De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“En laten wij concluderen dat de regeldruk onder Frans Timmermans gewoon verder is toegenomen.” Met die zin sluit Rutger van den Noort zijn artikel op de site Opiniezover de Europese regeldruk en de rol van Frans Timmermans daarin, af. De Europese Commissie wilde ‘dereguleren’ en Timmermans kreeg de taak daarvoor te zorgen.
“In de periode-Timmermans kwamen er van 2015 tot en met 2018 5268 EU-regels bij,” schrijft Van den Noort. Dat zijn er minder dan de vier jaar ervoor maar, zo constateert: “De teller had op een negatief aantal nieuwe wetten moeten staan. Voor iedere goede ingediende wet zouden een paar andere wetten moeten zijn vervallen. Met een ‘wegstreepwet’ had je gemakkelijk een hele serie andere wetten kunnen liquideren. Maar dat is niet gebeurd.” En hij concludeert: “Nu we bijna vijf jaar later het net ophalen, zien we dat er niets van terecht is gekomen.”
Nu is de EU hierop geen uitzondering en dat constateert Van der Noort ook. Ook in Nederland zijn er: “ 1000 regelingen bijgekomen de laatste tien jaar” En ook in de VS: “dan zien we dat er vorig jaar weliswaar een piek van 442 nieuwe wetten bijkwam, maar dat de trend al jaren dalend is. Zo lag het aantal nieuwe wetten in de jaren ‘80 nog op 600 per jaar.” Een dalende trend, maar als je die vergelijkt met de 1000 in tien jaar in Nederland, dan zijn het er in een jaar nog altijd ruim vier keer zoveel. En dat in een land dat geregeld door ‘politieke twisten’ is verlamd.
Nu kun je je afvragen of je moet streven naar minder regels. Ja, regelvermindering klinkt leuk en het scoort goed in de publieke opinie. Maar toch. Eens even luisteren naar de Zuid Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. In zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme behandelt hij ook de regeldruk. Op pagina 220 stelt hij een interessante vraag: “In het begin van de jaren negentig publiceerde het in Hongkong gevestigde Engelstalige zakenblad Far Eastern Economic Review een speciaal nummer over Zuid Korea. In een van de artikelen verbaasde het blad zich over het feit dat hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent per jaar was gegroeid. Hoe was het mogelijk? Hoe kan een land met een zo verstikkend stelsel van regelgeving zo snel groeien?”
Gelukkig beantwoordt hij de vraag in de volgende pagina’s. Zijn eerste verklaring: “… in een land dat snel groeit en waar zich voortdurend nieuwe zakelijke kansen aandienen, weerhoudt zelfs de rompslomp van 299 vergunningen zakenmensen er niet van een nieuw project op te starten. Wanneer er daarentegen weinig valt te verdienen als de zaak eenmaal rond is, zullen zelfs 29 vergunningen te veel zijn.” Dus als we er maar voor zorgen dat het aan het einde loont, belemmeren regels niet.
Chang gaat verder: “ Een belangrijke reden waarom sommige landen waar het bedrijfsleven zwaar gereguleerd is het economisch heel goed hebben gedaan, is dat veel regels in feite goed zijn voor bedrijven.” Dat lijkt helemaal in strijd met de algemene opvatting dat reguleren belemmert. Gelukkig verduidelijkt Chang zich: “regulering (kan) bedrijven (…) helpen door te voorkomen dat ze de basis van hun voortbestaan op lange termijn ondermijnen.” Denk bijvoorbeeld aan milieumaatregelen die uitputting of vernieling van de omgeving voorkomen zoals regels tegen overbevissing. Maar ook regels tegen kinderarbeid of te agressieve verkoop van leningen. En zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te noemen van regels die helpen.
“Veel regulering helpt de gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen,” zo betoogt Chang. Ik zou aanvullend hierop willen zeggen: ‘zo helpt regulering ook om mensen tegen bedrijven en elkaar te beschermen, terwijl andere regels ons dwingen om dingen te doen waardoor onze samenleving ook op termijn leefbaar te houden.’ En daarom, om met Chang af te sluiten: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.”
“Raad een getal in een reeks van 0 tot en met 100 zodanig dat je keuze zo veel mogelijk overeenkomt met twee derde van de gemiddelde gok van alle deelnemers aan deze wedstrijd.” Aan de hand van dit raadsel op pagina 229 legt Richard Thaler in zijn boek Misbehaving het functioneren van de financiële markten uit. Om te ‘verdienen’ op die markt moet je immers een inschatting maken van wat anderen op die markt gaan doen. Anderen die eenzelfde inschatting proberen te maken.
Thalers boek beschrijft de ‘opkomst en ontwikkeling’ van de gedragseconomie. Een economische discipline die eind vorige eeuw opkwam. Gedragseconomen kijken, net als psychologen naar het gedrag van mensen. Dat gedrag blijkt veel minder rationeel dan waarvan de toen gangbare economische theorie uitging. Die toen gangbare economische theorie is de nu nog steeds dominante neo-liberale. Een theorie die de mens ziet als een volkomen rationeel handelend mens. In navolging van Thaler, voordat je verder leest, geef eerst eens antwoord op de vraag en om je op weg te helpen: “stel dat er drie spelers zijn die respectievelijk 20, 30 en 40 kiezen. De gemiddelde gok is dan 30 en twee derde daarvan is 20. Degene die 20 kiest, wint dus.”
Ik stel die vraag omdat ik me afvraag of populistische politici niet ook een dergelijke vraag gebruiken om zich te profileren. Die vraag zou dan luiden: ‘neem het standpunt van de gemiddelde Nederlander, overdrijf dat standpunt naar de jou gewenste kant en vent het uit’. Door die overdrijving wijk je af van het gangbare en dat genereert bijna automatisch aandacht. Nou ja afvragen, eigenlijk constateer ik dat het zo werkt.
Als dit naar alle kanten gebeurt, verandert er niets aan het gemiddelde standpunt. Als er naar maar één kant wordt overdreven, dan verschuift het gemiddelde standpunt naar die kant. Nu zien we tegenwoordig populisme naar alle kanten. Kunnen we daaruit concluderen dat de ‘schade’ dan meevalt omdat het gemiddelde standpunt niet verandert of is die conclusie voorbarig?
Daarvoor moeten we een stapje verder doorredeneren. Stel Jan ‘overdrijft’ naar ‘rechts’ en krijgt een groep mensen mee. Dan zitten er binnen die groep vast enkele mensen die ook een stuk van de cake willen en die overdrijven nog verder naar ‘rechts’. Dan moet Jan ook weer een stap zetten en eindigt de groep steeds verder ‘rechts’. Aan de andere kant ‘overdrijft ‘Piet’ naar links en daar gebeurt hetzelfde. Het resultaat mag dan zijn dat het standpunt van de gemiddelde Nederlander niet is gewijzigd, Er zijn echter wel steeds minder Nederlanders die zich in dat gemiddelde standpunt herkennen en die het kunnen en willen verdedigen. Dat lijkt mij problematisch.
Als ik naar de ontwikkelingen in onze samenleving kijk, dan zie ik dit patroon. Dan zie ik steeds meer extremen die steeds verder van elkaar afstaan en steeds minder ‘gemiddelden’. Extremen die elkaar steeds meer verketteren en ‘ontmenselijken’. Een zorgelijke ontwikkeling.
Een uitkomst die is te vergelijken met de uitkomst van het raadsel waarmee ik begon. Thaler gebruikt het raadsel om aan te tonen dat ‘beter inschatten’ dan anderen niet kan als iedereen rationeel handelt. Want als iedereen rationeel en logisch doorredeneert dan geeft iedereen het antwoord 0, het meest ‘extreme’ antwoord. Waarom? Als iedereen een willekeurig getal kiest, dan zal het gemiddelde 50 zijn. twee derde daarvan is 33. Dat is logisch en volledig rationele mensen zullen zo redeneren. Logisch doorredenerend zal iedereen dit concluderen en dan is het gemiddelde antwoord 33, twee derde van 33 is 22. Als iedereen volledig rationeel denkt, dan zal iedereen tot die conclusie komen en vervolgens weer rationeel en logisch concluderen dat het antwoord twee derde van 22 en dus 15 zou moeten zijn. Als je zo maar lang genoeg logisch doorredeneert dan kom je bij 0 uit.
Een ontwikkeling waarop het begrip rationele irrationaliteit van John Cassidy van toepassing is. In zijn boek Wat als de markt faalt omschrijft hij op pagina 159 rationele irrationaliteit als: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn,” leidt. Als we dit vertalen naar het handelen van ‘Jan’ en ‘Piet’ dan willen zij gekozen worden en zoveel mogelijk invloed. Met dat in het achterhoofd is het rationeel om te kiezen voor ‘overdrijven’, voor populisme. Het resultaat ervan is een samenleving zonder ‘samen’. Zoals al gezegd een zorgelijke ontwikkeling. Bij deze ontwikkeling moet ik denken aan een parabel van de Chorekee-indiaan en zijn kleinzoon. De oude indiaan vertelde: ‘Er speelt zich een gevecht in mij af. Het is een gruwelijk gevecht tussen twee wolven. De een is slecht, boos, hebzuchtig, jaloers, arrogant en laf. De ander is goed – hij is gelukkig, rustig, liefdevol, aardig, hoopvol, bescheiden, gul, eerlijk en betrouwbaar. Deze wolven vechten ook in jou en in ieder ander persoon.’ Toen de kleinzoon daarop vroeg welke wolf er zou winnen, antwoordde de oude indiaan: ‘diegene die je voedt’. Worden er niet veel slechte wolven gevoed?
In de Volkskrant een groot interview met Melissa Gates. Samen met haar man: “de gulste weldoeners uit de geschiedenis,” zo schrijft interviewer Jonathan Witteman. Hoe Witteman dat heeft bepaald en of dat dus werkelijk zo is wordt niet duidelijk, maar daar gaat het mij niet om. Waarom wel? Om enkele bijzondere uitsprake van Gates.
Over filantropie bijvoorbeeld. “Daaraan wil ik wel toevoegen dat er absoluut een belangrijke rol is weggelegd voor filantropie. Bill en ik hebben altijd geloofd dat filantropie een katalyserende werking kan hebben. Wij kunnen risico’s nemen en dingen uitproberen. We kunnen bijvoorbeeld investeren in een vaccin dat misschien wel of misschien niet fase twee of drie van het klinisch onderzoek gaat halen. Dat soort risico’s wil je met belastinggeld niet nemen. En als het vaccin goed blijkt te werken, kan de overheid instappen om de boel op te schalen en het vaccin voor iedereen beschikbaar te maken.”
Een wel heel bijzondere redenering. Want laat de werkelijkheid niet zien dat ‘dat soort risico’s juist door overheden worden genomen. En dan niet alleen op het gebied van vaccins maar ook op het gebied van de core business van techbedrijven. Dat de overheid niet juist een stap terug doet als er ‘opgeschaald’ moet worden? Zoals Mariana Mazzucato in het boek De ondernemende staat aantoont, zijn alle ‘ingrediënten’ van bijvoorbeeld onze mobiele telefoon het gevolg van overheidsinvesteringen. Het enige wat Jobs en alle andere tech-goeroes nog moesten doen was het vermarkten ervan. Gaat het zo niet ook met alle nieuwe medicijnen? Worden die niet ontwikkeld op door de overheid gefinancierde universitaire onderzoekscentra en bij te verwachten succes ‘opgekocht’ door het bedrijfsleven? Het bedrijfsleven dat de opgekochte patenten vervolgens flink te gelden maakt?
Geld dat vervolgens liefst uit de ‘klauwen’ van de belastingdiensten moet worden gehouden. Want zoals Gates betoogt: “Het is de taak van een bedrijf om zo veel mogelijk winst te genereren voor zijn aandeelhouders. Dan is het logisch dat bedrijven gebruikmaken van de gaten in het Amerikaanse belastingbeleid en winsten verplaatsen naar andere landen, want dat betekent meer geld voor de aandeelhouders.” Ik dacht altijd dat een bedrijf draaide om het maken van een kwalitatief goed product dat de klant, de koning, blij maakt? Als winst werkelijk de drijfveer is, waarom dan nog producten maken? Dan kun je net zo goed in geld gaan handelen. Nu is dat ook wat er gebeurd. Neem bijvoorbeeld de autofabrikanten. Die bieden je een lening aan bij de koop van je auto. Naast fabrikant zijn ze ook bankier en als bankier verdienen ze meer dan met de auto die ze je verkopen. Het product is zo een middel om in geld te gaan handelen. En het voordeel van geld is dat het geen productiekosten heeft. Je typt wat getallen in een computer en het is er.
Een wel erg smalle taakopvatting van die helaas, zoals gezegd, door veel bedrijven wordt aangehangen. Is dat niet het werkelijke probleem? Een probleem dat er de oorzaak van is dat de Gatesjes, de Bezosjes, de Zuckerbergjes en al die andere superrijken er zo warmpjes bijzitten? Aan de ene kant profiteren van de investeringen van de belastingbetaler. Vervolgens die belastingbetaler als consument een poot uitdraaien door absurde prijzen te vragen voor de producten en vervolgens de consument en belastingbetaler als burger nogmaals uitmelken door belastingen te ontwijken. En dan als ‘filantroop’ goede sier maken.
Trouwens niet alleen als filantroop. Ook als pleiter voor hogere belastingen: “Bill en ik hebben al meermaals gepleit voor hogere belastingen voor de rijken in Amerika. Het is hoog tijd om het Amerikaanse belastingbeleid opnieuw tegen het licht te houden, want het systeem klopt niet, met als gevolg de grote ongelijkheid die nu in de Verenigde Staten heerst.” Is dat ‘pleidooi’ niet wat gratuit als je als ondernemer er alles aan doet om juist geen belastingen te betalen? Niemand verplicht je om als bedrijf de belastingen te ontwijken. Dat is een keuze en de bedrijven waar deze ‘filantropen’ eigenaar van zijn kiezen er bewust voor. Ze zouden ook een andere keuze kunnen maken.
Je kunt er de klok op gelijk zetten. Waarop? Op de VVD. Eens in de zoveel tijd roept een VVD’er weer dat werklozen verplicht aan de slag moeten. Deze keer moeten ze aan de slag als vakkenvuller in supermarkten. “Meer dan een miljoen Nederlanders zoeken nog werk. Gemeenten en het UWV moeten die mensen helpen. Het voelt vreemd om arbeidsmigranten te laten invliegen; bied eerst werk aan aan Nederlanders,” aldus VVD-kamerlid Dennis Wiersma bij de NOS.
Wiersma reageerde op berichten dat de vakken in sommige supermarkten ’s nachts worden gevuld door Polen. Die vakken ’s nachts vullen gaat sneller omdat er dan geen publiek in de winkel loopt. Een vertegenwoordiger van het Centraal Bureau Levensmiddelen geeft aan dat de supermarkten niet actief zoeken naar Polen. Wel zijn er supermarkten die kampen met een tekort aan vakkenvullers.
Nu vierde de dochter van vrienden laatst haar achttiende verjaardag. Een heuglijke gebeurtenis in het leven omdat je dan volwassen wordt. Je wordt voor de wet zelfstandig, mag gaan stemmen en zo zijn er nog meer zaken zoals legaal alcohol drinken en kopen. Aan de andere kant moet je ook wat, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van een ziektekostenverzekering. Helaas voor de dochter van onze vrienden, betekende de start van haar negentiende levensjaar ook meteen haar ontslag als medewerkster bij de Appie in de buurt. Toch vreemd dat een sector die klaagt over te weinig arbeidskrachten, iemand op straat zet alleen omdat ze achttien wordt.
Alhoewel vreemd. Sinds 2017 wordt het minimumjeugdloon stapsgewijs verhoogd. Nee niet voor alle jeugdigen, alleen voor jeugdigen van achttien en ouder. Voor een zeventienjarige verandert er niets, die verdient nog steeds 39,5 procent van het wettelijk minimumloon. Maar daar waar je voorheen pas op je drieëntwintigste in aanmerking kwam voor het wettelijk minimumloon, kom je dat nu al met tweeëntwintig en vanaf 1 juli al met eenentwintig jaar. En als we naar een achttienjarige kijken, dan kreeg die voor 1 juli 2017 45,5 nu 47,5 en vanaf 1 juli 2019 50 procent van het minimumloon.
Zou dat een verklaring zijn voor het ontslag van de jonge dame? En, zou dat ook een verklaring kunnen zijn voor het tekort aan vakkenvullers? Zou het streven naar winst voor de aandeelhouders en de eigenaren hier een verklaring voor zijn? Zou het streven naar zakkenvullen het vakkenvullen belemmeren?
Zoals bijna iedere zaterdag, bracht ik ook vandaag weer een bezoek aan de bakker. Met brood, een krentenbrood, harde en zachte broodjes en croissants in de speciale tas van bakker Rutten liep ik van de Parade naar huis. Me verheugend op de lunch. Ik sloeg de hoek om naar de Grote kerkstraat en schrok me een hoedje. Ik dacht daar zul je het hebben, het eerste protest van de gele hesjes in Venlo.
Al snel zag ik dat er iets niet klopte. De hesjes waren oranje. Zou het een nieuwe projectgroep zijn? Een afscheiding die zich niet helemaal kan vinden in het protest van de gele hesjes en daarom met oranje hesjes de straat op gaat. Geen onmogelijk scenario in deze tijden van ‘identiteitspolitiek’ waarbij de nadruk wordt gelegd op verschillen. Maar nee, het was geen ‘afscheidingsbeweging’ want ze droegen geen spandoeken met zaken waar ze tegen waren. Ze droegen vuilniszakken en knijpers en raapten de rommel op. Ze maakten de straten en de stad schoon. ‘Venlo schoon, heel gewoon’ stond op de door de gemeente Venlo beschikbaar gestelde vuilniszakken. Een prachtig voorbeeld van participeren, je betrokken voelen bij het wel en wee in je omgeving en je inzetten voor de samenleving. En dat allemaal als vrijwilliger. Hulde voor deze vrijwilligers zullen gemeentebestuur en -raad van de gemeente, in dit geval Venlo, zeggen.
Maar toch. Jaren geleden was stratenveger nog een beroep. Met handkar en bezem veegde hij, het overgrote deel van de statenvegers was man dus maak ik er een hij van en bied ik meteen mijn excuses aan de eventuele vrouwelijke stratenveger aan, de straten schoon. De stratenveger kreeg hiervoor betaald. Niet veel, maar het was een manier om je brood te verdienen. Zoveel waardering als de gemeentelijke overheid nu geeft aan die vrijwilligers, zo weinig waardering kon er worden opgebracht voor het werken van de stratenveger. In tijden van bezuiniging was hij een van de eersten die sneuvelde en werd wegbezuinigd. We, de gemeenschap, vonden de kosten van zijn activiteiten, zijn salaris, niet opwegen tegen de baten, een schone straat. Hij werd werkloos.
Maar ja, die rommel op straat, dat is ook geen gezicht. Zo ‘gewoon’ is een ‘schoon Venlo’ niet. Dat stoorde ons, de gemeenschap, en daarom wordt naar alternatieven gezocht. Een van die alternatieven is het inzetten van mensen in de bijstand. Om die ‘luieriken’ een ‘dagritme en arbeidsethos’ bij te brengen, worden ze her en der ingezet om vuilnis te prikken. Wellicht zit er tussen die bijstandsgerechtigden nog een voormalige stratenveger en kan hij nu om zijn veel lagere uitkering te behouden, stratenveger onder begeleiding. Dit terwijl hij het vroeger zelf kon.
Een ander alternatief liep ik dus vandaag tegen het lijf. Vrijwilligers die, met door de gemeenschap beschikbaar gesteld materiaal, de pleinen, straten en parken schoonmaken. Deze vrijwilligers krijgen, zoals gezegd, iets wat de oude stratenveger en zijn ‘bijstandsgerechtigde’ opvolger niet krijgen: waardering, lof en de complimenten.
Als we het vanuit de economie beredeneren, dan ligt het anders. Die vrijwilligers dragen nul komma nada bij aan het bruto binnenlands product, het bbp. Ook de ‘extra activiteit’ van de bijstandsgerechtigden draagt er niets extra’s bij. Zij krijgen nog steeds hun bijstandsuitkering. De stratenveger droeg vroeger wel extra bij aan het bbp. Zijn salaris was immers hoger dan de bijstand. Als we de groei van het bbp zo belangrijk vinden dan zouden we weer terug moeten naar de betaalde stratenveger. Een interessante invalshoek als je het bbp en de groei ervan belangrijk vindt.
Bij het zien van dat groepje ‘oranje hesjes’ moest ik weer denken aan het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Ik schreef er gisteren en vorige week ook al over. Ik moest aan dit boek denken omdat er in de zorg en ondersteuning van mensen iets soortgelijks gebeurt. Ook in de zorg en ondersteuning van kwetsbare mensen wordt ernaar gestreefd om veel meer vrijwilligers en mantelzorgers in te zetten. De auteurs concluderen uit hun onderzoek dat: “De beperking van de kosten voor de verzorgingsstaat en een grotere aanspraak op het eigen sociale netwerk worden gepresenteerd als dermate onvermijdelijk en noodzakelijk dat debat daarover mogelijk noch nodig is.” Gecombineerd met: “een verhaal over wat ‘de’ burgers eigenlijk wensen, namelijk om meer zelf te doen en meer voor elkaar te doen. Het idee dat de beperking van professionele hulp niet alleen noodzakelijk maar ook door allen gewenst is,” maakt dat nauwelijks serieus wordt gekeken wat er werkelijk aan de hand was. En wat was dat volgens de auteurs: “De voorkeuren van diverse (hoger en lager opgeleide, mannelijke en vrouwelijke) burgers (…) in omgekeerde richting veranderd (zijn), … Tussen 2002 en 2011 nam onder al deze verschillende groepen (in uiteenlopende mate) de voorkeur voor een ‘warmmodern zorgideaal’ (met vooral informele zorg) af en die voor een ‘koudmodern zorgideaal’ (met vooral professionele zorg) toe.”
Eigen foto
Dit gebrek aan discussie en zicht op de werkelijkheid op het beleidsniveau heeft zijn effect op de werkvloer. Zo wordt de inzet van vrijwilligers beleidsmatig onderbouwd met de bewering dat: “informele hulpverleners meer continuïteit zouden bieden en met meer creatieve en passender oplossingen zouden komen.” De auteurs: “Deze vermeende voordelen van de huiselijke wereld zijn we in de praktijk overigens weinig tegengekomen. Aanspreken van het netwerk was in sommige gevallen van waarde voor de cliënt, maar niet omdat er betere kwaliteit of continuïteit werd geboden. Wat het vooral opleverde, in die gevallen dat het goed ging, was meer begrip en communicatie.” Wat zij wel zagen: “In voorlichtingsmateriaal aan professionals wordt bijvoorbeeld over professionals gesteld dat het niet gaat om wat je weet maar om hoe je bent. Je persoon is belangrijk, niet je kennis. De professional deugt voor zover hij of zij een ‘professionele vriend’ is. Maar zelfs als professionals zich zo ‘onprofessioneel’ mogelijk voordoen, worden naasten nog vaak door het beleid gezien als betere hulpverleners.” Dit, zoals de auteurs het noemen, huiselijke vertoog is: “een aanslag op de professionaliteit van mensen die betaald zorg en hulp verlenen. Zij krijgen immers te horen dat anderen, zonder enige opleiding, hun werk ook wel kunnen doen.” Net zoals de vrijwilligers die ik tegen kwam ‘betere stratenvegers’ worden gevonden.
“Ironisch is dat onder professionele organisaties jarenlang grote onzekerheid en discontinuïteit is gecreëerd door marktwerking en aanbesteding. Organisaties en de daar werkende professionals weten daardoor vaak niet of ze het volgende jaar dezelfde cliënten nog wel mogen helpen. Wordt hun organisatie de aanbesteding gegund, wordt hun tijdelijke contract verlengd? Deze arbeidsonzekerheid krijgen ze nu als gebrek aan kwaliteit in hun gezicht geworpen: het netwerk is beter want het biedt meer continuïteit. Als we continuïteit zo belangrijk vinden, waarom wordt het werk dan niet zo georganiseerd dat professionals deze continuïteit kunnen bieden?” vragen de auteurs zich af. Een interessante vraag die we ook met betrekking tot een schone buitenruimte en de stratenvegers kunnen stellen.
“Het tekort aan leraren is een urgente kwestie die om onorthodoxe maatregelen vraagt,’ zo concludeert Peter Giesen in het Commentaar in de Volkskrant. Dit naar aanleiding van de carrièreswitch van Merel van Vroonhoven. Van Vroonhoven verlaat haar post als bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markt om docent te worden.
“Als het basisonderwijs inderdaad aantrekkelijker wordt door een hoger salaris, zullen meer studenten voor de pabo kiezen, maar het duurt minimaal vier jaar voordat zij voor de klas staan. Ook zij-instromers hebben eerst een opleiding nodig, temeer daar de Onderwijsraad constateerde dat hun didactische vaardigheden vaak tekortschieten.” Aldus Giesen en daarom zoekt hij naar die ‘onorthodoxe maatregelen’. Waaraan hij denkt: “Het basisonderwijs beschikt over een grote stille reserve. Zeven van de tien leraren werken, in deeltijd, vaak drie dagen. Als zij verleid kunnen worden om meer uren te werken, bijvoorbeeld door een premie of andere voordelen, staan er meteen meer mensen voor de klas en kan de werkdruk afnemen, zeker als de overheid de regeldruk en bureaucratie zo veel mogelijk terugsnoeit.” Hij concludeert dat er: “veel haken en ogen (aan deze maatregel zitten) maar zij is effectiever dan een salarisverhoging voor alle leraren die heel duur is en hooguit op termijn resultaat oplevert.”
Als die zeven van de tien meer gaan werken dan biedt dat inderdaad een oplossing. Maar toch, denkt Giesen niet wat te gemakkelijk. Laten we eens een school nemen met tien leerkrachten waar werk is voor twaalf waarvan er drie volledig werken. Stel die zeven anderen worden verleid met een premie en ‘arbeidsverlichting’ door het wegnemen van bureaucratie? Wie moet dat ‘bureaucratische werk dan doen? Dat moet immers ook gebeuren? Maar vooral hoe zouden die drie die al volledig werken dat vinden? Die krijgen geen premie en arbeidsverlichting, ze werken immers al voltijds en hoeven niet te worden verleid. Als een van die drie zou ik me behoorlijk, om het op z’n Venloos te zeggen, ‘in de tes gezeikt’ voelen (voor de niet Venlonaren (belazerd voelen). Ik kreeg dan immers minder voor zwaarder werk want ik heb geen ‘arbeidsverlichting’.
Omdat er toch een tekort is, zou ik op een andere school solliciteren als parttimer zodat ze mij kunnen ‘verleiden’ tot fulltime werken met ‘arbeidsverlichting’. Als iedereen dat doet, dan betekent dit dat het salaris van een fulltimer stijgt, zijn werkdruk daalt en dat er mensen moeten worden aangenomen voor dat ’bureaucratische werk’ Dan is het toch eenvoudiger om meteen de salarissen te verhogen en ‘bureaucraten’ aan te nemen.
“Onzekerheid over een dak boven je hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijk zorg, een sluitend ‘huishoudboekje’ en schulden verminderen het welzijn van mensen en beperken de mentale ruimte om een weg uit deze situatie te vinden” De eerste zin uit Gemeenten: een toekomst zonder werkende armen een notitie met het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG). In deze notitie die ik vandaag las, formuleert de VNG acht concrete maatregelen om armoede onder werkenden aan te pakken.
Wat is het probleem? De VNG: “Uit de recente SCP-studie blijkt dat er in 2014 ongeveer 320.000 werkende armen (4,6% van alle werkenden) waren. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. In Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. Er bestaan in Nederland verschillende definities van (het risico op) armoede en werkende armen. Gemeenten zien op basis van hun armoedemonitor dat er meer groepen in de gemeente niet rond kunnen komen van hun besteedbaar inkomen. Ook deze inwoners rekenen gemeenten tot de doelgroep werkende armen.” Mensen met werk die niet rond kunnen komen van hun inkomen.
Zoals gezegd, stelt de VNG acht maatregelen voor. Als eerste, een open deur, een integrale aanpak: “Het is van belang om armoede niet alleen aan te pakken via het klassieke armoedebeleid – door het bieden van inkomen, inkomensondersteunende en participatiebevorderende voorzieningen – maar ook via ambities op andere beleidsterreinen zoals de betaalbaarheid van de energietransitie en voldoende betaalbare woningen of doelstellingen op het terrein van zorg & gezondheid”
Als tweede wil de VNG: “de uitkeringsgerechtigden inkomenszekerheid kunnen bieden.” De VNG wil dit bereiken door: “snelle en juiste verrekening van inkomsten uit (deeltijd)werk van belang, temeer daar deze doelgroep veelal maandelijks wisselende inkomsten heeft.” Om dat mogelijk te maken heeft de VNG een aantal wensen. Als derde wil de VNG een advies van werkgevers en vakbonden over de bestaanszekerheid voor mensen met lage en middeninkomens. Een advies om de ‘structurele oorzaken’ aan te pakken. Dit advies moet met directe betrokkenheid van gemeenten tot stand komen.
Als vierde moet het systeem van toeslagen en voorzieningen eenvoudiger. De vijfde maatregel richt zich op een sociale Rijks incassobeleid. Als zesde vragen de gemeenten hulp om de armen te bereiken. Die hulp moet in de vorm komen van het CBS, het CPB en het SCP. Als zevende moeten belemmeringen rond de privacy en gegevensuitwisseling worden weggenomen.
Als laatste: “Kleine oproepcontracten en banen die meer lijken op zzp-constructies (zonder goede secundaire arbeidsvoorwaarden als vervoer/opleiding/persoonlijke ontwikkeling) vergroten het risico dat huishoudens snel onder de armoedegrens terecht komen.” Dus werkgevers, ook gemeenten.
Een goed streven om armoede onder werkenden te verminderen en liefst te voorkomen. Zou een basisinkomen hierbij kunnen helpen? Dat is de meest integrale aanpak, geeft inkomenszekerheid zonder de noodzaak tot verrekening en de ervoor benodigde bureaucratie. Dat biedt bestaanszekerheid, maakt een onderzoek door werkgevers en vakbonden overbodig en pakt de ‘structurele oorzaken’ aan. Het bereikt alle armen zonder dat CBS, CBP en SCP ook maar iets hoeven te doen. Het kan zonder belemmeringen rond privacy en gegevensuitwisseling worden uitgekeerd. En als laatste, het is een goede sociale verzekering in tijden van flexwerk en ZZP’ers.
Vandaag het vierde deel in de reeks Denken over economie. In het eerste deel stond de klassieke economie met Adam Smith in de hoofdrol centraal. Het tweede deel handelde over de invloed van Karl Marx. In het derde deel stond de opmerkelijke econoom John Maynard Keynes centraal. Daarmee zijn we aangekomen bij het denken over economie dat tegenwoordig dominant is, het neoliberalisme. Maar voordat ik dat ga behandelen, een korte uitweiding over rationalisme en empirisme.
Eigen foto
Naar het nu
In de vorige drie delen heb ik aan de hand van vier belangrijke denkers het denken over economie op hoofdlijnen kort besproken. Wat hierbij opvalt is dat er twee uitersten aan denkers over de economie te onderscheiden zijn. Aan de ene kant de wensdenkers, die hebben een visie op de werkelijkheid en proberen de werkelijkheid vervolgens in die visie te passen. Deze manier van denken hindert bij het zoeken naar oplossingsrichtingen voor de problemen. Die manier doet denken aan de manier waarop de Europese landen zich voorbereidden op de Eerste Wereldoorlog. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verwachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren en waar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen. Bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid zich volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon. Aan de andere kant economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort. Veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de ‘oorlogsplanners’ en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is de eeuwenoude strijd tussen rationalisten (hier de wensdenkers) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel. Rationeel heeft hier de betekenis van een theoretisch denkkader dat de werkelijkheid moet benaderen. Dat staat tegenover empirisme, een manier van denken die de waarneming centraal stelt en die probeert te verklaren.
Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček (De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218) is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld. Sedláček geeft de kern van dat denken als volgt weer (pagina 209):”De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is ergeen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.” Het voorbeeld Keynes leert ons dat het anders kan als we tenminste kijken naar wat er werkelijk gebeurt. Dit is de belangrijkste les die we van Keynes kunnen leren. Veel navolgers van Keynes lijken meer op rationalisten die de werkelijkheid door hun ‘Keynesiaanse’ model of systeem willen gieten. Sedláček over dit denken in systemen en ‘wiskundige modellen (pagina 213):”Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”
Met het behandelen van deze denkrichtingen hebben we alle ingrediënten die nodig zijn om, zoals Keynes ons leert, de huidige situatie te bestuderen. De klassieke economen introduceerden het eerste ingrediënt, de belangrijke rol van de markt in de economie en de samenleving. Een markt die in hun ogen vrij moet zijn, dus zonder door de overheid opgeworpen belemmeringen. Vrij maar niet ten koste van alles zoals we bij Mill zien. Marx wees erop dat geld meer was dan alleen een ruilmiddel en dat het een eigenstandige macht heeft als vermogen of kapitaal, het tweede ingrediënt. Daarnaast introduceerde Marx het doelgericht denken, de teleologie. Volgens Marx is de ontwikkeling die de mens doormaakt gericht op een doel of eindstadium. Voor Marx was dat de socialistische samenleving. Keynes wees op de belangrijke rol die de overheid in de economie kan en moet spelen, het derde ingrediënt. Keynes benadrukte ook het psychologische van de economie, het vierde en laatste belangrijke ingrediënt. Keynes onderkende dat het handelen van mensen wellicht wel rationeel is maar dat die rationaliteit niet altijd tot de beste resultaten leidt.
Hayek: de wieg van het neoliberalisme
In de jaren zeventig kreeg een nieuwe stroming meer en meer aanhang onder economen en politici, het neoliberalisme. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen (pagina 15-16):“Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.” Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.” Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw verdween het gedachtengoed van de klassiek economen geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. von Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt. Hij bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. Hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52): ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af. De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen. Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.
Eigen foto
Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtengoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52):”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af. De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren zoals we hebben gezien moraalfilosofen. Voor de neoliberalen ís de economie de samenleving.
Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten. Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaal-socialisme en facisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie van collectivisten. Volgens Hayek is het streven naar democratische vormen van collectivisme en dus ook socialisme niet mogelijk is (Hayek, Road to Serfdom. Text en Documents. The definitive Edition): “That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable , but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not beliefe it units the connection has been laid bare in all its aspects.” En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.
De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid (Hayek: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin in zijn boek Twee opvattingen over vrijheid negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheidt daarnaast positieve vrijheid. Hayek noemt dit socialisme en omschrijft het als volgt (pagina 77):“… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .” Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om (Berlin pagina 75):“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”
De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging,) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methode of guiding economic activity.” En dan moeten we denken aan: “… the provison of the signpostson the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.” In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.” De citaten zijn te vinden bij Hayek pagina 85-88.
Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogt krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelt. Het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. De filosoof John Gray verwoordt de misser van Hayek in zijn boek Zwarte mis. Apocaliptische religie en de moderne utopieën op pagina 131 als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.” Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen.
In een volgende deel pakken we de draad weer op bij Nobelprijswinnaar Milton Friedman, de belangrijkste leerling van Hayek.
“Wat zijn volgens jullie de lessen van de chroom-6-zaak over de omgang met langdurig werklozen?” Die vraag stelt Vera Mulder bij de Correspondent. In haar artikel een korte bloemlezing van de manier waarop de gemeente Tilburg werklozen verplicht liet werken bij de werkplaats van de NS. Daar hebben deze werklozen, zo bleek later, blootgesteld gestaan aan het kankerverwekkende Chroom-6. Mulder concludeert: “Volgens mij ligt de sleutel van het antwoord bij het volgende: het is makkelijker laks te zijn wanneer het gaat om mensen van wie je geen weerstand hoeft te verwachten. Bij langdurig werklozen dus, wier bestaanszekerheid afhing van dit gevaarlijke werk.”
Bron: Flickr
Op de site Binnenlandsbestuur een artikel van Louis van Overbeek over deze affaire en dan vooral de commissie die het heeft onderzocht. “Deze aanpak paste binnen de dan geldende Wet werk en bijstand. Tilburg legde binnen die wet eigen accenten. Met goede bedoelingen, stelt de Commissie vast.” Volgens Van Overbeek is er nogal wat af te dingen op die ‘goede bedoelingen’. “Voor wie de berichtgeving over de ‘hervormingen’ in de sociale zekerheid enigszins heeft gevolgd kan het geen nieuws zijn dat gedwongen arbeid voor bijstandsgerechtigden in Nederland al sinds 2004 staande praktijk is, ondanks het feit dat deze in strijd is met artikel 4 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.” Die bedoelingen waren in strijd met wet- en regelgeving. Van Overbeek pleit voor een parlementaire enquête.
De ‘lessen’ van deze affaire en dus de uitkomsten van de parlementaire enquête zijn al bekend. In zijn boek 1000 jaar Vaderlandse geschiedenis besteedt historicus Peter W. Klein een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van sint Maarten aan de armenzorg. En armenzorg en omgang met ‘werkschuw tuig’ zijn twee zijden van dezelfde medaille. In die duizend jaar is al van alles geprobeerd, ook het ‘tewerkstellen’ van armen in spin- en rasphuizen in de hoogtijdagen van de Republiek. Daar moesten ze werken voor te weinig eten en onder erbarmelijke omstandigheden. Lutheraan, calvinist, katholiek, humanist, het maakt niet uit dwangarbeid en opsluiting was het devies. Of zoals dichter Pieter Cornelisz Hooft in 1643 als motto dichtte voor het herbouwde Amsterdamse Spinhuis: ‘Schrik niet ik wreek geen quaat maar dwing tot goet. Straf is myn hant maar lieflyk myn gemoet.’
Aan het begin van de negentiende eeuw waren we nog niet veel opgeschoten. Toenmalige hervormers, zo schrijft Klein, beijverden zich voor: “disciplineren, straffen en opvoeden van onwillige, onkundige of onbekwame arbeiders.” Hoe werd dat vertaald: “ Werkinrichtingen! Werkinrichtingen moesten er komen! Werkinrichtingen kwamen er!” Neem de ‘koloniale vestigingen’ van de Maatschappij van Weldadigheid. Armen uit het westen werden ernaartoe verplaatst en moesten werken voor de kost. Toen dat wat minder liep werden er strafkoloniën opgericht zoals Veenhuizen. Zo nieuw zijn die Tilburgse praktijken niet.
Sterker nog, een van de meest invloedrijke liberalen, Jeremy Bentham, gooide er een utilitaristisch sausje over. Utilitarisme is een stroming die streeft naar het vergroten van het geluk. Bentham wilde de problemen met armen en bedelaars aanpakken. Hij stelde voor om ze in werkhuizen op te sluiten alwaar ze konden verblijven en werken voor hun kost en inwoning. Het geluk zou hierdoor toenemen omdat de aanblik van een bedelaar bij teerhartige zielen de pijn van het medeleven veroorzaakt en bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat. Haal ze van straat en het probleem is opgelost. Wat dat betreft is een deel van het liberalisme nog niet veel opgeschoten. Vrijheden zijn er alleen maar voor mensen die werken.
Gedurende een kort moment in de geschiedenis lag het in Nederland anders. Gedurende de korte periode na het sluitstuk van de verzorgingsstaat, de Algemene bijstandswet van 1965. Armenzorg en ondersteuning bij werkloosheid was veranderd van een gunst naar een recht. Een periode die in de jaren tachtig van de vorige eeuw weer op z’n einde liep. Het recht is weer een gunst aan het worden waarvoor je dankbaar moet zijn. En gedwongen werken voor die gunst behoort tot die dankbaarheid.
Zo in met midden van het hoofdstuk (op pagina 98) staat de conclusie van de parlementaire enquête waar Van Overbeek voor pleit. Klein is bij de behandeling van het thema armoede aanbeland aan het begin van de negentiende eeuw: “‘Armoede, die verschrikkelijke bron van alle mogelijke ondeugden, blijft de verpestende kanker der maatschappij …’ heette het mistroostig in 1815. Het probleem was te groot en te ingewikkeld om te beheersen, laat staan op te lossen. De indruk bestaat dat toen – en niet alleen in Nederland! – het wiel wel duizend keer is uitgevonden. Het is – ongeacht alle energie – vierkant gebleven. een enkele keer was het ovaal. Een herhaling van zetten bracht stapvoets verandering.”
“Grensgebieden zijn poreus, grenzen zijn dat niet. Bij de grens eindigt alles … . Een grensgebied is minder hard.” Een passage uit het boek Stadsleven. Een visie op de Metropool van de toekomst van Richard Sennett dat ik al eerder als inspiratie gebruikte. Een passage waaraan ik moest denken toen ik een betoog van SP’ers Lilian Marijnissen en Arnout Hoekstra in de Volkskrant las.
“Deze oneerlijke concurrentie moet stoppen: het slepen met werknemers zet juist mensen tegen elkaar op,” betogen de SP’ers. Want, ‘ongebreidelde arbeidsmigratie’ zet mensen tegen elkaar op en heeft: “ontwrichtende gevolgen… eenderde van de jongeren is uit het land vertrokken. Jongeren die in Letland werden opgeleid, werken in Nederland voor het minimumloon.” Daarom: “pleit de SP al jaren voor een vergunningplicht voor uitzendbureaus zodat we malafide bureaus eindelijk kunnen aanpakken. Daarnaast moeten we arbeidsmigratie beter reguleren om grootschalige uitbuiting en verdringing te voorkomen. Er dient een einde te komen aan de subsidiemaatregelen en fiscale routes waardoor lonen kunstmatig laag blijven.” Immers: “Echte internationale solidariteit bestrijdt uitbuiting, ontwrichting en verdringing hier én daar, en stopt de concurrentie op onze arbeidsvoorwaarden die door Brussel is gestart.”
Echt internationale solidariteit. Mooie woorden, maar wat betekenen ze? De SP’ers pleiten voor begrenzing van de mobiliteit van arbeid. Het (grotendeels) sluiten van de grenzen door de ‘arbeidsmigratie te reguleren’ zal er best voor zorgen dat de Letse bevolking in Letland blijft. Of het de levens van deze Letten zal verbeteren, kun je afvragen. Die Letten komen hier immers niet uit weelde werken voor het minimumloon. Die komen hier voor dat minimumloon werken omdat het ze in Letland een beter leven oplevert. Van het geld dat ze hier in een half jaar verdienen, kunnen ze daar een paar jaar leven. En als ze dat een paar keer doen, dan kunnen ze in Letland iets beginnen.
Zou er na het sluiten van de grenzen ook geld naar Estland verplaatsen? Nu is geld sinds het einde van de afspraken van Bretton Woods heel mobiel geworden. Geld kent geen grenzen en ‘flitst’ zoekend naar rendement en dus meer geld in enkele seconden de wereld over. Ook goederen zijn, door het wegnemen van handelsbelemmeringen, steeds mobieler geworden. Dus geld zou zomaar naar Letland kunnen ‘flitsen’. Het ‘flitst’ er echter niet naar toe en dus moeten de Esten, net als vele anderen, naar de plekken waar het geld wel naartoe ‘flitst’.
Zou de uitbuiting, ontwrichting en verdringen geen gevolg zijn van de grenzeloze wereld van het geld en de begrensde wereld van mensen zonder geld? Immers, mensen met geld zijn overal welkom zelfs zonder enige vorm van ‘inburgering’. Die mogen overal hun ‘geluk’ zoeken.