Feiten en meningen

“Ik vind dat leraren en politici moeten streven naar zorgvuldigheid. Het moet duidelijk zijn wanneer iets een mening is en wanneer iets een feit. In een opdracht voor leerlingen feiten en meningen met elkaar verweven vind ik onzorgvuldig.”

Een uitspraak van Karin den Heijer lerares wiskunde en bestuurslid bij Beter Onderwijs Nederland. Ik las dit in een artikel bij TPO. Den Heijer reageert hiermee op de commotie die ontstond toen docent Ivar Gierveld een schrijfopdracht over Thierry Baudet gaf aan zijn leerlingen. Baudet en zijn aanhangers reageerden als door een wesp gestoken op deze opdracht.

Feit en fictie

Illustratie: FOODISH.nl

Het gaat mij niet om Baudet en de commotie, maar om de bewering van Den Heijer. Laten we er eens een voorbeeld bij pakken. Gierveld schreef: “In zijn wereldbeeld is klimaatverandering een verzinsel.” Den Heijer geeft aan dat Baudet dit niet heeft beweerd, Gierveld verdraait de woorden van Baudet. Volgens haar zei Baudet: “Door bakken met geld te besteden aan het klimaat, blijft voor reëel en urgente zaken als armoedebestrijding minder over.” Als Baudet dit precies zo heeft gezegd, dan heeft hij inderdaad niet direct beweerd dat de klimaatverandering een verzinsel is. Maar wat zegt hij indirect? Baudet maakt een vergelijking en zet klimaatverandering af tegen armoedebestrijding. Armoedebestrijding noemt hij urgent en reëel. Mag je, omdat hij deze vergelijking zo maakt, dan niet concluderen dat Baudet klimaatverandering niet urgent en niet reëel en dus irreëel vindt? En van irreëel of onwerkelijk naar een verzinsel is slechts een kleine stap. Inderdaad heeft Baudet niet letterlijk gezegd dat klimaatverandering een verzinsel is. Op basis van logisch redeneren is dit wel een goede interpretatie van hetgeen hij heeft gezegd en is het daarmee niet veel meer dan een ‘mening’?

Feiten en meningen moeten volgens Den Heijer worden gescheiden anders ‘verdwalen’ de leerlingen. Alleen gebeurt dat in het ‘echte leven’ ook niet altijd. Met name in de politiek is zorgvuldigheid, waar Den Heijer voor pleit, vaak ver te zoeken. Kijk maar naar de commotie rond het Wetenschappelijk Onderzoek- en documentatiecentrum (WODC), dat politieke wensen ‘wetenschappelijk’ moest onderbouwen. Het leven zou inderdaad veel makkelijker zijn als feiten en meningen duidelijk van elkaar worden gescheiden.

Moeten we de scholieren en studenten niet opleiden voor het ‘echte leven’? Een leven waar feit en fictie door elkaar heen lopen? Waar je president van een groot land kunt worden door een feit als mening en een mening als feit te verkopen?

Beste mevrouw Wekker

In haar column in de Volkskrant vergelijkt Elma Drayer de recente ontwikkelingen binnen de antiracisme beweging met godsdienstfanatici: “Wij hebben het licht gezien, de rest van de mensheid wandelt in duisternis. Wij hebben de waarheid in pacht.” Een godsdienstige sekte met een eigen heilige: “De Amsterdamse emeritus-hoogleraar Gloria Wekker, bijvoorbeeld. Haar naam wordt eerbiedig gepreveld, haar geschriften hebben langzamerhand de status van openbaringen waaraan niemand mag twijfelen.” Als u, Gloria Wekker de heilige bent dan is uw boek Witte Onschuld de bijbel of koran van die beweging.

Wekker

Gelovigen twijfelen niet aan de teksten in hun heilige boeken, ze willen ze liefst zo precies mogelijk naleven. Op dit punt is het denken van u vergelijkbaar met de heilige boeken. U laat geen ruimte voor andere verklaringen dan de uwe. Voor degenen die: “zich verre houdt van het ongeremde, onbehouwen racisme, en zich tegelijk niet actief wil teweerstellen tegen witte onschuld omdat dat onaangenaam en pijnlijk is en mogelijk vérstrekkende gevolgen zal hebben voor de eigen ‘onverdiende voordelen’, resteert een slecht geweten, dat vaak weggestopt moet worden, en dan geprojecteerd wordt op degenen die deze zaken aan de orde stellen. Ook resteert ongemak.” Zo schrijft u op bladzijde 264. Die verklaring van u is dat ’Witte onschuld’, witte onwetendheid die tot superioriteit leidt en zo tot ‘onverdiende voordelen’ ook wel ‘witte privileges’. Witte onschuld die haar oorsprong vindt in een cultureel archief dat het gevolg is van vierhonderd jaar kolonialisme, is de enige juiste verklaring voor onze huidige samenleving die, volgens u, diep racistisch is. Voor u ben ik daarmee een racist of een lafaard. Zou er niet ook een andere verklaring mogelijk zijn?

Beste mevrouw Wekker, ik zie ongelijkheid in behandeling in Nederland en wil samenwerken met iedereen die deze ongelijkheid mee wil wegnemen. En ja, ik stel me te weer tegen racistische schreeuwlelijken. Ik weiger echter ‘te geloven’ in uw theorie van ‘witte onschuld’ en het ‘culturele archief’ en kan me er dus ook niet ‘actief tegen teweerstellen’.

Ik ben het met u eens dat er meer aandacht moet zijn voor de geschiedenis en vooral voor verschillende perspectieven op die geschiedenis. In uw boek geeft u wat flarden van een perspectief waarin de transatlantische slavenhandel en de slavernij van Afrikanen centraal staat en verklaart dat tot de ‘waarheid’. In uw betoog gebruikt u uw kijk op het het heden, een volgens u diep racistische samenleving, om het verleden te verklaren. Die zeevaarders van vroeger moesten dus ook wel gewoon racisten zijn. En als zij racisten waren, dan was de hele toenmalige samenleving racistisch. Dit terwijl meer dan negentig procent van de mensen gewoon bezig waren om te leven en te overleven in hun kleine wereld die vaak niet groter was dan een straal van twintig kilometer om hun huis. Dat stukje wereld vormde hun perspectief en hun ‘culturele archief’. Zou het kunnen dat een andere verklaring dan uw ‘witte onschuld’ mogelijk is. Dat het ‘culturele archief’ veel gevarieerder is gevuld?

‘migratieachtergrond’

“Begin 2017 telde Nederland 1,3 miljoen jongeren met een migratieachtergrond.”

De eerste zin van paragraaf 2.3 van de Landelijke jeugdmonitor 2017. Een document dat ik voor mijn werk doornam. Een paragraaf waarin je kunt lezen of dat een westerse of een niet-westerse migratieachtergrond is en vervolgens worden die groepen weer verder onderverdeeld. Een bijzondere paragraaf.

vuinisbak

Foto: Pixabay

Als eerste omdat het opvallend is dat een ‘Indonesische migratieachtergrond’ meetelt bij de categorie ‘westers’ terwijl dit land toch veel oostelijker ligt dan bijvoorbeeld Turkije. Zou dat komen omdat het onze voormalige kolonie Indonesië betreft? Als dat de verklaring is, dan is het vreemd dat de Surinamers en Antillianen, die veel westelijker wonen dan ‘wij Nederlandse westerlingen’, bij de groep ‘niet-westers’ horen. Een logische verklaring hiervoor geeft het document niet.

Een migratieachtergrond heb je (pagina 181) als: “ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). De herkomstgroepering wordt bepaald aan de hand van het geboorteland van de persoon zelf of dat van de moeder, tenzij de moeder in Nederland is geboren. In dat geval geldt het geboorteland van de vader. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen personen met een westerse en met een niet-westerse achtergrond.”  Lastig omschreven, maar er staat dat als een van je ouders uit een ander land dan Nederland komt, dan heb je een migratieachtergrond ondanks een volledige Nederlandse opvoeding, scholing en paspoort. Je hebt hier niet voor hoeven te migreren.

Het document legt ook uit wanneer je een Nederlandse achtergrond hebt (zelfde bladzijde): “Persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar men zelf is geboren.” Ben je geboren in bijvoorbeeld Zaire uit twee Nederlandse ouders, spreek je geen enkel woord Nederlands en begrijp je in het geheel niets van de Nederlandse samenleving alvorens je naar hier komt (migreert), dan heb je een Nederlandse achtergrond.

Nu is ‘minderhedenbeleid’ sinds een aantal jaren passé,  waarom dan dit allemaal bijhouden en erover rapporteren? Wordt het niet eens tijd dat we iedereen met een Nederlands paspoort Nederlander noemen? Dat we ‘migratieachtergrond’, ‘allochtoon’, ‘bicultureel’ en meer van dergelijk onderscheid makende woorden naar de prullenbak verwijzen? Woorden die niets toevoegen behalve de verdeeldheid die ze zaaien?

Beste Sylvana Simons

“Ik beweer dat identiteitspolitiek iets van de afgelopen honderden jaren is. Alleen het was één dominante identiteit dus niemand had er een probleem mee.”

Een uitspraak van u, Sylvana Simons, in een gesprek met De Correspondent. Volgens u valt de identiteitspolitiek nu pas op omdat er andere identiteiten ‘on the scene’ zijn verschenen.

identiteit

Illustratie: Pixabay

Beste mevrouw Simons, onder welke steen heeft u gelegen? Was er in de voorgaande eeuwen werkelijk maar één dominante identiteit in Nederland en wat breder in Europa? Wellicht zijn de vele godsdienstoorlogen aan uw aandacht ontsnapt. Oorlogen met vele slachtoffers. Die godsdienststrijd vormde ook een belangrijk onderdeel van de Opstand tegen de ‘Spanjaard’. Een ‘Opstand’ die voor de streek en plaats waar ik woon, heel andere gevolgen had, dan voor Amsterdam en Holland. Het huidige Limburg en een groot deel van Brabant werden ‘generaliteitslanden’ genoemd, een soort kolonie avant la lettre. Godsdienst is zelfs tot ver in de twintigste eeuw en voor sommigen zelfs nog steeds een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Iets waarmee ze zich onderscheiden van mensen met een andere of geen godsdienst.

Voor mij, als Venlonaer, is de Vastelaovend, een belangrijk onderdeel van mijn identiteit. Niet die van Maastricht of van de Brabantse Carnaval, nee de Venlose Vastelaovend. Ik zie mijn identiteit daarom als anders dan iemand uit Maastricht of Brabant en zeker dan van een Hollander. Waarbij ik met de Mestreechter op dit punt meer affiniteit heb dan met de Brabander en zeker dan met de Hollander. Op andere gebieden heb ik misschien weer meer gemeen met u of een Hollander dan met de anderen en misschien wel dan mijn mede Venlonaeren. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat de waardering voor de politicus Wilders zo’n punt is.

Het valt me tegen dat iemand die terecht aandacht vraagt voor de geschiedenis en positie van de voormalige koloniën en haar inwoners, die aandacht vraagt voor diversiteit, die diversiteit in de geschiedenis van het gebied waar we nu wonen, niet lijkt te kennen. Sterker nog, die diversiteit lijkt te ontkennen.

Beste mevrouw Simons, het lijkt erop dat u ‘identiteit’ versmalt tot de kleur van iemands huid. Vindt u niet dat dit een wel erg smalle definitie is? Zijn er niet veel meer zaken die iemands identiteit bepalen dan alleen de huidskleur?

 

Onwetendheid is macht!?

‘Het is nooit goed of het deugd niet’, een uitspraak die mijn moeder vaker bezigde, maar dan in het Veldense dialect uitgesproken. Aan die uitspraak moest ik denken tijdens het lezen van de column van Asha ten Broeke in de Volkskrant. Ten Broeke schrijft over de reacties in de media op de bijdrage van Arjen Lubach aan de zwarte-pietendiscussie. Aan de ene kant bijval en aan de andere kant krijgt hij het verwijt dat hij zich op het schild hijst ten koste van ‘zwarte activisten’ die worden bedreigd. Het woord culturele toe-eigening wordt nog niet genoemd, maar daar lijkt het wel op.

Wekker

Wat moet je als blanke, al mag ik dat woord niet gebruiken omdat ik me dan een neutrale positie toedeel, dan doen? Ten Broeke geeft advies en dat advies haalt ze bij Gloria Wekker: “… het zich teweerstellen tegen witte onschuld, het zichzelf positioneren als wit, als een machtige raciale/etnische positie bezettend, het cognitief en emotioneel kennisnemen van de Nederlandse geschiedenis van imperialisme, van de vele vormen van wit privilege en dat privilege gebruiken om machtsverschillen te doorbreken…”  Kennis nemen van de geschiedenis, welke dan ook, is altijd goed. Ook ben ik me er terdege van bewust dat er machtsverschillen zijn die doorbroken moeten worden. Dat kost tijd en gezamenlijke strijd en inzet.

Meer moeite heb ik met de term witte onschuld. Die komt er volgens Wekker (pagina 31 van haar boek Witte Onschuld) op neer: “dat de epistemologie van de onwetendheid deel uitmaakt van een witte superieure staat waarbij het menselijk ras raciaal is verdeeld in volledige en onvolledige personen. Hoewel- of beter gezegd: juist doordat – ze de neiging hebben de racistische wereld waarin ze leven niet te begrijpen, zijn witte mensen in staat volledig te profiteren van deze raciale hiërarchieën , ontologieën en economieën.” Ja, er zijn mensen die zich superieur achten aan anderen, die anderen ‘onvolledig’ vinden. Die heb je echter in alle kleuren en religies. Om dit iedere blanke te verwijten, gaat mij veel te ver.

Meestal leidt kennis tot inzicht en tot een positie waarin de bezitter van die kennis de mogelijkheid heeft om te profiteren van het inzetten van die kennis. Vandaar de uitspraak kennis is macht. Wekker beweert het omgekeerde, onwetendheid is macht. Zou dat werkelijk zo zijn? Zou het werkelijk zo zijn dat de ‘witte’ het ‘spel winnen’ omdat ze het niet begrijpen?

Preken voor eigen parochie

“GroenLinks wil namelijk ‘de gewone man’ bereiken, want ‘identiteitspolitiek betekent in Nederland meestal het opsluiten van mensen in hun eigen groep’. Alsof al dat gepamper van de ‘gewone’, ‘hardwerkende’ en ‘bezorgde burger’ iets anders is dan identiteitspolitiek gericht op de dominante, witte meerderheid. … Terwijl GroenLinks dus haar hengel uitgooit in de drukste electorale vijver van Nederland vol gewone, witte vissen, wordt de blijkbaar abnormale, niet-witte kiezer in de netten van Denk en BIJ1 gedreven.”  Woorden van Joyce Brekelmans bij Joop als reactie op een interview met Jesse Klaver in de NRC. En dan vooral op de volgende passage:

“Als het alleen maar gaat over identiteit, migratie en andere sociaal-culturele thema’s, wint rechts. Wij willen vanaf nu de nadruk leggen op geld, werk en de macht van het bedrijfsleven.”

Mark Lilla

Als ik Brekelmans goed begrijp, dan betekent aandacht vragen  voor geld, werk en macht dat je je pijlen richt op ‘gewone witte vissen’. Dan laat je de ‘niet-witte kiezer’ aan zijn lot over of erger, je drijft ze in de netten van Denk en BIJ1. Zouden die ‘niet-witte kiezers’ niets met geld, werk en macht hebben?

In Nederland is er geen enkele ‘minderheid’ die de meerderheid heeft. De ‘niet-witte kiezer’, als die al als één blok te zien is, wat ik ten zeerste betwijfel, heeft zeker geen meerderheid. Betekent dit niet dat om iets te bereiken die ‘niet-witte kiezer’, altijd de samenwerking moet zoeken met ‘witte’ kiezers? Is een kenmerk van samenwerking niet dat er gegeven moet worden om te kunnen nemen? Dat er naar overeenkomsten gezocht moet worden in plaats van naar verschillen? Dat er gezamenlijke grond moet worden gezocht?

Dat zullen Denk en BIJ1 ook moeten doen, net zoals VVD, CDA, D66 en de ChristenUnie dat nu ook hebben gedaan. Met alleen maar blijven hameren op anders zijn, op de eigen identiteit, het eigen gelijk en de verschillen met anderen, bereik je niets. Want zoals Mark Lilla zich op bladzijde 120 van het boek The Once and Future Liberal. After Identity Politics afvraagt: “Why should non-Xers give a damn about Xers, unless they believe they share something with them? Why should we expect them to feel anything at all?”

Beste mevrouw Brekelmans, net als de ‘niet-witte kiezers’ bestaat ook die  ‘dominante witte meerderheid’ niet. Roept u zo niet een schijntegenstelling op? Zou strijdt voor een een beter samenleving voor alle inwoners van dit land echt worden bereikt door te focussen op verschillen in ‘identiteit’? Leidt politiek gericht op ‘identiteit’ niet tot het failliet van een samenleving omdat het gericht is op het uitsluiten in plaats van het insluiten van mensen?

Een wijze raad

“Ga naar iemand toe en ga het gesprek met hem aan.”

Dit hoorde ik vandaag iemand zeggen die met pensioen ging en zijn collega’s bedankte voor jaren van prettige samenwerking. Het was hem opgevallen dat er sinds de invoering van de moderne communicatiemiddelen zoals mail, Twitter, WhatsApp enzovoort, steeds slechter wordt gecommuniceerd. Zaken waarvoor je vroeger even bij iemand binnenliep of belde, worden nu per mail of app afgedaan. Volgens de afscheidnemende had hij ervaren dat die nieuwe communicatiemiddelen tot steeds meer misverstanden leiden. Misverstanden die in een eenvoudig gesprek zouden zijn voorkomen. Een laatste advies van een pensionado.

pensionado

Foto: Pixabay

In de Volkskrant legt de ‘bewust digibete burger’ Olaf Tempelman, een verband tussen de ‘burnout-epidemie’ en de stress van het digitaal communiceren via dezelfde media en middelen. Tempelman: “Die smartphones zitten immers de hele dag overal doorheen en eisen constant de aandacht op van mensen die net goed en wel met iets bezig zijn. De een is een betere multitasker dan de ander, echter: dat het constant springen van het ene naar het andere digitale tuintje terwijl je ook nog ‘je echte werk’ moet doen funest is voor de energie en aandachtsspanne van ieder gewoon mens, dat is al in flink wat onderzoeken aangetoond.” Een verklaring die hij miste in de lijst die de deskundigen gaven voor die epidemie waarop hij zich afvroeg: “Mij zul je niet horen beweren dat al die deskundigen zwijggeld hadden gekregen van Mark Zuckerberg, maar ik dacht wel: wanneer begint er nou eens iemand over al dat digitale speelgoed?”

Misverstanden, stress, een burnoutepidemie, ‘Facebook-verslaving’, altijd bereikbaar zijn en meteen moeten reageren, dat is allemaal niet positief. Voeg daarbij de oorlogen die mensen op Facebook en Twitter tegen elkaar uitvechten. Vetes waarbij mensen elkaar tot op het bot vernederen en verketteren en zich opsluiten in hun eigen ‘bubbel’ en helemaal niet meer in contact komen met mensen in een andere ‘bubbel’? Hoe komt het dat we die nieuwe communicatiemedia dan ‘sociale media’ noemen? Wat is er sociaal aan? Is dat niet veeleer asociaal?

Zullen we ophouden om Facebook en Twitter sociale media te noemen? Zullen we de aanbeveling van de pensionado uit de eerste zin eens wat vaker in de praktijk brengen? Een wijze raad?

Neutraliteit uitstralen

“Volgens het College voor de Rechten van de Mens is het maken van indirect onderscheid niet verboden, zolang daar goede redenen voor zijn, zoals het waarborgen van neutraliteit en objectiviteit middels een neutrale, uniforme gezagsuitstraling bij politieambtenaren.”

Een korte vertaling in de Volkskrant van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens in een zaak aangespannen door Sarah Izat. Izat mocht bij het opnemen van aangiftes per ‘beeldverbinding’ geen hoofddoek dragen als ze een uniform droeg, dit terwijl ze dat wel mocht als ze geen uniform droeg. Dat was voor Izat reden om de zaak aanhangig te maken bij het College en dat gaf haar dus gelijk.

Kerk van het Vliegend Spaghettimonster

Illustratie: Wikipedia

Natuurlijk moet een politieagent herkenbaar zijn als politieagent. Alhoewel natuurlijk, een politieagent in burger, bijvoorbeeld van de recherche, is niet aan zijn kleding te herkennen. Die kan gewoon in spijkerbroek en t-shirt van zijn favoriete artiest werken. Mag een rechercheur wel een hoofddoek, keppel, kruis of vergiet dragen?

Het maakt mij niet uit of iemand al dan niet een hoofddoek, kruis, keppel, vergiet (ja, van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster)  draagt of welk ander kerkgenootschap dan ook aanhangt. Van mij en gelukkig ook van onze grondwet mag iedereen geloven en aanhangen wat hij wil. Het gaat mij erom of de neutraliteit en objectiviteit van de overheid wordt gewaarborgd door het verbieden van het zichtbaar dragen van religieuze of levensbeschouwelijke symbolen? Of omgekeerd, komt de neutraliteit en objectiviteit van de overheid in gevaar als een van haar vertegenwoordigers zichtbaar een symbool van zijn religie of levensbeschouwing draagt?

Kan een boete voor te snel rijden worden gegeven op een islamitische, sikh of Spaghettimonster manier? Of moet een politieagent met een hoofddoek, keppel, kruis of vergiet dezelfde wet handhaven op dezelfde manier? Zit de objectiviteit en neutraliteit van de overheid en dus ook van de politie niet juist in consequent en consistent gedrag en handelen en niet in de persoon en de de overtuigingen van de agent? Handelen gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving.

Zouden we de gedragscode uit 2011 die stelt dat zichtbare religieuze uitingen verboden zijn voor geüniformeerde agenten, niet moeten herzien? Zegt het jaartal 2011, met het eerste kabinet Rutte dat met gedoogsteun van de PVV aan de macht was, niet al genoeg over de achtergronden van deze richtlijn?

What are words worth?

“Waarom witte mensen het ‘N-woord’ niet mogen gebruiken.”

De titel boven een artikel bij Joop. Het N-woord staat voor neger en in het artikel, en vooral het bijgevoegde filmpje, legt de Amerikaanse Ta-Nehisi Coates uit waarom niet iedereen het woord neger mag gebruiken. Dit tegen de achtergrond van zwarte hiphoppers die het woord vaak gebruiken in hun teksten, maar er aanstoot aan nemen als anderen dit woord ook gebruiken.

Cultural appropriation

Illustratie: Wikimedia Commons

Aan de hand van wat voorbeelden probeert hij dit duidelijk te maken: “Als voorbeeld noemt hij zijn vrouw die hem ‘honey’ noemt. Dat is prima, maar als wildvreemde vrouwen hem op diezelfde manier zouden aanspreken, dan zou in elk geval zijn vrouw daar wel aanstoot aan nemen. Ook noemt hij zijn vader William. Die werd door diens eigen moeder Billy genoemd, maar het zou niet in Coates’ hoofd opkomen om zijn vader ook zo te noemen.” Hierin kan ik Coates volgen. Ik kan begrijpen en zou het zelf ook niet willen, dat iedere vrouw mij ‘schat’ zou noemen. Dat is iets tussen mijn vrouw en mij. Dat wil echter nog niet zeggen dat die andere vrouwen het woord ‘schat’ niet mogen gebruiken. Maakt dit vergelijk iets duidelijk over het woord  ‘neger’?

Dat woorden gevolgen hebben is overduidelijk en dat het woord neger in de Amerikaanse variant een connotatie heeft, zal ik niet ontkennen. Mag het woord daarom niet worden gebruikt? Coates laat in het bijgevoegde gesprek doorschemeren dat het woord is uitgevonden in of komt uit een bepaalde cultuur en dat mensen uit een andere cultuur daarom niet ‘automatisch’ het recht hebben om dit woord te gebruiken.

Een bijzondere redenering omdat het N-woord al ver voor de uitvinding van de hiphop werd gebruikt. Het wordt in de hiphop scene op eenzelfde manier gebruikt als de Ajax-supporters het woord jood gebruiken. Een manier waar bij een woord dat voor sommige mensen een negatieve connotatie heeft, te gebruiken als ‘strijdvlag’ en kern van een bepaalde identiteit.

Coates is een Amerikaanse auteur en denkt en schrijft vanuit zijn Amerikaanse ervaringen en achtergronden en dan ligt het gebruik van dit woord gevoelig. Bij het artikel tevens een stukje uit een Netflix-serie waarin hetzelfde onderwerp wordt behandeld. Een stukje waarin meteen alle clichés worden opgevoerd en gedramatiseerd. Ik vraag me bij dit artikel af welke bedoeling Joop heeft met het plaatsten van dit artikel op deze manier? Is dit een poging om een Amerikaanse discussie in Nederland te importeren? Zou dit een vorm van ‘cultural appropriation’ zijn?

Journalistiek?

“Politiemensen moeten hun werk kunnen doen, journalisten moeten hun werk kunnen doen. Dit is een land waar de staat en niet de straat regeert,”

deze woorden sprak premier Rutte tijdens zijn vrijdagse persconferentie naar aanleiding van de moord op een 22 jarige man uit Blerick. Inderdaad politiemensen en journalisten moeten hun werk kunnen doen. Journalisten moeten verslag kunnen doen van het nieuws en dat is het verzamelen, controleren, analyseren van nieuws en er vervolgens over rapporteren.

PowNed

Foto: PowNed – Wikipedia

Laten we eens even kijken naar wat voorbeelden rond deze casus. Neem Elsevier: “Woensdagmiddag werd de … op straat doodgeschoten, vermoedelijk door leden van een rivaliserende Antilliaanse drugsbende.” Een schoolvoorbeeld van de huidige tijd. Er gebeurt iets, een moord of een neerstortend vliegtuig en een minuut later moet er een verklaring zijn. Alleen die verklaring is voorlopig pure speculatie. Behoort speculeren tot het werk van de journalist? Een juiste analyse zou zijn: we weten niet wie er heeft geschoten en wat de achtergrond erbij is.

In een ander artikel bij Elsevier valt het volgende te lezen: “Het slachtoffer zou familie zijn van …, oud-lid van de bende van Venlo. Deze bende zou zich in 1993 en 1994 schuldig hebben gemaakt aan meer dan 250 geweldsdelicten in de regio. Daaronder tal van moorden met geld als motief.” Het kan dat het slachtoffer familie is van, maar wat bewijst dat? Het enige wat er gebeurt is dat een man wordt gelieerd aan gebeurtenissen waaraan hij part nog deel had, hij was in 1993 en 1994 nog niet geboren. Wellicht heeft de vermoorde man ook wel een tante in de politiek of een neef die profvoetballer is, dit allemaal, net als die oom, doet niet terzake.

Een voorbeeld van de bewegende media. We gaan onder het mom van ‘proeven wat er onder de mensen leeft’ met een camera in een gebied waar iets is gebeurd en de gemoederen verhit zijn, staan en wachten af. Er is altijd wel iemand die boos reageert op de aanwezigheid van die camera en begint te schelden, je bekogelt met iets of een klap uitdeelt. Iets wat niet goed is te praten, maar in een kruitvat is een klein lontje al voldoende. Deze tactiek wordt vooral door PowNed toegepast. Om te laten zien dat je ‘gewoon je werk deed’ plaats je er wat interviews omheen, een paar over de eigenlijke zaak en na de tumult eentje met een burgemeester of andere ambtsdrager die vervolgens moet zeggen dat de ‘journalist toch gewoon zijn werk moet kunnen doen. Een werkwijze die door een voorganger bij PowNed satire werd genoemd.

Suggestie, speculatie en als klap op de vuurpijl nieuwscreatie op een kwalijke manier. Zouden de media zich niet veel terughoudender moeten opstellen? Zich alleen beperken tot de feiten en verre blijven van speculatie? Zou dat misschien ook het werk van de politie vergemakkelijken?