De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
Bij Opiniez bespreekt de Amerikaanse hoogleraar economie Nikolai G. Wenzel een boek van zijn collega-econoom Paul Collier. Als ik Wenzel goed begrijp, pleit Collier in zijn boek voor minder ideologie en meer pragmatisme. Dat pragmatisme behelst herverdeling om de grote ongelijkheid te bestrijden en staatsingrijpen om marktfalen op te lossen. Volgens Wenzel: “een simplistisch boek … dat een verkeerde diagnose van de problemen geeft en hij stelt als recept meer van de giftige stoffen voor, die ons in deze moeilijke situatie hebben gebracht.” Die giftige stoffen betreft het ‘pragmatische overheidsingrijpen’ dat Collier voorstelt. Om zijn betoog kracht bij te zetten bespeelt Wenzel de loftrompet over de resultaten van het kapitalisme. Bij dat getrompetter kunnen de nodige vragen worden gesteld.
Wenzel: “Op mondiaal niveau is het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, gedaald van 36% in 1990 tot 10% in 2015.” Inderdaad is de extreme armoede wereldwijd gedaald. Maar is dat een verdienste van het kapitalisme? Zoemen we wat in op die daling van de armoede dan komt een groot deel hiervan voor rekening van China. In dat land leefde in 1990 nog 62% van de mensen in armoede, nu is dat nog maar 3%. Eén probleem, China is nu niet een schoolvoorbeeld van kapitalisme. Het land wordt centraal geleid door de communistische partij.
“(H)et gemiddelde inkomen van de laagste twee kwintielen is met respectievelijk 22% en 15% gestegen en het mediane inkomen is met 21% gestegen.” Ook dat cijfer zal best kloppen alleen heeft de gemiddelde Amerikaan niets aan die inkomensstijging. “In fact, despite some ups and downs over the past several decades, today’s real average wage (that is, the wage after accounting for inflation) has about the same purchasing power it did 40 years ago. And what wage gains there have been have mostly flowed to the highest-paid tier of workers,” zo concluded Pew research.
Maar daarvoor kunnen ze wel meer tv en wasmachine kopen, aldus Wenzel: “Een standaardpakket huishoudelijke apparaten kostte de gemiddelde werknemer 885,6 uur werk in 1959, tegenover 170,4 uur werk in 2013. In die tijd daalden de “arbeidsuren” bij het gemiddelde loon van de werknemer van 100,5 naar 23,3 voor een wasmachine; 90,9 tot 20,7 voor een vaatwasser; en 127,8 tot 20,7 voor een kleuren-tv – en al deze voorbeelden laten kwaliteitsverandering binnen de goederen zelf buiten beschouwing.” Bovendien wordt: “Dit effect (…) nog groter door een bijzonder feit: het “hele scala van items die algemeen worden aangetroffen in Amerikaanse huishoudens, inclusief arme gezinnen, die zelfs een generatie geleden niet bestonden.” Daar heeft Wenzel een punt, een generatie geleden hadden we nog geen pc, tablet en ‘smartphone’ en die hebben ze nu wel: allemaal toegenomen welvaart. Hierbij vergeet Wenzel echter dat je nu bijna niet meer zonder die apparaten kunt, ze zijn een ‘basisgoed’. Net zoals een wasmachine dat is. Het pakket basisgoederen is gegroeid en die groei eet de winst van de goedkopere wasmachine weer op.
Wenzel gaat verder: “Evenzo zijn voor het gemiddelde Amerikaanse huishouden de voedseluitgaven gedaald in de afgelopen eeuw van een derde naar een achtste van het inkomen. Het ministerie van Landbouw in de Verenigde Staten meldt dat de voedseluitgaven als percentage van het inkomen tussen 1970 en 2007 zijn gedaald van 14% naar 9%.” Alleen zegt een gemiddelde niet veel. Als er negen mensen zijn met 0 inkomen en eentje met 100, dan is het gemiddelde inkomen 10, alleen zal niemand zich in dat gemiddelde herkennen. Zo ook voor uitgaven aan voedsel. Als de bovenste 10% hun inkomen met 100% ziet groeien en de rest gelijk blijft, dan zal het percentage dat een gemiddeld inkomen aan voedsel besteedt dalen, alleen hebben die 90% waarvan het inkomen gelijk is gebleven, daar niets aan. Het percentage dat zij aan voedsel uitgeven is nog steeds hetzelfde.
In de Volkskrant een uitgebreid artikel over alles wat er al dan niet mis is bij het UWV. SP-Kamerlid Jasper van Dijk hierover: “Alles wat van de overheid is, moet door het parlement gecontroleerd kunnen worden. Dit soort semipublieke organisaties, die we op afstand hebben gezet, zijn één grote mislukking.’ De Kamer stuurt niet te veel, eerder te weinig. We zitten als parlement met onze handen op de rug naar zo’n zbo (zelfstandig bestuursorgaan) te kijken. Als het misgaat kunnen we vrij weinig doen.” Hierbij moest ik denken aan de wereld waarin ik werk, de wereld die het ‘sociale domein’ wordt genoemd in het algemeen en de zorg voor de jeugd in het bijzonder.
Dat wat we nu het sociaal domein noemen kent een lange traditie van nieuwe wetten, systeem veranderingen enzovoorts. De jeugdhulp is daar een bijzonder voorbeeld van. “Ze waren in de jaren negentig het sluitstuk van een reorganisatie van de jeugdhulpverlening die ruim twintig jaar eerder van start was gegaan. Ze moesten een eind maken aan de versnipperde en weinig effectieve hulpverlening. (… ).” Wat moet er op de plaats van die puntjes staan? Het antwoord komt zo, eerst nog iets verder terug in de geschiedenis. Begin jaren zeventig was de jeugdhulp in Nederland sterk verzuild en verkokerd en wordt ernstig getwijfeld aan de inhoud en het effect van de hulp en opvang. Daarom werd er in 1974 een werkgroep opgericht die hiernaar onderzoek deed en op basis van dat onderzoek een advies uitbracht. De werkgroep adviseerde in 1984: “Zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’.” Dat klinkt heel 2019 maar werd al in de jaren tachtig van de vorige eeuw geroepen in een onderzoek naar de toenmalige jeugdzorg. Een onderzoek dat leidde tot een nieuwe wet voor de jeugdzorg. Inmiddels zijn we al weer enkele wetten en wetswijzigingen verder maar ‘vijf keer zo’ hebben we nog steeds niet bereikt.
Op de plek van (…) staat op die plek de volgende zin: “Dat lukte maar ten dele. Amper vijftien jaar na hun oprichting worden de Bureaus Jeugdzorg alweer opgedoekt of fors afgeslankt. ” Die amper vijftien jaar later, was het 2012 en inmiddels ziet de ‘jeugdzorgwereld’ er al weer heel anders uit. De memorie van toelichting bij de Wet op de jeugdzorg zag de volgende rol en positie voor het Bureau Jeugdzorg: “Het in het wetsvoorstel geregelde bureau jeugdzorg zal op basis van degelijk en zonodig multidisciplinair onderzoek de problemen van een jeugdige analyseren en die jeugdzorg indiceren die een antwoord kan bieden op de problemen. Daarbij treedt het bureau buiten de sfeer van de huidige jeugdhulpverlening, omdat ook bezien wordt of de zorg geboden moet worden door de geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor verstandelijk gehandicapten of binnen het regime van een justitiële jeugdinrichting. Het bureau jeugdzorg dat onafhankelijk van zorgaanbieders werkt, zal objectief bezien waar jeugdigen met (complexe) problematiek het beste geholpen kunnen worden. Ook zal de geïntegreerde toegang, gekoppeld aan het recht op jeugdzorg en het integrale hulpverleningsplan, de huidige problematiek van «moeilijk plaatsbare» jeugdigen voorkomen.”
Dat werd geen onverdeeld succes. “Daarbij veroorzaken de indicatiestellingen dubbele wachttijden; eerst moet men wachten op de indicatie en daarna op de juiste hulp.” Dit concludeerde de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010 in haar eindverslag. “De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk,” zo is te lezen in het eindverslag. En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordings-druk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” Ook de gefragmenteerde wettelijke grondslagen en financiering was een aanleiding voor deze decentralisatie. Daarmee zijn we weer op hetzelfde punt aanbeland als in de jaren tachtig. Alleen heeft de wetgever nu de verantwoordelijkheid naar de gemeenten geschoven. Het moet worden gezegd dat, met name grote gemeenten, daar ook zelf om hebben gevraagd.
De Kamerwerkgroep concludeerde dus dat de versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door … verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen.
Geen nood de wet bevat de oplossing: gemeentelijke samenwerking. Dit geheel indachtig het Belgische devies ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands: eendracht maakt macht, al lijkt een deel van de Belgen en vooral Vlamingen daar anders over te denken. Alhoewel oplossing, het wat en hoe van die samenwerking wordt niet verder beschreven. Zijn gemeenten werkelijk eendrachtig en maken ze macht? De wetgever wil dat gemeenten maatwerk leveren. Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Wat in de ene plaats werkt, werkt elders niet dus moet er worden gezocht naar die aanpak die past bij de ‘couleur locale’. Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen gemeenten elkaar? Werken gemeenten samen of maken zij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?
Als we nu kijken hoe gemeenten de hulp organiseren dan zien we dat ‘wijkteams’ een belangrijke rol vervullen. Die moeten bepalen welke ondersteuning of hulp er nodig is en, soms wel en soms niet, zelf hulp bieden. Die moeten hetzelfde doen als werd beoogd met de bureaus jeugdzorg uit de jaren negentig. Lopen we niet de kans dat een onderzoek over een jaar of tien hetzelfde concludeert als de twee voorgangers en weer adviseert om ‘zo-zo-zo-zo-zo’ te gaan werken?
Om de kans daarop te verkleinen is het aan te raden om het vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. In deel twee van De gekleurde wereld doe ik dit met de ‘kleurentheorie’ van veranderkundige Léon de Caluwe.
Daarom een korte uitleg van de ‘kleurentheorie’. Voor degenen die er alles van willen weten, lees het boek Leren veranderen. Een handboek voor veranderkunde van Léon de Caluwé en Hans Vermaak. Voor wie iets minder tijd heeft lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren van De Caluwé. De kleuren staan voor manieren waarop mensen in de wereld staan en die manier heeft gevolgen voor hun handelen en dus ook voor de manier waarop ze naar veranderen kijken.
Geeldrukdenken: ‘gele’ mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen win-win situaties kunt creëren, coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed), als je ‘de neuzen’ kunt richten.
Blauwdrukdenken: ‘blauwe’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object), die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd.
Rooddrukdenken: ‘rode’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt,. Bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt.
Groendrukdenken: ‘groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen en de eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam) ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien, te leren, te kunnen. Als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Het gaat om ideeën, om mensen (met hun motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen.
Witdrukdenken: ‘witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is. Als het betekenis toevoegt, de eigen energie van mensen laat komen. Als je de dynamiek/complexiteit wilt zien, eventuele blokkades wegneemt en symbolen en rituelen gebruikt.
Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win, compromis toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. Win-win en al die termen zijn, volgens De Caluwé en Vermaak, die passen bij Geeldrukdenken. De andere kant van politiek is dat er verantwoording afgelegd moet worden en blauwdruk is uitermate geschikt voor het afleggen van verantwoording.
Als we kijken naar de filosofie achter de huidige Jeugdwet uit 2015 en ook de Wet maatschappelijke ondersteuning uit hetzelfde jaar dan zien we een vijftal opgaven: als eerste normaliseren: problemen (ook bij het opvoeden en opgroeien) horen bij het leven. Dat je daarbij hulp vraagt en krijgt van je naasten is normaal en alleen als je er samen niet uitkomt, dan roep je de hulp in van iemand, een professional, met specifieke kennis en vaardigheden. Er wordt uitgegaan van de kracht van het individu en in het verlengde daarvan de kracht van de samenleving. Centraal hierbij staat wat je wel kunt. Die professional moet hierbij niet worden gehinderd door overbodige bureaucratie. Hij is immers de professional die weet wat er moet gebeuren en daarop moeten we vertrouwen. En als laatste moet die professionele hulp dichtbij zijn.
Kijken we met de ‘kleuren bril’ van De Caluwé naar deze opgave, dan hangt het succes af van de mensen die het echte werk moeten doen, die professionals. Door ruimte te geven aan deze professionals en hen te ondersteuning en begeleiding bij het ‘leren’ te bieden, verandert die werkelijkheid langzaam. De verandering moet van onderop komen. In de theorie van De Caluwé vraagt deze opgave een om ‘groene, witte’ aansturing. Als we kijken hoe deze opgave wordt ingevuld dan zien we bestuurlijke drukte. Aan overlegtafels en bestuurlijke overleggen schuren de gemeente- en zorgbestuurders lans elkaar en wordt richting gegeven aan de gewenste verandering. Die richting wordt vertaald in processen, procedures en in producten die vervolgens worden ingekocht. ‘Geel, blauwe’ aansturing.
Een geel- blauwe benadering van een groen- witte opgave. John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt het begrip rationele irrationaliteit en omschrijft dit begrip als volgt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook rationeel’ of is er sprake van rationele irrationaliteit?
De afgelopen vijftig jaar was een periode met, zoals we zagen veel ‘politieke sturing’. En dat is precies waar Van Dijk in de casus UWV om vraagt. Trouwens ook in de zorg voor de jeugd wordt er alweer gevraagd om ‘politieke sturing’, om ‘betere’ wettelijke kaders. Ondanks al die sturing is ‘zo-zo-zo-zo-zo-zo’ nog steeds niet bereikt. Zou meer ‘Haagse bemoeienis’ dit keer wel werken? Of zou het gebrek aan succes niet kunnen liggen aan verkeerde aansturing? Zou de oplossing niet kunnen liggen in juist minder ‘politiek’ en ‘politieke bemoeienis’?
Dat is lastig voor Van Dijk en zijn collega’s. Mensen met een geel en blauw denkkader spelen volgens De Caluwé een heel andere wedstrijd. Daar waar het bij rood, groen en wit draait om harmonie, om samen resultaat bereiken en niemand achterlaten. Staat in gele en blauwe wereld winnen centraal. Bekennen dat ‘jouw aansturing’ het probleem is, is toegeven dat je verliest. En verliezen ligt heel zwaar in een ‘gele’ of ‘blauwe’ omgeving.
“Ondanks het overweldigende wetenschappelijke bewijs dat klimaatverandering wordt veroorzaakt door de mens, groeit het aantal klimaatsceptici. Wat gaat er in hun hoofd om?” Die vraagt stelt Irene van den Berg zich bij OneWorld. Voor een antwoord op deze vraag gaat zij te rade bij enkele wetenschappers.
Die zien verschillende oorzaken. Als eerste: “Achterdocht jegens wetenschappers komt (…) vaak ook voort uit een wantrouwen tegen de heersende elite.” Dan is er een meer op ideologie gebaseerde afkeer en dan vooral ideologische weerstand tegen collectieve maatregelen: “Veel Amerikanen hebben een diepgeworteld geloof dat overheidsbemoeienis hun vrijheden ernstig aantast.” Dan is er een groep die vertrouwt op de eigen intuïtie: “Mensen met een intuïtief wereldbeeld vertrouwen eerder op hun eerste ingeving en schuiven de wetenschap vervolgens terzijde. Wetenschap vereist slow thinking en daar zijn wetenschapsontkenners minder goed toe in staat. Zij scoren gemiddeld slechter op analytisch vermogen.” Dan zijn er nog mensen die zoeken naar bewijs dat hun beeld bevestigt: “Veel klimaatsceptici zijn wel op zoek naar feiten. Zij produceren echter ándere feiten en trekken de bestaande in twijfel.”
Eigen foto
Wat daaraan te doen? Jaron Harambam, een van de geraadpleegde wetenschappers: “Ik denk dat meer moet worden stilgestaan bij de emoties van de twijfelaars, in plaats van alsmaar op de feiten te gaan zitten.” Ook wil hij opzoek naar de krachten achter de ontkenning: “Er is een aantal sociale mediaplatformen waarop dat veel gebeurt. Ik wil graag weten door wie deze partijen worden betaald.” Daarbij helpt het, volgens Hrambam niet om de sceptici: “allemaal over één kam (te) scheren,” dat “leidt in ieder geval niet tot goede analyse, noch tot oplossingen.”
Bij het lezen van dit artikel moest ik denken aan het The Game, het laatste boek van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Een zeer lezenswaardig boek dat je met andere ogen naar de huidige samenleving laat kijken en waarin Baricco verder gaat waar hij in zijn boek De Barbaren begon. In de Barbaren beschrijft hij het steeds oppervlakkiger worden van onze samenleving beschrijft. Hij doet dat aan de hand van boeken, wijn en voetbal. In een eerdere Prikker besteedde ik al eens aandacht aan Baricco. Er wordt meer wijn gedronken, maar kwaliteitswijn leidt een kwijnend bestaan. Net zoals de literatuur terwijl er veel meer boeken worden verkocht. Als voetballiefhebber betreurt hij het lot van Roberto Baggio de sierlijke specialist die steeds vaker op de bank zat omdat hij geen totaalvoetballer was. Die ‘barbaren’ leken zich niets aan te trekken van oude conventies. Ze leefden in een andere wereld. Met hun gedrag gaven de barbaren een inkijkje in de nieuwe wereld: “een lay-out van de wereld die is aangepast aan de ogen die we hebben, een mentaal ontwerp dat geschikt is voor onze hersenen, en een hoopvol plot dat is opgewassen tegen ons hart, bij wijze van spreken.”
In The Game onderzoekt hij als een soort archeoloog de onstaansgeschiedenis van die nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “In The Game onderzoekt hij de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Een interessant boek met bijzondere vergelijkingen. Zo ziet hij het Nederlandse totaalvoetbal uit de jaren zeventig als een van de voorgangers van het Web: “het Nederlands elftal heeft maar zelden een toernooi gewonnen …. .Niettemin was de roep ervan onweerstaanbaar, en dat had te maken met een zeker ontsluiten van horizonten, de verpulvering van de vele regels, de vernietiging van onbenullige mentale blokkades en het opeisen van een nieuwe gelijkheid.” Als je het zo leest dan zijn er wel wat parallellen met het Web. Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de gehele digitale revolutie.
Baricco gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië door een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was.” Zij wilden een andere wereld. Dat anders, en ook de manier waarop, werd kort maar krachtig samengevat in de woorden: “Veel mensen proberen de aard van de mens te veranderen, maar dat is echt tijdverspilling. Je kunt de aard van de mens niet veranderen, wat je wel kunt doen is de tools die ze gebruiken veranderen, de techniek veranderen. Dan verander je de samenleving.” Woorden van een van hen: Stewart Brand.
Woorden opgeschreven in een periode waarin ideologieën centraal stonden. Ideologieën die de mensen en dus mensheid wilden veranderen. Ideologieën die in de twintigste eeuw tot vernietigende oorlogen hadden geleid. Die ‘aparte mensheid’ liet de ideologie varen en concentreerde zich op de techniek, de tools. ‘In ieder huis een computer,’ voorspelde de al genoemde Brand in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Deze ‘aparte mensheid’ wilde dus weg van ideeën en hun bemiddelaars, de ideologen. Zij wilden de macht bij het volk.
Een van de belangrijkste eigenschappen van de tools de ze ontwikkelden was daarom dat iedereen ze makkelijk kan gebruiken. Je hebt geen ‘expert’ of ‘tussenpersoon’ nodig om een app te versturen. Je huis of auto verhuren kun je zelf, via Airbnb of Uber. Om je bankstel te verkopen hoef je het niet meer naar een handelaar in tweedehandsjes te brengen. Je kunt het rechtstreeks aan een geïnteresseerde verkopen. Als de digitale revolutie iets is, dan is het de uitschakeling van de ‘tussenpersoon’. Baricco: “Wanneer ik een systeem maak dat hen buitenspel zet en hen vervangt door beschermde omgevingen waarin ik mensen en dingen rechtstreeks met elkaar in contact breng, en iedereen aanzet om mee te drijven op getijdenstromingen veroorzaakt door een ondoorgrondelijke massa-intelligentie, dan heb ik iets episch verwezenlijkt: een wereld waarin ogenschijnlijk geen elites voorkomen, een planeet met directe aandrijving , waar de collectieve intentie en intelligentie wordt omgezet in actie zonder dat ze langs tussenliggende autoriteiten hoeven. Het onvermijdelijke gevolg is dat bij een aanzienlijk aantal mensen de overtuiging groeit dat ze het wel afkunnen zonder tussenkomst, zonder expert of insiders. … Ze kijken om zich heen, en bezield door een bepaalde, begrijpelijke zweem van rancune zoeken ze naar de volgende intermediair om te vernietigen, de volgende tussenstap om over te slaan, de volgende kaste der voorgangers om overbodig te maken.”
En daarmee kom ik bij de vraag die Van den Berg zich stelt en trouwens ook alle mogelijkheden om er wat aan te doen die in haar artikel worden geformuleerd. Is het niet begrijpelijk dat velen een klimaatwetenschapper, net als trouwens alle wetenschappers, ook zien als een ‘tussenpersoon’ die kan worden ‘uitgeschakeld’? Dan helpt het niet om: “klimaatontkenners die zich zorgen maken over de kosten van een duurzamere maatschappij … te overtuigen met een goede financiële onderbouwing.” Die onderbouwing wordt immers ook geleverd door een tussenpersoon.
Diepgang, toelichting, onderbouwing zijn iets van vóór de eenentwintigste eeuw. Om een vergelijking uit Baricco’s De barbaren aan te halen. Het zijn vormen van diepzeeduiken, van een uitgebreide en zware studie van een heel klein deel van de zee. Dit terwijl de eenentwintigste eeuw vooral bestaat uit surfers. Mensen die scheren over een groot deel van het zeeoppervlak zonder te weten wat er onder de waterspiegel gebeurt. Soms komt er iets aan de oppervlakte en dat wordt aan die oppervlakte oppervlakkig bestudeerd en dan vooral in relatie met het oppervlak en het surfen. Zouden wetenschappelijke analyses en berekeningen over het koraal op tien meter diepte de surfer bereiken? Zouden berekeningen over de kosten en nog grondigere analyses door een wetenschapper, een tussenpersoon, de ‘surfer’ overtuigen?
In een van de laatste paragrafen van The Game besteedt Baricco aandacht aan de waarheid. Hij gebruikt het begrip ‘snelwaarheid’, dat is: “een waarheid die om naar de oppervlakte van de wereld te komen – dat wil zeggen, om begrijpelijk te worden voor de meeste mensen, en ieders aandacht te krijgen – zichzelf een aerodynamisch design heeft aangemeten, waarbij ze onderweg aan nauwkeurigheid en precisie inboette, maar wel aan beknoptheid en snelheid won.” Een waarheid die ergens op iets waars is gebaseerd maar toch niet helemaal. “Een snelwaarheid wint als ze eerder en beter dan andere waarheden aan de oppervlakte weet te komen.” Daarbij: doet het er niet eens zoveel toe hoe stevig ze op feiten steunt: het is haar aerodynamische uitrusting die over haar lot beslist.” Het succes van die aerodynamische uitrusting wordt, zo betoogd Baricco, bepaald door ‘storytelling’: “Storytelling is niet iets wat de realiteit verpakt, of vermomt, of verfraait: het is iets dat deel uitmaakt van de realiteit, het is een deel van alle dingen die zijn. Wil je een formuletje om dat concept makkelijk te metaboliseren? Komt-ie: ONTDOE DE REALITEIT VAN DE FEITEN, EN WAT ER DAN OVERBLIJFT IS STORYTELLING.”
Zou, om werkelijk de hoofden van de klimaatsceptici te bereiken, de boodschap in een goed en pakkend verhaal worden verpakt? Een verhaal dat moet staan als een huis, los van welk feit, cijfer of onderbouwing dan ook? Moet hierbij niet de vraag worden gesteld die een politicus in een voorbeeld van Baricco stelt als hem wordt gevraagd om een keuze te maken tussen verschillende oplossingen van een probleem: “welke zouden we het beste kunnen vertellen?” Dus niet geen verhaal verzinnen bij de beste oplossing maar de best te vertellen oplossing kiezen omdat daarmee de scepticus wordt bereikt? En vanuit dat eerste succes kun je verder werken. “Want een perfecte oplossing die ik niet aan mensen kan uitleggen is gedoemd te mislukken,” aldus Baricco.
Dat is niet iets wat wetenschappers normaal doen, die kiezen de beste oplossing en maken daar een verhaal bij. Dat is ook de richting die Van den Berg en de door haar geraadpleegde wetenschappers op lijken te gaan. Toch maar eens contact opnemen met enkele goede storytellers?
“(E)en grenzeloos Europa kent geen enkele winnaar.” De boodschap van Student geschiedenis en internationale betrekkingen Dennis Witte in een artikel bij Opiniez. Een artikel met bijzondere uitspraken en redeneringen.
Zo zorgt migratie voor een ‘braindrain’ in de landen van herkomst: “Het zijn niet de zwakkeren die de reis maken, maar zij die in staat zijn te verdienen. Met een braindrain als gevolg. Een braindrain zoals de massa exodus Somalië opleverde, waar ontelbare Somaliërs de oversteek maakten naar Europa. Het land veroordelend tot een eeuwig bestaan in de marge.” Hierop kom ik dadelijk terug, eerst de hierop volgende zin: “Een toekomst die landen als Syrië, Eritrea en Albanië ook staat te wachten als wij toestaan dat hun kansrijke inwoners de overtocht wagen. De beruchte foto’s van gammele bootjes vol Afrikaanse mannen, wachtend om de overtocht naar Europa te maken.”
Beste meneer Witte, Albanezen hoeven geen overtocht te maken om Europa te bereiken, zij wonen al in Europa. Of bent u, net als sommige Noord-Italianen van mening dat Afrika onder Rome begint? En zelfs dan hoeven ze geen overtocht te maken. Meneer Witte, die Eritreeërs ontvluchten hun land vanwege het onderdrukkende regime waardoor ze hun leven niet zeker zijn. En meneer Witte, die Syriërs hadden nog netjes in Syrië gewoond als er geen burgeroorlog was uitgebroken. Een burgeroorlog waarmee zich vervolgens allerlei landen gingen bemoeien zodat die eindeloos voortsleept. Wist u dat Syrië met het jaren daarvoor door de Verenigde Staten en bondgenoten vernietigde Irak, op Israel na, het meest Westerse land in het Midden-Oosten was?
Zoals gezegd pleit Witte voor grenzen. En daarmee kom ik terug op die ‘braindrain’ waardoor landen als Eritrea veroordeeld zijn tot ‘ een eeuwig bestaan in de marge’. Zoals Witte terecht constateert zijn het nu vooral de ‘sterkere’ inwoners die een ‘kaartje’ voor die “gammele bootjes” kunnen betalen. De mensen met geld. De echte arme sloebers blijven, in de regio. Iets wat volgens Witte: “in cultureel opzicht altijd het beste (is), ook voor de sociale condities van de migrant.” Het wegtrekken van die sterkere zorgt volgens Witte voor een braindrain. De mensen die de potentie hebben om het land van herkomst verder te helpen vertrekken, zo betoogt Witte. Daar heeft Witte een punt. Maar …
Maar: “natuurlijk, migratie moet altijd mogelijk blijven. Maar alleen als de migrant van economisch en sociaal toegevoegde waarde is. Stop de kansarme migratie, nu het nog kan.” Zo betoogt Witte. Zou iemand die hier ‘economisch en sociaal van toegevoegde waarde is, niet ook in zijn land van ‘toegevoegde waarde’ zijn? Kansarm, kansrijk? Waar, voor wie en op welke termijn? Het lijkt me een lastige kansberekening.
Enkele jaren geleden riep toenmalig minster en huidig buschauffeur Fred Teeven rijke buitenlanders op om naar Nederland te komen om hun geld hier te investeren. Is dat een vorm van ‘kansrijke migratie’? Zouden die miljonairs niet ook beter in hun land van herkomst kunnen investeren? Zou die miljonair dat geld niet beter kunnen investeren in die ICT-ers in zijn eigen land? ICT-ers die nu van harte welkom worden geheten in Nederland. Om hun ‘brains’ daar in plaats van in Nederland te laten ‘draineren’?
De grenzen dan maar helemaal dicht? Nee, dat sluit mensen op zoals de Ballonnendoorprikker al vaker heeft betoogd. Laatstelijk nog in het kader van Europese verkiezingen en Baudets ideeën voor een Nexit. Geen gesloten, maar ademende grenzen. Grenzen die open staan voor zowel vluchtelingen als arbeidsmigranten. Voor arbeidsmigranten door bijvoorbeeld te werken met arbeidsvergunningen voor bepaalde tijd. Arbeidsvergunningen die aan te vragen zijn in de landen van herkomst. Niet alleen voor de ‘hoogopgeleide ICT nerd’ maar ook en vooral voor lager- of niet opgeleiden. Ademende grenzen die het mogelijk maken om vaker terug te komen. Om bijvoorbeeld seizoensarbeid te verrichten en na het seizoen weer terug te gaan en het verdiende geld in het land van herkomst te investeren in een beter leven.
Maar vooral ademende grenzen door eerlijke handel. Waarbij eerlijk wat anders is dan vrije handel. Waarbij Afrikaanse landen beperkingen op mogen leggen aan westerse producten om zo hun eigen bedrijvigheid te beschermen en op te bouwen. Zou dat op termijn niet betere kansen bieden voor zowel het land van aankomst als het land van herkomst?
Bij De Correspondent breekt Miguel Heilbron een lans voor meer perspectief in het geschiedenisonderwijs. Hij vindt het huidige geschiedenisonderwijs te Eurocentrisch: “Tot op de dag van vandaag blijven de canon, de tijdvakken en de lesboeken West-Europa en Nederland centraal stellen en de suggestie wekken dat ‘het Westen’ superieur is. Bijvoorbeeld door Grieken en Romeinen en niet Egyptenaren, Mesopotamiërs en anderen als ‘bakermat’ van de beschaving te beschrijven, verworvenheden van buiten Europa niet te benoemen en door ‘westerse’ landen te behandelen als referentiepunt.”
Volgens Heilbron is: “Aandacht voor perspectieven van buiten Nederland en Europa (…) relevant voor kinderen die hun roots niet hier hebben, maar ook voor alle andere leerlingen. Een gebrek aan kennismaking met perspectieven uit andere delen van de wereld kan immers vooroordelen of stereotypen in de hand werken en achterhaalde beelden versterken.” In het artikel doet Heilbron een voorstel om de tijdvakken anders, minder vanuit Nederlands en Europees perspectief te beschrijven. Zo stelt Heilbron bijvoorbeeld voor om de periode van 1600 tot 1700 in plaats van “Tijd van regenten en vorsten (Gouden eeuw)” in het vervolg: “ Tijd van kolonialisme en handelskapitalisme (roof, handel en uitbuiting op wereldschaal) te noemen.
Een interessant idee. Toch zou ik een lans willen breken voor een geheel andere aanpak dan het centraal stellen van gebieden of tijdvakken. Want mis je daardoor niet het belangrijkste van de geschiedenis, namelijk het inzicht in het gedrag en handelen van mensen? Waarom niet kiezen voor een thematische aanpak?
Thema’s die een rol spelen in het leven van de mens van toen en nu. Thema’s zoals ‘de innovatieve mens’ waarin de hulpmiddelen die de mens heeft ontwikkeld en de plek en de rol die ze in het leven spelen centraal staan, van de vuistbijl tot de nanotechnologie. Of de ‘verhalenmens’ over de rol die verhalen zoals onder andere religies, in het leven van de mens spelen. Of ‘de mens als rijkenbouwer’ waarbij wordt bekeken hoe een succesvol rijk ontstaat en ook weer onherroepelijk vervalt. De ‘mens als handelaar’ waarbij aandacht is voor de economie. De ‘mens als mensenbezitter, waarbij aan bod komt hoe de mens zijn medemens ge- en misbruikt voor eigen doelen waarbij slavernij, feodalisme en Marx’ klassenstrijd aan bod komt. De ‘mens als dierenmens’ waarbij de omgang van de mens met dieren wordt behandeld.
Zo zijn er nog wel meer thema’s te verzinnen. Thema’s die een rol spelen en speelden in iedere periode en door ze te benadrukken kun je laten zien welke ontwikkeling (of niet) we als mensheid doormaken. Dan zullen we zien dat kolonialisme iets van alle tijden, ook de onze, is. Want hoe moeten we de Chinese nieuwe zijderoute anders noemen? Of de Amerikaanse bemoeienissen in het Midden Oosten? Dan zullen we zien dat er er niet één periode van groei van imperia is, maar dat dit eigen is aan de mensheid sinds die zich vestigde in steden.
Bij Elsevier een artikel van historicus Christaan Hoekstra. Hoekstra breekt een lans voor de waarde van de grens. “Dat is niet per se een fysieke grens, maar een begrenzing in de aantasting van die kernsamenstelling van geschiedenis, taal en waarden. De elementen die Nederland groot hebben gemaakt. De grensbepaling zou daarom hardop bediscussieerd moeten worden,” zo sluit Hoekstra af.
Transmission electron micrograph of multiple bacteriophages attached to a bacterial cell wall. Bron: Wikipedia
Hoekstra vergelijkt een land met een cel: “Zoals in de biologie een cel een celwand nodig heeft om zijn celkern te beschermen, zo heeft een natie ook een begrenzing nodig om zijn kern tot volle bloei te laten komen.” Die kern wordt, zo betoogd Hoestra van vier kanten bedreigd: “Twee daarvan komen van binnenuit: visieloze politici en de flegmatiek van vele Nederlanders. Twee daarvan komen van buitenaf: de uitbreidende EU en de voortgaande massa-immigratie.”
Een land, de samenleving zien als een cel, een organisme, dat gebeurt vaker. In een cel of organisme hebben alle onderdelen een vaste plaats en weten ze wat ze moeten doen om de cel of het organisme te laten overleven. Voor Hoekstra bestaat de essentie, de kern van land uit: “drie kerneigenschappen. Het kent een eigen specifieke geschiedenis. Daaruit is een bijzonder en gedeeld waardenstelsel voortgekomen dat iedere burger kan verstaan, omdat hij onderdeel is van dezelfde taalgemeenschap. Dat geheel aan waarden is een specifieke uitdrukking van een land. Die zijn formeel vormgegeven in de wet. Informeel is dat een levenshouding, maar ook de vele gedragscodes en omgangsvormen.”
Nu is er het nodig af te dingen op alledrie die kerneigenschappen. Om te beginnen die specifieke geschiedenis. Als historicus zou Hoekstra toch moeten weten dat dé geschiedenis van een land niet bestaat. Iedere gebeurtenis kan vanuit verschillende invalshoeken worden bekeken, bestudeerd en gewaardeerd. Voor een diepgelovige christen zal god een belangrijke rol spelen, voor een communist ligt dat heel anders. Die verschillende invalshoeken leiden als vanzelf tot verschillende stelsel van waarden en ook dat mensen elkaar niet ‘verstaan’, ondanks dat dat ze dezelfde taal spreken. Het leidt ook tot verschillende gedragscodes en omgangsvormen.
Een land als een cel, een slechte metafoor en ook een risicovol? Maakt dat het heel verleidelijk om de vier bedreigingen ook in ‘biologische termen’ te bespreken? Wordt dan de cel (het land) niet van binnenuit bedreigd door veroudering (de flegmatiek van de burger) en kanker (visieloze politici) en van buiten door milieuverontreiniging (de uitbreidende EU) en virussen (migranten)? En wat doe je met ziektes? Die bestrijd je.
Mijn woonplaats Venlo kreeg een prominente plek in de verkiezingscampagne voor het Europese Parlement. Deze keer niet omdat de in deze gemeente geboren Wilders zo’n belangrijke rol speelde. Of misschien toch omdat de partijen die Venlo als voorbeeld gebruikten, de VVD en het FdV, stemmen wilden afpakken van Wilders? Ik denk het niet. Nee, ik denk dat het met de grensligging van Venlo te maken had en het vele vrachtverkeer dat via ‘logistiek knooppunt Venlo’ het land inkomt en uitgaat.
Zo wil het FvD weer een stevige grensbewaking invoeren om te voorkomen dat ‘migranten via Venlo ons land binnenkomen’. De VVD wil hetzelfde, voorkomen dat migranten ons land binnenkomen, maar wil Venlo ‘verplaatsten’ naar Lesbos en Lampedusa’.
Fliegerhorst Venlo september 1944. Bron: Wikipedia
Ook wil het FvD, of tenminste een deel van die partij waartoe in ieder geval leider Baudet behoort, dat Nederland de complete Europese Unie verlaat. Bij die ideeën gaan mijn gedachten terug naar mijn jeugd. Toen stonden de douaniers aan de grenzen van Venlo. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.
Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen.
Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd (1980) en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens?
Ik weet niet of het toeval is, maar ook deze week las ik een bericht over de atlas der gemeente. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Als jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken.
Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbeker Seen. Voor degenen die geen Duits begrijpen, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.
Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijdt vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een halfmiljoen inwoners, een van de grootste binnenhavens en op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoner groter dan … . Een gebied met nu twee clubs in de Bundesliga. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. het aantal clubs in de Bundesliga groeit dan met vier (1. FC Köln, Borussia Dortmund, Bayer Leverkusen en Schalke 04 waarvan er twee zich hebben geplaatst voor de Champions League).
Een gebied met veel inwoners waar naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens.
Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en Baudets grenshek. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn twee softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart.
Vandaag mogen we naar de stembus om onze vertegenwoordigers in het Europees parlement te kiezen. Bij Joop een schrijven van drie personen, Sara Murawski, Geert Ritsema en Remine Alberts, die namens de SP ons in dat parlement willen vertegenwoordigen. De drie, maken zich zorgen over de, in hun en ook mijn ogen, te ver doorgeschoten marktwerking. Zij pleiten: “voor een nieuw Europees verdrag, waarin de interne markt begrensd wordt, nationale staten en de lokale democratie weer meer zeggenschap krijgen over de economie, en sociale rechten en het milieu altijd voorrang krijgen op de vrije markt. Want daar waar de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan, delven mensen, dieren en het milieu het onderspit – ook in onze prachtstad.” Die stad is hun woonplaats Amsterdam. Toch is er op hun redenering het nodige aan te merken.
“De steeds verdergaande economische integratie in de EU zorgt ervoor dat de sociale ongelijkheid tussen mensen groeit doordat overheden en gemeentes steeds minder ruimte hebben om in te grijpen in de markt.” Aldus de drie. Inderdaad zien we in Europa verdergaande economische integratie en toenemende sociale ongelijkheid. Dat betekent echter niet dat er ook een causaal verband is tussen die twee gebeurtenissen. Dat, zoals zij beweren, die integratie die ongelijkheid veroorzaakt. Een voorbeeld, de Verenigde Staten zijn altijd al een geïntegreerde economie en ook daar neemt de ongelijkheid toe. Als het verband van de drie opgeld doet, dan zouden de VS economisch moeten ‘desintegreren’ om de economische ongelijkheid te verkleinen. Het vreemde is dan wel dat het land in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog veel ‘gelijker’ was dan nu en dat de ongelijkheid sindsdien toeneemt zonder verdere integratie.
Inderdaad delven mensen, dieren en het milieu het onderspit als de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan. Meer zeggenschap voor nationale staten en lokale democratie is volgens de drie de oplossing. Het verleggen van de zeggenschap van Europa naar land en lokaal, zoals drie beweren, is geen oplossing hiervoor. Die kleinere schaal is echter geen ‘garantie’ tegen ongebreidelde marktwerking. Ook kleine democratieën kunnen ten prooi vallen aan het neoliberale economische denken. Sterker nog, zou de door de SP-ers bepleiten ‘versnippering’ werkelijk effectief kunnen optreden tegen de de Googles, Facebooken maar ook de Shells, Volkswagens en Morgan Stanleys van deze wereld?
“Of het nu gaat om de post, het spoor of onze energiebedrijven, al deze zaken zijn onder druk van de liberaliseringsmachine die Brussel is geworden geprivatiseerd – met alle gevolgen van dien.” Beste SP-ers, liberaliseren is wat anders dan privatiseren. Liberaliseren betekent het openstellen van een markt voor andere partijen. De keuze om een staatsbedrijf te privatiseren, staat daar los van. Die keuze wordt niet in Europa gemaakt, maar in Nederland. Andere landen binnen dezelfde EU zijn nog steeds eigenaar van energiebedrijven. Zo is het Zweedse Vattenfall voor 100% eigendom van de Zweedse overheid en is de Franse staat nog steeds de trotse bezitter van spoorbedrijf SNCF, net als trouwens de Nederlandse staat eigenaar is van de NS.
De drie gaan verder: “Hetzelfde geldt voor belangrijke dienstverlening die gemeentes organiseren voor hun inwoners: het aangaan van lange-termijn relaties met bijvoorbeeld een betrouwbare thuiszorginstelling of een schoonmaakbedrijf is er niet meer bij, omdat gemeentes verplicht zijn om aan te besteden. Dit is vaak echter helemaal niet in het belang van de mensen die afhankelijk zijn van deze instellingen en juist behoefte hebben aan stabiliteit en een langdurige relatie. Zo pakt goedkoop vaak uit als duurkoop, ten koste van de meest kwetsbaren.” Ook hier is het niet de Europese Unie die de keuze maakt om van bijvoorbeeld de thuiszorg of de zorg voor de jeugd een markt te maken. Die keuze maken de gemeenten zelf. Maar als je de keuze maakt om er een markt van te maken, dan gelden ook de Europese regels voor de markt. Neem bijvoorbeeld de zorg voor de jeugd waar we in Nederland een ‘markt’ van hebben gemaakt. Binnen de EU laat ons buurland Duitsland zien dat het ook anders kan. De zorg voor de jeugd is daar belegd bij het Jugendamt, een onderdeel van de Kommunalverwaltung en dus een overheidsdienst.
Beste SP-ers, zoals gezegd deel ik jullie zorgen over de doorgeschoten marktwerking. De Europese Unie is hiervan echter niet de oorzaak nog een hinderpaal bij het oplossen ervan. De oorzaak is te vinden in de hoofden van jullie, de politici die namens ons de keuzes moeten maken. Jullie kunnen andere keuzes maken, in gemeente en provincie en het Europese Parlement maar vooral in de Nederlandse Staten Generaal. Want de belangrijkste en grootste invloed loopt nog altijd via onze regering. Sterker nog, het is niet Europa dat het landsbeleid bepaalt maar het zijn de landsregeringen die het Europese beleid bepalen.
“Nederland is in hoog tempo bezig de zeggenschap over de eigen essentiële belangen over te hevelen naar een EU zonder democratisch mandaat. De gevolgen daarvan zijn verstrekkend. Dit schrijft Kees de Lange in een artikel bij Opiniez. Volgens de Lange worden er systematisch bevoegdheden overgedragen naar de Europese Unie en hierdoor wordt de Nederlandse soevereiniteit uitgehold.
De Lange vraagt zich af hoe dit kon gebeuren en in die zoektocht komt hij bij de Grondwetswijziging van 1953. Bij die wijziging werd het Nederlands recht ondergeschikt gemaakt aan internationaal recht. En dit leidt er nu, volgens De Lange toe dat: “de eigen soevereiniteit en de soevereiniteit van de eigen bevolking als basis van onze samenleving worden verkwanseld en hoe bijna zonder enige diepgaande discussie standaard gehandeld wordt, niet tegen de sinds 1953 strikte letter, maar wel tegen de geest van onze eigen Grondwet.” Dit is tegen het zere been van De Lange immers: “verandering in soevereiniteit (kan) dan en slechts dan plaatsvinden indien met instemming van de burgers.” En die burger wordt gepasseerd: “Het verkwanselen van de directe belangen van de Nederlandse burger zonder diezelfde burger zelfs maar te raadplegen is een politieke wanvertoning en een democratische doodzonde van de eerste orde.” Zo, die kunnen onze politici in hun zak steken.
Alhoewel. Is het wel zo dat ‘het volk’ niet geraadpleegd is? Als je een referendum als enige manier ziet om ‘het volk’ te raadplegen, dan is dat slechts twee keer gebeurd. Een eerste keer over de ‘Europese grondwet’ en een tweede keer over een associatieverdrag met de Oekraïne. Zowel de ‘Grondwet’ als het associatieverdrag bevatte geen overdracht van soevereiniteit, er werden dus geen ‘belangen verkwanseld’. De ‘Grondwet’ was niets meer dan een bundeling van al gemaakte afspraken en de bevoegdheid om een associatieverdrag te sluiten, had de EU al.
Als we kijken naar alle overdrachten van welke bevoegdheid dan ook, dan zijn die genomen volgende in Nederland geldende regels van het spel. Neem de Grondwetswijziging van 1953, die is twee keer in de Tweede Kamer behandeld en aangenomen. Tussen die twee behandelingen in zaten verkiezingen waar ‘het volk’ zich kon uitspreken.
‘Ja, maar dan moet het volk wel weten dat dit staat te gebeuren’, zou je kunnen tegenwerpen en het is maar helemaal de vraag of ‘het volk’ het allemaal wel wist. Als we de beeldvorming van de laatste jaren bezien, dan rijst er een beeld op van ‘gekonkel in achterkamertjes’ waar wordt besloten om Nederland steeds verder Europa in te ‘rommelen’.
Een beeld dat het tegenwoordig goed doet, maar gebeurde het ook zo? Europa en verdere Europese integratie was vast niet het ‘belangrijkste’ verkiezingsthema. Dat de politieke partijen er niet open over waren, is bezijden de waarheid. “De Europese gemeenschappen worden uitgebreid met Groot-Brittannië, Ierland, Noorwegen en Denemarken en andere demokratische Europese landen die de doelstellingen van de E.E.G. onderschrijven. De uitbreiding van de E.E.G. met Groot-Brittannië zal niet ten koste gaan van de steun aan arme landen.” Zo valt te lezen in het verkiezingsprogramma van de PvdA in 1967. En het VVD-programma voor de verkiezingen van hetzelfde jaar lezen we het volgende: “Dit streven brengt mee, dat in de nabije toekomst de E.E.G. met andere Europese landen zal moeten worden uitgebreid. De komende Europese Gemeenschap zal zowel naar binnen als naar buiten een liberale politiek moeten voeren.” In 1989 lezen we in het PvdA-programma het volgende: “Nederland heeft ook verantwoordelijkheden en belangen in internationaal verband. Nederlandse burgers zullen hoe langer hoe meer EG-burgers en wellicht op den duur zelfs burgers van een groter civiel Europa worden.” En in het programma van het CDA voor de verkiezingen van 1989 lezen we: “Eén aspect verdient nog bijzondere aandacht omdat het de politieke agenda in toenemende mate zal bepalen. Het betreft de eenwording van de Europese markt tegen 1992. Deze heeft een belangrijke signaalfunctie: ‘signaal’ omdat reeds eerder belangrijke stappen zullen zijn gezet, terwijl uiteraard niet alle beslissingen en maatregelen in 1992 zullen zijn afgerond. Niettemin zal ook Nederland de gevolgen van ‘Europa 1992’ voelen: de gemaakte afspraken zullen het nationale beleid beïnvloeden.”
Deze partijen hebben jarenlang de verkiezingen gewonnen en kregen samen vaak bijna driekwart van alle stemmen. Kun je dan volhouden dat er sprake was van ‘gerommel in achterkamertjes’? Dat er soevereiniteit werd overgedragen zonder instemming van ‘het volk’?
“Cycloon Idai kwam uit het Westen’ zo luidt de titel van de column van Clarice Gargard in de NRC. Nu hoef je maar op de kaart te kijken om te zien dat de orkaan in werkelijkheid uit het oosten kwam. Cyclonen ontstaan boven zee en het westen van Mozambique grenst niet aan de zee. Nu schrijft Gargard Westen met een hoofdletter en bedoeld Gargard het gebied dat we het Westen noemen, Europa en Noord-Amerika.
“De oorzaak is vooral CO2-uitstoot aan de andere kant van de oceaan. Het Afrikaans continent is verantwoordelijk voor maar vier procent van de uitstoot wereldwijd, die tot stijgende zeespiegels, vernietigende stormen en hevige overstromingen leidt.” Stormen en overstroming zijn iets van alle tijden en niet iets van de laatste ruim 150 jaar, de periode dat de mensheid fossiele brandstoffen verstookt. Inderdaad lijkt het zo te zijn dat de toename aan koolstofdioxide in de atmosfeer ervoor zorgt dat stormen heviger worden. En inderdaad is het Westen een van de grootste uitstoters van koolstofdioxide.
Wat Gargard dwars zit is dat: “verduurzaming nu ook van Afrika verwacht wordt, om de schade te beperken die het Westen veroorzaakt heeft.” Terwijl het Westen: “onbekommerd verder (gaat) met het verbruiken van fossiele brandstoffen.” Dat lijkt een beetje tegen het zere been van Gargard. Het Westen is de: “man op de rug van een andere man. De zittende man zegt de drager te willen helpen. (Het type man dat – ik noem maar wat – noodrantsoenen in Afrika uitdeelt.) Hij overtuigt zichzelf en anderen van zijn intentie. De zogenaamde weldoener haalt alles uit de kast om de drager van dienst te zijn. Alles, behalve van zijn rug af gaan.”
Een mooie metafoor al mankeert er iets aan. Het Westen en de Afrikaan zitten op de rug van dezelfde man. Of moet ik vrouw en ‘moeder aarde’ zeggen? “Klimaatverandering klinkt vaak als een abstract gegeven. Een groot kwaad waar we ons pas later écht druk om hoeven te maken. Voor het gemak vergeten we dat miljoenen die luxe niet hebben.” Natuurlijk moet ‘het Westen’ haar verantwoordelijkheid nemen en dat Westen dat zijn wij, jullie mijn lezers, jullie buren, familie, vrienden, bekenden. Maar daar horen Gargard en haar familie, vrienden, buren en bekenden ook bij. Alleen heeft die investering weinig effect als de Afrikaan het huidige Westerse economische patroon gaat kopiëren. Als ze er op een ‘ Westerse’ manier voor gaan zorgen dat ze die luxe wel krijgen. Dan wordt op termijn de Westerse beperking van het verlies teniet gedaan door Afrikaanse verliezen.
Dus ja, zou ik zeggen, ook Afrika moet een bijdrage leveren aan de verduurzaming. Het moet die bijdrage leveren door meteen voor duurzaamheid te kiezen. Wij, in het Westen hebben last van de ‘wet van de remmende voorsprong’. Wij moeten afbreken, ombouwen vervangen, desinvesteren en zo veel middelen besteden aan veranderen. Onze ‘remmende voorsprong’ is Afrika’s ‘stimulerende voorsprong’, zij kunnen het in één keer goed doen.
Maar hebben wij, het Westen, niet op één punt een ‘stimulerende voorsprong’: de luxe van het geld? Biedt die ‘luxe’ ons niet een uitstekende kans om te voorkomen dat de Afrikaan ‘verliezen’ gaat maken? Moeten wij, naast dat we ons ‘eigen huis’ klimaat-technisch op orde brengen’, niet ook de Afrikaan ondersteunen bij het benutten van die ‘stimulerende achterstand’? Ondersteunen op alle mogelijke manieren. Manieren variërend van de overdracht en export technische kennis tot het tegen zeer gunstige tarieven beschikbaar stellen van geld. Of van het openen van onze markten voor Afrikaanse producten tot het stoppen met het dumpen van onze producten op hun markten. Maar ook door het gecontroleerd openen van onze grenzen voor arbeidsmigranten.