Borden en het bos

De overheid en begrijpelijk communiceren, dat is een lastige combinatie. Mensen vragen duidelijkheid en die wringt vaak met juridische vereisten of ‘slagen om de arm’ die een bestuurder wil houden. Bezuinigen wordt  ‘besparen’, sparen heeft immer een positieve betekenis, je legt een appeltje voor de dorst opzij. Weer een ander maakt er ‘ombuigen’ van, een andere richting nemen, ook dat klinkt positief. Tijdens een wandeling door mijn woonplaats Venlo werd mij duidelijk dat overheidscommunicatie ook op een andere manier lastig kan zijn.

Door de borden het bos niet meer zien

Hoe dat mij duidelijk werd? Bekijk de bijgevoegde foto. Op één punt zeven borden die mij iets duidelijk proberen te maken. Laat ik met de borden aan de rechterkant beginnen. Een goede lezer begint bovenaan de bladzijde: “Parkeervakmarkering ontbreekt.” Nu ken ik de situatie in die straat vrij goed en als je goed kijkt, dan zie de parkeervakmarkering.

Op het bord eronder lezen we: “Uitbreiding zone betaald parkeren ingangsdatum 01-01-2018.” Zou het taalkundig gezien niet logischer zijn om beide borden om te wisselen? Dat even terzijde. Zoals gezegd ken ik de situatie vrij goed en de straat waarvoor het bord staat valt al bijna twintig jaar in de betaald-parkeren-zone, dus hoezo uitbreiding? Deze twee borden geven misleidende informatie.

Dan de bordenreeks links, weer van boven naar beneden. Als eerste het bord met de hand en de munt, we gaan dus een betaald-parkeren-zone in. Oké dat begrijp ik. Dan het tweede, we gaan een betaald-parkeren-zone in. Oké, maar dat wisten we toch al, want dat vertelde het bovenste bord ons. Het derde bord. We verlaten een zogenaamde ‘blauwe zone’, een gebied waar je een parkeerschijf voor je voorruit moet leggen en je maximaal twee uur mag parkeren. Mooi dat we dat weten, maar is het niet logisch dat die zone eindigt als we een betaald-parkeren-zone ingaan? Iets wat de bovenste twee borden ons al lieten weten. De ene zone eindigt immers waar de andere begint.

Nu wordt het pas echt interessant, de laatste twee borden. Het vierde bord van boven verbiedt ons om van deze zijde deze straat in te rijden. Het vijfde, onderste, bord: fietsers mogen wel van deze kant de straat in. Als fietser heb je niets met die borden over de parkeersituatie. Als automobilist mag ik van deze zijde de straat niet in rijden, wat moet ik dan met die andere borden? Die borden geven informatie waar ik niets aan heb. Zeven borden waarvan vijf voor Piet Snot. Een gevalletje van door de ‘borden’ het bos niet meer zien?

Orgaanhandel

In de Volkskrant een interview met criminoloog en jurist Frederike Ambagtsheer. Volgens Ambagtsheer werkt het verbod op orgaanhandel niet. Als je een nier wilt kopen, dan heb je er bij wijze van spreken morgen eentje: “India, Pakistan en Egypte zijn populaire bestemmingen. Daar is een gebrekkige overheidscontrole en is het relatief makkelijk om op de zwarte markt een nier te kopen zonder dat je daarvoor wordt bestraft.” Ook vindt Ambagtsheer het: “nogal paternalistisch als je zegt: jij bent te arm, we laten jou je nier niet verkopen. Orgaanhandel is misschien immoreel, maar het is ook immoreel om mensen op de wachtlijst te laten sterven.” Bij het betoog van Ambagtsheer zijn wat vraagtekens te plaatsen.

Bakker

Foto: Pixabay

De ene immoraliteit voorkomen door een andere te begaan? Is dat niet een bijzondere manier van redeneren voor een jurist? Om te voorkomen dat ik omkom van de honger, beroof ik de bakker? Dat wordt een mooie wereld.

Is orgaanhandel werkelijk niet te voorkomen? De ‘markt’ concentreert zich in landen met een gebrekkige controle. Laat dat niet juist zien dat overheidscontrole wel degelijk succesvol is? In landen met een goede controle is die markt er immers bijna niet. Zou het wellicht kunnen helpen als de succesvolle landen, deze ‘zwakke broeders’ helpen bij de bestrijding van orgaanhandel? Kinderarbeid is ook verboden. Een verbod dat ook niet overal even goed wordt gehandhaafd en toch komen we niet in de verleiding om het verbod hier dan maar te laten varen.

Dan de morele kwestie. Als eerste de arme die zijn nier verkoopt. Is het werkelijk paternalistisch om de arme te beschermen? Hoe vrij is die arme? Laten we het eens omdraaien, zou de miljonair zijn niet verkopen voor de prijs die de arme Indiër ontvangt? Is de verkoper werkelijk vrij of wordt hij wellicht door honger en ellende van hem en zijn familie gedreven? Neem de kinderarbeid weer, een achtjarig kind zal best wel wil gaan werken om zijn arme ouders te helpen. Is het niet paternalistisch om dit te verbieden, het is immers een vrije keuze, of niet?

Als laatste, een stervende ‘wachtlijstpatiënt’? Hij heeft een natuurlijke doch dodelijke aandoening en overleeft als er tijdig een passende nier is. Is die er niet, dan sterft hij. Het is pijnlijk en tragisch voor de persoon en zijn nabestaanden, maar is het ook immoreel? Hij sterft immers een gewone natuurlijke dood en is dat immoreel?

Moraal en politiek

Naast het opgeblazen condoom, de opengesneden worm en het fokken van fruitvliegjes, was het menselijke skelet iets wat mij is bijgebleven van de biologieles op de middelbare school. Biologie werd gegeven op de zolder van het Sint Thomascollege in Venlo, de middelbare school die ik bezocht, en was het domein van twee bijzondere biologieleraren. In de Volkskrant las ik dat informateur Zalm het skelet klaar heeft van een regeerakkoord. Dit ‘skelet’ bestaat uit tabellen en doorrekeningen op financieel- en sociaaleconomisch terrein. Die tabellen en doorrekeningen zijn opgesteld in samenwerking met het Ministerie van financiën en het Centraal Planbureau. Toevallig twee organisaties waar Zalm in zijn arbeidzame leven actief is geweest. Met de economische onderbouwing van het skelet zal het dus wel snor zitten en dat moet vertrouwen scheppen.

skelet

Illustratie: Pixabay

Alhoewel vertrouwen. Gisteren schreef ik over de analyse van de filosoof Michael J. Sandel dat de Verenigde Staten gebukt gaat onder een gebrek aan inhoudelijk debat. Aan de hand van een column van Kiza Magedane eindigde ik met de vraag of dit ook in Nederland het geval zou kunnen zijn. Zou het benoemen van het financieel- en sociaaleconomisch beleid tot het ‘skelet’ een signaal kunnen zijn dat de inhoud de politiek heeft verlaten?

De formatie van een nieuw kabinet geeft meer signalen dat het morele inhoudelijke debat de politiek heeft verlaten. De angst waarmee de coalitiepartijen om thema’s met een morele lading zoals vrijwillig levenseinde of gebruik van embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden heen lopen zou dat ook  als een bevestiging van het niet willen voeren van een moreel inhoudelijk debat kunnen worden gezien? Is ook het aan de kant schuiven van GroenLinks vanwege haar morele opvattingen over vluchtelingen, zo’n signaal?

Politiek verengt tot economie, een skelet zonder vlees en organen net als op de biologiezolder van het Sint Thomascollege? Zou een regeerakkoord niet meer moeten zijn dan een huishoudboekje?  Verdient de samenleving niet meer en beter?

Nader tot elkaar

De reactie van Patty D. Gomes op een brief van Tom van Schendel in de Volkskrant is een mooie illustratie van het verheffen van een eigen mening, opvatting of theorie tot onomstreden waarheid. Van Schendel vroeg zich in een reactie op het interview met Anoucha Zhume en eerder met Gloria Wekker af of: “beide dames nu echt denken dat zwart en wit, en alle kleuren daartussenin, werkelijk tot elkaar komen als gevolg van dit soort vreugdeloos, vingerwijzend proza?” Van Schendel pleit voor wat lichtvoetigheid “waarbij je niet het gevoel moet krijgen dat je je op glad ijs begeeft.”

ral 9010

illustratie: www.phd-24.de

Zijn gevoel heeft hem toch in de steek gelaten, want volgens Gomes staat hij op dat glad ijs. Sterker nog, hij is in een wak gereden. Van Schendels reactie is volgens Gomes: “een mooie illustratie van whiteness en white fragility. Van Schendel laat zien dat het in de anti-racismestrijd nog steeds aan zelfinzicht schort bij de meeste goedwillende witten.” Bijzondere termen Witheid en Witte fragiliteit en vooral een bijzondere redenering. Kritiek leveren op de theorie van onder andere Wekker en Zhume wordt door hen uitgelegd als een bevestiging van hun gelijk. Kritiek op hun theorie op het slavernijverleden en alle ellende daarvan in de huidige samenleving, is niet mogelijk. Dan geef je blijk van ‘witheid’ en ‘witte fragiliteit’ en laat die ‘witheid’ en ‘witte fragiliteit’ nu juist het gelijk van hun theorie bewijzen. Als ‘witte’ mag je alleen meepraten als je hun theorie, hun waarheid, onderschrijft, kritiek is onmogelijk.

In haar ijver om Van Schendel af te serveren, mist Gomes de kern van diens boodschap. Die zit verpakt in de vraag: “Maar zouden beide dames nu echt denken dat zwart en wit, en alle kleuren daartussenin, werkelijk tot elkaar komen als gevolg van dit soort vreugdeloos, vingerwijzend proza?” Het vingerwijzende proza dat zwart goed, en wit fout was in de ‘slavernij-oorlog’. Als historica zou Gomes moeten weten dat de werkelijkheid vooral grijstonen bevat. Dat mensen die via El Mina als slaaf werden ingescheept naar Amerika ook door hun kleurgenoten tot slaaf werden gemaakt en verhandeld. Dat slavernij een veelkoppig monster was en is met alle kleuren als dader en slachtoffer.

Belangrijker, is het bestrijden van hedendaagse vormen van slavernij en discriminatie niet aan alle kleuren? Zou ‘vingerwijzen’ en het centraal stellen van de eigen waarheid hierbij helpen? Zou het: “Cynisch en afkeurend doen over het Ieder1-initiatief van Nasrdin Dchar,” het afserveren van Van Schendel en anderen die de ‘witheidtheorie’ niet aanhangen, daarbij helpen? Zou zo’n houding bijdragen aan het ‘tot elkaar komen’?

Eigen boezem eerst!

Alle ellende in de wereld, nou ja in Nederland, kent twee oorzaken. Dat is het beeld dat bij mij blijft hangen na het lezen van het interview in Trouw met SP-kamerlid Renske Leijten en PVV-kamerlid Fleur Agema. De beide dames maken zich boos over de zorg in Nederland en de keuzes die er de afgelopen jaren zijn gemaakt. Allebei de dames vonden het vroeger allemaal beter. Al schetst met name Agema een bijzonder beeld van het verleden, een beeld dat in het geheel niet overeenkomt met de werkelijkheid, zoals Francisco van Jole bij Joop laat zien. Op hun eigen manier wijzen ze de schuldigen aan.

zondebok

Illustratie: De Ridderzaal

Agema: “De verzorgingshuizen gingen dicht, er is bezuinigd op de huishoudelijke hulp. Het kabinet beweert: de mensen willen het zelf. Dat is niet waar. Het moest gewoon van Brussel. We zijn besodemieterd.” Brussel heeft het gedaan. Alleen gaat Brussel niet over de (gezondheids)zorg in Nederland. Als Brussel erover zou gaan, dan zouden de zorgstelsels in de Europese landen min of meer gelijk zijn en dat is niet het geval? Toch vreemd dat ‘iemand’ die er niets over te zeggen heeft, de oorzaak is van alle ellende.

Dan mevrouw Leijten: “Minder regels als belangrijkste verandering? …. Ik zou tegen de 5000 ambtenaren van VWS zeggen: gaan jullie maar eens één dag per week werken in de zorg.” Agema complimenteert Leijten en noemt het een ‘geniale maatregel’. En ja, daar is de volgende zondebok: de ambtenaar. In zijn Haagse ivoren toren onder de Haagse stolp, leeft hij in zijn eigen wereld en de ‘echte wereld’ waar hij geen voeling mee heeft, overstelpt hij met een regelbrij en bureaucratie waar niemand op zit te wachten.

Beste dames, die ambtenaren werken in opdracht van ministers en staatssecretarissen, jullie collega-politici, die allemaal  hun ‘stempel’ willen zetten en voor een ‘standbeeld’ in aanmerking willen komen. Trouwens ook voor jullie kamerleden. Als jullie weer vragen om strenger toezicht, controle en het voorkomen van risico’s, dan gaan die ambtenaren aan de slag om jullie wensen vorm te geven. Of als jullie weer in de krant of op TV willen komen door het stellen van vragen, vaak naar aanleiding van een bericht over een ‘misstand’ als het verzonnen ‘plascontract’, dan gaan zij aan de slag om die vragen te beantwoorden.

In plaats van zondebokken aan te wijzen die niets terug mogen zeggen, zou een hand in eigen boezem jullie sieren. een hand die de hoofdrol van regering en Kamer aanstipt. Of, in termen die mevrouw Agema beter zal begrijpen: eigen boezem eerst!

Goochel en Google

Ik typte een zoekopdracht in en kreeg het volgende bericht onder mijn neus: “In overeenstemming met wetgeving inzake gegevensbescherming vragen we u even de tijd te nemen de belangrijkste punten van het Privacybeleid van Google door te nemen. Dit heeft niets te maken met een wijziging die we hebben aangebracht. We geven u alleen de mogelijkheid de belangrijkste punten te bekijken.”  Oké, Google wil dat ik ergens kennis van neem.

privacy-reminder

Mooi zou je denken, maar nu even niet, want ik ben net met iets bezig om een stukje over te schrijven. Dat is echter buiten Google gerekend: U moet dit doen als u Google-services wilt blijven gebruiken. Ik moet dus iets lezen, anders mag in niet meer ‘googlelen’. De vriendelijke tekst, dat er niets is veranderd, wordt een stukje minder vriendelijk. Ik word ‘verplicht’ om nu iets te lezen. Bij zo’n bericht gaan mijn haren overeind staan, word ik achterdochtig want waarom zo dreigend als er toch niets is veranderd?

Eén muisklik verder: “Scrol omlaag en klik op ‘Ik ga akkoord’ als u klaar bent om door te gaan naar Google Zoeken.” Beste Google, ik was al klaar om te gaan zoeken en jullie hinderen mij daarbij. Belangrijker, waarom moet ik van jullie op ‘akkoord’ klikken voordat ik verder kan gaan, er is toch helemaal niets veranderd? U houdt alles bij wat ik zoek, wat ik bekijk en waar ik ben. Dat doet u, zo lees ik, om mij beter van dienst te zijn: “Gepersonaliseerde advertenties leveren die zijn gerelateerd aan bijvoorbeeld zoekopdrachten of video’s die u heeft bekeken op YouTube.” Beste Google, dat hoeft niet en bovendien heb ik er niet om gevraagd. Ja, jullie doen het ook om jullie producten te verbeteren. De belangrijkste reden mis ik echter, jullie doen het om jullie zelf een dienst te bewijzen door mijn ‘gegevens’ te gebruiken en te verkopen, om geld mee te verdienen.

Nu, kan ik kiezen of akkoord gaan of de ‘andere opties’. Toch maar even de laatste optie. Ha, hier kan ik allerlei zaken aan- of uitzetten. Alles uit dus, maar wacht eens? Dat heb ik een tijd geleden ook al gedaan en nu staat alles weer op ‘aan’, kunt u me uitleggen hoe dat kan? Ik zou hier toch mijn eigen keuze moeten zien en dat was al ‘alles uit’. U gaf aan dat er niets was veranderd en dat klopt dan niet. U heeft mijn eerdere keuze veranderd. Dat is niet zo netjes van u. Als ik te goeder trouw had gehandeld en ervan uit was gegaan dat er niets was veranderd, dan was juist alles veranderd en had u uw zin gekregen.

Vindt u dat, om het woord van de week aan te halen, normaal? Ik voel dan, om premier Rutte te citeren: “een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren….” 

Heeft de vertraging door Google toch nog tot een stukje geleid. Het andere stukje komt wellicht later.

Patent op het ‘goede leven’

De gewone mensen zijn terecht ongerust over wat de kosmopolieten en de hen steunende gevestigde politieke partijen hebben aangericht en nog aanrichten.” Een zin uit een artikel van Juriaan Van Acker bij ThePostOnline. In dat artikel betoogt hij dat populisme eigenlijk gedefinieerd moet worden als: “opkomen voor de gewone man, voor het goede leven en voor het behoud van tradities en de eigen identiteit.”

kreeft

Illustratie: Visionair

Wat deze zinnen en daarmee het betoog van Van Acker bijzonder maakt, is dat hij zijn eigen positie, zijn eigen levensopvatting of mening, voorziet van kwalificaties als ‘gewoon’. Anderen, noemt hij ‘kosmopolieten’ en betitelt ze als ‘elite’, het onvermijdelijke woord om iemand met een andere opvatting te diskwalificeren. Zijn mensen die er een andere mening of levensopvatting op nahouden dan ongewoon? Is iemand met ‘kosmopolitische opvattingen’ ongewoon en maakt die persoon dan meteen ook deel uit van de ‘elite’?  Ook bepaalt Van Acker en passant meteen wat een leven goed maakt. Het leven zoals hij het zich voorstelt, is het ‘goede leven’.

Het mag geen verbazing heten dat zijn vorm van populisme aan de goede kant van de streep staat. Je eigen positie onderbouwen met woorden die een positieve connotatie hebben, je ziet het vaker. Je voegt woorden als praktisch, pragmatisch of realistisch toe en dat maakt de ander meteen onpraktisch, niet-pragmatisch of irreëel. Voeg de ander dan ook meteen wat kwalificaties toe die door velen tegenwoordig als negatief worden ervaren zoals ‘kosmopoliet’ of ‘elite’, en je hoeft ze niet meer serieus te nemen. Ze staan aan de verkeerde kant en zijn, volgens Van Acker schuldig aan de vernietiging van de aarde en de natuur, aan de massa-migratie, eigenlijk aan alles wat er fout gaat.

Als, in de ogen van Van Acker, ongewoon mens maak ik mij zorgen over deze manier van discussiëren die mensen met andere opvattingen buiten het ‘gewone’ plaatst. Ja, ik behoor tot de mensen die vooral naar het heden en de toekomst kijken. Ik denk trouwens dat ook Van Ackers ‘gewone mensen’ dat doen. In het verleden kun je immers niet leven je kunt er wel veel van leren.

Beste meneer Van Acker, tenzij u mij de ‘patenten’ kunt laten zien, bepaalt u niet wie ‘gewone mensen’ zijn, en wat het ‘goede leven’ is. De strijd om het ‘goede leven’ is trouwens een zeer bloedige, een die we niet zouden moeten willen voeren. Immers wat goed voor u is, is niet persé goed voor anderen. Wist u trouwens dat ook IS voor het goede strijdt?

Etnisch Profileren?

Zoals jullie onder Meedoen kunnen lezen, kun je als lezer meedoen met de Ballonnendoorprikker. Dat kan door te reageren onder een artikel, maar ook door er zelf een te schrijven. De Ballonnendoorprikker is nu ruim een jaar ‘in de lucht’ en ik dacht dat het niet meer zou gebeuren. En nu op de grens van 2016 het eerste artikel van een van jullie, een van mijn lezers. Remco Abspoel heeft de eer de eerste te zijn.

Geachte heer van den Horst,

Laat ik beginnen met u een relevant en welgemeend compliment te maken: In de afgelopen weken heb ik met veel plezier uw boek over de geschiedenis van ons land (Nederland; De Vaderlandse Geschiedenis van de Prehistorie tot Nu, Uitgeverij Bert Bakker, 2011) gelezen. Op basis van het gelezene heb ik u als auteur ervaren als een erudiet, weldenkend en helder argumenterend mens.

Echter, in uw artikel van vandaag op Joop.nl, getiteld: “De Valstrik van Etnisch Profileren”, stelt u me in de argumentatie achter uw stelling toch enigszins teleur: “Wie het kwaad raciaal, etnisch of in de context van wereldgodsdiensten positioneert, kan het niet bestrijden zonder mensen aan te pakken op grond van hun huidskleur, hun afkomst, hun achternaam, hun geloofsovertuiging”  Verderop in uw betoog preciseert u: “Een groeiend deel van de Nederlandse burgerij heeft etnisch profileren omarmd als oplossing voor alle problemen en als politiek principe. Dan maakt het niet uit of men die overtuiging uitdraagt in losse kreten, in columns of in wetenschappelijk ogende analyses zoals Gloria Wekker, Thierry Baudet of Martin Bosma dat doen. En ook niet of men zich bij dit smerig bedrijf als links of rechts profileert.

Weer protest bij politiebureau Schilderswijk

Ik ben het volkomen met u eens dat het hedendaagse politieke debat in Nederland is afgegleden. In onze huidige, ontzuilde samenleving, waarin de IK-cultuur hoogtij viert, het eigen gelijk tot algeheel geldende werkelijkheid wordt bestempeld en de ANDER (lees: andersdenkende) voor het gemak van het eigen gelijk wordt gecategoriseerd alvorens te worden weggezet en gediskwalificeerd, worden de uitkomsten van etnisch profileren gemakkelijk en voortdurend misbruikt.

Maar, misbruik van het instrument maakt het instrument toch nog niet verkeerd? Een vrachtwagen blijft toch in essentie een veelgebruikt en nuttig transportmiddel, ook als het transportmiddel in kwestie in het afgelopen jaar tot twee keer toe in onze democratische Westerse samenleving door misleidde Islamisten als wapen voor het zaaien van dood en verderf is ingezet en daarmee op basis van oneigenlijke motieven werd misbruikt?

Is etnisch profileren niet een uiterst nuttig instrument wanneer het wordt ingezet zoals het is oorspronkelijk is bedoeld? Kan het -binnen het raamwerk van een functionerende, democratische rechtstaat- niet buitengewoon nuttig en legitiem zijn wanneer daartoe bevoegde en bekwame overheidsinstanties, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van Justitie en de politie, in het kader van het effectief en efficient inzetten van de beperkte middelen, etnisch profileren binnen de opsporing en handhaving? Wat cruciaal daarbij is, dat er argumenten zijn om dit te doen.

Sinds begin jaren ’90 verschijnen er studies die aantonen dat er in Nederland een statistisch verband is tussen etnische afkomst en oververtegenwoordiging in betrokken zijn bij criminaliteit. In 1997 verscheen vanuit het Ministerie van Justitie de CRIEM (nota criminaliteit in relatie tot integratie van etnische minderheden), waarin werd betoogd dat er een verband is tussen de oververtegenwoordiging van allochtonen in criminaliteitscijfers en gebrekkige integratie.

Meneer van der Horst, u heeft gelijk: in handen van kwaadwillenden binnen het electoraat, de politieke gezagsdragers en de media, kunnen de resultaten van etnische profilering worden misbruikt om -inspelend op de toenemende gevoelens van angst en ontevredenheid- de eigen politieke agenda te kunnen verwezenlijken. Binnen het juiste kader gehanteerd, kan etnische profilering inzichten verschaffen die ons kunnen helpen problemen in de samenleving op te sporen, te benoemen, te duiden en op te lossen en aldus de cohesie en het welzijn in samenleving te bevorderen. In de politieke arena is die constructieve inzet van dit instrument momenteel niet geborgd.

Echter: het daarom dan maar politiek diskwalificeren van etnische profilering en het daaruit voortvloeiende negeren, of toedekken van de inzichten die het verschaft in problemen die er in onze multiculturele samenleving bestaan, verwelkomt een ander gif in ons politiek discours, als het er ons om gaat om de samenleving niet nog verder te polariseren: het gif van de politieke correctheid.

Met vriendelijke groet,

Remco Abspoel

Neokolonialisme

Al eerder besteedde ik aandacht aan het verkiezingsprogramma van de VVD. Eerst aan het gebrek aan vertrouwen op de kracht en de vrijheden van de liberale democratie en vervolgens aan de manier waarop de partij streeft naar werkzekerheid. Nu aandacht voor het denken over ontwikkelingshulp in het programma.

neokolonialisme

Illustratie: Pinterest

Nieuwsgierigheid en handelsgeest, dat zijn volgens de VVD belangrijke kenmerken van de Nederlander. Kenmerken die het land de koloniën bezorgden. Koloniën waar je de baas kunt spelen en waar je de mensen kunt laten doen wat jij wilt. Niks van dat liberale geneuzel over zelfbeschikking en vrijheid, gewoon werken en doen wat wij willen. Dat koloniale rijk is inmiddels opgedoekt, de Indonesiërs wilden toch ook graag zelf beslissen en zichzelf besturen.

De nieuwsgierige handelaren van de VVD gaan een nieuwe poging wagen. Nu niet door kanonneerboten te sturen en een expeditieleger. Nee, dat is iets van de oude stempel en iets om terroristen te bestrijden. Nee, deze keer gebruiken we de macht van het geld.“Ontwikkelingshulp mag geen vrijblijvend cadeautje zijn. Er mag van hulpontvangende landen een inspanning worden terugverwacht. Wij willen daarom dat ontwikkelingssamenwerking voorwaardelijk is: als landen actief meewerken, kunnen als tegenprestatie extra voordelen in het vooruitzicht worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan het wegnemen van handelsbeperkingen. Als landen niet meewerken of Nederlands beleid zelfs actief ondermijnen – bijvoorbeeld door uitgeprocedeerde asielzoekers niet terug te nemen of door niet mee te werken aan het inrichten van opvang in de regio – moeten daar gerichte dwangmaatregelen tegenover staan. Bijvoorbeeld het wegnemen van hulp, het opleggen van handelsbeperkingen of zelfs het instellen van sancties.”

Wij geven jullie ‘ontwikkelingshulp en daarvoor moeten jullie vluchtelingenkampen inrichten voor mensen uit jullie buurt. Doen jullie dat niet, dan kunnen jullie naar het geld fluiten. Sterker nog, we maken het jullie nog wat lastiger door handelsbeperkingen op te leggen of zelfs sancties. Waar zit het voordeel voor deze landen?

De VVD kiest voor neokolonialisme, het streven naar nieuw streven naar (koloniale) overheersing. Hoe liberaal is dat?

Collectieve energie

Neoliberalen en libertariers hebben een grenzenloos vertrouwen in de werking van de vrije markt. Bemoei je niet met de markt, laat iedereen zijn eigen belang najagen en dan krijg je het beste resultaat. Dat resultaat is het algemeen belang en dat is de optelling van die individuele belangen. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat stroomproducent Engie enkele gascentrales sluit. “Omdat het productieproces in gascentrales kostbaarder is dan dat van kolengestookte centrales raken die centrales steeds meer marktaandeel kwijt aan de meer vervuilende kolencentrales.” Schonere gascentrales worden gesloten en vervuilende kolencentrales blijven open?

cassidy

“Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Zo omschreef Friedrich Hayek, een van de grondleggers van dit denken, de werking van de vrije markt. In zijn boek Wat als de markt faalt?, waaruit dit citaat afkomstig is, noemt John Cassidy dit ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’. Dient de stroommarkt het algemeen belang?

De overheid is al actief, zij stimuleert de opwekking van duurzame vormen van elektriciteit (wind- en zonne-energie). Hayek zou foei zeggen en dat lijkt energiedeskundige Sjak Lomme te beamen als hij zegt dat dit de markt verstoort. Een verstoring die wel bijdraagt aan het algemene belang, minder vervuiling. Nu is het overschot aan stroom niet alleen een gevolg van de verstoring door zonne- en windenergie. Stroomproductie was tot het eind van de vorige eeuw een publieke taak. Lokale en provinciale energiebedrijven zorgden voor voldoende stroom voor hun inwoners. Onder neoliberale druk is op Europees niveau besloten er een markt van te maken waarop bedrijven met elkaar concurreren. Bedrijven die zoeken naar maximaal rendement. Als de verwachtingen zijn dat de vraag naar stroom groeit met bijvoorbeeld tien procent, dan gaan al die bedrijven bijbouwen. Ieder bedrijf wil het grootste deel van die groei krijgen en dat heeft tot gevolg dat de capaciteit met meer dan tien procent toeneemt. Er worden dus teveel centrales gebouwd. En omdat kolenstroom het goedkoopste in productie is, bouwen traditionele stroombedrijven kolencentrales want die leveren het meeste winst op. De stroombedrijven handelen op dezelfde manier als de Amerikaanse ziekenhuizen die de econoom Robert J. Gordon in zijn boek The Rise and Fall of American Growth beschrijft.

Engie handelt in het eigen belang, net als de andere stroomproducenten. Kolenstroom is goedkoper, dus produceren we die en maken we meer winst, logisch toch. Toch leidt dit najagen van het eigen belang niet tot het gewenste maatschappelijk belang, namelijk minder luchtvervuiling. Cassidy noemt dit rationele irrationaliteit: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigen belang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” De stroomproducent die het maatschappelijk belang najaagt en zijn kolencentrales sluit, ziet zijn winst verdampen en waarschijnlijk zijn klanten weglopen. Weglopen omdat hij een hogere prijs voor stroom moet rekenen dan de andere producenten. De producenten zitten gevangen in een prisoners dilemma.

In zijn boek geeft Cassidy een voorbeeld van zo’n dilemma. Een voorbeeld dat, heel toepasselijk, gaat over stroom en kolen. In dit voorbeeld strijden twee bedrijven A en B met een kolencentrale om de plaatselijke energiemarkt. Ze maken allebei jaarlijks 20 miljoen winst. In het stadje is echter verzet tegen de uitstoot van rook door de twee centrales. Dit leidt tot veel juridische procedures waardoor de winst daalt van 20 naar 10 miljoen. Nu maakt de techniek het mogelijk om de uitstoot van de rook te voorkomen. Het installeren van deze techniek verlaagt de winst van 20 naar 15 miljoen, maar de elektriciteitsprijs moet dan wat worden verhoogd.

Wat moeten de bedrijven doen, wat is de rationele keuze? Is dat de techniek te installeren, dat zorgt immers voor meer winst. Maar het ene bedrijf weet niet wat het andere doet. Als A het wel doet en B niet dan kan B tegen een lagere prijs leveren en zal daarmee een groter markt aandeel krijgen en dus meer winst maken. In het voorbeeld daalt dan de winst van A tot 5 miljoen en B maakt meer winst, 20 miljoen. Rationeel handelend vanuit hun eigen belang zouden beide bedrijven kiezen voor niet installeren. Je weet dat je winst 10 is en hebt kans op 20, terwijl je bij installeren weet dat je winst 5 bedraagt en je hebt kans op 15. Lijkt de werkelijkheid van de stroombedrijven niet sprekend op dit voorbeeld? Hoe uit dit dilemma te komen?

Een mogelijkheid. De betreffende bedrijven gaan met elkaar aan tafel zitten en spreken af om alleen kolencentrales te sluiten en ook welke. Hierdoor neemt de winstgevendheid van alle stroombedrijven af, maar verandert hun concurrentiepositie ten opzichte van elkaar niet. ‘Kartelvorming! Dan maken ze meteen afspraken om de stroomprijs te verhogen om de winst op peil te houden,’ hoor ik u roepen. Inderdaad, dat is een risico. Zou die tafel trouwens niet geleid kunnen worden door de overheid?

Willen we dat risico niet lopen dan moet de overheid optreden. Als kolenstroom goedkoper is dan gasstroom, zou dan het duurder maken van kolenstroom door extra belasting, niet ook kunnen helpen? Dan betaalt de vervuiler en is de kans groot dat kolencentrales sluiten omdat er minder kolenstroom wordt gekocht. Sluiting van kolencentrales kan ook worden afgedwongen door ‘kolenstroom’ te verbieden.

Of zou voortzetten van het stimuleren van zonne- en windenergie een oplossing kunnen zijn? Een overheid die individuen, groepen burgers en zelfs gemeenten stimuleert om selfsupporting te worden door ook flink te investeren in de ontwikkeling van elektriciteitsopslag. Individuen en collectieven die onafhankelijk worden van de markt. Maar wacht eens, lijkt dat niet op vroeger?