Not everything that counts can be counted

“Subsidies in Venray zijn doelloos,”  de kop van een artikel in Dagblad de Limburger. Het artikel bespreekt de uitkomst van een onderzoek dat de Venrayse rekenkamer heeft uitgevoerd naar het gemeentelijke subsidiebeleid. De gemeente heeft geen helder beeld wat ze met de subsidies wil bereiken. Doelen zijn niet helder, effecten blijven onduidelijk en daarom is het moeilijk om goede prestatieafspraken te maken met de instellingen die subsidie ontvangen. Het is daarom een raadsel  voor de gemeenteraad of het geld goed wordt besteed. De raad kan zo haar controlerende taak niet goed vervullen.

doelmatigheid

Illustratie: www.focusopdalton.nl

Venray zal niet de eerste en zeker niet de laatste gemeente zijn waar de rekenkamer of een andere onderzoeker tot soortgelijke conclusies komt. En ook daar zal worden geconcludeerd dat een schouwburg of een kunstencentrum vele tonnen subsidie krijgen, zonder dat precies duidelijk is wat zij moeten bereiken voor dat geld.

Dit concluderen is één, maar wat eraan te doen? Simpel duidelijke doelen en meetbare effecten formuleren en goede prestatieafspraken maken. Dat is ook wat meestal wordt geadviseerd. Als het zo simpel is, waarom gebeurt het dan niet?

Het is inderdaad heel simpel om een doel te formuleren. Ook is het makkelijk om effecten te formuleren. Goede prestatieafspraken maken het lastiger maar zal ook nog wel lukken. Maar hoe bepaal je de relatie tussen het doel en het effect en hoe meet je het? En nog lastiger, hoe bepaal je wat en zo ja op welke wijze een actie, die je in je prestatieafspraken maakt, bijdraagt aan het effect?

Een sportpark, sporthal of zwembad, een schouwburg en een kunstencentrum waar inwoners laagdrempelig les kunnen krijgen in diverse vormen van kunst. Om een beetje leefbaar te zijn, moet een dorp of stad bepaalde voorzieningen hebben. Hoe groter de stad, hoe meer van dergelijke voorzieningen er moeten zijn. Net zoals voor de leefbaarheid de verenigingen die activiteiten organiseren en mogelijk maken onmisbaar zijn.

Van Einstein is de gevleugelde uitspraak: “Not everything that counts can be counted. And not everything that can be counted counts.”  Zou deze uitspraak voor dergelijke onmisbare voorzieningen kunnen gelden? En als dat zo is, zouden we dan niet beter kunnen stoppen met dergelijke voorzieningen te benaderen vanuit het doelmatigheidsdenken?

Weapons of Mass destruction

In de Volkskrant valt te lezen dat de Verenigde Naties (VN) zeer strenge sancties tegen Noord-Korea hebben uitgevaardigd. Het land wordt gestraft voor een kernproef van begin januari 2016. Nu zou geen enkel land naar het bezit van kernwapens en andere massa-vernietigingswapens moeten streven of ze moeten bezitten. Laat er nu veel meer landen zijn die dergelijke wapens hebben en ernaar streven. Zoals de Verenigde Staten, zij bezitten dergelijke wapens en hebben in het verleden dergelijke proeven gehouden. Net als trouwens Rusland, China, India, Pakistan en nog enkele andere landen. Dit zonder dat de VN sancties aan deze landen hebben opgelegd. Over deze ongelijke behandeling schreef ik al eerder.

belastingontwijkingIllustratie: antioligarch.wordpress.com

De Amerikaanse ambassadeur bij de VN, Samantha Powers, rechtvaardigt de strenge sancties omdat het land: “nagenoeg alle hulpbronnen van Noord-Korea worden aangewend voor zijn roekeloze en niet aflatende zucht naar massa-vernietigingswapens.” Dit roept vragen op. Mag het ene land oordelen over de manier waarop het andere land zijn hulpbronnen inzet? Of is dit aan de regering van het betreffende land? In hoeverre mag het ene land zich met de binnenlandse aangelegenheden in het andere land bemoeien?

Als een dergelijke bemoeienis is toegestaan, zou op basis van een dergelijke redenering niet ook Rusland kunnen worden veroordeeld? Dit land zet hulpbronnen in voor ‘een roekeloze en niet aflatende zucht naar macht en invloed’ en schuwt geweld hierbij niet. Zouden trouwens ook de VS niet met een soortgelijk redenering worden veroordeeld vanwege hun zucht naar grondstoffen van andere landen? Een zucht waarbij geweld en oorlog niet wordt geschuwd. Iets wat nog schadelijker is dan het inzetten van eigen hulpbronnen.En zouden zo niet aan vele landen sancties opgelegd kunnen worden?

Wie bepaalt dan waarvoor hulpbronnen wel mogen worden gebruikt? Mogen ze wel worden gebruikt voor een roekeloze en niet aflatende zucht’ naar winst? Zeker als die winst in de zakken van slechts enkelen verdwijnt? Zeker als die winst vervolgens met behulp van schimmige belastingconstructies via van de Kaaiman-eilanden en een dubbele sandwich tussen Ierland en de Amsterdamse Zuidas, aan de belastingbetaling worden onttrokken? Is dit geen ‘weapon of mass destruction’ dat wellicht nog schadelijker is dan een atoombom in een schuur in Noord-Korea?

Less is More

Soms lees je iets waardoor je van verbazing van de stoel valt. Vandaag was het weer zover na het lezen van een kort artikel in Trouw: ” Een persoon met een dergelijke autoriteit zou geen ideologische uitspraken mogen doen zonder enige wetenschappelijke grond, aldus de partij.”  Frissen is hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen en de partij is Wilders’ PVV. Frissen  heeft in een interview met de Limburgse zender L1 gezegd dat alle partijen Wilders moeten aanvallen, omdat hij bevolkingsgroepen apart zet en: “Het demoniseren van minderheden, het wij/zij denken, is het klassieke fascistische verhaal door de geschiedenis heen.” Vanwege deze uitspraken zou Frissen zijn professoraat als ook zijn decanaat van de Nederlandse  School voor Openbaar Bestuur moeten opgeven aldus de PVV.

zappaIllustratie: www.maxximize.nl

Is het niet bijzonder dat een partij die zegt te strijden voor de vrijheid en dat woord in haar naam voert, anderen in hun vrijheid wil beperken? Zeker als het de vrijheid van meningsuiting betreft, een vrijheid waar de partij pal voor zegt te staan? Een eerste, makkelijke verbazing.

Een slag dieper. Van een goed wetenschapper mag je verwachten dat hij zijn standpunten weet te onderbouwen en Frissen zal daarop geen uitzondering zijn. Maar dat je dat verwacht, wil nog niet zeggen dat het verplicht is voordat een wetenschapper een uitspraak mag doen. Want heeft een wetenschapper niet hetzelfde recht om een ‘wetenschappelijk ongefundeerde’ mening te uiten als ieder ander mens of politicus?

Weer iets dieper. Vormen ideologieën niet de basis van de sociale wetenschappen en is elke uitspraak van een sociale wetenschapper daarmee niet ideologisch getint? Is sociale wetenschap niet per definitie discussie tussen de verschillende ideologische invalshoeken? Is het daarom niet vreemd om van wetenschappers te verwacht geen ideologische uitspraken te doen? Dat zou betekenen dat alle economen zich niet meer in het openbaar over de economie mogen uitlaten. Dat zou betekenen dat sociologen zich niet meer mogen uitlaten over zaken die zij waarnemen en vanuit hun ídeologisch’ frame verklaren. Zou het dan niet oorverdovend stil zijn in de academische wereld?

En nu iets breder. Natuurlijk zou het goed zijn als mensen hun opvattingen en meningen goed onderbouwen en doordenken. Doordenken door er vanuit alle invalshoeken naar te kijken. Dat je het recht hebt om je mening te uiten, wil echter nog niet zeggen dat je die moet uiten. Zeker niet zonder eerst goed na te denken. Het zou goed zijn als ‘gewone mensen’, wetenschappers maar vooral politiek dit zich dit realiseren. Dat zou het publiek gesprek ten goede komen. Want geldt hier niet Less is More?

Zoek eigen wind

In zijn wekelijkse column in De Volkskrant geeft Martin Sommer zijn analyse van de problemen van de traditionele politieke partijen. Deze partijen richten zich, op wat Sommer de ‘normale’ kiezer noemt. Deze kiezer bevindt zich op de mediaan van een normaalverdeling: “De mediaan heeft aan zijn linkerkant precies evenveel mensen als aan zijn rechterkant.   Maar de ‘normale’ kiezer bestaat niet meer volgens Sommer. Die is gespleten: “Jan Normaal is gescheurd langs de lijn tussen hoger en lager opgeleiden. Ze verdienen dus ongeveer hetzelfde, maar hoogopgeleid kiest voor 15 procent PVV, terwijl dat bij lager opgeleid 35 procent is. Bij de laatste groep staat de SP op de tweede plaats, maar die partij komt niet verder dan 12 procent. De Partij van de Arbeid vist overigens bij beide groepen achter het net met 5 procent.”

zijlenFoto: www.clubracer.be

Een interessante analyse. Bij De Correspondent geeft Rob Wijnberg een even interessante analyse van de Amerikaanse situatie. Volgens die analyse heeft met name het gedrag van de republikeinen ervoor gezorgd dat de partij feitelijk niet meer bestaat. Door hun keuze om de democratische president Obama tegen te werken en tegen bijna alle voorstellen van de democraten te stemmen, is de positie van de republikeinen extreem ideologisch geworden. En ideologie met pragmatisme beantwoorden, zoals Obama en de democraten tot nu toe probeerden, werkte niet. Daarom doet nu de ideologische Bernie Sanders het goed, aldus Wijnberg.

Voor de Nederlandse situatie schetst Sommer een beeld van partijen die naar een midden (‘normaal’) zoeken dat niet meer bestaat. Voor de VS schetst Wijnberg een beeld van politici en in hun kielzog partijen, die ideologisch extreme posities innemen. Verschillende analyses voor verschillende landen, maar wel eenzelfde resultaat. Politici als Wilders, maar ook Le Pen en Trump die zich extreem uiten, trekken veel volk. En ‘gematigde’ politici die zich aanpassen om als ‘light’ versie het extreme voorbeeld, de wind uit de zeilen te nemen en kiezers terug te winnen. Zou dat aanpassen niet de oorzaak van de misere van onze traditionele partijen kunnen verklaren? Leg je het als ‘aanpasser’ niet altijd af tegen de geloofwaardigheid van het origineel?

Kan een politicus of een partij niet beter een eigen ideologisch profiel opbouwen? Ervoor zorgen dat de partij of politicus het eigen geloofwaardige ‘orgineel’ is, in plaats van een afgeleide ‘light’ versie? Zou dat de oorzaak kunnen zijn van het succes van Wilders, maar ook van Sanders in de VS? Dus in plaats van wind uit de zeilen, een eigen koers bepalen en zoeken naar je eigen wind.

Mensen maken de stad

“Het merk Limburg moet worden neergezet als een dynamisch, aantrekkelijk gebied om te wonen en te werken. We moeten toeristen, investeerders en talenten aantrekken en aan ons binden,” een uitspraak van Conny Moonen, directeur van Connect, een organisatie die provinciale subsidie krijgt om Limburg internationaal op de kaart te zetten. Zo valt te lezen in een artikel in Dagblad De Limburger van donderdag 25 februari 2016.

vlaaiFoto: www.1lmburg.nl

In hetzelfde artikel ziet Theo Bovens, de Limburgse commissaris van de koning, een mooie gelegenheid voor ‘Limburgpromotie’. In 2017 bestaat het Verdrag van Maastricht namelijk 25 jaar en dat kun je natuurlijk vieren. Bovens: “Ik ben hartstikke blij met al die discussies over de euro, een Grexit, een Brexit en de Unie. Dat brengt iedere keer de naam Maastricht in het nieuws. Dat is smullen voor de branding van Maastricht! Hoe meer ruzie over Europa, hoe beter voor de naam Maastricht.” Negatief of positief, het maakt niet uit, als je naam maar wordt genoemd, zo redeneert Bovens. Daar zullen ze in het ‘altijd stralende’ Fukushima wellicht anders over denken. Is reclame voor Maastricht wel promotie voor Limburg? Is Limburg niet veel meer dan Maastricht? Terechte vragen waar ik het niet over wil hebben.

Waarover wel? Iedere zichzelf respecterende stad of streek wil zich tegenwoordig profileren. De stad moet ‘in de markt’ worden gezet, vermarkt worden, zo luidt het devies.  En als je alle promotie voor steden mag geloven, dan is het overal prettig wonen, leuk werken, aangenaam en goed recreëren en fijn winkelen. En dat Moonen dat roept, is gezien zijn opdracht, niet zo vreemd. Hij smeert er immers iedere dag een boterham van. Maar als alle ‘promotie’ waar is, dan maakt het toch niets uit waar je gaat wonen, werken, recreëren  of winkelen? Het is immers overal goed?

Wat is het nut van ‘citymarketing’? Een spreuk als I Amsterdam is mooi verzonnen en lekker internationaal. Waarom steken overheden zoveel geld in ‘zelfpromotie’? Wat denken ze ermee te bereiken? En een veel interessantere vraag, wat wórdt ermee bereikt? Behalve dan dat de portemonnaies van reclamebureaus en organisaties als die van Moonen worden gevuld.

Een slagje dieper. Moet je een stad of streek wel met een ‘merk’ of een ‘product’ vergelijken?  Want vergelijk je dan niet mensen met producten? En zijn het nu juist niet de mensen die de stad maken en zijn zij daarmee niet de beste promotie? Mensen die vol trots vertellen over hun stad of dorp, de prachtige natuur, het rijke verenigingsleven, de historie enzovoorts. Als dat zo is, waarom wordt dat ‘reclamegeld’ dan niet in de gemeenschap geïnvesteerd?

 

Rechtsvacuüm

Als iemand een misdaad pleegt en hij wordt opgepakt, dan moet een rechter of rechtbank zich over de zaak buigen en namens de samenleving een uitspraak doen. En hierbij is de verdachte onschuldig totdat de rechter anders oordeelt. Dat moet ook gelden voor iemand die van terrorisme wordt verdacht. Dat is een van de fundamenten van een zichzelf respecterende rechtstaat.

G bayFoto: www.politifact.com

In Dagblad de Limburg stond een uitspraak van de republikeinse voorman in het Huis van Afgevaardigden Paul Ryan“ Het is in strijd met de wet en het blijft in strijd met de wet om terreurgevangenen naar Amerikaanse grond over te brengen.” Wat doe je als mogendheid die wereldwijd actief is tegen terroristen en je pakt er eentje op? Hoe zorg je er dan voor, dat die terrorist een eerlijk proces krijgt? Dat kan op deze manier nooit door een Amerikaanse rechter. En waar zet je die in het gevang? De terrorist mag de VS immers niet in.

De regering Bush richtte hiervoor de gevangenis op Guantanamo Bay in. Een Amerikaanse basis, geen Amerikaans grondgebied en geen wetgeving van enig ander land. Er golden en gelden immers geen regels, een rechteloos gebied. Nu wil president Obama zijn verkiezingsbelofte uit 2008 nakomen en deze gevangenis sluiten. Daardoor kan de gevangen terrorist nergens naar toe.  Ryan wilde gevangenis daarom open houden. Maar hoe verhoudt het hebben van een gebied waar mensen rechteloos zijn, zich met het zijn van een rechtstaat?

In een normale oorlog moeten landen zich ook aan ‘wetten’ houden, namelijk Geneefse conventies. Nu zien de Verenigde Staten de strijd tegen het terrorisme wel als een oorlog, maar van een bijzondere soort. Het is immers geen strijd tussen landen en dat is waar de Geneefse conventies voor bedoeld zijn. Omdat zij terroristen niet zien als ‘reguliere’ soldaten, zien zij terroristen ook niet als krijgsgevangenen. En daar is wat voor te zeggen. Maar hoe moet je terroristen dan zien?

Als het geen soldaten zijn, moet je ze dan niet zien als burgers en ook zo behandelen? En wat doen we met burgers die wetten overtreden? Die bijvoorbeeld moorden plegen? Worden die niet door de civiele rechter berecht? Zou dat niet ook voor van terrorisme verdacht personen moeten gelden? Creëren de VS zo niet een rechtsvacuüm? Is een rechtsvacuüm niet strijdig met de grondbeginselen van een rechtstaat?

Zou het een zichzelf rechtstaat noemend land niet sieren als het rechteloze gebieden afschaft en rechtsvacuüms opheft? Is het handhaven van de principes van een rechtstaat niet de eerste en belangrijkste stap in de strijd tegen onrecht zoals terrorisme?

Assumption is the mother of all fuck ups

“Gemeenten zijn de meest nabije overheid en zij kunnen het beste de zorg voor mensen organiseren.” Een zin uit de column van Tof Thissen, de algemeen directeur van UWV Werkbedrijf en vaste columnist in Dagblad De Limburger in zijn column van zaterdag 20 februari 2016. Veel mensen zullen zich kunnen vinden in deze zin. In de diverse media is dit immers zeer vaak gezegd, politici hebben er jaren op gehamerd. Sterker, deze zin vormt de basis voor de grote decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn erop gebaseerd.

assumption

Illustratie: www.orakels.net

Maar iets roepen en herhalen, maakt het nog niet tot een feit. Is de gemeente wel de meest nabije overheid? Als ‘meest nabij’ wordt uitgelegd als kleinste schaal (na provincie en Rijk) dan klopt het. Maar wat als we naar de opkomst bij verkiezingen kijken? Trekken landelijke verkiezingen niet steevast meer kiezers? Zou dat kunnen duiden op grotere nabijheid bij mensen? Hoe bepalen we wat ‘meest nabij’ is?

De redenering van Thissen suggereert ook dat er een relatie is tussen nabijheid en het organiseren van zorg. Hoe nabijer, hoe beter de zorg is die georganiseerd wordt. Uiteindelijk zou ik dan de beste zorg voor mijn vrouw en kinderen kunnen organiseren. En als ik nergens naar zou hoeven te kijken en alles wist, dan zou er een leger aan zorgverleners klaar staan. Laten we zeggen een compleet ziekenhuis met alle kennis en kunde van de wereld. Net zoals mijn buurman dat ook zou doen voor zijn gezin.

Zou het niet slimmer zijn om zoiets op wat meer afstand te organiseren? Basiszorg in de wijk of het dorp. Een ziekenhuis op regionale schaal. En specialistische zorg, zoals het Antonie van Leeuwenhoek, op landelijke schaal? Zou zo’n meer afstandelijke organisatie niet tot betere zorg kunnen leiden?  Is de overheid die het meest nabij is ook het beste in staat om zorg voor mensen te organiseren? Brengt beleid, en dat is wetten opstellen, op basis van zo’n aannames niet risico’s met zich mee? Zijn we ons bewust van die risico’s? Zit nabijheid trouwens niet veeleer in de zorgverleners persoonlijk?

Bij zo’n aannames moet ik altijd denken aan de film Under Siege 2: Dark Territoriry, een film met actieheld Steven Seagal in de hoofdrol. Het karakter van Seagal lijkt onder de trein te zijn gekomen, maar als er toch nog bad guys dood worden gevonden, vraagt het personage gespeeld door de acteur Al Sapienza of ze het lijk hebben gezien. ‘Ik zag hem vallen en ik zag bloed, dus ik nam aan dat ….’  Waarop Sapienza’s personage de volgende legendarische uitspraak doet: “Assumption is the mother of all fuck ups!” 

Een pleidooi voor bureaucratie

Een van de zaken waar Groot Britannië binnen de Europese Unie wat aan wil doen, is het verminderen van de bureaucratie en dus de regels. Die werken immers verstikkend, hinderen ondernemers en zorgen er zo voor dat de verdiencapaciteit voor bedrijven  flink slinkt. De Britten staan daarin niet alleen, ook in Nederland wordt steen en been geklaagd over de Brusselse regelzucht. Goed dus dat daarvoor aandacht is en dat bureaucratische belemmeringen worden weggesneden. Dit leidt tot meer ruimte, meer ondernemen en dus meer economische groei.

chang

Illustratie: www.flipkart.com

Tot zover de populistische opvatting over regelgeving en bureaucratie. Een opvatting die veel aanhang heeft. Laten we er eens op een andere manier naar kijken. Met de ogen van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Die haalt in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme een voorbeeld aan van een zakenblad dat zich erover verbaasde dat “… hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid-Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent was gegroeid.” Flinke groei met zeer forse regelgeving. Aan de andere kant: “Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd… . Maar op raadselachtige wijze groeiden zij in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” Meer regels met als resultaat meer groei en minder regels met als resultaat minder groei? Vanwaar dit vreemde, niet in het ‘bureaucratie snijden’ discours passende resultaat? Hoe kunnen we dit verklaren?

Chang geeft de volgende antwoorden. Als eerste stappen ondernemers over die regels heen als er aan het einde maar voldoende te verdienen is.  Daar komt, volgens Chang, bij dat veel van die regels goed zijn voor de bedrijven. Veel van die regels beperken de winst op korte termijn, maar behouden winstkansen op lange termijn. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat hulpbronnen niet worden verwoest. Denk bijvoorbeeld aan vangstquota in de visserij. Ook kan regelgeving bedrijven dwingen dingen te doen die niet in hun individueel belang zijn, maar die op den duur wel de productiviteit van de hele bedrijfstak vergroten. Bijvoorbeeld investering in de training van medewerkers.

Regels helpen aldus Chang: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.” Toch maar voorzichtig zijn met het schrappen van regels?

De paradox van de miljardairsfilantropie

Stel je wilt filantroop worden. Waaraan kun je dan het beste je geld uitgeven? Die vraag heb ik enige tijd geleden besproken, aan de hand van het boek Doing Good Better van William Macaskill. Ik moest hieraan denken toen ik het pleidooi van Maite Vermeulen bij de Correspondent las, of eigenlijk beluisterde. Vermeulen komt namelijk met een ‘goed doel’ dat volledig buiten de de scope van Macaskill, maar ook van de filantropische miljardairs als Zuckerberg en Gates ligt.

Maite VermeulenFoto: twitter.com

Vermeulen pleit, op basis van gesprekken met slumbewoners, voor bureaucratie. Ze pleit voor een goed werkend kadaster dat eigendommen registreert, een goed werkende belastingdienst die ervoor zorgt dat de verschuldigde belasting wordt geïnd, voor bouw en woningtoezicht dat ervoor zorgt dat er degelijk en veilig wordt gebouwd. Ze zou ook nog de arbeidsinspectie, gezondheidsinspectie, een goed openbaar ministerie, betrouwbare politie en goede rechtspraak kunnen noemen. Eigenlijk voor al die zaken die wij zo gewoon vinden en waarvan we soms ‘hinder’ ondervinden. Allemaal zaken die we kunnen vatten onder het Engelse begrip Rule of Law, de heerschappij van de wet. Een begrip dat inhoudt dat iedereen voor de wet gelijk is en ook als zodanig behandeld wordt.

Even terug naar die filantropische miljardairs. Eentje ervan, Bill Gates, was enkele weken geleden in Nederland op bezoek. In een interview met de Volkskrant vertelde hij dat hij zich richt op de armsten van de wereld. En een van de manieren waarop hij dat doet, is onderzoek naar bijvoorbeeld schone energie. Gates: “We hebben twintig landen zover gekregen dat zij hun onderzoeksbudget hebben verdubbeld. Natuurlijk steunen we start-ups overal ter wereld die een doorbraak op het gebied van schone energie weten te forceren. Maar als we moeten kiezen, zullen we eerder investeren in landen waarvan de overheid heeft meegedaan aan de budgetverdubbeling.”

Stel Maite Vermeulen begint een project gericht op de opbouw van Rule of Law en ze klopt bij Gates aan voor financiële ondersteuning. Zou Gates, of een van die andere miljardairs, dit financieren? Zouden zij de opbouw van belastingdiensten, kadasters, rechtbanken, arbeidsinspecties, bouwtoezicht en dergelijke steunen? Wetende dat juist hun bedrijven profiteren van het ontbreken hiervan. Wetende dat juist hun bedrijven in de VS en Europa lobbyen voor het behoud van allerlei schimmige belastingconstructies en tegen overheidsbemoeienis.

Een paradox voor de miljardairsfilantropie: help je mensen en landen ook als dat ten koste gaat van het eigen- of bedrijfsbelang?

Jiujitsu-ende IS terrorist

Hoe de situatie in Syrië op te lossen? Een goede vraag waarop geen snel en kort antwoord mogelijk is. Er zijn zoveel partijen en landen bij betrokken met allemaal een eigen inzet en eigen belangen. En sinds kort is Nederland er ook bij betrokken. Nederland is erbij betrokken om te strijden tegen de terroristen van IS, want die waren verantwoordelijk voor de verschrikkelijke aanslagen onder andere in Parijs. Nederland strijdt tegen terrorisme, maar is het wel aan te raden om ‘oorlog’ te voeren tegen terroristen?

jiujitsu

Foto: www.upjj.org

In de Volkskrant stond een column van de Amerikaan Joseph Nye waarin hij vijf feiten over het terrorisme beschrijft. Volgens Nye is terrorisme:

  • theater, en zijn terroristen meer geïnteresseerd in aandacht die ze genereren.
  • voor mensen in de geïndustrialiseerde landen niet de grootste bedreiging: “De kans is groter dat je door de bliksem wordt getroffen dan gedood door een terrorist.”
  • niets nieuws en duurt maar een generatie voor het uitdooft
  • van IS een politiek fenomeen in religieuze tooi gehuld. Een geducht fenomeen maar, volgens Nye, met beperkte reikwijdte
  • net jiujitsu. Het is een kleine actor die de kracht van de grotere vijand gebruikt om hem te verslaan.

Als dit de feiten over terrorisme zijn, waarom gaan we dan bombarderen in Syrië? Genereren de terroristen zo niet meer aandacht en moeten we dat juist niet voorkomen? Laten we ons als grotere partij niet verleiden tot een partijtje jiujitsu? Een partijtje met kans op schade en zelfs aanzienlijk verlies? Zouden we niet veel verder komen als we als vrije en open samenleving beheerstheid, bedachtzaamheid en terughoudendheid betrachten? Als we het terrorisme niet als een militair probleem zien, maar als een probleem van politie en justitie?

Als laatste sluit Nye af met de zinnen: “we moeten niet in de val van de terroristen lopen. Laat de acties van dit tuig zich in lege theaters uitspelen. Als we ze het hoofdpodium van ons publieke discours laten overnemen, laten we ze de kwaliteit van ons leven ondermijnen en onze prioriteiten verstoren. Onze kracht zal tegen ons gebruikt zijn.” Loopt Nederland niet in de val van de jiujitsu-ende IS-terrorist?