilde zijn. Of beter gezegd, ik ben er bijna. Dat we worden verrast door Zwarte Zwanen en dat die zeer veel schade kunnen veroorzaken, hoeft ons niet te verbazen. Gerritsen noemt de pandemie een ‘ongetemd probleem’, een Zwarte Zwaan om Taleb aan te halen.

Maar is een virusuitbraak wel een Zwarte Zwaan, een ongetemd probleem? Dat het Covid-19 virus uitbrak, was niet te voorzien. Dat er op enig moment een virus zou uitbreken dat een pandemie veroorzaakt, mag toch geen ‘totaal onverwachte gebeurtenis’ zijn. De recente en minder recente geschiedenis kent tal van virusuitbraken. Zo werden onze voorouders verschillende keren geteisterd door de pest, veroorzaakte de Spaanse griep ruim een eeuw geleden voor een pandemie en kenden we sindsdien verschillende uitbraken van vogelgriep. Dus dat er besmettelijk virus de kop op zou steken, was te verwachten. Een pandemie als gevolg van een virus is daarmee eerder een ‘Witte Zwaan’. Te verwachten maar dat betekent niet dat de gevolgen ervan niet zeer groot kunnen zijn, zoals we nu ervaren. Die gevolgen hadden veel minder ernstig kunnen zijn als we ons er goed op hadden voorbereid.

Daarmee kom ik op het punt waar Gerritsens betoog spaak loopt. Hij noemt bijvoorbeeld de mondkapjes en het dreigende tekort: “‘Toen gingen ze naar ons kijken’, zegt Gerritsen, die benadrukt dat mondkapjes niet tot het takenpakket van zijn ministerie behoorden. ‘Het was dus niet zo van: “Waar bemoeit het ministerie zich mee? Waarom laten ze het niet over aan de mensen die er verstand van hebben?” Nee, de zorg keek naar ons: VWS, help!’”  Dat bij een pandemie beschermingsmateriaal essentieel is om hulpverleners te bescherming, is geen verrassing. Dat er daarvan veel nodig is, hoeft ook niet te verrassen. Daar kun je je dus op voorbereiden door flinke voorraden aan te leggen. Een soort magazijn waar je bijvoorbeeld een voorraad hebt liggen voor een half jaar normaal gebruik. Om ‘bederf’ te voorkomen lever je in normale tijden aan de voordeur uit aan de ziekenhuizen en vul je die via de achterdeur weer aan. Voor ander bij de behandeling van een pandemie benodigd materiaal, zoals beademingsapparatuur, leg je ook een voorraad aan. Je kunt zelfs ziekenhuislocaties inrichten die alleen bij een pandemie of andere noodsituatie worden gebruikt.

De woorden van Gerritsen duiden nog op een ander gebrek aan voorbereiding. Discussies over verantwoordelijkheden en ‘kijken naar iemand om het op te lossen’, duiden erop dat er niet tevoren is nagedacht over wie er in geval van een pandemie waarvoor verantwoordelijk is. Onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Onze beschermingsinfrastructuur is van onderop geregeld terwijl een pandemie vraagt om centrale sturing. Ook op het gebied van voldoende handjes en hoofdjes om te helpen bij testen, vaccineren en allerlei ander werk, is voorbereiding mogelijk. Daarvoor zou een Bescherming Bevolking structuur zoals we die tijdens de Koude Oorlog kenden, een voorbeeld kunnen zijn.

Nu had de goede voorbereiding niet kunnen voorkomen dat er besluiten genomen hadden moeten worden op basis van 5 of 50% van de benodigde informatie. Ze had er wel voor gezorgd dat er andere keuzes mogelijk waren. Is de werkelijke Zwarte Zwaan van deze pandemie er niet een van een heel andere orde? Volgens Taleb neemt met het verstrijken van de geschiedenis en het complexer worden van de samenleving het aantal Zwarte Zwanen toe. Want: “Complexiteit leidt tot een opeenstapeling van ketens van onverwachte gevolgen,[4]aldus Taleb en hij pleit daarom voor eenvoud. Is het gebrek aan juist die eenvoud niet de werkelijke Zwarte Zwaan of om met Gerritsen te spreken het ‘ongetemde probleem’?


[1] Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, pagina 213 (Sedláček benadrukt in dit citaat twee woorden die hij cursiveert. Ik cursiveer citaten en om de nadruk van Sedláček te behouden schrijf ik deze woorden normaal).

[2]Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, pagina 346

[3] Nassim Nicholas Taleb, De Zwarte zwaan, pagina 2

[4] Nassim Nicholas Taleb, Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wanorde, pagina 8

A modern Christmas Carol

“Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken.” Dit schreef ik in mijn vorige Prikker. En nu ik het toch over geld heb, wil ik jullie meenemen in het denken over geld van Charles Eisenstein. In zijn boek Naar een economie van verbinding staat geld en de bijzondere eigenschappen ervan en wat dat betekent voor een samenleving, centraal.

Gift Economy | London Permaculture | Flickr
Bron: Flickr

Volgens Eisenstein, en daar zal bijna iedereen het mee eens zijn, vervult geld twee functies. Als eerste is het een middel om het ruilen van goederen te vergemakkelijken. Dit sluit aan bij het gebruikelijke verhaal over het ontstaan van geld. Ik heb melk van mijn twee koeien over en heb schoenen nodig. Jij hebt wel wat melk nodig maar niet die vijfhonderd liter die je paar schoenen waard zijn. Hoe krijg ik dan mijn schoenen en jij je vier liter melk? Geld maakt het mogelijk. Ik verkoop mijn melk voor vijftig cent per liter en spaar net zolang totdat ik de tweehonderd euro heb om een paar schoenen van jou te kopen. Jij koopt gewoon voor twee euro die vier liter melk van mij. Dat lijkt logisch maar hij vraagt zich af of het werkelijk zo was: “De geschiedschrijving van geld begint meestal met primitieve vormen van ruilhandel, maar onder jagers en verzamelaars komt ruilhandel juist zelden voor. De belangrijkste vorm van economische uitwisseling was het geschenk.[1]  Dat ‘helpen bij het ruilen’ was van ondergeschikt belang. Geven was het belangrijkste en, zo beweert Eisenstein, er werd gegeven aan mensen die nood aan iets hadden. Als ik schoenen nodig had en ze niet zelf kon maken, dan zou ik ze krijgen van iemand uit de groep die ze wel kon maken. En als die persoon melk nodig had, dan zou hij die gewoon van mij krijgen: “een gifttransactie heeft een open einde en schept (…) een blijvende band tussen de betrokkenen,”  ze versterkten de banden tussen de leden van de groep. Volgens Eisenstein: “ontstond geld om geschenken te kunnen geven, om dingen met elkaar te kunnen delen en om generositeit mogelijk te maken, of althans iets in die geest.[2] Geld maakte het mogelijk om de kringloop van betrokkenheid uit te breiden tot ver boven de eigen groep.

Die rol van het geld raakte door het groter worden van de kringloop van betrokkenheid, buitenbeeld, zo betoogt Eisenstein en werd echter overschaduwd door de tweede functie: “de ‘opslag’ van waarde.[3] Daarvoor werden in de vroege jaren ook andere zaken gebruikt zoals bijvoorbeeld een vaste hoeveelheid graan of andere zaken die aan bederf onderhevig waren. Wat geld voor had op die andere zaken, is dat het niet bedierf. Iets wat kan bederven moet je tijdig kwijtraken dus zorg je dat het circuleert zodat het tijdig bij een bakker of boer terechtkomt. Dat probleem kent geld niet. Het blijft waarde houden dus je kunt het oppotten en dat gebeurt dan ook. Daarmee gebeurde precies het tegenovergestelde als wat met de gift werd beoogd. Dat is dat het zich ophoopt bij mensen die het niet nodig hebben terwijl de gift juist ging naar mensen die het nodig hadden. Dat oppotten zorgt er, zo betoogt Eisenstein, op deze manier voor dat het schaars wordt terwijl er sprake is van overvloed. Of zoals Pink Floyd het zingt: “Money, get away. You get a good job with good pay and you’re okay. Money, it’s a gas. Grab that cash with both hands and make a stash.” Dit als volleerd navolgers van Ebenezer Scrooge uit de Kerstklassieker A Christmas Carol van Charles Dickins.

“Stel je voor dat je naar de bank gaat en zegt: “Ik wil graag geld lenen voor mijn bedrijf. Hier is mijn bedrijfsplan. Als jullie me een lening van geven van € 1.000.000,- kan ik in de loop van vier jaar € 900.000 verdienen. Verstrek mij dus maar die lening van € 1.000.000,- en ik betaal jullie verspreid over vier jaar € 900.000,- terug.” Daar zegt geen bank JA tegen want ze verliezen € 100.000,- dus dat is een slechte deal. Maar wat als dat geld van de bank ieder jaar bijvoorbeeld 7% minder waard wordt. Nee, niet door inflatie maar door er gewoon op af te stempelen. De euro van vandaag is volgend jaar nog maar 93 cent waard en over veertien jaar niets meer. Dit terwijl het brood gewoon ongeveer dezelfde prijs behoudt. Dan wordt oppotten van geld gestraft en zorg je er wel voor dat je er niet te veel van in bezit hebt. En dan het vervolg van Eisensteins voorbeeld “Wij vinden het een prima bedrijfsplan’, antwoordt de bank. ‘Hier heeft u uw geld.’ Waarom ze akkoord gaan? Omdat die € 1.000.000,- in deposito bij de bank nog veel sneller in waarde zou dalen – met bijvoorbeeld 7 procent, zodat er over vier jaar nog maar ongeveer € 740.000,- over zou zijn.[4]

Een interessante gedachte. Zeker omdat er de afgelopen jaren door de centrale banken miljarden in de economie zijn gepompt om die draaiende te houden in ruil voor vrij waardeloze slechte leningen. Het gros van dat geld is niet gebruikt voor consumptie en productie maar werd weer opgepot. Degenen die van hun slechte leningen af waren kochten er aandelen en vastgoed van en bliezen er zo grote bellen lucht in. Bellen die er ooit een keer uit moeten. Wat als de centrale banken die leningen hadden gekocht met ‘afstempelgeld’? Dan hadden die centrale banken die waardeloze onderpanden na, in dit voorbeeld veertien jaar van hun balansen kunnen schrijven. Zou het dan niet interessant worden om geld te lenen aan iemand die zijn eerste huis koopt voor bijvoorbeeld € 300.000, die je ieder jaar € 9.000 terugbetaalt gedurende een periode van 30 jaar? Zou er dan niet een einde komen aan de schaarste aan geld omdat het dan vloeit naar degenen die het nodig hebben en niet naar degenen die erin zwemmen? Een interessante gedachte. Interessant want zou dat ook op andere terreinen andere keuzes mogelijk maken? Andere carrière keuzes bijvoorbeeld omdat de ‘job with good pay’ dan wellicht minder interessant is dan iets voor anderen doen?


[1] Charles, Eisenstein, Naar een economie van verbinding, pagina 25

[2] Idem, pagina 31

[3] Idem, pagina 32

[4] Idem, pagina 243

Crypto’s, geld en ‘het kindje Jezus’

“Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden.” Dat is volgens Madeleine Böhme en haar twee coauteurs wat de Homo sapiens bijzonder maakt. Die: “voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[1]

Mozaïek, Kleurrijk, Kralen, Oud, Ontwerp, Patroon
Bron: Pixabay

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een column van Peter de Waard in de Volkskrant over het beleggen in crypto-munten door jongeren. “Zo’n 1,2 miljoen vooral jonge Nederlanders blijken bitcoins of andere cryptomunten te hebben. En dat baart de toezichthouders zorgen. Het onderpand is iets ongrijpbaars of virtueels, niet een schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert.” Het onderpand van een crypto-munt is iets ongrijpbaars. Daarom zijn ze, zoals De Waard schrijft: “puur voor de speculatie. Het is net als met het kindje Jezus, je gelooft erin of niet. Als betaalmiddel zijn ze totaal nutteloos, zo is na tien jaar wel gebleken.” Nu zijn er steeds minder mensen die nog in het kindje Jezus geloven en toch viert het gros van die mensen binnenkort het feest ter ere van zijn geboorte. Dus in hoeverre moet je in iets geloven om het je handelen te laten bepalen?

Dit even terzijde. Alhoewel terzijde, het raakt aan de kern. Dus nog er nog maar even op voortborduren. “In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand  die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik enkele jaren geleden in een van mijn Prikkers. Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig in zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het Westen soms ook in het Oosten willen zijn ” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon betekenen.

Geldt dat niet ook voor dat: “schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert?” Waarin verschilt een obligatie of een aandeel van het kindje Jezus? Als je erin gelooft dan vertegenwoordigen ze waarde, geloof je er niet in, dan kun je er een vuurtje mee stoken. Maar dan moet je ze wel op papier hebben anders lukt zelfs dat niet. Een stapje verder. De waarde van dat aandeel, die obligatie en ook die crypto worden uitgedrukt in geld, afhankelijk van waar je woont in bijvoorbeeld euro’s of dollars. Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken. Aan de digitale heb je dan helemaal niets. En is ook de waarde die we toekennen aan goud en edelstenen niet ook gewoon een ‘geloof’? Geloof je er niet in dan heb je er niets aan. Dan zijn die edelstenen niet meer dan wat kleurrijke kralen.

Bijzonder dat de toezichthouders waarschuwen voor die ongrijpbare en volgens De Waard als betaalmiddel nutteloze crypto’s en verwijzen naar even zo ongrijpbare zaken als aandelen en obligaties. Is het niet vergelijkbaar met een aanhanger van ‘het kindje Jezus’ die een aanhanger van de islam verwijt dat zijn god niet echt is?


[1] Böhme, Madeleine, Braun, Rüdiger en Breier, Florian, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

Racisme

Op de site OneWorld een artikel over het al dan niet met een hoofdletter schrijven van zwart als daarmee de huidskleur van iemand wordt bedoeld. En dan meteen ook de vraag erbij of dat bij wit dan ook weer moet als het woord wordt gebruikt om iemand huidskleur te beschrijven. Een bijzondere discussie. De in Accra geboren mensenrechtenactivist W.E.B. Du Bois (1868-1963) schijnt ervoor te hebben gepleit om het nu verfoeide n-woord met een hoofdletter te schrijven, zo lees ik in het artikel. Nu schijnt er dus een roep te zijn om zwart als het om huidskleur gaat, met een hoofdletter te schrijven.

Waarom zwart met hoofdletter om de huidskleur van iemand aan te duiden? Volgens de auteur van het artikel, Olave Nduwanje, is dat al een heel oude discussie: “In 1878 gaf de Zwarte Amerikaanse advocaat, schrijver en oprichter van het weekblad Chicago Conservator Ferdinand Lee Barnett zijn redactioneel commentaar de titel: ‘Spell It With a Capital’. Hij schreef dat het woord ‘negro’ (destijds een gebruikelijke aanduiding voor Zwarte mensen) met een kleine letter Zwarte mensen stigmatiseert en vernedert. Immers: ‘De Fransen, Duitsers, Ieren, Nederlanders, Japanners en andere nationaliteiten worden geëerd met een hoofdletter, maar de arme zonen van Ham moeten de last dragen van een kleine n.” Een bijzondere redenering want als we die volgen dan zou er een Zwartland moeten zijn, net zoals er een Finland of Frankrijk is. Zo zie je maar weer dat woorden tijdsgevoelig zijn. Du Bois en Barnett waren als lid van de groep zo trots op het n-woord dat ze er een N-woord van wilden maken. Nu zit het woord, hoofdletter of niet, in de taboehoek

De roep om een hoofdletter is niet onomstreden: “De meest diverse etnische groep op aarde onder één geschiedenis, gevoel en gemeenschap scharen, stuitte Zwarte schrijvers als Vilna Bashi Treitler, Claudia Rankine, Richard J. Powell, Badia Ahad-Legardy, Ayanna Thompson tegen de borst. Zij werpen op dat de meeste Afrikanen en mensen in de diaspora zich juist identificeren aan de hand van hun specifieke etniciteit. Ze noemen zich bijvoorbeeld Yoruba, Igbo, Burundees, Masai, Peul, Wolof, Zulu of Banyamulenge.”

Bovendien leidt de discussie om zwart met een hoofdletter te schrijven als het een verwijzingen naar iemands huidskleur is, ook tot te vraag: ‘en hoe doen we dat dan met ‘wit’ als je iemands huidskleur wilt aanduiden?’ Ook daarover wordt weer van mening verschild. “Wit met een hoofdletter is beladen omdat Amerikaanse ‘white supremacy’-groeperingen zoals de Ku Klux Klan en het Stormfront wit al heel lang met een hoofdletter schrijven. Zij hebben het over White power, White supremacy, White race. Kun je wit met een hoofdletter schrijven zonder geassocieerd te worden met groepen en individuen die menen dat witte mensen behoren tot een ‘superieur ras’?” Zo betoogt de ene kant. De andere kant werpt tegen: “’Wit’ geen ras noemen is in feite een anti-Zwarte daad waarmee je Witheid neerzet als neutraal en als de standaard. Wij vinden het belangrijk om de aandacht te vestigen op Wit als ras om zo te begrijpen en ruchtbaarheid te geven aan hoe Witheid functioneert.”

Het denken in kleuren en rassen blijft actueel. Amma Asante schrijft in een column bij De Kanttekening: “Racisme is geen mening en heeft met vrijheid al helemaal niets te maken.” Zij schrijft dit naar aanleiding van walgelijke uitspraken van FvD Kamerlid Freek Jansen die beweerde dat ‘Nederlanders een minderheid worden in hun eigen land’ en dat mensen die hiernaartoe zijn gemigreerd, terug moeten naar hun eigen land: “Ze moeten gewoon weg.” Terecht ergert Asante zich aan de manier waarop deze politici met fluwelen handschoenen worden aangepakt: “Wanneer xenofobe, islamofobe en racistische politici, die de stem van ‘de hardwerkende Nederlander’ vertolkten, te gast waren in televisieprogramma’s, dan werden hun abjecte ideeën niet getoetst langs kritische vragen. Nee, uit angst dat hun kiezers boos werden en zouden wegzappen, werd alles uit de kast gehaald om hen zo normaal en menselijk mogelijk neer te zetten. Er werd gezellig op los gekeuveld over koetjes en kalfjes en hun huisdieren, zoals de poes van Wilders door Eva Jinek.”  Dit heeft ervoor gezorgd dat: “Racisme (…) normaal (is) geworden. Racisme (…)een podium (heeft) gekregen. Racisme (…) politieke macht” heeft, zoals Asante schrijft. We hebben: “racisme onvoldoende een halt durven toe te roepen. De geest is uit de fles en moet er weer in terug. Door vanaf nu keihard de norm te stellen.”

In de strijd tegen discriminatie moet inderdaad een harde norm worden gesteld en gehandhaafd. Daar vindt Asante mij aan haar zijde. Toch wringt er iets in haar betoog. ‘Racisme is geen mening’, schrijft Asante. Als racisme iets is, dan is het een mening. Een mening gebaseerd op compleet verkeerde informatie en een mening die geuit mag worden. Maar, en daar kom ik bij de ‘fluwelen handschoenen’ en de angst voor ‘wegzappen’, niet iedere mening hoeft gehoord te worden. Er is niets mis met het weren van meningen van de kijkbuis ook al voelen mensen zich dan gepasseerd. Compleet verkeerde informatie omdat alle mensen op deze Aarde behoren tot één en hetzelfde ras, namelijk de Homo sapiens. Of de roman Ze zijn er nog  van de Venlose auteur Fons Wijers moet op waarheid berusten, dan loopt er nog een tweede mensenras, de Neanderthaler, op aarde en die vrezen de Sapiens vanwege juist hun onderlinge haat en wreedheid.

En daarmee kom ik bij de Duitse filosoof Marcus Gabriel. In zijn boek Morele vooruitgang in duistere tijden besteedt hij ook aandacht aan de illusionaire identiteitspolitiek van zowel links als rechts. Gabriel: “Het doel van morele voortuitgang op het gebied van racisme is het volledig overwinnen van de indruk dat er moreel relevante verschillen tussen mensen bestaan die in termen van ras zouden kunnen worden gemeten …. Er bestaat alleen racisme, rassen bestaan niet, net zoals er een heksenjacht bestond, maar geen heksen.[1] Zouden we racisme werkelijk overwinnen door te blijven hameren op ras, zoals met de ‘letterdiscussie’ gebeurt? Zorgt dat er niet voor dat racisme normaliseert, een podium en politieke macht blijft krijgen?


[1] Marcus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 224

Asielmachine

“Vijftien jaar geleden werd er nog schande gesproken van Fort Europa, nu is het overheersende thema in Brussel bewaakbare grenzen. Von der Leyen complimenteerde de Grieken zelfs met hun ‘schild’, een hek van 40 kilometer op de grens met Turkije. In Nederland hebben we het nog niet in de gaten, maar een geloofwaardig asielbeleid begint met geloofwaardige grenzen.” Dit schrijft Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. Daarom moet Europa en dus ook Nederland veel meer geld uitgeven aan het versterken van de grenzen suggereert Sommer. Ook moet het asielrecht worden herzien want dat: “is volstrekt onwerkbaar en ondermijnt het draagvlak. In theorie mag iedereen asiel aanvragen; wie wordt afgewezen, vertrekt.” Geen groot kamp, desnoods militair veroverd zoals Van Acker, maar een groot fort waar je niet binnen kunt.

Een stukje van het fort Eben Emael. Bron: Wikimedia Commons

Nu leert de geschiedenis ons er tot op heden forten vroeg of laat toch door de vijand worden veroverd. Door belegering kon je de bewoners van een fort uithongeren. Je kon er gangen onder graven en zo de muren ervan ondermijnen. Of je kon het gewoon binnen een kwartiertje uitschakelen zoals de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog deden bij het fort van Eben Emael in België, het ‘moeder aller forten’. Dit fort stond op een strategische plek. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. Duitse zweefvliegtuigen en paratroepen landden ongezien op het fort en zo werd het van binnenuit uitgeschakeld. De Belgen waren trouwens niet de enige. Zo hadden de Fransen de Maginotlinie om een snelle Duitse opmars onmogelijk te maken. Zou ‘fort Europa’ hier een uitzondering op blijken te zijn?

Ik schrijf vaker over de vluchtelingenproblematiek en vraag daarbij altijd aandacht voor ‘het probleem van de vluchteling. Wat maakt dat iemand huis en haard verlaat? Die vraag kun je trouwens ook stellen bij migratie; waarom wil iemand naar een andere plek. ?“Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen,” schreef ik ruim een jaar geleden. Het lijkt er echter op dat die vraag nog steeds niet wordt gesteld.

Daarom een andere invalshoek. In zijn boek Morele voortuitgang in duistere tijden, ja dit boek gaat over nu, betoogt Markus Gabriel dat er universele morele waarden zijn. Nu kan Gabriel dat wel zeggen maar: “’waarheid’ is een subjectief begrip en als we het in een democratie niet meer normaal kunnen hebben over elkaars waarheden, hoe uitzinnig die ook kunnen klinken in oren die iets anders geloven, dan hébben we geen democratie.” Aldus Ines van Bokhoven bij Opiniez. Om aan te tonen dat niet alle waarheden waar zijn, of in Gabriels termen dat sommige morele waarden universeel zijn, geeft hij het voorbeeld van de ‘nazimachine’. “Stel we geven een overtuigde neonazi toegang tot een tijdmachine waarmee hij terug kan reizen naar 1941, om in het toenmalige Derde Rijk te gaan wonen. Daarmee doen we hem allicht een groot plezier, en misschien zal hij onmiddellijk in de machine willen stappen. Die tijdmachine heeft echter één klein nadeel: onze neonazi zal niet zomaar als zichzelf naar het verleden worden gestuurd, maar wordt daar iemand die in tijd heeft geleefd. Wie hij zal zijn, weet hij van tevoren niet.” Dat maakt de tijdreis toch wel een hachelijke zaak. Anders dan bij de ‘teletijdmachine’ van professor Barabas waar de striphelden zichzelf blijven, kan onze overtuigd nazi immers ook zomaar slachtoffer worden van die door hem aanbeden ideologie. Immers: “Hij zou Adolf Hitler, Ernst Röhm of Martin Heidegger kunnen zijn, maar ook Anne Frank, Hannah Arendt, Primo Levi of een van de miljoenen slachtoffers van de nationaalsocialistische dictatuur.[1]  De historici onder ons zullen Gabriel erop wijzen dat je in 1941 geen Ernst Röhm meer kon worden. Die vurige nationaalsocialist was in 1934 tijdens de zogenaamde ‘nacht van de lange messen’ immers al het slachtoffer geworden van het Hitlerregime. Filosofen onder ons zullen de ‘sluier van onwetendheid’ van John Rawls herkennen in de nazimachine. En dat klopt, daar is het voorbeeld ook op gebaseerd. Rawls gebruikt die sluier om zijn theorie van rechtvaardigheid op te bouwen. De sluier houdt in dat we niet weten in wie we in de samenleving zijn en in welke tijd als we beoordelen of een samenleving rechtvaardig is.

Zou een ‘asielmachine’ ons niet kunnen helpen bij het opstellen van rechtvaardig asiel- en  migratiebeleid? Zouden we daarmee kunnen voorkomen dat we kapitalen steken in het bouwen van een ‘fort’ dat toch ‘veroverd’ gaat worden of waarin we weleens gevangen kunnen zitten?


[1] Markus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 65

De ‘armen van geest’

Mattheüs 5:3: “Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.”. Over wie die ‘armen van geest’ zijn, kun je hele bijbelstudies ophangen die vaak ook nog van elkaar verschillen. Zo volgt op de site bible.nl na een heel epistel de verklaring dat de ‘armen van geest’ de ‘nederigen van hart’ zijn. Op de site bijbelwoord.nl zijn de armen van geest: “degenen die begrijpen dat Jezus Christus hun enige hoop is, in leven en in dood. Ze hebben niets goeds om aan God te geven. Omdat ze geen gerechtigheid hebben, kunnen ze God die ook niet geven. Ze zijn hopeloos op zoek naar een Redder.” Ik moest aan deze spreuk denken na het lezen van een artikel van Juliaan van Acker bij ThePostOnline. Aan deze spreuk maar dan volgens de tweede uitleg.

Volgens Van Acker stelt: “de Europese Unie ons niet in staat (…) onze veiligheid te verzekeren.” En die veiligheid wordt op twee punten bedreigd. Als eerste: “weet men geen antwoord op de massa-immigratie.” Het tweede probleem dat Brussel niet kan oplossen is corona. Gelukkig weet Van Acker wel hoe je die twee problemen moet oplossen. Om het vluchtelingenprobleem op te lossen: “wordt met een land in het Midden-Oosten een overeenkomst gesloten om daar een groot opvangcentrum te bouwen waar alle immigranten direct naar toe gebracht worden.”  Een oplossing die lijkt op Baudetland, het land waar Forum voor Democratie aan werkt maar waarvan niemand precies weet waar het ligt. Trouwens Baudet is niet de eerste die met zo’n idee komt. De ‘vrije jongens’ van De Tegenpartij gingen hem in de jaren tachtig van de vorige eeuw al voor toen ze constateerden dat ‘het buiteland naast je leg’. Programma punt 2 van hun verkiezingsprogramma Rug op 81 ‘reorganiseerde’ Nederland in twintig nieuwe provincies met voor iedere immigrantengroep een apart land, van Grieksel en Turkenburg tot Blankstad. Maar ik dwaal af, terug naar Van Acker.

Welk land in het Midden-Oosten zou bereid zijn om te gaan fungeren  als ‘vluchtelingendepot’ voor Europa? Daarbij ‘vergeten’ we voor het gemak maar even dat het Midden-Oosten het gros van de vluchtelingen uit het Midden-Oosten al opvangt. Wereldwijd wordt ongeveer driekwart van de vluchtelingen in een buurland opgevangen. Als we zien hoeveel moeite het kost om in Nederland een asielzoekerscentrum voor bijvoorbeeld 600 mensen te realiseren, hoe realistisch is het dan om te verwachten dat een land zegt: ‘kom haar hier met al die vluchtelingen, die kunnen er bij ons nog wel bij’.

Het lijkt erop dat Van Acker zich dat ook realiseert en daarom heeft hij een noodscenario ontwikkeld: “Is een overeenkomst niet mogelijk, dan moeten we  daar een gebied militair bezetten.” Ah, we zijn eindelijk van onze koloniën af (behalve dan zes eilandjes in de West) en we stichten gewoon een nieuwe kolonie. Nu zijn ‘we’, het Westen, al meer dan 200 jaar militair actief in het Midden-Oosten. Napoleon ondernam een veldtocht tegen Egypte. De Engelsen vielen in 1882 hetzelfde land binnen om hun ‘investering’ (het Suezkanaal) te beschermen. Na de Eerste Wereldoorlog deelden Frankrijk en Engeland het Midden-Oosten onder zich op. Aan die bemoeienis kwam geen einde toen er na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijke staten ontstonden. In 1956 vielen de Fransen en Engelsen samen met de Israëliërs Egypte binnen. In 1953 orkestreerden de Amerikanen (de CIA) een coup in Iran die de Sjah de absolute macht gaf en de Amerikanen de olie. De Westerse landen stonden ook vooraan om Irak van wapens te voorzien in de oorlog met Iran. Een oorlog die het Irak onder Saddam Hoessein zelf was begonnen. Dezelfde Saddam die door bemoeienis van Westerse troepen in 1991 werd verdreven uit het in 1990 door zijn troepen veroverde Koeweit. Dezelfde Saddam die in 2003 door Amerikaanse en Britse troepen werd verjaagd omdat hij massavernietigingswapens zou hebben. Wapens die tot op heden nog steeds niet zijn gevonden. De Amerikaanse troepen zitten nu nog steeds in Irak. Net zoals ze tot voor kort ook nog in Afghanistan zaten, een land dat in ze in 2002 binnenvielen. En vanaf 2011 bemoeiden ze zich ook steeds meer met buurland Syrië. In dat gebied moeten we dan ‘militair binnenvallen’ en een vluchtelingenkamp beginnen?  Zou al die Westerse militaire bemoeienis niet hebben bijgedragen aan die vluchtelingenstroom? Volgens de UNHCR komt 68% van de vluchtelingen uit vijf landen. Van die vijf heb ik er twee net genoemd, Syrië en Afghanistan.

Genoeg over vluchtelingen. Hoe wil Van Acker het tweede probleem, de coronapandemie, bestrijden. Heel eenvoudig: grenzen dicht en niemand binnenlaten. “Een voorbeeld van goed beleid biedt Puerto Rico, een territorium van de Verenigde Staten. Op 15 november dit jaar was de positiviteitsgraad in Puerto Rico tussen de 5 en 7.9 procent, net boven het percentage dat de WHO beschouwt als de maat om het virus als onder controle te beschouwen. Strenge regels werden er in een vroeg stadium ingevoerd. Wie de regels overtrad mocht kiezen tussen een boete van 5000 dollar of een gevangenisstraf van zes maanden. De regels werden niet verlicht toen in de VS de lockdown werd opgegeven. Vreemdelingen kwamen niet binnen, ook niet met een vaccinatiebewijs.” Maar helaas dat lukt in Europa niet vanwege: “het wegvallen van onze soevereiniteit.” Die is naar de Europese Unie gegaan en daarmee werd: “de verantwoordelijkheid doorgeschoven naar de EU, maar er kwam geen antwoord.” Bijzonder is echter dat het gezondheidsbeleid en de bestrijding van pandemieën geen Europese bevoegdheid is. Die soevereiniteit ligt bij de landen en in sommige landen niet eens bij de nationale regering maar bij een lagere bestuurseenheid. Bijzonder om de EU iets te verwijten waar ze geen bemoeienis mee heeft.

De toon die Van Acker in zijn artikel aanslaat over vluchtelingen: “oncontroleerbare massa-immigratie van illegalen, van mensen die hier niets te zoeken hebben, die geen kans maken op asiel en ook van potentiële terroristen,” getuigt niet van een ‘nederig hart’. Hopeloos als hij is, zoekt hij wel naar een redder: “Stel dat Duitsland een machtig leger zou opbouwen, niet om een blitzkrieg te voeren tot aan Madrid, maar om ten eerste onze grenzen te beschermen. Dat leger zou een gebied in het Midden-Oosten tijdelijk kunnen bezetten en dit leger zou de tirannen in het Midden-Oosten kunnen afzetten zodat de miljoenen vredelievende, rechtvaardige en talentvolle moslims in een land kunnen wonen waar vrede, welzijn en welvaart heerst.” Ik zou nu bijna een vergelijking maken met vroeger, maar dat doe ik maar niet.

De nobele wilde

“Natuurlijk staan we nu, in het antropoceen, voor andere uitdagingen dan de jagers-verzamelaars. Maar zij wisten in veel opzichten vergelijkbare uitdagingen millennialang het hoofd te bieden. Hun geheim? Alle ruimte geven aan de intrinsiek androgyne kern van de mens. Dat maakt ons optimaal wendbaar en innovatief. Dat geheim ligt nu ook weer binnen ons handbereik.” De afsluitende alinea van een artikel van Laurens Buijs bij De Correspondent. Die ‘zij’ waar Buijs over spreekt, zijn onze voorouders die leefden als jager-verzamelaars. Onze voorouders die, zo betoogt Buijs, leefden in een gelijkwaardige samenleving waarin ze geen verschil maakten tussen man en vrouw als voorbeeld. Dat onze huidige samenleving qua gelijkwaardigheid diverse verbeterpunten kent, staat voor mij buiten kijf. Maar de ‘nobele wilde’ als voorbeeld?

Jacht Klopjacht Stone Age - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Bij mij gaan de alarmbellen rinkelen als het verleden ons ten voorbeeld wordt gesteld. Dat belooft meestal niet veel goeds. Meestal wordt het verleden dan gebruikt, of beter misbruikt, om doelen in het heden te bereiken. Politici die terug willen naar de jaren vijftig, zoals Wilders of nog verder terug naar de achttiende eeuw, zoals Baudet, willen dat meestal om mensen uit te sluiten. ‘Jullie kleur, religie of iets anders was er toen niet, dus jullie horen er niet bij’. Dit is bij Buijs niet het geval.

Laten we het betoog van Buijs eens volgen. Buijs gaat, zoals hij het noemt: “op zoek naar de nodige nuance,” in het maatschappelijk debat over gender, omdat, zo betoogt hij: “want denken in tegenstellingen in gender en seksualiteit beperkt ons allemaal.” Daarom zoekt hij naar: “de stand van de wetenschap als het over gender gaat.” En dat onderzoek, zo betoogt hij: “laat zien dat de mens in de kern androgyn is: elke man is ook vrouwelijk, en elke vrouw is ook mannelijk. Dat maakt genderfluïditeit voor iedereen relevant, of we nou zelf lhbt’er of cisgender heteroseksueel zijn.”  En zo komt hij uit bij de jager-verzamelaars, die een veel gelijkwaardigere samenleving hadden en volgens Buijs kwam dat door de androgyne kern van de mens. Die androgyne kern werd naar de achtergrond gedrongen, zo betoogt hij, na de neolithische revolutie, de uitvinding van de landbouw. Want toen: “werden de rollen steeds meer langs de lijnen van gender verdeeld. Mannen namen de fysieke taken op zich, terwijl de vrouwen zich gingen toeleggen op zorgen en opvoeden. Zij leefden niet langer in grote beweeglijke groepen samen, maar steeds meer in klein familieverband met een vader, een moeder en kinderen. Zo ontstond het kerngezin, en daarmee de heteronorm.” En nu moeten we dus weer terug naar die androgyne kern die ons ‘optimaal wendbaar en innovatief’ maakt.

Een groep jager-verzamelaars bestond uit een beperkt aantal mensen, meestal tussen de 25 en de 50 mannen, vrouwen en kinderen. Als we kijken naar hun dagelijkse leven, dan waren er slechts een beperkt aantal taken die moesten worden vervuld en al die taken waren behoorlijk arbeidsintensief. Het jagen gebeurde met het grootste deel van de groep. Het hert, laat staan de mammoet kon alleen worden gevangen door met z’n allen samen te werken. En alleen door allemaal bessen te plukken en noten te verzamelen, kon er voldoende worden verzameld voor de hele groep. Bovendien was iedereen nodig om de belangrijke zaken steeds mee te verhuizen. Dus inderdaad qua rol was de groep gelijkwaardig. Zou dat door het ‘geheim van Buijs’ die androgyne kern van de mens komen of een resultaat zijn van noodzaak?

Gelijkwaardig wil echter niet zeggen dat er geen hiërarchie was in de groep. Die zal er zeker zijn geweest. Als we kijken naar onze meest naaste diersoorten, de mensapen. Ook die kennen een hiërarchie en een hiërarchie duidt op machtsverschillen. En dat is nu nog steeds zo. Zet een groep willekeurige mensen bij elkaar en er ontstaat een soort hiërarchie en ook een strijd om de ‘bovenste plek’ in die hiërarchie en gekonkel om die plek te bemachtigen. Vrouwen verschillen daarin niet zoveel of vrijwel niet van mannen. Ook vrouwen doen aan hiërarchie. Kijk gewoon naar een willekeurige schoolklas en je kunt het zien. Of als je meer van de TV bent, kijk naar al die ‘real life’ tv-programma’s als Big Brother en Expeditie Robinson. Ook daar zie je dit gedrag. Dit is menselijk, niet mannelijk en niet iets van sinds de eerste agrarische revolutie.

Dan die neolithische revolutie. Die vroeg om andere zaken en maakte ook andere zaken mogelijk. Om met dat laatste te beginnen. Die revolutie maakte het mogelijk en zelfs aanlokkelijk om meer kinderen te krijgen. Mogelijk omdat het kind niet steeds meegesleept hoefde te worden om er toezicht op te hebben. Het werd hierdoor makkelijker om extra kinderen te krijgen. Makkelijker en belonend omdat ieder kind dat overleefde een extra paar handen betekende en die handen maakten meer werk mogelijk. En als er dan toch iemand in de buurt moet blijven om een oogje in het zijl te houden, dan is het toch handiger omdat iemand te laten zijn die de kleinsten gelijk kan zogen. Hieruit is inderdaad het moderne kerngezin gegroeid alleen gingen daar nog vele eeuwen en zelfs millennia overheen want dat ‘kerngezin’ was onderdeel van een band waar ook grootouders en broers en zussen deel van uitmaakten. Een band die weer onderdeel was van een extended family, een grootfamilie of clan. Ook de keuzes die onze voorvaderen de eerste boeren maakten, kenden een praktische reden en geen op ideologie of op macht gebaseerde reden.

Dat die praktische keuze uiteindelijk hebben geleid tot een samenleving waarin mannen de baas spelen, is wat anders. Nu laat de geschiedenis zien dat er ook vrouwen zijn die de baas spelen, neem Hatsjepsoet, Nefertiti, Cleopatra of de Chinese Keizerinnen Wu Zeitan en Cixi, de Engelse koninginnen Mary, Elizabeth I en II (de huidige) en Victoria, de Russische Tsarina’s Elizabeth en Catharina. Om daaraan een einde te maken is het echter niet nodig om je gelijk in het verleden te gaan zoeken en dat verleden te buigen naar de theorie waarmee je je strijd in het heden voert.

Het nieuwe normaal

In het leven is maar één ding zeker en dat is dat het eindigt met de dood. Tenzij …. Tenzij de dood een overgang is naar een nieuwe staat van zijn, de opname in de hemel, de poort naar een nieuw leven via reïncarnatie. Wat mij betreft komt die nieuwe staat van ‘zijn’ het dichtstbij mijn beeld. Namelijk als meststof voor nieuw leven. In de kist onder de grond langzaam vergaand en opgegeten worden door allerlei insecten. Of na crematie onbrandbare mineralen die, als ze worden uitgestrooid en niet in een pot worden bewaard, weer aan de bodem worden toegevoegd. Op allebei de manieren wordt ‘The Circle of Life’, om de titel van die Disneyklassieker te gebruiken, in stand gehouden. Waarom begin ik hierover?

Bron: Pixabay

De aanleiding hiervoor is te vinden in een bericht van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard. Volgens Van der Galien is er: “iets heel aparts aan de hand in Nederland. In oktober is de oversterfte serieus hoog geweest. Er werd melding gemaakt van 1.250 meer overlijdens dan verwacht. Voor iemand roept dat dit natuurlijk door corona moet komen: het RIVM meldde in diezelfde maand maar 233 corona-sterfgevallen. Hmm.” Want, zo redeneert Van der Galien: “ het RIVM zegt dat 1 mens overleden is aan corona (dan) maakt het CBS daar zeg maar 2 van. Maar als we de 233 coronadoden verdubbelen komen we alsnog maar uit op 466 sterftegevallen door Covid-19. Dan zijn er nog steeds 800 extra overlijdens in oktober die niet verklaard kunnen worden.” Nou ja niet, Van der Galien: Thierry Baudet heeft wel een suggestie of twee,” en verwijst naar een twitterbericht waarin Baudet de volgende verklaring geeft: “Oversterfte schiet omhoog. Niet door corona, maar hoogstwaarschijnlijk door de vaccins. De staatsgezinde media wringen zich in alle bochten om het tóch op corona te gooien, terwijl daar nul basis voor is. En geen woord over de enge gentherapie!”

Nu zijn Baudet en statistieken geen goede combinatie. Zo dook wetenschapsjournalist Maarten Keulenmans in de cijfers achter een tabel waarmee Baudet in de Kamer stond te zwaaien. Uit die grafiek moest blijken dat je je beter niet kon laten vaccineren want in het Verenigd Koninkrijk betrof 75% van alle ziekhuisopnamen vanwege corona van alle sterfgevallen was 85% gevaccineerd. Niet vaccineren dus! Cijfers die kloppen volgens Keulemans. Alleen is dat maar het halve verhaal. Van de niet gevaccineerde mensen belande in de betreffende periode zo’n 37 van de 100.000 niet gevaccineerde mensen in het ziekenhuis en stierven er zo’n 23 van de 100.000 tegenover respectievelijk 14 en 8 van de mensen die zich wel hebben laten vaccineren.

Maar terug naar de oversterfte in oktober. Het Centraal Bureau voor Statistiek houdt nauwkeurig bij hoeveel mensen er sterven en inderdaad stierven er dit jaar, net als vorig jaar veel meer mensen dan in eerdere jaren. 2021 is nog niet voorbij, maar in 2020 waren er bijna 17.000 meer sterfgevallen te betreuren dan in 2019. An als je de cijfers vanaf 1995 bekijkt dan zien we dat er zo vanaf 2015 iets bijzonders aan de hand is. In dat jaar waren er zo’n 7.000 sterfgevallen meer te betreuren dan gemiddeld in de jaren ervoor. Die stijging is niet te danken aan mensen tot 65 jaar. De sterfte onder deze groep toont een langjarig dalende lijn met alleen in 2020 ene kleine stijging van zo’n 700 sterfgevallen. Dit zou het coronaeffect kunnen zijn. De sterfte onder 65 tot 80 jarigen daalde van 1995 van ongeveer 48.000 tot bijna 40.000 in 2009 om daarna weer te stijgen tot bijna 46.000 in 2019 en ruim 51.000 in 2020. Ook dit zou het gevolg kunnen zijn van corona. De sterfte van mensen van 80 jaar en ouder stijgt al jaren van bijna 62.000 in 1995 tot ongeveer 85.000 in 2019 en in 2020 ruim 95.000. Ook die forse stijging zou voor een deel door corona verklaard kunnen worden.

Er is echter nog een veel logische reden voor de ‘oversterfte’. We zagen dat de sterfte onder de groep van 65 tot 80 in 2009 omsloeg in een stijging en de sterfte onder 80 plussers stijgt als sinds 1995. Die omslag bij de 65 tot 80 jarigen is interessant. Die valt namelijk zo goed als samen met het 65 jaar worden van de mensen die na 1940 werden geboren. Nu kennen we allemaal het begrip babyboomer. Mensen geboren direct na de Tweede Wereldoorlog. En hoewel babyboomers geboren zijn tussen 1946 en 1955 hield die geboortegolf nog aan tot begin jaren zeventig. Minder bekend is dat die golf al zo rond 1940 begon. Ja, jullie lezen het goed, in de oorlogsjaren werden er meer kinderen geboren dan in de voorafgaande periode. Zo werden er in 1944 220.000 kinderen geboren tegenover 181.000 in 1939. En laat nu net die mensen zo in 2009 toetreden tot die groep 65 plussers en daarmee werd die groep flink uitgebreid. Dat verklaart de stijgende sterfte onder die groep. Zou die ‘oversterfte’ niet veeleer het ‘nieuwe normaal’ zijn in plaats van een afwijking van het normaal? Dit omdat, zoals ik begon, er in het leven één zekerheid is en dat is dat het eindigt met de dood. En hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat Magere Hein met zijn zeis je komt halen. En hoe meer ouderen, hoe meer werk hij heeft.

Zijn ze er nog?

Er zijn mensen die niet geloven dat Neil Armstrong op de maan heeft gelopen. Dat zou een hoax zijn, een complot. Dat kan, ik geloof het echter niet. Want de kans dat geen van al die betrokkenen bij NASA zich ooit een keer verspreekt, is erg klein. De natuurkundige David Robert Grimes maakte er een berekening van en kwam tot de conclusie dat dit complot maar 3,7 jaar geheim zou zijn gebleven. Dat zou betekenen dat al in februari 1973 bekend zou moeten zijn dat Armstrong niet op de maan heeft gelopen. En waarschijnlijk al eerder omdat dan ook al eerder bekend zou zijn dat de raket die  juli 1969 opsteeg, niet naar de maan zou gaan. Toch zijn er geheimen die het veel langer uithouden. Eén geheim zelfs al een jaar of 40.000. Als de debuutroman Ze zijn er nog van Venlonaar Fons Wijers op waarheid berust.

Eigen foto

“In een bos bij München ligt een corpulente man wiens schedel met een scherpe steen is gespleten. Vijftien maanden eerder raken twee Nederlandse toeristen verzeild in een afgelegen dorp in de Karpaten. De mensen daar zien er wat vreemd uit. Een jaar later keren zij terug naar het dorp met een Duitse amateurarcheoloog. Ze vinden aanwijzingen dat de inwoners nazaten zijn van neanderthalers, die zich gelijkwaardig aan de Homo sapiens hebben ontwikkeld. Door list en bedrog loopt het uit de hand.” Aldus de tekst op de achterkant van Wijers’ roman. Zou het echt zo kunnen zijn?

 Ik ben onvoldoende onderlegd in de wiskunde om de formule die Grimes hanteert, goed uit te kunnen leggen. Daarom maar de simpele verklarende versie van de formule die Sanne Blauw bij De Correspondent geeft. Blauw noemt het een ‘vrij simpel statistisch model’ en beschrijft de drie belangrijkste ingrediënten voor de formule. “Allereerst, de jaarlijkse kans dat een persoon het geheim onthult, ofwel per ongeluk.”  Volgens Grimes is de kans dat er iemand uit de school klapt 4 op één miljoen.

En daarmee wordt het tweede element belangrijk: “het aantal mensen dat van de samenzwering weet.” Nu wordt uit Wijers’ roman niet duidelijk hoeveel Neanderthalers er nog rondlopen. In de roman wordt gesproken over nog twee groepen, een in Roemenië en één in de Kaukasus. Daarnaast worden twee andere groepen genoemd die inmiddels niet meer bestaan. Eentje bij Gibraltar en een andere in de Ardennen. In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid slaat Yuval Noah Harari er een onderbouwde slag naar. Hij haakt aan bij het onderzoek naar groepsgrootte bij chimpansees en komt uit op een groepsgrootte van tussen de twintig en vijftig. Als het er meer worden dan “raakt de sociale orde uit balans, wat uiteindelijk leidt tot een breuk en de vorming van een nieuwe troep door een deel van de dieren. Het is maar een paar keer voorgekomen dat zoölogen groepen van meer dan honderd chimps hebben kunnen observeren.[1] Als we rekenen met vijftig per groep, vier groepen en vier generaties per eeuw, dan zijn dat 80.000 individuen per groep. Voor vier groepen komt dat neer op 320.000 neanderthalers.

Met Grimes 4 op de miljoen, betekent dat er in die 40.000 jaar ongeveer 1,3 individuen zijn die uit de school klappen. Dat is niet veel. Zeker niet als je je realiseert dat die kletskous de eerste pakweg 35.000 jaar weinig kans had om te kletsen. De kans om een homo sapiens tegen het lijf te lopen was klein want zoveel waren er niet. In enig jaar is de kans 0,0008 dat het geheim uitkomt en in het heden nog maar 0,0004 omdat er nog maar twee groepen zijn. Een kans wordt uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Daarbij is 0 kansloos en bij 1 dan gebeurt het zeker. Die 0,0008 valt in de categorie behoorlijk kansloos en 0,0004 eveneens. En daarmee hebben we het laatste element uit Grimes kansberekening: “de groei dan wel krimp van die betrokken groep mensen.” In het geval van de neanderthalers is het dus krimp. Het aantal groepen is gekrompen van vier naar twee en het verhaal lezend moet je concluderen dat het die twee groepen zeer veel moeite kost om zich in stand te houden. Dus als er ‘er nog zijn’ en ze willen dat geheim houden, dan wordt dat steeds makkelijker. Maar met het makkelijker worden, wordt de kans ook groter dat ze er opeens niet meer zijn.

Echter onwaarschijnlijke dingen gebeuren. In Wijers’ roman zijn ‘ze’ er dus nog en worden ze per ongeluk ‘ontdekt’. In die ontdekking spelen twee Nederlanders en dus die Duitse amateurarcheoloog een belangrijke rol. Op meeslepende wijze neemt Wijers de lezer mee door het verhaal van de ontdekking of toch niet? Een verhaal waarin het liep zoals beschreven maar het had net zo goed anders kunnen lopen. Had het niet zo hard geregend of was het plaatsnaambord wat groter, dan was er geen verhaal geweest. Was de vriend van de Duitser meegegaan, dan was het een heel ander verhaal. Was die onbekende jonge vrouw niet verkracht en vermoord, dan ….


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid,  pagina 35

Kastenmatroesjka

Bij OneWorld een goed artikel van Babet te Winkel over ‘uit de kast komen’. “Waarom zou ik mijn seksualiteit vast willen leggen in een identiteit, met het gevaar in die identiteit te worden opgesloten? Het wordt me steeds duidelijker waarom ik zo’n moeite heb met de vraag ‘wat ik nou eigenlijk ben’. Die vraag beperkt me in mijn handelingsvrijheid. Het zet mijn seksualiteit vast in een seksuele identiteit – wat je bént – terwijl seks toch vooral iets is wat je dóet.” Zo vraagt Te Winkel zich af. Interessante vragen. Na het lezen van het artikel vroeg ik me af of de reactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft?

Ornament Matroesjka Baboesjka - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Voordat ik hierop inga eerst de metafoor van de kast waar iemand uit moet komen. Te Winkel: “Waarom zijn er geen kasten waar hetero’s uit komen?” Het is inderdaad een bijzondere metafoor. Alleen mensen met een andere geaardheid dan de heteroseksuele komen uit de kast. Als je de metafoor letterlijk neemt dan zitten de heteroseksuelen dus met z’n allen in die kast. Ik weet niet of ik als heteroseksuele man zo blij ben met een leven in een kast. Maar nog even verder doordenken. Is er maar één kast waar mensen uit komen of zijn er kasten in kasten een beetje zoals een Russische Matroesjka waarin in iedere pop een kleiner poppetje zit? Als lesbienne stap je uit die ‘hetero-kast’ maar als je je vervolgens ook nog identificeert als een man, dan moet je uit de ‘Lesbo-kast komen’. Als heteroseksuele man begin ik me dan ernstig claustrofobisch te voelen. De grootste groep mensen, zit dan immers in de kleinste kast en omgekeerd, de kleinste groep heeft de grootste kast ter beschikking of is de enige groep die in geen enkele kast zit? Wat zo gebeurt is dat we onszelf en elkaar vast gaan leggen in ‘verondersteld gedrag’. En daar maakt, als ik haar goed begrijp, Te Winkel bezwaar tegen. Als  je het zo beziet, dan is die kast voor iedereen een slechte metafoor. Niemand zit in een kast en we zijn allemaal op reis in ons leven en gedurende die reis leren we onszelf en anderen kennen. Of zoals Te Winkel schrijft: “Seksualiteit vraagt om onderzoek en om het verzetten van innerlijk werk. Het betekent jezelf onder de loep nemen, verantwoordelijkheid nemen, omgaan met moeilijke emoties, moed tonen en groeien als mens. Het betekent niet het gebaande pad lopen, maar je eigen pad banen. Daarin ben je dan weer niet alleen, want dat doen we allemaal.”

En met die individuele reis in het betoog van Te Winkel, kom ik bij de vraag of de redactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft. Te Winkel slaat in dit artikel het intersectioneel- of in beter Nederlands, kruispuntdenken aan gort. “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Zo omschreef Seada Nourhussen, hoofdredacteur van OneWorld, het in een artikel in 2019. Volgens Nourhussen: “is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen. Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.”

Voor kruispuntdenkers wordt de identiteit van iemand bepaald door zijn samenstellende delen. Delen zoals het zijn van man, hetero, cis-gender, zwart, universitair geschoold enzovoorts. Je identiteit wordt vervolgens bepaald door de respectievelijke ‘machtspositie’ van de verschillende delen. Man heeft meer macht dan vrouw en die weer meer dan een trans persoon. Hetero heeft meer macht dan homo, blank meer dan zwart enzovoorts. Het intersectionele denken zorgt ervoor dat wat Te Winkel op seksueel gebied bezwaarlijk vindt, op al die gebieden gebeurt: het wordt gepresenteerd als iets onveranderlijks. Mensen worden vastgezet in verwachtingen die door de onderdelen van hun identiteit worden verondersteld. Het maakt, identiteit onnodig zwaar. Het mag dan wel: “ordelijk en gemakkelijk om in hokjes te denken” zijn, zo schrijft Te Winkel: “maar door onszelf en anderen in hokjes in te delen, creëren we een schijnveiligheid.”  

Zou Nourhussen in de gaten hebben dat het mooie betoog van Te Winkel verder gaat dan het artikel waarvoor Amanda Govers iets meer dan een jaar geleden door OneWorld voor de trein werd gegooid? Govers kreeg de wind van voren en werd gecanceld door OneWorld omdat in haar artikel over voeding de ‘intersectionele blik’ ontbrak[1]. Te Winkel gaat veel verder. Zij legt met goede argumenten de bijl aan de wortels van de, volgens Nourhussen, voor de progressieve beweging cruciale boom van het kruispuntdenken.


[1] Ik schreef er een Prikker over met als titel Intersectionele Blik