Statistiek en de werkelijkheid

Bij Opiniez bespreekt de Amerikaanse hoogleraar economie Nikolai G. Wenzel een boek van zijn collega-econoom Paul Collier. Als ik Wenzel goed begrijp, pleit Collier in zijn boek voor minder ideologie en meer pragmatisme. Dat pragmatisme behelst herverdeling om de grote ongelijkheid te bestrijden en staatsingrijpen om marktfalen op te lossen. Volgens Wenzel: “een simplistisch boek … dat een verkeerde diagnose van de problemen geeft en hij stelt als recept meer van de giftige stoffen voor, die ons in deze moeilijke situatie hebben gebracht.” Die giftige stoffen betreft het ‘pragmatische overheidsingrijpen’ dat Collier voorstelt. Om zijn betoog kracht bij te zetten bespeelt Wenzel de loftrompet over de resultaten van het kapitalisme. Bij dat getrompetter kunnen de nodige vragen worden gesteld. 

Bron: Pixabay

Wenzel: “Op mondiaal niveau is het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, gedaald van 36% in 1990 tot 10% in 2015.” Inderdaad is de extreme armoede wereldwijd gedaald. Maar is dat een verdienste van het kapitalisme? Zoemen we wat in op die daling van de armoede dan komt een groot deel hiervan voor rekening van China. In dat land leefde in 1990 nog 62% van de mensen in armoede, nu is dat nog maar 3%.  Eén probleem, China is nu niet een schoolvoorbeeld van kapitalisme. Het land wordt centraal geleid door de communistische partij.

(H)et gemiddelde inkomen van de laagste twee kwintielen is met respectievelijk 22% en 15% gestegen en het mediane inkomen is met 21% gestegen.” Ook dat cijfer zal best kloppen alleen heeft de gemiddelde Amerikaan niets aan die inkomensstijging. “In fact, despite some ups and downs over the past several decades, today’s real average wage (that is, the wage after accounting for inflation) has about the same purchasing power it did 40 years ago. And what wage gains there have been have mostly flowed to the highest-paid tier of workers,” zo concluded Pew research

Maar daarvoor kunnen ze wel meer tv en wasmachine kopen, aldus Wenzel: “Een standaardpakket huishoudelijke apparaten kostte de gemiddelde werknemer 885,6 uur werk in 1959, tegenover 170,4 uur werk in 2013. In die tijd daalden de “arbeidsuren” bij het gemiddelde loon van de werknemer van 100,5 naar 23,3 voor een wasmachine; 90,9 tot 20,7 voor een vaatwasser; en 127,8 tot 20,7 voor een kleuren-tv – en al deze voorbeelden laten kwaliteitsverandering binnen de goederen zelf buiten beschouwing.” Bovendien wordt: “Dit effect (…) nog groter door een bijzonder feit: het “hele scala van items die algemeen worden aangetroffen in Amerikaanse huishoudens, inclusief arme gezinnen, die zelfs een generatie geleden niet bestonden.” Daar heeft Wenzel een punt, een generatie geleden hadden we nog geen pc, tablet en ‘smartphone’ en die hebben ze nu wel: allemaal toegenomen welvaart. Hierbij vergeet Wenzel echter dat je nu bijna niet meer zonder die apparaten kunt, ze zijn een ‘basisgoed’. Net zoals een wasmachine dat is. Het pakket basisgoederen is gegroeid en die groei eet de winst van de goedkopere wasmachine weer op.

Wenzel gaat verder: “Evenzo zijn voor het gemiddelde Amerikaanse huishouden de voedseluitgaven gedaald in de afgelopen eeuw van een derde naar een achtste van het inkomen. Het ministerie van Landbouw in de Verenigde Staten meldt dat de voedseluitgaven als percentage van het inkomen tussen 1970 en 2007 zijn gedaald van 14% naar 9%.” Alleen zegt een gemiddelde niet veel. Als er negen mensen zijn met 0 inkomen en eentje met 100, dan is het gemiddelde inkomen 10, alleen zal niemand zich in dat gemiddelde herkennen. Zo ook voor uitgaven aan voedsel. Als de bovenste 10% hun inkomen met 100% ziet groeien en de rest gelijk blijft, dan zal het percentage dat een gemiddeld inkomen aan voedsel besteedt dalen, alleen hebben die 90% waarvan het inkomen gelijk is gebleven, daar niets aan. Het percentage dat zij aan voedsel uitgeven is nog steeds hetzelfde.

Tsja, cijfers blijven lastig.

Vrije markt, of toch niet?

Volgens Alexander Sassen van Elsloo staan we aan de vooravond van een ‘enorme ramp’, zo valt te lezen bij Opiniez. Een economische ramp waarbij de crisis van 2008 in het niet zal vallen. De oorzaak van die ramp: “een elite (die) zich met van alles en nog wat bemoeit, zo ook met de economie.” Dat zou die elite (de overheid) niet moeten doen, want: “Als mensen met rust worden gelaten (staat is er voor bescherming van lijf en eigendom), dan is er een vrije markt waaruit juiste prijzen voortkomen. Deze prijzen geven weer impulsen om meer of minder te consumeren, dan wel meer of minder te investeren. Over- of onderproductie komt nauwelijks voor (wordt gelijk afgestraft) en alleen de meest solide projecten krijgen daarvoor financiering.”

Hayek

Omdat de overheid zich wel met de economie bemoeit, loopt alles in het honderd. De reden, omdat: “de overheid handelt (…) met onvolledige dan wel onjuiste informatie.”  De markt kent dit falen niet, die heeft alle informatie in zich vervat. De Oostenrijker Friedrich Hayek , de belangrijkste grondlegger van het neoliberale denken, zou het niet beter kunnen verwoorden. En, overheidsbemoeienis leidt tot slavernij, zo betoogt Hayek in zijn boek Road to Serfdom. De ‘schuldensamenleving’ die ook Sassen van Elsloo constateert, zou je kunnen zien als die moderne vorm van slavernij. Sassen van Elsloo heeft een punt.

Of toch niet. Kwam de grote ‘verschulding’ niet juist op gang toen de overheid de regels voor het bankwezen versoepelde? Toen de overheid bankiers en verzekeraars de ruimte gaf om ‘innovatieve’ maar vooral ondoorzichtige producten op de markt te brengen. Producten zoals beleggen met geleend geld en ‘collaterized mortgage obligations’. De ruimte om tophypotheken te verstrekken aan mensen zonder een inkomen om de erbij horende lasten te kunnen betalen. De ruimte om grote sommen geld zonder enige belemmering te verschuiven van de ene naar de andere kant van de wereld. Toen de overheid dat deed waar Sassen van Elsloo voor pleit: geen overheidsbemoeienis?

De overheid moet zich niet met de economie bemoeien, alles moet vrij zijn. Nou ja alles? Wijkt hij in een tweede artikel niet van af: “Dat arbeid maar vrij moeten kunnen bewegen en dat het pensioenstelsel demografisch ondersteund moet worden, kan dan economisch in eerste instantie kloppen, de secondaire effecten zullen desastreus zijn voor maatschappij en dus ook voor de economie.”  Als vrije migratie schadelijk is, zouden er dan niet meer schadelijke effecten kunnen zitten aan een vrije markt? Zou de overheid dan niet ook op andere punten moeten ingrijpen? Zou ook te weinig overheidsbemoeienis tot een economische crisis kunnen leiden?

Om de parallel van Hayek met slavernij door te trekken. Hoe zijn de slavernij of de kinderarbeid aan hun einde gekomen? Was het een gevolg van ‘marktwerking’ dat de slaven hun vrijheid verkregen? Of was het de overheid die het verbood?

Collectieve energie

Neoliberalen en libertariers hebben een grenzenloos vertrouwen in de werking van de vrije markt. Bemoei je niet met de markt, laat iedereen zijn eigen belang najagen en dan krijg je het beste resultaat. Dat resultaat is het algemeen belang en dat is de optelling van die individuele belangen. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat stroomproducent Engie enkele gascentrales sluit. “Omdat het productieproces in gascentrales kostbaarder is dan dat van kolengestookte centrales raken die centrales steeds meer marktaandeel kwijt aan de meer vervuilende kolencentrales.” Schonere gascentrales worden gesloten en vervuilende kolencentrales blijven open?

cassidy

“Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Zo omschreef Friedrich Hayek, een van de grondleggers van dit denken, de werking van de vrije markt. In zijn boek Wat als de markt faalt?, waaruit dit citaat afkomstig is, noemt John Cassidy dit ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’. Dient de stroommarkt het algemeen belang?

De overheid is al actief, zij stimuleert de opwekking van duurzame vormen van elektriciteit (wind- en zonne-energie). Hayek zou foei zeggen en dat lijkt energiedeskundige Sjak Lomme te beamen als hij zegt dat dit de markt verstoort. Een verstoring die wel bijdraagt aan het algemene belang, minder vervuiling. Nu is het overschot aan stroom niet alleen een gevolg van de verstoring door zonne- en windenergie. Stroomproductie was tot het eind van de vorige eeuw een publieke taak. Lokale en provinciale energiebedrijven zorgden voor voldoende stroom voor hun inwoners. Onder neoliberale druk is op Europees niveau besloten er een markt van te maken waarop bedrijven met elkaar concurreren. Bedrijven die zoeken naar maximaal rendement. Als de verwachtingen zijn dat de vraag naar stroom groeit met bijvoorbeeld tien procent, dan gaan al die bedrijven bijbouwen. Ieder bedrijf wil het grootste deel van die groei krijgen en dat heeft tot gevolg dat de capaciteit met meer dan tien procent toeneemt. Er worden dus teveel centrales gebouwd. En omdat kolenstroom het goedkoopste in productie is, bouwen traditionele stroombedrijven kolencentrales want die leveren het meeste winst op. De stroombedrijven handelen op dezelfde manier als de Amerikaanse ziekenhuizen die de econoom Robert J. Gordon in zijn boek The Rise and Fall of American Growth beschrijft.

Engie handelt in het eigen belang, net als de andere stroomproducenten. Kolenstroom is goedkoper, dus produceren we die en maken we meer winst, logisch toch. Toch leidt dit najagen van het eigen belang niet tot het gewenste maatschappelijk belang, namelijk minder luchtvervuiling. Cassidy noemt dit rationele irrationaliteit: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigen belang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” De stroomproducent die het maatschappelijk belang najaagt en zijn kolencentrales sluit, ziet zijn winst verdampen en waarschijnlijk zijn klanten weglopen. Weglopen omdat hij een hogere prijs voor stroom moet rekenen dan de andere producenten. De producenten zitten gevangen in een prisoners dilemma.

In zijn boek geeft Cassidy een voorbeeld van zo’n dilemma. Een voorbeeld dat, heel toepasselijk, gaat over stroom en kolen. In dit voorbeeld strijden twee bedrijven A en B met een kolencentrale om de plaatselijke energiemarkt. Ze maken allebei jaarlijks 20 miljoen winst. In het stadje is echter verzet tegen de uitstoot van rook door de twee centrales. Dit leidt tot veel juridische procedures waardoor de winst daalt van 20 naar 10 miljoen. Nu maakt de techniek het mogelijk om de uitstoot van de rook te voorkomen. Het installeren van deze techniek verlaagt de winst van 20 naar 15 miljoen, maar de elektriciteitsprijs moet dan wat worden verhoogd.

Wat moeten de bedrijven doen, wat is de rationele keuze? Is dat de techniek te installeren, dat zorgt immers voor meer winst. Maar het ene bedrijf weet niet wat het andere doet. Als A het wel doet en B niet dan kan B tegen een lagere prijs leveren en zal daarmee een groter markt aandeel krijgen en dus meer winst maken. In het voorbeeld daalt dan de winst van A tot 5 miljoen en B maakt meer winst, 20 miljoen. Rationeel handelend vanuit hun eigen belang zouden beide bedrijven kiezen voor niet installeren. Je weet dat je winst 10 is en hebt kans op 20, terwijl je bij installeren weet dat je winst 5 bedraagt en je hebt kans op 15. Lijkt de werkelijkheid van de stroombedrijven niet sprekend op dit voorbeeld? Hoe uit dit dilemma te komen?

Een mogelijkheid. De betreffende bedrijven gaan met elkaar aan tafel zitten en spreken af om alleen kolencentrales te sluiten en ook welke. Hierdoor neemt de winstgevendheid van alle stroombedrijven af, maar verandert hun concurrentiepositie ten opzichte van elkaar niet. ‘Kartelvorming! Dan maken ze meteen afspraken om de stroomprijs te verhogen om de winst op peil te houden,’ hoor ik u roepen. Inderdaad, dat is een risico. Zou die tafel trouwens niet geleid kunnen worden door de overheid?

Willen we dat risico niet lopen dan moet de overheid optreden. Als kolenstroom goedkoper is dan gasstroom, zou dan het duurder maken van kolenstroom door extra belasting, niet ook kunnen helpen? Dan betaalt de vervuiler en is de kans groot dat kolencentrales sluiten omdat er minder kolenstroom wordt gekocht. Sluiting van kolencentrales kan ook worden afgedwongen door ‘kolenstroom’ te verbieden.

Of zou voortzetten van het stimuleren van zonne- en windenergie een oplossing kunnen zijn? Een overheid die individuen, groepen burgers en zelfs gemeenten stimuleert om selfsupporting te worden door ook flink te investeren in de ontwikkeling van elektriciteitsopslag. Individuen en collectieven die onafhankelijk worden van de markt. Maar wacht eens, lijkt dat niet op vroeger?

Airbus op de A2

In de economie is het financiële systeem, de infrastructuur. En een infrastructuur moet betrouwbaar zijn. Ik vertrouw erop dat het geld op mijn bankrekening veilig is en dat ik het kan overmaken om er zaken mee te betalen. De afgelopen jaren hebben we gezien wat er gebeurt als dat vertrouwen wordt geschaad. Dan wordt de financiële infrastructuur onbetrouwbaar. Dan vertrouwen banken elkaar niet en bedrijven al helemaal niet meer. Gevolg: economische crisis of nog erger een economische depressie en veel maatschappelijke ellende.

AirbusFoto: barrieaircraft.com

De oorzaak: banken en financiële instellingen die producten op de markt brengen waar hun topmanagers, net als toezichthouders geen touw aan vast kunnen knopen. De handel die zover is gecomputeriseerd dat er sprake is van flitshandel die het menselijk oog en brein niet kunnen volgen. Producten die ontwikkeld konden worden omdat de markt gedereguleerd moest worden, die moest zo vrij mogelijk zijn. Vrije markten brengen groei en welvaart, aldus deze adepten van de vrije markt.

Een andere infrastructuur. Onze spoor-, water-, auto- en luchtwegen zijn samen met de gewonen wegen, fietspaden en voetpaden onmisbaar in onze samenleving. Waren ze er niet dan beperkte ons leven zich tot de eigen stad of dorp. Natuurlijk zijn er verbeteringen mogelijk en zijn er wellicht ook overbodige verkeersregels.

Wat zou er gebeuren als ook hier heel drastisch gedereguleerd zou worden? Als, zoals vrije markt aanhangers het liefst willen, alle regels zouden worden afgeschaft? Dan is het een stuk lastiger om van A naar B te reizen. Je moet dan op alles bedacht zijn, een vrachtwagen op het fietspad die ook nog eens links rijdt. Een rotonde waar auto’s zowel links als rechtsom rijden. Een vliegtuig dat  op de A2 landt. Zonder verkeersregels is het allemaal mogelijk. Dit zou tot grote en zware ongelukken leiden.

Na het Brexitreferendum lijkt er een race te ontstaan tussen Europese steden om Londen op te volgen als financieel centrum. Om de kansen daarop te vergroten wees premier Rutte er al op dat de wet op de bonussen interessante mazen biedt. De toch al magere regulering van, en controle op de financiële infrastructuur lijkt daarvan de dupe te worden. Moeten we dergelijke financiële, economische en in het vervolg daarop maatschappelijke risico’s wel willen lopen? Willen we werkelijk dat een Airbus op de A2 landt?

James Bond in de bus

Volkskrantverslaggever Toine Heijmans is een dagje meegereisd met de bus in Almere en doet daarvan verslag. Dit naar aanleiding van de recente problemen aldaar. Hij spreekt met de ervaren buschauffeur Bert Groot. Bert chauffeert als zesendertig jaar en geeft aan waar en hoe het fout is gegaan: “Het is begonnen met de aanbesteding van het stadsvervoer in 2003, zegt Bert. Marktwerking. Sindsdien heersen de spreadsheets. Connexxion baat de buslijnen uit, de gemeente houdt rigoureus toezicht: ‘komt er een mannetje met een blokje hout van tien centimeter breed meten of mijn banden dicht genoeg bij de stoeprand van de halte staan. Bij meer dan tien centimeter krijgt Connexxion een boete. Overal krijgen ze boetes voor, per jaar een half miljoen.”

OPENBAAR VERVOER-BUS-AMSTERDAM-CS

Foto: www.refdag.nl

Op tijd rijden is heilig, aldus Bert en daarom wordt er met een ‘open instap’ gewerkt: alle deuren open en instappen maar. Hierdoor rijdt officieel dertig procent zwart, Volgens Bert eerder zestig. Gevolg is ook dat service een ondergeschoven kindje is. Niet bij Bert overigens, maar wel bij zijn vele flex-collega’s die, door precies volgens de richtlijnen te handelen, hopen op een vaste baan. Te vergeefse hoop, volgens Bert.

Marktwerking, de successtory die in de jaren negentig haar aanvang nam en waaraan alles ondergeschikt gemaakt moest worden. De markt zou het klantvriendelijker, efficiënter en goedkoper maken. Besteed diensten als openbaar vervoer, zorg, energie, welzijn en vele andere aan en de markt zal haar heilzame werking doen. Hoe kun je echter een bus die van Venlo naar Nijmegen moet rijden, efficiënter en goedkoper laten rijden? Ligt de maximumsnelheid niet vast? Kan de afstand worden verkleind? Liggen de haltes niet vast. Zijn de strakke tijdsschema’s waaraan Bert zich moet houden niet een illusie? Is de verkeersdrukte te beïnvloeden? Is de prijs niet alleen te beïnvloeden door op de salarissen van de chauffeurs te beknibbelen, de ‘flex-collega’s van Bert? Op een markt heb je keus, Je koopt je boodschappen bij Plus Benders, bij Appie of de Aldi. Welke keuze heeft de busreiziger in Berts Almere? De bus van Connexion die de openbare aanbesteding heeft gewonnen. Aanbestedingen die veel tijd en geld kosten, voor bureaucratie zorgen maar wat verandert er voor de reiziger? De bus blijft de bus welke kleur ze ook heeft.

Wat zou er gebeuren als de ‘markt’ uit het openbaar vervoer wordt gegooid en niet alleen uit het openbaar vervoer? En wat zou er gebeuren als we het gratis maken? Als we Bert mogen geloven, betaalt de belastingbetaler toch al zestig procent van de kaartjes. Zouden die overige veertig niet te betalen zijn uit de bureaucratie die dan wordt bespaard? Uit de uitgespaarde vernielingen en de uitgespaarde Mysteryguest? Zo’n James Bond, aldus Bert, die achter een krant stiekem zijn beoordelingsformulier zit in te vullen.

Economie volgens Van Klaveren (7 van 7)

Vandaag het zevende en laatste deel uit de reeks van artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

Alles van waarde is weerloos

“Klaver (Jesse Klaver) stelt dat veel wat van waarde is geen prijs heeft, en noemt vrije tijd, kunst en zeggenschap als voorbeelden. Maar alles heeft een prijs. Ook de genoemde zaken. Dit is echter helemaal niet negatief. De wetenschap dat ook deze zaken zijn uit te drukken in geld maakt dat ze onderdeel zijn van de vrije markt. En daarmee bereikbaar voor iedereen,” zo schrijft Van Klaveren. Omdat iets een prijs heeft, wordt het voor iedereen bereikbaar? Wat zou de zorgbehoevende oude man van 93 met alleen AOW van wie de huishoudelijke hulp net is wegbezuinigd daarvan vinden? Die hulp heeft nu een prijs, alleen is die van dien aard dat die hulp voor hem onbereikbaar is en daarom vervuilt zijn huis. Wat zou de alleenstaande werkende moeder ervan vinden, die moet stoppen met werken omdat de kinderopvang voor haar onbetaalbaar is?

LucebertIllustratie: www.creatov.nl

Worden deze zaken, juist doordat de markt er een prijs aanhangt, voor mensen onbetaalbaar? En geldt datzelfde niet ook voor kunst? Wie zou er nog naar een concert van het Concertgebouworkest kunnen gaan, als de kaartprijs aan de markt werd overgelaten? Om alle kosten, onder andere de salarissen van de muzikanten, te kunnen betalen zouden de kaartjes zo duur worden dat slechts weinigen het zouden kunnen betalen. Of die kosten moeten omlaag en de muzikanten moeten voor een hongerloontje spelen.

Wellicht vindt Van Klaveren hongerloontjes geen probleem. “… voedsel, kleding en meer recent: telefonie en internet. Allemaal gereguleerd door de tucht van de vrije markt. En in alle gevallen voldoende concurrentie met meer keuzevrijheid en fors dalende kosten voor de individuele consument. Dat is het ware gezicht van economische vrijheid.” De consument profiteert, de werknemer is het slachtoffer en laat dat in de meeste gevallen dezelfde persoon zijn. Die goedkope kleding wordt gemaakt in dubieuze naaiateliers in onder andere Bangladesh en onder omstandigheden waaronder Van Klaveren niet zou willen werken: lange dagen, slecht geventileerde en brandgevaarlijke gebouwen enzovoorts. Zaken die in Nederland verboden zijn omdat de wetgever hier terecht strenge eisen stelt aan de arbeidsomstandigheden. De productie is daar naar toegegaan omdat Nederlandse arbeid ‘te duur’ werd bevonden en vervolgens werkloos werd of tegen een lager salaris elders aan de slag kon. Goedkoop voedsel omdat de producent ervan, de boer en tuinder, wordt uitgeknepen om de winsten van de aandeelhouders van de grote supermarktketens en inkoopcombinaties zo hoog mogelijk te houden.

Lage prijzen voor telefonie en internet? Is het niet terecht dat door de investeringen die de overheden in de ontwikkeling van internet en mobiele telefonie hebben gedaan, de lagere prijs ten goede komt aan de investeerder in casu de belastingbetaler?  En met de belastingen zijn we bij een derde rol van de mens in de huidige samenleving. De ‘Panamapapers’ bevestigden nogmaals dat belasting ontwijken een sport is van de rijken en de grote (en niet alleen multinationale) bedrijven. Bevestigde omdat dit al bekend was en zelfs Warren Buffet zelf al zei dat hij het vreemd vond dat hij minder belasting hoeft te betalen dan zijn secretaresse. En als het grote geld (Buffet) geen of weinig belastingen betaalt, moet het kleine geld (de secretaresse) meer opbrengen. Extra wrang wordt het, als die belastingbetaler op mag draaien voor bijvoorbeeld het falen van de banken. Zou Van Klaveren zich wel eens afvragen hoe het komt dat de heel ver geliberaliseerde markt faalde? Een advies aan hem en alle andere vrije marktadepten, lees het boek Wat als de markt faalt van John Cassidy eens.

Tot slot

Ik begon met de hoop uit te spreken dat Van Klaveren niet representatief is voor politici in het algemeen en de andere 149 kamerleden in het bijzonder. Ik vrees echter dat Van Klaveren redelijk representatief is voor het economische denken onder politici, bestuurders en wellicht ook ‘gewone’ mensen. In kranten en opinie-websites van allerlei pluimage kom je, aan het denken van Van Klaveren, verwante redeneringen tegen. Dat is niet vreemd na een neoliberale indoctrinatie (of hersenspoeling) van ruim dertig jaar.

Dat een bepaalde manier van denken populair is en vele aanhangers kent, wil echter nog niet zeggen dat het denken de waarheid is, de enig juiste manier. Zeker in de sociale wetenschappen, en economie is een sociale wetenschap, is waar en juist subjectief. Of om John Stuart Mill te citeren: “Het begin van alle wijsheid of verheffing komt en moet van individuen komen; meestal eerst van één individu.” Alleen moeten die individuen de ruimte krijgen om hun wijsheid te berde te brengen. Dat zou in het huidig tijdsgewricht van de vele digitale en analoge media geen probleem moeten zijn. Of juist wel, want om die wijsheid te horen of lezen, moet ze wel de ander bereiken. Dan moeten we voorkomen dat deze eeuw, zoals Pieter Derks vreest, de meest saaie van de eeuw wordt. Dan moeten de Bol.coms van deze wereld, om Derks te parafraseren, aan een algoritme werken dat ons niet almaar hetzelfde pad op stuurt (‘lezers van dit boek, lazen ook), maar juist naar alternatieve paden. Dan moeten mensen (veel meer) open staan voor andere manieren van denken, dan moeten ze nieuwsgierig zijn en in elkaar geïnteresseerd. Geen meningen debiteren, maar vragen stellen. Zelfs als het zo logisch klinkt en helemaal in je straatje past. Sterker nog, juist dan is jezelf bevragen aan te bevelen.

Dit is een zevende artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde te lezen.

Economie volgens Van Klaveren (6 van 7)

Vandaag het zesde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

Welvaart en Armoede 

Inkomen en dan vooral nationaal inkomen zegt niets over welvaart of armoede in een land. Als een klein deel van de inwoners het inkomen verdelen en de rest heeft bijna niets, dan zal er geen sprake zijn van welvaart, wel van armoede. Het is dus ook belangrijk om te kijken hoe het inkomen, maar ook het vermogen wordt verdeeld over de inwoners van een land.

Armoede

illustratie: eunmask.wordpress.com

Het boek Capital in the Twenty-first Century van de Franse econoom Thomas Piketty plaatste inkomens- en vooral vermogensongelijkheid op de agenda. Meteen werd er geroepen dat het in Nederland wel meeviel met die ongelijkheid. Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) heeft de vermogensopbouw voor 2014 goed en beeldend in beeld gebracht en hieruit blijkt dat er ook in Nederland sprake is van grote vermogensverschillen en dat die -verschillen toenemen. Zo bezit 1,67% van de huishoudens 35% van het vermogen.

Nu wil een scheve verdeling van het vermogen niet meteen zeggen dat er sprake is van armoede, hooguit relatieve armoede ten opzichte van mensen in je omgeving. Er is meer, aan de onderkant groeit de armoede dit terwijl Van Klaverens neoliberale economische vrijheid, hoog in het vaandel stond en staat. Van Klaverens redenering dat armoedebestrijding en welvaartsvergroting het beste kan op de vrije markt, lijkt niet te werken. De ‘trickle down economics’, zoals de redenering achter dit denken wordt genoemd, werkt niet. Deze redenering gaat als volgt: zorg dat de vrije markt zijn werk kan doen en dat ondernemers succesvol en rijk kunnen worden.

Tot zover stemde theorie nog overeen met de praktijk. Die ondernemers pakken een groot stuk van de koek, maar zorgen er ook voor dat de koek groter wordt. Hier knelt het al, inderdaad pakken sommige ondernemers een groot (steeds groter) stuk van een koek die wel groeit, maar toch veel minder dan hij deed voordat dit beleid werd ingezet.

Waar het helemaal gaat knellen is het laatste deel van de redenering. Die luidt: omdat de totale koek groeit, zullen ook de armen profiteren. Hun deel van de koek groeit wellicht niet, maar omdat de koek groeit, gaan ze er toch op vooruit. De koek blijkt echter maar weinig te groeien en de groei die er is, wordt door de rijken ingepikt. Sterker nog, zij nemen ook nog een deel van de oude koek van de armen. Het grote verschil tussen geld en water is, dat water, als er niet wordt ingegrepen, naar beneden sijpelt. Geld niet, dat sijpelt naar boven.

Dit is een zesde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het vijfde te lezen.