‘Leeuwenkoning Baudet 2’

“I’ve said that many times.” Het antwoord van Thierry Baudet op de vraag van een Zwitserse journalist of hij “the leading intellectual in the Netherlands,” is. Natuurlijk mag iemand dat van zichzelf vinden en het ook zeggen. Laten we Baudets betoog eens volgen.

Bron: Wikimedia Commons

Baudet zet zich af tegen alle partijen want die zijn: “all representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” Baudet maakt hier wel een erg grote karikatuur van het liberalisme en gaat volledig voorbij aan grote liberale denkers die de wel degelijk grenzen stelden aan maximale individuele vrijheid. Mill begrensde die al door eraan toe te voegen dan de vrijheid van de één begrensd wordt door evenveel vrijheid voor alle anderen. De liberaal en denker over rechtvaardigheid John Rawls voegde er zijn twee beginselen van rechtvaardigheid aan toe: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Tot zover de karikatuur. In deze zinnen zegt Baudet nog meer. Hij zet zich af tegen maximale gelijkheid van mensen. Beweert hij hier dat, om Orwells Animal Farm te citeren: “some animals are more equal than others”? Hij streeft niet die maximale gelijkheid na, maar een ingebedde mens die ‘zijn eigen vrijheid goed begrijpt’. Een ‘ingebedde mens die een leidende elite nodig heeft want: “society needs an elite that leads the way.” Dat hij zelf vindt dat hij tot die elite behoort, mag al blijken het antwoord op de vraag uit het interview waarmee ik begon. 

Maar een elite? Mogen we hieruit afleiden dat hij een nieuwe elite wil met hem als ‘leeuwenkoning’ om een eerdere Prikker aan te halen? Dat ‘het volk’ zich daarna weer moet schikken in ‘volgzaamheid’? ‘Het volk’ is dus alleen maar even nodig om de ‘oude elite’ die er volgens Baudet niets van begrijpt, weg te werken. En daarna ‘le roi est mort, vive le Roi lion’? Op die eerdere Prikker kom ik later nog terug.

Even terug naar dat ‘equilibrium’ die: “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’.” Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Daarvoor grijpt hij terug in de geschiedenis: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Baudet wil terug naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” 

Bron: Wikipedia

Pardon! de bourgeoisie waren de ‘ordinary people’? De bourgeois manier van leven was voorbehouden aan een heel klein deel van de mensen. Even een korte geschiedenis van het begrip bourgeoisie. Dit begrip ontstond in de Middeleeuwen en bestond uit de middenklasse van handelaren en gildemeesters uit de steden. Bij middenklasse moeten we ons iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig onder verstaan. De middenklasse bestond uit de mensen die minder aanzien hadden dan de adel, maar meer dan het gepeupel waartoe de overgrote meerderheid behoorden. Ze stonden midden tussen die twee standen of klassen in. Qua financiën stonden ze aan de top. In de steden vocht deze klasse voor zeggenschap voor de burgers van een stad tegen de landheer. Nu moeten we ons ook bij het begrip stadsburger iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig bij denken. Niet iedere inwoner van de stad had rechten als burger. Nee deze rechten waren voorbehouden aan … de bourgeoisie. Het gewone volk daar hadden ze geen eieren mee, dat moest zich schikken in haar armetierige lot. De bourgeoisie bestond dus uit de rijke handelaren, bankiers en vanaf de negentiende eeuw de fabriekseigenaren. Wil Baudet terug naar deze standmaatschappij? Laat zijn aanhangers zich dan realiseren dat die ‘ordinary people’ waarover Baudet het heeft, de miljonairs fair bezoeken en in de quote 500 staan.. 

Een belangrijk begrip in Baudets denken is oikofobie. Baudet beantwoordt de vraag of oikofobie: “denying or hating your own culture,” is met “yes”. Baudet verwijt dat: “under the influence of cultural Marxism, which started in the 1920s and became dominant in the 60s, intellectuals, politicians, artists, academics, journalists and, as such, the entire elite of our society have been bewitched by that idea.” Cultuurmarxisme een prachtige term waar Baudet en andere aanhangers ervan, alles onderstoppen wat ze niet aanstaat. Als dit oikofobie is dan vraag ik me af waar Baudet tegen vecht. Zouden er werkelijk zoveel mensen zijn die hun eigen cultuur ontkennen en haten? 

Het lijkt erop dat iedereen die denkt dat een cultuur fluïde is en in de loop van de tijd verandert in de ogen van Baudet aan oikofobie leidt. En daarmee kom ik bij de eerste prikker met als titel ‘Leeuwenkoning Baudet’ en vooral bij de zin van Popper die erin centraal stond: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Waardoor het, in ieder geval voor mij, duidelijk wordt dat Baudets denken een van de twee vormen van historicisme is. De vorm die het ideaal in het verleden zoekt en ernaar terug verlangt. 

En, zoals Popper concludeerde leidt historicisme in extremis tot totalitarisme. Met zijn betoog over de bourgeoisie wordt duidelijk hoe Baudet de wereld ziet. Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden. Heeft dat niet een zweem van totalitarisme?

‘Leeuwenkoning Baudet’

Boreale wereld, uilen van Minerva die weer vliegen, masochistische ketterij, het kwam allemaal voorbij in de speech van Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet. Een speech vol beeldspraak en een verlangen naar een verleden. Maar welk verleden? Hierover schreef ik al eens een artikel. Na het lezen van die speech moest ik denken aan de filosoof Karl Popper. In het tiende hoofdstuk van zijn bekende werk De open samenleving en haar vijanden typeert hij dit streven in één pakkende zin. Op die zin moeten jullie nog even wachten. Eerst wat meer over Popper en het boek. 

Eigen foto

Popper werd in 1902 in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. Popper is vooral bekend om zijn wetenschapsfilosofie. Hij pleit voor kritisch rationalisme en ontwikkelde het ‘falsificatieprincipe’. Dit komt erop neer dat wetenschappers niet steeds nieuw bewijsmateriaal moeten zoeken om hun theorieën te bevestigen, maar juist moeten proberen de eigen veronderstellingen te ontkrachten. Om Poppers bekende voorbeeld aan te halen. Als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan helpt het zoeken naar witte zwanen niet. Al die duizenden witte zwanen die je vindt, maken nog niet dat je kunt zeggen dat alle zwanen wit zijn. Wat wel helpt is het zoeken naar zwarte zwanen. Als je er één vindt, dan weet je zeker dat niet alle zwanen wit zijn. 

Een tweede bijdrage van Popper aan de wetenschap en die is voor deze Prikker van belang, is zijn strijd tegen historicisme. Historicisme is denken dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk via vaste wetten naar een bepaalde eindsituatie ontwikkelt. Door de geschiedenis te bestuderen zou je die wetten kunnen ontdekken en dus kunnen weten hoe de toekomst eruit gaat zien. Die strijd tegen het historicisme staat centraal in De Open Samenleving en haar vijanden. Het boek is een vurig pleidooi voor de liberale democratie voor de open samenleving. 

Even een stukje geschiedenis. De mens heeft millennia lang in kleine groepen geleefd. Popper noemt deze samenlevingsvorm de gesloten tribale samenleving. Het leven in die groepen en ook het denken van onze voorvaderen werd gedomineerd door het steeds terugkeren van het bekende: de jaargetijden die de trek van bepaalde dieren meebrachten. Het leven zoals het wordt weergegeven in het themanummer van de film ‘The Lion King’, een lied met als titel ‘The circle of life’. Toekomst en ontwikkeling zijn in zo’n samenleving niet relevant omdat iedereen een vaste plek en rol heeft en morgen hetzelfde is als vandaag, gisteren en eergisteren. Een plek die aan de kinderen wordt doorgegeven. 

Bron: Public Domain Pictures

Dat werd anders toen onze voorvaderen landbouwer werden en in dorpen en later steden gingen wonen en gingen handelen. Er ontstonden nieuwe manieren om te overleven los van die oude ‘circle of life’ en zo ontwikkelde zich langzaam een lineair tijdsbesef en daarmee een onzekere toekomst. Toevallig of eigenlijk niet toevallig, ontstonden nieuwe verhalen die mensen ‘zekerheid’ over de toekomst bood: godsdiensten die een leven na het leven bood in een hemel, walhalla of reïncarnatie maar ook vormen van historicisme. In bijvoorbeeld het christendom staat de hemel centraal. Als een wat oudere persoon met een katholieke opvoeding de vraag stelt: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Dan is er een redelijke kans dat het antwoord luidt: ‘om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.’ Met de Verlichting werd god eerst ter discussie gesteld en later werd hij afgeschaft. Maar geen nood, historicisme biedt een oplossing in de vorm van een soort religie voor atheïsten. Een manier van denken die zin moet geven aan het leven.

Terug naar het heden. In zijn speech zegt Baudet: “En zo staan we hier, vanavond, te elfder ure, letterlijk, te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken…’ De grootste en mooiste beschaving, dus, die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek.”  Als er ooit in de geschiedenis van het Westen een moment was dat deze woorden de werkelijkheid beschreven dan was het op het moment dat Popper het boek schreef. Een tijd dat die liberale democratie er heel slecht voor stond namelijk de beginjaren van Tweede Wereldoorlog. Totalitaire regimes waren aan de winnende hand: Duitsland heerste over bijna het gehele Europese continent en Japan heerste in Azië. Je kunt het boek zien als Poppers bijdrage aan de oorlog.

De liberale democratie werd in die tijd bedreigd door zowel het totalitaire nazisme als het totalitaire communisme. Beide stromingen, aldus Popper, zijn voorbeelden van historicisme, stromingen waarbij het heden geen op zichzelf staande waarde heeft. De enige waarde van het heden is de ‘bijdrage’ die het levert aan het bereiken van die ‘eindtijd’. Omdat het heden op zichzelf geen waarde heeft, heeft een mensenleven ook geen waarde. Als die glorieuze toekomst naderbij komt door het doden of onderdrukken van miljoenen mensen, dan moet dat maar.  

Poppers bijdrage in de strijdt voor de liberale democratie richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper, in de inleiding bij de eerste druk: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.”

Het communisme is gebaseerd op het denken van een van die ‘grootste geestelijke leiders’ namelijk Karl Marx. Die op zijn beurt weer sterk was beïnvloed door het werk van een andere ‘grote geestelijke leider’ Hegel. Marx dacht dat hij de wet achter de geschiedenis had ontrafeld. Die geschiedenis moest onherroepelijk leiden tot het ‘arbeidersparadijs’. In het tweede deel van De open samenleving en haar vijanden toont Popper aan dat de ‘wetmatigheid van Marx niets meer is dan ‘orakelfilosofie’ die in extremis leidt tot totalitarisme. Een staatsvorm, die de Van Dale omschrijft als: “dictatuur waarbij alle krachten van één punt uit op één doel worden gericht.”

Beeld Plato. Bron: Wikimedia Commons

Voor de interpretatie van de speech van Baudet en het denken erachter, is het eerste deel van De open samenleving en haar vijanden van belang. In dat eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Daar waar het historicisme van Marx toewerkt naar een ‘hoogtepunt’ in de toekomst, lag voor Plato, net als voor Baudet nu, het hoogte punt in het verleden. Plato leefde juist in een tijd dat die tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.” 

De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden. Die openere samenleving kreeg de vorm van de democratie. Die openere samenleving bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap.

Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Plato wilde het liefste terug naar vroeger. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Een ontwikkelingsrichting en rol die Baudet in zijn speech ook lijkt te schetsen: “Want wij zijn de partij van de wedergeboorte. Wij zijn de partij van de Renaissance. En dat is wat wij willen bewerkstelligen. En het is nooit urgenter geweest dan nu om dat te bewerkstelligen. Het is nooit noodzakelijker geweest dan nu dat mensen van goede wil de handen inéén slaan. Om de banden met onze tradities te herstellen. Om onze kracht te hervinden en nieuwe kruisbestuivingen tot stand te brengen. Om al het goede dat we in de wereld kunnen vinden te verbinden met onze oude wortels en zo het land weer te laten bloeien.” Terug naar vroeger, maar welk vroeger?

De overgang van gesloten tribale naar de open samenleving is volgens Popper: “een van de meest verstrekkende revoluties die de mensheid heeft gekend.” Een revolutie die onbehagen met zich meebracht. Onbehagen dat Popper ‘de druk van de beschaving’ noemt. En: “Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld. Vooral in tijden van sociale verandering.” Die druk wordt veroorzaakt door: “de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen.” Die druk moeten we: “aanvaarden als de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.” Plato en in zijn spoor Baudet, lijken die prijs niet te willen betalen. Zij willen terug naar het verleden. Zij willen terug naar een gesloten samenleving.

Bij de Griekse tijdgenoten van Plato, uitte zich dat verlangen om terug te gaan naar vroeger in haat tegen het Atheense imperium, de vloot, de havens en de stadsmuren. Door de koloniën en de handelscontacten druppelde de buitenwereld naar binnen in de vorm van handelswaar en kennis van andere volkeren en andere levenswijzen. Heeft een mens eenmaal de geneugten van producten van elders geproefd dan kan hij bijna niet meer zonder. Voor kennis geldt dat nog in sterkere mate. Zit die eenmaal in hoofden, dan gaat ze er niet meer uit. Bekijken we de ideeën van Baudet dan uit zich dat verlangen naar vroeger in de afkeer van de Europese Unie, migratie en klimaatpolitiek. Allemaal voorbeelden van een ‘boze buitenwereld’ die het ‘maagdelijke Nederland’ hebben besmet. 

Terug naar vroeger door Nederland te ‘ontdoen’ van die buitenwereld dat is wat Baudet lijkt te willen. De geschiedenis van Sparta laat zien dat deze weg heilloos is. Het is een onmogelijk streven omdat, zoals ik al schreef, kennis niet weggaat en de geneugten van producten van elders sterker zullen blijken te zijn. In Plato’s tijd was het al vrijwel onmogelijk om contacten met de buitenwereld te beperken en toen waren er nog geen kranten en internet. Terug naar het verleden lukt alleen als we het mobieltje en het internet ‘ontuitvinden’ en als we ieders kennis eraan uit het geheugen kunnen wissen. De enige manier om een beetje in de buurt te komen is de ‘Noord Korea variant’: een land helemaal proberen af te sluiten van de buitenwereld. Dat kan alleen een totalitair regime en daarmee zijn we bij de Poppers belangrijkste conclusie. Historicisme van welk soort ook, leidt in extremis tot totalitarisme. 

Popper typeert Baudets manier van denken in de volgende zin, de zin die ik in de eerste alinea aankondig: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Popper vervolgt: “Niet in staat om nieuwe paden in te slaan, konden zij niets anders doen dan zich opwerpen als leiders van de eeuwige revolte tegen de vrijheid.”  

Pericles in gesprek met de Atheners. Bron: Flickr

Liever dan Plato en Baudets liefde voor de terugkeer naar een ‘Leeuwenkoning samenleving’, stel ik voor om Pericles en zijn beroemde lijkrede centraal te stellen. Woorden van iemand met een open blik, met interesse voor de medemens en vertrouwen in een ongewisse toekomst: “Wij leven als vrije staatsburgers in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan tegen elkander en wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt. … Wij stellen onze stad open voor iedereen, wij verdrijven nooit een vreemdeling. … Wij zijn vrij om te leven precies zoals we dat willen, en toch zijn we er altijd klaar voor om enig gevaar onder ogen te zien. … Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting, wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid.”


Denken over economie (deel 2)

Deel 1 handelde over de klassieke economie en het denken van Adam Smith en John Stuart Mill. Ik kondigde de hoofdpersoon van het tweede deel, Karl Marx, er al in aan.

Marx’s kijk op het kapitalisme 

Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Voor Marx is het kapitalisme een strijd tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen. 

Eigen foto

Marx’s denk was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelden die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). Het toenmalige kapitalisme was in zijn ogen ontstaan uit de strijd tussen het feodalisme en vroege kapitalisme, De strijd in Marx’s zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat).

Net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje leggen tegen de kracht van de arbeiders. Dan zou de socialistische samenleving zijn bereikt. De vrije concurrentie moest immers onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was, zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen. 

Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. Dat denken in een wetmatigheid die aan de geschiedenis ten grondslag ligt en haar voortdrijft naar een eindpunt, een eindpunt of toekomst die je kunt kennen door het verleden te bestuderen en die wetmatigheid door te trekken naar de toekomst, noemen we historicisme. Die manier van denken zit ook verpakt in de neoliberale manier van denken over economie en samenleving. Ook neoliberalen denken dat de geschiedenis een einde kent, alleen een ander einde zoals ik in een later deel zal betogen.

Marx was tevens de eerste die verder nadacht over de rol van het geld. Geld werd voor Marx vooral gezien als een ruilmiddel bedoeld om het ruilen te vergemakkelijken. Marx zag de eigenstandige macht van geld, geld als vermogen. Marx (geciteerd bij Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 198): “Wat door het geld van mij is, wat ik kan betalen, dat wij zeggen wat het geld kan kopen, dat ben ik, de bezitter van het geld zelf. Hoe groter de macht van het geld, des te groter mijn eigen macht. De eigenschappen van het geld zijn de eigenschappen en essentieel vermogens van mij – de bezitter van het geld. Wat ik ben en wat ik kan hangt dus allerminst af van mijn individualiteit.” Deze eigenstandige macht van het geld speelt nu een zeer belangrijke rol. Tegenwoordig lijkt iets pas waarde te hebben en lijkt het pas te bestaan en de moeite van het behouden waarde als het in geld is uit te drukken. Zo hebben bedrijven pas belangstelling getoond voor het verminderen van de uitstoot van kooldioxide sinds er wordt gewerkt met verhandelbare quota voor de uitstoot.

Het kapitalisme ‘verzamelde’ de proletariërs in grote aantallen in en rond de fabriekssteden en maakte zo ook haar tegenmacht mogelijk: politieke bewegingen en vakbonden die opkwamen voor de belangen en de emancipatie van de arbeiders. Ook enkele grootindustriëlen zagen dat er iets moest gebeuren, zij het vanuit een andere invalshoek. Om hun afzet te laten groeien en daarmee de mogelijkheden op winst, hadden zij nieuwe consumenten nodig en de arbeiders zouden dit kunnen worden. Voorwaarde hiervoor was dat zij een redelijk inkomen konden verwerven en in betere omstandigheden zouden leven. Zij gaven hieraan handen en voeten door fatsoenlijke huisvesting te verzorgen (met goede voorwaarden voor hygiene) en redelijke salarissen en zo hun arbeiders aan hen te binden. Daarbij werden vaak wel eisen gesteld op bijvoorbeeld drankgebruik.  De druk vanuit (en vaak ook de angst voor) de arbeidsbeweging en ook door de voorbeelden vanuit enkele ondernemers, ontkwamen de regeringen er niet aan om wetten op te stellen die aan de belangen en eisen van de arbeiders tegemoet kwamen.

Dit leidde vanaf het eind van de negentiende eeuw tot een groeiend stelsel van sociale wetgeving. De eerste wetten betroffen vaak verboden zoals het al eerder genoemde verbod op kinderarbeid maar ook het verbod op slavernij past in dit rijtje. Daarna volgden wet- en regelgeving met betrekking tot huisvesting en hygiene (denk hierbij aan het aanleggen van riolering) en arbeidstijden. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met sociale zekerheidswetgeving, wetgeving die inkomen garandeerde bij ondermeer ouderdom, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ook wetgeving die werknemers beschermt bij ontslag. Een stelsel dat zijn hoogtepunt bereikte eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien staat dit stelsel onder druk. Die druk werd het eerst gevoeld bij de inkomensregelingen. Die zijn drastisch versoberd en de mogelijkheden om er gebruik van de te maken zijn drastisch beperkt. Maar ook andere regelingen staan onder druk en zijn beperkt. Denk hierbij aan de bescherming bij ontslag, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de intrede van uitzendkrachten en zelfstandigen zonder personeel. Ook hier wordt de afbraak verkocht door deze in een positief frame te zetten: het heet modernisering en flexibilisering. Wie wil er immers ouderwets en star zijn.

Tot zover Marx. De volgende aflevering in deze reeks zal gaan over de Britse econoom John Maynard Keynes. Een bijzondere econoom.


Hulde voor Rutte!?

Toen ik de insteek van premier Rutte hoorde voor de ‘migranten-top’ moest ik denken aan Karl Popper en dan vooral aan het begrip ‘piecemal engenering’, dat hij muntte in zijn boek The Open Society and it’s enemies. In de Nederlandse versie van het boek is dat begrip vertaald met ‘stapsgewijze sociale technologie’. Denken dat zoekt naar oplossingen voor problemen en uitdagingen door deze op zichzelf te bezien. Popper zet piecemal engenering tegenover historicisme. Historicisme is een manier van denken waarbij de toekomst onvermijdelijk is en af is te leiden uit het verleden. Alles wat er gebeurt is een logische stap op weg naar die onvermijdelijke toekomst, naar die ‘perfecte samenleving’. Popper bespreekt twee voorbeelden van dit denken: het marxisme en het platoïsme. Historicisme leidt, zo betoogt Popper tot een onvrije, totalitaire samenleving .

fort

Foto: PxHere

Rutte sprak woorden als ‘praktisch’ en ‘realistisch’ en we moesten geen ‘totaaloplossingen’ verwachten. Stapje voor stapje problemen aanpakken en oplossen. Geen grote verklarende theorie met een blauwdruk voor de toekomst. Rutte als ‘piecemal engeneer’ die, zoals Popper het schrijft: “de methode (kiest) waarmee hij de grootste en dringende kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden.” 

Poppers betoog is sterk en overtuigend. We kunnen de toekomst niet kennen en afleiden uit het verleden. Er zijn vele toekomsten mogelijk en welke het wordt, weet niemand. Dat hangt af van toevalligheden. Voor mensen die dat wel beweren, moeten we uitkijken. Even terzijde dat maakt ook dat adviezen gebaseerd op algoritmes en big data gevaarlijk zijn. Dat is een technische variant van toekomstvoorspelling op basis van het verleden. Dus hulde voor Rutte!

Of toch niet? Je laten leiden door een alles verklarende theorie mag dan dwaas zijn. Zo’n dwaas is Rutte niet. Maakt dat het andere uiterste, geen duidelijk eindbeeld hebben, wijs? Waar wil Rutte naar toe? Hoe ziet een prettige en open samenleving er voor hem uit? Hoe verhoudt die samenleving zich tot andere samenlevingen op deze aardbol? Het hele ‘migratieplan’, alle maatregelen zijn erop gericht om mensen niet naar ‘hier’ te laten komen en ‘fort Europa’ te bouwen. Hoe zit het met ‘daar’? Wat is het plan voor ‘daar’? Wat gaan we hier doen, of laten, voor ‘daar’?

Met het ‘bouwen’ van het ondoordringbare ‘fort Europa’ gaat ‘daar’ niet weg. Wat ‘daar’ gebeurt, blijft ‘hier’ beïnvloeden en omgekeerd. In het fort mag je dan misschien veilig lijken tegen de dreiging van buiten, je kunt er ook in opgesloten zitten. 

Marx en het monster van Frankenstein

Na het vallen van de muur werd het denken van Karl Marx bij het grofvuil gezet. Het liberale kapitalisme of kapitalistisch liberalisme had definitief gewonnen en de geschiedenis, de strijd tussen ideologieën werd in navolging van Francis Fukuyame voor beëindigd verklaard. De laatste tijd lijkt het alsof er te vroeg is gejuicht want Marx blijkt slimmer dan we dachten. Het denken van Marx ligt aan de basis van de  ‘identiteitspolitiek’. Als we tenminste mensen als Thierry Baudet, Paul Cliteur en ook Teunis Dokter mogen geloven. Zo’n beetje alles wat deze heren niet aanstaat, is het gevolg van cultuurmarxisme.

FRankenstein

Foto: Flickr

Neem Dokter bij ThePostOnline: De definitie van de ‘Inclusive Society’ –een inherent marxistisch concept– vormt de grondslag voor de sociaal-culturele programma’s en subsidienetwerken van de Verenigde Naties en de Europese Unie.” Dit is allemaal een gevolg van het streven naar gelijkheid uit het denken van Marx. En: “De ironie wil dat dit streven naar gelijkheid van klassen leidt tot identiteitspolitiek. Want wanneer men de gelijkheid tussen verschillende klassen wil doen toenemen moet men deze klassen kunnen onderscheiden en aanwijzen. Zodra een benadeelde klasse is ontdekt wordt deze verheven terwijl andere groepen geen aandacht krijgen.” Zo schrijft Dokter.

Marx schreef over de strijd tussen de kapitalistische klassen en het proletariaat en in zijn theorie zou het proletariaat die strijd winnen. Deze strijd zou, volgens Marx, door het proletariaat worden gewonnen, waarna er een klassenloze samenleving zou ontstaan. Marx schreef niet over culturen of identiteiten. De kreet ‘proletariërs aller landen verenigt u’ getuigt niet echt van het denken in culturen en identiteiten. Iets wat duidelijk werd bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. In de loopgraven stonden de proletariërs uit ‘allerlei’ landen tegenover elkaar verenigd onder een nationale en culturele vlag.

Op het historicisme van Marx is ook veel aan te merken en daar zijn al vele boeken over vol geschreven. Neem bijvoorbeeld Karl Poppers The Open Society and it’s Enemies om er een te noemen. Wat Marx goed zag is dat een samenleving met grote economische ongelijkheid niet stabiel is. Marx min of meer benoemen tot de vader van de ‘identiteitspolitiek is een gotspe.

Er is ook veel aan te merken op de ‘identiteitspolitiek’ en het ‘pseudo-wetenschappelijk fabuleren’ dat eraan ten grondslag ligt. Een terecht punt van zorg dat de ‘identiteitspolitici’ maken is de ongelijke behandeling van mensen vanwege hun uiterlijk, sekse, religie enzovoorts. Een punt dat hun overschreeuwen en pseudo-wetenschappelijkheid ondersneeuwt.

Zouden de bedenkers van het ‘cultuurmarxisme theorie’ denken dat hun argumenten sterker worden door hun twee ‘vijanden’ in elkaar te knutselen tot een soort ‘monster van Frankenstein’?