Agenten, geweld en klassenjustitie

“Agenten die juridische bijstand nodig hebben, bijvoorbeeld omdat ze geweld hebben gebruikt, mogen van hun werkgever kiezen voor een gespecialiseerde advocaat. De politie selecteerde veertien kantoren die kunnen worden ingeschakeld.” Zo is te lezen bij NOS.nl. Die kantoren verdienen er goed aan. Dat stoot andere advocaten tegen het zere been: “Ook advocaat Michiel Kuyp vindt het vreemd dat de overheid voor bijstand aan zichzelf kennelijk meer geld overheeft dan de 105 euro per uur die wordt vergoed voor bijstand aan ‘gewone’ verdachten. ‘Blijkbaar zijn de eigen ambtenaren voor de staat meer waard dan de burger die geen advocaat kan betalen.’” Zeker met de bezuinigingen op de rechtsbijstand in het achterhoofd: “Dat voelt als klassenjustitie.” Klassenjustitie is een mooi beeld, maar is het ook terecht?

Vondelstraat

Foto: Wikipedia

Er is sprake van klassenjustitie als mensen in eenzelfde situatie verschillend worden behandeld vanwege hun positie in de samenleving. Is er sprake van een gelijke positie? Het geweldsmonopolie berust bij de overheid, bij de politie in het bijzonder. De kans dat een agent bij het uitoefenen van zijn werk met geweld te maken krijgt is reëel. 

Geweld mogen toepassen vraagt om streng toezicht. Dat is vooraf geregeld in instructies. De agent moet snel een situatie beoordelen, langs die instructies leggen, en vervolgens handelen. Beoordelen of juist is gehandeld op die instructie kan alleen achteraf en dan is er tijd genoeg. De werkelijkheid past echter niet altijd bij een instructie en dan moet er toch worden gehandeld. Bovendien zal de partij die het geweld ondergaat, het in de regel anders zien en ervaren dan de agent. Dat maakt dat de agent het bedrijfsrisico loopt om aangeklaagd te worden voor misbruik van zijn geweldsbevoegdheid.

Het is daarom begrijpelijk dat de politie als organisatie de agenten de best mogelijke ondersteuning biedt. Dat is ook wat de korpschef zei bij het instellen van de pool: “Ik wil de garantie dat alleen de allerbeste advocaten mijn mensen verdedigen.” Deze advocaten zijn, volgens de politie, de beste omdat ze: “Op de schietbaan (hebben) gestaan en (hebben) meegedaan aan arrestatietrainingen. Ook moeten ze binnen een uur een agent bij kunnen staan voor verhoor.” 

Of die ‘beste advocaten’ uit die pool van veertien kantoren moeten komen en of het vijfmiljoen in drie jaar moeten kosten, is een andere zaak. Voor ruim anderhalfmiljoen per jaar kan een aardige afdeling advocaten in loondienst worden opgezet. Voor een salaris van een ton kun je er met werkgeverslasten al snel een stuk of tien in dienst nemen en zich laten specialiseren. Waarschijnlijk is tien te veel en vind je er ook die het voor minder dan een ton willen doen. 

‘Ben ik in beeld?’

Als politicus van tegenwoordig moet je je best doen om gezien en gehoord te worden. Blijf je ongezien dan loop je het risico dat je partij je niet meer op een verkiesbare plaats zet.Gezien worden dat kan door het   stellen van vragen. Er zijn kamerleden die daar kampioen in zijn. Die kijken ’s avonds naar bijvoorbeeld een documentaire, een achtergrondreportage of naar de Pauwen en Jinekken. Horen ze daar iemand met verontwaardiging over spreken, dan kan de minister van het betreffende onderwerp de volgende dag een serie kamervragen tegemoet zien. Die gaan dan weer vergezeld van een persbericht in de hoop dat de media er kond van doen dat het betreffende kamerlid vragen heeft gesteld.

hekking

Illustratie: YouTube

Een andere manier is door ‘harde’ of strenge maatregelen voor te stellen om ongewenst gedrag te voorkomen. Tegenwoordig schijnen harde maatregelen tegen vluchtelingen of migranten het ook goed te doen. Mooi voorbeeld hiervan is VVD-Kamerlid Bente Becker. Bij TPO is een filmpje van een interview met haar te zien waarin ze de onwillige migrant streng toespreekt. Ze ‘scoort’ hiermee zowel op het punt van ongewenst gedrag als op maatregelen tegen migranten.

“Ik wil dat meedoen nog maar de enige optie is voor mensen. Dus dat ze de taal moeten leren, dat ze moeten werken. Dat dit ook normaal is vanaf dag één en dat er ook consequenties zijn als ze dat niet doen.” In het gesprek meldt Becker dat haar partij en het CDA gaan voorstellen nog een ‘extra consequentie toe te voegen’. Welke? “Dat mensen pas mogen stemmen in hun gemeente als ze daadwerkelijk hebben laten zien dat ze willen inburgeren.”  Je mag aan gemeenteraadsverkiezingen meedoen als je 18 jaar of ouder bent, in een gemeente woont en je: “de Nederlandse nationaliteit of de nationaliteit van een ander land  van de EU (hebt). Of (…) een geldige verblijfsvergunning (hebt) en (je) verblijft  minimaal 5 jaar legaal in Nederland.” Je inburgeringsexamen moet je binnen drie jaar halen.

Belangrijker. Hoe laat je voldoende zien dat je ‘wilt inburgeren’? Wie bepaalt wat voldoende is en wat niet? Zoals de Kamerleden ook weten, is iedereen die zich in Nederland bevindt voor de wet gelijk. Wat stelt Becker voor te doen met Nederlandse staatsburgers die op eenzelfde punt ‘onvoldoende’ meedoen?  Wordt hen ook het stemrecht voor de gemeenteraad ontnomen? Of moeten die maar ‘op pleuren’ om premier Rutte aan te halen.

Burgerschapsvorming en versplintering

Elma Drayer vindt, in haar column in de Volkskrant, dat minister Slob groot gelijk heeft dat hij aandacht voor burgerschapsvorming wil verplichten. Aandacht voor burgerschapsvorming om” toenemende ‘mentale segregatie,” te bestrijden. ‘Leerlingen met verschillende denkbeelden die wel bij elkaar in de klas zitten, staan soms lijnrecht tegenover elkaar en zijn daarnaast maar matig geïnteresseerd in elkaar.” Om: “de ‘versplinterde identiteiten’ en de ‘versnippering’,” die een directeur van een school die zij aanhaalt signaleerde. Volgens Drayer is burgerschapsvorming de oplossing: “Het zal niet eenvoudig zijn om ook deze loodzware klus te klaren. Maar een andere weg? Ik zie hem niet.”

CBC_Classroom_1932

Foto: Wikimedia Commons

Dat mensen mentaal gesegregeerd zijn en dat die segregatie groot is en het vermogen om je in de ander in te leven een schaars goed is, valt dagelijks te zien. Neem het voornemen van Pegida om voor moskeeën een barbecue met varkensvlees te houden. getuigt dat niet van een compleet gebrek aan respect en inlevingsvermogen? Zo zijn er vele voorbeelden te noemen. Voorbeelden van mensen die zwelgen in het gelijk van de bubbel waarin zij verkeren. Die zelfs zo ver gaan dat ze erover denken een ‘eigen zuil’ op te richten. Voorbeelden van mensen waar ‘identiteit’ betekent anderen buitensluiten en verketteren voorbeelden van links en rechts.

Segregatie die wordt ondersteund door taal beginnend met woorden als allochtoon en autochtoon. Woorden als ‘integratie’ of ‘inburgering waarmee mensen buiten de groep worden geplaatst. Woorden zoals ‘Nederlandse, Turkse of … identiteit’. Woorden die worden gebruikt om onderscheid tussen mensen te maken. Woorden als ‘tweede, derde generatie migranten’ voor mensen die gewoon hier geboren zijn.

Segregatie die wordt ondersteund met beleid. Beleid dat onderscheid maakt tussen mensen op basis van zaken waar zij niets aan kunnen doen, zoals het geboorteland van hun ouders. Beleid zoals inburgeringscursussen en -examens die tot niets leiden, want na het behalen van dat examen wordt je nog steeds als ‘niet ingeburgerd’ gezien. Een status die zelfs je verre nazaten blijven behouden.

Dat we kinderen: “wegwijs (moeten) maken in ‘de spelregels van onze democratie’, dat zij kennis op moeten doen over het functioneren van de maatschappij, staat buiten kijf.  Dat was altijd al de opdracht van het onderwijs. Zou de mentale segregatie werkelijk minder worden met burgerschapsvorming in het onderwijs?

Wat zou daarbij effectiever zijn, de ‘wet Slob’ of het doel van het onderwijs verschuiven van de nadruk op een plek op de arbeidsmarkt en dus ‘werk, werk, werk’ naar voorbereiden op het leven? En, in het verlengde daarvan, economie zien als een middel in plaats van het doel dat het nu is?

Beste minister Slob,

Wat vindt u van het voorstel, zowel van de voorgestelde wettekst als de memorie van toelichting?” Die vraagt stelt de overheid, minister Slob van Onderwijs aan ons op de internetpagina waarop wij, inwoners van dit land, kunnen reageren op het wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs. Beste minister Slob, van die gelegenheid maak ik graag gebruik. 

Internetconsultatie

Beste minister Slob, ik heb het wetsvoorstel en de toelichting erop met belangstelling gelezen. “Met dit wetsvoorstel is het voor scholen duidelijker waar burgerschapsonderwijs in ieder geval over moet gaan. Leerlingen krijgen hierdoor beter burgerschapsonderwijs en verwerven meer kennis en vaardigheden op dit gebied. Scholen hebben buiten deze kern de ruimte voor eigen invulling van het burgerschapsonderwijs.” Dat is het doel wat u met het wetsvoorstel wilt bereiken. Bijzonder omdat ik in de veronderstelling was dat het doel van het onderwijs altijd al was om samen met ouders en andere opvoeders de kinderen voor te bereiden op het zelfstandig functioneren in de Nederlandse samenleving? Als dat het doel van het onderwijs is, is het dan niet vreemd dat er een apart vak ‘burgerschap’ zou moeten zijn? 

In de artikelen lees ik dat het gaat om “het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat,” Hoe moet dat, respect bijbrengen. Voor mij is respect iets wat je een andere persoon geeft, het is een vrijwillige daad. Past een dergelijke formulering niet veel meer bij een dictator, potentaat en wellicht zelfs de huidige Amerikaanse president? Die eisen dat ze worden gerespecteerd, die willen respect afdwingen en dat kan leiden tot veel, maar leidt zelden tot respect. 

Dan een slagje dieper. Gelooft u in de kracht van basiswaarden van onze democratische samenleving? Ik stel u die vraag omdat als u werkelijk gelooft in de kracht van deze waarden, ‘respect afdwingen’ niet nodig is, dan krijgen ze respect. Om de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring te citeren: “ We hold these truths to be self evident.” Deze tekst straalt weinig vertrouwen in die basiswaarden uit

Als laatste, als het actieve burgerschap en die sociale cohesie waar u in de toelichting over spreekt werkelijk een probleem zijn, is er dan niet wat anders nodig? Is er dan niet beleid op andere terreinen nodig. Beleid dat erkent dat de ‘onafhankelijkheid’ van het individu veel te ver is doorgeschoten? Beleid dat erkent dat een individu zonder een groep niets is. Beleid dat ‘werk, werk en nog eens werk’ wat minder belangrijk maakt en dat werk ziet als een middel tot een doel en niet als een doel op zich. Als cohesie het doel is dan is het ‘staand zingen van het Wilhelmus’, het kunnen ‘uitleggen waar dat lied over gaat’ en ‘een bezoek aan het Rijksmuseum’ gepruts en gerommel in de marge. Zonde van de tijd en het geld.

Vrijheid van godsdienst

Een viertal auteurs schreef kort geleden in de Volkskrant een soort manifest voor ‘vrij links. In dit manifest pleitten zij voor een seculiere overheid. Volgens hen betekent dat het afschaffen van: “de aparte vermelding van vrijheid van godsdienst in de grondwet omdat dit leidt tot een voorkeursbehandeling van diegenen die zich tot een van de grote godsdiensten rekenen.” Ik moest bij het lezen hiervan, denken aan een passage in het regeerakkoord over het opnemen van een verbod op discriminatie op seksuele gerichtheid in de Grondwet. 

godsdienst

Illustratie: PxHere

November vorig jaar pleitte ik ervoor om dat niet te doen en, sterker nog, om juist te schrappen in de tekst van artikel 1 van onze Grondwet. In dat artikel wordt geschreven dat godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht geen reden zij voor discriminatie. Mijn betoog was dat juist het benoemen zorgt voor een bijzondere positie en dat het schrappen ervan het artikel krachtiger maakt.

 Het voorstel van de vier is  tegen het zere been van Francisco van Jole en Mei Li Vos. In een brief bij Joop en in de Volkskrant reageren zij op het manifest. De kern van hun bezwaar is: “De auteurs willen af van de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Ze zien religie als bron van kwaad. Die vrijheid is ze gegund, maar je bevrijdt mensen niet uit verstikkende regels door via wet te regelen hoe ze moeten leven.” Afpakken van vrijheden, dat kan niet en als dat is wat de vier in hun manifest betogen, dan maken Vos en Van Jole terecht bezwaar.

De vraag is of de vier iets willen ‘afpakken’. Even terug naar het manifest. Volgens de auteurs ervan is de extra vermelding van de vrijheid van godsdienst niet  nodig omdat: “Alle vrijheden waarop gelovigen aanspraak kunnen maken − vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, vrijheid van vergadering en betoging − zijn al veilig verankerd in de wet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.”  Inderdaad kent onze Grondwet, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, van betoging. Deze vrijheden geven een religie de mogelijkheid om samen te komen en hun boodschap te verkondigen. Eigenlijk om alles te doen wat ze willen. Waarom is dan het extra benoemen van godsdienst in de Grondwet nodig? Welke rechten verliezen gelovigen? 

Vos en Van Jole hebben een punt dat je mensen niet bevrijdt door via de wet te regelen hoe ze moeten leven. Maar, wordt mensen voorgeschreven hoe ze moeten leven als je de specifieke benoeming van de vrijheid van godsdienst uit de Grondwet haalt? Sterker, geef je religie niet juist een bijzondere positie door haar als specifieke vrijheid te benoemen? Moet een Grondwet niet juist iedereen, gelovigen en ongelovigen, op een zelfde manier behandelen? Zit die gelijke behandeling juist in het niet noemen van specifieke groepen?  

Iftar, kerst, kerk en staat

“In Nederland vervaagt de scheiding tussen kerk en staat. Er is één religie, waarvan de aanhangers steeds vaker en openlijker laten zien lak te hebben aan de mores van onze seculiere maatschappij: de islam. Meer en meer worden we geconfronteerd met islamitische symbolen, rituelen en gebruiken op tot voor kort neutraal terrein: in overheidsgebouwen, universiteiten en op de werkvloer.”  De opening van een artikel van Pamela Pinas bij Opiniez. In het artikel krijgen diverse bedrijven, instellingen en mensen een sneer. Een van die mensen is burgemeester Jan van Zanen van Utrecht. de ‘onverlaat’ haalt het in zijn hoofd om als speciale gast en hoofdspreker op te treden op een iftar-bijeenkomst. Dat kan natuurlijk niet, een bestuurder die spreekt op een ‘moslimfeest’, dat zou ten strengste verboden moeten zijn. 

aanhef grondwet

Foto: Wikipedia

Beste mevrouw Pinas, gaan we ook van u horen als de koning zo op de vijfentwintigste december zijn jaarlijkse kerstboodschap verkondigt? In het verlengde daarvan, gaat u ook al die burgemeesters die op dat moment een duit in het zakje doen en een kerstboodschap uitspreken, aanpakken en hen erop wijzen dat dit niet past bij de neutrale positie die de overheid moet innemen? Google maar even op ‘kersttoespraak burgemeester’ en u weet precies wie u allemaal aan de schandpaal moet nagelen. Dan ziet u hoe ‘verstrengeld’ kerk en staat nog steeds zijn.

En als u dan toch bezig bent, hebt u er weleens een wet op nageslagen. Is niet moeilijk, via overheid.nl kunt u ze allemaal vinden. Lees dan vooral even de aanhef. Om het u makkelijk te maken, hier komt die: “Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.” Een beroep op god bij iedere wet, hoe gescheiden zijn kerk en staat dan? Wat moet een aanhanger van de kerk van het vliegende spaghettimonster daar wel niet van denken? Dus weg die god of ook toevoeging van het vliegende spaghettimonster en alle andere zaken waarin men kan ‘geloven’. 

Dan even naar de benoeming van volksvertegenwoordigers. Dat kan met ‘dat zweer en beloof ik’ of met ‘zo waarlijk helpe mij god almachtig’. Wanneer kan ik uw betoog tegemoet zien om die laatste variant af te schaffen? 

Beste mevrouw Pinas, zolang u niet rept over de kersttoespraken, de aanhef in de wet en de gelofte, moet u niet zeuren over een burgemeester die deelneemt aan en spreekt op een religieus feest van een deel van zijn inwoners.  Want waarin verschilt iftar van kerst? 

Monniken en kappen

Via een nieuwsflits van een bedrijf las ik over het begrip ‘ de omgekeerde toets’. Wat het is? “Bij de omgekeerde toets worden – kort gezegd – de Participatiewet, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet schuldhulpverlening zó uitgevoerd dat niet de bepalingen in die wetten voorop staan, maar de doelen van die wetten en de doelen van de maatwerkoplossing die iemand nodig heeft. Vervolgens wordt bezien of die maatwerkvoorziening kan worden geleverd op grond van genoemde wetten.” Volgens de auteur van het artikel, Guido le Noble, een nieuwe omschrijving voor ‘maatwerk’ en daar heeft hij een punt. 

monniken

Illustratie: Flickr

U schiet vast in de lach als ik beweer dat er geen sector zo vernieuwend is als de overheid. Immers, als er één sector bekend staat als star en behoudend, dan is het de overheid. Behalve dan op het terrein van ‘oude wijn in nieuwe zakken’: een nieuw woord voor iets ouds. Meestal een term die het doet voorkomen alsof het een ‘fris nieuw product’ betreft. Neem het woord ‘ombuigen’ als vervanger voor bezuinigen. Klinkt lang niet zo pijnlijk. Dat even terzijde.

Onder het artikel een reactie van een lezer Corné Stoop die eindigt met: Mijn taak is te toetsen aan wet- en regelgeving waaronder onze verordeningen en beleidsregels. Echter voel ik vanuit de organisatie en collega’s een toenemende druk om buiten deze wettelijke kaders te denken. Ik weet soms niet meer waaraan ik moet toetsen, aan wet- en regelgeving of aan bepaalde standpunten van bijvoorbeeld onze managers of medewerkers. Ik vind het een gevaarlijke ontwikkeling, al dat gemarchandeer met regelgeving. Het werkt willekeur in de hand en de rechtsongelijkheid in de casuïstiek zal alleen maar toenemen.” Begrijpelijk die vrees van een uitvoerder. 

Of toch niet? Inderdaad leidt het selectief omspringen, of marchanderen met regels tot onduidelijkheid of willekeur. Nu is er iets vreemds met regels en maatwerk. Is maatwerk wel te leveren via ‘regels’? Zoals ik begrepen heb, beoogt de wetgever met de  Jeugdwet en de Wmo maatwerk te leveren. Zouden die regels voor de uitvoering dan niet  moeten worden afgeschaft? Of begint het leveren van maatwerk en het voorkomen van ‘willekeur’ niet ergens anders? Niet bij de regels maar bij de persoon die ondersteuning nodig heeft? Als die persoon, zijn levensomstandigheden en zijn vraag uniek zijn en dat wordt als uitgangspunt genomen, kan een oplossing voor zijn vraag dan leiden tot rechtsongelijkheid? Is er dan een ‘precies gelijke monnik die vervolgens kan claimen recht te hebben op precies dezelfde ‘kap’?

 

 

Hellend vlak?

Onopgeloste misdrijven houden de gemoederen bezig. Peter R. de Vries vulde er televisieprogramma’s mee waarin hij poogde om een vastgelopen zaak vlot te trekken. Een nooit opgeloste moordzaak is moeilijk, en voor de nabestaanden vaak niet te verteren. Sinds een paar jaar is er een ultieme manier om zo’n zaak toch vlot te trekken en wellicht op te lossen: het dna-verwantschapsonderzoek. En wat voor een middel: “Volgens onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) kunnen door het dna-verwantschapsonderzoek in deze zaak langs de mannelijke familielijn ‘1 op de 8 Nederlandse mannen in beeld komen’, circa een miljoen mannen.”  Zo zegt een onderzoeker van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in de Volkskrant naar aanleiding van het grootste dna-verwantschapsonderzoek tot nu toe waarbij 21.500 mannen worden uitgenodigd. Mooi als een misdaad zo kan worden opgelost.

hellend vlakFoto: pixabay.com

Waar komt dan mijn unheimisch gevoel vandaan? Voor een deel misschien uit beweringen zoals: “Mannen die niet komen opdagen zijn niet per se verdacht. Maar de politie zal die groep wel onderzoeken. Eerst wordt gekeken of iemand anders in de familielijn dna heeft afgestaan. Als dat niet het geval is, dan gaan we zo iemand wel benaderen?” Niet verdacht maar wel nader onderzocht doordat we de ‘familielijn’ extra gaan bestuderen en niet verdacht, maar wel benaderen? Waarom al die extra moeite als iemand niet verdacht is?

Zouden opmerkingen zoals: “Ook jongens van 18- en 19 jaar zijn opgeroepen, hoewel die in 1998 nog niet eens waren geboren. Maar hun dna kan wel een match maken, waardoor de politie in de familielijn verder kan speuren,” dit gevoel voeden? Onderzoek doen naar op voorhand onschuldigen?

Zou dit gevoel gevoed worden door het feit dat zeer veel mensen onderdeel worden van een crimineel onderzoek zonder dat er sprake is van een verdenking? Een verdenking die normaal toch aan de basis staat van onderzoek naar iemand? Mensen inzetten als middel om een doel te bereiken? Dna-verwantschapsonderzoek kan wellicht misdrijven oplossen en een einde maken aan de onzekerheid van de nabestaanden. En zoals velen zullen tegenwerpen: wat heb je te vrezen als je niets te verbergen hebt?

Maar toch een unheimisch gevoel. Begeven we ons niet op een hellend vlak?

Oude wijn

Politiek Nederland is al een paar weken in de ban van de ‘Wet Dijkstra’. Het initiatiefvoorstel van D66-kamerlid Pia Dijkstra over de orgaandonatie. Het voorstel waardoor iedereen donor is tenzij je aangeeft het niet te willen zijn. “In feite hebben de nabestaanden dus het laatste woord, alhoewel ze geen vetorecht hebben.” De cruciale zin uit de brief waarmee Dijkstra haar collega’s probeert te overtuigen van haar goede bedoelingen en vooral van de noodzaak van deze wet. Een bijzondere zin.

wine-1574493__340

Foto: Pixabay.com

Bijzonder omdat deze wet, volgens de initiatiefnemer, nodig is om ervoor te zorgen dat er voldoende donoren zijn. Voldoende zodat er niemand hoeft te ‘creperen’ op de wachtlijst. Alleen de Eerste kamer moet nog instemmen met de wet en omdat die Kamer er deze weken over spreekt, berichten de media er volop over.

Voldoende donoren is het doel, een doel dat ook met deze nieuwe wet al twijfelachtig is, zoals ik me vorige week afvroeg. Twijfel die door deze passage alleen maar toeneemt. ‘Nabestaanden’ impliceert dat het meer dan één persoon kan zijn. Stel dat die van mening verschillen, naar wie wordt dan geluisterd? Welke ‘nabestaande’ geeft dan de doorslag?

Wat verandert er door deze nieuwe wet nu werkelijk? In de oude situatie had je je geregistreerd of niet en in beide gevallen werden de nabestaanden gevraagd of ze akkoord waren met donatie van organen. De nabestaanden hadden ‘dus het laatste woord’. In de nieuwe situatie hebben de nabestaanden nog steeds het laatste woord. Wat verandert er?

Wat is nu überhaupt het nut van een donorregistratie? Waarom iets registreren als de keuze van de persoon vervolgens ook maar een mening is? Een mening die vervolgens minder zwaar weegt dan die van de nabestaanden?

Een wetsvoorstel waar politiek Nederland de afgelopen jaren veel tijd en energie aan heeft gespendeerd en wat is er veranderd? Een gevalletje van ‘luchtverplaatsing’ of beter nog: oude wijn in nieuwe zakken? Zonde van de tijd en energie. Of zie ik het verkeerd?

Verzachtende omstandigheid?

‘U krijgt 20 uur taakstraf omdat u dronken iemand hebt doodgereden. Het drinken van alcohol zie ik als een verzachtende omstandigheid waardoor uw straf lager uitvalt.’

Hoe zou er worden gereageerd als een rechter een dergelijk vonnis zou uitspreken? Het land zou, terecht, te klein zijn en politiek, bestuurlijk en opiniërend Nederland zou gehakt maken van deze rechter.

Jos van Rey

Illustratie: Flickr

Eén jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en twee jaar ontzetting uit het recht van een bestuurlijk ambt bij de overheid. De straf die de rechter geeft aan oud-bestuurder Jos van Rey, die schuldig is bevonden aan: “corruptie, stembusfraude, lekken van vertrouwelijke informatie en witwassen.” De rechter hield, zo valt in de Volkskrant te lezen: “rekening met de gevorderde leeftijd van de politicus, de grote impact van de zaak op zijn leven (hij moest aftreden als wethouder en Eerste Kamerlid), de publiciteit en zijn blanco strafblad.”

De grote impact op zijn leven omdat hij moest aftreden als wethouder en Eerste-Kamerlid? Waarom dient daar rekening mee te worden gehouden? Juist die positie als wethouder verschafte hem de mogelijkheid om corrupt te zijn en vertrouwelijke informatie te lekken. Nu wordt dat waarvoor hij wordt gestraft als verzachtende omstandigheid gebruikt.

“In de regel wordt er 50% van het gefraudeerde bedrag als boete opgelegd als uitkeringsfraude straf. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, dan wordt er een boete van 25% van het gefraudeerde bedrag opgelegd. Wanneer er sprake is van grove schuld en u de fraude extra kan worden verweten, kan zelfs een boete van 75% van het onterecht ontvangen bedrag volgen. De hoogst mogelijke boete bedraagt 100% van het gefraudeerde bedrag en kan enkel worden opgelegd als er sprake is geweest van ‘opzet’.” Fraudeer je met je uitkering, dan is dit de straf die je kunt krijgen. Daarnaast wordt het volledig teruggevorderd. Een forse straf.

Daarmee is de kous nog niet af. Dit is immers alleen maar de bestuursrechtelijke kant van de zaak. Als de fraude meer dan € 50.000 bedraagt of er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan de strafrechter je ook nog eens straffen. En die straf is niet mals: “De uitkeringsfraude straf bij (opzettelijk) fraude kan oplopen tot 6 jaar gevangenisstraf of een geldboete van € 82.000.” Natuurlijk moet misbruik maken van gemeenschapsgeld en dat is uitkeringsfraude, worden gestraft. Die strafmat mag best stevig zijn, je moet het immers voelen als je misbruik maakt van de gemeenschap.

De vraag hoe deze zware straf zich verhoudt tot de straf voor Van Rey, stel ik maar niet. Wat ik me wel afvraag is of een frauderende uitkeringsgerechtigde het krijgen van een uitkering kan aanvoeren als een verzachtende omstandigheid voor zijn fraude?