Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over vooronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

Een gezonde dosis wantrouwen

“Van de respondenten geeft 57 procent aan geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek.” Een zin in een artikel bij Binnenlandsbestuur. Het artikel geeft de resultaten van een onderzoek dat door een ander blad en een bedrijf is verricht. Interessant omdat over een kleine twee maanden gemeenteraadsverkiezingen zijn. Ook kent de helft van de respondenten ‘hun’ burgemeester niet, laat staan wethouders. Alarmerend natuurlijk, zeker dat gebrek aan vertrouwen. Dat is reden voor grote zorg.

vertrouwen

Illustratie: Pixabay

Als het parlement of een gemeenteraad het vertrouwen opzegt in een minister of wethouder, dan is het einde oefening voor deze minister of wethouder. Een bestuurder kan niet zonder het vertrouwen van de gekozen volksvertegenwoordigers. Politici die niet worden vertrouwd, winnen geen verkiezingen. Mensen kiezen politici die ze vertrouwen. Vertrouwen is belangrijk in politiek en bestuurlijk Nederland, een gebrek eraan is een probleem.

Of toch niet? Het vertrouwen in een politicus dat een individuele kiezer tijdens verkiezingen uitspreekt, kan best gepaard gaan met wantrouwen in de politiek als geheel. Waarom zouden mensen vertrouwen moeten hebben in de politiek als geheel? Is vertrouwen in politici en bestuurders als een burgemeester essentieel voor het goed functioneren van een democratie?

Als we de politiek en het bestuur zien als de macht, is vertrouwen dan nodig om die macht in te beheersen? Moet macht niet in balans worden gehouden door tegenmacht? Tegenmacht die niet per definitie ‘democratisch’ gekozen hoeft te zijn. Tegenmacht die niet ‘vriendelijk’ hoeft te zijn voor de macht. Zou tegenmacht gebaseerd op wantrouwen die macht beter scherp kunnen houden dan op vertrouwen gebaseerde macht?

Wantrouwende tegenmacht die politici en bestuurder op de huid zit, zou dat niet tot betere resultaten kunnen leiden? Moeten we daarom niet juist blij zijn met die 57 procent die aangeeft geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek? Sterker nog, moeten we ons niet juist zorgen maken dat 43 procent vertrouwen heeft in de lokale politiek? Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?

Vertrouwen in …

Vertrouwen: “met zekerheid hopen,”

aldus de Vandale. Karl Marx had ook een rotsvast vertrouwen in de uitkomst van de geschiedenis. Volgens Marx drijft die ons onwrikbaar en onvermijdelijk naar een modern communisme, een klassenloze heilstaat. De uitkomst van de klassenstrijd stond vast, het was een wetmatigheid. Tot op heden is die wet nog niet uitgekomen, maar dat wil niet zeggen dat Marx ongelijk heeft. Wellicht is het nog niet zover.

Ook gelovigen hebben een rotsvast vertrouwen in de uitkomst van het leven. Voor de katholieken is het duidelijk dat je uiteindelijk in de hemel aan Gods zijde of de hel bij de duivel beland. Wat het wordt hangt af van je handelen in het hier en nu. Moslims gaan naar het hiernamaals, sommigen met de zekerheid dat daar 72 maagden op hen wachten. De protestanten wachten op de wederkering van van de Heer die hen, de doden en de levenden, opneemt in zijn eeuwigdurende rijk. Boeddhisten en hindoes keren weder in een andere gedaante.

bus VVVFoto: Flickr

Ik heb er vertrouwen in, hoop het tenminste al is de zekerheid niet absoluut, dat mijn favoriete cluppie VVV (zonder Venlo erachter want de eerste V staat voor Venlose) zich handhaaft in de eredivisie en ik hoop er op (weer ietsjes minder zekerheid) dat komend weekend PSV aan de zegekar wordt gebonden. Dat vertrouwen en die hoop is gebaseerd op de inzet en werklust van de spelers en het strijdplan van coach Maurice Steijn.

Waar vertrouw je op als je op de toekomst vertrouwt, zoals de partijen die gaan regeren doen getuige de titel van het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst? Waar hoop je dan met zekerheid op? Dat de toekomst komt, daar hoef je niet op te hopen, die komt, dat is een zekerheid. Een zekerheid die je hebt totdat je sterft en als je gelooft zelfs ook nog daarna. Een beetje zelfbewust kabinet vertrouwt op het positieve effect van de maatregelen die het neemt. Dit kabinet Rutte III lijkt dat niet te doen, dan zouden ze de toekomst met vertrouwen tegemoet zien.

Zouden ze vanwege juist het gebrek aan vertrouwen in de maatregelen in het regeerakkoord met zekerheid hopen dat zij snel worden verlost van elkaar? Zouden ze dat bedoelen met vertrouwen in de toekomst?

De Belgische bus

Bij Joop schrijft Hester Macrander over vertrouwen. Aanleiding voor haar artikel is het betoog van Jan Terlouw bij De Wereld Draait Door. Bij het lezen van Macranders artikel moest ik denken aan ervaringen uit mijn werkzame leven als gemeenteambtenaar. Ik moet dan denken aan twee spreuken.

loslaten-in-vertrouwen

Illustratie: Adobe Spark

‘De eerste is loslaten in vertrouwen’. Vanuit de gemeente geredeneerd willen ze het vertrouwen hebben dat ze iets aan burgers en bedrijven kunnen overlaten. Redeneer je vanuit de burger of een bedrijf, dan wil je erop kunnen vertrouwen dat de gemeente woord houdt en dat loslaten ook echt loslaten is. Twee keer vertrouwen of is het het gebrek eraan? De tweede spreuk is ‘ruimte voor de professional’ want die professional weet het beste wat er moet gebeuren dus waarom zou je hem of haar dan niet de verantwoordelijkheid geven? Ook daarbij staat vertrouwen centraal.

Als ik dan put uit mijn ervaringen en herinneringen, dan zie ik iets anders. Dan zie ik stuurgroepen, bestuurscommissies, overlegtafels en portefeuillehouders overleggen, namen voor ‘vergaderingen’ van wethouders of burgemeesters waarin gemeenten samenwerken. En als bestuurders een overleg hebben, is er altijd een ambtelijk vooroverleg. Alleen lijkt dat samenwerken in de praktijk op het zoveel mogelijk najagen van de eigen belangen. Als het eigen belang wordt nagejaagd, verliest dan het gezamenlijke belang en sneuvelt dan het vertrouwen?

Zo werkte ik namens mijn toenmalige werkgever aan een gezamenlijk project met zo’n stuurgroep en een ambtelijke regiegroep. Een project dat vroeg om veel handen aan de ploeg en tijdens een ‘heidag’ werd de vraag gesteld hoe we meer menskracht konden vrijmaken. Daarop keek ik rond en zei, dat er veel menskracht in het betreffende zaaltje zat die allemaal aan het ‘regisseren’ waren. Terwijl een regisseur of projectleider dat werk ook zou kunnen. Dat was echter een paar bruggen te ver, iedereen wilde aan het ‘stuur’ blijven zitten. Geen vertrouwen om los te laten?

Een tweede voorbeeld. Een paar uitvoerende partijen kregen signalen van hun medewerkers dat er een hiaat zat in de dienstverlening. Ruimte voor de professional latend zou ik de professional vragen: ‘wat ga jij eraan doen, wat heb je daarbij nodig en ga vooral meteen aan de slag’. Zij stelden voor om een stuurgroep in te richten met een bijbehorende ambtelijke werkgroep die aan een actieplan moesten werken dat vervolgens geïmplementeerd moest worden. Hoe zit het dan met het loslaten in vertrouwen? Hoeveel ruimte is er voor die professional?

Lijkt dit niet veel meer op de Belgische bus uit het mopje? Die brede bus zodat iedereen een plekje voorin heeft? Of moeten we die bus in het vervolg toch maar Nederlands noemen?

 

Zaaien en oogsten

Eigenbelang of hebzucht vervult een centrale rol in het economische denken. De ‘godfather’ van de economische wetenschap, Adam Smith verwoordde het zo: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”

Die bakker verkoopt ons goed brood omdat we anders niet meer bij hem kopen, niet omdat hij zo graag goed brood maakt. Voor de bakkers onder de lezers, zo redeneerde Smith en tegenwoordig veel economen en politici. Ik zie ook een intrinsieke motivatie van Bakkerij Rutten om een een lekkere ‘Jocusmik’ te maken

RuttenFoto: https://www.facebook.com/BakkerijRutten

Op dit denken is een groot deel van onze samenleving gebouwd. Daarom is veel sociale wetgeving, zie bijvoorbeeld de Participatiewet, gebouwd op wantrouwen. Als het geld binnen is, zal de uitkeringsgerechtigde niet hard zoeken naar werk. Dus dat moet worden ‘afgedwongen’. Als je met een dergelijke bril naar de wereld kijkt, dan valt inderdaad op dat er mensen zijn die misbruik maken. De ‘brillendrager’ zal dat zien als een bevestiging van zijn gelijk. Wat hij niet ziet, is dat een veel groter aantal mensen geen misbruik maakt. Ziet hij dat wel, dan zal hij daarin ook een bevestiging zien van zijn gelijk. Dat goed gedrag wordt immers door de regels ‘afgedwongen’.

‘Zoals men zaait zo zal men oogsten’ luidt een Nederlands spreekwoord. Zouden we als we eigenbelang en hebzucht zaaien, door in onze regels uit te gaan van wantrouwen, niet ook eigenbelang en hebzucht en dus wantrouwen oogsten? De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang ziet dit als een van de 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. Hij zou het economisch stelsel op dit punt graag wat anders zien: “We moeten een economisch stelsel ontwerpen dat er weliswaar rekening mee houdt dat mensen vaak zelfzuchtig zijn, maar dat optimaal gebruik maakt van andere menselijke motieven en het beste uit mensen haalt.” 

Dat brengt mij bij de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler waarover ik al eerder schreef. Semler gelooft in de kracht van geluk en daar bouwde hij zijn bedrijf op. Voor hem staat vertrouwen centraal en hierdoor boort hij de kracht van mensen aan. Dat doet hij met succes. Laten hij en zijn medewerkers zo niet zien dat uitgaan van het goede in mensen goede resultaten oplevert? Zou uitgaan van het goede en dus vertrouwen in de sociale zekerheid betere resultaten opleveren? En wellicht tegen lagere kosten?