De patrimoniale staat

Vandaag deel twee in een serie over De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het eerste deel maakten we kennis met het tribalisme; de vereniging van groepen mensen in een groter geheel door te verwijzen naar een ‘gemeenschappelijke voorouder’. Vandaag gaan we een stap verder in de ontwikkeling van politieke verbanden. We bekijken de, zoals Fukuyama het noemt, patrimoniale staat.

Poetin De President Van Rusland - Gratis afbeelding op Pixabay
Bron: Pixabay

In het eerste deel zagen we met Fukuyama dat tribalisme een concurrentievoordeel bood boven het leven in stammen. Dit voordeel kwam met een nadeel en iedere ondernemer die zijn bedrijf groot ziet groeien zal dat herkennen. Boven de leider van de groep kwam nu een leider van de stam en soms zaten er nog wat laagjes tussen. Er ontstond iets van een hiërarchie. En als er een ‘boven’ ontstaat, heb je vanzelf ook een ‘onder’: de samenleving werd ongelijker. Een patrimoniale staat trekt dit nog een stuk verder door. Een patrimoniale staat ontstond als de leider van een stam het gedaan wist te krijgen dat zijn positie werd doorgegeven aan zijn nazaten, als het leiderschap erfelijk werd. De hiërarchie in de samenleving nam verder toe, was gebaseerd op de relatie met de sterke man en nam vaste vormen aan: eens een edelman, eeuwig een edelman. Die relatie kon een familierelatie zijn of een relatie gebaseerd op verdienste. Een heel oud type staat dat tegenwoordig nog steeds voorkomt. Het Rusland van Poetin en het Turkije onder Erdogan kun je betitelen als een patrimoniale staat. Maar ook het presidentschap van Trump vertoont patrimoniale trekken.  

Hoe dat kon gebeuren, is niet bekend. Wel zijn er theorieën maar die zijn opgesteld door mensen die ‘er niet bij’ waren. Mensen zoals die van Thomas Hobbes en het sociale contract: de leider bood veiligheid en krijg daarvoor het ‘erfelijke oppergezag’. Nu moeten we ons goed bedenken dat Hobbes die theorie ontwierp in een tijd van oorlogen en onrust. Een tijd dus dat het ontbrak aan veiligheid. Een variant hierop is het ‘samen werken aan grootschalige irrigatieprojecten’. Hiervoor was een leider nodig. Bijzonder is dan wel dat de ‘grootschalige anti-irrigatie maatregelen’ in onze contreien tot de eerste vormen van ‘democratie’ hebben geleid, namelijk de waterschappen. Weer anderen denken dat de toenemende bevolkingsdichtheid de oorzaak is, of door geweld: de ene stam onderwerpt de andere. Ook het ‘charisma’ van een leider wordt genoemd als oorzaak voor het ontstaan van een patrimoniale staat[1]. Waarschijnlijk bevatten alle verklarende theorieën een deel van de verklaring.

“Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met  uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen.” Zo schreef ik in het vorige deel. Met patrimoniale staten lag dat nog net iets anders. Die ontstonden op nog minder plaatsen en voor het waarom, bieden de theorieën goede aanknopingspunten. Om de stap naar een patrimoniale staat te kunnen zetten moet een gebied goed bevolkt zijn: “in een goeps- of stammensamenleving met een geringe bevolkingsdichtheid kan men conflicten matigen door domweg afstand van elkaar te nemen, waarbij segmenten zich afsplitsen als ze merken dat ze niet met elkaar over weg kunnen.” Dan is een machtige heer die de vrede bewaart niet nodig. De bevolking moet tegen het maximum aanzitten van wat het gebied kan onderhouden, immers: “Gebrek aan land of het niet hebben van toegang tot bepaalde belangrijke publieke hulpbronnen zullen veel eerder tot conflicten leiden, waarvan de beheersing meer gecentraliseerde vormen van politiek gezag vereist.[2]” Ook moet het gebied worden begrensd door natuurlijke barrières zoals bergen, een rivier of een woestijn die het bijzonder lastig maken om bij een conflict het gebied te verlaten.

Als we kijken in welke gebieden patrimoniale staten zijn ontstaan, dan voldoen ze aan deze criteria: China langs de Yangtze en de Gele Rivier, Egypte in  die smalle strook langs de Nijl en in het tweestromenland van de Eufraat en de Tigris en veel later in de tijd in West Europa. Voor nu laat ik het hierbij maar dit komt later in deze reeks nog terug. In het volgende deel bekijken we aan de hand van Fukuyama de volgende stap in de ontwikkeling van ‘onze politiek’. Dan bekijken we het ontstaan en de kenmerken van moderne staten.


[1]  Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 103-113

[2] Idem, pagina 106

De oorsprong van onze politiek: tribalisme

Mijn kinderen en vrouw worden er gek van. Waarvan? Van het antwoord op de vraag: ‘waarmee kunnen we je blij maken voor je verjaardag of met sinterklaas.’ Het is altijd hetzelfde antwoord: ‘een boek’. Nu houden ze zich er niet aan want ik krijg ook ander zaken. Dus toen de vraag weer kwam voor de afgelopen sinterklaas, had ik een lijstje met boeken klaar. Op die lijst De oorsprong van onze politiek deel 1 en 2 van Francis Fukuyama.

Eigen foto

De afgelopen tijd heb ik me gegooid op de twee delen. Dat is een hele kluif want bij elkaar zijn het zo’n 1.100 bladzijden. Fukuyama neemt je mee door de geschiedenis en over de wereld en beschrijft de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende bestuursvormen en politieke instellingen en probeert die te verklaren. En alhoewel hij een voorkeur heeft voor de liberale democratie, bevat het boek geen ‘routekaart’ ernaar toe. In de komende Prikkers neem ik jullie mee in Fukuyama’s denken en hoe het kan helpen om zaken in het heden te verklaren. Vandaag behandel ik het tribalisme. ‘Tribalisme’ is een manier om grotere groepen mensen te binden.

Zoals ik al eerder schreef, zijn wij, de homo sapiens, het meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1]” De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet , wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.[2]” Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven  het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.[3]”  De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. In ons deel van de wereld leidde dit uiteindelijk tot het feodalisme en het uiteindelijke erfelijk worden van het leiderschap, in andere delen van de wereld niet.

Het feodalisme is gelukkig geschiedenis, het tribalisme echter nog niet. In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen. En als je vanuit die stammen kijkt, kan het zomaar gebeuren dat de stam in verschillende ‘naties’ woont. Trouwens ook in verschillende ‘moderne democratieën’ zie je nog steeds tribalisme in de vorm van cliëntelisme: het bevoordelen van je eigen groep. Maar daar kom ik in een later deel in deze reeks op terug.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

Zoete koek met een zure bijsmaak

‘Omdat het zo is!’ Hoeveel ouders hebben dat antwoord gegeven als hun kind maar bleef vragen ‘waarom’. Soms omdat ze werkelijk niet weten waarom en soms wellicht ook uit frustratie omdat ze het ‘gezeur’ moe waren. Dit antwoord of de variant ‘omdat ik het zeg!’ Daar moest ik aan denken bij het lezen van het interview van Ewout Klei met D66-Europarlementariër Samira Rafaela voor de site dekanttekening.nl.

Afbeeldingsresultaat voor zoete koek
Bron: Pixabay

Twijfel en nieuwsgierigheid staan aan de basis van kennis. Niet iets zomaar aannemen maar twijfelen en het bevragen. Bevragen als een klein kind en je niet laten afschepen met ‘omdat het zo is’ of ‘omdat de kerk het zegt’. Nee, juist dan is twijfel vereist en moet je doorvragen. En nieuwsgierigheid naar het onbekende door zelf op onderzoek uit te gaan en de kennis die je hierbij opdoet weer te betwijfelen en te bevragen. Onderzoeken omdat je nieuwsgierig bent en twijfelt aan zaken en dat steeds maar weer herhalen, dat is de wetenschappelijke houding. Wetenschap is niet het zeker weten maar het reduceren van onzekerheid zo is mij altijd geleerd.

Tenminste dat dacht ik totdat ik het antwoord van Rafaela las. “Die vraag wordt mij vaker gesteld. Die twijfel vind ik niet de goede houding.” Dit antwoord geeft Rafaela op de vraag die Ewout Klei haar stelt: “U beticht de Nederlandse overheid van ‘institutioneel racisme’. Waar baseert u uw oordeel op? Het rapport-Donner en het rapport-Van Dam, die deze kwestie onder de loep namen, reppen hier met geen woord over.” Ze vervolgt haar antwoord met de woorden: “Je moet institutioneel racisme niet stelselmatig ontkennen, want dan kom je niet tot de kern van het probleem.” Ik mag niet twijfelen, ik moet voor zoete koek aannemen wat mij wordt gezegd. De Nederlandse overheid is institutioneel racistisch. Dit mag niet worden betwijfeld of bevraagd want door dit te bevragen en te betwijfelen kom je niet tot te kern.

 “Goed onderwijs is de basis voor een vrije, gelukkige samenleving waarin iedereen tot zijn recht kan komen.”  Zo begint het eerste hoofdstuk van het verkiezingsprogramma van D66. En als dat de basis is dan moet je er ook mee beginnen. “Een goede opleiding geeft je de vrijheid om je dromen na te jagen en je talenten ten volle te benutten, de vrijheid om je eigen plek te vinden in de maatschappij. Maar ook de vrijheid om de toekomst aan te kunnen, met alles wat er op je afkomt in een wereld die steeds sneller verandert. Goed onderwijs en onderzoek zijn de sleutel voor een sterke, duurzame en wendbare economie die vandaag en morgen welvaart levert.” Zo vervolgt het hoofdstuk. Deze woorden zouden zo een reden kunnen zijn om op deze partij te stemmen.

Alleen kan ik die woorden niet rijmen met de uitspraken van partijlid en Europees volksvertegenwoordiger Rafaela. Zij betoogt namelijk dat onderzoek niet nodig is. Of dat alleen in het geval ‘vermeend institutioneel racisme’ is, weet ik niet. En dat doet er eigenlijk ook niet toe. Want zelfs al moet ik alleen dit ene geval voor zoete koek slikken, dan nog geeft dat de woorden in het verkiezingsprogramma een nare en vooral zure bijsmaak.

To greek or not to greek

Spek met eieren. Dat zou ik in een normaal jaar eten op het moment dat deze Prikker wordt gepubliceerd. Spek met eieren als goede bodem voor een dagje Vastelaovend in Venlo. Door corona is dit jaar alles anders. Dat alles anders is, wil echter niet zeggen dat ook echt alles anders is dan op een normale zondag met Vastelaovend.

Eigen foto

De Jocusvlag met ballonnen hangt gewoon aan de gevel. Uit de boxen schalt ‘ozze Venlose vasteloavesmeziek’. Liedjes als ‘Vastelaovend in Venlo’ en‘Veur altied eine Venlonaer’ en het prachtige‘As de sterre dao baove Straole’ met het prachtige couplet: “Beej edere baum, beej edere brum. Dao huërste ein hoëge en liëge stum. De liëge is hae, de hoëge is het. Ik zeg ut maar det geej det  wet.” En het de lente aankondigende Lekker Zunke met het geweldige openende couplet: “Nog efkes en dan zit alweer de linte in de lôch. Dan ligge de jônge flotse weer te piëpe in den bôch. Dan plôkke weej weer veldboeketjes. En de Maedjes laupe lôchtig in eur zomerkledjes. Nog efkes en dan zien we weer zoë wiëd. Dan zien we weer ôs wintertiëne kwiët.”. En ja, zelfs al moet ik thuis blijven de spek met eieren smaken toch goed. Net zoals ‘kerboët met eppelkes’ en ‘boeremoos met wors’ de komende dagen.

Wat er vandaag helaas niet inzit, is een bezoek aan Motown alwaar normaal op deze dag Minsekinder zou spelen. De reünie met mensen die ik voor het grootste deel één keer per jaar zie, namelijk met ‘vastelaoveszondaag’. Een reünie die vooral bestaat op het zo hard mogelijk meezingen van de liedjes die de band ten gehore brengt en tussendoor even de stembanden smeren. Wat we dus ook niet kunnen, is samen even degenen herdenken die er niet meer bij kunnen zijn. Dat gedenken concentreert zich rond de legendarische voormalige ‘hofzenger van Jocus’, Sjraar Peetjes. Peetjes was door Minsekinder een beetje uit de vergetelheid gehaald door hem enkele liedjes op de voor hem bekende staccatowijze te laten zingen in hun set.

Nee, dat zit er vandaag allemaal niet in. Maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. De hele programmering van Omroep Venlo ademt Vastelaovend. Zo zijn de makers van het in Venlo legendarische programma Café Chantant na een jaar of tien weer bijeen gekomen en zo gebeurt er veel meer.

Veel meer vooral kleine initiatieven die op een of andere manier aandacht besteden aan ‘ozze Venlose Vastelaovend’. Een van die bijzondere initiatieven, wil ik jullie, mijn lezers, niet onthouden. Een filmpje van ‘Vastelaovesgezelschap De Greek’. Voor iedereen die het dialect niet machtig is, ‘enne greek’ is geen Griek en het handelt dus niet over de Giorgos Giakoumakis, de veel scorende Griekse spits van VVV. Nee ‘enne greek’ is een zeur, een zanikerd. En daarmee kom ik bij de kern: to ‘greek’ or not to ‘greek’, that’s the question!

Historische context

Zoals ieder medium, besteedt ook de Volkskrant aandacht aan de komende Kamerverkiezingen. Dat gebeurt onder andere door het interviewen van de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Bij zo’n interview neemt de krant ook vijf punten uit het verkiezingsprogramma op. Zo ook bij het interview met PvdA-lijsttrekker Lilian Ploumen. Daar lees ik: “Cultureel erfgoed, zoals standbeelden, wordt voorzien van de goede historische context.” Een bijzonder punt.

Nolensplein
Het beeld van MGR Nolens te venlo. Bron: eigen foto

Laat ik een voorbeeld nemen. Als ik vanuit mijn woning naar Bakkerij Rutten, de beste bakker van de wereld, op de Parade in Venlo loop, dan passeer ik een standbeeld van Monseigneur Willem Hubert Nolens. Een standbeeld dat staat op het ook naar hem genoemde Nolensplein. Een plein dat in de volksmond ook wel het Gaasplein wordt genoemd, omdat er vroeger een gasfabriek lag. Nolens leefde van 1860 tot 1931 en zat van 1896 tot aan zijn dood in de Tweede Kamer. Hij was priester en rechtsgeleerde en van 1910 tot aan zijn dood politiek leider van de Rooms Katholieke Staats Partij. Een partij die hij in 1904 mee had opgericht. Nolens werd in 1923, nog tijdens zijn actieve carrière, benoemd tot Minister van Staat. Allemaal feiten die we bij het beeld en het plein kunnen vermelden, maar is dat de ‘goede historische context’?

Of horen de acht Heilige Oorlogen tegen de islam, met een eufemisme ook wel kruistochten genoemd, waartoe het ‘hoogste gezag’ van die kerk opriep, ook tot die context? Die begonnen in 1095 met een anti-islamitisch betoog van Paus Urbanus II waar Wilders nog een puntje aan kan zuigen: “De islamieten hebben altaren besmeurd met bloed dat ze in doopvonten lieten vloeien. Ze hebben christenen besneden en hen gegeseld en gemarteld, voordat ze hen doodden.” Dat behoort immers allemaal tot de geschiedenis van de kerk van Rome en in die kerk was Nolens priester en voor een partij van die religie zat hij jarenlang in de Tweede Kamer.

Dan mogen we ook de ‘binnen Europese kruistochten’ niet vergeten. De strijd tegen joden en vermeende ketters waarvan die tegen de Katharen de bekendste is. De Katharen werden eerst ‘gedemoniseerd’ maar dan in de letterlijke zin van het woord. Tenminste volgens vooraanstaande geestelijken zoals de abt Bernardus van Clairveaux. Anderen zoals de abdis Hildegard van Bingen riepen op de Katharen te verwijderen uit de kerk. En dat betekende vroeger wat anders dan nu. Tegenwoordig kun je als je uit de kerk bent verwijderd heel goed leven. Vroeger betekende dat echter iets heel anders. ‘Uit de kerk verwijderen’ betekende je dood. En wat dichter bij onze eigen tijd. Behoort bij die context ook het misbruiken van kinderen?  

Nu heeft de kerk niet alleen maar ellende gebracht. Wij zijn het gewend dat er regels en wetten zijn waaraan iedereen zich houdt. Bij die iedereen hoort ook de overheid. Dat een heerser en nu een overheid zich aan de wet houdt, is niet vanzelfsprekend. Een blik naar het Oosten, naar Rusland en China, en we zien landen waar respectievelijk de president en de communistische partij boven de wet staan. Als we het betoog van Francis Fukuyama in zijn boek De oorsprong van onze politiek mogen geloven, dan danken we onze rechtstaat aan de katholieke kerk. De Investituurstrijd in de elfde eeuw speelde hierin, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol. Een strijd tussen de paus en de Keizer van het Heilig Roomse rijk. Een strijd die ging over het recht om bisschoppen te benoemen die ook wereldlijke macht uitoefenden omdat ze in een gebied zowel het kerkelijk als het wereldlijk gezag bezaten. Een strijd die uiteindelijk door de paus werd gewonnen na de ‘gang naar Canossa’ van Hendrik IV. Daar in Canossa werd aan de geëxcommuniceerde Hendrik IV vergiffenis geschonken waardoor hij zijn wereldlijke heerschappij behield. Het benoemen van bisschoppen door koning of keizer behoorde echter tot het verleden. Volgens Fukuyama legde deze erkenning van Hendrik IV, dat hij in zijn rijk niet alle macht had, de basis voor een rechtstaat waar zelf de heerser zich aan de wet moet houden.

Terug naar de ‘goede historische context’ bij het beeld van Nolens. Wat is in dit voorbeeld de ‘Goede historische context’ en wie bepaalt dit? Dat kunnen omvangrijke ‘bijsluiters’ bij ieder beeld worden. Het komt er met enige overdrijving op neer dat ieder beeld vergezeld dient te gaan van een bibliotheek. Maar belangrijker, ‘goede historische context’ suggereert dat ons denken met betrekking tot het verleden superieur is aan dat van vroeger. Het denken van vroeger is immers minder goed omdat we nu de ‘goede historische context’ moeten bijvoegen. Een dergelijke manier van denken betekent dat automatisch ook dat we de ‘goede historische context’ van vandaag ook over tien of twintig jaar nog de ‘goede historische context’ vinden? Of denken we werkelijk dat wij nu de ‘goede historische context’, in pacht hebben?

Battle- en cruiseship corona

“We zouden plotseling een land van bevrijde tachtigjarigen hebben, terwijl jonge mensen, die sowieso al geen ernstige schade van covid ondervinden, in lockdown zouden blijven. Theepartijtjes zouden weer worden gehouden, cruiseschepen weer zeilen, terwijl fitte en gezonde 25-jarigen nog eens zes maanden te maken krijgen met thuisblijven.” Een citaat van Ross Clark in een artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant. Een artikel waarin de vraag centraal staat: “Moeten mensen die gevaccineerd zijn meer vrijheden krijgen, terwijl anderen nog niet eens een oproep hebben gehad voor een coronaprik?” Inderdaad cru als de gezonde jeugdigen die nu binnen moeten blijven ter bescherming van de risico lopende oudere nog steeds binnen moeten blijven terwijl die oudere vrolijk op stap kan.

File:USS Missouri (BB-63) arrives in Pearl Harbor.jpg
De USS Missouri arriveert in 1998 in Pearl Harbor om ‘dienst’ te gaan doen als museum. Bron: Wikipedia

Toen ik dit las, moest ik aan de film Battleship denken. Voor degenen die de film niet kennen: buitenaardse wezen proberen de Aarde te veroveren en dat mislukt natuurlijk door de heldhaftige inzet van de hoofdrolspelers. Ik moest aan deze film denken omdat het slagschip Missouri dat als Tweede Wereldoorlog museum in de haven van Hawaii fungeert, een belangrijke rol speelt. Dat schip vuurt de belangrijkste granaat af. Hierbij vervullen veteranen uit de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol. Zij hadden ervoor gezorgd dat het schip nog steeds volledig functioneerde en hielpen de hoofdrolspelers om het schip die belangrijke granaat te laten afvuren.

Ik moest hieraan denken omdat die gevaccineerde oudjes dan wel meteen ook het personeel voor die cruise zullen moeten leveren. En ja, ook het personeel van het theehuis. Want waar moet je als ‘oudje’ heen als alle medewerkers van musea, theaters, voetbalstadions, winkels et cetera nog gewoon binnen moeten blijven. Het lijkt me weinig aantrekkelijk om de gesloten deur van het Limburgs Museum te bezoeken. Zonder de werkende jongeren lijkt mij dat er weinig te doen is voor die ‘bevrijde oudjes’ behalve dan met elkaar af te spreken en daarbij is een vaccin een plus: “Na bijna een jaar sinds het eerste geval van coronavirus in Argentinië, meldden datingapplicaties als Tinder, Bumble en OkCupid een aanzienlijke toename in het aantal keren dat gebruikers de woorden ‘vaccin’ en ‘gevaccineerd’ in hun profielbeschrijvingen vermelden. Het enige wat er “verder zou kunnen veranderen is dat de ‘vroege uurtjes voor kwetsbare oudjes’ in de supermarkt tot het verleden behoren. Nu is mijn ervaring van de afgelopen tijd dat veel ‘oudjes’ toch al buiten die uurtjes de supermarkt bezoeken.

Voorlopig zijn nog lang niet alle ‘kwetsbare oudjes’ gevaccineerd. Totdat het zover is, lijkt het me dat je de gevaccineerde mensen wel meer vrijheid kunt geven, alleen zijn er, afgezien van een bijzondere mogelijkheid, nog steeds geen mogelijkheden om die te benutten omdat het ‘cruiseschip niet kan varen’ wegens gebrek aan personeel. Die ene mogelijkheid is de avondklok. Die zou voor gevaccineerde mensen niet meer hoeven te gelden. Alleen zou dat weer voor handhavingsproblemen kunnen zorgen en dat is een reden om het niet te doen. Er is echter een belangrijkere reden. Als ‘gezonde jongeren’ binnen moeten blijven om ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen dan is het niet meer dan wederkerig dat gevaccineerde ‘kwetsbare oudjes’ solidair blijven met de jongeren en pas gaan cruisen (per schip of Tinder) als ook die ‘gezonde jongeren’ dat weer kunnen. Solidariteit werkt alleen als het wederkerig is.

Of, en nu draai ik de zaak om, als de ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven om de ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen, dan kan toch alles weer open als die ‘kwetsbare oudjes’ via een vaccin zijn beschermd? Dan vervalt toch de reden waarom die ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven? Nu ben ik geen virusdeskundige en het kan zijn dat er goede redenen zijn om dat juist niet te doen.

Het middel en de vermeende kwaal

Zoals altijd voor verkiezingen grasduin ik door de verschillende verkiezingsprogramma’s. Een tijd geleden schreef ik al over de ‘bedoeling van het kapitalisme’ volgens de VVD. En ook over het PVV programma waarin de partij zich vol achter artikel 23 van de Grondwet schaart en één zin later datzelfde artikel aan haar laars lapt. Nu las ik iets heel bijzonders in het programma van het Forum voor Democratie.

Bron: WikimediaCommons

Ik citeer: “Ook zien we een probleem met de selectieprocedure van onze rechters. Officieel worden rechters benoemd door de regering (uitvoerende macht), maar in de praktijk wordt vrijwel altijd de aanbeveling gevolgd vanuit de rechterlijke macht zelf. Hierdoor houdt een ideologisch bolwerk zichzelf in stand. Via een parlementaire ondervragingscommissie willen wij de grip van de politiek op benoeming van (hogere) rechters, zoals leden van de Hoge Raad of van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, versterken.” In het kort staat hier dat Baudet de rechters partijdig vindt en hij wil die partijdigheid bestrijden door ze in het parlement te ondervragen alvorens ze worden benoemd. Zo wil hij dat bolwerk met de voor hem ‘verkeerde ideologie’ aanpakken. Zou dit werken?

Voordat ik aan die vraag toekom, eerst een vraag aan Baudet. Is er een probleem? Is de rechterlijke macht een ‘ideologisch bolwerk’ met een bepaalde voorkeur? Dat de stemverdeling onder rechters anders is dan onder de rest van Nederland is bekend. Net zoals die ook anders is onder leraren, zorgpersoneel en ambtenaren. En trouwens net zoals die ook anders is onder topmanagers van grote bedrijven. Daar hoeven we niet van op te kijken, dat is vooral een gevolg van beroepskeuzes van mensen. Een ‘oververtegenwoordiging’ van stemmers op een bepaalde partij, wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van een ‘ideologisch bolwerk’ en dat de ‘ideologie van de rechter’ een rol speelt bij het uitspreken van vonnissen, is nog flink wat stappen verder.

Dan Baudets oplossing. Laten we eens ‘over de grens’ kijken want er zijn al landen die zo’n systeem kennen. Bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar nomineert de president rechters die ter goedkeuring aan de senaat moeten worden voorgedragen. Zou dat er minder politiek aan toe gaan? Even terug naar 13 februari 2016. Toen stierf opperrechter Antonin Scalia. President Obama nomineerde een nieuwe kandidaat maar de door zijn politieke tegenstanders de Republikeinen gedomineerde senaat, weigerde de voordracht ook maar te bespreken. De reden, in november 2016 waren er verkiezingen en als de Republikeinen zouden winnen, dan zou hun president een rechter mogen voordragen en die zou meer in hun straatje passen. Als reden voerden ze echter aan dat Obama het zou moeten overlaten aan zijn opvolger omdat hij nog maar zo kort aan de macht zou zijn. Obama zou niet over zijn politieke graf moeten willen regeren. We springen even vier jaar verder in de tijd. Op 18 september vorig jaar overleed opperrecht Ruth Bader Ginsberg. Iets minder dan twee maanden voor de presidentsverkiezingen. President Trump nomineert Amy Barretts en iets meer dan een maand later en een kleine twee weken voor de verkiezingen bevestigd de door de Republikeinen gedomineerde Senaat die nominatie. Geen enkel woord van ‘over het politieke graf regeren’ van Trump. Dit zijn maar twee voorbeelden van de gevolgen van politieke benoemingen van rechters, want dat is waar Baudet voor pleit.

Nu even weg van de voorbeelden. Zou het benoemen van rechters door een politiek orgaan, een orgaan waar ideologie een belangrijke rol speelt, leiden tot ideologievrije rechters? Nu is dat onmogelijk, iedereen mens heeft wel iets met ideologie al is het maar in de vorm van godsdienst. Zou het leiden tot een ideologisch gemêleerde rechterlijke macht? Of zou het vooral leiden tot een beschadiging van mensen voor ‘politiek gewin’? Als er in zo’n parlementaire ondervragingscommissie iets zal gebeuren, is het dan niet dat er door tegenstanders van de benoeming van een rechter wordt gehamerd op de ‘politieke vooringenomenheid’ van die rechter? Daarop en op de foutjes, zoals een rode kaart in een voetbalwedstrijd wegens het uitvallen tegen een scheidsrechter, van die beoogde rechter in zijn  verleden?

Zou dit ervoor zorgen dat: “de beste persoon voor de beste positie,” op basis van: “talent en kunde,” wordt gekozen? Want dat wil Baudet zo is ook in het programma te lezen. Ik vrees dat de beste personen zo’n procedure aan zich voorbij laten gaan. Nee, als Baudet werkelijk vindt dat het rechters corps qua politieke voorkeur een afspiegeling moet zijn van politieke voorkeuren van de bevolking, dan kan hij beter doen wat ik Tim Engelbart adviseerde toen die zich twee jaar gelden beklaagde over het ‘links zijn’ van het onderwijs: “Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u.” Want het middel dat Baudet voorstelt, zou wel eens erger kunnen zijn dan de vermeende kwaal.

‘Kennisleer van onwetendheid’

Begrippen als ‘witte onschuld’,  ‘witte superioriteit’ en ‘witte fragiliteit’ kende ik al. Ik schreef er al eerder over. Er is, in dit verband, ook een ‘kennisleer van onwetendheid’ zo lees ik in een artikel van Sheher Khan. Khan is duo raadslid en hoofd van het fractiebureau van DENK in Amsterdam. Die kennisleer van onwetendheid kende ik nog niet. Khan verwijt in een artikel bij Joop dat CDA-kamerlid Pieter Omtzigt voor een nieuw sociaal contract: “in feite een voortzetting van het raciaal contract, ” pleit. Dit omdat Omtzigt, zo betoogt Khan, nalaat om: “institutioneel racisme te benoemen.” Een bijzonder betoog.

File:Rechtvaardigheid troont boven portret van Justinianus op sokkel met titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid Titelpagina voor Corpus juris civilis, Amsterdam 1663 Corpus juris civilis (titel op object), RP-P-1886-A-10397.jpg
Rechtvaardigheid troont boven een portret van Justinianus op een sokkel met als titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid. Een prent van Cornelis van Dalen. Bron: Rijksmuseum

Bijzonder als eerste omdat ik de combinatie van de woorden ‘kennisleer’ en ‘onwetendheid’ een bijzondere vind. Kennisleer, ook wel epistemologie genoemd, is een heel oud begrip uit de filosofie. De kennisleer onderzoekt de aard, oorsprong, voorwaarden en de reikwijdte van kennis en het weten. Binnen de kennisleer staan drie vragen centraal: Wat is kennis? Wat kan ik weten? En hoe kan ik kennis vergaren? Onwetendheid is de afwezigheid van alle of bepaalde kennis. De combinatie van die twee begrippen komt mij als heel vreemd voor. Dat even terzijde.

Volgens Khan staat Omtzigt met die ‘voortzetting van het raciale contract’ in een lange traditie van geleerden zoals Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau, John Locke en Immanuel Kant die: “Verlichtingsidealen zoals individuele vrijheid en rechtvaardigheid,” beperkten tot Europeanen. “Zelfs de meest vooraanstaande filosofen, zoals John Rawls, raken gehypnotiseerd door de kennisleer van onwetendheid. Rawls bracht de discussie over het sociaal contract weer tot leven in de 20e eeuw met zijn theorie van rechtvaardigheid. Hij stelde dat een rechtvaardige samenleving ingericht is op het verheffen van de meest achtergestelde groepen maar verzuimde om ,in een carrière van 50 jaar, ook maar één passage te wijden aan raciale rechtvaardigheid.” Aldus Khan. Maar heeft hij een punt?

Khan verwijst naar Rawls’ belangrijkste werk Een theorie van rechtvaardigheid. In dat boek zoekt Rawls naar de meest rechtvaardige manier om een samenleving vorm te geven. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandelingen, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1]”  Ik kan hier geen raciale ongelijkheid in ontdekken. Rawls spreekt over ‘elke persoon’ en ‘allen’. Hij zoekt naar rechtvaardigheid voor iedereen ongeacht kleur, geslacht, gender en welke categorieën dan ook.

Dat: “in de ogen van Hobbes en Rousseau (…) de wilde of barbaar altijd een niet-Europeaan” was en: “Locke profiteerde financieel van de slavernij en Kant pleitte voor een hiërarchische categorisering van de mensheid op grond van ras,” zegt niets over Rawls en Omtzigt. Khan projecteert de opvattingen van historische figuren op Omtzigt en, de inmiddels ook historische figuur, Rawls alleen omdat ze dezelfde huidskleur hebben. Als ik Khans betoog goed interpreteer, dan bedoelt hij met ‘kennisleer van onwetendheid’ dat als je als blanke over de mensheid schrijft zonder er expliciet bij te zeggen dat je met mensheid alle kleuren bedoelt, dat je dan alleen maar blanken bedoelt. Dat is, voor iemand die raciale rechtvaardigheid zo belangrijk vindt, een sterk naar racisme riekende manier van denken.

Nu is Khan niet de enige die het woord ‘iedereen’ of ‘allen’ graag wil aanvullen door onderdelen van die ‘iedereen’ of ‘allen’ expliciet te benoemen. Menig politieke partij wil de Grondwet aanpassen en dan vooral artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”  In dat artikel moeten de rechten van allerlei groepen expliciet worden belegd en benoemd. Ook de Ballonnendoorprikker wil dit artikel graag aanpassen, maar dan op een andere manier. Niet door er allerlei groepen die niet gediscrimineerd mogen worden aan toe te voegen. Nee, door het te versimpelen waardoor het veel duidelijker en krachtiger wordt:  ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ Hooguit aangevuld met: ´Discriminatie is niet toegestaan’, maar dat is eigenlijk al niet meer nodig. Gelijke behandeling begint in de wet. Ongelijkheid begint met het noemen van groepen in dit artikel.


[1] John Rawls, Een Theorie van rechtvaardigheid pagina 321

Meehuilers

‘Ik luister naar je, maar ik doe niet wat je zegt’ en ‘ik begrijp je, maar ik heb er geen begrip voor’. Deze twee zinnen vormen in de kern de korte samenvatting van de gebeurtenissen van de afgelopen twee weken en eigenlijk van de afgelopen twintig jaar. Waarom? Dat leg ik hieronder uit.

Free Images : zoo, fauna, howl, marsupial, wildlife photography,  carnivores, european wolf, pack animal, canis lupus, wolf howling, dog like  mammal, wolfdog 6000x4000 - - 581606 - Free stock photos - PxHere
Bron: PxHere

Neem de vele mensen die op de PVV stemmen. In begrijp dat ze zich zorgen maken over hun heden en toekomst, maar ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die in haar verkiezingsprogramma betoogt dat: “Het onderwijs (…) ruime aandacht (moet geven) aan de verworven westerse vrijheden,” en die vervolgens niet van toepassing verklaart op grote groepen mensen, verdient geen steun. Een partij die pleit voor het “Behoud van artikel 23, de vrijheid van bijzonder onderwijs,” en dan doodleuk vervolgt met de ontkrachting ervan door te pleiten voor het: “Stoppen met islamitisch onderwijs, omdat dat onze vrijheid en onze waarden bedreigt.”  Ik begrijp de zorgen van PVV-stemmers, ik heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze maar doe niet wat ze zeggen

Neem stemmers op het Forum voor Democratie. Ook hun zorgen voor wat betreft hun heden en toekomst begrijp ik. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het heil, zoals ik al eerder schreef, in het verleden zoekt. Mensen die op een partij stemmen die de bourgeoissamenleving van de achttiende eeuw verheerlijkt zonder dat ze zich realiseren wat dat betekent. Mensen die, net zoals trouwens de PVV stemmers, een verleden verheerlijken dat nooit heeft bestaan. Ik begrijp hun zorgen, maar heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Neem de mensen die op BIJ1 stemmen. Ik begrijp hun zorgen over het heden en de toekomst. Zorgen over achterstanden van groepen in de samenleving en dan vooral groepen met nog geen generaties lange geschiedenis in dit deel van de wereld. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het dubieuze intersectionele denken hoog in het vaandel heeft staan. Een partij die de wereld beziet door de ‘wit privilege en witte onschuld’ bril van Gloria Wekker en waar iets al snel ‘culturele toe-eigening’ is. Een partij die het verleden wil herschrijven zodat het past in hun kijk op de het heden en de toekomst. Nogmaals ik begrijp hun zorgen over achterstanden, ik heb er geen begrip voor dat ze er zulke dubieuze denkbeelden op na houden. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Ik begrijp ook mensen die zich afvragen of de coronapandemie niet beter kan worden aangepakt. Ik begrijp het want er zijn vele zaken die beter kunnen, maar ik heb geen begrip voor mensen die vervolgens andere zwart gaan maken en bedreigen. En al helemaal niet voor mensen die vervolgens gaan beweren dat er een ‘door politici aangestuurd pedofielennetwerk’ is, dat er ‘chips’ via vaccins worden ingebracht en nog meer van dat soort onzin. Ik begrijp de zorgen maar heb geen begrip voor de onzin die wordt gedebiteerd. Ik luister ernaar, maar ik doe niet wat zij zeggen

Als ik verder kijk dan mijn eigen neus lang is, dan zie ik dat er ook andere keuzes worden gemaakt. Dan zie ik dat andere partijen naast het begrijpen ook begrip tonen door ideeën, redeneringen en retoriek van de PVV, FvD en BIJ1 over te nemen. Anderen die niet alleen luisteren maar er ook daden aan toevoegen. Die in plaats van een goed gesprek te voeren, mee gaan huilen met wolven. Dan zie ik partijen die begrip tonen voor mensen die ‘onzintheorieën’ verkondigen door hen te voeden, met als meest positieve, halve waarheden en vaak zelfs met hele leugens. Mee gaan huilen omdat een goed gesprek er wel eens toe zou kunnen leiden dat ze aan macht en invloed verliezen. Verliezen omdat de belangen van de mensen die gehoord willen worden wel eens op een heel ander vlak kunnen liggen dan de ‘meehuilers’ denken.

Nieuw tijdperk of toch oud?

“Haar woorden luidden op verbindende wijze een nieuw tijdperk van een land in. Daar waren ze voor bedoeld en geschreven.” De ‘haar’ waar Shantie Singh het in haar artikel op de site dekanttekening.nl over heeft, is de Amerikaanse dichter Amanda Gorman en de woorden betreffen het gedicht dat ze voordroeg tijdens de inauguratie van Biden als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Begon er werkelijk een nieuw tijdperk op de twintigste januari 2021 om een uur of zes Nederlandse tijd? Wat zijn dan de kernmerken van dat nieuwe tijdperk? Als er een nieuw tijdperk begint, sluit er ook een oud af. En om ‘nieuw’ te zijn, moeten de kenmerken van dat nieuwe tijdperk verschillen van die van het oude. Wat waren de kenmerken van het oude tijdperk?

File:Sultan Osman II Cülus.jpg
De kroning van Osman II tot sultan. Bron: WikimediaCommons

Interessante vragen. Maar ze zijn alleen interessant als er op die twintigste januari 2021 werkelijk een nieuw tijdperk aanbrak. Ja, in de Verenigde Staten werd een nieuwe president ingezworen. Alleen gebeurt dat zo ongeveer iedere acht jaar en soms, zoals dit keer, zelfs eerder. Begint er met iedere nieuwe Amerikaanse president een nieuw tijdperk? Dat zou betekenen dat we sinds 1776 aan het zesenveertigste tijdperk toe zijn. Dat lijkt mij wel erg gortig. Waarom zou het ‘inzweren van een Amerikaanse president’ een markeringspunt van tijdperken zijn?

Voor een historicus zijn ‘tijdperken’ geen onbekenden. Tegenwoordig wordt het verleden ingedeeld in tien tijdvakken. In mijn tijd als geschiedenisstudent waren dat er minder: Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe – en Nieuwste geschiedenis. Dat was de indeling. De Oudheid eindigde met het afzetten van Romulus Augustulus, de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476. Een zeer precieze datum. Alleen was de werkelijkheid wat minder precies. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeins macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor.

Dat geldt niet voor het Oost Romeinse Rijk. Dat bleef tot de verovering van Byzantium dat toen al Constantinopel heette op 29 mei 1453 door sultan Mehmet II van de Ottomanen, een rol spelen. Waarbij die rol naar het einde toe steeds kleiner werd. Daarmee kun je zeggen dat op dat moment er weer nieuw tijdperk begon, namelijk dat van het Ottomaanse rijk. Alleen zou een Ottomaan zeggen dat hun tijdperk meer dan 150 jaar eerder in 1280 begon. Toen Osman I aan de macht kwam in een prinsdom in het oosten van Anatolië. Alleen wist men toen nog niet dat een nazaat waarvan deze Osman de naamgever was, Constantinopel zou innemen.

Wat het einde van het Oostelijke en het Westelijke Romeinse Rijk gemeen hebben, is dat beiden hun werkelijke oorzaak kenden in de uitgestrekte Aziatische vlakten. In de vierde eeuw zorgden de Hunnen, een Centraal Aziatisch nomadisch ruitervolk, ervoor dat vele andere volkeren voor hen op de vlucht gingen en naar het westen trokken. Een gebeurtenis die we nu de Grote Volksverhuizing noemen. Daar stootten ze op het steeds zwakker wordende Romeinse Rijk en dat leidde uiteindelijk tot het afzetten van Romulus Augustulus. In de dertiende eeuw waren het de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan die voor een migratie van Turkse nomaden zorgden die zich in Anatolië vestigden en daar op het Oost Romeinse Rijk stootten.

Of er op twintig januari 2021 zo rond zes in de avond Nederlandse tijd een nieuw tijdperk aanbrak, daar kunnen wij nu niet over oordelen. Dat is iets voor toekomstige historici en die kunnen er, net zoals ik hierboven deed, op verschillende manieren naar kijken.