De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“Jihadisten kopen geen boeken bij Bol.com en shoppen niet voor een rokje bij Wehkamp. Zij hebben het op de Nederlandse staatsveiligheid gemunt. Zij misbruiken de vrijheid die zij op internet hebben om ónze vrijheid om zeep te helpen.” Dit schrijven Tweede kamerleden Ockje Tellegen en Jeroen van Wijngaarden in de Volkskrant in een artikel waarin zij het wetsvoorstel Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verdedigen.
De AIVD moet, volgens de twee VVD’ers, meer handvatten krijgen om terroristen en vooral jihadisten ook digitaal op te sporen. Want ook: ‘Online heeft een jihadist geen recht op privacy,’ zoals de kop boven het artikel leidt. Is het hierbij niet een probleem dat een terrorist (want er zijn ook terroristen die geen jihadist zijn) pas een terrorist is, als de rechter hem heeft veroordeeld? Voor die tijd is het hooguit een verdachte en die hebben ook rechten. Dat is nu juist het kenmerk van onze rechtstaat.
Daarmee kom ik bij de passage die ik aanhaalde. Of jihadisten niet bij bol.com winkelen, of bij de Wehkamp shoppen weet ik niet. Misschien koopt de jihadist de Koran wel bij bol.com en zijn legerbroek bij de Wehkamp? Wat een jihadist in ieder geval niet kan, is onze vrijheid om zeep helpen. Die macht heeft de jihadist niet.
Die macht heeft alleen onze volksvertegenwoordiging, de Tweede en Eerste kamer. Die kunnen wetten aannemen die onze vrijheid om zeep helpen of aantasten, wetten zoals de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Want hoe positief de VVD’ers ook spreken over deze wet, hij tast de vrijheid van mensen aan door gegevens te verzamelen. Gegevens waardoor iemand kan worden gevolgd, waardoor zijn contacten in beeld kunnen worden gebracht. Er kunnen goede, andere redenen zijn waarom de vrijheid op dit punt moet worden ingeperkt. Die andere reden kan in ieder geval niet zijn dat de ‘jihadisten onze vrijheden om zeep helpen’.
De beide Kamerleden zouden beter moeten weten. Of proberen zij zo te verhullen dat deze wet onze vrijheid aantast? Terroristen opsporen is lastig, zeker omdat het vaak early adapters zijn, goed op de hoogte van de nieuwste technieken. Dus ook van de mogelijkheden om de nieuwe maatregelen te ontwijken? In de grote bulk aan gegevens die straks mag worden verzameld, zal best iets interessants bij zitten wat naar een terrorist leidt. Zou het groter maken van de ‘hooiberg’ het makkelijker maken om die ‘speld’ te vinden?
Patriottisme, vaderlandsliefde, daarvoor pleit het CDA. In Trouw reageert Hans Janssens, hoofdcommunicatie van het CDA, in een warrig betoog op een column van Hans Goslinga in dezelfde krant. Als het erbij blijf de: “rechtsstaat, democratie, vrijheid en menselijke waardigheid te koesteren en uit te dragen,” dan zal Janssens op veel bijval kunnen rekenen.
Blijft het daarbij? Goslinga bekritiseerde CDA leider Buma, die pleitte voor gezonde vaderlandsliefde met de dominantie van de joods-christelijke cultuur als fundament van onze samenleving. Volgens Goslinga moet de overheid zich verre houden van het uitdragen van een publieke moraal. Het publiek is immers pluriform. Volgens Janssens bieden: “Waarden en tradities (…) houvast in een wereld die razendsnel verandert en globaliseert.” En kan: “Alleen een samenleving die trots is op de eigen waarden en tradities, (…) van nieuwkomers verwachten dat zij deze ook willen delen.” Als die dominante joods-christelijke cultuur iets is wat bij het patriotisme hoort, gaan Janssens en Buma dan niet veel te ver? Hoe gezond is dergelijke vaderlandsliefde?
Is het niet veeleer ondanks, dan dankzij de christelijke cultuur dat we trots kunnen zijn op de democratie, de rechtstaat, de vrijheid en de menselijke waardigheid? Zijn onze democratie, de rechtstaat, de vrijheid en menselijke waardigheid niet juist het resultaat van de strijd tegen de religie en tegen god? Een strijd om mensen zelf na te laten denken over hun leven en hun toekomst.
Verwachten zij dan ook dat ik die ‘waarden en tradities’ uitdraag? Dat ik daar trots op moet zijn? Welke christelijke en joodse waarden zijn dat dan? Hebben die twee stromingen niet een jarenlange niet zo fraaie geschiedenis? Zie bijvoorbeeld het denken van Luther over joden dat vorige week weer in het nieuws was. Maar ook welke tradities? Zijn dat die van de katholieke kerk, de joods orthodoxe, de remonstranten, de pinkstergemeente of nog andere?
Verwachten zij van nieuwkomers dan dat zij assimileren? Dat zij hun eigen waarden en tradities verloochenen? Of om de Borg, een van de vijanden van de Federation in de latere Start Trek reeksen, aan te halen: “We are the Borg. You will be assimilated. Resistance is futile.” Met als enig verschil dat de Borg: “biological and technological distinctiveness” toevoegen aan hun eigen, het CDA lijkt die te willen uitbannen. Gelukkig weten captain Picard en zijn vrouwelijke collega Janeway, de Borg te verslaan. Waaruit blijkt dat ‘resistance’ niet ‘futile’ is. Als dit het streven van het CDA is, hoort u dan ook bij de resistance?
‘Nederland is een verzorgingsstaat en daarin zijn we veel te ver doorgedraaid. Zo ver dat mensen geen initiatief en verantwoordelijkheid meer nemen. Niet voor het schoon en sneeuwvrij houden van hun eigen stoepje. Niet meer voor het poetsen van het huis van je oude moeder, als die het zelf niet meer kan. Heb je geen werk dan houd je je hand op want je hebt immers recht op die uitkering. In dit land word je van wieg tot graf verzorgd. Heb je ergens een probleem, maak je geen zorgen de overheid neemt het van je over en lost het op. Hoog tijd dat daar iets aan wordt gedaan. Dat mensen weer zelf verantwoordelijkheid nemen, dat de werkloze van die bank komt en wat gaat doen, al is het in eerste instantie vrijwillig. Dat die oudere zelfredzaam blijft en zich inzet voor een ander. Dat kinderen en buren verantwoordelijkheid nemen voor ouders en buurtgenoten. Of eigenlijk dat we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar. Maar niet alleen voor elkaar, ook voor onze leefomgeving. Die moeten de bewoners zelf schoon, veilig en heel houden. Dat er niet zoveel naar de overheid wordt gekeken. Dat we een participatiesamenleving worden waarin ieder zijn steentje bijdraagt, het liefst via betaald werk want dan participeer je pas echt.’
In iets meer dan tweehonderd woorden staat hier het nu populaire discours beschreven. Een discours dat is, en wordt vertaald in steeds meer wetten. Zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de Jeugdwet. Maar wat als dit, zowel de ‘verzorgingsstaat’ als de ‘participatiesamenleving’ frames zijn. Brillen waarmee we naar de wereld kijken? Neem bijvoorbeeld de brief van de voorzitters van DWARS, ROOD, de Jonge Socialisten en FNV Jong in de Volkskrant. Een brief die ze afsluiten met de woorden “Het zijn jongeren die vol willen meedraaien in de maatschappij. Werkgevers, maak geen misbruik van hun positie door ze tegen stageloon, of zelfs tegen helemaal geen loon, in te zetten om productief werk te doen. Neem ze aan, gun ze een goede start van hun carrière!” Woorden uit een betoog dat ademt dat je alleen met betaald werk participeert in de samenleving en zij zijn niet de enigen.
Een andere bril
‘De sociale wetgeving zoals die vanaf de Noodwet ouderdomsvoorziening, later uitgebouwd tot de Algemene ouderdomswet (AOW), van Drees is opgebouwd, was en is bedoeld om mensen in hun kracht te zetten. Om mensen in lastige situaties, zoals werkloosheid, hun onafhankelijkheid en zelfstandigheid te laten behouden zodat ze ook in die lastige situaties als vrij persoon kunnen blijven deelnemen en handelen. Dat ze niet afhankelijk worden en blijven van de goedertierenheid van hun kinderen, buren of kerkgenootschap. Dat ze, zoals dat tegenwoordig heet, volwaardig kunnen blijven participeren in de samenleving.’
Zouden deze bijna negentig woorden, de bril kunnen zijn waarmee vanaf de jaren vijftig is gebouwd aan een wetgevingsstelsel dat nu ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd? Is de kern hiervan niet de zelfstandigheid van het individu om zelf zijn leven in te richten? Ter verdediging van die ‘Noodwet van Drees’ zoals hij werd genoemd, sprak premier Drees de hoop uit dat deze moest uitgroeien: “… tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Met soortgelijke woorden kondigde de koning bij de Troonrede in 2013 de ‘participatiesamenleving aan: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten en voor elkaar kunnen zorgen.”
Meer overeenkomst
Ook in de manier waarop georganiseerd wordt, zijn verrassende overeenkomsten te zien. Neem het organiseren van de gezondheidszorg, de zorg voor de jeugd en de ondersteuning van individuen en gezinnen. Er wordt gewerkt met wijkteams die kort op de problemen moeten zitten, zonder ze over te nemen. Die moeten werken aan het weerbaar maken van het individu en het gezin en die hierbij de buren en familie betrekken. Die alert moeten zijn op problemen en die zo vroeg moeten signaleren, dat er snel wat aan gedaan kan worden. Die in de haarvaten van de samenleving moeten zitten. Die voor de bewoners van de wijk het logische aanspreekpunt moeten zijn als ze ergens mee zitten. Zo wordt inhoud gegeven aan de participatiesamenleving. Maar dit lijkt ook verdacht veel op de wijkzorg die vanaf de jaren vijftig tot in de jaren tachtig actief was. Die was opgebouwd als een onderdeel van de nu vervloekte ‘verzorgingsstaat’. Hoe verhoudt dit zo vroeg mogelijk, liefst al voor de geboorte, signaleren van problemen, en het in de haarvaten van de samenleving zitten, zich eigenlijk tot die eigen verantwoordelijkheid en de terugtredende overheid?
Hetzelfde doel, dezelfde middelen maar toch een heel ander frame, een heel andere kijk op de wereld. ‘Als eenzelfde aanpak geschikt is, wat maakt dat frame, die bril of kijk dan uit’, zou je kunnen vragen. Zou het voor een werkloze medemens wat uitmaken of hij wordt gewantrouwd als een ‘luie uitvreter’, iemand die de kantjes ervan afloopt en die profiteert van het ‘zuurverdiende’ geld van anderen, als een potentieel fraudeur? Of…, omdat hij buiten zijn schuld om, zijn baan heeft verloren, een lot dat ons allemaal kan treffen; dat hij nu even financiële hulp nodig heeft om zichzelf, en eventueel zijn gezin, deze moeilijke tijd te laten overleven; dat we weten dat hij er alles aan zal doen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te voorzien? Zou het voor een hulpbehoevende oudere uitmaken of hij als een kostenpost wordt gezien, waarvan de kosten zo laag mogelijk moeten blijven; als een last voor zijn familie, buurt en samenleving; en ook als een mogelijke fraudeur of profiteur? Of dat hij wordt gezien als een mens die door ongemakken is getroffen en daarom onze hulp nodig heeft; als een persoon en mens die iets bijdraagt gewoon door er te zijn? Zou dat verschil maken? Als dat verschil maakt, welke boodschap zendt de overheid dan nu uit?
‘Gans’ Anders
Even terug in de tijd. Bij de bouw van wat nu de ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd, werkten liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten (al waren die toen verdeeld over meerdere partijen), gebroederlijk samen. De liberalen vanuit vrijheid, de sociaal-democraten vanuit gelijkheid en de christen-democraten vanuit broederschap. Wat zien we terug van vrijheid, gelijkheid en broederschap? Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beknotten door hem afhankelijk te maken van de goedertierenheid van zijn familie en buren? Familie die steeds vaker ver weg woont. Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beperken, zoals nu gebeurt met werklozen en bijstandsgerechtigden? Hoe gelijk ben je nog als je afhankelijk bent van de goedertierenheid van familie en buren? Als je als werkloze bijstandsgerechtigde vanuit de hoogte wordt bekeken en met woorden en daden in de grond wordt getrapt? Hoe sociaaldemocratisch en broederlijk is dat? Hoe broederlijk is het als je door de zorg voor je naaste en alle andere ‘verplichtingen (werk, vrijwilliger etcetera) er zelf aan onderdoor gaat?
Nu werken die stromingen gebroederlijk samen aan de ‘participatiesamenleving’. Wat zou er gebeuren als ze de brillen afzetten? Als die drie stromingen zouden kijken vanuit vrijheid, gelijkheid en broederschap? Zou dat leiden tot beter beleid en wetten? Zou een onvoorwaardelijk basisinkomen dan tot de mogelijkheden behoren? Een basisinkomen dat net voldoende is om op een karige manier rond te komen. Tot de mogelijkheden behoren omdat het de vrijheid van mensen om zelf keuzes te maken, vergroot? Keuzes gebaseerd op eigen wensen en plannen en veel minder vanuit nood gedreven? Tot de mogelijkheden behoren omdat het ieders startpunt voor het maken van keuzes gelijker maakt, ook de keuze om te studeren? Gelijker omdat niemand zich zorgen hoeft te maken om het rondkomen? Tot de mogelijkheden behoren omdat het de broederschap bevordert? Bevordert omdat het mensen de gelegenheid geeft om zich zonder schuldgevoel en inkomensvrees voor een ander in te zetten? Om dit echt vanuit het hart te doen en zich dan ook niet schuldig te voelen als dat betekent dat de persoon geen betaald werk verricht.
Of dat tot de mogelijkheden behoort is de vraag. Komt op die vraag niet alleen een antwoord als de Eye wish en Pearl brillen worden afgezet en ‘Gans Anders*’ wordt gekeken.
”Salafisme met verbod bestrijden” De kop van een artikel op de voorpagina van Dagblad de Limburger van zaterdag 28 november 2015. In dit artikel wordt aandacht besteed aan een motie van de Kamerleden Marcouch (PvdA) en Tellegen (VVD), waarin de minister van Veiligheid en Justitie wordt verzocht: “onderzoek te (laten) doen naar de mogelijkheid om salafistische organisaties vanwege strijd met de openbare orde te laten verbieden.” Omdat zij constateren dat: “ het salafisme in Nederland isolationistisch van karakter is gericht op onverdraagzaamheid, antidemocratische activiteiten en polarisatie en daarmee een kweekvijver vormt voor radicalisering en gewelddadig jihadisme.” Krachtige taal en dat gaat er wel in, zo kort na aanslagen gepleegd door mensen die zich op een van de salafistische stromingen beroepen. Populair of niet, is verbieden de juiste weg?
Hoe verhoudt zich het verbieden van een manier van denken en naar de wereld kijken met de vrijheid van meningsuiting? Of met de vrijheid van godsdienst? Of het verbieden van organisaties met de vrijheid van vereniging en vergadering? Vrijheden waarvoor in het verleden hard is gevochten. Vrijheden die tot de kernwaarden van onze samenleving behoren. Zijn deze vrijheden niet de waarden die we moeten verdedigen en niet het ‘recht om op een terras te zitten’?
Hoe verhoudt het verdedigen van deze rechten zich met het verbieden van een religieuze stroming? Of een politieke ideologie, ook al is het een kwaadaardige? Hebben stromingen die isolationistisch van karakter zijn geen recht op bescherming? En van de andere kant, moeten dan ook niet enkele streng gereformeerde stromingen verboden worden? Stromingen waarbij de vrouw het ‘aanrecht’ heeft? Hoe democratisch is het om stromingen die de democratie afwijzen, te verbieden? Zou niet ook de extreem-rechtse ideologie waarnaar Marcouch ter vergelijking wijst, ook ruimte moeten krijgen?
Is het niet veel verstandiger en beter voor de openbare orde om iedereen de ruimte te bieden om te denken wat hij wil en zijn leven zo in te richten als hij wil, als het maar binnen de wet is? En ligt de grens niet precies daar: bij de wet? Is het niet juist de kracht van onze democratie en de waarden, (vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vereniging en vergadering) waarop deze is gebaseerd, dat deze meningen en ideologieën in een open debat worden besproken? Begrijpen de Kamerleden het concept democratie wel?
“Nederland staat pal naast Frankrijk in de bescherming en verdediging van wat ons lief is: onze vrijheid en onze veiligheid voorop. Die onderlinge verbondenheid is in heel Nederland zichtbaar en voelbaar.” Zo valt te lezen in een brief van premier Rutte aan de Tweede Kamer. In deze brief biedt de Nederlandse regering haar hulp aan na de aanslagen in Parijs. Beschermen en verdedigen van vrijheid, dat klinkt goed. Maar toch wringt er iets.
Vrijheid is in de politiek een begrip, waarvan volgens de filosoof en liberaal denker Isaiah Berlin twee soorten te onderkennen zijn. De negatieve variant, die inhoudt vrij van externe invloeden en met externe invloeden wordt machtsmisbruik en -gebruik door de overheid bedoeld. En de positieve variant, vrij om iets te doen (autonomie). Laten we eens met deze twee brillen naar de woorden van Rutte kijken. Welke vrijheid moet er dan worden beschermd en verdedigd?
De negatieve vrijheid hoeven we niet tegen IS of welke terroristen dan ook te verdedigen. Deze variant van vrijheid moet worden verdedigd tegen de overheid en de terroristen vormen niet onze overheid. Wel kan deze variant van vrijheid in het gedrang komen door het pleidooi van CDA fractievoorzitter Buma voor een ‘reeks wetten die ons veiliger moeten maken’. De ervaringen van de laatste vijftien jaar leren dat die wetten meestal betekenen, meer macht voor overheden. Meer macht gegevens in te zien en te bewaren, communicatie af te luisteren enzovoort. Betekent pal moeten staan niet de overheid in toom houden? Door te waken voor overreactie?
Dan de positieve vrijheid, onze autonomie. De mogelijkheid om ons leven zo in te richten als wij dat willen. Ieders vrijheid om te denken, geloven en te handelen volgens de eigen wens. Dit natuurlijk begrenst door de vrijheid van de ander. Deze vrijheid zorgt voor verscheidenheid, geur en kleur, discussie en gesprek, uitdaging en ontwikkeling. Deze vrijheid zorgt ervoor dat we onszelf kunnen zijn. Zit in deze vrijheid niet de kracht van onze samenleving? Die positieve vrijheid is het verdedigen waard.
Of? Is beschermen en verdedigen niet wat te zwak en defensief uitgedrukt? Zouden we die kracht niet moeten uitdragen? Uitdragen door het vieren van deze vorm van vrijheid? Door de verschillen te vieren?
“De problematiek is dus dat nu meer dan de helft van de bijstandsgerechtigden langdurig aan de zijlijn blijft en nauwelijks zicht heeft op een vrij en verantwoordelijk leven,” aldus het Utrechtse VVD gemeenteraadslid Judith Tielen in een artikel waarin ze het idee van een basisinkomen naar de prullenbak verwijst, omdat daardoor minder bijstandsgerechtigde een baan zouden vinden: “En daarmee verdwijnt het perspectief op een eigen inkomen en de bijbehorende trots en waardering.”
Lees ik het goed? Beweert Tielen dat vrijheid,verantwoordelijkheid en trots alleen mogelijk is als iemand betaald werk heeft? De filosoof en liberaal denker Isaiah Berlin herkende twee soorten vrijheid. De negatieve variant, die inhield vrij van externe invloeden en de positieve variant vrij om iets te doen (autonomie). Tielen voegt er een derde aan toe: betaald werken. Zou ze werkelijk menen dat betaald werk het doel van het leven is? Een liberaal streeft vrijheid na en volgens Tielen dus betaald werken.
Is dat niet een heel beperkte invulling? De oude Grieken en Romeinen besteedden hun tijd liever aan belangrijkere zaken zoals politiek, wetenschap en oorlogvoering. Arbeid was iets voor slaven, die hadden dan weer pech.
Zou de waarheid niet in het midden liggen? Dat werk erbij hoort, maar dat er meer is in het leven? De Britse econoom John Maynard Keynes voorspelde in het essay Economic posibilities of our Grandchildren, dat die kleinkinderen (wij) maar 15 uur per week zouden hoeven werken. De technologische vooruitgang zou immers een steeds hogere productiviteit per uur mogelijk maken, waardoor minder uren werk noodzakelijk zouden zijn. Ook Karl Marx zag zoiets als een ideale samenleving. De rest van de tijd konden ze dan vrij besteden aan hun ontwikkeling, want dat was het doel van het leven.
Of zou Tielen doel en middel verwisselen? Laten we het hopen.