Geschiedenis

“In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond ook de geschiedschrijving. De ‘vader van de geschiedenis’ was Heródotus. Hij was afkomstig uit Halicarnássus op de Zuidwestpunt van Klein Azië, maar hij heeft een belangrijk deel van zijn leven in Athene gewoond. Hij schreef over de Perzische oorlogen en de voorgeschiedenis ervan en hij behandelde de zeden, gewoonten en geschiedenissen van allerlei volken en staten in Azië en Griekenland. Hij vertelde geen sagen, maar trachtte de waarheid te achterhalen en hij woog informatie kritisch af. Zijn werk kwam voort uit de Ionische traditie van land- en volkenkunde. Ionische kooplieden hadden reeds in de archaïsche tijd de behoefte gevoeld iets meer te weten over de landen en volken die zij bezochten.[1]

Met deze woorden wordt de eerste geschiedschrijver van de wereld geïntroduceerd in het boek Een kennismaking met de oude wereld. Als je over de geschiedenis van geschiedenis schrijft dan kun je niet om Herodotus heen. Nu is niet te achterhalen of Herodotus (die leefde tussen 485 en 425) werkelijk de eerste geschiedschrijver was. Wat we zeker weten is dat hij de geschiedschrijver is van het oudst bewaarde ‘geschiedenisboek’, zijn Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht. Het is daarmee een van de belangrijkste bronnen die ons inzicht geven in het denken in het oude Griekenland. Zijn Historiën is een echt geschiedenisboek omdat hij schreef over een gebeurtenis of beter een reeks gebeurtenissen die zich deels voor zijn geboorte en deels in zijn heel vroege jeugd afspeelden, de Perzische oorlogen aan het begin van de vijfde eeuw voor onze jaartelling en de aanloop ernaar. Oorlogen met drie bekende slagen. Iedereen die nu de marathon loopt, treedt in de voetsporen van Pheidippides. Volgens de bekende legende rende Pheidippides van Marathon naar Athene, sprak daar de woorden ‘gegroet, we hebben gewonnen’ en viel dood neer. Hiermee deed hij verslag van de slag bij Marathon in 490 alwaar de Grieken de Perzen in de eerste Perzische oorlog versloegen. Deze versie hebben we te danken aan Pioutarchos die deze bijna zes eeuwen nadien optekende. De tweede bekende slag is die bij Thermopylae in 480 alwaar een van de koningen van Sparta, Leonidas, met een kleine strijdmacht trachtte het ver in het overtal zijnde Perzische leger tegen te houden. De Perzen wonnen die slag maar leden er zeer grote verliezen. De film 300. Rise of an Empire verhaalt over deze slag. Als laatste de slag op zee bij Salamis vlak na die bij Thermopylae ook in 480 die de Perzen verloren en die koning Xerxes deden besluiten zijn poging om de Griekse gebieden te onderwerpen te staken.

Leonidas De Thermozuilen - Gratis foto op Pixabay
Koning Leonidas de Spartaanse koning die bij Thermopylae een nederlaag leed tegen de Perzen. Bron: Pixabay

Maar wat is geschiedenis? ‘Het verleden’ is het antwoord dat menigeen op die vraag geeft. En dat is ook precies een van de drie betekenissen die de Van Dale voor het woord geeft. In zijn Filosofie van de Geschiedenis is dat ook het antwoord dat Van der Dussen geeft, alleen dan iets uitgebreider maar dat is eigen aan filosofen: “Onder geschiedenis moeten immers in eerste instantie alle omstandigheden en gebeurtenissen uit het verleden worden verstaan.” De andere twee zijn: “voorval, gebeurtenis” en: “wetenschap die het verleden beschrijft.[2]In deze Prikker staat die laatste betekenis, de ‘wetenschap die het verleden beschrijft’ centraal, de ‘wetenschap die het verleden bestudeert’. Al het verleden? Nee, alleen de geschiedenis van de mens. Die van de natuur wordt buiten beschouwing gelaten. Studie van de natuur vraagt immers, zoals Van der Dussen aangeeft: “specifieke deskundigheid die tot het terrein behoort van bijvoorbeeld de geologie, paleontologie, klimatologie of astronomie.” Hij geeft echter ook een meer principiële reden: “de mens is zich op een unieke wijze bewust van zijn eigen geschiedenis, zoals hiervan in de natuur nergens sprake is.[3]

Met dat ‘bewust zijn van de eigen geschiedenis’ komen we bij een belangrijk punt. Geschiedenis is meer dan een relaas van gebeurtenissen in het verleden. “Het verleden is een gegeven waar niemand omheen kan.” Met die woorden opent Van der Dussen het tweede hoofdstuk van zijn Filosofie van de geschiedenis. Een hoofdstuk met als titel Rol van het verleden. Om het cru te zeggen: wij, als individu zijn ons verleden want dat is het enige wat wij hebben. Wie wij zijn wordt bepaald door de ervaringen die we hebben opgedaan. We hebben leren lopen, zwemmen, voetballen en muziek maken. We hebben een of meerdere talen geleerd waarmee we met anderen kunnen communiceren. Wij hebben geleerd van zaken die ons zijn overkomen en wij breiden onze ervaringen uit met die van anderen. En wij zijn onze verhalen en onze fantasieën. Of zoals Harari het in zijn Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid  beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]”  Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Dit alles maakt ons wie wij zijn, het bepaalt onze identiteit en die is belangrijk als we onze persoonlijke geschiedenis beschrijven.

Echter niet alleen voor ons individueel, ook voor gemeenschappen: “Evenals bij een individu wordt de identiteit van een gemeenschap bepaald door het bewust zijn van haar verleden. Het betreft hier een collectieve herinnering en een geheel van collectieve ervaringen, onder meer voortlevend in tradities, die voor het heden van de gemeenschap in dezelfde zin bepalend zijn, als dit bij een individu ten aanzien van zijn individuele verleden het geval is.[5]Nu heb je geschiedenis, geschiedenis en geschiedenis. Aan de ene kant de geschiedenis van de grote verhalen. Een goed voorbeeld hiervan is het boek Sapiens van Harari. In nog geen 450 pagina’s beschrijft hij de 200.000 jaar geschiedenis van onze mensensoort, de homo sapiens en de rol die verhalen hierin speelden. Aan de andere kant heb je Stalingrad van Anthony Beevor die in ongeveer even veel pagina’s de in de Tweede Wereldoorlog belangrijke slag om Stalingrad beschrijft. Ergens hier tussenin kunnen we Richard Mills The politics of football in Yugoslavia plaatsen. Een boek van 300 pagina’s waarin de rol die het voetbal heeft gespeeld in het korte bestaan van het land Joegoslavië centraal staat. Aan de ene kant de grote lijnen, er tussenin een specifiek fenomeen en de ontwikkeling ervan in een bepaalde tijd, en aan de andere kant één gebeurtenis tot in detail. Alhoewel detail, en daarmee kom ik weer bij Van der Dussen: “Niet alleen is het ‘totale verleden’ dus nooit te omvatten, maar ook niet een ‘vaststaand’ of ‘objectief’ verleden: het gaat steeds om bepaalde aspecten van het verleden en bepaalde interpretaties ervan.[6] Hoe gedetailleerd ook, het schrijven van een geschiedenis betekent altijd gebeurtenissen en perspectieven weglaten en andere benadrukken. Voor wie op zoek is naar het objectieve verleden heb ik, in navolging van Van der Dussen een slecht bericht, het objectieve verleden bestaat niet. Iedere geschiedenis is een interpretatie van het verleden.

En daarmee kom ik weer bij de vader van de geschiedenis. Herodotus schrijft op basis van wat hij ziet tijdens zijn reizen maar vooral wat hij hoort in de verhalen van mensen die hij bevraagt. Daarbij belicht hij het gebeurde vanuit de verschillende betrokkenen. Spreken die zich tegen dan zoekt hij naar een voor hem best passende verklaring. Naast de genoemde conflicten en de personen die daarbij een rol speelden, geeft het boek ook een beschrijving van de levenswijzen en gebruiken van de verschillende volkeren. De beschrijving van die levenswijzen en gebruiken waarvan je je afvraagt welk deel ervan waar zou kunnen zijn geweest. Een voorbeeld: “Wanneer een Nasamoniër voor de eerste maal een huwelijk sluit, is het de gewoonte dat de bruid in de eerste nacht alle gasten langsgaat om gemeenschap met ze te hebben. Iedere man die dan gemeenschap met haar heeft, geeft haar een of ander geschenk, dat hij van huis heeft meegenomen.[7]Maar in een tijd waarin gebeurtenissen vooral in de vorm van verhalen worden verteld, is fantasie niet ver weg om wat gaten in te vullen of zaken aan te dikken. Iedereen die wel eens het spel heeft gespeeld waarbij een verhaal één op één moet worden doorverteld in een groep, weet dat het verhaal na een paar keer doorvertellen heel anders is.  

Een oude Griek of Pers zou het niet opvallen maar Herodotus lardeert zijn boek met wonderen, orakels en mythologische verhalen. Die gebruikt hij ter verklaring van wat er is gebeurd. Zij geven de gebeurtenissen een magische dimensie. Ook hier een voorbeeld ter verduidelijking. “Toen Grinnos, de koning van Thera, haar (het orakel van Delphi) over een andere kwestie raadpleegde gaf de Pythia hem als orakel dat hij een stad in Libye moest stichten.” Nu vond Grinnos zich te oud en hij wist de klus bij ene Battos in de schoenen te schuiven. Alleen vergaten ze het toen ze weer thuis waren. Dit ‘vergeten’ had drastische gevolgen: “Gedurende zeven jaar vanaf dat tijdstip viel er geen regen op Thera en daardoor verdorden in die tijd alle bomen op het eiland, op één na.[8]Omdat de Theranen wilden weten waarom hen dit overkwam, gingen ze weer naar Delfi en de Pythia herinnerde hen aan de eerdere uitspraak. Voor Herodotus was die ‘magie’ niets bijzonders omdat die in zijn tijd deel uitmaakte van de werkelijkheid.

De vader van de geschiedenis die, zoals De Blois en Van der Spek schrijven, de waarheid trachtte te achterhalen. Nu zal het een goede lezer van Herodotus Historiën opvallen dat de neutraliteit toch een klein bijsmaakje heeft. De Grieken komen er toch ietsjes beter vanaf dan de Perzen. De Grieken vochten voor hun vrijheid en tegen het despotisme van de Perzische vorsten. De Grieken staan, in zijn beschrijving, samen met de Egyptenaren op de hoogste trede van de ‘beschavingsladder’. Enige ‘vooringenomenheid’ is Herodotus niet vreemd en daarmee toont hij zich een kind van zijn tijd en eigenlijk een ‘kind van alle tijden’ want een voorkeur voor de eigen groep of het eigen land, is van alle tijden want zoals we zagen is alle geschiedenis een interpretatie en geen feitelijke beschrijving.

In een volgende Prikker meer over geschiedenis.


[1] L. de Blois en R.J. van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, pagina 103

[2] https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/geschiedenis#.YKu9uKgzb-g

[3] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 37

[4] Yuval Noah Harari,  Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 42

[5] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 27

[6] Idem, pagina 38

[7] Herodotus, Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht, boek 4 172

[8] Idem, boek 4 150-151

De broodrooster, de overheid en filantropie

Bij De Correspondent las ik een interessant artikel van Maurits Martijn met de bijzondere titel Hoe kwetsbaar Europa is, leer je van een broodrooster. Met zo’n titel heb je mij meteen te pakken. De kwetsbaarheid van Europa uitgelegd aan de hand van een broodrooster. Martijn spreekt in het artikel met Bert Hubert de man van de ‘broodrooster’. Bij het lezen van dit artikel moest ik meteen denken aan het veld waarin ik werk: de overheid.

Toaster Toast Brood - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Eerst even de broodrooster. “Een broodrooster bestaat uit verschillende onderdelen. Vroeger maakten allround technologiebedrijven die allemaal zelf – van het omhulsel tot de schakelaar, en van de zekering tot het hitte-element. Nu is dat niet meer nodig. Broodroostermakers kunnen alle onderdelen over de hele wereld los inkopen – en dat doen ze dus ook.” Je kunt nog steeds geld verdienen maar je bent dan wel kwetsbaar: “omdat je geen broodroosters maakt, weet je ook niet precies hoe ze werken. Je verliest de beste broodroosterwizards als personeel, want hen boeit het werk bij jou niet meer. ‘Je komt op een punt dat je niemand meer in dienst neemt die iets kan, waardoor je als bedrijf niets praktisch meer zelf kunt.’ Weg expertise, weg innovatie.” Vervolgens maakt Hubert de sprong naar zijn werkveld, de telecom alwaar de grote spelers in Europa: “wat een ‘telco’ tot ‘telco’ maakt – de infrastructuur, het onderhoud, het personeel, de administratie – uitbesteedden aan andere partijen  ‘Ik zag ze allemaal veranderen in marketingbedrijven’.” De telecom sector is cruciaal voor een land en voor de Europese Unie en het uitbesteden van alle technische kennis en techniek aan derden maakt je kwetsbaar. Of zoals Hubert het zegt: “Als je nu ruzie krijgt met China, dan kun je denk ik nog precies één keer bellen. Ni hao, hoor je dan, vlak voordat er op wordt gehangen.” De coronapandemie liet zien dat al het uitbesteden ook op andere terreinen tot problemen kon leiden.

Bij het lezen van het artikel moest ik, zoals gezegd, denken aan onze overheid en vooral het fenomeen ‘regiegemeente’. In de kern komt het erop neer dat een regiegemeente bepaalt wat er moet gebeuren en het vervolgens via opdrachten laat uitvoeren. Dat vraagt, zo adviseert de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden, om goed opdrachtgeverschap en daarbij draait het om drie punten. Als eerste: “De gemeente beschikt over voldoende kennis en kunde om andere partijen aan te sturen (sturings- kwaliteiten).” Het tweede punt betreft inhoudelijke expertise:  “Er blijft voldoende inhoudelijke expertise bij de gemeente achter om niet alleen opdrachten te verlenen maar ook om te kunnen beoordelen of opdrachten volgens afspraak zijn uitgevoerd. Medewerkers dienen zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever te ontwikkelen. Dit vereist een cultuurverandering, opleidingstrajecten en ook wel het aannemen van meer commercieel geschoold personeel.” En als derde draait het dan om relatiebeheer: “Het is bovenal een proces waarin de relatie tussen deze partners moet worden onderhouden. Er zijn verschillende sturings- en verantwoordingsrelaties tussen de samenwerkingspartners en de uitvoerende organisaties.”

Hoe beoordeel je nu die geregisseerde ‘broodrooster’? Dat lijkt eenvoudig, je stopt er brood in en als het er geroosterd uitkomt, dan heb je een broodrooster en is aan de opdracht voldaan. ‘The proof of the pudding’ is immers ‘the eating’ zouden de Engelsen zeggen. Maar wat als je een paar uur na het eten van die toch heerlijke pudding met diarree op de wc zit? Of erger nog met voedselvergiftiging in het ziekenhuis ligt? Of in het geval van de broodrooster, als die het na drie keer begeeft. Of enorm veel stroom gebruikt of een op de vier keer voor kortsluiting zorgt of je keuken erdoor in de hens vliegt? En nu vertaald naar gemeentelijke taken, als die balkons van een flat vallen zoals in Maastricht gebeurde? Als er zich een gezinsdrama voordoet zoals in Roermond twintig jaar geleden. Als je gegevens worden gehackt en vergrendeld zoals de gemeente Hof van Twente overkwam. Of erger nog, een ICT drama zoals tien jaar geleden in Amsterdam.

Je kunt die ‘broodrooster’ net als pudding, de balkons, hulp aan gezinnen en ICT-systemen beoordelen door er allerlei kwaliteitseisen aan te stellen. Dat is de weg die gemeenten vaak kiezen. Echter om de goede eisen te stellen en vooral om erop toe te zien dat het werk ook aan de gestelde eisen voldoet, heb je mensen nodig die van de hoed en de rand weten. Die op de vraag wat 5G is, om een voorbeeld van Hubert aan te halen, antwoorden: “het is een snellere mobiele verbinding en je kunt het netwerk ook opsplitsen in verschillende delen.” En niet beginnen over: “zelfrijdende auto’s en medische operaties die nu via robots uitgevoerd kunnen worden.” Die hoed de rand, vragen om meer dan ‘voldoende inhoudelijke expertise’, die vragen om een expert. Maar waarom zou die expert voor een gemeente gaan werken als medewerkers zich: “zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever (dienen) te ontwikkelen?”  Waarom zou die top ICT-er voor de overheid kiezen als zijn salaris gemaximeerd is en nooit boven de ‘Balkenendenorm’ uitkomt terwijl er bij de Tech-bedrijven veel meer is te verdienen? Net zoals belastingspecialisten veel meer kunnen verdienen als ze niet in dienst van de overheid zijn.

Daarmee kom ik bij een TED-Talk waar Rutger Bregman op wees in de discussie onder zijn artikel over altruïsme waarover ik mijn vorige Prikker schreef. Bregman gebruikt die TED-Talk omdat die zijn ogen opende over de hoge salarissen van directeuren van goede doelen waarover hij zich vroeger druk maakte: “maar ik ben erg van mening veranderd na het kijken van deze TED Talk.” In die TED-Talk verdedigt Dan Pallotta de hoge overheadkosten van goede doelen mits ze leiden tot een flinke stijging van de inkomsten voor het goede doel. Als die leiden tot vergroting van het marktaandeel van het goede doel en beter nog, tot vergroting van het totale marktaandeel van alle goede doelen. Dat schijnt in de Verenigde Staten al jaren 2 procent van het BBP te bedragen. ‘Wat als we dat laten toenemen naar 3 procent’, vraagt Pallotta zich af. Een goed punt. Immers een organisatie met 40 procent overhead besteedt aan kwalitatief goede mensen, die 100 miljoen ophaalt, kan meer gedaan krijgen dan een organisatie met 5 procent overhead die 10.000 ophaalt.

En via Pallotta weer bij de overheid. Laat de overheid nu, en dat klinkt raar met de ‘toeslagenaffaire’ in gedachte, in de basis de grootste ‘goede doelenorganisatie’ zijn. In artikel 20 van onze Grondwet is immers vastgelegd dat: “De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart (…) voorwerp (zijn) van zorg der overheid.”  Op grond van artikel 22 treft de overheid “maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid,” bevordert zij voldoende woongelegenheid en: “schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.” Dit allemaal gevolgd door artikel 23 die het onderwijs tot: “de aanhoudende zorg der regering,” maakt.

Zouden we er, Pallotta volgend, niet voor moeten zorgen dat de kwaliteit van de overheid toeneemt? Moeten we in het verlengde daarvan niet anders kijken naar de betaling van overheidspersoneel? Niet als een kostenpost maar als een investering in een goede overhead. Een investering in het binnenhalen en houden van de beste belastingspecialisten, ICT-ers, bruggenbouwers en ook jeugdhulpverleners? Een overheid die voor hen een interessante werkgever is niet omdat ze ‘regisserend opdrachtgever’ zijn maar omdat zelf die brug bouwen, publieke ict-voorzieningen ontwikkelen en kinderen en vooral hun ouders met problemen helpen? Zou daarmee de kans op een tweede “Siewert-zaak’ niet veel kleiner worden? Zou de kans op kostenoverschrijding van een infrastructureel of ICT project niet veel kleiner worden? Zou de kans op een gezinsdrama daarmee niet veel kleiner worden? Zou dan de kans dat ‘Wopke Hoekstra zijn tanden eens gaat poetsen en zijn handen wassen’ zoals Frank Kalshoven in de Volkskrant schrijft toenemen waardoor er vele miljoenen en waarschijnlijk zelfs miljarden aan onterechte belastingkortingen niet worden uitgekeerd en aftrekposten, vrijstellingen en teruggaven geen zoals Kalshoven schrijft: “paradijs voor mensen die er de weg in weten (zijn), want er is niets meer of minder dan een ‘wildgroei’ ontstaan in de belastinguitgaven in Nederland”? Zou die investering in kwaliteit zich niet dubbel en dwars terugbetalen?

Kantelend tunnelperspectief

“Goed dat scholieren dat perspectief leren kantelen.” Dit zegt Jerry Afriyie, de voorman van Kick Out Zwarte Piet over een vraag bij het HAVO-eindexamen geschiedenis. Dit in een de jaarlijkse serie in de Volkskrant waarin bekende Nederlanders een eindexamen maken. Nu is wisselen van perspectief iets wat ik ook al tijdens mijn eindexamen in de jaren tachtig moest doen, dit is niet nieuw. Ook toen werd ons gevraagd om ‘perspectief te kantelen’ om de woorden van Afriyie te gebruiken en een bron van verschillende kanten te bezien. Afriyie geeft echter een bijzondere variant van kantelen.

Bron: Pxhere

Eerst even het voorbeeld dat de instemming van Afriyie krijgt. Hij zegt dit over een vraag waar: “leerlingen een verklaring van een voorlichter van het Nederlandse koloniale leger te lezen (krijgen). Het leger heeft na de Japanse bezetting troepen naar Nederlands-Indië gestuurd om de macht terug te krijgen. De voorlichter noemt de Indonesische vrijheidsstrijders ‘jongens die niet weten wat zij doen’, die Nederlandse steun uit ‘dom wanbegrip’ weigeren. Leerlingen moeten beargumenteren waarom de verklaring een eenzijdige weergave van de realiteit is.”  Zoals gezegd is een dergelijke vraag niet nieuw. Dat kijken vanuit verschillende perspectieven is de kern is van het vak geschiedenis en niet de ‘glorierijke vaderlandse geschiedenis’ debiteren en uit je hoofd leren.

Het wordt bijzonder als Afriyie het betrekt op een andere vraag: “die gaat over de oprichting van de Navo. Leerlingen moeten uitleggen wat er na 1945 in de buitenlandse politiek is veranderd, waardoor Nederland medeoprichter van de Navo werd. Het correctievoorschrift spreekt over het loslaten van de vooroorlogse neutraliteitspolitiek dankzij de dreiging van het communisme.” Afriyie wil er nog een ‘gekanteld perspectief’ aan toevoegen: “Afriyie schrijft liever op dat de Navo een ‘westerse dekmantel is om andere landen aan te vallen’. Daar krijgt hij nul punten voor.” Nu zijn die nul punten correct net zoals het antwoord in het correctievoorschrift. De Navo werd opgericht om het ‘rode gevaar’ te beteugelen, andere landen aanvallen, behoorde niet tot de taken van de Navo. De Navo is opgericht als een defensieve organisatie. De eerste keer dat de organisatie buiten haar grondgebied en dus het defensieve mandaat trad, was in 1999: de KFOR operatie in Kosovo. En die missie was niet op het ‘aanvallen’ van landen gericht. Afriyie slaat de plank mis en krijgt terecht nul punten. Als de organisatie gericht is op ‘het aanvallen van landen’, dan laat ze zeer magere resultaten zien.

Afriyies manier van denken over geschiedenis is zeer bijzonder maar ook weer niet. Afriyie wil het verleden herschrijven, of in zijn woorden ‘kantelen’, naar zijn hedendaagse opvattingen. Geschiedenis als middel om een doel in het heden te bereiken. Nog even en dan stak Ceasar de Rubicon over om de weg te plaveien voor de macht van de techbedrijven. En daarmee kom ik bij het ‘ook weer niet’ want hij gebruikt geschiedenis op precies dezelfde manier die zijn tegenstrevers gebruiken. Tegenstrevers die het ‘glorierijke Nederlandse verleden’ gebruiken om de bijzonderheid van de ‘Nederlandse identiteit en cultuur’ te benadrukken en er ‘trots’ op te zijn.

Afriyie vindt het goed dat ‘scholieren perspectief leren kantelen’ en dat is ook goed. Het lijkt er echter op dat hij dan wel wil dat het ‘perspectief’ zo ‘kantelt’ dat het in zijn tunneltje past.

Verbouwing van de democratie

Ik heb niets met beide partijen en sinds kort moet ik zeggen met alle vier die partijen. Welke ik bedoel? Wel 50Plus en het Forum voor Democratie en sinds kort de afsplitsingen ervan Lijst De Haan of hoe ze zich ook noemt en sinds deze week het ‘Forum Van Haga’. Het zijn de zoveelste afsplitsingen van twee groepen ijdeltuiten. Aan de ene kant de ‘ouderlijst’ die weer doen wat ze waarschijnlijk op school ook deden: het pesten van anderen. En aan de andere kant een clubje omhooggevallen narcisten die niet in de gaten hebben dat narcisme niet werkt in groepsverband. Waarom begin je er dan toch over, zal je je afvragen? Ik begin erover omdat jullie wat nu volgt niet moeten zien als een verdediging van, of opkomen voor een van deze groepen.

De Grondwet 1848 - Maand van de Geschiedenis
Bron: Maand van de geschiedenis

“Het is ongekend dat zoiets gebeurt – zeker in een fractie van één – maar eigenlijk zag iedereen dit natuurlijk al van verre aankomen.” Dit schrijft Michael van der Galien op 6 mei 2021 op zijn De Dagelijkse Standaard over de afsplitsing van Lijst De Haan van 50Plus. Het is inderdaad nog niet voorgekomen dat een eenpersoonsfractie zich afscheidt van haar fractie. Alleen is dat niet waar Van der Galien op doelt. Hij doelt erop dat De Haan haar zetel meeneemt: “Ze wil niets meer te maken hebben met 50Plus. Maar de Kamerzetel die de partij kreeg bij de verkiezingen houdt ze. Want, vindt ze, die komt haar eigenlijk toe, niet de partij.” Woorden die hij een week later niet gebruikt om de afsplitsing van het ‘Forum van Haga’ van het Forum voor Democratie te beschrijven. Een week later, op 13 mei vindt hij die: “Dood- maar dan ook echt doodzonde. Want hoe meer rechts verdeeld is, hoe minder we voor elkaar krijgen, en hoe moeilijker het wordt om onze rechten en vrijheden ooit nog terug te krijgen.” Geen woord over de ‘zetels die de afsplitsers’ meenemen en die eigenlijk de partij toekomen. De ene afsplitsing is blijkbaar de andere niet. Nu kan dat zijn omdat Van Haga veel voorkeursstemmen haalde. Alleen moeten we ons daarbij bedenken dat dit niet zijn eerste ‘afsplitsing’ is. Hij splitste zich in 2019 af van de VVD en die zetel had hij niet te danken aan voorkeursstemmen.

Het meenemen van een zetel na afsplitsing is niet ongekend. Het gebeurt vaker en is in de basis eigen aan de manier waarop we onze democratie hebben vormgegeven. Die gaat uit van Kamerleden die zonder ‘last en ruggespraak’ (artikel 67) stemmen. Ze zijn onafhankelijk maar om gekozen te worden, moeten ze eerst op een kandidatenlijst staan, zo is het in de Kieswet geregeld. Met kandidatenlijst wordt een politieke partij bedoeld. Dit alles hebben we te danken aan de Pacificatie van 1917. De laatste echte verbouwing van ons democratische huis. Tijdens die ‘verbouwing’ werd artikel 23 (vrijheid van onderwijs) opgenomen in de Grondwet en voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel en het censuskiesrecht afgeschaft en politieke partijen (kandidatenlijsten) deden hun intrede.

Even een tussenstap om de achtergronden hiervan toe te lichten. Censuskiesrecht wil zeggen dat je alleen mag stemmen als je meer dan een bepaald bedrag aan belasting betaald. ‘No taxation without representation’, een van de kreten die aanleiding gaven tot de opstand van de Amerikaanse koloniën tegen de Engelsen: de Engelse kroon mocht alleen belastingen heffen als dat in overleg gebeurde met het volk, het parlement. Deze uitspraak gaat terug tot de Magna Carta in 1215. De Amerikaanse koloniën maakten bezwaar tegen belastingen omdat zij niet waren gehoord over bijvoorbeeld de belasting op thee. Dit artikel in de Magna Carta brak de macht van de koning op belastinggebied en staat, zo gaat het populaire Engelse en Amerikaanse vertoog, aan de basis van de parlementaire democratie. Het ‘volk’ dat die macht brak, bestond uit hoge adel en hoge geestelijken en had geen oog voor de gewone boer of landarbeider. Enkele honderden jaren verder, zo na Napoleon, werd diezelfde kreet in ietsjes aangepaste vorm, door de bourgeoisie gebruikt om de macht te behouden. Ze gebruikten dezelfde woorden maar net iets anders: ‘no representation without taxation.’ Pas als je een redelijk bedrag aan belasting betaalde, mocht je stemmen.  En omdat het gros van de mensen geen of slechts heel weinig belasting betaalde, mochten zij niet stemmen.

Dit censuskiesrecht werd dus in 1917 ten graven gedragen en ingeruild voor het algemeen kiesrecht. Een overwinning voor de democraten maar die kwam met een prijs en die prijs dat waren de kandidatenlijsten, de politieke partijen waarmee de gevestigde machten een belangrijk deel van de met het algemeen kiesrecht verloren macht weer terugpakten. Via die partijen, waar zij de touwtjes in handen hadden, behielden ze de macht om zaken in de hun gewenste richting te sturen. Omdat de Nederlandse samenleving tot eind jaren zestig sterk verzuild was, werkte dat heel goed en waren Kamerleden ‘zonder last en ruggespraak’ geen probleem voor de partijen.

Niet dat er vroeger geen afsplitsingen waren, die waren er zeker, echter niet zo vaak. Tussen 1945 en 1980 waren er tien afsplitsingen, twee minder dan in de jaren tien van deze eeuw. In onze huidige tijd ligt dat iets anders. De verzuiling is ten graven gedragen en met haar de stabiliteit in het politieke landschap. We leven in het tijdperk van de ‘zwevende kiezer’ en de ‘continue opiniepeiling’ dat heeft zijn uitwerking op de partijen en de gekozen Kamerleden. In onze huidige tijd met veel redelijk kleine partijen maakt instabiliteit het lastig om tot werkbare meerderheden te komen. En wat erger is, het maakt het heel lastig om belangrijke problemen aan te pakken.

Tijd voor een nieuwe verbouwing van ons democratisch stelsel. Alleen staan de sterren daarvoor niet erg gunstig. Wijziging van het democratische stelsel vraagt om overeenstemming en die is op dit moment ver te zoeken in politiek Nederland. Wijziging van het democratische stelsel vraagt vooral om over de eigen schaduw heen te stappen en die kwaliteit is nog verder te zoeken. Die kwaliteit wordt pas belangrijk, zo laat het verleden ons zien, als de druk zo hoog is dat het buigen of barsten wordt. De Grondwet van 1848 kwam er vreedzaam omdat koning Willem II vreesde om letterlijk zijn ‘hoofd’ te verliezen. De Grondwetswijziging van 1917 kwam er in een tijd dat de wereld, vooral in Europa, in brand stond en de heersende klasse de opstand van arbeiders vreesde.

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Rutte en de leercirkel van Kolb

De leercirkel van Kolb. Van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam met twee tussenstappen. Als eerste bewust onbekwaam: je weet dat je iets niet kunt en je kunt ervoor kiezen om het te leren. Als je ervoor kiest om het te leren en dat lukt dan kom je bij de tweede tussenstap: bewust bekwaam. Als het nieuwe je vervolgens zo vanzelf afgaat dat je er niet meer bij nadenkt ben je onbewust bekwaam. Waarom begin ik hierover? Ik moest hieraan denken in een gesprek onder een artikel van Marc Chavannes bij De Correspondent. Een artikel over de ‘notulen’ en dus de toeslagenaffaire.

brachiosaurus | At Dinosaur World in Cave City, KY | London looks | Flickr
Bron: Flickr

In dat gesprek schreef Patrick Ubags: “Waar het weinig over gaat is dat Rutte bewust geen visie wil formuleren. Zijn eigen extreem korte termijn “olifanten die het zicht belemmeren” houden echter oplossingen voor sociaal-maatschappelijke problemen tegen.” Inderdaad heeft Rutte in 2013 gezegd dat een visie als een olifant is die het uitzicht belemmert. In 2020 had hij er ‘spijt’ van. Hij bedoelde eigenlijk: “Ik wil voorkomen dat ik zo bezig ben met wat ik wil dat ik niet meer kan samenwerken met een ander. Je moet altijd in staat zijn iets te relativeren van je eigen standpunten en te zoeken naar compromissen.” Nu zijn dat twee heel verschillende zaken. Een compromis is immers een: “overeenkomst waarbij alle partijen iets toegeven.” Het hebben van een visie hoeft daarbij niet te hinderen. Het jammere is dat niemand sindsdien aan Rutte heeft gevraagd wat zijn visie dan wel is.

Volgens Ubags: “wordt weinig vooruitgang geboekt, er wordt zelden nog geacteerd vanuit een politieke lange termijn visie op de samenleving. Het is allemaal pragmatisch, de markt die het moet oplossen en vooral de status quo en het materiële welvaren van de grootste groep in stand houden. Weinig moed, veel afschuiven naar anderen en latere generaties. … Wat was eigenlijk het laatste constructieve project dat meer dan een kabinetsperiode duurde en/of gestoeld is op een visie van langer dan een paar jaar ?” Dat er veel wordt afgeschoven of beter gezegd doorgeschoven naar latere generaties, daar ben ik het mee eens. Dat zaken niet meerdere kabinetsperiodes worden volgehouden niet. Wat te denken van de aanleiding tot de toeslagenaffaire: de manier waarop er naar mensen wordt gekeken die een beroep doen op ondersteuning door de overheid als potentiele fraudeurs die met wantrouwen worden bejegend? Dat loopt al sinds Ruding in de jaren tachtig over ‘tante Truus’ begon.

Dat dit ‘visieloos’ gebeurt, dat vraag ik me af. En zo kwam ik bij de leercirkel van Kolb. Het gebrek aan visie bij Rutte en vasthoudendheid klopt niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. Rutte mag het dan wel over een olifant die in de weg staat hebben als hij het over visie heeft, dat wil niet zeggen dat hij visieloos is. Rutte is duidelijk neoliberaal. Het kenmerk van neoliberalen is dat zij hun denken niet als ideologisch gedreven zien. Neoliberalen verkopen hun ideologie op een manier dat het lijkt alsof het geen ideologie is. Ze gebruiken woorden als praktisch, realistisch, normaal en zetten daarmee anderen weg als onpraktisch, idealistisch en abnormaal.

Inmiddels is die ideologie al zo lang dominant dat neoliberalen als Rutte de olifant van anderen hinderlijk in de weg zien staan maar hun brachiosaurus niet kunnen zien. Om de leercirkel erbij te halen hij is onbewust bekwaam neoliberaal. Het hoogst haalbare in de leercirkel. Of toch niet? Wellicht moeten we het precies omgekeerd zien. Een premier die de vernietigende uitwerking van de visie achter zijn beleid niet herkent, kun je natuurlijk ook onbewust onbekwaam noemen. Laat het voorbeeld van de toeslagenaffaire dat niet precies zien?

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.

Bascule

Op de boerderij van mijn vader stond een bascule. Voor degenen die niet weten wat dat is, een bascule is een instrument waarmee je kunt bepalen hoe zwaar iets is. Nu heb je die in verschillende vormen. Op onze bascule kon je aan de ene kant, op het grote plateau, heel zware zakken leggen, bijvoorbeeld een gevulde zak graan. Door er aan de andere kant, op een zwevend plateautje, kleinere gewichten te leggen totdat het evenwicht was bereikt, kon je bepalen hoe zwaar die zak graan was. Op de foto hieronder zie je zo’n bascule. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat ik eraan moest denken bij het lezen van een artikel van Antonie Kerstholt bij Joop over de politieke situatie in Nederland.

Bij bascule moet ik ook meteen denken aan het Veldense stamcafé uit mijn jeugd met die naam. Uitgebaat door Cocky van Genechten en vaak met de ongeëvenaarde barman Sjaak met de snor achter de bar. Bij binnenkomst stond je glas bier al klaar, ze hadden gezien dat je je fiets parkeerde en dat stond gelijk aan een eerste bestelling. Dit even tussendoor. Terug naar Kerstholt

Kerstholt schrijft, met als aanleiding het openbaar worden van kabinetsnotulen over de toeslagenaffaire, over macht en tegenmacht, tot nu toe het woordenpaar van het jaar van politiek Nederland. Kerstholt: “Een foute bestuurscultuur, het ontbreken van feitelijke tegenmacht, bewindslieden die liegen of aan selectief geheugenverlies lijden als hen dat uitkomt en het moeten openbaren van kabinetsnotulen omdat ministers niet meer worden vertrouwd, illustreren het immense verval van onze huidige democratie en rechtsstaat.”  Dit roep bij Kerstholt de vraag op of: “de kwaliteit van onze democratische samenleving hersteld (kan) worden door dezelfde bewindspersonen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het verval van onze rechtsstaat? Die vraag rijst op dit moment over het aanblijven van Rutte, Kaag en Hoekstra.” Die vraag stellen velen zich, maar is het wel de juiste vraag?

Kerstholt kijkt voor het herstel van het vertrouwen naar de macht, die moet anders, transparanter. Om het met de bascule en de zak graan te vergelijken: hij kijkt naar die zak graan op het grote plateau en vraagt zich af of daar niet minder of ander graan in moet worden gelegd. Of de zak niet van ander materiaal gemaakt moet worden, geen ouderwetse jutte zak zoals vroeger, maar plastic waar doorheen je kunt zien wat erin zit. Hij concentreert zich op het verzwakken van de macht.

Evenwicht, dat laat de bascule zien, kun je echter ook bereiken door de andere kant te verzwaren. Leg op het kleine zwevende plateau meer of zwaardere gewichten en de bascule komt in evenwicht. Nu hoeft de macht van de Tweede Kamer niet te worden uitgebreid. In theorie heeft die Kamer alle mogelijkheden om een regering in het gareel te houden. Op papier ziet het er goed uit, de praktijk laat te wensen over. In de praktijk zien we dat een deel van de gewichten op het kleine plateau als het eropaan komt, van het zwevende plateau springen. Ze leggen hun gewicht niet in de schaal.  Het probleem ligt niet bij de macht, die maakt gebruik van de ruimte die zij krijgt. Het probleem ligt bij de tegenmacht: onze volksvertegenwoordiging die haar rol niet pakt. Bij volksvertegenwoordigers die om partijpolitieke redenen van het ‘zwevende plateautje’ springen omdat anders het kabinet in de problemen komt.

Kerstholt schreef voordat die notulen openbaar werden. Nu ze openbaar zijn besteden de verschillende media weer ruim aandacht aan ministers die dit of dat zeiden in de betreffende kabinetsvergadering en maakt de Kamer zich weer op voor een debat met de betreffende bewindslieden. Allemaal leuk maar waar de Kamer zich voor moet opmaken is een debat met zichzelf. Zij moet eens reflecteren over haar rol en positie en over de manier waarop we nu onze democratie vormgeven. Een manier die, zoals ik recentelijk betoogde, is geënt op het Nederland van 150 jaar geleden en die dringend toe is aan een modernisering.

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.