Kater Byte en het moment

Recentelijk las ik het boek A natural history of human Morality van de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello. Een boek dat, als je de achterflap mag geloven: “de meest gedetailleerde beschrijving tot nu toe van de evolutie van de menselijke morele psychologie,” biedt. Gebaseerd op: “uitgebreide experimentele gegevens van mensapen en mensenkinderen, reconstrueert Tomasello hoe vroege mensen geleidelijk ultracoöperatief en uiteindelijk een morele soort werden.[1]” Ik moest hieraan denken na het lezen van het artikel Dump je ego, red de wereld: de eenvoudige mystiek van Eckhart Tolle van Bregje Hofstede.

Byte in het moment

Volgens Tolle, zo schrijft Hofstede zijn we: “mentaal ziek, daarom vernielen we onszelf, elkaar en de wereld.” We zondigen en dat is volgens Tolle: “de zin van het menselijk bestaan missen […] onvaardig en blind te leven en dus te lijden en lijden te veroorzaken.” Daar kunnen we wat aan doen door ons innerlijke zelf te veranderen. Ons innerlijke zelf veranderen we: “Door afscheid te nemen van ons ego, en ons bewust te worden van ons één zijn met het Leven / God / de Bron / Atman (of hoe je de mysterieuze, onzichtbare, eeuwige realiteit achter de zichtbare dingen maar wilt noemen.”  Het ego waar we afscheid van moeten nemen is: “alles waarmee je je identificeert: het verhaal dat je over jezelf vertelt, het zelfbeeld waaraan je vasthoudt (positief of negatief), en alles waar je dat zelfbeeld mee stut. Naam, beroep, gender, nationaliteit, voetbalclub, jeugdtrauma’s, opinies, herinneringen, voorkeuren, terugkerende gedachten – alles.” Daarvan moet je dus afscheid nemen en dat kan door je te richten: “op het huidige moment, dan verdwijnt Ego. Al je getob en je kopzorgen kun je afschrijven, als je in het nu verblijft.”

Na het lezen van die zin moest ik denken aan onze kater Byte. Die kan, dat is tenminste mijn indruk maar ik kan het verkeerd hebben want ik kan het hem niet vragen, uitstekend in het moment zijn. Dat moment lijkt vooral te bestaan uit liggen, slapen, bedelen om eten en af en toe een muis vangen. Die muis leefde dan waarschijnlijk teveel in haar moment waardoor ze niet voldoende alert was en niet in de gaten had dat het moment van kater Byte het muizenmoment kwam verstoren. Dit even terzijde maar toch niet helemaal.

Het redeneren van Tolle zoals door Hofstede geschetst, riep twee vragen bij mij op. Als eerste als je afscheid neemt van ‘dat verhaal over jezelf met voetbalclub en eventuele trauma’s’ wie ben je dan? En als tweede, in het verlengde van mijn om eten zeurende kater: Bij wie ga ik als mens dan zeuren als ik honger heb? Of gaat die honger vanzelf weg? Vallen de bommen dan niet meer op mijn hoofd? Hoef ik die rekening dan niet meer te betalen? Anders geformuleerd, lost leven in het nu werkelijk alle problemen op?

Die twee vragen brachten mij bij Tomasello en A natural history of human moralty. Wat ons volgens Tomasello bijzonder maakt, is dat we, in tegenstelling tot onze naaste verwanten, de mensapen, en andere zoogdieren juist het moment kunnen overstijgen. Het moment overstijgen en onszelf en anderen in dat moment te beschouwen en ook het welzijn in ogenschouw te nemen. Dit maakt het ons mogelijk om situationeel te handelen en de effecten van ons handelen op de relatie met anderen mee in ogenschouw te nemen.

Dat begon zo’n 2 miljoen jaar geleden toen onze verre voorvaderen van de genus Homo ten tonele verschenen. Daar begon een ontwikkeling die uiteindelijk tot iets wat we nu moraal noemen. Tomasello over die ontwikkeling: “Deze transformatie was zeer waarschijnlijk het product van drie met elkaar verstrengelde processen. Deze nieuwe vorm van paren (nieuw voor mensapen) had veel cascade-effecten op menselijke emoties en motivaties.  … Een tweede deel van het verhaal betrof een nieuwe bestaansstrategie. De meeste theoretici die het belang benadrukken van het gezamenlijk jagen op groter wild in de evolutie van de mens, erkennen een overgangsfase van foerageren. Individuen zouden gedwongen zijn geweest om samen te werken in een coalitie om de leeuwen of hyena’s weg te jagen die zich tegoed deden aan een karkas, voordat ze zelf konden foerageren. Elk individu dat al het vlees opeiste, zou het doelwit zijn geweest van een andere coalitie om hem tegen te houden. Ten derde, hoewel we niet precies weten wanneer het is geëvolueerd, is de mens de enige mensaap die gezamenlijk voor kinderen zorgt (ook bekend als samen fokken). … Het resultaat van deze drie voorbereidende processen was de evolutie van minder op dominantie gebaseerde sociale interacties en een zachtaardiger persoonlijk temperament.[2]”

Zo’n 100.000 jaar geleden gingen onze voorouders ‘Out of Africa’ en trokken de wereld in. Die trek uit Afrika was een gevolg van het succes van onze voorvaderen. “Verplichte samenwerking gebaseerd op de losjes gestructureerde en relatief kleine sociale groepen van de vroege mens was een stabiele evolutionaire strategie, totdat het niet meer zo was. Het basisprobleem was dat het te succesvol was: de populatiegrootte van sommige groepen groeide totdat ze elkaar regelmatig begonnen tegen te komen, wat leidde tot groepsconcurrentie om middelen.”  Grotere groepen en dat vroeg twee dingen van het individu: “om al hun landgenoten binnen de groep te erkennen en door hen erkend te worden, zelfs degenen die ze nauwelijks kenden, en om al hun landgenoten binnen de groep van wie ze afhankelijk waren te helpen en te beschermen en door hen geholpen en beschermd te worden, wat, vooral naarmate de arbeidsverdeling toenam, neerkwam op eigenlijk iedereen in de groep.[3]” Erkennen en erkend worden is lastig zonder ego. Zonder ‘dat verhaal over jezelf met voetbalclub en eventuele trauma’s’. Dit ‘erkennen en erkend’ worden ligt ook aan de basis van onze vooroordelen over anderen en daarmee aan discriminatie en racisme.

Met het ‘van je afzetten van je ego’ en in het moment verblijven, verdwijnen niet alleen je kopzorgen maar je gehele zelf. Of je daarmee de wereld redt, waag ik te betwijfelen. Uiteindelijk krijg je honger en wordt duidelijk dat het moment niet alles wegneemt. Dan ga je, net als onze kater Byte, zoeken naar eten om te voorkomen dat het moment waarin je verkeerde, je laatste moment wordt.


[1] Michael Tomasello, A natural history of human Morality, achterflap. Eigen vertaling.

[2] Idem, pagina 42-43 (eigen vertaling)

[3] Idem, pagina 88 (eigen vertaling)

Geen Geert of hij scheert

‘Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.’ Een bekend Nederlands spreekwoord dat uitdrukt, aldus het Genootschap Onze Taal: “dat je oordeel over iemand vooral afhangt van hoe je zelf in elkaar zit.” Het genootschap vervolgt met: “Het spreekwoord wordt altijd negatief gebruikt: ‘als jijzelf niet te vertrouwen bent, ben je geneigd anderen ook niet te vertrouwen’. Je negatieve oordeel zegt dus eigenlijk meer over jezelf dan over de ander.” Na een kleine week bezinning op de gebeurtenis van de week, de aanvaring tussen GroenLinks-PvdA-leider Frans Timmermans en Geert Wilders, moest ik aan dit spreekwoord denken.

Het Genootschap Onze Taal vraagt zich vervolgens af waarom het de waard, de herbergier, is die in dit spreekwoord terecht is gekomen en niet bijvoorbeeld de kleermaker of veehandelaar. Dat is niet duidelijk maar: “Misschien stonden waarden in lager aanzien, maar daar hebben we geen bewijs voor gevonden.”

Terug naar de aanleiding. “Niets nalaten? Niets? Dus ook geen geweld? Ik ga aangifte doen.” De reactie van geert Wilders op de uitspraak van GroenLinks-PvdA-leider Frans Timmermans op het congres van partijen dat de taak van de partijen helder is: “Wij zullen niets nalaten om te voorkomen dat Wilders in dit land aan de macht komt.”  In een vervolgtweet voegde Wilders er nog aan toe: “En help mij een einde te maken aan deze levensgevaarlijke linkse ophitserij, ze hebben niets geleerd van de moord op Pim Fortuyn!”  Wat volgde was commotie en veel mediadrukte. Timmermans reageerde hierop met de woorden: “Mijn middelen zijn altijd parlementair en niets anders. Iedere andere suggestie werp ik verre van me. Dit doet Wilders altijd als hij kritiek krijgt. Dan slaat hij om zich heen.”  

Nu is sinds de Tweede-Kamer-verkiezingen van november 2023 de ‘koelkast’ van Wilders, een bekend begrip. Het eerste wat hij in die koelkast plaatste was het verbieden van de islam. Daarna volgde nog veel meer. Iets wat mij er niet geruster op maakte. Zoals ik in een eerdere Prikker schreef is een koelkast immers bedoeld om iets: “langer vers te houden en het later op te eten.” In die koelkast staan vooral ‘producten’ van belabberde kwaliteit. Producten die in strijd zijn met onze Grondwet en die onze rechtsstaat aantasten. Vanwege die ‘producten’ adviseerde  verkenner Plassterk op zoek naar een: “Te onderzoeken of er overeenstemming is of kan worden bereikt tussen de partijen PVV, VVD, NSC en BBB over een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.” Een, in  mijn ogen overbodig advies omdat, zoals ik eerder schreef: “Een zichzelf respecterende democraat zou zoiets niet adviseren. Een zichzelf respecterende democraat zegt: die basislijn is onze Grondwet. Een zichzelf respecterende democraat zegt dat de in de Grondwet opgenomen grondrechten niet ter discussie staan. Een zichzelf respecterende democraat adviseert niet samen te werken met een partij die de in de Grondwet opgenomen rechten wil beperken. Een zichzelf respecterende democraat waarschuwt voor dit hellend vlak in plaats van het te adviseren.” Als informateur ging hij vervolgens op zoek naar die basislijn. En als we de recente berichten mogen geloven dat de vier partijen de ‘asielcrisis’ willen uitroepen, dan ligt die basislijn erg laag.

Wilders is de waard die denkt dat zijn ‘gast’ ook lak heeft aan de Grondweten de rechtsstaat, die journalisten: “uitzonderingen daargelaten – gewoon tuig van de richel,” noemt, die de Tweede Kamer een nepparlement noemt, die ‘gaat regelen’ dat er ‘minder Marokkanen’ in dit land komen, die een specifieke religie een totalitaire ideologie noemt, die mensen zonder tussenkomst van een rechter ‘preventief wil opsluiten’[1].

Zegt dat Wilders de uitspraak van Timmermans ziet als een oproep tot geweld niet meer over het wereldbeeld van Wilders dan over dat van Timmermans? Om een ander spreekwoord dat Genootschap Onze Taal bij de toelichting geeft“ ‘Geen weerd of hij scheert’, waarmee bedoeld wordt: ‘elke herbergier bedriegt zijn gasten’,” wat te verhaspelen: ‘Geen Geert of hij scheert’.


[1] PVV-Verkiezingsprogramma-2023.pdf, pagina 14: Jihad-sympathisanten preventief opsluiten via administratieve detentie

By your command

Volgens Mark Jongeneel  heeft het missionaire kabinet:  “lak (…) aan de fundamenten van onze parlementaire democratie.”  Aldus een artikel van zijn hand bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Een erg zware beschuldiging. En dit allemaal omdat Minister Weerwind van rechtsbescherming  weigert de door de NSC en SGP ingediende motie om het wetsvoorstel dat de administratieve geslachtswijziging voor een trans gender persoon makkelijker moet maken, in te trekken. Weerwind ziet het anders. In een tweet laat hij weten: “Ik weiger de motie uit te voeren, omdat het een zorgvuldig wetgevingsproces torpedeert en het de kans ontneemt om over deze belangrijke wet de dialoog met de Kamer te voeren.” ‘Zorgvuldig proces’ klinkt heel anders dan ‘lak aan de fundamenten van de parlementaire democratie’. Allebei kan niet dus moet er iemand naast zitten maar wie?

 Jongeneel: “In een schrijnend voorbeeld van deze trend weigert minister van Rechtsbescherming, D66’er Franc Weerwind, een motie van de Tweede Kamer uit te voeren – een motie die duidelijk het sentiment van de Nederlandse bevolking vertegenwoordigt.” In een tweet verwoordt Pepijn van Houwelingen van het tijdelijk Kamerlid voor Forum voor Democratie het op een iets andere manier: “Waar haalt zo’n minister (‘minister’ betekent nota bene ‘dienaar’) het lef vandaan om een motie van de Tweede Kamer, dat wil zeggen een bevel van het orgaan dat de taak en plicht heeft de soeverein van dit land, DE NEDERLANDSE BEVOLKING, te vertegenwoordigen, niet uit te voeren?”  Toen ik die tweet las moest ik denken aan de serie Battlestar Galactica en de Cylons die erin een rol speelden. Van Houwelingen ziet een minister als een Cylon die alleen maar ‘by your command’ zegt en doet wat hem is opgedragen.

Nee, ik ga niet vallen over het denigrerende ‘zo’n minister. Het gaat mij erom of de regering bij monde van minister Weerwind iets doet wat getuigt van het hebben van lak aan de fundamenten van onze parlementaire democratie. Daarvoor naar de Nederlandse Grondwet en in het bijzonder artikel 82. Dit artikel regelt in het eerste lid wie er voorstellen van wet mag indienen: “Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.”  De formulering, ‘door en vanwege de koning’ is een omslachtige omschrijving van het kabinet. “De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers” zo bepaalt artikel 42 eerste lid van de Nederlandse Grondwet. En op grond van het tweede lid (“De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk”) is het kabinet (de regering minus de koning) het orgaan dat ‘vanwege de koning’ voorstellen van wet kan en mag indienen. Hieruit mogen we concluderen dat het kabinet via minister Weerwind volgens de ‘fundamenten van onze parlementaire democratie, het recht heeft om een wetsvoorstel in te dienen.

‘Maar die motie dan? Die is tocht door onze democratisch gekozen volksvertegenwoordiging aangenomen?’ Dat is inderdaad het geval, de vertegenwoordiging van het Nederlandse volk, de Tweede Kamer, heeft die motie aangenomen. Of die motie, zoals Jongeneel beweert, het sentiment van de Nederlandse bevolking’ vertegenwoordigt, is iets van een heel andere orde. Dus Van Houwelingen heeft een punt dat de minister, in zijn rol als dienaar, de motie moet uitvoeren? Nee, Van Houwelingen heeft geen punt. Het staat kabinet of een bewindspersoon is niet verplicht een aangenomen motie uit te voeren. Het is vervolgens aan de Kamer om daaraan een conclusie te verbinden. Als er zwaar aan wordt getold dan kan de Kamer een motie van afkeuring of zelfs van wantrouwen aannemen tegen de betreffende minister of het gehele kabinet. In het laatste geval valt het kabinet. In het eerste geval, als het tegen een minister is gericht dan zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de minister ontslag neemt. De tweede mogelijkheid is dat de regering als geheel er zo zwaar aan tilt dat ze als geheel haar ontslag indient. Zo’n motie ontneemt het kabinet Met of zonder een motie, het kabinet kan gewoon wetsvoorstellen indienen  zonder daar vooraf instemming voor te vragen aan de Tweede Kamer.

Een door het kabinet ingediend wetsvoorstel moet vervolgens volgens de regels van onze parlementaire democratie door de Tweede Kamer worden behandeld. Dat is de dialoog met de Kamer waarover Weerwind spreekt. En, aldus artikel 84 eerste lid van de Nederlandse Grondwet: “Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.”   Uiteindelijk stemt de Tweede Kamer over het voorstel en,: “Zodra ( artikel 85) de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden,”  Dus als de Tweede Kamer problemen heeft met een wet dan kan ze die wijzigen en er uiteindelijk tegen stemmen.

Weerwind heeft het bij het rechte eind. Hij doet niets wat niet mag en kan in onze parlementaire democratie. Hij heeft er zeker geen lak aan. Een Kamerlid, zoals Van Houwelingen zou dit moeten weten maar heeft er blijkbaar lak aan.

De drie B’s van Van der Galien

Het is nu alweer bijna dertig jaar geleden dat ik door een vriend en een toen voor mij onbekende persoon werd benaderd met de vraag of ik me wilde inzetten voor het behoud van een markant gebouw in Venlo. Dit sloop mijn gedachten binnen bij het lezen van de eerste zin van een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard: Het is ongelooflijk, helaas, maar we staan tegenwoordig voor een enorme strijd in ons land.” ‘Een bijzonder artikel.

Nedinsco gebouw eind jaren twintig van de 20ste een. Bron: Wikimedia.Commons

Voor degenen die de Rotterdamse Van Nelle fabriek kennen, het Venlose gebouw dat gered moest worden, is in dezelfde stijl, nieuwe bouwen genaamd, gebouwd. Het is tussen 1920 en 1929 gebouwd en daarmee ouder dan de  op de Unesco werelderfgoedlijst staande Van Nelle Fabriek. Een bouwstijl waarbij het gebouw werd gemodelleerd naar de functie die het moest gaan vervullen. Het Venlose gebouw, bekend als het Nedisncogebouw is specifiek ontworpen voor de productie van persicopen voor duikboten en daarmee komen we bij de bijzondere geschiedenis. Die geschiedenis begon met vrede van Versailles en de beperkingen die deze vrede de Duitsers oplegde. Hun leger werd ingekrompen en verschillende soorten fabrieken mocht het land niet meer hebben. Het mocht ook geen optische apparatuur voor wapensystemen meer bouwen. Een van de bedrijven die hierdoor werden beperkt was Carl Zeiss uit Jena, een bedrijf dat tegenwoordig nog steeds een grootmacht is in optische apparatuur. Om de beperkingen die het bedrijf waren opgelegd te omzeilen, werd in Nederland een bedrijf opgezet, de Nederlandsche Instrumenten Compagnie (Nedinsco). Maar ik dwaal af. Het pand staat er nog, is opgeknapt en is herbestemd mede dankzij onze inzet. Ik moest denken aan dat gesprek omdat ik tijdens een kleine reünie met bezoek aan Jena vorig jaar een boek op de kop heb getik. Een boek van de Duitse journalist Christian Jakob met als titel Endzeit. Die neue Angst vor dem Weltuntergang und der Kampf um unsere Zukunft. Aan dat boek moest ik denken toen ik dat van die ‘enorme strijd in ons land’.

Terug naar die ‘enorme strijd’. Van der Galien:“Ja, het is duidelijk dat we in een bijzonder belangrijke situatie verkeren in ons land. We moeten nu opstaan – met elkaar – of het gaat helemaal mis.” Maar je kunt er wat aan doen en dat is De Dagelijkse Standaard steunen want die gaat voorop in de strijd. Daar voeren ze:  “ELKE DAG WEER de goede strijd. De strijd voor Nederland, voor onze cultuur, voor onze waarden… kortom, voor ons volk. Net als jij zijn wij patriotten. Liefhebbers van ons vaderland. En ja, net als wij hebben wij een hekel aan het boeren-hatende, vrijheidshatende, onderdrukkende, digitaliserende kartel.”

In zijn boek onderzoekt Jakob het ondergangsdenken dat tegenwoordig velen in hun greep heeft: “Waar ooit het geloof in vooruitgang overheerste, zien steeds meer jongeren nu een toekomst vol somberheid.[1]” Angst voor een kernoorlog, pandemieën, kunstmatige intelligentie, instorting van de economie, stroomuitval, financiële ineenstorting,  een klimaatramp, het einde van de mensheid of een deel ervan en met dat deel ervan kom ik bij Van der Galien en zijn strijd voor ‘onze cultuur, waarden en volk. “Niet iedereen vreest het einde van de beschaving als geheel. Sommigen zijn alleen bezorgd over de ondergang van dat deel van de mensheid waartoe ze zichzelf rekenen: het uitsterven van de blanke man.[2]” Met die woorden begin Jakob zijn vijftiende hoofdstuk. Een hoofdstuk met als titel Laatste generatie voor de dood van het volk: het omslagpunt van de migratie. Jakob over die angst: “De enige mensen die hier wakker van kunnen liggen, zijn degenen die geloven dat blanken recht hebben op een natuurlijke suprematie – die ze mogen verdedigen.”  Maar dat is, zoals Jakob terecht schrijft: “Maar dit is een feilloos extreemrechts argument dat al vele jaren in een of andere vorm naar voren wordt gebracht door eenzijdige kringen.[3]”

Een ‘volk’  dat moet strijden tegen een ‘zij’: ’het boerenhatende, vrijheidshatende, onderdrukkende, digitaliserende kartel.’ Nu vraag ik me af wie er tot die ‘wij’ van ‘het volk’ behoren en wie tot de ‘zij’. Ik voel me in ieder geval bij allebei niet thuis. Tot de ‘zij’ behoor ik niet en voel ik me al niet aangetrokken.  Van der Galiens ‘volk’ walmt de overdrachtelijke spruitjeslucht van de drie B: benauwd, bekrompen en burgerlijk van het hele kleine soort.


[1] Christian Jakob, Endzeit. Die neue Angst vor dem Weltuntergang und der Kampf um unsere Zukunft, pagina 8 (eigen vertaling)

[2]Idem, pagina 167 (eigen vertaling)

[3] Idem, pagina 168

Wakker liggen om recht op abortus

Nee, ik heb niets tegen Simon van Teutem. Dit even vooraf want ook in deze prikker staat een artikel van Van Teutem bij De Correspondent centraal. Een artikel waarin Van Teutem onderzoekt of jonge mannen conservatiever worden. In de titel van het artikel geeft hij al meteen het antwoord: Worden jonge mannen echt steeds conservatiever? Niet als je naar de cijfers kijkt. Voor het antwoord hoef je het artikel dus niet meer te lezen. Toch deed ik het en kwam er een rammelend beargumenteerd standpunt tegen. En omdat de Ballonnendoorprikker ‘beoogt kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen’, moest ik daar iets mee.

Van Teutem loopt verschillende onderwerpen na en laat op basis van de World Values Survey en de Europese variant ervan zien dat het met dat conservatisme wel mee valt. Een van die onderwerpen is abortus. “Of neem abortus, altijd een heet hangijzer in de arena van conservatieven versus progressieven. In 1981 vond slechts 36 procent abortus acceptabel. In 2008 was het nog altijd minder dan de helft, maar in 2022 is dat meer dan 71 procent. Een ware aardverschuiving.” Een positief verhaal dat Van Teutems betoog ondersteund. Tot zover niets aan de hand. Dan vervolgt hij met de volgende conclusie op basis van deze cijfers: “We hoeven dus niet wakker te liggen, bang voor Amerikaanse toestanden in Nederland.”

Wat die Amerikaanse toestanden zijn, licht hij niet toe maar het kan niets anders zijn dan het recente besluit van de Amerikaanse Supreme Court om Roe vs Wade terug te draaien en daarmee het recht op abortus. We hoeven, zo betoogt hij, in Nederland niet bang te zijn dat het recht op abortus terug wordt gedraaid omdat 71% van de bevolking het acceptabel vindt. En op die conclusie, op dat standpunt sloeg de Ballonnendoorprikker aan.

Als 70% van de mensen in een democratie iets vindt bijvoorbeeld dat abortus acceptabel is, dan is dat een meerderheid en daarmee is het pleit beslecht en is het recht op abortus niet in gevaar. Dat lijkt een een-tweetje. Maar toch. Als we naar het land van die Amerikaanse toestanden kijken dan vindt ook daar de meerderheid van de mensen dat abortus acceptabel is, zo blijkt uit een poll van Gallup. 52% ziet zich als Pro-Choice en 44% Pro-Life. Toch is het recht op abortus afgeschaft. ‘Maar dat is Amerika, daar hebben ze een heel ander politiek systeem’ kun je tegenwerpen. Dat klopt, daar hebben ze een heel ander politiek systeem.

Dan maar even naar Nederland. Het Wetboek van strafrecht  van 1881 verbood abortus maar maakte abortus op medische gronden mogelijk. Op andere gronden bleef het strafbaar. In de jaren zeventig van de vorige eeuw vonden de Dolle Mina’s dat dit moest veranderen. De vrouw moest ‘Baas in eigen buik’ zijn en dat hield ook abortus in als de vrouw dat wenste. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de Eerste Kamer in 1981 instemde met de Wet afbreking zwangerschap. De Tweede Kamer had een jaar eerder al ingestemd met de kleinst mogelijke meerderheid. Bijzonder hierbij is dat in dat jaar 1981, aldus de cijfers die Van Teutem zelf geeft, slechts 36% abortus acceptabel vond. Een minderheid en toch werd er een wet aangenomen die abortus mogelijk maakte. Als een wet kan worden aangenomen waar een minderheid van de mensen (36%) voor is, dan is het omgekeerde ook mogelijk.

Een meerderheid voor iets  onder de bevolking is in onze democratie geen garantie dat iets wel of niet gebeurt. Wat we willen wordt niet altijd wet en wat we niet willen kan toch gebeuren. Ook in onze Nederlandse democratie. Wakker liggen om ‘Amerikaanse toestanden op dit gebied lijkt mij wat overdreven, waakzaam blijven niet.

Van Teutems misplaatst techo-optimisme  

Na het lezen van een artikel van Simon van Teutem met als titel Degrowth: op papier een oplossing voor bijna alles, in praktijk een dwaalspoor, moest ik denken aan een van de grootste economen uit de geschiedenis, bekend van het meesterwerk The general Theory of Employment, Interest, and Money, John Maynard Keynes. In 1930 schreef Keynes een essay met als titel Economic possibilities for our Grandchildren waarin hij vooruitkeek naar de wereld van zijn kleinkinderen. Ik moest eraan denken omdat zowel van Teutem als Keynes in dezelfde val trappen. Van Teutem bekritiseert de degrowth beweging en pleit voor decoupling, het los koppelen van CO2-uitstoot en economische groei: “méér produceren, maar steeds mínder uitstoten,” als oplossing voor het klimaatprobleem.

Bron: Flickr

Eerst de bijzondere kritiek op degrowth. “Degrowthers zijn ervan overtuigd dat de wereldwijde economische activiteit moet krimpen in plaats van groeien en dat we welzijn boven winst moeten plaatsen. Zodoende gebruiken we minder grondstoffen en energie. De beweging is dan ook pleitbezorger van ‘consuminderen’; het bewust begrenzen van onze consumptie als samenleving.”  Maar, zo betoogt Van Teutem: “wie er langer over nadenkt, ontdekt dat het in praktijk ingewikkelder is dan de beweging het doet lijken. Minder werken en minder kopen betekent immers ook: minder belastinginkomsten voor de overheid.” Dit gat dichten met hogere belastingen zal lastig worden want: “vind dan maar eens steun voor hogere belastingen: als je al minder betaald krijgt, wil je over dat lagere salaris niet ook nog eens meer belasting betalen.” Minder werken mag dan wel betekenen dat: “jij meer tijd hebt voor vrienden en mantelzorg, maar ook dat de overheid minder geld heeft voor verpleeghuizen, leraren, openbaar vervoer, sociale woningbouw, warmtepompen, zonnepanelen, isolatie, en ga zo maar door. Anders gezegd: luxe kost geld, maar een duurzame verzorgingsstaat ook.”  Stoppen met groeien betekent het opblazen van de economie zo betoogt Van Teutem. Logisch toch?

Of niet? Want betekent consuminderen automatisch dat het bbp slinkt en er minder belastingen binnenkomen? Een voorbeeld. Iemand koopt per jaar 10 T-shirts van per stuk €5 bij de Primark. T-shirts die na 10 keer dragen van ellende uiteen vallen. Dat draagt dan voor €50 bij aan het bruto binnenlands product (bbp). Die persoon besluit het roer om te gooien en te gaan consuminderen. Hij koopt nu per jaar nog maar 2 T-shirts van goede kwaliteit en eerlijk geproduceerd. T-shirts die pas na 100 keer dragen uiteen vallen. T-shirts die € 25 per stuk kosten. De bijdrage aan het bbp is €50. Twee keer dezelfde bijdrage waarover eenzelfde hoeveelheid btw wordt betaald. Twee keer een gelijke bijdrage aan het bbp. Consuminderen hoeft niet automatisch tot krimp te leiden. Is minder inkomen een probleem als je minder spullen koopt? Als je die tv op je slaapkamer niet koopt? Als je niet iedere drie jaar een nieuw mobieltje koopt maar er tien jaar meedoet? Als je niet meedoet aan de laatste mode, maar kleren draagt totdat ze versleten zijn? Zou het dan niet kunnen dat minder inkomen geen probleem is? Minder geld voor collectieve voorzieningen hoeft niet te leiden tot minder diensten. Een heel simpel voorbeeld. Veel van wat nu betaald wordt en dus meetelt voor het bbp, gebeurde vroeger zonder betaling. Mensen pasten zonder betaling op elkaars kinderen en poetsten het huis van de oude buurman. Dat deden ze gewoon zonder betaling en je zag het niet in het bbp terug. Nu gaan de kinderen naar de kinderopvang en komt de thuiszorg bij de buurman poetsen en telt het wel mee. Als er iets de economie heeft ‘opgeblazen’ maar dan als een ballon, dan is het wel het professionaliseren en reguleren van dit soort zaken. In mijn jeugd kon je met 4 jaar naar de kleuterschool. Voor jongere kinderen was er geen kinderopvang. Er waren procentueel gezien en ook feitelijk, veel meer kinderen dan nu. De bijdrage van wat nu de kinderopvang branche is aan het bbp was €0. In 2014 was dat €3,36 miljard, 0,5% het bbp.

Maar gelukkig, en daarmee komen wij bij Van Teutems pleidooi voor ‘ontkoppelen’: “we kunnen al die angstaanjagende crises doorstaan zonder degrowth en consuminderen. Er is een toekomst mogelijk waarin twee miljard mensen van de armoede worden bevrijd, zonder dat de aarde naar de knoppen gaat. En waarin Nederlandse peuters een beter leven hebben dan jij en ik nu – net als kleuters in Burundi,” aldus van Teutem. Die oplossing: “wordt door economen in jargon decoupling genoemd. Economische groei en CO2-uitstoot hoeven niet hand in hand te gaan; er zijn landen die steeds méér produceren, maar steeds mínder uitstoten.” Zonnepanelen, windmolens, waterkracht, Nederland is er al ver mee en: “Nu is het niet het moment om onszelf af te remmen en het draagvlak voor ambitieus klimaatbeleid te slopen, maar om als de wiedeweerga ontwikkelingslanden te helpen om dezelfde transformatie te ondergaan.” Een goed idee om landen met minder middelen te helpen met minder vervuilende manieren van energieopwekking dan het verbranden van kolen, olie en gas. Er is echter één probleem daarover straks meer. Eerst terug naar Keynes en zijn kleinkinderen.

Kleinkinderen die inmiddels waarschijnlijk ook zelf al kleinkinderen hebben. Die kleinkinderen zouden door de voortschrijdende technologische ontwikkelingen nog maar 15 uur hoeven werken voor een vier tot acht keer hoger welvaartsniveau. Volgens Keynes is het: “waar dat de behoeften van mensen onverzadigbaar lijken. Maar ze vallen uiteen in twee klassen — die behoeften die absoluut zijn in de zin dat we ze voelen ongeacht de situatie van onze medemensen, en die welke relatief zijn in de zin dat we ze alleen voelen als hun bevrediging ons verheft boven, ons superieur doet voelen aan, onze medemensen. Behoeften van de tweede klasse, die het verlangen naar superioriteit bevredigen, kunnen inderdaad onverzadigbaar zijn; want hoe hoger het algemene niveau, hoe hoger ze nog zijn.” Volgens Keynes kan er: “een punt worden bereikt, misschien wel veel eerder dan we ons allemaal bewust zijn, waarop deze behoeften zijn bevredigd in de zin dat we er de voorkeur aan geven onze verdere energie te besteden aan niet-economische doeleinden.” Keynes baseerde dit op het verleden van de mensheid: “als we, in plaats van in de toekomst te kijken, in het verleden kijken – we ontdekken dat het economische probleem, de strijd om het bestaan, tot nu toe altijd het primaire, meest dringende probleem van het menselijke ras is geweest – niet alleen van het menselijke ras, maar van het hele biologische koninkrijk vanaf het begin van het leven in zijn meest primitieve vormen. [1]” En met dat probleem uit de weg, zou de mens wel eens andere keuzes kunnen maken. Dat is niet uitgekomen zoals we kunnen constateren. Wel die toename van het welvaartsniveau, niet die 15 uur.

Waar Keynes zich op verkeek en ook van Teutem zich op verkijkt, daarom moest ik aan Keynes denken, is de aard van de moderne mens. Die moderne mens, die volgens Keynes wel eens andere keuzes zou maken, heeft inderdaad andere keuzes gemaakt dan Keynes hoopte. Bij die keuzes speelt de technologische ontwikkeling een belangrijker rol. De moderne mens koos er namelijk voor om de tijd die vrijkwam door productiestijging als gevolg van technologische ontwikkeling te gebruiken voor meer productie en meer producten. Een weefgetouw dat een trui in de helft van de tijd gereed krijgt, maakt dat er twee keer zoveel truien worden gemaakt en ook gekocht. De benenwagen en het paard werden ingeruild voor een trein, auto en vliegtuig met als gevolg dat we meer en verder reizen dan ooit te voren. Elektrische apparaten worden steeds energiezuiniger toch stijgt het energiegebruik omdat we steeds meer elektrische apparaten gebruiken. Harde schijven worden steeds groter, de programma’s die we erop laten draaien ook. Die moderne mens gaat ver op vakantie en om daar echt vakantie te vieren moeten anderen zorgen voor het natje,  droogje en vermaak. Die moderne mens ging zelfs zover dat het opvoeden van kinderen voor een deel wordt uitbesteed aan  anderen: de kinderopvang. Dat de buurman helpen, werk is geworden.

Daarmee kom ik bij het ‘ontkoppelingsprobleem’ van Van Teutem. Zijn er genoeg grondstoffen om wereldwijd mensen een auto, laat staan elektrisch, te laten rijden, en een dito fiets, step enzovoorts? Met bijna 18 miljoen Nederlanders, hebben we iets meer dan 9 miljoen auto’s, dat is per twee inwoners één auto. In de VS hebben ze nog meer auto per persoon. De wereld kent nu 8,1 miljard inwoners (tenminste op het moment dat ik dit schreef en de link opnam). Per twee personen één auto betekent ruim 4 miljard auto’s. Volgens TopGear reden er in 2020 1,4 miljard auto’s op onze planeet. We zijn inmiddels vier jaar verder en laat het er nu 1,5 miljard zijn. Dat is één auto op 5,5 mens. Of er voldoende grondstoffen zijn om de wereld naar de Nederlandse verhouding, laat staan die in de Verenigde Staten, te laten groeien, waag ik zeer te betwijfelen. En met die auto alleen ben je er niet. Meer auto’s betekent ook meer asfalt. En dan hebben we het alleen nog maar over auto’s en niet over kleren, elektronica en al die andere spullen en al helemaal niet over de nieuwe ‘gadgets’ die nu nog niet uitgevonden zijn maar die straks weer iedereen moet hebben. Want dat gaat gebeuren als de moderne mens zijn gedrag niet verandert.

De mens was niet altijd modern en gericht op bezit en meer, meer, meer. Sterker nog. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis was bezit vooral ballast voor de Homo Sapiens. Voor een  nomadische jager-verzamelaar en zo hebben onze voorouders zeer lang geleefd, was bezit hinderlijk. Bezit moest worden meegesleept van de ene naar de andere plek. Als je moet ‘slepen’, dan ‘sleep je alleen dat mee, wat je echt nodig hebt. Een kast met schoenen voor alle gelegenheden, sterker nog, meer schoeisel dan hetgeen je aan je voet draagt, heb je dan niet nodig. Zeker niet als de materialen om nieuwe te maken als de oude versleten zijn, op iedere plek voorhanden zijn. Pas toen de mens een sedentair werd, ging hij meer spullen verzamelen. En voor spullen geldt hoe meer ruimte hoe meer spullen, weet iedereen die een kelder of zolder heeft want daar verzamelen zich de zaken die niet echt nodig zijn. Of beter, die echt niet nodig zijn. Zaken die niet echt nodig zijn liggen met hun broertjes of zusjes in een kast, de ‘keukenlijken’. En echt spullen verzamelen en de ‘inloopkast’ vullen, ging de mens pas doen toen de behoefte van de eerste klasse, zoals Keynes ze noemde, gegarandeerd waren. De ene mens, die van adel en later de gegoede burgerij begon daar al vroeg mee en zette de trend. Voor anderen, zoals het gros van onze Nederlandse grootouders, brak dat moment in de loop van de vorige eeuw aan en voor een flink deel van de mensheid moet dat moment nog aanbreken. Ik schrijf hier bewust ’zette de trend’ want mensen spiegelen zich aan elkaar en dan vooral aan degenen die boven hen lijken te staan.

Technologie mag dan wellicht op termijn de CO2 uitstoot tot een minimum beperken maar daarmee is het probleem van een ‘te grote voetstap’ niet opgelost. Daarvoor is meer nodig dan technologie. Daarvoor is toch echt een gedragsverandering nodig. “Uiteindelijk gaat het niet om intenties, maar om politiek: mensen stemmen niet massaal voor het collectief en tegen hun persoonlijke belang. En zelfs als ze dat zouden doen, verzwakken we met een kleinere economie juist het instituut dat we zo hard nodig hebben om problemen het hoofd te bieden: de overheid. En houden we arme landen arm,” zo schrijft Van Teutem. Dat mensen niet massaal tegen hun eigenbelang stemmen, vraag ik me af. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het eigen belang van het gros van de mensen die op de PVV hebben gestemd anders is dan ‘uit de EU’. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat het eigen belang van het gros van de mensen die op BBB stemden anders is dan, om het cru te formuleren, meer ‘stront op het land’. Degrowth hoeft niet te leiden tot een zwakkere overheid. Zonder gedragsverandering gaat technologie ons niet redden. Van Teutems techno-optimisme is misplaatst.


[1] John Maynard Keynes, Economic possibilities for our Grandchildren, pagina 4

Antisemitisme

“Ik heb van voorstanders namelijk begrepen dat ze oproepen tot een eenstaatoplossing,” aldus historicus Remco Ensiel in een interview in de Volkskrant over de leus ‘from the river to the sea, Palestine will bee free. Een interview met als onderwerp antisemitisme. En: “(d)it raakt aan het zelfbeschikkingsrecht en leg ik in de huidige context uit als antisemitisch.” Ensiel is, zo las ik: “verbonden aan het Niod en de Radboud Universiteit Nijmegen, is de auteur van Haatspraak, een analyse van anti-Joodse uitspraken over Israël en de Holocaust sinds de Tweede Wereldoorlog.” Dat lijkt duidelijk maar bij nadere beschouwing is het veel minder duidelijk dan het lijkt.

Vooraf eerst wat definities. Want zonder duidelijkheid over de betekenis van cruciale woorden is een goed gesprek niet mogelijk. In dit geval zijn dat zelfbeschikkingsrecht en antisemitisme. Als eerste zelfbeschikkingsrecht, het: “recht van de bevolking van een streek zelf te beslissen tot welke staat haar gebied zal behoren,” aldus de Van Dale. Het zelfbeschikkingsrecht van volkeren is als een vrij recente ‘uitvinding’. Het grootste deel van de geschiedenis hadden volkeren niets te vertellen. Volkeren woonden in gebieden en die waren van een vorst. Zo was keizer Karel V heerser over ongeveer de halve wereld. Het zelfbeschikkingsrecht van volkeren is een resultaat van de strijd van het beter gesitueerde deel van het volk tegen de almacht van die vorst. Een strijd die vooral in Engeland werd gevoerd en dan vooral in haar relatie met de Noord-Amerikaanse koloniën. Zelfbeschikking van een volk is eenvoudig als iedereen in een gebied zich tot eenzelfde volk voelt behoren. Het wordt problematisch als mensen in een gebied zich tot meerdere volkeren voelen behoren. De Balkan is daar een goed voorbeeld van. Dan het cruciale begrip  antisemitisme, dat is, volgens dezelfde Van Dale: anti-Joodse gezindheid; = Jodenhaat”.

Bijzonder is de relatie die Ensiel legt tussen zelfbeschikking en antisemitisme. Als het ontkennen of ontzeggen van het recht op zelfbeschikking van een volk antisemitisch is, dan maakt Poetin zich schuldig aan antisemitisme. Hij gaat immers nog een stap verder en ontkent dat er een Oekraïens volk is. Dat er in het geval van het Joodse volk wel van antisemitisme wordt gesproken is een gevolg van de definitie van antisemitisme die het International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) gebruikt: “Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.”  En met deze definitie wordt het bijzonder. De staat Israël definieert zich, sinds een wijziging van haar Basiswet in 2018 expliciet als de natiestaat van het Joodse volk. Volgens de definitie van het IHRA is kritiek op Israël daarmee al vrij snel antisemitisch. Ook Ensiel ziet het problematische: “De IHRA draagt veel voorbeelden van antisemitisme aan. Problematisch vind ik dat veel daarvan over Israël gaan. Dat wekt de indruk dat kritiek op de staat Israël gelijk wordt gesteld aan antisemitisme. Het legitieme recht op zelfbeschikking van Israël is geen vrijbrief voor ontrechting en staatsgeweld.”

Maar niet alleen acties gericht tegen de staat Israël. Iedere actie tegen een iemand van het Joodse volk, wordt al heel snel antisemitisme. Volgens de IHRA is er sprake van een antisemitische misdaad als: “het doelwit van de aanvallen, of het nu om mensen of eigendommen zoals gebouwen, scholen, plaatsen voor het vieren van de eredienst en begraafplaatsen gaat, worden geselecteerd omdat zij Joods zijn of verband houden met Joden,” tot zover past dit nog helemaal in de definitie van de Van Dale en is er sprake van antisemitisme. De passage gaat echter nog verder:“of als zodanig worden gepercipieerd,”  en daarmee wordt het dubieus. Neem het recente voorval rond Lenny Kuhr. Kuhr is Joods. De demonstranten richtten zich echter tegen Kuhr vanwege haar mening. Een mening die zij in het openbaar uitte en waarmee zij duidelijk stelling nam. Als je je mening uit, dan kun je erop rekenen dat mensen die het anders zien op je reageren. De Ballonnendoorpikker reageert dan door er een prikker over te schrijven. Anderen doen dit op een minder fraaie manier en verstoren een optreden van de zangeres. Is dit antisemitisme? De Tweede Kamer lijkt te denken van wel en gaf daarop een verklaring uit. Maar als terugpraten tegen Kuhr en laten blijken dat je het niet met haar eens bent antisemitisme is omdat de persoon in kwestie het zo waarneemt, zijn mensen van Joodse komaf dan niet verheven boven elke vorm van kritiek? Die kritiek kan immers als antisemitisme worden waargenomen. Als ik de Joods was, dan zou ik me niet prettig voelen met zo’n status aparte.

Ik zal Joden nooit verantwoordelijk houden voor de daden van de staat Israël, ook een van de voorbeelden van antisemitisme die de IHRA noemt. Die staat Israël maakt zich echter wel schuldig aan iets soortgelijks. Zij stelt de Gazanen verantwoordelijk voor de daden van Hamas: “Geen stroom, geen voedsel, geen water, geen brandstof, allemaal niet,[1]” aldus de Israëlische minister van defensie Gallant na de aanval van 7 oktober. Een weinig galante manier van collectief straffen die nog werd en wordt aangevuld met een bommenregen en daardoor een massale vernietiging van woningen, scholen, ziekenhuizen, infrastructuur en mensenlevens. Gallant beschuldigt de Palestijnen  als volk ervan verantwoordelijk te zijn voor reële of ingebeelde vergrijpen die zijn gepleegd door één enkel Palestijns individu of één enkele Palestijnse groep. Als je in deze zin Palestijn vervangt door Jood, dan maak je je terecht volgens de definitie van de IHRA schuldig aan antisemitisme, een misdaad. Als het de ene kant op een misdaad is, plegen Gallant en de Israëlische regering dan niet ook misdaden? Om tegen dergelijke misdaden op te treden, is een woord als ‘antipalestinisme’ niet nodig. Daar hebben we woorden voor als discriminatie of racisme. Het probleem met de definitie van de IHRA is dat ze lijkt te doen wat ze wil bestrijden en dat is het joodse volk onderscheiden van andere volkeren.

Terug naar het zelfbeschikkingsrecht. Een van de voorbeelden antisemitisme betreft kritiek op de zelfbeschikking van het Joodse volk.: “Het Joodse volk het recht op zelfbeschikking ontzeggen.” Pleiten voor een eenstaatoplossing is dan antisemitisme omdat je het Joodse volk haar recht op zelfbeschikking ontzegt. Bijzonder cru hierbij is dat de staat Israël, de staat die zichzelf ziet als natiestaat van het Joodse volk, een ander volk, de Palestijnen, het zelfbeschikkingsrecht ontzegt en onthoudt. Zoals ik al eerder schreef zal er nooit een einde komen aan de ‘honderdjarige oorlog tegen de Palestijnen, om de titel van het boek van Rashid Khalidi aan te halen, zolang: “Israël het eigenlijke probleem negeert, en dat is dat er in wat voor 1948 het mandaatgebied Palestina was, ongeveer 14,3 miljoen mensen wonen. De helft van die inwoners identificeert zich als joods en behorend tot het joodse volk, de andere helft als Palestijns en behorend tot het Palestijnse volk.”  Een Palestijns volk waaraan Israël zich niets gelegen liet en laat liggen. Dat pleiten voor gelijke rechten en plichten van de twee volkeren in één staat als  antisemitisme en dus een misdaad wordt gezien, is wel heel bijzonder. Dit doel is namelijk te bereiken zonder dat er iemand iets wordt afgenomen of iemand tekort wordt gedaan. Als daarvoor pleiten een misdaad is, dan mogen ze me nu arresteren want ik denk dat dit de enige oplossing is voor de honderdjarige oorlog tegen het Palestijnse volk. Net zoals de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de eerste voorloper van de huidige EU, waarmee de deelnemers een deel van hun zelfbeschikkingsrecht opgaven, de enige oplossing was voor de ongeveer 150 jaar durende oorlog tussen de Duitsland en Frankrijk.


[1] https://nos.nl/nieuwsuur/collectie/13959/video/2515805-zes-maanden-bombardementen-dit-is-er-nog-over-van-gaza, vanaf seconde 23

Precies

In zijn wekelijkse Week van de hoofdredacteur geeft Pieter Klok, de hoofdredacteur van de Volkskrant, antwoorden op vragen van lezers. Vragen zoals: “Waarom spreken jullie van een ‘rechts’ en niet van een ‘uiterst rechts’ kabinet.” Klok geeft aan dat de Volkskrant vooral precies probeert te zijn, maar dat het grote probleem is dat er nog veel onduidelijk is. Kloks schrijven laat vooral zien hoe normaal het tot voor kort abnormale al wordt gevonden. Zelfs bij een medium als de Volkskrant.

“Als je de partijen op een links-rechtsschaal plaatst, dan is de VVD rechts, de PVV radicaal-rechts en komt de derde grootste partij, NSC, ongeveer in het midden uit. Het gemiddelde van die drie partijen is rechts, is tot nu toe de redenering. Een kabinet met alleen NSC en VVD zouden we als centrum-rechts omschrijven.” En omdat: “er vooral nog veel onduidelijk is. Er is nog geen begin van een inhoudelijk ‘program’.” Is de omschrijving ‘rechts’ op dit moment het meest passend. Maar dat zou anders, uiterst rechts worden: “als de PVV weinig concessies hoeft te doen en bijna onverkort haar eigen verkiezingsprogramma kan doordrukken. Daarvan is vooralsnog geen sprake.”

Vervolgens legt Klok uit waarom de links-rechtsschaal niet meer zo bruikbaar is: “De PVV is radicaal-rechts op het terrein van migratie en cultuur, maar links als het gaat om sociaal-economische kwesties zoals de AOW en het eigen risico in de zorg. De NSC is links als het gaat om het beschermen van het bestaansminimum, maar heeft een rechts migratiestandpunt. BBB heeft een geheel eigen mix van linkse en rechtse standpunten.” Bruikbaarder is, aldus Klok: “Een onderscheid tussen progressief en conservatief, nationalistisch en globalistisch of tussen bestuurlijk en populistisch.” Met dit als referentiekader: “ conservatief-nationalistisch-populistisch in ieder geval een adequate beschrijving.” Een betoog dat goed is te volgen. Nationalistisch-populistisch dus.

Maar waar wordt dan het abnormale normaal? Klok: “Wel hebben de deelnemers vastgelegd dat ze zich houden aan de principes en regels van de rechtsstaat en de democratie. Extreem-rechts’ is dus sowieso geen goede omschrijving, want die bewaren we voor partijen die de democratie en rechtsstaat willen slopen.” Nu bevat het programma van één van die partijen, de PVV, vele plannen die de bijl zetten aan de wortel van onze rechtsstaat en democratie. Volgens Kloks eigen woorden is die partij daarmee extreem rechts en niet radicaal rechts. Het extreme wordt hier al wat genormaliseerd. Maar niet alleen de PVV. Als je de VVD, NSC en BBB  hoort spreken over hoe zij het recht op het vrij uiten van een mening middels een demonstratie willen beperken, dan baart dat zorgen. Dan kun je vraagtekens zetten bij dat ‘houden aan de principes en regels van de rechtsstaat en de democratie’.

Daarmee kom ik bij het abnormale dat steeds normaler wordt gevonden. Daarmee kom ik bij het abnormale dat steeds normaler wordt gevonden. Het wordt blijkbaar al zo ‘normaal’ gevonden dat door ons verkozen volksvertegenwoordigers ‘afspreken’ dat ze zich aan de basisregels van de rechtsstaat en de democratie houden, dat de hoofdredacteur van een van onze toonaangevende kranten het achteloos opschrijft. Laat ik voorop stellen, het is normaal dat partijen zich eraan houden. Het is NIET normaal dat partijen die een regering willen vormen, hierover in gesprek gaan. Het is NIET normaal dat een ‘kabinetsverkenner’, in dit geval Plassterk, adviseert: “Te onderzoeken of er overeenstemming is of kan worden bereikt tussen de partijen PVV, VVD, NSC en BBB over een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.” Dit adviseren is een hellend vlak. Hierover in een formatie in gesprek gaan, is een hellend, zoals ik al eerder schreef. Het lijkt erop dat inmiddels al niet meer door hebben dat dit een hellend vlak is. Dat ze niet meer in de gaten hebben dat ze van het vlak aan het vallen zijn. Het abnormale is al zo normaal geworden dat de hoofdredacteur van de Volkskrant bijna juichend constateert dat: “de deelnemers vastgelegd (hebben) dat ze zich houden aan de principes en regels van de rechtsstaat en de democratie.” Om precies te zijn.

Niet standpunten maar identiteit

“De kiezers van de PVV stemmen op de PVV vanwege de standpunten. Dat moet je er altijd even bij zeggen, omdat het een tijdje in de mode is geweest om ze andere motieven toe te kennen.” Aldus Sheila Sitalsing in een column in de Volkskrant. In die column verbaast ze zich over Wilders’. Terwijl er nog niet eens is onderhandeld: “heeft Wilders nu al driekwart van zijn verkiezingsprogramma publiekelijk uit het raam moeten gooien. Er is elke week wel een draai, zo veel inmiddels dat hij er duizelig van moet zijn.”  maar om dat gedraai gaat het mij niet. Het gaat mij om de uitspraak dat mensen op de PVV stemmen vanwege de standpunten van die partij. Zou het werkelijk?

Stemmen mensen op een partij vanwege de standpunten van die partij? Ja, is het populaire antwoord. Bij verkiezingen bestudeer je de programma’s van de partijen, je wikt en weegt en bepaalt vervolgens welke partij het beste aansluit bij jou standpunten en dat is de partij waar je op stemt. Maar gaat het werkelijk zo? Het Nederland van de twintigste eeuw werd gekenmerkt door het begrip verzuiling. Het was de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. 

Eigen foto

Nederland kende drie grote zuilen: “De drie zuilen kwamen voort uit de geestelijke stromingen van het Rooms-Katholicisme, het Humanisme en de Hervorming.[1]” Binnen deze zuilen liepen sociaaleconomische scheidslijnen. Cru gezegd kende Nederland drie parallelle samenlevingen die weinig met elkaar hadden. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

Volgens Lijphart, en de geschiedenis geeft hem daarin gelijk, was “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk, maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[2]” Die saamhorigheid zag er als volgt uit: “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond. … De pacificatie-politiek heeft veel weg van politiek op internationaal niveau. In beide gevallen is de consensus gering en moeten alle strijdvragen door ‘nationale’ (of zuilen-) leiders worden onderhandeld. [3]”  Een katholieke arbeider mocht dan wellicht overeenkomstige belangen hebben met een uit de algemene zuil. Die laatste behoorde dan bij het socialistische deel van de algemeen zuil, ze trokken niet samen op tegen de werkgever.

Voor de overgrote meerderheid van de kiezers, bestond kiezen uit het kleuren van het vakje van de partij van jouw zuil. Een katholiek stemde voor 1940 op de RKSP en na 1945 op de opvolger, de KVP en niet op een partij die voor de arbeiders opkwam.  Een protestantse ondernemer stemde op de CHU of de ARP en niet op een partij die voor ondernemers opkwam. Om het met een huidig begrip te beschrijven, het gros van de kiezers stemde op het belangrijkste kenmerk van hun identiteit en dat was hun religie. In de jaren zestig van de vorige eeuw, begon dit te veranderen. Voor steeds meer mensen werd het geloof een steeds minder belangrijk iets en de kerkgang liep terug. Mensen zochten naar een andere manier dan religie om zichzelf te omschrijven. Met name de op religie gebaseerde zuilen ondervonden hiervan de gevolgen. Tot de Kamerverkiezingen van  1963 haalden de drie grote op religie gebaseerde partijen, de KVP, ARP en de CHU steevast de helft van de zetels. In 1976 waren deze partijen gefuseerd in het CDA en behaalden nog maar een derde van de zetels en vanaf de jaren negentig werden dat er steeds minder.

Ik heb het niet onderzocht maar ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik schrijf dat die neergang geen gevolg is van kiezers die de partij verlieten vanwege de standpunten. De neergang is, naar mijn inschatting, veeleer een gevolg van uitsterven van hun traditionele kiezer. De ouderen die nog met de verzuiling waren opgevoed en trouw op de partij van hun zuil stemden, stierven successievelijk. Van een soortgelijke ontwikkeling is ook de PvdA het slachtoffer geworden. Een niet op religie gebaseerde partij die opkomt voor de arbeiders, zou wel moeten varen bij die ontkerkelijking en ontzuiling. Dat zou inderdaad zijn gebeurd als er voor de rest niets was veranderd. Vanaf het midden van de twintigste eeuw, begon het percentage mensen dat werkzaam was in de industrie te dalen van 42% van de bevolking naar onder de 20%. Het aantal mensen met ‘Arbeider’ als belangrijkste kenmerk van hun identiteit nam af.

‘Protestant’ of ‘arbeider’ voldoen tegenwoordig niet meer als beschrijving van je persoonlijkheid. ‘We’ moeten dus op zoek naar een andere manier om onszelf te beschrijven. Een andere manier om onze identiteit te bepalen. De Vandale geeft twee betekenissen voor identiteit: ‘gelijkheid: je identiteit bewijzen’. Bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, ‘figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Identiteit zegt iets over jou maar ook over de anderen. Of zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[4]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Dat verhouden tot de buitenwereld betekent bepalen bij welke groep je hoort en bij welke groep je niet hoort.

Hoe sturend de groep is waar je jezelf bij vindt horen, maakt Lilliana Mason duidelijk in haar boek Uncivil  Agreement. How politics became our identety. Mason levert, zoals ze schrijft, voor de Verenigde Staten: “het bewijs geleverd van de huidige staat van sociale polarisatie, waarin onze politieke identiteiten rondjes draaien om onze beleidsvoorkeuren in het aansturen van onze politieke gedachten, emoties en acties[5]” alhoewel haar boek de huidige staat van de politiek in Amerikaanse samenleving probeert te verklaren, kan het ook een licht schijnen op Nederland.

Mason geeft een verklaring voor de ontstane bijna onbestuurbaarheid van de Verenigde Staten. “Hoewel het de aard van mensen is om zichzelf in te delen in op zichzelf staande groepen en de aard van die groepen is om verdeeldheid en conflicten te veroorzaken, worden maatschappijen gekenmerkt door het grote aantal verschillende groepsindelingen. Hoe meer verdeeldheid, hoe vrediger en coöperatiever een samenleving kan zijn.[6]” Door die verschillende groepen was er altijd wel een productieve meerderheid te vinden bestaande uit politici uit beide grote partijen. Wat zij in de Verenigde  Staten constateert is dat die verschillende groepen de afgelopen jaren steeds mee ‘in lijn’ zijn gevallen met partijlijnen en er in toenemende mate maar een groepsverdeling ontstaat: Republikeins versus Democratisch. Gevolg hiervan is dat productieve meerderheden op inhoud wellicht nog wel mogelijk zijn maar er niet gaan komen omdat de partij die aan de macht is wint en de andere verliest. Dat is precies wat we de afgelopen maanden zagen rond migratie. Inhoudelijk was er een akkoord, maar het kwam er niet omdat Biden dan zou winnen en die winst zou de Republikeinse ster (van in dit geval Trump) verbleken.

Het antwoord op een identiteitsvraag wordt door de groep gegeven. “Jij bent een trotse Duitser.”  Dat antwoord kreeg ‘Hans’, de fictieve persoon in Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek in de negentiende eeuw als antwoord op de vraag ‘wie ben ik’. En dat werd nader ingevuld met: “ erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[7]”  Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Door het wegvallen van ‘protestant’ of ‘arbeider’ moesten mensen op zoek naar een nieuwe beschrijving van hun identiteit. Daarbij zijn er twee mogelijkheden. Kwame Anthony Appiah beschrijft ze in een interview met de Volkskrant . De eerste is een lichte identiteit: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.”  De andere is een zware, uitsluitende vorm van identiteit: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” 

De oude ‘verzuilde’ identiteiten waren zwaar en uitsluitend. De periode sinds het wegvallen ervan kenmerkte zich door, om  Mason te aan te halen: “grote aantal verschillende groepsindelingen.”  Maar net als in de Verenigde Staten, lijken in Nederland die verschillende groepsindelingen in toenemende mate in lijn te vallen met politieke hoofdstromingen. Ik zeg bewust hoofdstromingen en niet partijen want in tegenstelling tot in de Verenigde Staten met twee partijen, kent Nederland een keur aan partijen. Die hoofdstromingen zijn aan de ene kant nationalistisch en conservatief en aan de andere kant internationalistisch, individualistisch en progressief.

Polarisering die, naar mijn mening, een gevolg is van aan de ene kant het ‘Nederlandse identiteitsnationalisme’ en aan de andere kant het intersectionele denken over identiteit. Beide manieren van denken zorgen ervoor dat identiteit zwaar en uitsluitend wordt. Voor identiteitsnationalisten tellen alleen de ‘echte Nederlanders’ en tot die groep behoor je alleen als je het met hen eens bent. Voor intersectionele identiteitsdenkers tel je alleen als je ‘geen privilege’ hebt. Beide manieren van denken trekken als waren het magneten aan die  verschillende groepsindelingen. En daarbij harmoniseren de standpunten van mensen naar de extremen toe en zorgen ervoor dat de twee hoofdstromingen steeds verder polariseren. De eigen opvattingen worden aangepast aan de groep waartoe ze behoren.

Het grote risico van deze ontwikkeling is in de Verenigde Staten al naar voren gekomen en dat is dat de groepen steeds vijandiger tegenover elkaar staan en het algemene belang ondergeschikt raakt aan de ‘winst’ van de eigen partij. Neem voorbeeld van het migratieakkoord dat er niet kwam dat ik hierboven al noemende, maar ook: “een wet om de prijzen van medicijnen te limiteren, een verkiezingsbelofte van Donald Trump in 2016,” Dat door de regering Biden ingediende voorstel: “kreeg van de Republikeinen geen enkele steun,” zoals de Volkskrant in haar Commentaar schrijft. In Nederland zien we ook al ontwikkelingen in die richting. Een voorbeeld hiervan is het op voorhand al niet in zee willen gaan van bijvoorbeeld de VVD en NSC met de combinatie GroenLinks/PvdA en de verkettering Frans Timmermans de leider van die combinatie.

Tijd om ‘identiteit’ minder belangrijk te maken. Tijd om de nationale identiteit inclusief te maken op de lichte ‘Appiah’ manier en dus: “je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” In plaats van je vast te bijten:  “in dat verhaal,” waarbij je er pas bij hoort als je: “duizend jaar in Nederland woont.” Maar ook tijd om te stoppen met je identiteit beschrijven als een verzameling ‘kruispunten’ van onveranderlijke kenmerken van iemand, zoals man, zwart, hetero, cis enzovoorts met de bijbehorende machtsstructuren maar de persoon als geheel te zien.

Het waren, naar mijn mening, niet de standpunten van Wilders die kiezers op hem deden stemmen, maar de groep waartoe ze naar eigen gevoel behoorden. De groep die hen een half jaar eerder op de BBB deed stemmen, in 2019 op de FvD van Baudet en in 2021 op de VVD. Die laatste partij loopt een groot risico op een splitsing tussen de twee vleugels die de partij van oudsher in zich combineert namelijk de conservatieve en de liberale. Die laatste is van oudsher internationalistisch en gericht op individuele ontplooiing en dat staat haaks op de kant die de partij op is gegaan. Dat het niet om de standpunten ging lijkt te worden bevestigd door peilingen die laten zien dat hij nog meer zetels zou krijgen ondanks het ‘in de koelkast’ zetten van driekwart van zijn programma.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek,, pagina 29

[2] Idem, pagina 99

[3] Idem, pagina 99

[4] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[5] Lilliana Mason, Uncivil agreement. How politics became our identity,  pagina 16 (eigen vertaling)

[6] Idem 24 (eigen vertaling)

[7] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 91

‘Pleisters plakken op een botbreuk’

Op 1 februari 2024 trad de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen in werking. De wat? Denk je wellicht. De wet wordt ook wel de Speidingswet genoemd. Een wet met als doel om te voorkomen dat het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel te vol raakt. Om dat te voorkomen worden gemeenten verplicht om asielzoekers op te vangen. Een bijzondere wet voor een bijzonder probleem.

Bron: Flickr

Eerst de wet. De wet bepaalt dat de minister iedere twee jaar aangeeft hoeveel plekken voor asielopvang er moeten zijn en hoeveel plekken iedere provincie en  gemeente moet realiseren. De verdeling per gemeente is grof naar rato van het aantal inwoners. Grofweg omdat er ook rekening wordt gehouden met de sociaal economische status van de inwoners van een gemeente. In het kort betekent dit dat gemeente A met 100.000 inwoners die gemiddeld een hoger inkomen hebben dan gemeente B met 100.000 inwoners, meer asielzoekers moet opvangen. De gemeente heeft vervolgens ongeveer anderhalf jaar om die plekken te realiseren. Gemeenten moeten hun oplossing aan de commissaris van koning aanbieden en die biedt het totale provinciale pakket aan de minister aan. Voldoet het aan de wensen van de minister dan wordt het vastgesteld. Voldoet het niet omdat er te weinig plaatsen worden gerealiseerd, dan kan de minister gemeenten het aantal te realiseren plaatsen opleggen. Een bijzondere procedure omdat er drie overheden bij zijn betrokkenen. Dat lijkt mij in ieder geval één overheid teveel. Tot zover de wet. Over naar het probleem.

Ja, wat is het probleem? Is dat werkelijk dat er in ‘Ter Apel’ mensen op het gras moesten slapen? Ja, dat is een probleem en vooral een schande dat mensen die bescherming aan ons vragen, geen fatsoenlijk dak boven hun hoofd kunnen aanbieden. Een schande omdat afgelopen jaar gemiddeld 1.000 mensen per week zich melden om asiel aan te vragen. Op jaar basis meldden zich in 2023 ongeveer 48.500 mensen voor een asielaanvraag. Van dat aantal zijn er 10.000 een ‘nareisaanvraag’. Met een nareisaanvraag kan een asielzoeker en machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden aanvragen (echtgenoot, partner, kind,  pleegkind of ouders als de aanvragen op het moment van zijn aanvraag jonger was dan 18 jaar. Als alles goed gaat, dan hoeven die nareizigers geen gebruik te maken van een opvangplek. Zij kunnen immers bij degene gaan wonen die hen heeft laten nareizen. Volgens de wet moet een asielaanvraag binnen een half jaar tot een besluit leiden. Dat besluit kan zijn: een asielstatus of geen status en het land verlaten. Hoe sneller je weet of je kunt blijven, hoe eerder je je leven weer kan oppakken. De Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) die de aanvraag behandelt, kan de beslistermijn verlengen met maximaal 9 maanden. Dat kan als de aanvraag complex is.

Met een beslistermijn van een halfjaar moeten er, om de 40.000 ‘eerste aanvragers’ op te vangen, 20.000 opvangplekken zijn. Maar dan moet alles perfect lopen en moeten er geen complexe aanvragen zijn. Omdat niet alles perfect loopt en er ook complexe gevallen zijn, moeten er meer opvangplekken zijn. Met 30.000 zou je het dan wel moeten redden. Reguliere COA-locaties op dit moment plek voor 33.415 opvangplekken[1]. Dus er zouden voldoende plekken moeten zijn. Waar gaat het fout? Waarom zitten er nog bijna 34.000 mensen in een nood- of andere vorm van opvang? En waarom krijgen gemeenten nu de opdracht om medio 2025 96.000 opvangplekken te realiseren? Dat zijn er 50.000 meer dan dat in 2023 mensen asiel aanvroegen. Waarom moeten er ruim drie keer zoveel opvangplekken worden ingericht dan nodig zijn als alles redelijk goed loopt.

Met dat ‘als alles goed gaat’ komen we bij de centrale vraag? Gaat alles goed? Dat er mensen op het gras moesten slapen in Ter Apel, maakt duidelijk dat niet alles goed gaat en dat er dus actie nodig is. Die actie is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen geworden. Omdat gemeenten onvoldoende locaties aanboden om asielzoekers op te vangen, is er nu een wet gekomen die hen verplicht om voldoende plekken aan te bieden. Een passende oplossing voor het probleem? Het korte antwoord op deze vraag is NEE.  Het antwoord is NEE omdat het verkeerde probleem wordt aangepakt. Dat er mensen buiten sliepen in  Ter Apel was een probleem maar is niet hét probleem. Het is een gevolg van het eigenlijke probleem. Of beter gezegd, de eigenlijke problemen want er zijn er meer.

Zoals al aangegeven kan de beslistermijn met negen maanden worden verlengd als het een complexe aanvraag betreft. De termijn kan echter ook worden verlengd als er plotseling zeer veel mensen asiel aanvragen. In september 2022 heeft de regering besloten om de termijn standaard met die 9 maanden te verlengen. Dit vanwege een verhoogde instroom en personeelstekort bij de IND. Het aantal in 2023 is vergelijkbaar met 2022 en ongeveer 10.000 meer dan het gemiddelde over de afgelopen tien jaar. Personeelstekort dat ertoe leidde dat de termijn van een halfjaar zeer vaak overschreden werd en dat leidde er weer toe dat er dwangsommen voor te laat besluiten moesten worden uitbetaald. En daarmee komen we bij het eerste probleem: personeelstekort bij de IND. Gevolg hiervan is wel dat het leven van een asielzoeker in ieder geval een jaar en drie maanden op pauze staat.

Dat probleem is niet nieuw. Al in februari 2020 constateerde onderzoekers dat het grootste probleem van de IND een tekort aan besliscapaciteit is. En nu, vier jaar verder, is er nog steeds een tekort aan besliscapaciteit. Zorgen voor meer besliscapaciteit, zou je dus zeggen. Volgens de IND, in een schrijven van maart 2023, gaat dat niet helpen: “Meer medewerkers werven is zowel op korte als lange termijn geen oplossing. De IND zet in op werving van mensen die het hoor- en beslisproces kunnen ondersteunen. Maar om dat werk zelfstandig en zorgvuldig te kunnen doen is een intern opleidingstraject van negen maanden tot een jaar noodzakelijk. De capaciteit die de IND op dit moment inzet op werving en selectie, begeleiding van nieuwe collega’s en opleiding is groot en zorgt ervoor dat ervaren medewerkers niet ingezet kunnen worden voor horen en beslissen.”  En antwoord met een hoog gehalte aan ‘dweilen met de kraan open’.

Natuurlijk kan de winkel niet helemaal worden gesloten tijdens de verbouwing, in dit geval het opleiden van nieuwe beslissers. Maar toch. De IND geeft in het schrijven van maart 2023 aan: “22.000 beslissingen te nemen op asielaanvragen in de algemene en verlengde asielprocedure (spoor 4). Daarnaast kan de IND beslissen op enkele duizenden aanvragen van veilige landers en Dublin claimanten.” Als ik de cijfers van het CBS mag geloven, zijn er in 2022 bijna 30.000 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd verleend. Dat moeten er 50% meer worden, dus 50% meer beslissers. Laat ik voor het gemak rekenen met een jaar opleiding. Als we 10% van de beslissers inzetten voor opleidingen en ieder beslisser kan in die periode vijf aspirant beslissers begeleiden. Dan is na één jaar het benodigde aantal beslissers bereikt. Sinds de constatering van de onderzoekers in 2022 zijn vier jaar verstreken. Voldoende tijd om dat probleem te hebben opgelost lijkt mij.   

Daarmee zijn we er nog niet. Er is nog een tweede probleem. Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) vangt nu zo’n 67.000 mensen op, de 33.000 in reguliere opvangcentra en de rest in nood- en andere opvangvoorzieningen. Van de 67.000 hebben er zo’n 17.500 een asielstatus[2]. Deze mensen wachten op reguliere huisvesting maar omdat die er niet voldoende is, blijven ze een opvangplek bezetten. Voor deze mensen duurt het nog langer voordat ze hun leven weer kunnen oppakken.

En daarmee komen we bij het tweede probleem: woningnood. Een probleem waar niet alleen statushouders mee te maken hebben. De Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen biedt geen oplossing voor deze problemen. De wet maakt er in 340 gemeenten, in twaalf provincies gemeenten  en bij één rijksoverheid ambtenaren aan de slag gaan met ‘pleisters plakken op een botbreuk’. Pleisters omdat als dit werk niet leidt tot één extra beslisser bij de IND en ook niet tot één extra woning in een gemeente. Sterker nog, het zou er wel eens toe kunnen leiden dat de korte termijn de lange in de wielen gaat rijden. Een voorbeeld: een oud bejaardenhuis staat op de nominatie om gesloopt te worden om plaats te maken voor een flink aantal sociale huurwoningen. Om nu te voldoen aan de ‘opvangopgave’ wordt besloten om in het pand asielzoekers op te vangen voor een periode van vijf jaar, want dat is wat de minister ziet als structurele opvang’. Dat betekent dat het bouwplan voor die sociale huurwoningen nog minstens vijf jaar op zich laat wachten en de woningzoeker nog minstens zeven jaar. Sociale huurwoningen waar ook enkele van die 17.000 statushouders die nog in een COA-opvang zitten, een nieuw leven zou kunnen opbouwen. Een probleem waar gemeenten mee aan de slag zijn maar waarbij ze tegen verschillende problemen aanlopen die het probleem uiterst complex maken.

Een wet die niet bijdraagt aan het oplossen van de problemen is een verkeerde wet. Er is geen wet nodig om de problemen op te lossen. Er zijn mensen nodig bij de IND die ervoor zorgen dat er binnen een halfjaar wordt besloten. En er zijn huizen nodig om de woningnood op te lossen. Laten we ons op die problemen concentreren in plaats van energie en menskracht weg te laten vloeien naar een schijnoplossing. Een schijnoplossing waar politiek Den Haag meer dan een jaar tijd en energie heeft besteed.


[1] https://www.coa.nl/nl/lijst/capaciteit-en-bezetting

[2] https://www.coa.nl/nl/lijst/capaciteit-en-bezetting