De drogreden van Angela Davies

Een drogreden: “een bedrieglijke redenering” aldus de Van Dale, “een reden of redenering die niet correct is, maar wel aannemelijk lijkt,” aldus Wikipedia. Dat dacht ik bij het lezen van een gesprek met Angela Davies op de Belgische site De Wereld van morgen. Een gesprek in een serie van gesprekken met Angela Davies. Het eerste gesprek belicht een tegenwoordig populair onderwerp: institutioneel racisme.

De site omschrijft Davies als, “het boegbeeld van de burgerrechtenbeweging.” Davies heeft, zo lees ik op Wikipedia: “een groot gedeelte van haar werk gewijd aan het onderzoeken naar en het schrijven over vrouwen en feminisme, en dan vooral over de onderdrukking van zwarte vrouwen. Ze zag in dat de zwarte bevrijdingsbeweging niet voor de rechten van de zwarte vrouw opkwam, maar ook dat de feministische beweging zich niet voor de zwarte vrouw inzette.” Aan die strijd en haar inzet wil ik niets af doen. Wel op enkele opmerkelijke observaties en redenaties van haar.

Davies: Door het feit dat je in de VS, Europa en Zuid-Amerika in de gevangenis een onevenredig groot aantal zwarte mensen ziet, kan je een verband leggen tussen slavernij en het gevangenisinstituut. Dit heeft weer te maken met het feit dat dit instituut grotendeels was opgericht om het falen in het creëren van een rechtvaardige maatschappij, in de nasleep van de slavernij, aan te pakken. Want je kan niet gewoon zeggen dat het instituut van slavernij is afgeschaft, en ervan uitgaan dat het probleem dan is opgelost.” Nu heb ik menig  Middeleeuws kasteel bezocht en die hadden allemaal een ‘kerker’ alwaar misdadigers en iedereen die daarvoor werd aangezien in werden opgesloten. Een kerker was niets meer en niets minder dan het cachot, de gevangenis. Ons mooie Venlose stadhuis had ook een ‘gevangenis’ gesitueerd onder in de rechter ‘toren’ als je ervoor staat met je gezicht ernaartoe.                

De gevangenis was vooral een ruimte waar je zat te wachten tot het vonnis werd uitgevoerd. Dat vonnis bestond uit een lijfstraf, verbanning of de dood. Dat laatste eventueel voorafgegaan en soms zelfs nog gevolgd door het eerste. Voor wie daar een beeld bij wil krijgen, lees de opening van het eerste hoofdstuk van Foucaults Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis over de straf en de oplegging ervan die vadermoordenaar Damiens op twee maart 1757 ten deel viel[1]. Pas in de loop van de zestiende eeuw ontstonden de voorlopers van de huidige gevangenissen. Die waren in eerste instantie gericht op het opsluiten van bedelaars en landlopers. Die kregen er verplicht onderdak en eten. Iets wat werd gezien als een vorm van liefdadigheid. Aan het einde van de zestiende eeuw werd in Amsterdam vrijheidsberoving voor het eerst als straf opgelegd. Mannen gingen naar het rasphuis alwaar ze hout moesten raspen en vrouwen naar het spinhuis alwaar ze wol moesten spinnen. Vanuit Amsterdam verspreidde deze vorm van straf zich over Europa. Uiteindelijk heeft de gevangenisstraf de lijf- en doodstraf vervangen. Ten minste in de meeste landen van de wereld. Het gevangenissysteem is daarmee ouder dan de nasleep van de slavernij en die slavernij speelde hoegenaamd geen rol in het ontstaan van het Europese gevangeniswezen.  

Davies: “De gehele notie van veiligheid is volgens mij diep gelinkt aan racisme. Want wat voor instellingen zijn er opgericht om ‘veiligheid’ te garanderen in onze samenleving? De politie, die geweld gebruikt, dat zijn bewapende mensen. Wel, als je een samenleving veilig wil maken door meer geweld toe te voegen aan de samenleving, dat is voor mij een contradictio in terminis.” Twee bijzondere uitspraken. Als eerste ‘Veiligheid is diep gelinkt aan racisme’ en als tweede ‘de politie voegt geweld toe aan de samenleving’.

Eerst ‘veiligheid is diep gelinkt aan racisme’. Racisme zorgt inderdaad voor onveiligheid. Als ik weet dat iemand mij eigenlijk geen plek gunt om wie ik ben dan voel ik mij niet veilig. Dus ja, er is een link tussen racisme en veiligheid. Maar hoe ‘diep’ is die link? In de meest uiterste variant is die link één op één en dan komt alle gevoel van onveiligheid door racisme. In dat geval zou een einde aan racisme een einde aan onveiligheid betekenen. De werkelijkheid is echter anders. Het gros van het geweld en onveiligheid heeft geen verband met racisme. Dat zwarte mensen oververtegenwoordigd zijn in gevangenissen, waar Davies naar verwijst, heeft in onze contreien veeleer andere, sociaal economische oorzaken dan racisme. De moord van Damiens, waar het hierboven aangehaalde boek van Foucaults mee begint, had geen link met racisme. Net zoals de overgrote meerderheid van de geweldsdaden tot die tijd en ook in de periode erna, geen link had met racisme. De link tussen veiligheid en racisme speelde in de Middeleeuwen en eigenlijk tot het oplaaien van de huidige racismediscussie maar een zeer beperkte rol in het garanderen van onze veiligheid.   

Dan ‘de politie voegt geweld toe’. Om de veiligheid te bevorderen, en het geweld te beteugelen, richtten de inwoners van steden de schutterijen op die zich met de handhaving van de openbare orde en veiligheid bezighielden. Vaak onder toezicht van een schout of baljuw die weer belast was met de rechtspraak. Die schutterijen kun je in de termen van tegenwoordig, de vrijwillige politie noemen. Aan Napoleon hebben we de opkomst van de landelijke politie te danken en die nam ‘Willem I’ netjes over. Naast die landelijke politie bleven lokale ordehandhavers als de schout en de veldwachter actief.  Ja, deze waren bewapend en hadden het geweldsmonopolie. Een monopolie niet bedoeld om geweld toe te voegen maar om gewelddadige conflicten tussen burgers te voorkomen en te beëindigen.

Twee opmerkelijke observaties van Davies. Opmerkelijk aan deze opmerkelijke observaties is dat het lijkt alsof Davies een stukje specifieke geschiedenis uit de Verenigde Staten in het algemeen en de zuidelijke staten van dat land in het bijzonder, overplant naar in de basis de hele wereld maar Europa in het bijzonder. De Amerikaanse geschiedenis van de ‘nieuwe slavernij’ zoals Nijman het in haar boek Wat we van de Duitsers kunnen leren in navolging van de journalist Douglas Blackmore noemt: een systeem van gevangenissen met verplichte tewerkstelling: “In het nieuwe systeem waren de veroordeelden geen eigendom meer maar werden ze enkel door staatgevangenissen verhuurd aan private ondernemingen in de mijnbouw, de staalindustrie of de baksteenproductie.” Nog lucratiever dan slavernij omdat: “Onder het oude systeem (…) een slaaf ook werkelijk het eigendom (was) van zijn meester. Nadat hij een aanzienlijke investering had gedaan in een zwarte mens, had de slavenhouder er economisch belang bij om die investering niet verloren te laten gaan en toch in elk geval te voorzien in een minimum aan voedsel en gezondheidszorg.[2]Dat hoefde onder de ‘nieuwe slavernij’ niet meer en dat was daarom zo mogelijk nog wreder dan de oorspronkelijke slavernij, aldus Nijman. Een soort moderne versie van de spin- en rasphuizen die vanaf de zestiende eeuw ontstonden. Die ‘gratis gevangenen’ zorgden er vervolgens voor dat de lonen voor de zwarte arbeiders laag bleven, als ze al werk konden vinden. Een systeem dat mede mogelijk werd gemaakt door de politie in de Zuidelijke staten die hierbij samenwerkten met de eigenaren van de bedrijven.

Als laatste combineert Davies de twee voorgaande uitspraken: “… neem dus het feit dat wereldwijd een onevenredig aantal zwarte, bruine en inheemse mensen in de gevangenis zit en gevangenissen juist instituties zijn, ontworpen om ‘veiligheid’ te verzekeren. Dit weergeeft ook weer het rechtstreekse verband tussen veiligheid en racisme.”  Daarom  pleit Davies voor het opheffen van de politie en het gevangenissysteem. Haar redenering lijkt aannemelijk maar bij nadere beschouwing klopt ze wellicht voor het Zuiden van de Verenigde Staten. In de Europese situatie in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder, raakt ze kant nog wal. Een drogreden.


[1] Michel Foucault, Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis, zesde druk 2010, pagina 20 en verder.

[2] Susan Nijman, Wat we van de Duitsers kunnen leren, pagina 495.

Vrijheid en een persoonlijk CO2 budget

Rabobankeconoom Barbara Baarsma schijnt zich de woede van half (of misschien wel meer) Nederland op de hals te hebben gehaald. In de strijd tegen de CO2 uitstoot kwam Baarsma met het idee om de maximale uitstoot van Nederland eerlijk te verdelen over alle Nederlanders. Kom je niet uit met het je toebedeelde deel, dan koop je bij van iemand die ‘over’ heeft. “Zo’n voorstel gaat natuurlijk lijnrecht in tegen zo’n beetje iedere gangbare opvatting over vrijheid en gelijkwaardigheid,” oordeelt Wout Willemsen bij De Dagelijkse Standaard. “ontzettend guitig klassenmaatschappij-ideetje hoor, maar je CO2-paspoort kan de tering krijgen zolang de Shells, BP’s en Tata Steels gestut door elke overheid van deze wereld doen wat ze doen,” aldus Tim Hofman die wordt geciteerd in een artikel bij Metronieuws. Is het wel zo’n slecht idee? Worden vrijheid en gelijkwaardigheid hierdoor aangetast?

Eerst even rekenen. Nederland stootte in 1990 163 miljard kilogram CO2 equivalent uit. Volgens de Parijse afspraken moet dit in 2030 49% minder zijn. Dan resteren een kleine 84 miljard kilogram. Delen we dat door 17,6 miljoen (het aantal Nederlanders) dan mag iedere Nederlander iets meer dan 47.700 kilogram uitstoten. De gemiddelde Nederlander stoot ruim 9.000 kilogram uit met zijn gedrag. Dat is dubbel zoveel als de gemiddelde aardbewoner. Bij een eerlijke verdeling van de hoeveelheid voor 2030 houdt de gemiddelde Nederland 38.000 kilogram over die verkocht kunnen worden. Als die gemiddelde Nederlander in 2030 ook 49% bespaart, dan kunnen nog 4.500 kilogram meer worden verkocht. Aangezien Shell geen persoon is krijgt het bedrijf geen budget, geen enkel bedrijf trouwens. Daarom zullen bedrijven in de rij staan om een deel van je budget te kopen. Immers zonder budget, geen uitstoot. Dat kan een aardige cent opleveren.

Shell en al die andere bedrijven zullen die aardige cent aan kosten voor CO2 inkoop verrekenen in hun productprijzen. De prijs van een liter benzine zal erdoor stijgen net als de prijs van een vliegticket, een auto, en eigenlijk de prijs van alles. Alles waar CO2 uitstoot voor nodig is, wordt duurder. Je kunt vervolgens kiezen hoe je dat geld besteedt. Voordeel van deze manier van werken is dat de kosten van de CO2 vervuiling in de prijs van producten wordt meegenomen. Dit maakt voor de koper duidelijk wat die vervuiling kost. Wil je vliegen, dan betaal je een flinke prijs voor de CO2 uitstoot. Zo koop je dan een deel van je verkochte CO2 weer terug. Als je dan als ‘privéjet bezitter’ een retourtje naar Ibiza wilt maken dan weet je wat je aan extra kosten voor je CO2 uitstoot moet betalen, het gemiddelde jaarlijks gebruik van een Europeaan. Je kunt dat geld natuurlijk ook steken in het isoleren van je huis en in zonnepanelen waardoor je nog minder CO2 voor jezelf nodig hebt. Het geeft de bedrijven de prikkel om te zoeken naar productiewijzen die de CO2 uitstoot verminderen. Dat maakt hun producten immers goedkoper. De ‘Shells en Tata Steels’ worden zo niet gestut, maar uitgedaagd. Vanuit dit oogpunt bekeken is het verdelen van de ‘uitstootruimte’ over de inwoners geen verkeerd idee.

Dan het ‘klassenmaatschappij’ en het ‘ingaan tegen opvattingen over vrijheid en gelijkwaardigheid’. Willemsen: “Het wordt leuk verpakt maar de gemiddelde Nederlander zou dan dus gewoon regelrecht worden beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” Bijzonder aan Willemsens betoog is dat het zichzelf in de staart bijt. Om dat uit te leggen neem ik de inaugurale rede van Isaiah Berlin erbij. Een rede met als titel Twee opvattingen over vrijheid.  Berlin ziet twee concepten van vrijheid. De ene noemt hij negatieve vrijheid, de vrijheid van dwang en inmenging door anderen en die anderen kan ook een overheid zijn. De tweede noemt hij positieve vrijheid en dat is de vrijheid om te doen wat de persoon wil. Die twee opvattingen zijn, zo betoogt Berlin, onverenigbaar.

Willemsen lijkt vrijheid te zien als ‘kunnen doen en laten wat je wilt’, positieve vrijheid en ziet Baarsma’s voorstel als een beperking hiervan. Met zijn betoog tegen deze inbreuk op de negatieve vrijheid, bereikt hij precies dat wat hij niet wil en dat is, om het in zijn woorden te zeggen dat: “Het (…) leuk (wordt) verpakt maar de gemiddelde Nederlander (wordt) regelrecht (…) beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” De ‘gemiddelde Nederlander’ wordt ook nu al ‘beteugeld in zijn doen en laten’ en dus in zijn positieve vrijheid. Zo kan de gemiddelde Nederlander ook nu al niet met een privéjet naar Ibiza vliegen. Daarvoor ontbreekt het geld. Het CO2 budget vergroot de financiële mogelijkheden van die gemiddelde Nederlander juist en dus zijn positieve vrijheid om te doen wat hij wil door het extra geld wat ter beschikking komt door de verkoop van het overschot van het CO2 budget. De mogelijkheden van die ‘D66ers die extra willen vliegen’ worden erdoor beperkt. Zij moeten extra CO2 budget kopen wat hun mogelijkheden beperkt.

Alleen door de negatieve vrijheid te beteugelen, wordt de positieve vrijheid voor iedereen vergroot. Vergroten van de negatieve vrijheid voor iedereen betekent het beperken van de positieve vrijheid voor velen. Het vergroten van de positieve vrijheid door het verbod op moord op te heffen, verkleint de positieve vrijheid van iedereen. Het verbod om slaven te houden verkleinde de negatieve vrijheid van slavenhouders maar vergrote de positieve vrijheid van iedereen omdat niemand meer in slavernij kon vervallen.

Rechten, meningen in de openbare ruimte

Mensen houden er bijzondere redeneringen op na. Zo las ik de volgende in de Volkskrant: “De vlaggen hangen als landelijk vreedzaam protest in de openbare ruimte en die is van iedereen. Hier wordt de vrijheid van meningsuiting geschonden’, redeneren de boeren.” Of het werkelijk boeren zijn die zo redeneren weet ik niet maar daar gaat het mij ook niet om. Het gaat mij om de uitspraak dat de openbare ruimte van iedereen is en dat het weghalen van daar opgehangen vlaggen een schending is van de vrijheid van meningsuiting.

Bron: Pixabay

Als er in Nederland, en trouwens ook in de andere westerse landen, iets heilig is, dan is dat eigendom. Dat is heilig, daar moet je van afblijven. Ja, dat kan worden onteigend maar dat dient dan wel gecompenseerd te worden. Dat is niet iets van tegenwoordig. Dat is trouwens ook de reden dat de slavenhouders werden gecompenseerd voor het verlies van hun slaven. Iets waarvan Marvin Hokstam in het interview bij De Kanttekening waar mijn vorige prikker over handelde, van zei: “Probeer maar eens te bevatten op hoeveel fronten dat niet klopt.” Als je het onvervreemdbare recht op eigendom bekijkt, dan is compensatie van de slavenhouders ineens niet meer zo vreemd. Het mag dan op ‘hoeveel fronten’ niet kloppen, vanuit het onvervreemdbare recht op eigendom klopt het. Dit even terzijde.

Veel grond in Nederland is in handen van particulieren. Een zeer flink deel hiervan is in handen van boeren. Het Kadaster houdt bij van wie welk stuk grond is. Dat die grond je eigendom is, wil niet zeggen dat je ermee kunt doen en laten wat je wilt. De Nederlandse wet- en regelgeving beperkt je in je vrijheid om dat grondbezit te gebruiken. Het eigendomsrecht van grond geeft je nog niet het recht om er zomaar een huis op te bouwen of er afval op te deponeren. Als je er als boer mest op wilt uitrijden dan moet je je daarbij aan de daarvoor geldende regels houden.

Naast grond in eigendom is er ook de openbare ruimte. Openbare ruimte is voor iedereen toegankelijk. Niemand kan erop geweerd worden. De openbare ruimte is de verbinding tussen ‘private ruimtes’. Daarom zijn ze ook voor iedereen toegankelijk. Was dat niet het geval, dan kon niemand zijn huis of perceel verlaten zonder aan iemand toestemming te vragen. De openbare ruimte is daarmee voor iedereen maar dat wil niet zeggen dat ze ook van ‘iedereen’ is. Een groot deel van de openbare ruimte is eigendom van overheidsorganen, van het Rijk, bijvoorbeeld de rijkswegen, van de provincies, gemeenten of de waterschappen. Maar ook stichtingen, zoals Natuurmonumenten en in de contreien waar ik woon het Limburgs Landschap, kunnen eigenaar zijn van openbare ruimte.

Dat iedereen de openbare ruimte mag gebruiken, wil ook niet zeggen dat alles erop is toegestaan. Ook het gebruik van de openbare ruimte is onderhevig aan dezelfde wet- en regelgeving. Zo is de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing op: “voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten,” aldus artikel 1 eerste lid onder c. Dat betekent dat deze wet van toepassing is op alle vlaggen die aan bruggen viaducten en lantaarnpalen worden gehangen. De wet bepaalt dat het een ieder is: “verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.” Het opzettelijk storten van asbest, banden, strobalen en stront en het in brand steken hiervan is daarmee verboden en ook het ophangen van vlaggen, al dan niet op de kop, kunnen het verkeer hinderen. Zelfs het zonder toestemming van de wegbeheerder met een tractor rijden op een autoweg of autosnelweg is verboden.

Dan het grote goed van de vrijheid van meningsuiting. Het staat iedereen vrij zijn mening te uiten, ook in de openbare ruimte. Dit natuurlijk behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Over die verantwoordelijkheid voor de wet, specifiek de Wegenverkeerswet, heb ik het hierboven al gehad. En nee, het storten van rommel op wegen en het stichten van brand valt niet onder het uiten van je mening. Een mening uit je met woorden en eventueel met symbolen zoals een omgekeerde vlag. En ja, je mag je mening uiten in de openbare ruimte. Je mag er zelfs demonstreren. Daarvoor moet je wel eerst een vergunning aanvragen. Een vergunning die slechts bij hoge uitzondering geweigerd zou mogen worden zoals ik al eerder betoogde.

Dus, ja een symbolisch omgekeerde vlag valt onder de vrijheid van meningsuiting. Je mag ermee zwaaien om je mening te uiten. Je mag ze aan je eigendom hangen maar doe het wel degelijk want als ze loswaait en op een voorbijrijdende auto komt, dan ben je aansprakelijk. Je mag ze niet ongevraagd aan andermans eigendom hangen en dus ook niet aan lantaarnpalen, bruggen, viaducten en bomen langs de weg. Daarvoor moet je eerst toestemming vragen aan de eigenaar. Nu zijn ze toch opgehangen en hebben ze er een tijdje gehangen. Dat deze illegaal opgehangen vlaggen vervolgens worden verwijderd, betekent niet dat de vrijheid van meningsuiting wordt aangetast. Indien bekend is van wie de vlag is, kan de eigenaar van de openbare ruimte de kosten ervan zelfs op die persoon verhalen.

Trouwens. Als je mening uiten door een omgekeerde vlag aan elementen in de openbare ruimte zoals bomen, bruggen viaducten en lantaarnpalen op te hangen wel zou mogen, zou het weghalen door een willekeurige andere die zich beroept op een andere mening daar dan ook niet onder vallen? Die ander heeft dan immers evenveel recht om zijn mening te uiten. Een reden te meer om uiterst terughoudend om te gaan met het op die manier uiten van meningen.

Demagogisch discrimineren

Bij De Correspondent een artikel van Johannes Visser met als titel Hoe hogeropgeleiden discrimineren. Alleen voor die vorm van discriminatie is maar weinig aandacht, zo betoogt Visser. Voor die vorm van discriminatie munt hij de term diplomisme. Ik moest aan een ander woord denken: demagogie, “de kunst om de mensen te (mis)leiden, m.n. door retorische middelen,” aldus de Van Dale.

In het kort het betoog van Visser: “Leidt kennis tot beschaving? Ook hogeropgeleiden oordelen hard over anderen. Met één verschil: voor hun favoriete vorm van discriminatie is maar weinig aandacht.” Zo opent het artikel. Daarna wat voorbeelden: “Een Utrechts café weigert mbo-studenten. Universitair studenten en hbo’ers mogen naar binnen met een pasje Promovendum biedt verzekeringen voor hogeropgeleiden. Wie op het mbo heeft gestudeerd, betaalt meer. Want, zo redeneert Promovendum, mbo’ers rijden hun auto vaker in de prak. E-Matching biedt dating voor hbo-studenten en academici die niet langer in hun eentje hoogopgeleid willen zijn. En een socioloog stuitte in haar onderzoek op zwangerschapsgymnastiek voor hogeropgeleiden. (Je hoort het zo’n toekomstige moeder zeggen: ‘Mijn foetus is hoogbegaafd.’).” Hij gaat verder:“hogeropgeleiden zijn net mensen. Ze vormen een groep, om vervolgens neer te kijken op degenen die niet bij de groep horen.” Zo schrijft Visser. En waar ze op neer kijken: “In dit geval dus: de niet-zo-hoogopgeleiden. Elites, schrijft filosoof Michael J. Sandel in De tirannie van verdienste, zijn zo enorm veel waarde gaan hechten aan hun universitaire diploma dat het ze moeite kost om te begrijpen hoe hoogmoedig dat ze maakt, en hoe streng het oordeel is dat hun denken velt over iedereen die niet heeft gestudeerd.” Iets verderop haalt Visser een onderzoek aan onder middelbare scholieren. Hen werd een serie foto’s voorgelegd van mensen die ze moesten ordenen en wat bleek: “Van de vwo-leerlingen maakte ruim driekwart een indeling volgens een hiërarchie. Ze plaatsten mensen met veel status bovenaan en met weinig status onderaan. Bijna de helft van de vmbo-leerlingen maakte géén indeling op basis van hiërarchie, terwijl ze wel degelijk wisten dat zo’n maatschappelijke ladder bestond.” In een gesprek hierover met beide groepen bleek dat: “vwo’ers geregeld neerbuigend over mensen die niet naar het vwo waren geweest,” uitlieten. Niet allemaal wordt er meteen bij gezegd. Ook bepalen hogeropgeleiden voor een flink deel hun stemgedrag op een andere manier: “mensen die naar het hbo of de universiteit zijn geweest een sterke voorkeur voor politici met een soortgelijke opleiding.” De eerste reflex van velen zal zijn: schandalig die discriminerende hogeropgeleiden.

Ik dacht iets anders. Ik vroeg me af wat de voorbeelden van de verzekeraar, de ‘koppelsite’ en de ‘zwangerschapsgym zeggen over hogeropgeleiden? Ze zeggen iets over bedrijven die ergens een slaatje uit denken te kunnen slaan. Ze zeggen niets over hogeropgeleiden in het algemeen en zelfs niet over de hogeropgeleiden die er gebruik van maken. Ook het ‘deurbeleid’ van die kroeg zegt niets over hogeropgeleiden. Het onderzoek met de foto’s zegt iets over hoe mensen de wereld ordenen. Zelfs de VWO’ers die in vervolggesprekken denigrerend spreken over anderen, zeggen niets over hogeropgeleiden. Dat zij andere politici kiezen of beter gezegd politici op een andere manier, wil ook niet zeggen dat ze discrimineren. Het zegt alleen dat velen van hen op een andere manier politici kiezen. Echt bijzonder is het aanhalen van Sandel. Sandel spreekt inderdaad over een elite, alleen betwijfel ik ten zeerste of de elite waar hij het over heeft, iedereen omvat met een VWO-diploma zoals Visser lijkt te suggereren.

Demagogie. Wikipedia geeft vier vormen van demagogie: “Getalsdemagogie – het vergelijken van niet vergelijkbare grootheden. Valse autoriteit – zich baseren op de autoriteit van iemand die in het bediscussieerde onderwerp geen expert is. “Voor of tegen” – aannemen dat er slechts twee mogelijke meningen zijn over een bepaald onderwerp. Niet gerelateerde feiten – feiten te berde brengen die klinken alsof ze de mening van de spreker ondersteunen.” De voorbeelden van Visser en zijn gebruik van Sandel lijken van de laatste soort.  Om op basis van de voorbeelden hierboven te concluderen dat hogeropgeleiden zich schuldig maken aan diplomisme en dat: “al die hogeropgeleiden helemaal niet zo moreel verlicht zijn,” gaat wel heel erg ver en grenst aan demagogie.

 Er is nog iets wat mij aan demagogie doet denken. Dat is het gebruik van het woord discriminatie. Discriminatie is: “ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde, m.n. aangeboren kenmerken zoals ras, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid.” Visser lijkt te suggereren dat alle onderscheid discriminatie is. Mag iemand zijn partner zoeken onder alleen hoogopgeleiden. Mag een kroeg deurbeleid voeren? Interessante vragen die mij aan het essay Overpeinzingen bij Little Rock van Hannah Arendt doen denken.

Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandingsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt de aanleiding tot haar overpeinzingen.

Dan naar de overpeinzingen. Arendt onderscheidt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.[1]” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.[2]  In deze sfeer geldt artikel 1 van de Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Als laatste de sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.[3] Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zal je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkini zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn.[4]” Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren.

Als we Arendts betoog in het achterhoofd houden, rekt Visser discriminatie dan niet erg ver op? Ver door onderscheid dat mensen in de privésfeer maken zoals met wie je date en op wie je stemt eronder te laten vallen? Ja, de stemkeuze heeft gevolgen voor de politieke sfeer, maar dat maakt niet dat de stemkeuze tot de politieke sfeer behoort. Ver door onderscheid dat mensen in de sociale sfeer maken, de zwangerschapsgym- en verzekeringskeuze tot ongeoorloofd te bestempelen. Ver door onderscheid dat van ondernemers die niet tot het publieke domein behoren, die kroeg en verzekeraar, ongeoorloofd te noemen. Je kunt, de keuze van die kroeg en verzekeraar, naar mijn idee terecht, niet fraai vinden,  je kunt de keuze verzekeraar al is het alleen maar een reclame-uiting, naar mijn idee ook terecht, schadelijk vinden, het is geen discriminatie in de zin van ongeoorloofd onderscheid maken.

Bedrijft Visser geen demagogie door, om het cru te formuleren, alle onderscheid tot discriminatie te bestempelen?


[1] Hannah Arendt, Verantwoordelijkheid en Oordeel, pagina 234

[2] Idem, pagina 230

[3] Idem, pagina 231

[4] Idem, pagina 233

Leugens en halve waarheden

‘Besteed daar toch geen aandacht aan’, dat zal mijn partner zeggen als ze de aanleiding voor deze Prikker leest. Zoals altijd antwoord ik haar dan met de woorden dat ik mezelf de opdracht heb gegeven om ‘kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen’ en dat hier sprake is van meer dan dat.

Bij De Dagelijkse Standaard kwam ik een bericht tegen met als kop erboven: Pepijn van Houwelingen: de ware aard van de Tweede Kamer is totalitair en enorm griezelig. Stevige woorden die mijn aandacht trokken. “De Kamer heeft altijd grote woorden over het belang van burgerrechten, democratie, diversiteit, de integriteit van het menselijk lichaam. Maar hoe stemmen ze nou als puntje bij paaltje komt?” Zo lees ik in het artikel en hoor ik Kamerlid Van Houwelingen zeggen als je op het erin opgenomen twitterberichtje klikt. Gelukkig, zo zouden we moeten constateren, is daar de ‘ridder op het witte paard’ de ‘prins die sneeuwwitje wakker kust’ in de vorm van het Forum voor Democratie. Die dwingt de ander partijen en dus de Kamer om via stemming hun ware gezicht te laten zien. En dat gezicht is, als we Van Houwelingen mogen geloven, een ‘inhumaan en totalitair gelaat’. Dat is nogal een beschuldiging.

Bron: pxhere

Van Houwelingen: “Als het bijvoorbeeld gaat over dezelfde rechten voor gevaccineerden en ongevaccineerden, dan stemt de Kamer daar tegen. Dat willen ze niet garanderen” Dat is nogal een bewering. Je vaccinatiestatus mag, daar komt Van Houwelingens betoog in de basis op neer, niet gebruikt mogen worden om je de toegang tot een kroeg of voetbalstadion te weigeren. Want als je dat doet, dan is er sprake van discriminatie. Bij die redenering plaatste ik eind vorig jaar de nodige kritische kanttekeningen door onder andere te constateren dat er niet zoiets  bestaat als ‘het recht op de kroeg.’  Dat ga ik hier niet nog een keer overdoen.

Op de achtergrond een foto van de uitslag van de stemming en inderdaad stemde een meerderheid tegen de motie. Als je goed kijkt, dan zie je dat er boven die uitslag net iets anders staat dan Van Houwelingen beweert en dan in de motie is opgenomen. De motie: “verzoekt de regering om de rechten van ongevaccineerden te allen tijde te garanderen, opdat zij niet gediscrimineerd worden.”  Dat is net iets anders dan van Houwelingen beweert. De Kamer stemt niet tegen gelijke rechten voor de beide groepen, maar tegen het te allen tijde garanderen van de rechten van één groep.

Er is meer. Want wat niet in beeld staat, maar wat een integraal onderdeel is van de motie, is de overweging die eraan vooraf gaat, die luidt bij deze motie: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het kabinetsbeleid het afgelopen jaar voor discriminatie van ongevaccineerden heeft gezorgd.” Voor Van Houwelingen een ‘altijd-prijs-motie’. Hadden de tegenstemmers ermee ingestemd dan had Van Houwelingen daar de trom over geroerd. Dan hadden de partijen die met veel kritische kanttekeningen met het coronabeleid hebben ingestemd, het verwijt gekregen dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan discriminatie.

Dan een tweede motie. Ook daar stemde de Kamer met eenzelfde verdeling tegen. Nu is die motie zodanig geformuleerd dat je haar op verschillende manieren kunt uitleggen. Lees mee: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, spreekt uit dat ongevaccineerden vanwege hun vaccinatiestatus nooit beboet of opgesloten mogen worden, en gaat over tot de orde van de dag.”  Wat staat hier? Staat hier dat de vaccinatiestatus nooit een reden mag zijn voor een boete of gevangenschap? Of staat hier dat ongevaccineerden nooit een boete mogen krijgen of gevangen mogen worden gezet? Vaccinatiestatus is geen reden om iemand te straffen, het is echter ook geen reden om iemand te vrijwaren van straf.

Maar laten we van het eerste uitgaan. Dat lijkt een redelijke eis. De vraag  is echter of er geen omstandigheden kunnen zijn waarbij een boete of straf nodig is. Het aannemen van deze motie maakt dat onmogelijk. Het niet aannemen van deze motie houdt deze mogelijkheid open. Maar het openhouden van deze mogelijkheid betekent niet dat je vaccinatiestatus nu een reden is voor een boete. Voordat het zover is, als die specifieke omstandigheid zich ooit voordoet, stroomt er nog het nodige water door de Maas en zal de Kamer dan een afweging moeten maken of een boete of gevangenschap passend is. De motie betekent niet dat de rechten van ongevaccineerden daarmee niet veilig zijn. Ze zijn net zo veilig als de rechten van gevaccineerden. Het aannemen van die motie zou juist ongelijke behandeling mogelijk maken. De motie laat namelijk het beboeten en gevangenzetten van gevaccineerden open.

Dan een derde motie die Van Houwelingen in zijn korte filmpje aanhaalt. Een motie waarin de regering wordt verzocht: “om bij het samenstellen van het OMT rekening te houden met meerdere perspectieven en ervoor te zorgen dat «tegendenkers» ook vertegenwoordigd zijn.”  Dit omdat, zo is in de overweging te lezen: “uiteenlopende meningen belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen.”  Ook deze motie werd met eenzelfde stemverdeling verworpen. Nu gaan mijn haren recht overeind staan als ik lees dat ‘uiteenlopende meningen’ belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen. Een besluit moet worden genomen op basis van argumenten en kanttekeningen bij de verschillende keuzemogelijkheden. Argumenten en kanttekeningen die zo goed als kan worden onderbouwd met feiten en de wetenschappelijke inzichten. Niet op meningen. Dit even terzijde.

Het bijzondere aan deze motie is dat er wordt uitgegaan van een niet onderbouwde vooronderstelling. De vooronderstelling dat er geen ‘tegendenkers’ in het OMT zitten. Het aannemen van deze motie zou de leden van het OMT diskwalificeren tot ‘eenheidsdenkers’. Tot weinig kritische personen die allemaal precies hetzelfde over zaken denken. Tot personen die slechts vanuit één perspectief denken. Dat het OMT uiteindelijk met een advies komt, wil niet zeggen dat alle leden van de club de zaak hetzelfde zien, dat er geen andere perspectieven zijn binnen het OMT, dat er niet ‘tegen wordt gedacht’. Bovendien lijkt het me lastig omdat je van tevoren niet weet wie voor- en wie tegendenkt. Je weet immers niet wat je voor je kiezen gaat krijgen en hoe de anderen erover denken.

Als laatste een motie waarin de regering wordt verzocht om: “om de ic-capaciteit te verdubbelen om een lockdown te voorkomen.”  Dit: “overwegende dat de ic-capaciteit het grootste pijnpunt is gebleken de afgelopen twee jaar.” Dit verzoek kon op nog minder steun rekenen dan de vorige drie moties terwijl het zo redelijk lijkt. Bijzonder dat een partij die COVID 19 maar een ‘gewoon griepje’ vindt, pleit voor het verdubbelen van de ic-capaciteit. Zou dat griepje dan toch niet zo ‘gewoon’ zijn? Dit, net zoals de vraag hoe Van Houwelingen de relatie tussen burgererechten en een verdubbeling van de ic-capaciteit ziet, even terzijde.

Terug naar die verdubbeling van de ic. Als de afgelopen twee jaar iets hebben geleerd dan is het dat er grote schaarste is aan voldoende verplegend personeel. De intensive care is het einde van de zorgketen. In geval van COVID 19 kom je er pas terecht als het heel erg met je is gesteld. Dat betekent dat je eerst de rest van de keten door moet voordat je er terecht komt. Nu kan ook een verdubbelde ic zo vol raken dat er andere maatregelen genomen moeten worden. Dus ook met deze maatregel is een lockdown niet uitgesloten. Het overgrote deel van alle mensen die op die verdubbelde ic komen, komen eerst terecht op de reguliere verpleegafdeling. Als er twee keer zoveel mensen met COVID 19 op de ic liggen, dan liggen er ook twee keer zoveel mensen op de reguliere verpleegafdelingen. Dan zijn er ook twee keer zoveel mensen die met de ziekte kampen. Dan zijn er twee keer zoveel onderwijzers, leraren, politieagenten enzovoorts ziek. Maar ook minstens twee keer zoveel zieke zorgmedewerkers. Wellicht kan die verdubbelde ic het dan aan, de rest van de zorgketen in ieder geval niet.

Twee keer zo veel zieken betekent dat er ook meer mensen zullen sterven. Meer mensen die blijvende gezondheidsschade oplopen. Hoe humaan is dit? Mensen die rechten hebben en een van die rechten is dat zij van de overheid mogen verwachten dat die maatregelen treft ter bevordering van de volksgezondheid (artikel 22 van de Grondwet). Het bevorderen van de volksgezondheid betekent onder andere het bestrijden van besmettelijke infectieziekten. Bescherming tegen ziek worden, dus liefst het voorkomen dat ze besmet raken. Daar helpen ic’s niet bij. Daar helpen vaccinaties, afstand houden en soms een lockdown bij.

Een ‘inhumaan en totalitair gelaat’ van de Kamer of halve waarheden en hele leugens?

Flagellanten

Flagellanten. Nu zal menig lezer zich afvragen Wat? Wie? Flagellanten of geselbroeders kwamen op in de tweede helft van de dertiende eeuw en deden het vooral goed in tijden van crisis. Tijdens de pestepidemieën van de veertiende eeuw nam het ‘flagellantisme’ als dat een goed woord is, een grote vlucht. Groepen flagellanten trokken van plek naar plek en voerden daar steeds hetzelfde ritueel uit. Ik moest hieraan denken bij de boerenprotesten.

Carl von Marr: Die Flagellanten, 1889, Museum of Wisconsin Art. Bron: https://jenikirbyhistory.getarchive.net/media/carl-von-marr-flagellanten-4add32

Eerst het flagellantenritueel. Vaak voorafgegaan door kaarsendragers gingen ze in het wit gekleed naar de plaatselijke kerk. Daar ontdeden ze zich van hun bovenkleding en bedekten hun onderlijf met witte doeken en liepen zichzelf geselend rondjes. Ze begonnen geselliederen te zingen en zweepten zich op het ritme van de muziek af. Na zo’n eerste ronde vielen ze op hun knieën en geselden ze zich nog wat meer. Dit herhaalde zich daarna nog twee keer vaak met nog pijnlijkere voorwerpen. Het geheel werd afgesloten met de ‘geselaarspreek’ die rechtstreeks van god zou komen en voor de toehoorders was bedoeld. Daarna vertrokken ze weer naar de volgende plek en daar herhaalde het ritueel zich de volgende dag. Ze waren populair bij een flink deel van het volk omdat ze zich niets van de kerkelijke hiërarchie aantrokken en omdat men geloofde dat hun zelfkastijding god gunstig zou stemmen waardoor er een einde zou komen aan de crisis. Zo waren de flagellanten en ook grote delen van het volk ervan overtuigd dat deze manier van boetedoening de pest een halt zou toeroepen. Het tegendeel was echter het geval. Hun trektocht maakte het de pest makkelijker om zich te verspreiden.

Terug naar het heden. Wie in dit land niets heeft meegekregen van de protesten van de boeren, heeft onder de welberoemde steen gelegen of lag in coma. Je kunt geen krant openslaan, geen nieuwsitem of actualiteiten programma aanklikken of er zijn tractoren te zien. Ze staan, in een toenemende mate van minder fraaiheid en de goeden niets te na gelegd, voor provincie- en gemeentehuizen op wegen en pleinen om zo het verkeer te hinderen en zelfs voor woonhuizen van bestuurders en politici. Dit opgeschilderd met ludieke, serieuze maar ook beledigende en bedreigende teksten op spandoeken. Er zijn poppen opgehangen en mensen bedreigd waaronder ook een ondernemer die in opdracht van de politie een tractor wegsleepte. Er zijn hooibalen in brand gestoken, bomen omgezaagd, giertanks geleegd en politieauto’s vernield. Politici, meningenmensen en media geven afhankelijk van hun opvattingen de ene of de andere partij de schuld. Anderen die voor voor gekke Jetje, marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitgemaakt. En er wordt in (burger)oorlogstermen gesproken.

Vorig jaar werd er ook geregeld gedemonstreerd en gereld. Toen vooral tegen coronamaatregelen. Afgezien van de tractoren, zag dat er hetzelfde uit. Verwensingen en bedreigingen aan het adres van politici, bestuurders, journalisten en wetenschappers. Geweld tegen de politie en vaak ook nog tegen brandweermensen en ambulancepersoneel. En ook weer politici, meningenmensen en media die, afhankelijk van hun opvattingen, de ene of de andere partij de schuld gaven en voor gekke Jetje, voor marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitmaakten.

De overheid moet het hierbij steevast ontgelden en fungeert als kop-van-Jut. En wat doet die overheid? In plaats van problemen aan te pakken verzandt ze in onderzoeken naar hoe het zo is gekomen en in het zich ver-excuseren voor zaken die met de kennis van nu in het verleden fout zijn gegaan. Laat je je als bestuurder uit het verleden niet verleiden tot een mea culpa over je met de kennis van nu fouten van toen, maar probeer je gewoon uit te leggen hoe er toen met de kennis van toen werd gehandeld, dan kun je, zoals voormalig minister Annemarie Jorritsma voor de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen overkwam, op weinig bijval en zelfs ergernis rekenen. In plaats van de problemen aan te pakken verzandt ze in overleggen met en het betrekken van alles en iedereen om maar iedereen tevreden te krijgen. Polderend voor draagvlak verzandt alles in één grote brei. Al polderend worden er bakken met geld uitgegeven aan bijvoorbeeld een ‘vluchtelingenboot’ in Velsen-Noord om een halfjaar lang asielzoekers in onder te brengen. Daarna moet ‘de boot’ maar vooral het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op zoek naar een andere ‘ankerplaats’ alwaar het hele poldercircus opnieuw begint en stort de omgeving van de nieuwe ‘ankerplaats’ de kar met stront weer uit over de burgemeester aldaar en de man van het COA die de boodschap moet komen brengen. Al polderend ontstaat er vooral weerstand en weinig draagvlak

De overheid, en daarom moest ik aan de flagellanten denken, geselt zich als een flagellant die in plaats van godsbarmhartigheid zoekt naar een blijk van goedkeuring van de burger. Het flagellantisme van de overheid nu lijkt daarbij eenzelfde effect te hebben als het Middeleeuwse in de tijden van de pest. Hoe meer zij zich geselt met mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa, hoe meer de hedendaagse ‘wantrouwenspest’ zich verspreidt.

Politici die hun standpunt baseren op peilingen of nog erger, uitspraken in de asociale media. Politici die, zoals FvD-Kamerlid Van Meijeren begrip kunnen opbrengen voor mensen die anderen bedreigen of die dat zelf doen, zoals zijn collega Van Houwelingen. Burgers die denken dat hun mening de waarheid is. Die denken dat hun belang meteen het algemeen belang is en dat hierdoor alles geoorloofd is. Burgers, zoals FDF voorman Van den Oever, die zeggen niet uit eigen belang te handelen maar die ‘voor een goede prijs te koop is.’ Media die, bang om de aansluiting met ‘het volk’ te missen, een platform geven aan zo ongeveer iedereen die ergens ontevreden over is. Zo kreeg Michel Reijinga, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken vijf pagina’s in de Volkrant om zijn ‘verhaal’ te verkondigen en zichzelf op de borst te kloppen. En de al genoemde Van den Oever kreeg alle ruimte om de kinderen van staatsecretaris Van der Wal voor ‘pussy’ uit te maken.

Recentelijk las ik het boek Democratie op wankele bodem van Donald Loose. Een zeer interessant boek waarin de inherente spanningen in een democratische samenleving worden behandeld. Spanningen vanwege de onoplosbare zoektocht tussen vrijheid en gelijkheid. Spanningen waardoor democratie een werkwoord is. Ze is nooit af of klaar maar altijd ‘under construction’. Bij de boerenprotesten moest ik denken aan de volgende passage: “Juridische regels, rechten en plichten zijn niet voldoende om een democratie overeind te houden. Zonder morele verantwoordelijkheid bij politici en burgers is de democratie een gevaarlijk spel. Ze kan zichzelf vernietigen en bij meerderheid opheffen.” Als het ergens aan lijkt te schorten dan is het aan morele verantwoordelijkheid. Onze democratie is in last. Looses oplossing: ‘Opvoeding – Bildung bij regeerders en burgers – is vereist om burgerzin draagvlak te kunnen bezorgen in de samenleving.[1] Maar ja, zolang burgerzin wordt vertaald in Wilhelmuskunde waar voormalig CDA-leider Buma voor pleitte en zolang ‘burgerschap’ maar een vak is en niet het doel is van het algemeen vormend onderwijs vrees ik dat er van die Bildung weinig terecht komt. En wordt de ‘wankele bodem’, om de titel van Looses boek aan te halen, onder onze democratie er niet steviger op.


[1] Donald Loose, Democratie op wankele bodem. Over de politiek en het politieke, pagina 347

There are allways alternatives

No-nonsese politici zijn nodig om de stikstofcrisis aan te pakken, zo betoogt Simon van Teutem bij De Correspondent. Van Teutem: “De realiteit vereist no-nonsense politici die hun aandacht richten op de werkelijke mogelijkheden, niet om hofnarren die Europese samenwerking behandelen als een lopend buffet waar je enkel opschept wat je goed uitkomt.” Als iemand roept om ‘no-nonsense politiek’ dan gaan bij mij de alarmbellen rinkelen.

Het eerste kabinet Lubbers op het bordes op 4 november 1982. Bron: WikimediaCommons

Van Teutem vergelijkt in zijn artikel de Brexit met de stikstofcrisis en constateert dat beiden het gevolg zijn van wensdenken en loze beloftes: “De Brexit en de falende stikstofaanpak zijn beide mogelijk gemaakt door politici die populaire leugens verkochten om ongemakkelijke waarheden te omzeilen. Beide projecten beloofden een toekomst vol voorspoed, waarbij iedereen kon krijgen wat hij wilde – of kon blijven doen wat hij altijd deed – en niemand concessies hoefde te doen. Maar beide projecten worden nu ingehaald door de werkelijkheid, en normale mensen gaan daar de lasten van dragen.”  Daar kon jij wel eens een punt hebben. En daarom pleit hij voor no-nonsense politici want: “Het gaat hier niet om politieke keuzes, maar om een rechterlijk bevel.” Daarom de roep om ‘no-nonsense politici’.

De eerste keer dat ik kennismaakte met no-nonsese in combinatie met politiek, was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Na de verkiezingen van 1982 formeerden het CDA en de VVD, ja toen kon het nog met twee partijen, een kabinet onder leiding van Ruud Lubbers. Dat kabinet presenteerde zich als ‘no-nonsense kabinet’ en betitelde de voorafgaande kabinetten daarmee als nonsens kabinetten. Bijzonder omdat beide partijen in de periode ervoor deel uitmaakten van de regering. Het CDA gaf via Van Agt leiding aan twee kabinetten waarvan het eerste samen met de VVD zat van december 1977 tot en met september 1981, het tweede met de PvdA en D’66 zat er maar een half jaar, van december 1981 tot eind mei 1982. De benaming ‘no-nonsense’ was echter meer gericht tegen de grootste oppositiepartij, de PvdA onder leiding van Joop den Uyl. ‘No-nonsense’ hield in dat de economie en alles wat die zou laten groeien, centraal kwam te staan. Het kabinet haakte hiermee aan bij de neoliberale wind die gedurende de jaren zeventig aan kracht had gewonnen en met de verkiezing van Thatcher in het Verenigd Koninkrijk en Reagan in de Verenigde Staten was uitgegroeid tot een storm. Beleid dat het beste is samen te vatten in twee uitspraken van Thatcher:  ‘who is society? There is no such thing’ en ‘there is no alternative.’

Gevolg van die ‘no-nonsense’ van Lubbers was dat alles werd versmald tot economie in het algemeen en economische groei in het bijzonder. De vrije markt moest voor die groei zorgen en de overheid was daarbij een hinderende factor. Of om de inaugurale rede van Reagan uit 1981 te citeren: “government is not the solution to our problem; government is the problem.” En eigenlijk is er sindsdien niets veranderd. Politiek in het algemeen en regeren in het bijzonder is nog steeds ‘economische groei’ en een terugtrekkende ‘kleine overheid’. En wat ‘economisch’ nodig is, dat bepalen economen. Maar dan wel economen die op de juiste manier denken.

Nu roept Van Teutum om ‘no-nonsense politici’ die aan de slag moeten met de stikstofcrisis. Die gewoon moeten doen wat nodig is want de rechter heeft een ‘bevel’ gegeven. Politieke keuzes zijn er niet. Van Teutem lijkt alles te versmallen tot klimaatcrisis in het algemeen en ‘stikstofdepositiecijfer’ in het bijzonder. Politici hoeven slecht uit te voeren wat wetenschappers aanbevelen. Maar dan wel wetenschappers die op de juiste manier naar de zaak kijken.

Nu behoor ik niet tot het slag mensen dat ontkent dat het klimaat verandert en dat wij als mens daar een hand in hebben. Ook zul je mij niet horen ontkennen dat veel stikstof tot andere natuur leidt. Planten en bijbehorende dieren die het goed deden op de schrale zandgronden krijgen het er moeilijk en worden verdrongen door soorten die het goed doen op rijkere grond. Als je de oude schrale natuur wilt behouden dan moet je iets doen aan de stikstofneerslag.

“Het onderscheid tussen het politieke beleid (la politique) en de ideologische legitimering ervan ((le politique) is … onophefbaar,  schrijft Donald Loose in zijn boek Democratie op wankele bodem. En verderop vervolgt hij met: “De pogingen om de democratische maatschappij in haar geheel te herleiden tot één allesbepalend beginsel (economie, taal, ethos of religie) lokt daarom het permanente weerwoord van alternatieve principes uit. [1]Van Teutem stelt, net als toen Lubbers, zijn politieke beleid (la politique) voor als neutraal, als realistisch, als ‘zinnig’. Hij ontkent of wil niet zien dat er meer ideologische motiveringen (le politique) zijn en dat die ideologische motiveringen tot ander politiek beleid kunnen leiden. Die zijn immers ‘onzinnig’ en niet ‘realistisch’. Bij beiden vallen le en la politique samen en zijn ‘no-nonsense politici gevraagd want nadenken is niet nodig.

Het is niet aan de rechter om de politiek te ‘bevelen’. De rechter is er om de wet te handhaven door recht te spreken. Dat heeft de rechter gedaan door de Programmatische Aanpak Stikstof te verbieden. Die was in strijd met de wet. De rechter heeft geen bevel gegeven wat te doen maar aangegeven wat niet mag. “Wil je niet voldoen aan Europese wetgeving? Vertel in dat geval het hele verhaal – dan kun je, net als Groot-Brittannië, beter vertrekken,” schrijft Van Teutem en ook dat is een politieke keuze. Niet willen voldoen aan Europese wetgeving kan echter ook nog tot andere politieke keuzes leiden naast uit de Europese Unie stappen. Je kunt alternatieven zoeken die wel binnen het kader van de wet passen. Daartoe heeft het kabinet een voorstel uitgewerkt maar er zijn vast nog andere voorstellen te bedenken binnen de grenzen van de wet en het is vervolgens aan de politiek om een keuze te maken uit die alternatieven of om een andere afweging te maken.  Een andere afweging zoals bijvoorbeeld een traject starten om de Europese wetgeving te herzien of te veranderen. Alternatieven zoals deels accepteren dat natuurgebieden van karakter veranderen. Je kunt ook de straf die wordt opgelegd accepteren en meenemen in je afweging van de voor- en nadelen. Een afweging die iedere inbreker maakt. Voor een overheid is dit een niet zo fraaie methode. Dat zijn allemaal politieke keuzes. Om die en eventueel andere mogelijkheden te zien is het wel nodig om je eigen ideologische opvatting te zien als wat ze zijn: ideologische opvattingen. There are allways alternatives


[1] Donald Loose, Democratie op wankele bodem. Over de politiek en het politieke, pagina 44

Regeren is afschuiven

De Volkskrant publiceert geregeld cartoons van Bas van der Schot. Zo ook op 13 juni 2022. Een cartoon met als titel Het kabinet heeft een plan. De prent toont de oplossingen die het kabinet biedt voor een zestal problemen. De oplossing bestaat eruit dat anderen, de provincies (stikstofcrisis), gemeenten (asielopvang), de sectoren (corona) de woningcorporaties (woningnood), de burgers (inflatie) of een ambtelijke stuurgroep (toeslagenaffaire) het probleem moeten oplossen. Bij die prent moest ik denken aan een brief die staatssecretaris Van der Burg van Justitie en Veiligheid op 29 april aan de burgemeesters van de Nederlandse gemeenten schreef. Ik moest hieraan denken omdat ik bij een van mijn opdrachtgevers betrokken ben bij die opvang van Oekraïense oorlogsvluchtelingen.

De brief handelt over 25.000 extra opvangplekken die gerealiseerd moeten worden bovenop de al gerealiseerde 50.000. Van der Burg in de brief: “Eerder heb ik aan de Kamer geschreven dat vanaf de 50.000 opvangplekken het Rijk, in casu de Nationale Opvang Organisatie (NOO), verantwoordelijk is voor de eventuele extra noodzakelijke noodopvangplekken.” Maar nu het moet gebeuren ziet hij zich: “genoodzaakt om u (de gemeenten) bovenop het eerdere verzoek om 50.000 opvangplekken te realiseren het aanvullende verzoek te doen om 25.000 additionele noodopvangplekken te creëren.”  Waarom: “Voortschrijdend inzicht maakt mij duidelijk, dat dit gelet op de continue instroom aan vluchtelingen uit Oekraïne onverstandig is en tot afbreukrisico’s leidt. In de gemeenten zijn thans zeer veel mensen bezig met het organiseren van de noodopvang. Het is onmogelijk om op rijksniveau op korte termijn een dusdanig uitvoeringsapparaat op te zetten, die dat werk voortvarend zou kunnen overnemen. Daar komt bij dat een dergelijke overdracht tot complexe afspraken gaat leiden over taken en verantwoordelijkheden, omdat de locaties altijd in gemeenten gelegen zijn.”  Over dat laatste, dat alles uiteindelijk toch in een gemeente plaatsvindt. Als dat een reden is om een klus aan de gemeente te geven, dan kunnen we de Rijksoverheid wel opheffen. Alles gebeurt immers altijd ergens in een gemeente. Dit even terzijde.

Vanuit mijn eigen ervaring kan ik bevestigen dat er ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang.’ Ook bij mijn opdrachtgever, een kleine gemeente van nog geen 20.000 inwoners die het klaar heeft gespeeld om 150 opvangplekken te realiseren. Dit met inzet van mensen die hierdoor ander werk, werk ten behoeve van de inwoners van de gemeente, moeten laten liggen. Niet alles kan immers tegelijk. Voor de duidelijkheid, die opvang bestaat niet alleen uit de drie B’s: bed, bad en brood. Nee, ze omvat zorg, ondersteuning, onderwijs en nog veel meer zaken. Overal moet iets voor worden geregeld en georganiseerd. Wat voorbeelden.

Mensen opvangen in een gebouw lijkt makkelijk. Toch komt er heel wat geregel bij kijken. De mensen moeten eten, hoe organiseer je dat? Dat is makkelijk als iedereen een eigen keuken heeft maar als dat niet zo is, dan vraagt het meer. Trouwens ook met die eigen keuken is het niet zo eenvoudig. Om te kunnen koken heb je ingrediënten nodig en om die te kunnen kopen heb je geld nodig. Maar heeft iedere vluchteling geld nodig of zijn er die het zelf kunnen betalen? Hoe controleer of beoordeel je dat als je niets van de betreffende mensen weet en je niets kunt controleren? Hoeveel maatschappelijke en psychische ondersteuning is er nodig? En waar haal je die vandaan want er is een schreeuwend tekort aan sociaal- en maatschappelijk werkers?

Kinderen naar school, dat lijkt eenvoudig. De taal maakt een gewone school lastig. ‘Stuur ze naar de bestaande taalklassen voor nieuwkomers’, is de boodschap die van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap komt. Probleem opgelost. Dat ligt wat anders als je er dertig kinderen op de stoep wil zetten terwijl er voor dertig plek is en het overgrote deel van die plekken al bezet is door de groep waarvoor ze in eerste instantie zijn opgezet. Nieuwe klassen moeten worden opgezet en dat betekent nieuwe docenten en begeleiders waaraan al een tekort is. Bovendien kun je je afvragen of die klassen passend zijn voor deze kinderen. In die klassen staat het leren van de Nederlandse taal centraal omdat focus van ouders en kinderen gericht is op een toekomst in Nederland terwijl de focus van het gros van de vluchtelingen is gericht op een toekomst in Oekraïne. Bovendien liggen die klassen niet ‘om de hoek’. De kinderen moeten ernaartoe worden gebracht en gehaald. Dat betekent taxibusjes voor leerlingenvervoer laten rijden en ook daar een probleem: chauffeurs zijn ook schaars.

Deze en nog meer vragen stellen zich mensen in zo’n 340 gemeenten die Nederland kent. Allemaal verzinnen ze soortgelijke antwoorden en proberen ze een oplossing te vinden voor de puzzelstukjes. Die oplossingen moeten vervolgens worden uitgevoerd en de benodigde mensen, de locatie managers, maatschappelijk werkers enzovoorts moeten worden gezocht. Allemaal zitten ze een eigen maar toch erg vergelijkbaar ‘wiel’ uit te vinden. Allemaal zoeken ze een ‘huismeester’ want die moet er op iedere locatie zijn of er nu 25 of 500 mensen worden opgevangen. Allemaal hebben ze een ‘crisisteam’ geformuleerd om oplossingen te bedenken. Dus ja er zijn ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang’ en dat doen ze, tenminste dat is mijn ervaring, met grote geestdrift. Ik vraag me alleen af of die niet veel meer gedaan zouden krijgen als niet deel van hun tijd opging aan het uitvinden van die soortgelijke wielen?

Met zijn uitspraak dat ‘visie is als een olifant die het uitzicht belemmert’ zette de premier de uitdrukking ‘regeren is vooruitzien’ bij het grof vuil. Sindsdien is regeren in toenemende mate afschuiven.

Eigen doelpunt

Bij De Correspondent schreef Jesse Frederik een artikel met als titel “De pers hekelt scorebordjournalistiek maat staat te juichen als er gescoord wordt.” Fredrik in dit artikel: “We schrijven deftige analyses over incidentenpolitiek, maar ondertussen vliegen de gates je om de oren: verkennersgate, appjesgate, smsgate, Kaaggate.” Ik moest hieraan denken toen politiek verslaggever Thomas van Groningen van Op1 in de uitzending van 7 juni 2022 het bericht bracht dat een deel van de ouders uit de toeslagenaffaire nog tot 2026 moet wachten voordat hun dossier inhoudelijk wordt beoordeeld. In dezelfde uitzending sprak Denk-fractieleider Farid Azarkan van: “een schandalige planning,” en roept premier Rutte en de ministers Kaag en Hoekstra op om zich hier persoonlijk mee te bemoeien.

Een politicus die zich hard maakt voor deze mensen. Toch wringt er iets. Er wringt iets omdat het geacht Kamerlid op de grote trom slaat en de ambtenaren die deze planning hebben opgesteld, verwijt schandalig werk te hebben geleverd. Wat de betreffende ambtenaren hebben gedaan, is iets wat Azarkan zelf ook op de achterkant van een bierviltje had kunnen doen en dat is doorrekenen van de zaak op basis van bekende gegevens. Voor het lezersgemak, hier die achterkant van het viltje.

Er wachten 14.500 dossiers op een beoordeling of de € 30.000 die ze hebben ontvangen al hun schade dekt. Was de schade lager, dan hebben ze geluk want dan mogen ze het meerdere behouden. Was de schade hoger, dan krijgen ze nog een vergoeding voor het hogere. Dat zijn er veel.

Het één voor één zorgvuldig beoordelen van deze dossiers kost tijd. Hoeveel tijd is ook bij Azarkan bekend. Bij de behandeling van de derde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag stelde de vaste commissie voor Financiën een 85-tal vragen. De vragen en de beantwoording ervan zijn te vinden in Kamerstuk 31066 nr. 715. Een van die vragen betrof de inschatting van de tijd die gemoeid zou zijn met het behandelen van een dossier. Die vraag (nummer 14) luidde: “Waarom is de inschatting gebaseerd dat een dossier samenstellen 400 uur duurt, als de afwikkeling van een compensatie tussen de 9,5 en 74 uur duurt?” Dat zijn veel uren om een dossier compleet te krijgen zeg je op het eerste oog. Die vraag werd keurig en als volgt beantwoord: “De inschatting dat een dossier samenstellen 400 uur duurt is gebaseerd op een 0-meting die is uitgevoerd na de oplevering van de dossiers in februari. Om een dossier volledig te maken moeten veel verschillende en arbeidsintensieve werkzaamheden worden verricht. Het opstellen van een dossier bestaat uit het verzamelen van alle informatie over een ouder, over alle jaren en alle toeslagen, inclusief alle gegevens uit de systemen zoals gespreksnotities. Deze verzameling gebeurt vanuit verschillende systemen. Al deze stukken moeten worden opgeslagen, hernoemd (duidelijke naam voor het document) en waar nodig worden gelakt op basis van de daarvoor geldende regels. Hierna worden al deze stukken geprint en fysiek aangeleverd bij de ouder. Het verzamelen van deze gegevens en de verdere acties neemt veel tijd in beslag. Inmiddels is de herstelorganisatie de afgelopen maanden druk bezig geweest om hier versnelling in aan te brengen. Binnenkort wordt een 1-meting uitgevoerd om te zien wat de huidige tijdsduur is en leveren we ook een planning op. De beoordeling van documenten in het kader van de herbeoordeling van een zaak kost aanzienlijk minder tijd omdat hiervoor alleen gericht gekeken hoeft te worden naar een beperkter deel van de documenten en er daarnaast niet- zoals bij de samenstelling van het dossier- nog veel extra acties moeten worden uitgevoerd.”  De tijdsinschatting is dus gebaseerd op een onderzoek naar die tijdsduur. Tijd die politiek en bestuurlijk Nederland de afgelopen twintig jaar niet wilde investeren in de Belastingdienst. een weigering die tot deze situatie heeft geleid. Penny wise, pound foolish zouden de Britten zeggen en in beter Nederlands: voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten., Het antwoord van die 400 uur zal voor velen die de overheid als een ‘Big Brother’ zien die alles met een druk op de knop over je weet, wellicht enigszins geruststellen.

Laat ik voor het gemak tellen met 40 uur voor de herbeoordeling, ongeveer het gemiddelde van 9.5 en 74 uur. Dat betekent dat een dossier 440 uur kost. Een fulltimer werkt zo’n 1.480 uren productief. De overige tijd heeft de persoon vakantie, is ziek en gaat op aan intern overleg zoals functionerings- en beoordelingsgesprekken. Dit betekent dat de fulltimer 3,36 dossier per jaar kan doen en dat er 4.310 fulltime-equivalen nodig zijn om de zaak in één jaar te klaren. Dit beoordelen is belegd bij de speciaal daarvoor opgerichte Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Deze dienst kent 1.139 fulltime-equivalent (fte). Dit betekent dat het de dienst bij de huidige bezetting ongeveer 4 jaar kost om al deze dossiers te behandelen. En over vier jaar is het 2026. Daarnaast liggen er nog 19.500 dossier van ouders die voor die € 30.000 zijn afgewezen en er wel recht op denken te hebben. Als afhandeling van die dossiers evenveel tijd kost dan wordt het laatste dossier van die stapel in 2032 weggewerkt.

Het enige ‘nieuwe’ dat Van Groningen brengt: “In eerste instantie stond op de site van de Belastingdienst dat er een jaar wachttijd zou zijn. “Dat hebben ze veranderd naar een jaar wachttijd, dat kan oplopen tot drie jaar”, zag Thomas van Groningen. “Kan oplopen staat er. Maar we weten van de planning dat dat niet klopt. De Belastingdienst weet intern al dat sommige zaken tot 2026 oplopen.”” Azarkan noemt de planning ‘schandalig’ maar met de betreffende cijfers is er geen andere te maken. Als de uitkomst hem niet bevalt dan moet hij pleiten voor meer mensen voor de UHT dat is de enige manier om tot een andere planning te komen. En nee, die drie mensen zijn niet een premier en twee ministers. Die eraan toevoegen leidt waarschijnlijk alleen maar tot meer werk voor de UHT.

Staan beiden, om Frederiks ‘scoren metafoor’ te gebruiken, niet te ‘juichen bij een eigen doelpunt?

Cliteurs kletspraat

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Paul Cliteur. Cliteur verwijt minister Dijkgraaf van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de plank volledig mis te slaan. Cliteur: “Dat die cultuur van bedreigingen iets te maken zou hebben met het feit dat “de wetenschap” in twijfel zou worden getrokken, zoals Dijkgraaf poneert, is geheel uit de lucht gegrepen.” Hij ziet een, zoals hij het zelf noemt: “veel realistischer verklaring voor de bedreigingen,” en die luidt: “dat mensen zich realiseren dat de beperking van hun bewegingsvrijheid die onder het Corona-regime begonnen is, en die nog steeds verder dreigt te gaan, iets te maken heeft met een narratief dat bepaalde wetenschappers op door de overheid gecontroleerde media steeds maar blijven uitdragen.”  Hij voegt hier meteen aan toe dat dit nog steeds geen rechtvaardiging is om mensen te bedreigen.

Even dit in mijn eigen woorden vertalen. Ik wil er morgen een dagje op uit en daarvoor moet het natuurlijk wel mooi weer zijn, een graad of 24, een lekker zonnetje van het soort weer waarbij korte broek en T-shirt passen. Nu kijk ik naar het weerbericht en daar zie ik de weervrouw bij RTL of de NOS op basis van haar wetenschappelijke inzichten verkondigen dat er morgen de hele dag een sneeuwstorm woedt bij een temperatuur van maximaal een graad of min 16 en die aanvoelt als min 36. Zij adviseert om binnen te blijven vanwege de kans op insneeuwen en doorvriezen. De regering neemt dat advies over en verplicht morgen iedereen binnen te blijven. Dat past niet in mijn straatje en daarom bedreig ik de weervrouw. Dit bedreigen doe ik, Cliteur volgend, niet omdat ik twijfel aan de wetenschap, maar omdat ik haar advies, dat de overheid overneemt, niet pruim. Een advies gebaseerd op haar wetenschappelijke inzichten waaraan ik dus niet twijfel maar toch bedreig ik haar. Bijzondere logica voor een rechtsgeleerde en filosoof.

De bijzondere logica gaat verder(E)en realistische verklaring voor een bedenkelijk maatschappelijk verschijnsel is wel een eerste aanzet voor de aanpak van een probleem,” betoogt Cliteur terecht. De vraag is of Cliteurs verklaring realistisch is. “Wanneer de minister dan ook denkt middels een oproep “wantrouwen” te kunnen wegnemen dan zou ik zeggen dat het niet erg realistisch is te denken dat hij op deze manier wantrouwen wegneemt en vertrouwen herstelt,” zo vervolgt hij zijn betoog. Hoe dan te handelen? “De minister zou een bijdrage kunnen leveren aan het vertrouwen door binnen het kabinet te gaan pleiten voor de wetenschappelijke methode. Door samen met de staatssecretaris te gaan ijveren voor waarlijk pluriforme media.”  En daarmee kom ik bij Cliteurs beeld van de ‘gecontroleerde media’, bij een stokpaardje van het Forum voor Democratie, de partij waarvan hij Cliteur sinds 2015 lid is, waarvoor hij een periode in de Eerste Kamer zat en aan wiens wetenschappelijk bureau hij nu leiding geeft. Eerder was hij actief voor de Partij voor de Dieren en werkzaam voor het wetenschappelijk bureau van de VVD.

Het beeld wat Cliteur schetst is er een van, om die term uit de Duitse bezetting te gebruiken, ‘gelijkgeschakelde’ media die allemaal aan de leidband van de regering lopen. Een wel heel bijzondere constatering. Kranten zijn er steeds minder en dat is niet omdat de regering ze ‘gelijkschakelt’, maar omdat ze steeds minder worden gelezen. Maar niets staat je in de weg staat een krant te beginnen om je ‘eigen geluid’ te laten horen. Zo is er sinds een tijdje De Andere Krant voor iedereen die al die bedreigde wetenschappers tegenspreekt. Of je begint een medium zoals die De Dagelijkse Standaard die geregeld Cliteurs artikelen publiceert of een blogsite zoals de ballonnendoorprikker.nl.  

In Nederland kan iedereen een omroepvereniging beginnen. Het lastigste wat je moet doen is 50.000 leden voor je club verzamelen en je moet een maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming vertegenwoordigen, maar dat is niet zo lastig. Recentelijk zijn er weer twee toegevoegd waarmee het totaal op 14 komt. Die twee nieuwe, ON en ZWART konden niet meer van elkaar verschillen. De enige overeenkomst, ze vonden allebei dat de rest van de omroepen hen niet vertegenwoordigde. Veel pluriformer kan het bijna niet en als je het niet pluriform genoeg vindt, staat niets je in de weg om, zoals Arnold Karskens van ON deed, een eigen omroep op te richten en zo je ‘geluid’ de ether in te zenden of moderner, via ‘Het Net’ te verspreiden. Daarnaast zijn er nog verschillende commerciële tv-zenders. Sterker nog, als je je boodschap wilt verspreiden begin je gewoon een eigen internet-tv-kanaal. Zo is er al blckbx, een kanaal dat juist spreekt met ‘die andere wetenschappers’ en ook Cliteurs FvD heeft zo’n eigen kanaal waar de eigen standpunten ‘wetenschappelijk’ worden onderbouwd. Al bij al een ‘waarlijk pluriform’ medialandschap waarbij niemand wordt belemmerd om toe te treden. Zou het toevoegen van nog meer kanalen er werkelijk voor zorgen wetenschappers niet meer worden bedreigd?

Is het probleem werkelijk het “narratief dat bepaalde wetenschappers op door de overheid gecontroleerde media steeds maar blijven uitdragen?”  Zou het werkelijke probleem of de eigenlijke drie problemen niet kunnen zijn, als eerste dat er mensen zijn die gaan dreigen als iets ze niet bevalt? Als tweede en belangrijkste het lijderschap van de regering in corona-tijd? En nee, dit is geen verschrijving. Ik bedoel de lafheid, het gebrek aan leiderschap waarmee ze zich achter wetenschappelijke adviezen verborgen en het deden voorkomen alsof de wetenschappers de besluiten namen. Schoven ze hiermee hun verantwoordelijkheid niet af op het OMT en doken vervolgens weg achter de ruggen van de wetenschappers? Een houding waardoor ze lijden terwijl ze het land eigenlijk moesten leiden? En als derde het ‘begrip’ dat Cliteurs partijgenoten zoals Kamerlid Van Meijeren voor bedreigers aan de dag legt en de niet onderbouwde beschuldigingen die hij, gedekt door zijn parlementaire onschendbaarheid, in de Kamer uit aan het adres van wetenschappers. Maar ook het geroep van diens collega Van Houwelingen om ‘tribunalen’? Zaken waarmee ze de bijl zetten aan de wortel van onze democratie.

Met andere woorden is Cliteurs ‘realisme’ niet gewoon kletspraat?