Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Denken over economie (deel 1)

Zoals in twee eerdere twee prikkers toegezegd, een reeks over economisch denken. Dat doe ik aan de hand van belangrijke denkers over economie en het kapitalisme uit de moderne geschiedenis. Deze behandeling is niet uitputtend. Er zijn meer denkers die zich in de moderne tijd over de economie hebben gebogen en ook in de pre-moderne tijd werd er al over de economie nagedacht.

De economische wetenschap is een bijzondere soort wetenschap. Een bijzonder soort wetenschap waarvan een van haar beoefenaren, de Koreaan Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme zegt dat het (pagina 16): ”…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering, zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” Een bijzondere uitspraak voor een econoom omdat veel van zijn vakgenoten het juist doen voorkomen dat het anders ligt. Zij schermen met ingewikkelde wiskundige modellen waarover ik al eerder schreef.   

Eigen foto

In de economie staan menselijke beslissingen centraal. Beslissingen van ons allemaal individueel maar vooral beslissingen van diegenen die de regels kunnen bepalen. Beslissingen leiden niet altijd tot de gewenste resultaten. En zoals bij alle beslissingen zijn, en waren, er ook andere keuzes mogelijk. Andere keuzes die tot andere gewenste of ongewenste resultaten leiden. Bij het nemen van die beslissingen worden wij mensen en dus ook degenen die de regels bepalen, geleid door onze visie op de werkelijk. Niet iedereen is zich bewust van zijn visie op de werkelijkheid. Bij dit weten hoort kennis hebben van het verleden, de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt en de achtergronden bij die keuzes. Hierbij moeten we die keuzes proberen te zien met de ogen van mensen uit die tijd. Daarbij is inzicht in het denken over onze economie en het kapitalisme onontbeerlijk. 

Het klassiek economisch denken

Als we het over economie en het kapitalisme hebben dan kunnen we niet om Adam Smith en John Stuart Mill heen. Bij het schrijven over Smith baseer ik me voornamelijk op De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy. 

Adam Smith schreef over de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van eerst één product of productsoort en in toenemende mate zelfs alleen maar een deel van een product. Smith gebruikt het voorbeeld van de speld. Een speldenmaker kan er slechts een beperkt aantal per dag maken. Door het werk te verdelen in kleinere stappen, een persoon knipt de draad, een tweede maakt de speldenknop, de derde zet de knop op de speld en een vierde slijpt de punt, kunnen er veel meer dan vier keer zoveel spelden worden gemaakt. Deze specialisering leidt tot een toename van de totale productie. Het surplus wordt verkocht op de markt. Met het geld dat daarmee wordt verkregen, kunnen producten worden gekocht. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaalt niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hun het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith (de Utopie van de vrije markt pagina 181): “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigenbelang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.” Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. 

Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen belang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt tot het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden dus een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkende John Stewart Mill, een andere bekende klassiek liberaal, dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid (zie J.S. Mill, Over de vrijheid pagina 126-127) Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.” Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belasting ontwijker die zegt alles binnen de bestaande wet- en regelgeving te doen (en daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook) en aan de andere kant Mill die de ontwijken zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen.  Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt  van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen. 

Eigen foto

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. We zullen later zien dat deze vooronderstelling bij de neoliberalen dogma’s worden. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein en was Mill een filosoof en politiek theoreticus. 

Mill was, in navolging van zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn. Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Het Bruto Binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.  Utilitarisme kan niet zonder een instantie die ervoor zorgt dat die stappen worden gezet die het meeste geluk of genot brengen. 

Dit denken bevat de kiem van politiek gericht op meer solidariteit en bekommering om elkaar. Die bekommering om elkaar, die solidariteit  met elkaar kreeg een grote boost door een andere denker en groot kenner van het kapitalisme: Karl Marx. Marx beschreef de werking van het kapitalisme en de ‘gebreken’ ervan. Die gebreken kwamen in de loop van de negentiende eeuw aan het licht. In een volgende deel staat Marx centraal.

Raad van Raadgevende Adviseurs

In de Volkskrant pleit Dave Ensberg-Kleijkers voor de herintroductie van de Raad voor Economische Adviseurs. Herintroductie omdat deze raad, die bestond uit hoogleraren economie en (overheids)financiën en de Kamer gevraagd en ongevraagd advies gaf, al eerder bestond. De raad hief zichzelf op omdat haar adviezen werden gezien als: “‘te columnachtig’, ‘borrelpraat’ en ‘te politiek’.” En haar werk: “de rapporten matig onderbouwd of ‘technocratisch’,”  Ensbergen-Kleijkers wil de raad weer ‘heroprichten’ omdat de Kamer voor haar werk leunt op: “enkele beleidsmedewerkers, sta­giaires en de Algemene Rekenkamer. De beleidsmedewerkers zijn doorgaans jonge, pas afgestudeerde mensen met een te brede portefeuille en (te) veel politieke ambities.” Niet voldoende aldus Ensbergen-Kleijkers. 

Aanbieding_koffertje_Tweede_Kamer_Prinsjesdag_2015_07

Foto: Wikimedia Commons

Zou zo’n raad uitkomst bieden als Kamerleden geen verstand van economie hebben? Nu is er iets vreemds met economen, ze kunnen alle besluiten onderbouwen. Hun ‘advies’ hangt af van hun ‘kijk’ op de samenleving. De ene econoom zal je haarfijn, vanuit zijn ‘kijk’ op de wereld, kunnen uitleggen waarom de afschaffing van de dividendbelasting slecht is. Zijn collega met een andere ‘kijk’ waarom je het juist zou moeten doen. Nu zijn er ook economen, zoals Ha-Joon Chang, die je zullen zeggen dat; “Economie voor 95 procent gezond verstand’” is, “dat ingewikkeld is gemaakt.” En dat: “zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” 

Dat zouden zelfs ‘eenvoudige’ Kamerleden moeten kunnen begrijpen. Daar zou geen aparte Raad voor nodig moeten zijn. Waarin verschilt economie trouwens van andere zaken die ‘ingewikkeld en lastig’ zijn? Zou er dan niet ook een Raad van Ethici moeten komen om de Kamerleden te adviseren over ethische kwesties? Een Raad van Historici om te adviseren over historische kwesties? De zaken in het regeerakkoord over ‘Wilhelmuskunde’ tonen de noodzaak daartoe wel aan en dan zat er met Rutte nog wel een historicus aan tafel. Of waarom geen Raad van Informatiedeskundigen om te adviseren over ‘internettrollen’, of een Raad van Automonteurs, Bakkers enzovoorts?    

Vervolgens zou je ook nog de ‘metavraag’ kunnen stellen. Zou er dan niet ook een Raad van Raadgevende Adviseurs moeten komen?

De slager en zijn vlees

Een van de oorzaken van de bankencrisis van 2008, was het gebrek aan toezicht op de financiële instellingen. Toezichthoudende instanties lieten de teugels vieren en vertrouwden op de tuchtigende werking van de markt. Die markt ontwikkelde producten als Collateralized debt obligations (CDO’s), Credit Default Swaps (CDS) en andere. Producten die slecht enkele mensen doorzagen en die mensen waren niet de beslissers en de ratingbureaus, zoals Moody’s, die de betrouwbaarheid van dergelijke producten moesten beoordelen. Producten waarmee snel veel te verdienen viel en dat was het enige dat telde. Net als bij de ratingbureaus ontbrak het ook bij de toezichthouders, zoals de centrale banken, aan kennis van die producten. Toch kwamen ze op de markt met vernietigende gevolgen. John Cassidy beschrijft dit in geuren en kleuren in zijn boek Wat als de markt faalt.  Een van de lessen van de bankencrisis was dan ook dat het toezicht beter moest.

VIETNAM-ECONOMY-INFLATION-VENDOR

Foto: www.nrc.nl

We zijn nu enkele jaren verder en in de Volkskrant valt te lezen dat de Autoriteit Financiële Markt (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) het anders gaan aanpakken: “De financiële toezichthouders gaan start-ups en andere nieuwkomers helpen met hun vragen over nieuwe producten en diensten. Meer ruimte voor innovatieve experimenten is namelijk goed voor de concurrentie en efficiëntie in de financiële sector.” Onder aanvoering van Willem Vermeend moet: Nederland op de kaart zetten als ‘centrum van financiële vernieuwing.” Nu komt voor dat ondernemers veel tijd en geld in een nieuw product stoppen en dan van de toezichthouders te horen krijgen dat het niet mag. Behoort het niet tot het risico van de ondernemer als hij een product ontwikkelt dat niet wordt toegelaten?

Moet Nederland wel zo’n centrum van financiële vernieuwing willen zijn? Nederland is een grote speler in de financiële wereld en de gevolgen daarvan heeft de burger als belastingbetaler al ondervonden. Hij heeft miljarden van zijn belastingeuro’s besteed aan het redden van banken.

Moet de financiële markt efficiënt zijn? De Zuid Koreaanse econoom Ha-Joon Chang pleit in 23 dingen die ze niet vertellen over het kapitalisme juist voor minder efficiency op de financiële markt. Chang: “De discrepantie tussen de snelheid van de financiële sector en die van de reële sector moet kleiner worden, wat betekent dat het nodig is de financiële markt opzettelijk minder efficiënt te maken.”

Maar als belangrijkste. Beste toezichthouders, bent u er niet voor het algemeen belang in het algemeen en de consument in het bijzonder? Is het niet uw taak om producten te beoordelen op hun gevaren voor samenleving en consument. Hoe wilt u uw onafhankelijkheid als toezichthouder waarborgen als u producten mee gaat ontwikkelen? Bent u dan niet de slager die ‘zijn eigen vlees’ keurt?

Economie volgens Van Klaveren (5 van 7)

Vandaag het vijfde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Laveren bij The PostOnline verkondigde.

Inkomen

Die economische vrijheid, die vrije markt van vraag en aanbod zal, zo schrijft Van Klaveren: “inkomens creëren, welvaart vergroten en armoede verkleinen.” De econoom Jaap Van Duijn geeft specifiek Nederlandse cijfers voor de periode vanaf 1948. Hij doet dit per conjunctuurcyclus die hij in die periode onderscheidt. In de tabel zijn bevindingen.

conjunctuurcyslus

econ. groei

groei beroepsbev.

groei arbeidsprod.

1948 – 1956

5,3%

1,1%

4,4%

1957 – 1966

4,4

1,1

3,6

1966 – 1973

4,9

1,1

5,2

1974 – 1980

2,3

0,9

2,4

1981 – 1990

2,2

1,4

2,2

1991 – 2000

3,2

1,7

1,7

2001 – 2008

1,9

1,0

2,2

2009 – 2014

-0,4

0,4

0,5

Economische groei is het resultaat van de groei van de beroepsbevolking en een toename van de arbeidsproductiviteit. In de ideale situatie (volledige werkgelegenheid) is de economische groei precies gelijk aan de som van de andere twee. De situatie is echter zelden normaal. Zo zou de economie tussen 2009 en 2014 met 0,9% per jaar hebben kunnen groeien. Er is echter sprake van krimp. Dit is een gevolg van de toegenomen werkeloosheid waardoor een flink deel van de beroepsbevolking niet productief is. De grote groei van de beroepsbevolking na 1981 is vooral een gevolg van de toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt. Die kwam in de jaren negentig tot een hoogtepunt en dat verklaart ook voor een belangrijk deel de grotere economische groei na 1991.

Rijkdom
Illustratie: www.ans-online.nl

“Economisch onderzoeker Johan Norberg stelde al eens dat 3 procent groei onze economie, ons kapitaal en ons inkomen iedere 23 jaar verdubbelt. Is de groei twee keer zo groot dan gaat het om slechts 12 jaar. Een ongeëvenaarde welvaartsgroei die zelfs door de meest robuuste overheidsmaatregelen om inkomens te herverdelen, niet gehaald wordt. Sterker nog, het is gevaarlijk omdat hoge, nivellerende belastingen de broodnodige groei juist afremmen,” schrijft Van Klaveren. Als we kijken naar de laatste drie decennia waarin het door Van Klaveren voorgestelde beleid, leidend was en dat is het nu nog steeds, dan zien we dat dit een periode is met relatief geringe economische groei, zeker sinds 2001. Op basis van ‘rendementen uit het verleden’ lijkt het dat Van Klaverens beleid niet tot een extra toename van de welvaart leidt. De drie procent wordt alleen in het begin even gehaald.

Kijken we naar de periode tot 1980, dan zien we robuuste groeicijfers die bijna de hele periode boven de 3 procent liggen. In die periode lag het financieel kapitaal stevig aan banden, had de overheid een stevige vinger in de economische pap, werd het stelsel van sociale zekerheid opgebouwd, steeg de levensverwachting, kenden we nog een toptarief in de inkomstenbelasting van 60 procent en kende Nederland relatief geringe verschillen in inkomen en vermogen. Net als trouwens de rest van de westerse landen.

Sterker nog beleid met hoge, nivellerende belastingen en robuust overheidsbeleid om inkomens te herverdelen, lijkt betere resultaten te behalen. Betere resultaten voor wat betreft de groei van het nationaal inkomen, het creëren van inkomens voor mensen en het verkleinen van de armoede. Lees het boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom en docent aan de Cambridge University Ha-Joon Chang, en dan vooral Ding 7 vanaf pagina 81. “Met slechts een paar uitzonderingen, zijn alle landen die nu rijk zijn, inclusief Groot Brittannië en de Verenigde Staten – de veronderstelde bakermatten van vrijhandel en vrije markten – rijk geworden door een combinatie van protectionisme, subsidies en andere maatregelen die we nu de ontwikkelingslanden adviseren niet toe te passen. Vrijemarktbeleid heeft tot op heden weinig landen rijk gemaakt en zal er ook in de toekomst maar weinig rijk maken. Nee, van de markt alleen moet je het niet hebben als je welvaart en inkomens voor mensen wilt creëren en de armoede wilt verkleinen.

Dit is een vijfde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde en het vierde te lezen.

Economie volgens Van Klaveren (3 van 7)

Vandaag het derde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

De vrije markt en innovatie

Al die innovatieve ontwikkelingen, die ons leven makkelijker maken, de smartphone, het internet, dat komt toch maar mooi door die innovatieve bedrijven die op de vrije markt in de volle wind van de concurrentie moeten overleven. Ook dat ligt iets genuanceerder want ook voor innovatie moet je voor een belangrijk deel bij de overheid zijn. Mariana Mazzucato geeft in haar boek De ondernemende staat het voorbeeld van het ‘innovatieve’ Apple en de succesproducten de iPod, iPhone en de iPad. Steve Jobs stond ze glunderend te presenteren als een wonder van Apple-innovatie.

iPad

Illustratie: www.a-n-v.be

Mazzucato zet in het onderstaande schema op een rij wie de belangrijke technieken heeft ontwikkeld.

 

Mazzacuto

Zie: Mariana Mazzucato, De Ondernemende Staat. Waarom de markt niet zonder de overheid kan, Nieuw Amsterdam, pagina 151
MvD  = Ministerie van defensie,
MvE  = Ministerie van Energie,
DARPA = Defense Advanced Research Projects Agency (is een instituut van het Amerikaanse ministerie van defensie dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van militaire technologie. De voornaamste taak is het beheer van onderzoeksgelden)
NSF = National Science Foundation
NIH = National Institutes of Health
CIA = Central Intelligence Agency
CERN = Conseil European pour la Recherche Nucleair

Allemaal instituten van, gelieerd aan en gefinancierd door overheden en met name de Amerikaanse overheid.

De belastingbetaler heeft al die zaken betaald en dat maakt het extra wrang dat degenen die er nu geld aan verdienen, dat geld via allerlei schimmige constructies aan belastingbetaling onttrekken.

Voor wie nog niet is overtuigd van de kracht van overheidsbeleid. De landen die nu de grootste groei en ontwikkeling laten zien, zijn landen waar de overheid juist een stevige vinger in de pap heeft zoals China en India. Maar ook bijvoorbeeld Zuid-Korea, een land dat door duidelijke overheidssturing is uitgegroeid tot een economische macht in deze wereld. Door actieve overheidsbemoeienis werden grote en succesvolle concerns als staalgigant POSCO, LG en Hyundai wereldspelers (zie Ha-Joon Chang, 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, Nieuw Amsterdam 2010, pagina 150).

Dit is een derde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste en het tweede te lezen.

 

TTIP en welvaart

“Vrijhandel leidt tot meer welvaart.” Dit schrijft Hans Wansink in het Commentaar in de Volkskrant. In dit commentaar bespreekt hij het Transaltlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), een handelsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. TTIP kwam in het nieuws nadat Arjen Lubach in zijn programma Zondag met Lubach een item eraan besteedde. Voor en tegenstanders vallen nu over elkaar heen zonder dat de inhoud van het verdrag bekend is. Die is namelijk geheim. Althans, dat was zo tot Greenpeace deze week grote delen van het verdrag onthulde.

Wansink pleit voor voorzetting van de onderhandelingen omdat vrijhandel tot meer welvaart leidt. Een argument dat in diverse vormen, waaronder economische groei en inkomensstijging, terugkomt in de discussie. Naast meer welvaart moet het ook goedkopere producten opleveren. Vrijhandel leidt tot welvaart, is dat een wetmatigheid?

Vrijhandel is iets van redelijk recente datum. Eigenlijk pas van na het ineenstorten van het systeem van vaste wisselkoersen in 1971. De vaste wisselkoersen, met de Amerikaanse dollar als spil, waren aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ingevoerd om de financiële chaos van de vooroorlogse jaren te voorkomen. Deze zogenaamde ‘Bretton Woods afspraken’ boden landen de ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. En laat nu net die jaren van veel minder vrije handel, zich kenmerken door de grootste economische groei. En dat niet alleen, die groei werd ook nog eens eerlijk over de bevolking verdeeld. De ongelijkheid in inkomen en vermogen waren in die periode historisch laag, zo laat Piketty zien in Capital in de Twenty-First Century.  Sinds 1971 en vooral sinds 2000 is de economische groei zeer laag en neemt de ongelijkheid flink toe.

De econoom Ha-Joon Chang (23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme) laat zien dat nu succesvolle’ landen als China en India, die de ‘neoliberale vrijhandel’ niet aanhangen, het snelst groeien. En wat verder terug in de tijd: de Verenigde Staten zijn groot geworden door hun markt af te schermen voor buitenlandse (vooral Engelse) producten.

Maken deze feiten niet duidelijk dat vrijhandel niet automatisch tot meer welvaart leidt? En zeker niet tot meer gelijkheid. Want is de ongelijkheid sinds de jaren zeventig niet flink toegenomen, omdat dat beetje groei dat er was, ook nog bijzonder oneerlijk werd verdeeld? Wansink zal met betere argumenten moeten komen.

Een pleidooi voor bureaucratie

Een van de zaken waar Groot Britannië binnen de Europese Unie wat aan wil doen, is het verminderen van de bureaucratie en dus de regels. Die werken immers verstikkend, hinderen ondernemers en zorgen er zo voor dat de verdiencapaciteit voor bedrijven  flink slinkt. De Britten staan daarin niet alleen, ook in Nederland wordt steen en been geklaagd over de Brusselse regelzucht. Goed dus dat daarvoor aandacht is en dat bureaucratische belemmeringen worden weggesneden. Dit leidt tot meer ruimte, meer ondernemen en dus meer economische groei.

chang

Illustratie: www.flipkart.com

Tot zover de populistische opvatting over regelgeving en bureaucratie. Een opvatting die veel aanhang heeft. Laten we er eens op een andere manier naar kijken. Met de ogen van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Die haalt in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme een voorbeeld aan van een zakenblad dat zich erover verbaasde dat “… hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid-Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent was gegroeid.” Flinke groei met zeer forse regelgeving. Aan de andere kant: “Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd… . Maar op raadselachtige wijze groeiden zij in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” Meer regels met als resultaat meer groei en minder regels met als resultaat minder groei? Vanwaar dit vreemde, niet in het ‘bureaucratie snijden’ discours passende resultaat? Hoe kunnen we dit verklaren?

Chang geeft de volgende antwoorden. Als eerste stappen ondernemers over die regels heen als er aan het einde maar voldoende te verdienen is.  Daar komt, volgens Chang, bij dat veel van die regels goed zijn voor de bedrijven. Veel van die regels beperken de winst op korte termijn, maar behouden winstkansen op lange termijn. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat hulpbronnen niet worden verwoest. Denk bijvoorbeeld aan vangstquota in de visserij. Ook kan regelgeving bedrijven dwingen dingen te doen die niet in hun individueel belang zijn, maar die op den duur wel de productiviteit van de hele bedrijfstak vergroten. Bijvoorbeeld investering in de training van medewerkers.

Regels helpen aldus Chang: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.” Toch maar voorzichtig zijn met het schrappen van regels?

Zaaien en oogsten

Eigenbelang of hebzucht vervult een centrale rol in het economische denken. De ‘godfather’ van de economische wetenschap, Adam Smith verwoordde het zo: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”

Die bakker verkoopt ons goed brood omdat we anders niet meer bij hem kopen, niet omdat hij zo graag goed brood maakt. Voor de bakkers onder de lezers, zo redeneerde Smith en tegenwoordig veel economen en politici. Ik zie ook een intrinsieke motivatie van Bakkerij Rutten om een een lekkere ‘Jocusmik’ te maken

RuttenFoto: https://www.facebook.com/BakkerijRutten

Op dit denken is een groot deel van onze samenleving gebouwd. Daarom is veel sociale wetgeving, zie bijvoorbeeld de Participatiewet, gebouwd op wantrouwen. Als het geld binnen is, zal de uitkeringsgerechtigde niet hard zoeken naar werk. Dus dat moet worden ‘afgedwongen’. Als je met een dergelijke bril naar de wereld kijkt, dan valt inderdaad op dat er mensen zijn die misbruik maken. De ‘brillendrager’ zal dat zien als een bevestiging van zijn gelijk. Wat hij niet ziet, is dat een veel groter aantal mensen geen misbruik maakt. Ziet hij dat wel, dan zal hij daarin ook een bevestiging zien van zijn gelijk. Dat goed gedrag wordt immers door de regels ‘afgedwongen’.

‘Zoals men zaait zo zal men oogsten’ luidt een Nederlands spreekwoord. Zouden we als we eigenbelang en hebzucht zaaien, door in onze regels uit te gaan van wantrouwen, niet ook eigenbelang en hebzucht en dus wantrouwen oogsten? De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang ziet dit als een van de 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. Hij zou het economisch stelsel op dit punt graag wat anders zien: “We moeten een economisch stelsel ontwerpen dat er weliswaar rekening mee houdt dat mensen vaak zelfzuchtig zijn, maar dat optimaal gebruik maakt van andere menselijke motieven en het beste uit mensen haalt.” 

Dat brengt mij bij de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler waarover ik al eerder schreef. Semler gelooft in de kracht van geluk en daar bouwde hij zijn bedrijf op. Voor hem staat vertrouwen centraal en hierdoor boort hij de kracht van mensen aan. Dat doet hij met succes. Laten hij en zijn medewerkers zo niet zien dat uitgaan van het goede in mensen goede resultaten oplevert? Zou uitgaan van het goede en dus vertrouwen in de sociale zekerheid betere resultaten opleveren? En wellicht tegen lagere kosten?

 

 

Staande ovatie

Gisteren haalde ik de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang aan. Chang is een bijzondere econoom. Want welke econoom zegt van zijn vak dat het voor 95 procent gezond verstand is dat ingewikkeld wordt gemaakt. En dat zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering in eenvoudige termen kan worden uitgelegd. Zijn boek 23 Dingen over het kapitalisme die ze je niet vertellen is het bewijs hiervan. Chang heeft een bijzondere en verfrissende kijk op zaken en onderbouwt die met argumenten en feiten.

OvatieFoto: www.operamagazine.nl

Zo heeft Chang een bijzondere en afwijkende kijk op de rol en functie van het onderwijs. Het Nederlandse beleid is gericht op het zo hoog mogelijk opleiden van de jeugdigen. Om een sterke, groeiende economie te behouden, moeten we het immers van de kennis hebben, de kenniseconomie heeft de toekomst.

Chang kijkt er wat anders naar: “Onderwijs is waardevol, maar de belangrijkste waarde is niet dat de productie verhoogt. Die ligt in het feit dat onderwijs ons helpt ons potentieel te ontwikkelen en ons in staat stelt een meer bevredigend en zelfstandig leven te leiden.” Als dat de belangrijkste functie van het onderwijs is, zou het onderwijs dan niet daarop gericht moeten zijn en niet op een plek op de arbeidsmarkt?

Chang gaat verder: “Als we ons onderwijs hebben laten groeien in het geloof dat het onze economie rijker zal maken, zullen we zwaar teleurgesteld worden want het verband tussen onderwijs en nationaal productiviteit is nogal vaag en ingewikkeld.” Om dit standpunt te ondersteunen verwijst hij naar Zwitserland. Een van de rijkste en meest geïndustrialiseerde landen van de wereld. Maar ook het land met verreweg het laagste percentage inschrijvingen voor het hoger onderwijs, aldus Chang.

Volgens Chang verspillen landen veel geld en middelen aan het streven om ‘iedereen’ hoger opgeleid te krijgen. De hogere opleiding is voor het beschikbare werk niet nodig, maar wel om met andere werkzoekenden te kunnen concurreren. Ook voor werk waarvoor een hogere opleiding eigenlijk niet nodig is. Zou dat de oorzaak ervan kunnen zijn dat veel mensen onder hun opleidingsniveau werken?

Chang maakt het beeldend: “Het stelsel van hoger onderwijs is in deze landen te vergelijken met een theater waar enkele mensen besloten te gaan staan om beter zicht te krijgen, waardoor ze anderen achter hen dwongen ook te gaan staan. Als eenmaal genoeg mensen staan, moet iedereen gaan staan, wat betekent dat niemand meer een beter zicht heeft terwijl iedereen het ongemak van staan ondervindt.”