De gekleurde wereld

In de Volkskrant een uitgebreid artikel over alles wat er al dan niet mis is bij het UWV. SP-Kamerlid Jasper van Dijk hierover: “Alles wat van de overheid is, moet door het parlement gecontroleerd kunnen worden. Dit soort semipublieke organisaties, die we op afstand hebben gezet, zijn één grote mislukking.’ De Kamer stuurt niet te veel, eerder te weinig. We zitten als parlement met onze handen op de rug naar zo’n zbo (zelfstandig bestuursorgaan) te kijken. Als het misgaat kunnen we vrij weinig doen.” Hierbij moest ik denken aan de wereld waarin ik werk, de wereld die het ‘sociale domein’ wordt genoemd in het algemeen en de zorg voor de jeugd in het bijzonder. 

Bron: Flickr

Dat wat we nu het sociaal domein noemen kent een lange traditie van nieuwe wetten, systeem veranderingen enzovoorts. De jeugdhulp is daar een bijzonder voorbeeld van. “Ze waren in de jaren negentig het sluitstuk van een reorganisatie van de jeugdhulpverlening die ruim twintig jaar eerder van start was gegaan. Ze moesten een eind maken aan de versnipperde en weinig effectieve hulpverlening. (… ).” Wat moet er op de plaats van die puntjes staan? Het antwoord komt zo, eerst nog iets verder terug in de geschiedenis. Begin jaren zeventig was de jeugdhulp in Nederland sterk verzuild en verkokerd en wordt ernstig getwijfeld aan de inhoud en het effect van de hulp en opvang. Daarom werd er in 1974 een werkgroep opgericht die hiernaar onderzoek deed en op basis van dat onderzoek een advies uitbracht. De werkgroep adviseerde in 1984: “Zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’  vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’.” Dat klinkt heel 2019 maar werd al in de jaren tachtig van de vorige eeuw geroepen in een onderzoek naar de toenmalige jeugdzorg. Een onderzoek dat leidde tot een nieuwe wet voor de jeugdzorg. Inmiddels zijn we al weer enkele wetten en wetswijzigingen verder maar ‘vijf keer zo’ hebben we nog steeds niet bereikt.

Op de plek van (…) staat op die plek de volgende zin: “Dat lukte maar ten dele. Amper vijftien jaar na hun oprichting worden de Bureaus Jeugdzorg alweer opgedoekt of fors afgeslankt. ” Die amper vijftien jaar later, was het 2012 en inmiddels ziet de ‘jeugdzorgwereld’ er al weer heel anders uit. De memorie van toelichting bij de Wet op de jeugdzorg zag de volgende rol en positie voor het Bureau Jeugdzorg: “Het in het wetsvoorstel geregelde bureau jeugdzorg zal op basis van degelijk en zonodig multidisciplinair onderzoek de problemen van een jeugdige analyseren en die jeugdzorg indiceren die een antwoord kan bieden op de problemen. Daarbij treedt het bureau buiten de sfeer van de huidige jeugdhulpverlening, omdat ook bezien wordt of de zorg geboden moet worden door de geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor verstandelijk gehandicapten of binnen het regime van een justitiële jeugdinrichting. Het bureau jeugdzorg dat onafhankelijk van zorgaanbieders werkt, zal objectief bezien waar jeugdigen met (complexe) problematiek het beste geholpen kunnen worden. Ook zal de geïntegreerde toegang, gekoppeld aan het recht op jeugdzorg en het integrale hulpverleningsplan, de huidige problematiek van «moeilijk plaatsbare» jeugdigen voorkomen.”

Dat werd geen onverdeeld succes. “Daarbij veroorzaken de indicatiestellingen dubbele wachttijden; eerst moet men wachten op de indicatie en daarna op de juiste hulp.”  Dit concludeerde de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010 in haar eindverslag. “De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk,” zo is te lezen in het eindverslag. En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordings-druk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” Ook de gefragmenteerde wettelijke grondslagen en financiering was een aanleiding voor deze decentralisatie. Daarmee zijn we weer op hetzelfde punt aanbeland als in de jaren tachtig. Alleen heeft de wetgever nu de verantwoordelijkheid naar de gemeenten geschoven. Het moet worden gezegd dat, met name grote gemeenten, daar ook zelf om hebben gevraagd. 

De Kamerwerkgroep concludeerde dus dat de versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door … verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen. 

Geen nood de wet bevat de oplossing: gemeentelijke samenwerking. Dit geheel indachtig het Belgische devies ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands: eendracht maakt macht, al lijkt een deel van de Belgen en vooral Vlamingen daar anders over te denken. Alhoewel oplossing, het wat en hoe van die samenwerking wordt niet verder beschreven. Zijn gemeenten werkelijk eendrachtig en maken ze macht?  De wetgever wil dat gemeenten maatwerk leveren. Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies  ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Wat in de ene plaats werkt, werkt elders niet dus moet er worden gezocht naar die aanpak die past bij de ‘couleur locale’. Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen gemeenten elkaar? Werken gemeenten samen of maken zij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?

Bron: Wikipedia

Als we nu kijken hoe gemeenten de hulp organiseren dan zien we dat ‘wijkteams’ een belangrijke rol vervullen. Die moeten bepalen welke ondersteuning of hulp er nodig is en, soms wel en soms niet, zelf hulp bieden. Die moeten hetzelfde doen als werd beoogd met de bureaus jeugdzorg uit de jaren negentig. Lopen we niet de kans dat een onderzoek over een jaar of tien hetzelfde concludeert als de twee voorgangers en weer adviseert om ‘zo-zo-zo-zo-zo’ te gaan werken?

Om de kans daarop te verkleinen is het aan te raden om het vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. In deel twee van De gekleurde wereld doe ik dit met  de ‘kleurentheorie’ van veranderkundige Léon de Caluwe.

Daarom een korte uitleg van de ‘kleurentheorie’. Voor degenen die er alles van willen weten, lees het boek Leren veranderen. Een handboek voor veranderkunde van Léon de Caluwé en Hans Vermaak. Voor wie iets minder tijd heeft lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren van De Caluwé. De kleuren staan voor manieren waarop mensen in de wereld staan en die manier heeft gevolgen voor hun handelen en dus ook voor de manier waarop ze naar veranderen kijken. 

Geeldrukdenken: ‘gele’ mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen win-win situaties kunt creëren, coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed), als je ‘de neuzen’ kunt richten.

Blauwdrukdenken: ‘blauwe’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object), die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd.

Rooddrukdenken: ‘rode’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt,. Bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt.

Groendrukdenken: ‘groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen en de eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam) ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien, te leren, te kunnen. Als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Het gaat om ideeën, om mensen (met hun motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen.

Witdrukdenken: ‘witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is. Als het betekenis toevoegt, de eigen energie van mensen laat komen. Als je de dynamiek/complexiteit wilt zien, eventuele blokkades wegneemt en symbolen en rituelen gebruikt. 

Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win, compromis toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. Win-win en al die termen zijn, volgens De Caluwé en Vermaak, die passen bij Geeldrukdenken. De andere kant van politiek is dat er verantwoording afgelegd moet worden en blauwdruk is uitermate geschikt voor het afleggen van verantwoording. 

Als we kijken naar de filosofie achter de huidige Jeugdwet uit 2015  en ook de Wet maatschappelijke ondersteuning uit hetzelfde jaar dan zien we een vijftal opgaven: als eerste normaliseren: problemen (ook bij het opvoeden en opgroeien) horen bij het leven. Dat je daarbij hulp vraagt en krijgt van je naasten is normaal en alleen als je er samen niet uitkomt, dan roep je de hulp in van iemand, een professional, met specifieke kennis en vaardigheden. Er wordt uitgegaan van de kracht van het individu en in het verlengde daarvan de kracht van de samenleving. Centraal hierbij staat wat je wel kunt. Die professional moet hierbij niet worden gehinderd door overbodige bureaucratie. Hij is immers de professional die weet wat er moet gebeuren en daarop moeten we vertrouwen. En als laatste moet die professionele hulp dichtbij zijn.

Bron: Pixabay

Kijken we met de ‘kleuren bril’ van De Caluwé naar deze opgave, dan hangt het succes af van de mensen die het echte werk moeten doen, die professionals. Door ruimte te geven aan deze professionals en hen te ondersteuning en begeleiding bij het ‘leren’ te bieden, verandert die werkelijkheid langzaam. De verandering moet van onderop komen. In de theorie van De Caluwé vraagt deze opgave een om ‘groene, witte’ aansturing. Als we kijken hoe deze opgave wordt ingevuld dan zien we bestuurlijke drukte. Aan overlegtafels en bestuurlijke overleggen schuren de gemeente- en zorgbestuurders lans elkaar en wordt richting gegeven aan de gewenste verandering. Die richting wordt vertaald in processen, procedures en in producten die vervolgens worden ingekocht. ‘Geel, blauwe’ aansturing. 

Een geel- blauwe benadering van een groen- witte opgave. John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt het begrip rationele irrationaliteit en omschrijft dit begrip als volgt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook rationeel’ of is er sprake van rationele irrationaliteit?

De afgelopen vijftig jaar was een periode met, zoals we zagen veel ‘politieke sturing’. En dat is precies waar Van Dijk in de casus UWV om vraagt. Trouwens ook in de zorg voor de jeugd wordt er alweer gevraagd om ‘politieke sturing’, om ‘betere’ wettelijke kaders. Ondanks al die sturing is ‘zo-zo-zo-zo-zo-zo’ nog steeds niet bereikt. Zou meer ‘Haagse bemoeienis’ dit keer wel werken? Of zou het gebrek aan succes niet kunnen liggen aan verkeerde aansturing? Zou de oplossing niet kunnen liggen in juist minder ‘politiek’ en ‘politieke bemoeienis’? 

Dat is lastig voor Van Dijk en zijn collega’s. Mensen met een geel en blauw denkkader spelen volgens De Caluwé een heel andere wedstrijd. Daar waar het bij rood, groen en wit draait om harmonie, om samen resultaat bereiken en niemand achterlaten. Staat in gele en blauwe wereld winnen centraal. Bekennen dat ‘jouw aansturing’ het probleem is, is toegeven dat je verliest. En verliezen ligt heel zwaar in een ‘gele’ of ‘blauwe’ omgeving.


Een gedachte over “De gekleurde wereld

  1. Pingback: Inhuur, Japanse duizendknoop en varkens – Ballonnendoorprikker

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.