McDonalds en de jeugdhulp

“Door terug te gaan naar de eenvoud, redden we mensenlevens. En wat mij betreft maken we haast. Of wachten we ook hier ‘gewoon’ op een parlementaire enquête? “ Dit schrijft Linda Terpstra in een column voor het Friesch Dagblad die mij via LinkedIn bereikte. Het ‘hier’ waar Terpstra het over heeft is de jeugdzorg. Want daar gaat wat goed fout. En door terug te gaan naar de eenvoud, de menselijke maat, moet dat worden opgelost. Inderdaad gaat er het nodige niet goed in de jeugdzorg. Dat kan ik als beleidsadviseur werkzaam op dat terrein beamen en eenvoud klinkt sympathiek en zo ‘eenvoudig’.

De roep om terug te gaan naar die ‘ouderwetse eenvoud’, komt feitelijk neer op een gebrekkige of zelfs ontbrekende kennis van de situatie in het verleden. Zo ‘eenvoudig’ is het verleden ook voor wat betreft de jeugdhulp, nooit geweest. En als die jeugdhulp in het verleden al eenvoudig was, dan kun je hele grote vraagtekens zetten bij de kwaliteit ervan. Denk alleen maar aan de misbruikaffaires en dat is nog niet eens zo heel lang geleden. Voor wie een beeld wil krijgen van dat verleden, kan ik het boek 1000 jaar vaderlandse geschiedenis  van Peter W. Klein aanbevelen. In een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van Sint-Maarten besteedt hij aandacht aan de armenzorg. Niet precies de jeugdzorg, maar het geeft wel een goed beeld over hoe er met hulpbehoevenden werd omgegaan. Die geschiedenis laat zien dat we die ‘eenvoud’ uit het verleden zwaar overschatten en dat die ‘eenvoud’ verschrikkelijke gevolgen had voor de mensen die het betrof. ‘Terug naar de eenvoud’ sluit wel aan bij de trend om een verleden dat nooit is geweest te verheerlijken. Een trend waaraan Wilders en Baudet zich ook schuldig maken en die er bij hun volgelingen ingaat als gods woord in een ouderling.

Mansfield Reformatory | Row of prison cells | Becker1999 | Flickr
Een cellengang inMansfield Reformatory de locatie waar The Shawshank Redemption werd opgenomen. Bron: Flickr

Niet veel later las ik een artikel van PvdA’ers Marleen Barth en Nicole Teeuwen in de Volkskrant. “Na zes jaren van oplopende problemen is volgens ons de onontkoombare conclusie dat de decentralisatie van de gespecialiseerde jeugdzorg is mislukt.” Aldus de beide auteurs. Daarom hopen zij van harte: “dat de partijen die gaan onderhandelen voor een nieuw kabinet, besluiten de jeugdzorg terug te brengen naar een landelijke regeling.”  Immers: “Een beschaafd land heeft altijd voldoende geld voor kinderen in de knel, en een nieuw kabinet zal over de brug moeten met extra geld. Maar dat zal doeltreffender en doelmatiger worden gebruikt als er slechts een kader voor inkoop en kwaliteit van jeugdzorg zou bestaan.”  Even terzijde vrees ik dan dat er dan weinig tot geen beschaafde landen zijn. Beiden hebben spijt van het enthousiasme waarmee ze eerder die decentralisatie hebben gesteund.

Na het lezen van dit pleidooi moest ik denken aan een wethouder van een kleine gemeente. Begin 2017 verzuchtte hij dat we het voor de hulpverleners en ouders niet makkelijk hebben gemaakt. Zo was hem gebleken na gesprekken met ouders en jeugdhulpverleners. Ik moest hieraan denken omdat ik toen op zijn verzoek een praatpapier schreef met een analyse van de situatie in de jeugdhulp. Omdat mijn analyse uit dat praatpapier nog steeds actueel is, neem ik jullie erin mee.

Een praatpapier dat begon met een kleine studie van de geschiedenis van de jeugdhulp in Nederland. Een studie die ik recentelijk met jullie heb gedeeld in een Prikker met als titelJeugdzorg, wijn, zakken en druiven. Die wordt goed samengevat met de volgende zin eruit: “En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten.”  In die Prikker komt ook de Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg voor, een soort lichte parlementaire enquête uit 2010 op basis waarvan de jeugdzorg over de heg van de gemeenten werd gekieperd. Die korte geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien dat alle overheden behalve de waterschappen de jeugdzorg al eens op hun bordje hadden. Dus zou nu weer ‘nationaliseren’ dan de oplossing zijn?

Na die geschiedenis van de jeugdhulp. Een stukje perspectief dat begint met een stukje geschiedenis van de mensheid. In zijn boek Een kleine geschiedenis van de mensheid speculeert Yuval Noah Harari over de landbouwrevolutie, het moment dat de mensheid overstapte van het zijn van jager-verzamelaar naar landbouwer. Harari verwondert zich over die overstap omdat het leven van de jager- verzamelaars eigenlijk veel meer voordelen bood dan de landbouwsamenleving. De jager-verzamelaars hoefden veel minder te ‘werken’ voor eenzelfde hoeveelheid calorieën, ze aten veel gevarieerder waardoor ze veel gezonder waren en door dat gevarieerde eten, waren ze minder kwetsbaar voor hongersnood. Als de notenoogst een jaar slecht was, dan werd dat opgevangen door ander voedsel wat het dat jaar wel goed deed, bijvoorbeeld konijnen of appels. Terwijl in een landbouwsamenleving het mislukken van de bijvoorbeeld de aardappeloogst midden negentiende eeuw, tot massale hongersnood en sterfte leidde waarbij in Ierland (waar het fenomeen bekend staat als an Gorta Mór) meer dan één miljoen mensen stierven en evenveel mensen emigreerden. De ellende in Ierland werd extra vergroot door het optreden van de overheid. ‘Waarom hebben onze voorvaderen hun luxe leventje opgegeven voor een veel slechter leven als landbouwer?’ Harari geeft als verklaring dat dit een geleidelijk proces is geweest dat enkele generaties heeft geduurd. Een proces waarbij het steeds moelijker werd om terug te komen op de ingeslagen weg. Moeilijker, omdat de benodigde kennis en vaardigheden voor die teruggang verloren gingen en omdat er meer mensen waren, meer dan er via jagen en verzamelen gevoed konden worden.

Of er een ideale beginsituatie was in de jeugdzorg, waag ik te betwijfelen. Waar ik minder over twijfel is dat het zeer lastig is om zaken weg te denken. De wereld van de zorg is een flink beschreven vel, er is op doorgekrast, in de kantlijn zijn opmerkingen geplaatst, er zijn tekeningen toegevoegd. Met een schone lij te beginnen en dan een ideaalplaatje tekenen, is zeer lastig. We nemen immers allemaal onze ervaringen met het huidige systeem mee. Hieronder de duiding bij een vijftal vlekken op dat flink beschreven papier. Vlekken staan hierbij voor onderwerpen waarbij we ons de vraag kunnen stellen of  we het juiste goed doen. Of we ons niet bezondigen aan rationele irrationaliteit, een begrip dat de John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt? en als volgt omschrijft: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Als we dit naar de zorg voor de jeugd vertalen, zijn we niet bezig om op een rationele manier ons eigen belang (van de individuele gemeente, de individuele zorgorganisatie enzovoorts) vorm te geven en levert dat voor het geheel, de maatschappij zaken op die irrationeel en inferieur zijn? Eigenlijk deden onze voorvaderen hetzelfde toen zij langzaam overstapten van jagerverzamelaar naar landbouwer, iedere stap leek rationeel in hun belang toen de stap werd gezet. Alleen kun je je afvragen of die stapt ooit zou zijn gezet als het resultaat al van te voren bekend was?

Als eerste een ‘structuurvlek’. Overheden denken in structuren, die lijken zekerheid te geven, die stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides , lijnen (0de, 1ste , 2de lijn). Structuren met duidelijk overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd met documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Maar liggen de kritische succesfactoren voor het slagen niet in de cultuur? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Zo zijn sociale wijkteams een gevolg van problemen in Leeuwarden. Problemen die men besloot om zoveel als mogelijk buiten de structuren en bureaucratie aan te pakken. Hiermee werden successen geboekt en de groep die ermee aan de slag ging, werd wijkteam genoemd. De vraag is alleen of het succes in Leeuwarden en van andere ‘pionierende’ wijkteams een resultaat was van het middel wijkteam, de structuur, of van de kwaliteiten van de medewerkers, de cultuur. Wordt nu niet het middel gekopieerd maar dan met mensen die de ‘pionierende’ capaciteiten ontberen? En wordt het middel nu niet als dé oplossing voor alle problemen gepositioneerd en in structuren gegoten terwijl het juist was bedoeld om structuren te breken? Gebeurt er met de wijkteams en haar leden dan niet precies wat gevangene Red gespeeld door Morgan Freeman in  de film The Shawshank Redemption ‘institutionalized’ noemt: “These walls are funny. First you hate ‘em, then you get used to ‘em. Enough time passes, you get to you depend on them. That’s institutionalized.”

Structuren kunnen helpen of hinderen. Het continue gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij medewerkers: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door de medewerkers zelf verantwoordelijk te maken: door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevende is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet (zie hiervoor Tegenlicht). Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien, dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door de medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met onze structuuraanpak en structuurdiscussie juist de cultuurveranderaars van ons vervreemden?

Als tweede de ‘nabijheidsvlek’. Gemeenten willen ‘dichtbij de burger’ zijn en staan’, dat was ook een ‘argument’ waarmee werd gepleit voor de decentralisatie: gemeenten staan het dichtst bij de burger en zijn dus het beste instaat om passende ondersteuning te bieden. Ik zet argument hier bewust tussen haakjes want is dit een feit of zijn het twee aannames? Veel gemeenten werken met (sociale)wijkteams. In de wijk zijn ze immers dichtbij de burger. Iemand kan fysiek dichtbij je zijn maar emotioneel mijlen ver van je verwijderd.  Over welke vorm van dichtbij zou het in de zorg moeten gaan? Gaat het in de zorg en ondersteuning niet vooral over het slechten van die emotionele afstand? Wordt succes niet bepaald door het overbruggen van de emotionele afstand? Voor veel jeugdigen is McDonalds heel nabij terwijl deze multinational vanuit Oak Brooks, een plaats bij Chicago dat de meeste jeugdigen (en ook volwassenen) niets zal zeggen, wordt aangestuurd en geleid. Gaat het bij dichtbij niet veeleer om een gevoel dan een organisatievorm? Overbruggen wij de emotionele afstand door buurman te worden?

Als derde de ‘samenwerkingsvlek’. De Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg concludeerde datde versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door? Juist ja door verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen. Dit vraagt van samenwerkingspartners en instellingen veel, zowel in menskracht als in geld en dat geldt ook voor de gemeenten. Instelling moeten zich verhouden tot de ‘çouleur locale’ van iedere gemeente. Maar wat is er lokaal aan een eetstoornis of kindermishandeling? Het is de vraag of het kind werkelijk centraal staat zoals we pretenderen. Zijn kind, ouders en opvoeders werkelijk beter geholpen? ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands Eendracht maakt macht, aldus het Belgische devies, al lijkt een deel van de Vlamingen daar anders over te denken. Zijn wij werkelijk eendrachtig en maken we macht? Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies voor zichzelf: ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen we elkaar? Werken we samen of maken wij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?

Als vierde de ‘risicovlek’. Weer een klein stukje geschiedenis maar dan op een ander vlak, trouwens weer Belgisch. Het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet en laat de Duitser nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden.

Risico’s in de (jeugd)zorg worden beheerst via ‘de forten van de jeugdzorg’, de (handelings)protocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen, zoals de Verwijsindex. Alleen voorkomen die niet dat er zaken fout gaan. En na een fout komt er een ‘Pieter van Vollenhoven’ langs die pleit voor ‘nog meer systemen’. Proberen wij met al die instrumenten niet precies hetzelfde als de ‘Belgische’ militaire planners? Het beheersen van risico’s die we toch niet helemaal uitgesloten kunnen krijgen? Die protocollen en procedures compleet met hun perverse prikkels vormen het denk- en handelingskader van de zorgorganisaties en de professionals. Vraagt transformatie niet om buiten de protocollen, procedures, denk- en handelingskaders te treden, om flexibiliteit om verandering en vernieuwing, om ‘Duits’ denken? Vraagt moderne risicobeheersing daar trouwens niet ook om?

Als vijfde de ‘neoliberale vlek’. De afgelopen decennia heeft de marktwerking een belangrijke rol gekregen in de zorg: ‘Laat het aan de markt over, die zorgt voor efficiënte, goedkope oplossingen’. Een aanname waarbij de nodige vraagtekens zijn te zetten. Zo laat de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon (lees zijn boek The Rise and Fall of American Growth) zien dat die marktwerking in de Verenigde Staten tot de duurste zorg van de wereld heeft geleid, de VS geven per hoofd van de bevolking het meeste geld uit aan gezondheidszorg en tot grote verspillingen en vooral tot een voor vele Amerikanen onbereikbare zorg. Kijken we naar Nederland dan hebben wij bijna de duurste zorg per hoofd van de bevolking in Europa. Nederland is ook heel ver gegaan met marktwerking in de zorg en probeert, in tegenstelling tot de VS, die markt te reguleren waardoor de ergste excessen worden voorkomen. Excessen zoals twee volledig uitgeruste ziekenhuizen bijna naast elkaar die allebei half leeg staan)

We geven veel geld uit aan zorg. Toch zijn veel mensen bezorgd of ze de benodigde zorg nog wel kunnen krijgen of kunnen betalen vanwege de eigen bijdrages en de stijgende premies. Niet alleen zorgvragers maken zich zorgen ook zorgmedewerkers maken zich zorgen of ze ‘morgen nog wel werk hebben’. De ‘bedrijven’ waarvoor zij werken, maken zich zorgen of ze de volgende ‘aanbesteding’ wel overleven. Gemeenten kopen de zorg voor de jeugd immers in op de markt. Hiervoor worden dure (Europese)aanbestedingstrajecten opgezet die tot veel papierwerk en bureaucratie leiden. Zo wordt er veel geld uitgegeven voor zorg zonder dat het wordt besteed aan zorg. Het wordt door zowel de gemeenten als de aanbieders besteed aan inkopers, juristen en beleidsmensen.

Een voorbeeld uit een andere sector, het openbaar vervoer. In Limburg is er pas weer opnieuw gegund (in 2016) na een traject met veel ophef en fraude, tsja die Limburgers. Er rijden nu nieuwe bussen en treinen met de oude chauffeurs in nieuwe uniformen want de winnaar moet het personeel van de verliezer overnemen. Zou het in de zorg anders zijn? Moet ook daar de ‘winnaar’ niet het personeel van de ‘verliezer’ overnemen? Geluk voor het personeel zou je kunnen zeggen, ze behouden hun baan. Toch geeft dit onrust en onzekerheid want meestal wordt niet alles en iedereen overgenomen, moet je weer wennen aan een nieuwe organisatie met andere regels en gebruiken. Je kunt je afvragen waarom we dit doen als het resultaat toch is dat dezelfde mensen hetzelfde werk moeten doen? Zeker als we ons bedenken dat de zorgsector kampt met een tekort aan mensen die het werk kunnen en willen doen. Een gebeuren dat aan alle kanten voor onrust zorgt. Is dit niet, als je het vanuit een wat abstracter niveau bekijkt, ‘a lot of fuss about nothing’? Maar wel fuss die veel tijd, geld en energie kost.

Tot zover mijn analyse uit 2017. Deze hele mêlee gaan we niet oplossen door te zoeken naar vroegere eenvoud die nooit heeft bestaan. Die gaan we ook niet oplossen door het hele systeem maar weer eens overhoop te gooien en het centraal te regelen. Dat zou trouwens wel passen in het ritme uit het verleden. Ieder tien tot vijftien jaar een nieuwe wet over de zorg voor de jeugd. Dat gaat ook niet automatisch lukken met de petitie die de FNV samen met de denktank Jeugdsprong heeft opgezet. In  prachtige woorden beschrijven ze een visie op de jeugdhulp die mij verdomd bekend voorkomt van het visietraject jeugdzorg van de gemeente waar ik vóór de decentralisatie van 2015 werkte. En die een van de oudere deelnemers aan dat traject uit de jeugdhulp deed terugdenken aan begin jaren negentig van de vorige eeuw waarna hij iets zei als: ‘en hoe zorgen we ervoor dat het nu wel gaat lukken?’

Ik denk, en daarbij haak ik aan bij wat ik gekscherend op LinkedIn aan Maaike van der Aar, de landelijk bestuurder Jeugdzorg van de FNV die het artikel van de beide PvdA’ers op dat medium schreef, dat we: “eens bij McDonalds (moeten) kijken, die doen iets heel goed. Ze worden centraal aangestuurd vanuit Chicago maar weten toch nabijheid op te wekken. Ze doen zaken op wereld schaal maar andere zaken laten ze aan lokale franchisers over omdat dit vanuit Chicago niet te regelen is.”

Lukkassens Götterdämmerung

“Geert Wilders, Martin Bosma, Thierry Baudet, DENK, Sylvana Simons, een mevrouw van de Moslimbroederschap pardon GroenLinks, de kosmopolitische technocraten van VOLT, de boerenbeweging en zelfs voormalig Europarlementariër Derk Jan Eppink is naar Den Haag gekomen (terwijl de macht zich van Den Haag naar Brussel en Straatsburg verplaatst). Kortom iedereen komt samen om zijn of haar rol te vervullen in dit tragische slotstuk: de godenschemering van onze democratie.” Aldus Sid Lukkassen in een artikel bij ThePostOnline. Dat klinkt onheilspellend.

Sir Winston Chutchill | "Indeed, it has been said that democ… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn er wel vaker verkondigers van ‘onheilspellende’ toekomsten. Zo verkondigde Oswald Spengler honderd jaar geleden al de ondergang van het Avondland oftewel het Westen. Spengler vergeleek culturen met een levende wezens: ze worden geboren, groeien op, komen in bloei, takelen vervolgens af en sterven en het westen stond op het punt om te sterven, zo betoogde Spengler honderd jaar geleden. Spengler was niet de eerste en ook niet de enige. Er zijn altijd wel weer mensen die het einde van de beschaving en de wereld voorspellen. Zo zou de wereld op 21 mei 2012 volgens ‘aanhangers van de Maya-kalender vergaan, een hierop gebaseerde film werd gisteravond, bijna negen jaar na dato, weer vertoond. Ook kennen de grote religies allemaal een ‘einde der tijden’ dat door de eeuwen heen al geregeld is voorspeld. Een ‘einde’ dat de uitverkorenen naar het hemelse eeuwigdurende rijk zou leiden. Ook seculiere ‘religies’ kennen iets soortgelijks. Zo zou de proletarische revolutie via de dictatuur van het proletariaat uiteindelijk leiden tot de klasseloze hemel op aarde en zou Hitlers nationaalsocialisme na de strijd uiteindelijk leiden tot het gelukzalige Duizendjarige Rijk, waarbij we duizend moeten uitleggen als eeuwig.

Lukkassen trekt een parallel met Wagners vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Waarvan het laatste deel Götterdämmerung vertaald als Godenschemering heet. In dat deel gaat de godenwereld in vlammen op waardoor de mensheid in het vervolg op zich zelf is aangewezen. Wagner haakte aan bij de Germaanse en Noorse mythologie. Lukkassens boodschap komt er dus op neer dat onze democratie op het punt van instorten staat.

Lukkassen ziet twee problemen in onze huidige democratie. Als eerste is: “identiteit een bepalend verkiezingsthema,” geworden. En: “Omdat veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit geven boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’, krijgen we een Wagneriaanse saga waarin de apocalyptische slotscène – een dramatisch Götterdämmerung – in ons parlement wordt uitgespeeld.” Aldus Lukkassen in de zin die voorafgaat aan het citaat waarmee ik deze Prikker begon. Problemen worden niet opgelost omdat er wordt gehamerd op ‘verschillen’ en op het ‘gelijk van de eigen groep’. Een conclusie waarvoor de huidige situatie voldoende argumenten geeft.

Als tweede de rol van de grote techbedrijven. Lukkassen: “De democratie is geboren uit de wens van de liberale burgerij om hun stem te laten horen en hun eigen vrijheid van denken op te eisen tegenover adel, kerk en koningshuis. Maar nu – nu deze vrijheid wordt overvleugeld door corporaties die via algoritmes en datamining méér informatie hebben over burgers dan waar Lenin en Stalin ooit van droomden, en die globaal georganiseerd zijn en hiermee ook nog eens niet zijn gebonden aan nationale democratieën – hoor je diezelfde liberaal-democratische krachten niet. Ze lijken het op een akkoord te hebben gegooid met de Techreuzen. Zolang die laatsten de uitdagers van het bestel, ‘populisten’ als Wilders en Farage, niet al te groot laten worden, vinden de liberaal-democraten het wel best.” Gevolg hiervan is: “dat parlementair succes wordt afgemeten aan hoeveel views en likes (die) een partij scoort met een video waarin hun politici een politieke tegenstander affakkelen in een debat. Echter, diverse partijen maken van één debat verschillende video’s. Dikwijls worden daarin hun eigen ‘doelpunten’ sterk belicht terwijl de voltreffers van de tegenstander geen aandacht krijgen. Hiermee drijven de belevingswerelden van politiek geëngageerden steeds verder uiteen, waarin Hobbesiaanse pre-burgeroorlog voorschemering te herkennen zijn.” Ook voor deze scoringsdrang zonder echte doelpunten is bewijs te vinden.

Gelukkig weet Lukkassen ook de oplossing: “Daarom is het belangrijk dat links en rechts inhoudelijk in dialoog blijven.” Hij vervolgt: “Een stabiele Leitkultur is een onontbeerlijke voorwaarde om een fragmentarisch uiteendrijven van het electoraat tot rivaliserende stammen te voorkomen. We moeten zorgen dat burgers een bezield verband blijven ervaren, verbonden aan een gedeelde identiteit.” Identiteit als oplossing voor identiteitsproblemen, een bijzondere oplossing, zou dit werkelijk onze democratie redden? Zelf ziet hij het ook niet gebeuren: “Echter liberalen vinden dit te beknellend en links verwerpt het principe van een leidende cultuur als ronduit fascistisch en imperialistisch. Zodoende is onze democratie inderdaad gedoemd te versplinteren tot een steeds agressievere stammenstrijd” Vandaar die Götterdämmerung van onze democratie. Lukkassen capituleert en geeft de democratie op.

Maar wat dan? Daarop geeft hij in dit artikel geen antwoord. Dat antwoord gaf hij al eerder: een burgeroorlog. Na die Götterdämmerung moet zijn Nieuwe Zuil, waarover ik eerder schreef, klaar staan en: “voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Want: “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Om in marxistische termen, die Lukkassen te pas en te onpas gebruikt, te spreken: dan gaan we via die burgeroorlog naar de ‘dictatuur van de echte Nederlander’ wie dat dan ook mogen zijn. Een dictatuur die moet terugleiden naar het ‘Nederland uit een denkbeeldig verleden’ waar Lukkassens vriend Baudet over spreekt. Denkbeeldig omdat het Nederland waarnaar terug moet worden gegaan, nooit heeft bestaan.

Op basis van een goede analyse geeft Lukkassen de democratie op omdat we nooit tot die door hem gewenste ‘Leitkultur’ komen. Hij zoekt de oplossing in een van de oorzaken van het probleem, in ‘identiteit’. Waarom niet gezocht naar andere vormen van democratie? Vormen die beter passen bij onze huidige samenleving. ‘Nationale identiteiten’ ontstonden in de negentiende eeuw, zoals ik al eerder schreef. Ze zijn van recente datum, als mensheid hebben we heel lang zonder gekund. In bijna al die landen ging het construct ‘nationale identiteit’ aan de democratie vooraf. Daarom kan het lijken alsof een democratie niet zonder ‘nationale identiteit’ kan. Democratie is: “een staats(vorm) die aan het hele volk invloed op de regering toekent,” aldus de Van Dale. Een bestuursvorm die je op verschillende manieren kunt vormgeven. De manier waarop ze nu is vormgegeven, is gebaseerd op onze verzuilde samenleving van het grootste deel van twintigste eeuw. Onze structuur met partijen die ieder een ‘zuil’ vertegenwoordigde, paste daar goed bij. Die zorgde voor grote stabiliteit waardoor problemen met het oog op de toekomst konden worden opgelost. Als politicus wist je immers dat je niet zou worden afgestraft door je loyale achterban. Sinds het begin van dit millennium ontbreekt die stabiliteit en ligt de focus op de korte termijn. Andere vormen zijn mogelijk, recentelijk beschreef ik er een.

Inderdaad geven: “veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit (…) boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’,” dat hoeft echter geenszins de Götterdämerung van democratie te betekenen. Als we de uitdaging aannemen kan dit ook een groeistuip van de democratie worden. Dit omdat, zoals Winston Churchill ooit sprak: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

De les lezen

“Off topic reageren. En een slachtoffer van racisme de les gaan lezen over wat racisme is.” Daar kon ik het mee doen. Daaraan maakte ik me volgens de redactie van de site Joop schuldig bij het reageren op een artikel op die site van Sun Yoon van Dijk. Dit was voor de redactie aanleiding om mijn account bij die site voor 24 uur te blokkeren. Ik was en ben met stomheid geslagen. Ik ben benieuwd hoe jullie, mijn lezers, het zien.

Hippocrates_lecturing_to_his_students_under_the_plane_tree_Wellcome_M0000138.jpg (4009×2633)
Hippocrates geeft les aan zijn studenten. Bron: WikimediaCommons

“Al zolang als ik mij kan herinneren krijg ik ‘grappige’ opmerkingen zoals ‘sambal bij’, ‘loempia’ maar ook de ‘serieuze’ vragen zoals of ik ook honden eet. Als er een kind jarig was op school werd er Hanky Panky Shanghai gezongen inclusief de ogen horizontaal trekken. Alleen dat laatste hoefde ik nooit te doen werd er gezegd, want ik had al spleetogen. Er wordt standaard vanuit gegaan dat ik Chinese roots heb. Wanneer ik aangeef dat ik niet Chinees ben, dan weten ze het zeker. ‘Japan! Niet? Vietnam dan? Thais? Oh, Koreaans… ach het lijkt allemaal op elkaar. Jullie hebben allemaal spleetogen.’” Zo beschrijft Van Dijk haar ervaringen en daaraan voegt ze nog meer voorbeelden toe. Van Dijk eindigt haar betoog met de woorden: “Maar zolang deze vorm van racisme nog ontkend of niet serieus genomen wordt, hebben we nog een lange weg te gaan.”

Dat je het vervelend en ergerlijk vindt om met dergelijke vooroordelen te worden benaderd, dat kan ik me goed voorstellen. Op een dergelijke manier begon ik mijn reactie, waarna ik verschillende voorbeelden gaf van vooroordelen. Vooroordelen zoals de ‘botte arrogante Hollander’, de ‘zunnige Zeeuw’, de ‘corrupte vlaaietende Limburgers, dikke ‘Pommes mit Mayo und Bratwurst etende Duitsers die kuilen graven op het strand’ en nog wat wel bekende vooroordelen waarvan de mensheid gebruik maakt. Vervolgens vroeg ik me af of het zou helpen als we dit allemaal onder racisme gaan scharen. Want laten we wel wezen, ‘sambal bij’ of ‘loempia’ en voor ‘vlaai’ uitgemaakt worden, zijn vooroordelen van eenzelfde kaliber. Over dat laatste, de behandeling van Limburgers in andere delen van het land, een artikel van Elke Cremers in Glamour. De anekdotes in Cremers’ artikel lijken veel op de ervaringen van Van Dijk.

Helaas kwam er geen antwoord op mijn vraag maar een blokkade van mijn account wegens ‘het overtreden van de huisregels’.  En op mijn vraag welke van de acht regels ik dan had overtreden, kwam het antwoord waarmee ik begon. Van die reactie viel ik van mijn stoel. Ik vraag me af in hoeverre het ‘off topic’ (eerste huisregel) is om bij een artikel waarin over racisme wordt geschreven, een vraag te stellen die aanhaakt bij de kern, namelijk een omschrijving van het begrip racisme. Als het over begrippen gaat, dan is mijn belangrijkste leidraad de Van Dale en die omschrijft racisme als volgt: “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.” Ik lees hierin dat er bij racisme sprake moet zijn van doelbewust handelen en dan ook nog doelbewust slechter behandelen vanwege de huidskleur. Dat mensen, alle mensen, vooroordelen hebben en op basis van vooroordelen handelen, is evident. Dat handelen op basis van die vooroordelen pijn kan veroorzaken bij een ander, staat ook buiten kijf en het is goed om dat bespreekbaar te maken. Maar ik stelde mijn vraag omdat ik me oprecht afvraag of het bij dat bespreekbaar maken helpt om het racisme te noemen. Ik denk veeleer dat dit tot onbegrip en verdeeldheid leidt dan dat het mensen nader tot elkaar brengt. Ik denk dat omdat ik het zie gebeuren en daarmee is niemand geholpen.

Als dit ‘de les lezen’ is, dan is een gesprek onmogelijk. Dan worden persoonlijke ervaringen en meningen de maat der dingen waarover geen gesprek mogelijk is. Dan zeg je in feite: ‘wat ik vind is de waarheid en die waarheid mag en kan niet ter discussie worden gesteld. Die moet iedereen maar accepteren’. Dan is de waarheid van de ‘Hanky Panky-zingers’ dat het een ‘onschuldig verjaardagsliedje dat niemand kwaad doet’ is, net zo waar. We komen echter niet verder als beiden in hun waarheid blijven zitten. Om werkelijk in gesprek te kunnen, moeten we het eerst eens zijn over wat we met begrippen bedoelen. Helaas kan een dergelijk gesprek bij Joop niet worden gevoerd.

Trouwens en dat is nog het meest bijzondere, een verbod op ‘de les lezen’ behoort niet tot de huisregels van Joop.

De Euro(pese unie) en belastingen

“Geef de Zuid-Europese landen hun eigen monetaire instrumenten om hun zwakke economieën concurrerend te maken met behulp van een eigen munt. Zodat ze zelf hun economische problemen via koersaanpassingen van een eigen munteenheid kunnen oplossen. ” Aldus econoom en jurist Antonie Kerstholt bij Joop. Daarom moet Europa een belangrijk onderwerp in de formatie zijn, aldus Kerstholt. Met andere woorden: kieper Zuid-Europa uit de Euro. Volgens hem is dat de enige oplossing want: “Eenzelfde munteenheid in meerdere landen is feitelijk alleen geschikt voor economieën die min of meer gelijkwaardig aan elkaar zijn.” Dat hoor je vaker en het klinkt logisch. Een eigen munt en: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten.” Klopt het ook?

Currency signs | Currency signs | Nicolas Nova | Flickr
Bron: Flickr

Laten we eens wat verder kijken dan de Europese neus lang is. Neem China, een land waar de economie fors groeit. Dat land heeft de Renminbi als munt. Als we kijken naar het land dan zien we dat de verschillende delen van het land zich economisch zeer onderscheidend ontwikkelen. Als we kijken naar het Bruto Regionaal Product per hoofd van de bevolking van de verschillende regio’s dan bedroeg dat van de armste regio Gansu in 2018 minder dat een kwart van dat van Beijing, de rijkste regio. Het CBS omschrijft de Chinese situatie in het rapport waaruit deze cijfers komen als volgt: “Voor de vijf meest welvarende regio’s wordt het overgrote deel van het brp gerealiseerd buiten de primaire sector. In de minst welvarende regio’s daarentegen wordt een aanmerkelijk groter deel van het brp gerealiseerd door landbouw, bosbouw, veeteelt en visserij. De rijke kustregio’s van China zijn de meest gediversifieerde en innovatieve delen van het land. Ook zijn sommige rijk aan grondstoffen; Jiangsu heeft bijvoorbeeld grote voorraden steenkool, olie, gas, zout, zwavel, fosfor en marmer. Sinds de oprichting van de Volksrepubliek heeft veel chemische en zware industrie zich hier gevestigd. Belangrijke sectoren in Zhejiang zijn de elektromechanische, chemische, technische en textielindustrie. Zhejiang is bijvoorbeeld de thuisbasis van een aantal van China’s meest innovatieve internetbedrijven, met name de e-commerce gigant Alibaba. Beijing heeft een geavanceerde dienstensector en innovatieve technologie-industrie. In Fujian is naast de aanwezige industrie ook de landbouwsector van groot belang.” Dat kwart is groter dan het verschil tussen het euroland met het hoogste BBP (Luxemburg) en dat met het laagste Letland. Een omschrijving van de economie van de Eurolanden zal niet zoveel afwijken van die het CBS van China geeft. Met een verschil en dat is de rol die het toerisme in de Europese economie.

‘Maar dat is geen democratie maar een dictatuur van een partij die zich nergens aan hoeft te houden,’ kun je tegen werpen. Oké, dan een ander land: India met als munteenheid de Rupee. Vergelijken we daar het Bruto regionaal product van Goa, de economisch sterkste regio, met de zwakste, Bihar, dan is die van de laatste nog geen 10% van de eerste. En een beschrijving van de economische situatie van het land zal lijken op de Chinese. Toch kan het land vooruit met één munt.

Of neem de Verenigde Staten. Het land heeft één munt, de dollar. Het inkomen per hoofd van Puerto Rico is iets meer dan 16% van dat met het hoogste, het District of Columbia. En dan zien we er nog maar vanaf dat het inkomen per hoofd van Amerikaans Samoa maar 35% bedraagt van dat van Puerto Rico. Een omschrijving van de economie van de Verenigde Staten zou ook niet afwijken van die van China.

Allemaal landen met grote economische ongelijkheid tussen verschillende gebieden in het land en toch kunnen die landen prima functioneren met één gezamenlijke munt. Waarom zouden de eurolanden dat dan niet kunnen? Als er ook zonder euro, zoals Kerstholt schrijft: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten,” nodig is, waarom moeten die landen dan eerst uit de Euro? Waarom dan niet gekeken naar wat maakt dat het in China, India en de Verenigde Staten wel kan? Misschien biedt dat een oplossing die mee naar de formatietafel kan? Dat ‘wat’ is een centrale overheid die geld via de belastingen herverdeelt van rijke naar arme gebieden. En dan het liefst herverdelen door het te investeren in zaken die de economie in de zwakkere gebieden versterken.

Die centrale overheid is er al, de Europese Unie. Al hebben nog niet alle landen van die Unie de euro ingevoerd. Het gebied waarop de Unie belasting kan heffen, ligt ook voor de hand: op bedrijfswinsten, vennootschapsbelasting en dividend voor aandeelhouders. Precies die terreinen waarop de landen nu met elkaar concurreren waarvan het multinationale bedrijfsleven profiteert. Van de opbrengsten bekostigt de Unie vervolgens alle activiteiten waarvoor zij aan de lat staat en investeert zij waar dat nodig is in versterking van de economie. De contributie van landen aan de Unie kan dan vervallen net als de uitgaven van de landen op die terreinen. Op deze manier wordt er geld overgedragen van landen met een sterke economie naar landen met een zwakke zonder dat het ‘landen’ zijn die de pijn voelen. Precies zoals nu in Nederland via de belastingen geld van ‘Brainport Eindhoven’ wordt herverdeeld naar Oost-Groningen.

Dallas en de (vrouwelijke) lijsttrekkers

De verkiezingen zijn weer voorbij. Dat betekent dat er weer volop geëvalueerd en geanalyseerd wordt. Duiders proberen te verklaren waarom we stemden zoals we stemden en verliezende partijen proberen een verklaring te zoeken waarom ze verloren en vooral aan wie ze de schuld kunnen geven. De eerste ‘verantwoordelijke’ voor een nederlaag, CDA-voorzitter Ploum, heeft het bijltje er al bij neergelegd. Een bijzondere analyse van de verkiezingsstrijd is te lezen bij De Correspondent, Daar telden Loes Aaldering en Daphne van der Plas, om de titel te citeren: “Hoeveel media-aandacht lijsttrekkers kregen.” Een van de conclusies staat er meteen achteraan: “En de vrouwen kwamen er bekaaid vanaf.”  

Southfork | "Dallas" filmed here for many years when it was … | Flickr
Southfork, de ranch die een hoofdrol speelde in de tv-serie Dallas. Bron: Flick

Volgens de beide onderzoekers is er: “veel onderzoek gedaan naar de verschillen in mediaberichtgeving over mannelijke en vrouwelijke politici, en dat laat een consistent beeld zien. In een meta-analyse van dit onderzoeksveld zien wij dat vrouwelijke politici in landen met een proportioneel kiesstelsel, zoals Nederland, minder media-aandacht krijgen dan hun mannelijke collega’s. Dit patroon is ook dit jaar, waarin een historisch groot aantal partijen een vrouwelijke lijsttrekker heeft, niet verbroken.” Als dat zo is, dan is dat niet goed. Centraal in hun artikel staat een tabel waarin de verwachte media-aandacht is afgezet tegen de werkelijke aandacht. Kreeg een lijstrekker meer media-aandacht dan verwacht dan scoort deze een positief getal, is het minder, dan een negatief. En inderdaad, als je die tabel bekijkt, dan krijgen alle vrouwelijke lijstrekkers minder aandacht dan ‘verwacht’. Schande, vrouwen worden achtergesteld! Ze zeggen het niet maar in hun artikel sijpelt door dat dit schadelijk of zelfs schandelijk is.

Nu vraag ik me af of er ook andere mogelijkheden zijn voor de mindere media-aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers. Daarom eerst even een schets van de tabel. In de tabel zie je dat Hoektsra, Klaver en  vooral Baudet veel meer aandacht kregen dan verwacht. Alle vrouwelijke lijsttrekkers en Azarkan kregen minder aandacht dan verwacht en voor Rutte, Wilders, Segers en Van der Staaij was de aandacht ongeveer gelijk aan de verwachting.

Als eerste die ‘verwachte aandacht’. Verwacht, op basis van het huidige aantal zetels en de stand van de peilingen zo wordt uit hun artikel duidelijk. Nu is een campagne juist bedoeld om meer aandacht naar je toe te trekken. Dus om een meer dan het ‘verwachte’ deel van de aandacht op jou te vestigen. En de meerdere aandacht voor jou, zal ten kosten gaan van anderen. Media hebben immers maar beperkte ruimte die ze kunnen besteden en ‘meer voor jou’ betekent dan bijna automatisch ‘minder voor mij’. De kolommen in de krant voor Baudet, kunnen niet meer worden gevuld met berichten over Ploumen. En de stoel voor Wopke bij Jinek, kan niet meer worden bezet door Marijnissen.

Laten we eens naar de positieve uitschieters qua media-aandacht kijken. Kunnen we die op een of andere manier verklaren? Als eerste Hoekstra en Klaver. De verkiezingscampagne kwam dit jaar relatief laat opgang en de eerste ‘bijzondere’ gebeurtenis was het debat bij Pauw tussen juist deze twee positieve uitschieters qua media-aandacht. Klaver bleek het CDA-programma beter te kennen dan de stuntelende Hoekstra. Een slechte beurt voor Hoekstra die in de media breed en lang werd uitgemeten. Bij ieder volgend optreden werd er extra naar Hoekstra gekeken: zou hij weer ‘onderuitgaan’ of zou hij zich ‘herstellen’. In het kielzog hiervan ging Klaver mee. Dit leidde voor Klaver echter niet tot betere cijfers in de peilingen omdat hij weinig bij het CDA kon winnen. Ook kon Klaver op ‘extra aandacht’ rekenen vanwege zijn winst de vorige keer toen hij als ‘new kid on the block’ won: ‘hij doet het niet zo goed, de glans lijkt eraf’.

De derde positieve media-uitschieter, Baudet. Iemand die ‘de media’ steeds als onbetrouwbaar wegzet, wat dan weer door diezelfde media wordt uitgemeten. Voor hem is alle media-aandacht, zowel positief als negatief, goed want er wordt over hem gepraat. Voor zijn potentiële kiezers maakt dat allemaal niets uit. Positieve berichten zijn meegenomen, negatieve zijn niet waar. Daarbij wist Baudet de media handig te bespelen door niet op te komen dagen en als hij er was door of weg te lopen of iets te zeggen wat vervolgens de media weer enkele dagen bezighield. Hij zorgde voor ‘nieuws’ en ‘nieuws’ is iets afwijkends. Wilders en Rutte deden wat ze al tien jaar doen. Hun ‘fittie’ uitvechten in een eindeloze herhaling van zetten zonder dat er iets nieuws of inhoudelijks wordt gebracht. Die ‘fittie’ zorgt altijd wel voor wat aandacht al wordt het steeds minder. Die ‘fittie’ is te vergelijken met de tv-serie Dallas van vroeger, hoe langer het duurt hoe minder het wordt maar toch blijf je kijken. Daar zou hun ‘gemiddelde score’ een gevolg van kunnen zijn.

Ook waren er nog enkele nieuwe partijen die om aandacht vochten en die ook kregen omdat ze enige kans maakten op een zetel. Van de rest van de lijsttrekkers en hun campagne kan ik me geen bijzondere, in de zin van afwijkend van wat we konden verwachten, actie herinneren. En aangezien alleen het afwijkende nieuwswaardig is, zou dit dan niet een deel of misschien wel de verklaring zijn voor de ‘mindere aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers?

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]” succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3]” Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4]”  Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]” De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]” onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7]” dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]”  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Sterke overheid

“En dit monster moet ‘sterker’?” Die vraag stelt Kustaw Bessems zich in de Volkskrant. In die column onderzoekt hij het: “populair beeld: de overheid heeft burgers in de steek gelaten, dat komt doordat de publieke sector is uitgeknepen en dus moet de overheid een grotere rol krijgen.” Een beeld dat zelfs opstijgt uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Een partij die tot voor kort pleitte voor minder overheid, behalve dan als ze een (vooral blauw) uniform dragen. Een sterkere overheid terwijl die overheid: “zich juist verschrikkelijk met burgers bemoei(t) en hen soms vermalen, zoals in het toeslagenschandaal.”  Nee, niet sterker, aldus Bessems: “Eerst maar eens glasheldere, directe verantwoordelijkheden bepalen en democratische controle herstellen. Geen schimmige semi-overheid meer: je bent ergens wel van of je bent er niet van. Als die basis een beetje op orde is, kunnen we verder praten. Intussen zullen we nog alles op alles moeten zetten om ons die sterke overheid van het lijf te houden.”

En dat brengt mij weer bij De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het vorige deel kondigde ik aan te beginnen met het beschrijven van de ‘gerechten’ die je van de ingrediënten staat, rechtsorde en ‘verantwoordelijke overheid’ kunt bereiden. In zijn column stelt Bessems in feite de vraag of meer ‘staat’ nu het juiste ingrediënt is om aan het recept toe te voegen. Hij pleit voor meer ‘verantwoordelijke overheid’. En wellicht zou ook een pleidooi voor meer ‘rechtsorde’ een antwoord kunnen bieden. Laten we deze ingrediënten eens behandelen met de huidige situatie in Nederland in het achterhoofd.

Als eerste de optie waarvoor we volgens Bessems moeten uitkijken, meer staat vertaald als een sterkere overheid. Bessems heeft een punt als ‘sterker’ wordt vertaald in ‘bemoeizucht’ dan is dit geen aanlokkelijk perspectief. Als we naar de recente geschiedenis kijken dan zijn er signalen van toenemende bemoeizucht. Met een beroep op ‘veiligheid’ en in de ‘strijd tegen terrorisme’ wordt een vergaande inbreuk op onze privacy door de ‘Sleepwet’ gesanctioneerd. En ‘om erger te voorkomen’ zoals bijvoorbeeld bij de Jeugdwet probeert de overheid achter de voordeur te komen. En ook de door Bessems aangehaalde ‘toeslagenaffaire’ waarbij het ‘voorkomen van fraude’ voor grote ellende zorgde. Wat alle drie deze voorbeelden gemeen hebben is dat ze met goede bedoelingen zijn ingevoerd: het land veilig maken, kinderen snel helpen als dat nodig is en werk en kind combineren. Nu is de weg naar de hel, volgens het spreekwoord, geplaveid met goede bedoelingen en deze voorbeelden liggen in dat plaveisel. Zou het kunnen dat die ‘bemoeizucht’ voortkomt uit wantrouwen? Een overheid die haar burgers niet vertrouwt en, om het cru te formuleren, achter ieder boom een ‘terrorist’, achter iedere voordeur een jeugddrama en in iedere burger een fraudeur ziet?

Meer ‘staat’ en dus een sterke overheid kun je op verschillende manieren invullen. ‘Sterk’ ingevuld als bemoeizucht is een manier waarop vooral autoritaire heersers hun ‘staat’ vormgeven. Neem het Rusland onder Poetin of het Turkije onder Erdogan als voorbeeld. Landen die de staatmacht gebruiken om de inwoners te controleren. Een democratische samenleving met een ‘verantwoordelijke overheid’[1] kan (en moet in mijn ogen) andere keuzes maken. Want zou de kracht van de staat in een land met een ‘verantwoordelijke overheid’ niet juist toenemen als zij voorwaarden schept vanuit vertrouwen in en op haar inwoners? Het bijzondere aan vertrouwen is immers dat je het pas krijgt als je het geeft. Maar ook sterk in te vullen als ‘schild voor de zwakkeren’. Door: “in de huidige mobile kapitalistische ondernemerseconomie (…)de staatsmacht (te) gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen.” In plaats van te: “kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.[2]”  

Een sterke staat? Ja, graag maar dan wel ook meteen de ‘verantwoordelijke overheid’ en de rechtsorde versterken want een sterke overheid zonder ‘verantwoordelijke overheid’ en sterke rechtsorde is vragen om problemen zoals Bessems betoogt. Maar dan wel in formele wet- en regelgeving vastgelegde verantwoordelijkheid die het de ‘geregeerden’ mogelijk maakt om de leiding van die sterke overheid te vervangen als die er een potje van maakt. Of zoals Bessems schrijft: “ je bent ergens wel van of je bent er niet van.”  Dat ‘wegsturen’ kun je op verschillende manieren vormgeven. In Nederland doen we dat nu via de Tweede Kamer. Als de regering het vertrouwen van de Kamer verspeeld, dan wordt ze naar huis gestuurd. Als inwoner hebben we er geen directe invloed op. Dat kan ook anders. In andere landen, bijvoorbeeld Frankrijk en Verenigde Staten kiezen ze de president die vervolgens een regering samenstelt. Die president kan, behalve als hij de wetten overtreedt, alleen door de kiezer naar huis worden gestuurd.

In theorie kent Nederland de scheiding der machten zoals Montesquieu die in zijn beroemde werk De l’esprit des lois omschrijft. De regering regeert, het parlement maakt wetten en de rechter spreekt recht. De praktijk ziet er echter wat anders uit. Inderdaad regeert de regering, maar dat doet zij samen met de meerderheid van het parlement. De regering steunt immers op een meerderheid in de Tweede Kamer en liefst ook in de Eerste want anders komen er problemen. De Tweede en Eerste Kamer stellen de wetten vast. Alleen wordt het gros van de voorstellen voor wetten ingediend door de regering. Als laatste, en daarmee komen we op het terrein van de rechtsorde, werden de mogelijkheden van de rechterlijke macht de afgelopen jaren beperkt. Aan de ene kant beperkt door striktere wetgeving die geen maatwerk meer mogelijk maakt zoals ook in de toeslagenaffaire het geval was. Aan de andere kant door bezuinigingen op die rechterlijke macht. Bezuinigingen die ertoe leiden dat het heel lang duurt voordat een zaak voor de rechter komt, dat zaken verjaren maar ook dat veel wordt afgedaan zonder tussenkomst van de rechter via een ‘bestuurlijke strafbeschikking’. Maar als belangrijkste mag de rechter niet toetsen aan onze Grondwet.

Zou de overheid niet sterker worden als die drie machten beter worden gescheiden? Gescheiden door bijvoorbeeld de uitvoerende macht, de regering, eens per vier jaar te kiezen via premiersverkiezingen. Te kiezen op basis van een programma en de mensen met wie de plannen uitgevoerd gaan worden. De kiezers hebben directe invloed op de begroting: de kandidaat premier presenteert de plannen met het financiële kader erbij. Daarin zit dus ook hoeveel belastinggeld er naar wat gaat. En door de regering, in tegenstelling tot nu, geen medewetgever meer te maken, maar te laten opereren binnen de kaders van de wetten. Een regering die geen verantwoording schuldig is aan het parlement maar aan de kiezer. Daarbij kun je in de wet het aantal termijnen voor een premier limiteren.

De machten scheiden en versterken door de wetgevende macht via loting samen te stellen. Bijvoorbeeld 301 Kamerleden met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren en dat werk is het evalueren van bestaande en het maken van nieuwe wetten. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. De huidige adviestak van de Raad van Staten, het CPB het SCP het PBL enz. maken onderdeel uit van dit ambtelijk apparaat.

En als laatste door de rechterlijke macht op verzoek van burgers het beleid van de regering te laten toetsen aan de wet en de grondwet. Rechters die voor het leven (dat kan ook de pensioengerechtigde leeftijd zijn) te laten benoemen door de gelote volksvertegenwoordiging. Voor het leven omdat dit voorkomt dat ze zich zorgen moeten maken over ‘hun volgende baan’. Want onzekerheid over je bestaanszekerheid maakt dat je anders handelt. De financiering van de volksvertegenwoordiging en de rechterlijke macht, maken geen onderdeel uit van de begroting. Die worden bij wet geregeld door de Volksvertegenwoordiging.

Zou dat geen recept kunnen zijn met de drie ingrediënten van Fukuyama? Een recept voor de toekomst geworteld in het Nederlandse verleden. In een volgend deel pak ik Fukuyama’s betoog weer op door terug te kijken en aan de hand van de drie ingrediënten te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/11/verantwoordelijke-overheid/

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2]” aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatinghe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]”

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]”

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4]” Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308

Jeugdzorg, wijn, zakken en druiven

In de Volkskrant een column van huisarts Danka Stuijver. Stuijver laat aan de hand van een voorbeeld zien: “hoe makkelijk het mis kan gaan in deze leeftijdsfase.” Waar het fout is gegaan, daar geeft ze ook een antwoord op: “Sinds de verschuiving van het Rijk naar de gemeenten in 2015 bestaan er in de jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugd-GGZ grote problemen. Verhalen van overbelast personeel, bezuinigingen, bureaucratie, wachtlijsten en wantoestanden zijn alom bekend.” Zo, dat weten we dan ook weer. Maar klopt het wel?

Wijngaarden Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Laten we eens ruim tien jaar teruggaan in de tijd, naar 2010. Vijf jaar vóór de decentralisatie waarnaar Stuijver verwijst. Dat prachtige jaar waarin ‘we’ bijna wereldkampioen werden. Bijna want na een prachtige pass van de op dat moment in topvorm zijnde Wesley Snijder stoof Robben op het Spaanse doel af. Helaas voor ‘ons’ zat ‘de teen van Casillias’ er nog tussen. Dat was ook het jaar dat de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg verslag uitbracht. De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk.” En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordingsdruk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” De ‘toestanden’ die deze commissie beschrijft, lijkt verdacht veel op de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Laten we nog eens wat verder teruggaan in de tijd, naar 2005. Toen werd de voorganger van de huidige Jeugdwet 2015 aangenomen, de Wet op de jeugdzorg. Een wet die er lang over deed om uiteindelijk wet te worden, want het wetsvoorstel werd in 2001 ingediend. Die wet was nodig, zo is te lezen in de memorie van toelichting omdat de toen geldende wet, de Wet op de jeugdhulpverlening van 1989, onvoldoende: “mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering,” bood. “Ter bevordering van de samenhang op uitvoeringsniveau geeft de Wet op de jeugdhulpverlening regels omtrent de samenwerking tussen uitvoerders van voorzieningen,” aldus de memorie van toelichting. Toen mankeerde er dus ook al wat aan de samenwerking. De wet moest invulling geven aan vier doelstellingen: “het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, zijnde het bureau jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.” Het was aan de provincies om het Bureau Jeugdzorg vorm te geven. De ‘toestanden’ waaraan de Wet op de jeugdzorg een einde moest maken, waren dezelfde die de Kamerwerkgroep in 2010 beschreef en de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Nu waren de provincies al langer verantwoordelijk voor een deel van de jeugdzorg. Namelijk sinds in 1989 de al eerder genoemde Wet op de jeugdhulpverlening in werking trad. Die wet moest een einde maken aan de sterk verzuilde en verkokerde jeugdhulpverlening. Die ‘sterke verzuiling en verkokering’ werd in de jaren zeventig geconstateerd. En een Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnswerk adviseerde in 1976 om de jeugdhulp ‘regionaal en in samenhang’ te organiseren. Dit advies werd niet meteen door de regering overgenomen. Twee nieuwe werkgroepen moesten verder onderzoek doen. Die werkgroepen namen er hun tijd voor en in 1984 publiceerden zij hun bevindingen. En wat adviseerden de werkgroepen: hulp moet zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm[1]. Drie keer ‘zo’ maar eigenlijk vijf, want ook zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Dit leidde uiteindelijk tot die Wet op de jeugdhulpverlening van 1989.

En daarmee is de cirkel rond. De ‘5 keer zo’ van 1984 werden dertig jaar later verwerkt in de volgende uitgangspunten voor het inrichten van de jeugdhulp. Normaliseren: problemen met opvoeden en opgroeien horen erbij en daarbij hulp en ondersteuning vragen en krijgen is normaal. Je helpt elkaar en als je er samen niet uitkomt, dan komt iemand je helpen met specifieke kennis en vaardigheden. Dichtbij: hulp moet dichtbij zijn. Ont-bureaucratiseren: een hulpverlener is er om hulp te verlenen en niet om lijstjes in te vullen. Alleen dat wat voor zijn werk nodig is, wordt bijgehouden. Eigenkracht: vertrouw en versterk de kracht van kind en opvoeder. En als laatste vertrouwen in de professional. En zo’n vijf jaar later constateert Stuijver in feite dat er niets is veranderd.

Het maakt het onwaarschijnlijk dat Stuijvers wantoestanden een gevolg zijn van de nieuwe wet die in 2015 de gemeenten verantwoordelijk maakte. Dan moet de oorzaak elders liggen. Laten we voor een mogelijke verklaring eens teruggaan naar die ‘verkokering en verzuiling’ van de jaren zeventig. Wat is er dan sindsdien veranderd? De verzuiling zit nog steeds in de huidige wet. In artikel 2.3: “Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” En in artikel 2.4 derde lid: het college draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en van de jeugdreclassering redelijkerwijs rekening wordt gehouden met: behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” Hier staat dat gemeenten die ‘verzuiling’ die in de jaren zeventig al als probleem werd gezien, moeten handhaven.

Bij iedere nieuwe wet komt er een nieuwe ‘koker’ bij. De verf in de kantoren van de Bureaus Jeugdzorg was bij wijze van spreken nog niet droog of minister Rouvoet begon zijn Centrum voor Jeugd en Gezin over de gemeenten uit te strooien. Veel van de instellingen die toen die ‘verzuilde en verkokerde’ zorg vormgaven, bestaan nog steeds. Ze zijn van naam veranderd en vaak gefuseerd, maar ze bestaan nog steeds. Neem de Mutsaersstichting in Venlo alwaar men ze ook wel ‘de Muts ’noemt. Een van oorsprong katholieke instelling uit 1930. Ze heeft alle ‘wetten’ overleefd. En zij is niet de enige. Het oude bleef bestaan er werd iets nieuws aan toegevoegd en vervolgens hoopte men dat de wereld ineens zou veranderen. Zo moesten de gemeenten in 2013 een Transitiearrangement Jeugd afsluiten met de toenmalige aanbieders van jeugdhulp. Dit met als doel om continuïteit van zorg voor jeugdigen en van de zorginfrastructuur bij de decentralisatie naar de gemeenten te garanderen voor een periode van drie jaar. Naast de continuïteit van zorg voor de jeugdige werd zo ook de ‘continuïteit van omzet en bedrijfsvoering’ voor de instellingen geregeld.

En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten. Zou die ‘oude wijn’ die in de jaren zeventig al wrang smaakte, beter gaan smaken door hem eens per tien, vijftien jaar in ‘nieuwe zakken’ te gieten? Als we werkelijke beter ‘jeugdzorgwijn’ willen, zouden we dan niet beter druiven kunnen gaan plukken om nieuwe wijn te maken?


[1] https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_jz/details_verwant.php?cps=2&verwant=251