Eerlijk zullen we alles delen

Het wil niet zo erg vlotten met het plaatsten van windturbines of velden met zonnepanelen voor de opwekking van stroom. Plannen daartoe roepen vaak bezwaren op van omwonenden. Die zien of vinden dat de waarde van hun huis en/of het woongenot vermindert door de turbine of het veld met panelen. Als bezitter van onroerend goed dat in waarde daalt, kun je planschade claimen een huurder heeft die mogelijkheid niet. Die ondervindt alleen de lasten. Om daar wat aan te doen pleiten Jan Daenen en Siebren Buist, twee Gelderse PvdA’ers, voor: “een nieuwe ruimere juridische definitie van eigendom.”  Een definitie waarbij: “niet-eigenaren ook (…) in aanmerking (moeten) komen voor planschadevergoeding. Dat kan positief uitpakken doordat alle omwonenden persoonlijk financieel belang gaan krijgen bij de broodnodige ontwikkelingen van zonneweides en windmolens.”  Laten we dit idee eens wat verder bestuderen.

Inderdaad kun je planschade claimen als de waarde van je onroerend goed vermindert door een wijziging in een bestemmingsplan. Die schade dien je te claimen bij de verantwoordelijke gemeente op het moment dat het bestemmingsplan wordt gewijzigd. Dat kan alleen als de schade niet te voorzien was op het moment dat het goed werd gekocht. Als de plannen op het moment van de koop al in ontwikkeling waren of al bekend was dat ze ontwikkeld zouden worden, kan geen schade worden geclaimd. En ik kan me zomaar voorstellen dat je huis minder waard wordt als ernaast een weide met zonnepanelen wordt aangelegd. En inderdaad, planschade kan alleen worden geclaimd door eigenaren van onroerend goed.

Als huurder kun je dat niet. Ja, je kunt verhuizen, maar dat blijkt in de praktijk lastig, zo betogen de auteurs: “De woningmarkt zit, als gevolg van beroerd overheidsbeleid, muurvast. Tevens zijn huurders vaak voor hun werk en maatschappelijke bijdrage bij bijvoorbeeld lokale verenigingen wel degelijk verbonden aan hun woonplek. Ze zijn in feite dus grondgebonden, zonder dat ze aanspraak kunnen maken op de rechten die bij die grond horen.”  Dus de huurder is de Sjaak, zo betogen de auteurs. Die krijgt geen ‘lusten’ om zijn toegenomen ‘lasten’ te compenseren.

De medaille van de beide auteurs kent echter ook een andere kant. Stel ik wil mijn grond laten verwilderen, ik wil het omvormen tot natuurgebied. De gemeente vindt het een prachtig idee en wijzigt de bestemming in natuurgebied. De betreffende grond verliest daardoor een flink deel van de waarde. Boerenland is al snel € 6,- per vierkante meter waard terwijl natuurgebied slechts  € 1,- waard is. Daar blijft het niet bij, ook mijn opbrengst gaat fors achteruit. Het zou echter zomaar kunnen de waarde van het omliggende onroerend goed stijgt en dus ook het ‘woonplezier’ van eventuele huurders. Als die in de lusten van mijn windmolen moeten delen dan is het niet meer dan rechtvaardig om mij mee te laten delen in de lusten die zij ervaren van mijn besluit om mijn land te laten verwilderen. Het lijkt mij dan niet meer dan logisch om die bredere definitie van eigendom dan ook werkelijk tweerichtingsverkeer te maken zodat ik compensatie ontvang voor mijn vermogens- en inkomensverlies.

Wat betekent het invoeren van het voorstel van de beide auteurs? De beide auteurs willen met een nieuwe definitie: “participatie in alle gevallen afdwingbaar maken,” zodat de omwonenden niet meer: “krampachtig moeten hopen op de goodwill van de investeerder of gemeente zoals het nu vaak gaat.” Zou je dit werkelijk bereiken met een ‘ruimere definitie van eigendom’? Nu is participatie voor mij iets anders dan het indienen van een schadeclaim. Participeren is meer dan het indienen van een ‘rekening’. Dit even terzijde. Betekent het voorstel van de beide PvdA’ers niet dat de initiatiefnemer van een turbine of veld met zonnepanelen dubbel planschade moet betalen? Immers naast de eigenaar van het onroerend goed meldt ook de gebruiker (de huurder) zich om ‘schade’ te claimen.

Om huurders te compenseren voor planschade hoeft het eigendomsrecht niet te worden aangepast. Wat de beide auteurs vergeten, is dat de huurder iemand anders kan aanspreken. De huurder kan zijn verhuurder aanspreken. Dat is de persoon waar de huurder een deel van de planschade kan claimen. Niet in de vorm van een bedrag ineens, maar in de vorm van een huurverlaging. De huur van sociale huurwoningen wordt mede bepaald aan de hand van de WOZ waarde en die zal dalen door de plaatsing van de windmolen of het veld met zonnepanelen. Huur je in de vrije sector dan is het wat lastiger maar ook dan is vragen om huurverlaging de weg om je schade te claimen. Als de verhuurder hier niet gevoelig voor is, dan staat de gang naar de rechter open. Geen garantie op succes, maar dat is nu wel de weg. Mochten de beide auteurs het succes wel willen garanderen dan zou ik ze aanbevelen om het huurrecht aan te passen.

In het verleden behaalde resultaten…

“Het is tijd voor opstand. Een regering die op zoveel fronten faalt en bezopen maatregelen uitvaardigt teneinde haar eigen incompetentie te verbloemen, verdient het niet om gehoorzaamd te worden.” Dit schrijft iemand die zich Me, myself and I noemt, onder een artikeltje bij Joop. Het artikel handelt over de dwangsom van € 2.500 die de gemeente Haarlem heeft opgelegd aan theater De Liefde. In dat theater bezochten teveel mensen een try-out van cabaretier Theo Maassen. Toen ik dit las moest ik denken aan het gesprek dat ik vlak voordat ik dit las, had met mijn vrouw.  Als ‘eindredacteur’ leest mijn vrouw al mijn Prikkers als eerste en ze haalde na het lezen van mijn laatste prikker aan dat het al de derde keer was dat ik schreef dat we zuinig moeten zijn op onze overheid en democratie en dat we beiden zelfs moeten versterken. ‘Wat verliezen we dan?’ Schrijf daar maar eens over’. Een mooie koe om bij de hoorns te vatten.

Tiananmen Square protests of 1989 | As seen on en.wikipedia.… | Flickr
Bron: flickr

Hoe ziet die koe die we kunnen verliezen eruit? Daarvoor een uitstapje naar De oorsprong van onze politiek een boek in twee delen van de Amerikaan Francis Fukuyama. Hij geeft een ‘geschiedenis van de ‘wereldpolitiek’. Hij beschrijft die geschiedenis aan de hand van drie eigenschappen. De eerste eigenschap is de moderniteit van de staat. De tweede eigenschap betreft de rechtsorde en als laatste de verantwoordelijkheid. Als we Nederland langs de drie eigenschappen van Fukuyama leggen, wat zien we dan?

Dan zien we een moderne staat en overheid. Een overheid die haar dienaren selecteert op basis van hun kwaliteiten en kennis en niet op basis van hun ouders of kennissen zoals in patrimoniale en tribale samenlevingen om twee andere samenlevingsvormen die Fukuyama onderscheidt te noemen. Dat we een moderne staat zijn is veel waard want dat is niet overal in deze wereld zo. In een moderne staat spelen nog steeds ‘tribale’ en vooral familiaire krachten een belangrijke rol en vooral in tijden van crisis worden die sterker. Dan vertrouwen we onze ‘eigen stam’ meer en de eigen familie nog meer. Dat Nederland een moderne staat is, biedt geen garantie dat dit altijd zo zal blijven. Want ‘in het verleden behaalde resultaten …’. Zo kun je beargumenteren dat Turkije onder president Erdogan van een moderne een patrimoniale staat aan het worden is en ook de Verenigde Staten onder Trump kregen trekken van een patrimoniale staat. Trouwens, over dat verleden gesproken, de ‘moderniteit’ van onze samenleving is pas de laatste paar honderd jaar gegroeid en dus van vrij recente datum.

Dan de tweede eigenschap. Nederland is een rechtsstaat met een sterke rechtsorde waaraan iedere inwoner, bedrijf, instelling maar ook de overheid ondergeschikt is. Iets wat niet vanzelfsprekend is en wat ook niet als vanzelf samen gaat met het zijn van een moderne staat. Zo was de eerste moderne staat, het Qin China van 2.200 jaar geleden. Een rechtsorde was het echter niet omdat de wil van de keizer wet was. Het verschilt hierin niet van het huidige communistische China. Dat heeft dan wel een grondwet en wetten maar die binden de nieuwe keizer, de communistische partij, niet. Die staat boven de wet. Dat Nederland nu een rechtsorde is heeft het, zo betoogt Fukuyama, te danken aan de strijd tussen de kerk en de staat. Maar hier ook geen garantie dat het altijd zo zal blijven. Ook hier weer: ‘in het verleden behaalde resultaten…’. Een rechtsorde kan worden afgebroken en ondermijnd. Zo kun je beargumenteren dat de activiteiten van Erdogan in Turkije, Orbán in Hongarije en de Poolse PiS partij de rechtsorde ondermijnen.

Daarmee komen we bij de derde eigenschap de verantwoordelijkheid of beter gezegd: de verantwoordelijke overheid. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[1] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch. Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en regelmatig, in ieder geval een keer per vier jaar, voor het gehele volk. Ook de landen om ons heen kennen een soortgelijke manier van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd. Ook die verantwoordelijke overheid is van recente datum. Ze ontwikkelde zich zo vanaf 1500. Al moeten we ons bij ‘het volk’ in die begintijd niet al te veel voorstellen. Dat bestond uit de hoge adel. Pas in de negentiende eeuw ging het grotere delen van de bevolking omvatten en pas sinds begin twintigste eeuw (in Nederland sinds 1917) omvatte het volk alle volwassen mannen en vrouwen. Maar ook hier bieden de ‘in het verleden behaalde resultaten, …’.

Wij mogen ons gelukkig prijzen met een moderne overheid in een land met een rechtsorde waar de regerenden verantwoording afleggen en weggestuurd kunnen worden door de geregeerden. En alhoewel niet perfect, het mag voor ons dan vanzelfsprekend zijn, dat is het niet. Dit hele huis is gebaseerd op jaren en op sommige gebieden eeuwenlang opgebouwd vertrouwen. En zoals het spreekwoord luidt: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. En het lijkt het erop het vertrouwen gestopt is met lopen en bezig is het paard te zadelen. Een burger die oproept tot een opstand is tot daaraantoe. Maar partijleiders die niet verliezen bij de volgende verkiezingen belangrijker vinden dan het besturen van het land en daarom het vormen van een nieuwe regering traineren maar onderwijl wel gewoon door regeren, vormen wel een bedreiging. En nog veel erger PVV-leider en enigst lid die al jaren roept dat onze rechtspraak een farce is en de Kamer een ‘nepparlement. Kamerleden zoals Gideon van Meijeren van het FvD die onze democratie dood verklaart en goedkeurend wordt gadegeslagen door zijn politiek leider Baudet.’ Dit draagt niet bij aan het versterken van vertrouwen. Het lijkt erop dat het vertrouwen al op het paard zit en de draf versnelt.

Een moderne overheid kan nog zonder vertrouwen, maar ik weet niet of dat zo’n prettige landen zijn om in te wonen. Zonder vertrouwen echter geen verantwoordelijke overheid. Zonder vertrouwen geen rechtsorde. En als het vertrouwen eenmaal weg is, dan is het zomaar nog niet terug. Een moderne democratische rechtstaat met een verantwoordelijke overheid afbreken is snel gedaan, er eentje opbouwen is veel lastiger zoals de casus Afghanistan laat zien. Dat vergt een lange, heel lange wandeling zonder garantie op succes. Immers ‘in het verleden behaalde resultaten …’.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

Een lesje staatsrecht

“Het kabinet is demissionair en dus zonder politiek mandaat. Het invoeren van een nieuwe controversiële #coronapas is dus illegaal. Het is onnodig bovendien en pure drang tot vaccinatie. Onacceptabel dus. Hulde aan de horeca-ondernemers die dit niet handhaven.” Dit schrijft PVV-leider en enigst lid Geert Wilders in een tweet die ik bij De Dagelijkse Standaard las. De tweet kon op steun rekenen van Michael van der Galien de auteur van het artikel en de grote man achter het medium. “Dit klopt natuurlijk honderd procent. Het is ongelooflijk dat een demissionair kabinet zelfs maar de moed heeft om dit te doen. Want een demissionair moet zogenaamd “op de zaak passen.” Meer kan en mag zo’n regering niet doen. Zwaar controversiële beslissingen mag het niet maken. Het mág echt niet.” Zo voegt Van der Galien eraan toe. Menigeen zal instemmend knikken met de redenering maar is dat terecht?

Illegaal betekent in strijd met de wet. Onze staatshuishouding wordt geregeld in de Grondwet. In de Grondwet komt het woord ‘demissionair’ niet voor. De Grondwet kent een regering, de koning en de ministers, en een ministerraad, de vergadering van ministers met de premier als voorzitter. Die zijn er altijd. Wat ze mogen is geregeld in de diverse wetten. Wetten waarin je ook tevergeefs zult zoeken naar het woord ‘demissionair’. Tevergeefs omdat er altijd regering moet zijn die besluiten neemt en geen halve of voorwaardelijke besluiten. Juridisch gezien heeft een demissionair kabinet precies dezelfde bevoegdheden als een missionair kabinet. Dat die bevoegdheden in demissionaire staat terughoudend worden toegepast, is een gebruik, geen wettelijk vereiste. Het handelen van het kabinet is daarmee legaal.

Inderdaad is het in bestuurlijk Nederland gebruikelijk dat een demissionaire regering geen nieuw beleid inzet en ‘op de winkel’ of zoals Van der Galien het noemt ‘de zaak’ past en geen besluiten neemt om de zaak uit te breiden, grondig te verbouwen, of in te krimpen. Nee, de zaak laten zoals ze is totdat er een nieuwe regering is om ‘de zaak’ over te nemen. Laten we de metafoor van ‘de winkel’ even wat verder doordenken. Stel ‘de winkel’ wordt bedreigd door een overstromende rivier en zandzakken en zand zouden de het water kunnen beletten om de winkel binnen te stromen. Helaas zijn die er niet, zou het de demissionaire winkelier dan kwalijk worden genomen als hij een deel van het geld van de winkel zou besteden aan de aanschaf van zand en zakken om zo de winkel te beschermen? Als we de winkel vergelijken met Nederland, dan is de regering de winkelier en de coronapandemie de overstromende rivier, moeten we de regering dan kwalijk nemen dat ze maatregelen neemt om te voorkomen dat de pandemie de ziekenhuizen overstroomt, om in de metafoor te blijven, met patiënten en de zaak lamlegt zoals vorig jaar gebeurde en begin dit jaar dreigde te gebeuren?

Natuurlijk kun je een discussie voeren over welke maatregelen er genomen moeten worden om de ‘overstroming’ van onze ziekenhuizen met Covid patiënten te voorkomen. Natuurlijk kun je de vraag stellen of, zoals anderen doen, declameren dat het de verkeerde maatregelen zijn. Vragen over nut en noodzaak stel ik me ook geregeld. Wat we niet moeten doen, is de bevoegdheid van de regering om dergelijke maatregelen te nemen ter discussie stellen. Door het woord ‘illegaal’ te gebruiken, ondermijnt Wilders onze democratische rechtstaat en dat is schadelijk. Als een burger, zoals Van der Galien, dit roept of denkt kan dat een gevolg zijn van onwetendheid. Dat een kamerlid dit roept is schadelijk en kan geen gevolg zijn van onwetendheid. Kamerleden dienen dit te weten. Zoals ik in een eerdere Prikker schreef is ons gedurende honderden jaren opgebouwde bestuurlijke systeem me daarvoor te kostbaar.

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!

Vrijheid en vrijheid

“DIT ZIJN ZE DAN. Een heel groot deel van die 1,8 mln waar Huug angst over zaait. Vrienden collega’s, familieleden, buren die straks niet zomaar deel mogen uitmaken van die samenleving. Die niet alleen graag zelf op vakantie willen kunnen, maar opkomen voor de vrijheid van ons ALLEMAAL. Die zich uitspreken tegen medische apartheid en uitsluiting. Die zien wat onze democratische grondrechten nog waard zijn en die niet wegkijken of leven in angst.” Een stukje tekst van Mariël van der Lee dat me via LinkedIn bereikte en dat een serie foto’s begeleidde van de demonstratie tegen van alles en nog wat die op 5 september door Amsterdam trok. Een demonstratie die zichzelf afficheerde als ‘de grootste vrijheidsdemonstratie ooit’. Een bijzonder bericht.

Mill
Eigen foto

Ik was er niet bij. Ja, ik vind dat er iets aan de woningnood gedaan moet worden, dat de Groningers die schade aan hun huis hebben door de winning van aardgas goed geholpen moeten worden en dat de overheid daar op dit moment steken laat vallen. Ik nam niet deel. Ik nam niet deel omdat het toch eerst en vooral een demonstratie was tegen de corona-maatregelen van onze regering. Maatregelen die niet altijd even consequent zijn, waar zeker het een en ander op aan te merken is en die erg slecht worden gecommuniceerd door de betreffende bewindspersonen waaronder ‘Huug’. Maar om de situatie, zoals Nederland in Verzet een van de organisatoren doet, te beschrijven als: “Een Zomer vol Fake nieuws, Fake nieuws van onze eigen overheid. Fake news van alle wereldleiders. The Great Reset. Mensonterende vaccinaties, criminele testresultaten en medische apartheid. Maar ook VacciNazi spijt en verzwegen VacciNazi doden,” dat gaat mij te ver en niet een klein beetje te ver.

Met mensen die dergelijke onzin uitkramen wil ik niet geassocieerd worden. Sterker nog, als we ergens niet van weg moeten kijken, dan is het van mensen die dergelijke onzin uitkramen. Die moeten we aan de kaak stellen. Die moeten we ontmaskeren voor wat ze zijn: volksmennende charlatans. En als er iets is dat onze vrijheid bedreigt, dan zijn het wel volksmennende charlatans. Volksmennende charlatans zoals FvD Kamerlid Gideon van Meijeren die in alle vrijheid staat te demonstreren dat hij zijn vrijheid terug wil. Die als charlatan grossiert in allerlei complotten. Die als gekozen Kamerlid onze democratie dood verklaart maar daar niet de consequentie aan verbindt om dan de Kamer maar te verlaten en vervolgens ook af te zien van het wachtgeld. Zoals zijn fractievoorzitter, Thierry Baudet, die het ‘gebral’ van zijn partij- en fractiegenoot instemmend aanhoort en die conclusie ook niet trekt. Nee, ze blijven als ‘subsidieslurpers’ op kosten van het volk zitten en gebruiken hun positie om hun zakken te vullen.

Ja, ik heb me laten vaccineren. Daar heeft niemand mij toe gedwongen. Dat heb ik gedaan om dat ik ervan overtuigd ben dat dit op dit moment de beste manier is om zoveel mogelijk mensen te beschermen tegen het coronavirus. En nee, niet beschermen zodat ik het niet meer krijg, maar beschermen zodat als ik het krijg er niet te ziek van word en in het ziekenhuis beland. Ik heb me laten vaccineren zodat we corona daadwerkelijk kunnen gaan zien als een soort griep. Een soort griep die je ziek maakt. Een soort griep die enkelen van ons in het ziekenhuis doet belanden maar niet in die mate dat onze gezondheidszorg vastloopt. Dat heb ik in vrijheid gedaan.

En daarmee kom ik bij het citaat waarmee ik begon en de naam die de organisator aan de demonstratie gaf en dus bij het woord vrijheid. Van der Lee en de organisatoren doen het voorkomen alsof vrijheid aan hun kant staat. Alsof die andere ruim 15 miljoen Nederlanders staan voor onvrijheid. Of sterker nog alsof die willoos als een zombie achter ‘Huug’ aanlopen. Ook ik, een van die 15 miljoen anderen sta voor vrijheid en ik denk het overgrote deel van de rest ook. Al kan ik natuurlijk niet voor hen spreken. Net zoals Van der Lee niet kan weten of al die demonstranten hetzelfde denken of voor, of correcter tegen hetzelfde streden als zij. Alleen ziet mijn definitie van vrijheid er iets anders uit dan die van Nederland in Verzet en dan die van de ‘subsidieslurpers’ van het Forum voor Democratie.

Mijn definitie van vrijheid heeft niets te maken met ‘op vakantie gaan’ of naar festivals of de Dutch GP of een voetbalwedstrijd gaan. Vrijheid is niet van het hedonistische ‘doen en laten wat ik wil’. In mijn definitie van vrijheid vervult de ander een belangrijke rol. Mijn vrijheid is onlosmakelijk verbonden met de vrijheid van die ander. Om John Stuart Mill te citeren: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.[1]Als we met deze uitspraak naar het vaccinatiedebat kijken dan heeft mijn vrije keuze en de keuze van die 15 miljoen andere voor vaccinatie geen nadelige gevolgen voor een ander en dus ook niet voor die 1,8 miljoen ‘anderen’. De keuze van de 1,8 miljoen om zich niet te vaccineren kan daarentegen wel negatieve gevolgen hebben voor mij en die 15 miljoen anderen. Mill volgend valt die keuze daarmee dus onder de jurisdictie van de maatschappij.


[1] John Stuart Mill, Over Vrijheid¸ pagina 127

Die goeie ouwe tijd

Vroeger was Nederland een geweldig land waar iedereen goed met elkaar kon opschieten. Tenminste als ik Juliaan van Acker mag geloven. Dat vroeger is van voor de tijd van de massa-immigratie. In die goede ouwe tijd werden: “Mensen (…) beoordeeld op basis van hun karakter, hun talenten en hun moraal. Nederlanders voelden zich Nederlander,” aldus Van Acker in een artikel bij TPO. Een wel erg rooskleurig beeld van het verleden. Nu is Van Acker al in de tachtig en geboren in Vlaanderen dus wellicht kent hij de Nederlandse geschiedenis onvoldoende.

The Good Old Days / Dystopia | Brewery Green, Leeds | Tim Green | Flickr
Bron: Flickr

Nu is hij niet de enige met een rooskleurig beeld van het verleden. Zo verlangt ook Baudet terug naar een mythisch verleden van de deugdzame bourgeoisie waarnaar hij terug wil, dit even terzijde. Terug naar Van Acker. Wellicht is dit gebrek aan kennis van het Nederlandse verleden terug te voeren op zijn eigen verleden. Hij werd in 1940 geboren in Vlaanderen. Toch kan dit niet echt als excuus gelden want behoort Vlaanderen niet tot België? Een land waar mensen al sinds de oprichting in 1830 worden beoordeeld op de taal die ze spreken en niet op de ‘hun karakter, talenten en moraal’?

Nu is Van Acker niet de eerste en zeker niet de enige Vlaming die naar het ‘noorden’ trok. In de zestiende en zeventiende eeuw gingen veel Vlamingen hem voor in een golf van massamigratie vanuit Vlaanderen naar Zeeland en Holland. Ik denk echter niet dat Van Acker die periode van massa-immigratie bedoeld. Ik denk dat hij het heeft over de periode vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. De komst van arbeiders, eerst vanuit Italië en Spanje en later vanuit Marokko en Turkije. Dat ‘gelukkige Nederland’ waar ‘karakter, talent en moraal’ centraal stonden, moeten we dus zoeken voor de jaren zeventig van de vorige eeuw. Laten we die tijd eens wat nader beschouwen.

Het eerste wat opvalt aan die periode is dat ‘karakter, talent en moraal’ van de vrouwelijke helft van de bevolking er helemaal niet toe deed. Daar werd niet naar gekeken. Sterker nog, tot en met 1956 werden ze niet handelingsbekwaam geacht. Hun vader of man hadden die macht. Als ze trouwden, dan was dat een wettelijke reden voor ontslag. Iets wat een jaar later werd afgeschaft. En die afschaffing veranderde de mores maar geleidelijk.

Het was ook de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond.” De tijd waarin: “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk (was), maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[1] Nu zet Lijphart het scherp weg. Nederland dreigde nooit echt uit elkaar te vallen. Veel met elkaar hadden de verschillende bevolkingsgroepen niet. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Dat in 1954 zelf bij mandement van de Nederlandse bisschoppen. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

We zijn er echter nog niet. Zelfs als man binnen je eigen zuil draaide het niet om je ‘karakter, talent en moraal’. Als arbeiderskind was je gedoemd om na je leerplichtige periode als arbeider in de fabriek te belanden alwaar je vader ook werkte. Alleen als je op exceptionele kwaliteiten werd ‘betrapt’, de schoolmeester je gunstig gezind was en je ouders als niet als lastig bekend stonden, maakte je kans op een vervolg van je schoolloopbaan en dus op een andere carrière dan arbeider in de fabriek waar pa ook werkte. Bij het opbouwen van die carrière zat je verleden als arbeiderskind je wel dwars. Je ouders misten immers het netwerk dat het kind van de fabrieksdirecteur of notaris wel had. Iets waar veel nieuwkomers nu ook last van hebben.

Nee, die goeie ouwe tijd waarnaar Van Acker terugverlangt is vooral oud.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, pagina 99

Winnen door te verliezen

“Dat leidt tot een pleidooi voor ‘bescheidenheid’ aan het adres van politici, beleidsmakers en bestuurders. Durven zij te vertrouwen op een goed verloop van ontmoetingen tussen professionals en burgers? En kunnen ze accepteren dat hun normatieve aannames over wat een menswaardig bestaan is ook níet kunnen kloppen?” Met die vragen begint de laatste alinea van een artikel van Willemijn van der Zwaard op de site Sociale Vraagstukken. Van der Zwaard schrijft over de spanning in de verzorgingsstaat die: “vanwege zijn bureaucratische grondslag enerzijds goede papieren om niet te vernederen, maar (…) anderzijds risico’s van ‘institutionele vernedering,’ kent. In mijn dagelijkse praktijk als beleidsmaker in wat het sociale domein wordt genoemd, houdt de vraag over de bescheidenheid van politici en beleidsmakers mij ook al jaren bezig. In deze Prikker neem ik jullie mee in een ‘veranderkundige kijk’ op deze vraag. Dit doe ik aan de hand van het ‘kleurendenken’ van Leon de Caluwé en Hans Vermaak.

Eigen foto

Eerst ga ik wat nader in op de opgave waar gemeenten voor staan.  De wetgever, de rijksoverheid, heeft sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer verantwoordelijkheden binnen dat sociaal domein naar de gemeenten verschoven, of met het hiervoor in overheidskringen gebruikte woord gedecentraliseerd. Na de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene bijstandswet volgde begin deze eeuw de eerste Wet Maatschappelijke ondersteuning en in 2015 met een ‘grote klap’ een vernieuwde en uitgebreide Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet. Ik zie gemeenten, maar ook het rijk, worstelen met de diverse wetten maar vooral met de centrale opgave erachter die ‘transformatie’ wordt genoemd. “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel. Zo blijven Nederlanders samen bouwen aan een sterk land van zelfbewuste mensen.[1]Deze woorden sprak koning Willem Alexander in zijn eerste troonrede in 2012. Dat is het doel: Nederland moet een ‘participatiesamenleving’ worden. Maar wat is een participatiesamenleving? En waarin verschilt die van hoe we het nu doen? Wachten mensen nu dan tot iemand anders (de overheid) verantwoordelijkheid neemt voor hun leven? Die vragen kun je je hierbij stellen maar die ga ik hier niet beantwoorden. Voor het gemak ga ik hierin mee. Want zelfs als het niet zo is dan zijn er wellicht goede redenen aan ‘maatschappijontwikkeling’ te doen en de kracht van de gemeenschap, want daar hebben we het dan over, te versterken.

Dan het ‘kleurendenken van De Caluwé en Vermaak. Voor degenen die er alles van willen weten, lees hun boek leren Veranderen. Een handboek voor veranderkunde. Voor wie iets minder tijd heeft, lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren[2]. Een artikel waarin de kern van het model wordt uitgelegd. De Caluwé en Vermaak zien vijf mogelijke manieren om naar een organisatieverandering te kijken en voor dit artikel zie ik onze samenleving als een organisatie. Iedere manier geven ze een kleur die ik hieronder kort beschrijf.

Geeldrukdenken

Heeft te maken met de symboliek van macht (‘de zon’ ‘het vuur’) en van de aard van coalitievorming (broedprocessen bij de openhaard). Gele mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen, win-win situaties kunt creëren/coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed) de neuzen kunt richten. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als macht, haalbare oplossing, coalitie, win/win en onderhandelen.

Blauwdrukdenken

De uitkomst staat van tevoren vast, is goed te omschrijven en te garanderen. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object) die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd. Blauwe mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B, de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt, alles zoveel mogelijk stabiel houdt en beheerst en de complexiteit zoveel mogelijk reduceert. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als rationeel, meten=weten, stappenplan, monitoren, projectmatige aanpak, ontwerpen en voorspelbaarheid.

Rooddrukdenken

Het gaat hier om de mens, met de kleur van menselijk bloed. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt. De ‘Rode’ Mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt, bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen, geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als ruilen, ‘fit’, relaties, belonen en straffen, sociale setting en HRM-systemen.

Groendrukdenken

Het gaat hier om ideeën, om mensen (met motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen, het ‘groene licht’ te geven. Het gaat hier om ‘groeien’ zoals het groen van de natuur. ‘Groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen/ eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam), als je ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien/te leren/te kunnen, als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als leren, coachen, ontwikkelen, motivatie, leervermogen en bewust onbekwaam.

Witdrukdenken

Wit omvat alle kleuren, het vertegenwoordigt de zelforganisatie en het evolutie-denken. ‘Alles is nog open’ en biedt dus alle ruimte voor invulling. ‘Witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is, als het betekenis toevoegt, als het drijft op de eigen energie van mensen, als men de dynamiek/complexiteit wil zien en eventuele blokkades wegneemt. Als er symbolen en rituelen worden gebruikt. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als panta rhei, evolutie, dynamiek, complexiteit, zelforganisatie, creativiteit en exploratie.

Laten we eens kijken wat de opdracht vraagt. De opdracht vraagt om ruimte te geven om ‘duizend bloemen’ te laten bloeien ook al zullen verschillende van die bloemen wegkwijnen. De opdracht vraagt om ‘leren’ en nieuwe ‘betekenis ontwikkelen’ en dit ‘delen’ (groendruk) maar ze vraagt vooral om ‘loslaten’ en ‘dynamiek’ ontwikkelen (witdruk). Om de kracht van een ieder tot ontplooiing te laten komen ook al werken verschillende ‘krachten’ elkaar tegen. Dit vraagt om een ‘veranderaar (in dit geval een overheid) die ‘mensen in beweging’ wil krijgen (groendruk) en een stap verder, een veranderaar die ‘ruimte creëert voor verandering’ door onder andere de kracht van mensen, hun ‘innerlijke zekerheid’ aan te spreken (witdruk). Een veranderaar die ‘leersituatie kan creëren’ en die ‘mensen motiveert tot leren’ (groendruk). Maar die vooral niet bang of ‘onzeker wordt’ van ‘dynamiek’ (witdruk).

Als we kijken naar de overheid en haar opereren, wat zien we dan? Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter van de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win , compromis enzovoorts toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. De andere kant van ons bestuurlijke systeem is dat er verantwoording afgelegd moet worden en daarvoor is blauwdrukdenken uitermate geschikt. Maar er is meer.

Overheden denken in structuren omdat die zekerheid lijken te geven, ze stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides, lijnen  0e, 1e en 2e lijn) zijn voorbeelden van blauwdruk denken. Structuren met duidelijke overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd door documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Centraal in de decentralisaties stonden tot nu toe die structuren. Structuren om ‘zekerheid’ te bieden en risico’s te beperken maar ook tot bureaucratie leiden. De transformatieopgave vraagt, zoals we zagen, echter wat anders. Liggen de kritische succesfactoren niet ergens anders dan in structuren? Liggen die niet in wat we ‘cultuur’ noemen? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Neem als voorbeeld de ‘sociale wijkteams’ die als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. In Leeuwarden en Enschede begon men er meer dan tien jaar geleden mee om mensen met grote, complexe problemen te helpen. Te helpen buiten de toenmalige structuren omdat die hulp binnen de structuren niet werkte of zelfs niet mogelijk was. Hiermee werden successen geboekt en de club van creatieve mensen met pionierseigenschappen werd het ‘wijkteam’ genoemd. Vervolgens begon het wijkteam aan een opmars en werd het de nieuwe structuur om alle problemen op te lossen. Het ‘middel’ werd gekopieerd en het wijkteam werd de nieuwe structuur en werd de oplossing van het probleem. Maar of ook de creatieve pionierseigenschappen werden gekopieerd? Of werd oude wijn in een nieuwe zak geschonken?

Nu kunnen structuren helpen maar ook hinderen. Gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij de betrokken mensen. In geval van een gemeente zullen burgers zich afvragen wat het voor de dienstverlening aan hen betekent. De betrokken medewerkers stellen zich andere vragen: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … . Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door medewerkers zelf verantwoordelijk te maken, door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevend is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet[3]. Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met een structuuraanpak en structuurdiscussies juist de cultuurveranderaars vervreemden?

Een tweede vorm van blauwdruk betreft de risicobeheersing. Een klein stukje geschiedenis over risicobeheersing. Het Belgische fort van Eben Emael. Na een redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. Nu is redelijk snel een relatief begrip omdat het voor de troepen van het Duitse keizerrijk te traag was, dit even terzijde. Moderniseren dus en de zwakheden van 1914 eruit halen. Een van die zwakheden was het zogenaamde ‘gat van Visé’. De Duitsers waren in 1914 via dit gat tussen het Belgische Visé en de Nederlandse grens door België ingetrokken. Dit gat werd gedicht met het fort van Eben Emael. Het ‘moeder aller forten’ was volgens militaire experts onneembaar en daarmee hadden de Belgen alle bekende risico’s beheerst. Toch werd dat onneembare fort in 1940 binnen een kwartier uitgeschakeld. De Belgen hadden er niet mee gerekend dat Duitse paratroepen en zweefvliegtuigen wel eens op het fort konden landen om het zo van binnenuit uit te schakelen. Het ontbrak aan luchtafweergeschut. Laat de Duitsers nu juist op dat idee zijn gekomen. Dit voorbeeld laat zien dat overheden risico’s het liefst willen uitsluiten en als dat niet lukt dan ze toch op zijn minst beheersen. Risico’s in het sociale domein worden ook beheerst via ‘forten’ zoals handelingsprotocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen (zoals de Verwijsindex) en productbeschrijvingen. Alleen kunnen die de risico’s nooit helemaal voorkomen en zelfs niet beheersen. Bovendien worden hiermee alleen bekende risico’s ‘beheerst’. Die protocollen en procedures compleet met hun prikkels vormen het denk- en handelingskader van zorgorganisaties en zorgprofessionals maar ook van de overheden, hun medewerkers en voor een belangrijk deel ook voor de burgers.

De opgave vraagt echter wat anders. Die vraagt niet om ‘geel-blauw’ maar ‘wit-groen’. De nu dominante ‘geel- blauwe’ aanpak is een voorbeeld van wat John Cassidy in zijn boek Wat als de markt faalt rationele irrationaliteit noemt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.[4] Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook ‘rationeel? De overheid probeert te transformeren via wetgeving die zich vooral bemoeit met de structuur. Het Rijk schuift verantwoordelijkheden van de ene naar de andere overheid en stuurt via de voor– en de achterkant. Via de voorkant door zaken vast te leggen in wet- en regelgeving en via de achterkant via benchmarks en verantwoordingsinstrumenten. Dus op een geel, blauwe manier.

Een groot probleem omdat geel en blauw dominant zijn en andere kleuren overheersen. Geel en blauw spelen, volgens De Caluwé en vermaak, een andere wedstrijd. “Geel en blauw zijn gebaseerd op de ‘oorlogs’-metafoor, waarbij er maar twee uitkomsten zijn: winnaars en verliezers. Als je niet wint, ben je een verliezer.” De andere kleuren zien de wereld heel anders, die: “zijn meer gebaseerd op de harmoniemetafoor, waarbij wordt getracht te voorkomen dat er verliezers zijn en er wordt gestreefd naar groei en zorg. De boodschap is dat iedereen mee moet kunnen, dat we niemand achterlaten, dat mensen gesteund worden en zo verder.” Op een geel, blauw strijdperk staan de andere kleuren op een onoverbrugbare achterstand.

Voor mensen die geel en blauw denken is het een hele stap om te erkennen dat hun in eigen ogen rationeel gedrag (mede) verantwoordelijk is voor irrationele resultaten. Om tot de passende witte en groene aanpak te komen, moeten ze in feite hun nederlaag erkennen. Ze moeten ‘verliezen’ en dat doet pijn want dan ‘wint’ een ander omdat winst immers altijd gepaard gaat met verlies. Zij moeten inzien dat het transformatiedoel dat ze zich hebben gesteld alleen is te bereiken en dus in ‘winst’ is om te zetten als zij ‘verliezen’. Iets wat voor hen voelt als afstand doen van hun toppositie op de ‘apenrots’. Daarbij kan het helpen dat die overheid nooit bedoeld is als ‘apenrots’ maar als een instituut dat ten diensten staat aan de burger. De dienstbare overheid pakt zaken op die burgers niet zelf kunnen of waarbij samenwerking tot betere resultaten leidt. Daarbij kan het helpen als ze zich realiseren dat het om de gezamenlijke winst van de samenleving gaat, om harmonie en niet om hun politieke winst of verlies. Dat het om ‘WIJ’ gaat en niet om ‘IK’.


[1] https://www.binnenlandsbestuur.nl/Uploads/2013/9/troonrede-2013.pdf pagina 2

[2] http://www.decaluwe.nl/articles/DenkenOverVeranderenInVijfKleuren.pdf

[3] https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2012-2013/semler.html

[4] John Cassidy, Wat als de markt faalt?  Pagina 159

Stijfkoppigheid

Het lijkt erop alsof de hele Westerse politieke wereld verbaasd is over de snelle opmars van de Taliban en het snelle ineenstorten van de Afghaanse regering. Zouden ze werkelijk verbaasd zijn of spelen ze die verbaasdheid? Ik stel die vraag omdat de gang van zaken in dat land mij in het geheel niet verbaasd. Wat mij verbaasd is de grenzeloze naïviteit gedurende de nu zo’n twintig jaar durende Westerse bemoeienis met het land. Waarom verbaast het mij niet?

Het verbaast mij niet omdat het Westen onder aanvoering van de Verenigde Staten, zonder gedegen kennis van de situatie en de mensen in Afghanistan is binnengetrokken. Nu pretendeer ik niet dat ik precies op de hoogte was en ben van de situatie in het land. Begin jaren negentig was echter wel duidelijk dat er wellicht een land is dat Afghanistan heet, maar zeker geen natie. Voor een natie: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn,” zo constateert Francis Fukuyama terecht, en vervolgt: “Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.[1] Als je iets kunt zeggen van het ‘Taliban-Afghanistan’ van rond de eeuwwisseling, dan is het dat de formele staatsinstellingen als die er al waren, niet waren gebaseerd op inheemse modellen. De zaken die staatvorming, volgens Fukuyama, moeten vergezellen ontbraken. Behalve dat ze in Afghanistan woonden en Taliban als machthebbers hadden, was en is er niets dat de inwoners deelden en delen. Afghanistan was toen en is nu nog steeds een tribale samenleving waar stamhoofden de gang van zaken in hun gebied bepalen.  

Het verbaast mij niet omdat machthebbers maar niet willen leren van vroegere machthebbers. Wie een beetje van de recente en minder recente geschiedenis kent die weet dat twee eerdere wereldmachten tevergeefs hebben geprobeerd om Afghanistan naar hun pijpen te laten dansen. In de negentiende eeuw ondernamen de Britten enkele pogingen en in 1979 probeerde Sovjet Unie het. Voor wie iets meer van de geschiedenis kent, die weet dat het de Mongolen wel lukte om het gebied aan hun rijk toe te voegen. Het behoorde tot het khanaat van Chatagai, de tweede zoon van Dzengis Khan. Het Khanaat werd ook wel Moghulistan genoemd. Veel rust en plezier bracht het hem echter niet omdat er een permanente strijd om de macht woedde.

Het verbaast mij niet omdat het Westen er een verheven doel naar toe ging dat erop neerkwam dat ‘we er democratie gingen brengen.’ Want, zoals historicus H.W. von der Dunk in 2000 in een artikel schreef: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen.” Nu zouden we uit onze eigen ervaring moeten weten dat democratie bevochten moet worden. Ze kan niet worden opgelegd. Democratie vraagt om democraten. Daarom vervolgde Von der Dunk met de woorden, dat we die liberale democratie: “vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.[2] Dit realisme ontbrak waardoor een veel realistischer doel: “om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken,[3]niet in beeld kwam.

Slechte kennis van het gebied, de mensen en de cultuur, verheven doelstellingen en vooral een grenzeloos vertrouwen in het eigen kunnen, dat past precies in de definitie van dwaasheid van historica Barbara Tuchman: “… het bedrijven van een politiek die in strijd is met het eigenbelang van de betrokken onderdanen of de staat. Eigenbelang is al wat bijdraagt aan het welzijn of voordeel van het bestuurde; dwaasheid is een politiek die in dit opzicht een averechtse uitwerking heeft.[4] Een van de voorbeelden van dwaze politiek die Tuchman in haar boek De Mars der Dwaasheid beschrijft, is de Amerikaanse bemoeienis met Vietnam alwaar dezelfde fouten werden gemaakt. Dus ook daarvan is niet geleerd. Volgens Tuchman is stijfkoppigheid bij leiders en bestuurders de belangrijkste verklaring: “Stijfkoppig zijn bestuurders die een situatie met starre vooringenomenheid beoordelen en daarbij elke aanwijzing die in een andere richting duidt negeren of verwerpen.”[5] Of zoals psychologen het met een Engelse term noemen een ‘conformation bias’ een bevestigingsvooroordeel.

En niet alleen bestuurders van landen: “En hoe komt het dat het Amerikaanse bedrijfsleven vasthoudt aan ‘groei, terwijl daardoor aantoonbaar de drie elementen van leven op onze planeet worden uitgeput: grond, water en onvervuilde lucht?[6] vroeg Tuchman zich ver voor alle klimaatrapporten van het IPCC zich in 1984 af.  


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 350

[2] http://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/21453/?sequence=2 pagina 7

[3] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 346

[4] Barbara Tuchman,De Mars der Dwaasheid, pagina 13

[5] Idem, pagina 15

[6] Idem, pagina 12

Covid-fascisme?

Als ik Michael van der Galien, de grote man achter De Dagelijkse Standaard, goed begrijp dan is Frankrijk veranderd in een dictatuur. Nu denk ik dat veel inwoners uit echte dictaturen zoals Belarus en Noord-Korea graag in dat ‘dictatoriaal’ Frankrijk zouden willen wonen, dit even terzijde. Wat is er aan de hand? “Vanaf vandaag is het verplicht om te bewijzen dat je recent gevaccineerd bent of onlangs hersteld van een coronabesmetting. Kun je dat niet, dan moet je een negatief testbewijs overhandigen. Wil je daar niet aan meedoen, dan word je letterlijk uitgesloten van het sociale leven.” Zo schrijft hij in een artikel. Resultaat hiervan: “in Frankrijk is de vrijheid afgeschaft.” Opruiend sluit hij af met de woorden: “Als mensen nu nog niet in verzet komen tegen dit nieuwe fascisme weet ik het ook niet meer. Als je dít als burger tolereert ben je echt geen knip voor de neus waard. En de term “burger” verdien je dan al helemaal niet. Slaaf!” Zo dat is duidelijke taal. Maar toch.

Bron: pxhere

Laat ik er eens een licht op schijnen. Dit voorjaar lagen de ziekenhuizen en vooral de intensive care afdelingen vol met covid-patiënten. Zo vol dat planbare zorg, zoals het vervangen van een heup maar ook operaties om kwaadaardige tumoren te verwijderen, moesten worden uitgesteld. Ons zorgsysteem dreigde te bezwijken. Iets wat ook in het voorjaar van 2020 al dreigde te gebeuren. Voldoende aanleiding om ons zorgstelsel te herzien en meer capaciteit te organiseren. Alleen is dat iets wat niet van vandaag op morgen is geregeld. Ja, de bedden, de apparatuur en mocht het nodig zijn zelfs de gebouwen zijn vrij snel te organiseren. Het ‘organiseren’ van het benodigde personeel vergt echter een langere adem. Van dit alles zie ik nog weinig en dat baart mij zorgen want totdat we dit georganiseerd hebben, blijven we kwetsbaar en moeten we ‘noodmaatregelen’ nemen en dat is wat Frankrijk nu doet. Het neemt ‘noodmaatregelen om te voorkomen dat de gezondheidszorg vastloopt door de kans op verspreiding van het virus te beperken.

En ja, die noodmaatregelen beperken de mogelijkheden van mensen. Van der Galien neemt hierbij de positie in van iemand die zich niet wil laten vaccineren of testen. Laten we het eens bekijken vanuit het perspectief van iemand die zich wel heeft laten vaccineren. Die persoon heeft zich laten vaccineren omdat het vaccin de kans op besmetting verkleint en mocht de persoon toch besmet raken, de kans op ernstige ziekte na besmetting drastisch verkleint. De persoon doet er alles aan om zichzelf te beschermen en besmetting van anderen te voorkomen. Dit met redelijk succes. Het aantal besmettingen is flink verminderd en de druk op de ziekenhuizen en vooral de intensive care is flink verminderd. Van een welingelichte bron werkzaam op een IC van een ziekenhuis, kreeg ik de informatie dat de Covid-patiënten die nu de IC halen, voor het overgrote deel niet-gevaccineerd en vooral weigeraars, zijn. 

Wat zou die gevaccineerde ervan vinden als onze zorg weer overbelast raakt door Covid patiënten die voor het overgrote deel ongevaccineerd zijn en daardoor worden er aan alle inwoners weer beperkingen opgelegd? Dan zou ik me zomaar voor kunnen stellen dan deze gevaccineerde zich afvraagt waarom ook de gevaccineerde mensen moeten ‘boeten’ voor het gedrag van de mensen waar Van der Galien zich hard voor maakt. Mensen die het vaccin en het testen weigeren. Dan zou het zomaar kunnen dat deze gevaccineerde gaat protesteren tegen deze maatregelen. Ik kan me heel goed voorstellen dat er dan maatregelen worden genomen die alleen de ongevaccineerden die zich niet willen laten testen raken. Dat doen we ook op andere terreinen. Zo mag iemand zonder rijbewijs niet autorijden op de openbare weg. Als je hebt gedronken mag je zelfs met rijbewijs niet rijden. Dat doen we om de overige deelnemers aan het verkeer te beschermen. Daar is niets ‘dictatoriaals’ aan. Dat heeft niets met fascisme te maken.

Radicale dwaasheid

Beste meneer Baudet. U herkent zich niet in het beeld dat u en het Forum voor Democratie ‘geradicaliseerd’ zijn, zo lees ik in uw essay bij DeDagelijkseStandaard. Ik weet niet waarom tegenwoordig een opiniërend artikel ‘essay’ wordt genoemd. De enige reden die ik hiervoor kan verzinnen is om er wat ‘status’ aan te geven. Een bijzonder ‘essay’ trouwens. Maar laat ik beginnen met u gerust te stellen. U bent, zoals u het zelf terecht zegt, “al jaren stabiel” voor wat betreft uw standpunten.

File:Thierry Baudet (2).JPG
Foto Elekes Andor. Bron: WikimediaCommons

U signaleert allerlei zaken rond de corona-pandemie en vraagt zich vervolgens af: “waarom gebeurt dit dan allemaal? Wat is er nou toch aan de hand?” Daarvoor ziet u twee mogelijke verklaring. Aan de ene kant, om Ferry Mingelen aan te halen: “stupiditeit, massapsychose, groupthink, complete breindoodheid bij de politiek,” en aan de andere kant: “een plan, een bedoeling, een dieper liggende agenda.” Wat het antwoord is weet u niet, zo schrijft u en vervolgens beschrijft u uitgebreid het vermeende ‘masterplan’ en de mensen achter dit vermeende ‘masterplan’. Dit doet u niet voor die ‘stupiditeit’ en daardoor ontstaat de indruk dat u in zo’n ‘masterplan’ gelooft. Dit wordt versterkt door passages zoals: “Ze schrijven rapporten waarin ze dit alles aanprijzen, uitwerken, voorkauwen. En natuurlijk is het – theoretisch – ook mogelijk dat hun denkbeelden louter per ongeluk samenvallen met de huidige gebeurtenissen.” Dus u weet het antwoord wel. Wel vreemd trouwens dat die ‘samenzweerders’ hun ‘samenzwering’ publiceren. U sluit af met een pleidooi voor radicaliteit: “‘radicaal voor de vrijheid’ zijn. Radicaal voor de rechten, de ratio, de restricties op de staatsmacht!”

Maar nu even een vraag. Hoe wilt u dat: “Waar mondiale spelers, miljardairs, futuristen, machtswellustelingen al decennia van dromen — een centraal bestuurde wereld, transhumanisme, totale controle,” tegengaan? Hoe wilt u: “Bill Gates, Elon Musk, Peter Thiel, George Soros, Klaus Schwab, enzovoorts, al die miljardairs en mondiale spelers,” belemmeren in hun drang om te komen tot die: “The Matrix-achtige controlemaatschappij (…) bestuurd vanuit mondiale centra, met semi-verplichte, geïmplanteerde chips die het leven reguleren en sanctioneren (inclusief toegang tot, en gebruik van, het internet)?” Hoe wilt u mensen als Thiel, die kiezen voor kapitalisme als ze een keuze moeten maken tussen democratie en kapitalisme, stoppen? Denkt u dat uw streven naar ‘radicale vrijheid’ hen stopt? Thiel hoort u lachend aan. Hij kiest, immers ook voor radicale vrijheid van het individu. Voor de radicale vrijheid van dat individu om met een bedrijf of zelfs als individu, uw gegevens te verzamelen en die te gebruiken naar eigen goeddunken. Hoe anders dan door staatsmacht en dan liefst nog staatsmacht van landen gecombineerd, bijvoorbeeld in EU verband, wilt u dat voorkomen? Als ‘radicaal vrij’ individu slaat u tegen deze miljardairs en hun bedrijven geen deuk in een pakje boter. ‘Radicale vrijheid’ is goed voor de machtigen, niet voor de machtelozen.

Daarbij gaat terugkeren naar de achttiende eeuw de tijd van de bourgeoisie, waarvoor u enkele jaren geleden in een Zwitsterse krant pleitte, niet helpen. Uw uitspraken in dat interview dat het ‘evenwicht’, zoals ik uw woorden vertaal: die ‘delicate balans die culmineerde in (…) het echte welbegrepen individu’ waarvan u betoogt dat dit in de achttiende eeuw haar ‘hoogtepunt bereikte’ en uw uitspraak dat de ‘bourgeoisie manier van leven, het leven van de gewone mensen’ was, zegt veel over uw kijk op de wereld. Die achttiende eeuw was voor de gewone mensen helemaal niet zo’n fijne tijd. Met hun vrijheid, laat staan de radicale vrijheid, was het toen zeer slecht gesteld. En van een ‘bourgeois manier van leven’ konden ‘gewone mensen’ alleen maar dromen. De bourgeoisie dat waren de rijke handelaren en de bankiers, de Musken en Gatesjes van die tijd. Nog geen vijf procent van de bevolking. Hoe verhoudt die ‘radicale vrijheid’ zich trouwens met uw uitspraak in die Zwitserse krant dat, ik vertaal: ‘de samenleving een elite nodig heeft die de weg wijst?’ Of geldt die ‘radicale vrijheid’ waarvoor u nu pleit alleen maar voor wat u ziet als ‘gewone mensen’? De ‘nieuwe’ elite waartoe u zichzelf graag rekent maar waartoe het gros van de inwoners van dit land nooit zullen behoren?

Zoals ik in de eerste alinea al schreef u bent niet geradicaliseerd. U verkocht altijd al radicale, onsamenhangende dwaasheid en dat doet u nog steeds. Dus daarin is niets veranderd.