Jeugdzorg en geld

“En weer gaat er extra geld naar de jeugdzorg… Prima, als je informatievoorziening beperkt is tot de steeds terugkerende berichten dat de wachtlijsten wéér langer zijn geworden. Maar het verhaal is iets ingewikkelder dan dat men met geld de wachttijden probeert te verkorten.” Aldus psychiater en publicist Bram Bakker in een artikel bij Joop. Over die eerste zin moeten we het eens hebben. Maar eerst het betoog van Bakker.

Free Images : stack, brand, cash, font, art, currency, bill, games, many,  finance, out of focus, banknote, pay, bank note, paper money, financial  world, 10 euro, 20 euro, euro sign, 100 euro,
Bron: PxHere

In zijn artikel geeft Bakker een redelijk accurate analyse van het probleem: “Niet enkel in de jeugdzorg, maar ook in de volwassenen-GGZ verdwijnt buitenproportioneel veel geld naar bijzaken. De overhead laat zich lastig exact berekenen, maar is immens.”  Zijn oplossing gaat op sommige punten misschien wat te ver maar is als denkrichting interessant: “Schrap al dat management, geef instellingen minder vergoeding naarmate mensen langer moeten wachten op hulp. Er is genoeg te bedenken dat niet eens extra geld kost. Het gaat om een herijking van het systeem, het schrappen van organisatievormen die niet meer van deze tijd zijn.” Hoe de zorg er dan uit moet zien omschrijft hij helder: “Goede zorg is kleinschalig, flexibel en proactief. Wordt verleend door multidisciplinaire teams, die zoveel mogelijk zelfsturend zijn. We weten het allemaal al lang, maar waarom doen we het niet?”

Dan nu naar die eerste zin. Als je de kranten de afgelopen weken hebt gelezen en de berichten in de media hebt gevolgd, dan kan ik me voorstellen dat je die zin schrijft. Op 3 juni een artikel bij de NOS met als titel: “Kabinet trekt 1,3 miljard extra uit voor jeugdzorg in 2022.”  Of EenVandaag: “Extra geld voor jeugdzorg heel welkom, ‘maar kijk goed hoe dat geld wordt ingezet” Alleen is het beeld dat er extra geld naar de jeugdhulp gaat niet correct. Er gaat extra geld naar de gemeenten om het gat te dichten tussen het geld dat de gemeenten van het rijk krijgen om de jeugdhulp te verzorgen en het veel grotere bedrag dat ze eraan uitgeven. Geld dat gemeenten niet meer kunnen besteden aan bibliotheken, zwembaden, gemeenschapshuizen, cultuurpodia subsidie voor sportclubs en lantaarnpalen. Sterker nog, als het gaat zoals de minister het wil, dan gaat er in 2022 € 214 miljoen minder naar jeugdhulp dan nu het geval is. Voorwaarde voor dat extra geld voor gemeenten is namelijk dat de gemeenten maatregelen moeten nemen die tot dit bedrag besparing op de jeugdhulp leiden.

De zin schetst een verkeerd beeld. Namelijk dat extra geld de problemen in de jeugdhulp kan oplossen en dus die wachtlijsten wegwerkt. Geld is echter niet het probleem zoals Bakker redelijk accuraat laat zien. De bijzaken zijn het probleem en dat probleem is al meer dan vijftig jaar oud en wordt in stand gehouden door ideologie en verkeerde aannames. Dit verkeerde beeld organiseert de volgende teleurstelling; ‘hebben we 1,3 miljard extra in de jeugdhulp gestort en nog zijn er wachtlijsten.’

De broodrooster, de overheid en filantropie

Bij De Correspondent las ik een interessant artikel van Maurits Martijn met de bijzondere titel Hoe kwetsbaar Europa is, leer je van een broodrooster. Met zo’n titel heb je mij meteen te pakken. De kwetsbaarheid van Europa uitgelegd aan de hand van een broodrooster. Martijn spreekt in het artikel met Bert Hubert de man van de ‘broodrooster’. Bij het lezen van dit artikel moest ik meteen denken aan het veld waarin ik werk: de overheid.

Toaster Toast Brood - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Eerst even de broodrooster. “Een broodrooster bestaat uit verschillende onderdelen. Vroeger maakten allround technologiebedrijven die allemaal zelf – van het omhulsel tot de schakelaar, en van de zekering tot het hitte-element. Nu is dat niet meer nodig. Broodroostermakers kunnen alle onderdelen over de hele wereld los inkopen – en dat doen ze dus ook.” Je kunt nog steeds geld verdienen maar je bent dan wel kwetsbaar: “omdat je geen broodroosters maakt, weet je ook niet precies hoe ze werken. Je verliest de beste broodroosterwizards als personeel, want hen boeit het werk bij jou niet meer. ‘Je komt op een punt dat je niemand meer in dienst neemt die iets kan, waardoor je als bedrijf niets praktisch meer zelf kunt.’ Weg expertise, weg innovatie.” Vervolgens maakt Hubert de sprong naar zijn werkveld, de telecom alwaar de grote spelers in Europa: “wat een ‘telco’ tot ‘telco’ maakt – de infrastructuur, het onderhoud, het personeel, de administratie – uitbesteedden aan andere partijen  ‘Ik zag ze allemaal veranderen in marketingbedrijven’.” De telecom sector is cruciaal voor een land en voor de Europese Unie en het uitbesteden van alle technische kennis en techniek aan derden maakt je kwetsbaar. Of zoals Hubert het zegt: “Als je nu ruzie krijgt met China, dan kun je denk ik nog precies één keer bellen. Ni hao, hoor je dan, vlak voordat er op wordt gehangen.” De coronapandemie liet zien dat al het uitbesteden ook op andere terreinen tot problemen kon leiden.

Bij het lezen van het artikel moest ik, zoals gezegd, denken aan onze overheid en vooral het fenomeen ‘regiegemeente’. In de kern komt het erop neer dat een regiegemeente bepaalt wat er moet gebeuren en het vervolgens via opdrachten laat uitvoeren. Dat vraagt, zo adviseert de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden, om goed opdrachtgeverschap en daarbij draait het om drie punten. Als eerste: “De gemeente beschikt over voldoende kennis en kunde om andere partijen aan te sturen (sturings- kwaliteiten).” Het tweede punt betreft inhoudelijke expertise:  “Er blijft voldoende inhoudelijke expertise bij de gemeente achter om niet alleen opdrachten te verlenen maar ook om te kunnen beoordelen of opdrachten volgens afspraak zijn uitgevoerd. Medewerkers dienen zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever te ontwikkelen. Dit vereist een cultuurverandering, opleidingstrajecten en ook wel het aannemen van meer commercieel geschoold personeel.” En als derde draait het dan om relatiebeheer: “Het is bovenal een proces waarin de relatie tussen deze partners moet worden onderhouden. Er zijn verschillende sturings- en verantwoordingsrelaties tussen de samenwerkingspartners en de uitvoerende organisaties.”

Hoe beoordeel je nu die geregisseerde ‘broodrooster’? Dat lijkt eenvoudig, je stopt er brood in en als het er geroosterd uitkomt, dan heb je een broodrooster en is aan de opdracht voldaan. ‘The proof of the pudding’ is immers ‘the eating’ zouden de Engelsen zeggen. Maar wat als je een paar uur na het eten van die toch heerlijke pudding met diarree op de wc zit? Of erger nog met voedselvergiftiging in het ziekenhuis ligt? Of in het geval van de broodrooster, als die het na drie keer begeeft. Of enorm veel stroom gebruikt of een op de vier keer voor kortsluiting zorgt of je keuken erdoor in de hens vliegt? En nu vertaald naar gemeentelijke taken, als die balkons van een flat vallen zoals in Maastricht gebeurde? Als er zich een gezinsdrama voordoet zoals in Roermond twintig jaar geleden. Als je gegevens worden gehackt en vergrendeld zoals de gemeente Hof van Twente overkwam. Of erger nog, een ICT drama zoals tien jaar geleden in Amsterdam.

Je kunt die ‘broodrooster’ net als pudding, de balkons, hulp aan gezinnen en ICT-systemen beoordelen door er allerlei kwaliteitseisen aan te stellen. Dat is de weg die gemeenten vaak kiezen. Echter om de goede eisen te stellen en vooral om erop toe te zien dat het werk ook aan de gestelde eisen voldoet, heb je mensen nodig die van de hoed en de rand weten. Die op de vraag wat 5G is, om een voorbeeld van Hubert aan te halen, antwoorden: “het is een snellere mobiele verbinding en je kunt het netwerk ook opsplitsen in verschillende delen.” En niet beginnen over: “zelfrijdende auto’s en medische operaties die nu via robots uitgevoerd kunnen worden.” Die hoed de rand, vragen om meer dan ‘voldoende inhoudelijke expertise’, die vragen om een expert. Maar waarom zou die expert voor een gemeente gaan werken als medewerkers zich: “zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever (dienen) te ontwikkelen?”  Waarom zou die top ICT-er voor de overheid kiezen als zijn salaris gemaximeerd is en nooit boven de ‘Balkenendenorm’ uitkomt terwijl er bij de Tech-bedrijven veel meer is te verdienen? Net zoals belastingspecialisten veel meer kunnen verdienen als ze niet in dienst van de overheid zijn.

Daarmee kom ik bij een TED-Talk waar Rutger Bregman op wees in de discussie onder zijn artikel over altruïsme waarover ik mijn vorige Prikker schreef. Bregman gebruikt die TED-Talk omdat die zijn ogen opende over de hoge salarissen van directeuren van goede doelen waarover hij zich vroeger druk maakte: “maar ik ben erg van mening veranderd na het kijken van deze TED Talk.” In die TED-Talk verdedigt Dan Pallotta de hoge overheadkosten van goede doelen mits ze leiden tot een flinke stijging van de inkomsten voor het goede doel. Als die leiden tot vergroting van het marktaandeel van het goede doel en beter nog, tot vergroting van het totale marktaandeel van alle goede doelen. Dat schijnt in de Verenigde Staten al jaren 2 procent van het BBP te bedragen. ‘Wat als we dat laten toenemen naar 3 procent’, vraagt Pallotta zich af. Een goed punt. Immers een organisatie met 40 procent overhead besteedt aan kwalitatief goede mensen, die 100 miljoen ophaalt, kan meer gedaan krijgen dan een organisatie met 5 procent overhead die 10.000 ophaalt.

En via Pallotta weer bij de overheid. Laat de overheid nu, en dat klinkt raar met de ‘toeslagenaffaire’ in gedachte, in de basis de grootste ‘goede doelenorganisatie’ zijn. In artikel 20 van onze Grondwet is immers vastgelegd dat: “De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart (…) voorwerp (zijn) van zorg der overheid.”  Op grond van artikel 22 treft de overheid “maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid,” bevordert zij voldoende woongelegenheid en: “schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.” Dit allemaal gevolgd door artikel 23 die het onderwijs tot: “de aanhoudende zorg der regering,” maakt.

Zouden we er, Pallotta volgend, niet voor moeten zorgen dat de kwaliteit van de overheid toeneemt? Moeten we in het verlengde daarvan niet anders kijken naar de betaling van overheidspersoneel? Niet als een kostenpost maar als een investering in een goede overhead. Een investering in het binnenhalen en houden van de beste belastingspecialisten, ICT-ers, bruggenbouwers en ook jeugdhulpverleners? Een overheid die voor hen een interessante werkgever is niet omdat ze ‘regisserend opdrachtgever’ zijn maar omdat zelf die brug bouwen, publieke ict-voorzieningen ontwikkelen en kinderen en vooral hun ouders met problemen helpen? Zou daarmee de kans op een tweede “Siewert-zaak’ niet veel kleiner worden? Zou de kans op kostenoverschrijding van een infrastructureel of ICT project niet veel kleiner worden? Zou de kans op een gezinsdrama daarmee niet veel kleiner worden? Zou dan de kans dat ‘Wopke Hoekstra zijn tanden eens gaat poetsen en zijn handen wassen’ zoals Frank Kalshoven in de Volkskrant schrijft toenemen waardoor er vele miljoenen en waarschijnlijk zelfs miljarden aan onterechte belastingkortingen niet worden uitgekeerd en aftrekposten, vrijstellingen en teruggaven geen zoals Kalshoven schrijft: “paradijs voor mensen die er de weg in weten (zijn), want er is niets meer of minder dan een ‘wildgroei’ ontstaan in de belastinguitgaven in Nederland”? Zou die investering in kwaliteit zich niet dubbel en dwars terugbetalen?

Filantropisch kolonialisme

Bij de Correspondent houdt Rutger Bregman een pleidooi voor effectief altruïsme. De titel van het artikel luidt: Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk? Een bijzonder artikel. Effectief altruïsme wil zoveel mogelijk goed doen in een mensenleven en zoveel mogelijk goed doen voor een euro of dollar. Ik schreef er eerder al eens over toen ik het boek Doing good Better van William Macaskill besprak. Aanleiding voor die bespreking was trouwens ook een uitspraak van Bregman en op die uitspraak kom ik later terug.                

‘Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk?’ Een interessante vraag die je meteen met een moreel oordeel opzadelt of beter gezegd moreel veroordeelt. Ja, ik ben voor gelijkheid en ja, qua inkomen behoor ik tot de rijkste 3,5% van de wereld. Nu is dat voor een Nederlander niet zo bijzonder. Met een modaal inkomen van € 36.500 per jaar, behoor je tot de 3,5% van de wereldbevolking met het hoogste inkomen. Dus ik moet mij schamen, ik ben voor gelijkheid en ik ben ‘zo rijk’. Moet de modale Nederlander zich schamen? Schamen vooral omdat hij hier is geboren en niet bijvoorbeeld in Pakistan?

Een vraag waarbij rijkdom en gelijkheid als samenhangende begrippen worden gezien. Aan de ene kant rijkdom en aan de andere kant gelijkheid. In feite zegt Bregman dat er pas sprake is van gelijkheid als iedereen even rijk is. Rijkdom is volgens Van Dale, en die omschrijving volgt Bregman: “het rijk zijn, rijk bezit, geld, goederen, schatten.” Geestelijke rijkdom en rijkdom aan liefhebbenden om je heen vallen buiten deze definitie. Gelijkheid definieert dezelfde Van Dale als: “volkomen overeenkomst in een bepaald opzicht.” Voor Bregman dus ‘volkomen overeenkomst in rijkdom’. In de politieke geschiedenis wordt gelijkheid anders gedefinieerd. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” aldus de tweede alinea van de verklaring waarmee dertien Staten in Amerika zich onafhankelijk verklaarden. Nu hoeft die ‘Creator’ er van mij niet in, dit terzijde. Gelijkheid gedefinieerd als gelijke rechten voor iedereen. Gelijke rechten betekenen dan niet per definitie ‘iedereen evenveel rijkdom’. Ook met verschillen in rijkdom is politieke en maatschappelijke gelijkheid voor iedereen mogelijk. Dat rijkdom mogelijkheden biedt en tot ‘onvolkomen overeenkomst in bepaalde andere opzichten’, leidt is evident. Dat er aan de grote inkomens en vooral vermogensongelijkheid in de wereld iets moet gebeuren, staat buiten kijf.

Het wordt bijzonder als Henk Broekhuizen in een discussie onder het artikel aangeeft dat het boek De tirannie van verdienste van Michael J. Sandel hem op dit punt de ogen heeft geopend: “Hoezo heb ik meer recht op het door mij verdiende geld. Als je bent geboren op de goede plek, bent gezegend met goede collegae die je activiteit in het bedrijfsleven hebben doen resulteren in een goede financiële positie,” schrijft Broekhuizen. Bregman reageert hierop door een link te sturen naar een Twitterdraadje waarin Sandel wordt verweten dat kaartjes voor een workshop van hem schreeuwend duur waren en voegt eraan toe: “Een boek schrijven over de ‘grenzen van de markt’ om vervolgens jezelf te commodificeren. Ook hier geldt weer: makkelijk om naar anderen te wijzen, maar verdraaid lastig om je eigen idealen in de praktijk te brengen.”

Een bijzondere reactie van iemand die voor effectief altruïsme pleit. Bijzonder omdat effectief altruïsme erom gaat om zoveel mogelijk goed te doen in je leven. Wie Macaskill, een van de oprichters van die beweging zo is te lezen op de kaft van het boek, leest, zal zien dat zoveel mogelijk geld verdienen een van de strategieën is die een altruïst kan toepassen. Als je veel verdiend kun je immers ook veel weggegeven en dus veel goed doen. Volgens Macaskill kun je beter ‘flitshandelaar’ worden dan tropenarts want met je verdiensten als ‘flitshandelaar’ kun je meer voor armen doen dan een tropenarts.

Nu weten we, ik en Bregman ook niet, wat Sandel met dat vele geld doet dat die workshops opleveren. Wellicht geeft hij een flink deel ervan aan goede doelen of betaalt hij er studiebeurzen van voor kinderen waarvan de ouders de studie niet kunnen betalen. Dan doet hij precies wat het effectief altruïsme aanbeveelt: veel verdienen zodat je veel weg kunt geven. Of misschien pot hij het wel op of koopt hij er allerlei ‘bling’ van. We weten het niet. Het gaat mij ook niet om Sandel.

Het gaat mij erom dat Bregman met die opmerking zonder dat hij het zich realiseert, de Achilleshiel van de effectief altruïsme beweging bloot legt. Alle altruïsten, groot en klein, kunnen alleen maar ‘altruïst’ zijn door precies dat te doen wat Bregman Sandel verwijt en dat is door te commodificeren. Neem de grote altruïsten van deze tijd Bill Gates en zijn ex Melissa. Zij haalden en halen hun vermogen en geld uit de bijna monopoliepositie van Microsoft. Vervolgens stoppen ze dat vermogen in een eigen stichting om ‘goed te doen’. Dat ‘goed doen’ doen ze van de rendementen van de beleggingen van dat vermogen en het vermogen van de anderen die zich bij hun ‘Giving Pledge’ hebben aangesloten. Niet door dat vermogen op te souperen. Ook Bregman zelf ontkomt er niet aan. Hij kan alleen de ‘altruïst’ uithangen door deel te nemen aan het systeem. Door artikelen te schrijven en podcasts te maken waar mensen als ik voor betalen. Door boeken te schrijven die mensen als ik lezen en door lezingen te houden. Dus door te commodificeren. Is zijn kritiek op Sandel niet van een hoog ‘pot verwijt de ketel’ gehalte? Altruïst kun je alleen maar binnen het systeem zijn.

En daarmee kom ik terug op de uitspraak die voor mij aanleiding was om een Prikker te wijden aan het boek van Macaskill. Op een activiteit van het World Economic Forum in Davos, werd Bregman geïnterviewd en sprak hij zich juist uit tegen filantropie met de woorden: “Taxes, taxes, taxes! The rest is bullshit.” Als we werkelijk naar een betere verdeling van de rijkdom en kansen in de wereld willen, dan komen we er niet met filantropie. Dan hebben we echt ‘taxes, taxes, taxes’ nodig en geen filantropische bullshit. Filantropie houdt, ondanks dat er mensenlevens worden gered en er goeds gebeurt, de bestaande verhoudingen in stand en vergroot die zelfs nog. Erger nog, om een tegenwoordig veel en vaak niet op de goede manier gebruikt woord te gebruiken, het zorgt voor ‘koloniale verhoudingen’.  

Verbouwing van de democratie

Ik heb niets met beide partijen en sinds kort moet ik zeggen met alle vier die partijen. Welke ik bedoel? Wel 50Plus en het Forum voor Democratie en sinds kort de afsplitsingen ervan Lijst De Haan of hoe ze zich ook noemt en sinds deze week het ‘Forum Van Haga’. Het zijn de zoveelste afsplitsingen van twee groepen ijdeltuiten. Aan de ene kant de ‘ouderlijst’ die weer doen wat ze waarschijnlijk op school ook deden: het pesten van anderen. En aan de andere kant een clubje omhooggevallen narcisten die niet in de gaten hebben dat narcisme niet werkt in groepsverband. Waarom begin je er dan toch over, zal je je afvragen? Ik begin erover omdat jullie wat nu volgt niet moeten zien als een verdediging van, of opkomen voor een van deze groepen.

De Grondwet 1848 - Maand van de Geschiedenis
Bron: Maand van de geschiedenis

“Het is ongekend dat zoiets gebeurt – zeker in een fractie van één – maar eigenlijk zag iedereen dit natuurlijk al van verre aankomen.” Dit schrijft Michael van der Galien op 6 mei 2021 op zijn De Dagelijkse Standaard over de afsplitsing van Lijst De Haan van 50Plus. Het is inderdaad nog niet voorgekomen dat een eenpersoonsfractie zich afscheidt van haar fractie. Alleen is dat niet waar Van der Galien op doelt. Hij doelt erop dat De Haan haar zetel meeneemt: “Ze wil niets meer te maken hebben met 50Plus. Maar de Kamerzetel die de partij kreeg bij de verkiezingen houdt ze. Want, vindt ze, die komt haar eigenlijk toe, niet de partij.” Woorden die hij een week later niet gebruikt om de afsplitsing van het ‘Forum van Haga’ van het Forum voor Democratie te beschrijven. Een week later, op 13 mei vindt hij die: “Dood- maar dan ook echt doodzonde. Want hoe meer rechts verdeeld is, hoe minder we voor elkaar krijgen, en hoe moeilijker het wordt om onze rechten en vrijheden ooit nog terug te krijgen.” Geen woord over de ‘zetels die de afsplitsers’ meenemen en die eigenlijk de partij toekomen. De ene afsplitsing is blijkbaar de andere niet. Nu kan dat zijn omdat Van Haga veel voorkeursstemmen haalde. Alleen moeten we ons daarbij bedenken dat dit niet zijn eerste ‘afsplitsing’ is. Hij splitste zich in 2019 af van de VVD en die zetel had hij niet te danken aan voorkeursstemmen.

Het meenemen van een zetel na afsplitsing is niet ongekend. Het gebeurt vaker en is in de basis eigen aan de manier waarop we onze democratie hebben vormgegeven. Die gaat uit van Kamerleden die zonder ‘last en ruggespraak’ (artikel 67) stemmen. Ze zijn onafhankelijk maar om gekozen te worden, moeten ze eerst op een kandidatenlijst staan, zo is het in de Kieswet geregeld. Met kandidatenlijst wordt een politieke partij bedoeld. Dit alles hebben we te danken aan de Pacificatie van 1917. De laatste echte verbouwing van ons democratische huis. Tijdens die ‘verbouwing’ werd artikel 23 (vrijheid van onderwijs) opgenomen in de Grondwet en voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel en het censuskiesrecht afgeschaft en politieke partijen (kandidatenlijsten) deden hun intrede.

Even een tussenstap om de achtergronden hiervan toe te lichten. Censuskiesrecht wil zeggen dat je alleen mag stemmen als je meer dan een bepaald bedrag aan belasting betaald. ‘No taxation without representation’, een van de kreten die aanleiding gaven tot de opstand van de Amerikaanse koloniën tegen de Engelsen: de Engelse kroon mocht alleen belastingen heffen als dat in overleg gebeurde met het volk, het parlement. Deze uitspraak gaat terug tot de Magna Carta in 1215. De Amerikaanse koloniën maakten bezwaar tegen belastingen omdat zij niet waren gehoord over bijvoorbeeld de belasting op thee. Dit artikel in de Magna Carta brak de macht van de koning op belastinggebied en staat, zo gaat het populaire Engelse en Amerikaanse vertoog, aan de basis van de parlementaire democratie. Het ‘volk’ dat die macht brak, bestond uit hoge adel en hoge geestelijken en had geen oog voor de gewone boer of landarbeider. Enkele honderden jaren verder, zo na Napoleon, werd diezelfde kreet in ietsjes aangepaste vorm, door de bourgeoisie gebruikt om de macht te behouden. Ze gebruikten dezelfde woorden maar net iets anders: ‘no representation without taxation.’ Pas als je een redelijk bedrag aan belasting betaalde, mocht je stemmen.  En omdat het gros van de mensen geen of slechts heel weinig belasting betaalde, mochten zij niet stemmen.

Dit censuskiesrecht werd dus in 1917 ten graven gedragen en ingeruild voor het algemeen kiesrecht. Een overwinning voor de democraten maar die kwam met een prijs en die prijs dat waren de kandidatenlijsten, de politieke partijen waarmee de gevestigde machten een belangrijk deel van de met het algemeen kiesrecht verloren macht weer terugpakten. Via die partijen, waar zij de touwtjes in handen hadden, behielden ze de macht om zaken in de hun gewenste richting te sturen. Omdat de Nederlandse samenleving tot eind jaren zestig sterk verzuild was, werkte dat heel goed en waren Kamerleden ‘zonder last en ruggespraak’ geen probleem voor de partijen.

Niet dat er vroeger geen afsplitsingen waren, die waren er zeker, echter niet zo vaak. Tussen 1945 en 1980 waren er tien afsplitsingen, twee minder dan in de jaren tien van deze eeuw. In onze huidige tijd ligt dat iets anders. De verzuiling is ten graven gedragen en met haar de stabiliteit in het politieke landschap. We leven in het tijdperk van de ‘zwevende kiezer’ en de ‘continue opiniepeiling’ dat heeft zijn uitwerking op de partijen en de gekozen Kamerleden. In onze huidige tijd met veel redelijk kleine partijen maakt instabiliteit het lastig om tot werkbare meerderheden te komen. En wat erger is, het maakt het heel lastig om belangrijke problemen aan te pakken.

Tijd voor een nieuwe verbouwing van ons democratisch stelsel. Alleen staan de sterren daarvoor niet erg gunstig. Wijziging van het democratische stelsel vraagt om overeenstemming en die is op dit moment ver te zoeken in politiek Nederland. Wijziging van het democratische stelsel vraagt vooral om over de eigen schaduw heen te stappen en die kwaliteit is nog verder te zoeken. Die kwaliteit wordt pas belangrijk, zo laat het verleden ons zien, als de druk zo hoog is dat het buigen of barsten wordt. De Grondwet van 1848 kwam er vreedzaam omdat koning Willem II vreesde om letterlijk zijn ‘hoofd’ te verliezen. De Grondwetswijziging van 1917 kwam er in een tijd dat de wereld, vooral in Europa, in brand stond en de heersende klasse de opstand van arbeiders vreesde.

Bezettingsrecht

Deel zoveel van het ‘Israëlisch Palestijns’ gebed zonder einde is deze week weer begonnen. Er vallen weer raketten op Israël en de Gazastrook. Nee, ik ga hier niet dit hele conflict uitdiepen. Het gaat mij om de uitspraak van onze demissionaire premier Mark Rutte: “Ik ben zeer bezorgd over het aanhoudend geweld in Israël en Gaza. Het is onacceptabel dat Hamas willekeurig raketten op de burgerbevolking afvuurt. Nederland steunt het recht van Israël op zelfverdediging, binnen de grenzen van het internationale recht en proportionaliteit.”  En dan vooral om het gebruik van het woord zelfverdediging. Is er sprake van zelfverdediging?

File:Gazastrook Nederlandstalige kaart.svg - Wikimedia Commons
Bron: WikimediaCommons

Ja, ben je geneigd te zeggen. Er vallen immers vanuit de Gazastrook afgeschoten raketten op Israël en die beschadigen gebouwen en erger, doden mensen. Laten we dat internationale recht er eens bijhalen. Het recht tot zelfverdediging is opgenomen in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties: “Geen enkele bepaling van dit Handvest doet afbreuk aan het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval tegen een Lid van de Verenigde Naties,” zo begint het artikel. Israël, is lid, wordt aangevallen en dus heeft het land het recht om zich te verdediging. Zaak gesloten niet meer over het recht praten, alleen over de proportionaliteit. Dat gaat mij echter iets te snel.

Het Handvest is een verdrag gesloten tussen staten en gaat er vanuit dat de agressor een andere staat is. De raketten worden, afgezien van enkele vanuit Libanon, afgeschoten vanuit de Gazastrook. De Gazastrook is 465 vierkante kilometer groot, dat zijn er vijftig meer dan Vlieland groot is. Op Vlieland wonen nog geen 1.200 mensen, in de Gazastrook meer dan 2 miljoen. Dat betekent dat er op iedere vierkante kilometer iets meer dan 4.300 mensen wonen. Dat is acht keer zoveel dan er op een gemiddelde vierkante kilometer in Nederland wonen. Ondanks al deze cijfers, is de Gazastrook geen staat. Het gebied werd in 1967 door Israël bezet en dat wordt het nu de facto nog steeds. Daar doet het gegeven dat Israël in 2005 haar troepen uit het gebied terugtrok en het bestuur ervan overdroeg aan de Palestijnse Autoriteit niets aan af. Ook die Palestijnse Autoriteit is geen staat.

De Gazastrook is, om het cru te zeggen, een openluchtgevangenis. Het bestuur van de Gazastrook heeft geen zeggenschap over haar eigen grenzen, die worden door Israël gecontroleerd en bewaakt. Ze heeft geen zeggenschap over de zee waaraan zij ligt, ook die wordt door Israël gecontroleerd. Ze heeft geen zeggenschap over haar luchtruim, ook dat wordt door Israël gecontroleerd. Het is een openluchtgevangenis waarbij de directie (Israël) de dagelijkse gang van zaken in de gevangenis heeft overgelaten aan de in de rivaliserende bendes in de gevangenis en waarvan Israël de toevoer van water, voedsel, medicijnen et cetera beheerst.

Een openluchtgevangenis die door Israël en haar bondgenoten wordt voorgeschoteld als een soort ‘staat’. Een openluchtgevangenis waar Israël de ‘gevangenen’ in hun sop laat gaarkoken en waar het zich alleen maar mee bemoeit als er gevangenen dreigen uit te breken of als ze het leven van de gevangenisdirecteur lastig maken.

Aangezien het bezet gebied is, is het bezettingsrecht van toepassing. Het bezettingsrecht verplicht de bezetter om de openbare orde te verzekeren en het leven, eigendom, eer, gezinsrecht en godsdienst van de bevolking te eerbiedigen. Ik vraag me af of bombardementen een legitiem middel zijn die een bezetter mag gebruiken om de openbare orde te verzekeren. Het bezettingsrecht verbiedt represailles tegen bevolkingen na handelingen waarvoor zij niet in hun geheel hoofdelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Zijn bombardementen niet te willekeurig en wordt de bevolking van Gaza hier niet in hun geheel gestraft?

En in de Nederlandse context, neemt Rutte geen loopje met het internationale recht?

De essentie van identiteit

“Wat een huis in essentie is, wordt niet bepaald door de bouwkundige termen van de onderdelen waarmee een huis valt te definiëren, maar in het gebruik van het gebouw als woning, in het wonen dus.[1] Een zin uit een van de essays in het boek  Filosofische bespiegelingen van de filosoof Mattie Peeters. Het essay waarin hij deze uitspraak doet is getiteld Zijn wij ons bewustzijn? Bij het lezen van deze zin moest ik denken aan intersectionaliteit. Ik schreef er al vaker over. En dan vooral het gebruik ervan om iemands identiteit te beschrijven.

Als ik mijn huis ga ontleden dan bestaat het uit stenen, dakpannen, beton, hout en wat metalen. Die stenen worden bijeengehouden door cement die is verdund met metselzand en waaraan water is toegevoegd om het tot een plakkend goedje te maken. Dat water is er echter al vrij snel uitgedroogd. Daarnaast bevat het kunststofleidingen en sinds kort liggen er zonnepanelen op het dak. De stenen en dakpannen zijn gemaakt van gebakken klei en klei bestaat dan weer uit hele fijne gronddeeltjes. En zo kun je alle genoemde zaken steeds verder ontleden via moleculen, naar atomen, elektronen, protonen en wellicht nog wel verder. Allemaal zaken die in mijn huis zitten maar die ik er niet mee associeer. Een huis is voor mij het gebruik van die materialen als woning. Het is de activiteit wonen: het comfort, de veiligheid en de rust die het mij biedt.

Terug naar intersectionaliteit. Intersectionaliteit gaat ervan uit, zo is te lezen op Wikipedia, dat: “maatschappelijke ongelijkheid zich voordoet langs verschillende assen, die elkaar snijden, de notie dat individuen in een samenleving discriminatie en onderdrukking ondervinden op grond van een veelvoud van factoren.” Om dat onderdrukken tegen te gaan, is het, aldus de aanhangers ervan, van belang te weten welke verschillende ‘assen’ er een rol spelen. Bij ‘assen’ moeten we denken aan man – vrouw; homo – hetero, de huidskleur, religie enzovoorts. Door een actie ter verbetering te richten op vrouwen, worden de specifieke problemen van lesbische of moslimvrouwen vergeten, zo redeneren de aanhangers van deze theorie. Daarom bekritiseren de ‘intersectionalisten’ bijvoorbeeld feministen omdat feminisme, zo betogen zij, vooral de positie van de blanke vrouw verbetert. Of zoals op het protestbord op de foto is geschreven: Feminism without intersectionality is just white supremacy. Homo-activisme heeft te weinig aandacht voor de specifieke problemen van islamitische homo’s.

Daarom moeten we ons, zo betogen de ‘intersectionalisten’, op de meest achtergestelde groep richten. Als je de positie van die groep verbetert, verbeter je de positie van iedereen die om een of andere reden is achtergesteld, zo luidt de theorie. Nu kun je daar de nodige vraagtekens bij zetten. Stel we vinden die meest achtergestelde persoon of groep en ik verbeter hun positie door iets meer inkomen te geven. Verbetert daarmee de positie van een even arme of wellicht nog armere persoon in een iets andere situatie? Dit even terzijde.

Om die meest achtergestelde te vinden, moeten alle ‘assen’ worden bekeken en het samenstel van die ‘assen’ bepalen iemands identiteit. De mens wordt ontleed in zijn samenstellend delen: vrouw, transgender, donkere huidskleur, laag opgeleid, moslim enzovoorts. Wat zeggen die samenstellende delen over de betreffende persoon? Over het karakter van de persoon en de manier waarop de persoon in het leven staat? Zeggen deze assen niet net zo veel en dus weinig over de essentie van iemand persoonlijkheid en dus iemands identiteit als de ‘stenen en hout’ iets over de essentie van een huis zeggen?

Zoeken de ‘intersectionalisten’ identiteit niet op een verkeerde plek? Of, zoals Peeters het formuleert: “Geest, zelf en identiteit zijn geen illusies, maar een daadwerkelijk verschijnend product van het geheel van ervaringen van een persoon door de tijd. Dus als je je afvraagt wat een zelf, bewustzijn of identiteit is, stel dan niet de vraag naar de onderdelen waaruit je bent opgebouwd of naar de werking van je organen. Het is de verschijning van dat zelf in het geheel van zijn levenstijd. Het zelf als geest, uitgestrekt over de historie van zijn leven waarin je je als handelend persoon presenteert en ervaart”


[1] Mattie Peeters,  Filosofische bespiegelingen. Bezinning, actualiteit, denken, pagina 110

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Rutte en de leercirkel van Kolb

De leercirkel van Kolb. Van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam met twee tussenstappen. Als eerste bewust onbekwaam: je weet dat je iets niet kunt en je kunt ervoor kiezen om het te leren. Als je ervoor kiest om het te leren en dat lukt dan kom je bij de tweede tussenstap: bewust bekwaam. Als het nieuwe je vervolgens zo vanzelf afgaat dat je er niet meer bij nadenkt ben je onbewust bekwaam. Waarom begin ik hierover? Ik moest hieraan denken in een gesprek onder een artikel van Marc Chavannes bij De Correspondent. Een artikel over de ‘notulen’ en dus de toeslagenaffaire.

brachiosaurus | At Dinosaur World in Cave City, KY | London looks | Flickr
Bron: Flickr

In dat gesprek schreef Patrick Ubags: “Waar het weinig over gaat is dat Rutte bewust geen visie wil formuleren. Zijn eigen extreem korte termijn “olifanten die het zicht belemmeren” houden echter oplossingen voor sociaal-maatschappelijke problemen tegen.” Inderdaad heeft Rutte in 2013 gezegd dat een visie als een olifant is die het uitzicht belemmert. In 2020 had hij er ‘spijt’ van. Hij bedoelde eigenlijk: “Ik wil voorkomen dat ik zo bezig ben met wat ik wil dat ik niet meer kan samenwerken met een ander. Je moet altijd in staat zijn iets te relativeren van je eigen standpunten en te zoeken naar compromissen.” Nu zijn dat twee heel verschillende zaken. Een compromis is immers een: “overeenkomst waarbij alle partijen iets toegeven.” Het hebben van een visie hoeft daarbij niet te hinderen. Het jammere is dat niemand sindsdien aan Rutte heeft gevraagd wat zijn visie dan wel is.

Volgens Ubags: “wordt weinig vooruitgang geboekt, er wordt zelden nog geacteerd vanuit een politieke lange termijn visie op de samenleving. Het is allemaal pragmatisch, de markt die het moet oplossen en vooral de status quo en het materiële welvaren van de grootste groep in stand houden. Weinig moed, veel afschuiven naar anderen en latere generaties. … Wat was eigenlijk het laatste constructieve project dat meer dan een kabinetsperiode duurde en/of gestoeld is op een visie van langer dan een paar jaar ?” Dat er veel wordt afgeschoven of beter gezegd doorgeschoven naar latere generaties, daar ben ik het mee eens. Dat zaken niet meerdere kabinetsperiodes worden volgehouden niet. Wat te denken van de aanleiding tot de toeslagenaffaire: de manier waarop er naar mensen wordt gekeken die een beroep doen op ondersteuning door de overheid als potentiele fraudeurs die met wantrouwen worden bejegend? Dat loopt al sinds Ruding in de jaren tachtig over ‘tante Truus’ begon.

Dat dit ‘visieloos’ gebeurt, dat vraag ik me af. En zo kwam ik bij de leercirkel van Kolb. Het gebrek aan visie bij Rutte en vasthoudendheid klopt niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. Rutte mag het dan wel over een olifant die in de weg staat hebben als hij het over visie heeft, dat wil niet zeggen dat hij visieloos is. Rutte is duidelijk neoliberaal. Het kenmerk van neoliberalen is dat zij hun denken niet als ideologisch gedreven zien. Neoliberalen verkopen hun ideologie op een manier dat het lijkt alsof het geen ideologie is. Ze gebruiken woorden als praktisch, realistisch, normaal en zetten daarmee anderen weg als onpraktisch, idealistisch en abnormaal.

Inmiddels is die ideologie al zo lang dominant dat neoliberalen als Rutte de olifant van anderen hinderlijk in de weg zien staan maar hun brachiosaurus niet kunnen zien. Om de leercirkel erbij te halen hij is onbewust bekwaam neoliberaal. Het hoogst haalbare in de leercirkel. Of toch niet? Wellicht moeten we het precies omgekeerd zien. Een premier die de vernietigende uitwerking van de visie achter zijn beleid niet herkent, kun je natuurlijk ook onbewust onbekwaam noemen. Laat het voorbeeld van de toeslagenaffaire dat niet precies zien?

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.