Uitgelicht

Beste Sylvana Simons,

“Ben je stil of ben je solidair?” Dat is de kop boven uw schrijven bij dekanttekening.nl. Nu weet ik niet of u die kop er zelf boven hebt gezet of dat dit het werk van de redactie is, maar dat maakt ook niet uit. De vraag staat er en daarom een antwoord. Laat ik u niet in spanning houden, ik ben solidair en zeker niet stil in de strijd voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In de strijd daarvoor vindt u mij aan uw zijde. Op mijn website www.ballonnendoorprikker.nl vindt u daarvan vele voorbeelden. Op twee punten in uw schrijven wordt dat wat lastiger. Laat ik ze één voor één behandelen.

Bron: Pixabay

Als eerste kan ik mij niet vinden in uw omschrijving van onze samenleving. Die is volgens u, en dit is mijn vertaling van uw woorden, ernstig ziek. Mijn vertaling van de passage: “Hij (Premier Rutte) krijgt het niet voor elkaar te erkennen dat de karikatuur slechts een symptoom is van een veel ernstiger ziekte, die zich in elke cel van onze samenleving heeft geworteld.” Symptomen van die ziekte zijn, volgens u: “onderadvisering in het onderwijs, uitsluiting op de stagemarkt en discriminatie bij uitzendbureaus. Dan van discriminatie op de arbeidsmarkt én op de woningmarkt naar etnisch profileren bij de belastingdienst en politie.” U noemt de naam van de ziekte niet expliciet, maar uit uw betoog meen ik op te maken dat die ziekte racisme heet. Mocht ik dit verkeerd zien, dan hoor ik dat graag van u. Dat onderadvisering in het onderwijs een probleem is, dat groepen Nederlanders het lastig hebben bij het vinden van een stage of een baan, staat buiten kijf. Dat daar wat aan moet worden gedaan ook. Dat ook echt wordt gediscrimineerd door mensen, geloof ik meteen. Dat ook de overheid, net als het bedrijfsleven profileert, is een feit. Toch ben ik het niet eens met uw conclusie dat dit symptomen zijn van die ernstige ziekte.

Al deze ‘symptomen’ kennen meerdere mogelijke oorzaken. Oorzaken die u buiten beschouwing laat. Laat ik ze eens langs lopen. Als eerste de onderadvisering. Onderadvisering vindt vooral een verklaring in het opleidingsniveaau van ouders, zo laat geograaf Josse de Voogd zien in een artikel in de Volkskrant. Heb je hoogopgeleide ouders, dan krijg je een hoger schooladvies dan een kind met een vergelijkbaar profiel en score van lager opgeleide ouders. En als het schooladvies al niet hoog  genoeg is, dan praten de hoogopgeleide ouders het wel omhoog. Dit is trouwens niets nieuws, dit gebeurde ook in tijden dat de scholen nog vooral door mensen van één huidskleur werden bevolkt. Het kind van de notaris kreeg bij een gelijke score een hoger advies dan het kind van de ijzervlechter. Bovendien zijn er vaak hele goede redenen waarom een kind een lager advies krijgt dan er op basis van bijvoorbeeld de cito-score mogelijk is. In een ingezonden brief in de Volkskrant van Heleen Houtermann, zoals ze zelf schrijft, “Jarenlang (…) met hart en ziel groepsleerkracht van groep 8 geweest,” legt zij uit dat: “naast de cognitieve capaciteiten ook om het welbevinden en het zelfvertrouwen dat een kind, in welk milieu dan ook, ervaart,” gaat.  En als er aan dat zelfvertrouwen wat mankeert dan kan een lager advies wel eens een heel goede keuze zijn. Houtermann: “Een kind met capaciteiten en een laag zelfbeeld is kansloos.”  En ja, dat gaat niet altijd goed en daarvan is een kind de dupe en dat is helaas niet te voorkomen. Als we onderadvisering alleen aan racisme koppelen, dan lopen we het grote risico dat een hele grote groep kinderen wordt vergeten. Ook lopen we dan het risico dat we voorbij gaan aan de professionaliteit van mensen als mevrouw Houtermann.

Dan de ‘uitsluiting op de stage- en banenmarkt’. Een erg krasse formulering die suggereert dat er van opzet sprake is. Dat zal in enkele gevallen best zo zijn. Ik waag echter te betwijfelen of er in het gros van de gevallen werkelijk sprake is van uitsluiting. Dat de kans op een baan met eenzelfde opleiding voor mensen niet even groot is, staat als een paal boven water. Dat is echter ook niets nieuws. Ook het vijftig jaar geleden afgestudeerde kind van die notaris had een grotere kans op een baan dan het kind van de ijzervlechter. Bij het vinden van een baan en ook van een stageplek, is niet zo zeer kennis van belang als wel kennissen. Voor wat betreft banen voor hun afgestudeerde kind is de kans heel groot dat de notaris een relevanter netwerk heeft. Zo heeft een kind waarvan de voorouders al meer dan honderd jaar in dit land wonen een grotere kans op het hebben van een relevant netwerk dan een kind waarvan de ouders of grootouders naar hier zijn gekomen. Dit verschil is onmogelijk te overbruggen. Dat dit onmogelijk is, wil echter niet zeggen dat we er niet voor kunnen zorgen dat de kansen van het kind zonder relevant netwerk worden vergroot. Daarbij helpt het niet, zo is mijn inschatting, als we hier het label racisme op plakken. Dan is de kans groot dat we verzanden in een welles-nietes discussie waarmee niemand is geholpen. Dan zal, zoals Gert-Jan Geling het ook bij deKanttekening.nl schrijft: “het midden (gaan) twijfelen, en de goodwill van de kritische massa voor de strijd tegen racisme zal snel verdwijnen.”

Als laatste het ‘etnisch profileren’ door bijvoorbeeld de Belastingdienst en de politie. Dat er bij de bestrijding van misdaad geprofileerd wordt is van alle tijden. Voor het oplossen van een misdaad is een profiel van de dader onontbeerlijk. Zonder een profiel zijn er immers bijna acht miljard mogelijke daders. Dus is het van belang om te weten hoe lang, zwaar, breed de verdachte ongeveer was. Wat de oog- en haarkleur en de haarlengte was, al zijn haarkleur en -lengte minder betrouwbaar omdat die geknipt en geverfd kunnen zijn of worden. Dit is achteraf profileren, als er al een misdrijf is gepleegd, en daar zal niemand bezwaar tegen hebben.

Anders is dat met vooraf profileren, dan wordt op basis van cijfers uit het verleden een profiel gemaakt van vroegere daders en dat wordt toegepast op mensen in het heden. Mensen met kenmerken die overeenkomen met die van vroegere plegers van misdrijven. Die worden vervolgens extra in de gaten gehouden en gecontroleerd. Deze manier van werken is in de tijd van de ‘big data’ erg populair en makkelijk toe te passen. Laat een algoritme zoeken naar correlatie in een hele hoop data en er komt altijd wel wat naar boven. Dit is de basis onder het bedrijfsmodel van de Facebooks, Googles en Amazons van deze wereld. Een voorbeeld. Als uit het verleden blijkt dat belastingfraudeurs vaak vastgoed in het buitenland hebben, dan zullen mensen met vastgoed in het buitenland vaker voor controle in aanmerking komen. Als ook blijkt dat een flink deel van die ‘frauderende vastgoedeigenaren’ een dubbele nationaliteit hebben, dan is het hebben van een dubbele nationaliteit bij deze manier van werken ook een aanleiding voor extra controle. Dit vooraf profileren is nooit ongevaarlijk, vaak hinderlijk en soms zelfs zeer gevaarlijk. Deze manier van werken heeft als nadeel dat ze zelfbevestigend is. Immers, als ik die groep vaker ga controleren dan de andere, dan zal dat leiden tot relatief nog meer ‘fraudeurs met buitenlands vastgoed en een dubbele nationaliteit’. Niet omdat die er meer zijn maar omdat ze een veel grotere kans hebben om tegen de lamp te lopen dan een ‘fraudeur zonder buitenlands vastgoed’. Dit is een heel ‘luie’ manier van werken omdat er niet wordt nagedacht en oorzaak en gevolg vaak worden verwisseld. Dat bijvoorbeeld mensen met een dubbele nationaliteit vaker vastgoed in het buitenland hebben, is op een veel logischer manier te verklaren dan om ‘er fraude mee te plegen’.

Dat overheden aan de slag gaan met ‘big data’ en met profielen heeft, naar mijn mening, een heel andere oorzaak. Een oorzaak die helemaal niet met racisme en discriminatie van doen heeft maar veeleer een gevolg is van het New-Public-Management-denken dat eind vorige eeuw ‘populair’ werd in overheidsland. Ik schreef er recentelijk een artikel over op mijn site met als titel Corona en etnisch profileren.

Het tweede punt wat het lastig maakt om me aan uw zijde te scharen, is dat u de oplossing zoekt in een in mijn ogen schadelijke sociologische theorie. In uw schrijven geeft u aan dat de PvdA, GroenLinks en D66 om; “hun woorden van solidariteit kracht bijzetten door antiracisme bovenaan hun politieke agenda te zetten,” alleen maar: “voor intersectionele politiek (hoeven te) kiezen.” Deze theorie heeft al als uitgangspunt dat er sprake is van discriminatie en dat er wordt gediscrimineerd op basis van een veelvoud aan aspecten. Aspecten zoals huidskleur, sekse, gender, religie en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Al die aspecten moeten in onderling verband worden bestudeerd om de oorzaken en gevolgen ervan te verklaren en ook voor het aanpakken van de gevolgen ervan. Mijn probleem met deze theorie is dat ze verdeelt terwijl er verbinding nodig is. Op basis van al die aspecten wordt een persoon ontleed en in hokjes gezet En als je die aspecten weer bijeenvoegt, dan heb je iemands ‘identiteit’. Deze manier van denken maakt identiteit tot iets zwaars en statisch. Voor mij is identiteit, in navolging van Kwame Anthony Appiah, licht en veranderlijk. Niet alleen mijn identiteit als persoon, maar ook de ‘gezamenlijke identiteit’ van een land.

Zoals gezegd, strijd ik voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In die strijd kunnen we elkaar vinden. Ik weiger echter uw analyse van de onze huidige samenleving en hoe die is ontstaan  te onderschrijven én te kiezen voor intersectionele politiek. Als dit voor u niet onoverkomelijk is dan ga ik graag met u het gesprek aan.

Intersectionaliteit en rotondes

 “De koppeling tussen gender en etniciteit is belangrijk om de positie van zwarte vrouwen te begrijpen.” Een uitspraak van Nancy Jouwe die door Trouw wordt geïnterviewd. Jouwe is onderzoeker op het gebied van ras, gender en intersectionaliteit. Wat? ‘Intersectioneel’ of kruispuntdenken gaat ervan uit dat: “Een identiteit bestaat uit verschillende elementen, … In hoeverre mensen gediscrimineerd, bedreigd, racistisch of seksistisch worden bejegend, is afhankelijk van meerdere factoren die op elkaar inwerken: denk aan ras, gender, seksuele voorkeur of sociaal-economische positie.”

Foto: Wikimedia Commons

Intersectionaliteit is een sociologische theorie. Een manier om zicht op en inzicht in de werkelijkheid van discriminatie en onderdrukking te krijgen. Deze theorie probeert een beschrijving te geven van iemands identiteit door de mens in te delen: man of vrouw, zwart of wit, hetero of lhbtqia++, hoog- of laag opgeleid. De identiteit van iemand wordt dan bepaald door de kruispunten van al deze ‘assen’ en dat geeft dan inzicht in de achterstandspositie van iemand. Een interessante theorie om inzicht te krijgen in discriminatie en achterstelling. Als het over identiteit gaat, heb ik meer met een andere manier van kijken. Eentje die meer naar de persoon achter de kleur, sekse en dergelijke kijkt, naar het karakter van de betreffende persoon.

Wat opvalt bij veel aanhangers van deze theorie, is dat zij kleur en sekse als dominant zien. Zo ook Jouwe: “Traditioneel hebben witte mannen de meeste macht. Vrouwen hebben minder macht en zwarte mannen ook. Ben je zwart en vrouw dan treedt er op meerdere fronten machtsongelijkheid op.” Volgens Jouwe verklaart dat ook de bagger die Sylvana Simons en recentelijk columnisten Nourhussen en Gargard over zich heen kregen: “Als een zwarte vrouw vanuit een machtspositie spreekt en ook nog een mening heeft, dan kunnen mensen dat vaak niet goed aan. Dat roept een enorme weerstand op, omdat ze niet de rol speelt die we gewend zijn.” Zou het ook anders kunnen liggen? 

Volgens Jouwe, moeten we allemaal: “nadenken over onze privileges. Dat is toch een interessant intellectueel debat? Als je je rekenschap geeft van je eigen positie, kun je een zinnige bijdrage leveren aan het debat. Meer empathie, dat zou al enorm helpen.” Laten we dat eens doen. Je bent een blanke, hetero man van een jaar of veertig, getrouwd met twee kinderen en probeert die zo goed mogelijk op te voeden van je loon als heftruckchauffeur. Hoeveel macht heb je dan? Hoe zou het dan voelen als je van Gargard, Jouwe of Simons te horen krijgt dat je moet nadenken over je geprivilegieerde positie als witte man? Dames die de kranten en televisie halen en een veel machtigere en invloedrijkere positie bekleden dan jij?

Dat er racistische bagger over mensen wordt uitgestort, mag niet en is niet goed te praten. Maar, wordt het niet eens tijd dat de ‘intersectionalisten’ ook eens afslaan van hun ‘rotondes’ van kleur en sekse op weg naar andere kruispunten? Dat zou huidige ‘tegenstanders’ wel eens kunnen omtoveren tot medestanders.

Divers, diverser, diverst

In Amsterdam zijn nieuwe wethouders benoemd. Bij AT5 is te lezen dat het Amsterdamse BIJEEN-raadslid Sylvana Simons, het college niet divers genoegd vindt. Het college bestaat uit 3 mannen en vijf vrouwen, inderdaad een oververtegenwoordiging van vrouwen, maar dat bedoelt Simons niet. Dat maar één van de acht wethouders van kleur is, vindt Simons “ongehoord.” Als ik trouwens naar de ‘kleur van de acht bestuurders kijk, dan vraag ik mij af welke van die acht dan ‘van kleur’ is? Simons bedoelt waarschijnlijk Touria Meliani, maar zij heeft dezelfde kleur als  de andere zeven. 

Iamsterdam.jpg

Foto: Wikimedia Commons

“En dan heeft Simons het alleen nog maar over kleur, want als het gaat om diversiteit qua seksuele voorkeur of mensen met een beperking is het nieuwe college volgens haar ook niet divers,” zo lees ik. Toch zie ik acht personen met allemaal een eigen achtergrond, een eigen persoonlijkheid, een eigen verleden, eigen kenmerken en dus een heel ‘divers’ gezelschap. 

Beste mevrouw Simons, met acht personen de ideale mix vinden die precies de bevolking van Amsterdam weerspiegelt, lijkt mij erg lastig. Zeker als je je realiseert dat de stad al zo’n 180 nationaliteiten kent en dan zou het ook zomaar kunnen dat die nationaliteiten ook nog in verschillende culturen uiteen vallen en dan heb ik het nog niet eens over religies. Een Fries is immers ook anders dan een Zeeuw of een Limburger, een Vlaming is anders dan een Waal of Brusselaar, een Bask is anders dan een Catalaan en zo kunnen we doorgaan. De ene Fries, Zeeuw of Catalaan verschilt ook weer van de andere. Dat krijg je niet ‘afgespiegeld’ in een college van acht leden en ook niet in een raad van vijfenveertig.

Als u wilt dat het college een goede afspiegeling vormt van de bevolking, dan moet u  pleiten voor uitbreiding van dat college. Dan moet dat namelijk de gehele bevolking van de gemeente gaan omvatten. Dat maakt besturen echter wel lastig, want waar vind je een zaal waar de gehele Amsterdamse bevolking in past en dat is dan nog een van de minste problemen.

Maar, beste mevrouw Simons, dat is niet de functie van een raad of college. Die moeten de stad besturen en besluiten nemen die het algemeen belang het beste dienen. Daarop moeten ze worden beoordeeld, niet op hun sekse, seksuele voorkeur, religie, afkomst of kleur. 

Beste mevrouw Simons,

“Als zwarte vrouw ben ik me bewust van denigrerend taalgebruik. Het voorval met Martin Simek is een klassiek voorbeeld van hoe over vluchtelingen denigrerend wordt gesproken in de media en hoe aanstootgevend dat is voor hen en voor zwarte mensen.”

Dat zegt u, Sylvana Simons, in een interview met het AD. U geeft in dit interview aan dat: “Het is vermoeiend om continu bezig te zijn leugens over mij te ontkrachten.” Dat er leugens worden verspreid is volgens u geen toeval: “Daar is hard aan gewerkt door media die mijn woorden verdraaien en extreemrechtse websites die nepnieuws brengen. Het is een actieve campagne om alles van mij uit de context te halen. Nog steeds wordt alles wat ik zeg en doe negatief ontvangen en zo vertaald in de media.’’

Gaypride

Foto: Flickr

U heeft een punt als u beweert dat er veel mensen zijn die alles wat u zegt verdraaien, die verdraaiing vervolgens uitvergroten en u zo in een kwaad daglicht stellen. Zoek op sites als TPO en De Dagelijkse Standaard en het regent voorbeelden. Dat u hier veel last van heeft, kan ik me heel goed voorstellen. Alleen is hier weinig aan te doen, dat is het maatschappelijke klimaat van tegenwoordig. Een klimaat waarin snel scoren ten koste van anderen hoogtij viert.

Weinig, maar niet niets. Het enige wat we eraan kunnen doen, is ons niet te verlagen tot het met ‘gelijke wapens’ terugslaan. Door ons niet schuldig te maken aan verdraaien van de woorden en bedoelingen van anderen. Schort het daar bij u ook niet aan?

Zo ageerde u tegen uitspraken van de heren Derksen en Van der Gijp bij Voetbal Inside. Van der Gijp had het gewaagd om te zeggen dat hij liever naar darts kijkt dan naar het trouwen van twee homo’s, waarvan Gordon er eentje was. Dat is wat anders dan “walgt van homoseks” dat u ervan maakt. Derksen omschrijft de Gaypride volgens u als een ‘bloemencorso’ van ‘heren met een veer in hun reet.” Iemand die een blik werpt op de botentocht kan er vele conclusies uit trekken, ook de ‘veren’ van Derksen. Maakt een dergelijke mening over de Gaypride of het niet willen kijken naar Gordon gaat Trouwen iemand meteen homofoob?

Ik begon mijn brief niet voor niets met het citaat waarin u refereert aan het ‘voorval’ met Martin Simek. Een citaat waarin u precies dat doet wat u andere verwijt. Als u het interview met Simek nog eens terugkijkt, dan ziet u iemand die enorm begaan is met de vluchtelingen die in Italië aankomen. Je ziet iemand die moeite heeft met de oneerlijkheid, ze het liefste allemaal wil helpen en dan op hele vertederende manier zegt: “ik heb af en toe die zwartjes meegenomen.” Niets denigrerends en dat bevestigt hij ook als u  hem ernaar vraagt, waarna u aangeeft geen moeite te hebben met het gebruik van het woord zwart. Maakt u door uw uitspraak waarmee ik begon, niet ook schuldig aan ‘ uitvergroten’ en ‘in een kwaad daglicht stellen’ van in dit geval Martin Simek?

Beste mevrouw Simons, hoe staat u als ‘aanklager’ als u hetzelfde handelt als degenen die u ‘aanklaagt’?

Beste Sylvana Simons

“Ik beweer dat identiteitspolitiek iets van de afgelopen honderden jaren is. Alleen het was één dominante identiteit dus niemand had er een probleem mee.”

Een uitspraak van u, Sylvana Simons, in een gesprek met De Correspondent. Volgens u valt de identiteitspolitiek nu pas op omdat er andere identiteiten ‘on the scene’ zijn verschenen.

identiteit

Illustratie: Pixabay

Beste mevrouw Simons, onder welke steen heeft u gelegen? Was er in de voorgaande eeuwen werkelijk maar één dominante identiteit in Nederland en wat breder in Europa? Wellicht zijn de vele godsdienstoorlogen aan uw aandacht ontsnapt. Oorlogen met vele slachtoffers. Die godsdienststrijd vormde ook een belangrijk onderdeel van de Opstand tegen de ‘Spanjaard’. Een ‘Opstand’ die voor de streek en plaats waar ik woon, heel andere gevolgen had, dan voor Amsterdam en Holland. Het huidige Limburg en een groot deel van Brabant werden ‘generaliteitslanden’ genoemd, een soort kolonie avant la lettre. Godsdienst is zelfs tot ver in de twintigste eeuw en voor sommigen zelfs nog steeds een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Iets waarmee ze zich onderscheiden van mensen met een andere of geen godsdienst.

Voor mij, als Venlonaer, is de Vastelaovend, een belangrijk onderdeel van mijn identiteit. Niet die van Maastricht of van de Brabantse Carnaval, nee de Venlose Vastelaovend. Ik zie mijn identiteit daarom als anders dan iemand uit Maastricht of Brabant en zeker dan van een Hollander. Waarbij ik met de Mestreechter op dit punt meer affiniteit heb dan met de Brabander en zeker dan met de Hollander. Op andere gebieden heb ik misschien weer meer gemeen met u of een Hollander dan met de anderen en misschien wel dan mijn mede Venlonaeren. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat de waardering voor de politicus Wilders zo’n punt is.

Het valt me tegen dat iemand die terecht aandacht vraagt voor de geschiedenis en positie van de voormalige koloniën en haar inwoners, die aandacht vraagt voor diversiteit, die diversiteit in de geschiedenis van het gebied waar we nu wonen, niet lijkt te kennen. Sterker nog, die diversiteit lijkt te ontkennen.

Beste mevrouw Simons, het lijkt erop dat u ‘identiteit’ versmalt tot de kleur van iemands huid. Vindt u niet dat dit een wel erg smalle definitie is? Zijn er niet veel meer zaken die iemands identiteit bepalen dan alleen de huidskleur?

 

Pestprotocol

In een passage uit de column bij Jalta bespreekt Rik de Jong de rechtszaak die Sylvana Simons heeft aangespannen tegen mensen die haar op de sociale media bedreigden of beledigden. Volgens De Jong dient bedreiging gestraft te worden, “uitspraken die geen directe bedreiging of smaad en laster behelzen,” niet: “Ook platte, domme, achterlijke en bovendien verwerpelijke uitlatingen die iemand geen aantoonbare schade toebrengen, moeten in een publiek debat besproken kunnen worden.”

pesten

Illustratie: Moed

Een redelijk betoog van De Jong, we kennen immers de vrijheid van meningsuiting. In dat vrije debat moet je elkaar goed de maat kunnen nemen en dat is niet iets voor watjes. Maar toch…

Kinderen die worden gepest, een gruwel en bron van zorg voor ouders en opvoeders. Scholen zijn er alert op, hebben ‘pestbeleid’ en een pestprotocol. Terecht want er is niets zo vervelend voor een kind dan gepest worden. Niet alleen op school wordt gepest, ook bij de sportvereniging of op het werk worden mensen gepest. Google op pesten en je vindt vele sites en berichten (3.550.000 in 0,44 seconden op het moment dat ik googelde) over pesten.“Platte, domme, achterlijke en bovendien verwerpelijke uitlatingen,” brengen de kinderziel wel schade toe.

Zouden die “platte, domme, achterlijke en bovendien verwerpelijke uitlatingen” de volwassen ziel geen schade toebrengen, net als aan de kinderziel? Kun je dit ook zien als een vorm van pesten? Pesten op scholen en het werk krijgt terecht veel aandacht. Moeten we ‘pesten’ in het publieke debat dan wel zo normaal vinden?

Bespreken in het publieke debat klinkt mooi, maar heeft dat effect als de ene helft niet naar de ander luistert? Als de ene helft uitlatingen toejuicht die de andere helft verfoeit? Misschien toch een ‘pestprotocol’ voor het publieke debat opstellen?

 

Artikel 1

“Omdat mijn missie en de reden dat ik de politiek ben ingegaan, namelijk het bestrijden van racisme en ongelijkwaardigheid en het zoeken naar verbinding (is),” het antwoord van Sylvana Simons op de vraag “Waarom begint u een eigen partij, die de Volkskrant haar stelde. Voor Simons staat een rechtvaardig Nederland bovenaan en zij wil daar invulling aan geven door op te komen voor mensen die in de verdrukking zitten.

sylvana-simonsFoto: Nu.nl

Beste mevrouw Simons, hulde van de Ballonnendoorprikker voor uw streven en inzet. Het interview in de Volkskrant roept wel wat vragen op. U bent niet de enige politicus die zegt te willen zoeken naar verbinding. Het verbaast mij dat die zoekers naar verbinding elkaar slechts zelden weten te vinden. Zou dat kunnen omdat zij allemaal andere eisen hebben waaraan die verbinding moet voldoen en geen water bij de wijn willen doen? Waarom sluit u zich niet aan bij een bestaande partij? Zou verbinding daar niet al kunnen beginnen? De bestaande partijen verdwijnen niet en ook met hen zult u zich moeten verbinden om wat te kunnen bereiken.

U stelt dat de huidige politieke partijen er: “in de afgelopen vijftien jaar er niet in geslaagd (zijn) om de toon van het debat de juiste kant op te sturen en de polarisatie tegen te gaan.” Dat is niet vreemd want is polarisatie niet eigen aan politiek? Polariseert u zelf niet ook door een nieuwe partij te beginnen? Een partij die al begint met zich af te zetten tegen de partij waarbij u eerst behoorde?

Crucialer is de vraag wat volgens u dan de juiste kant is? Uw vorige partij, DENK, wil een kleurrijk, een eerlijker perspectief in de geschiedschrijving” en het heden ‘zuiveren van ongewenste voorvaderen’. Eigenlijk wil ze het verleden herschrijven en aanpassen aan haar huidige opvattingen zodat het lijkt alsof die denkbeelden een logisch gevolg zijn van dat verleden. Iets wat ook Gloria Wekker, met het ‘cultureel archief dat West-Europese landen verplichtte om gebieden te veroveren en volkeren te onderwerpen’ doet. Als u die kant op wilt, dan hoeft u niet op mij te rekenen.

“Ik focus me liever op díé groep mensen wiens hart nog open is,” zegt u. Als u de artikelen leest op mijn site, dan zult u kunnen zien dat mijn hart open is. Dat rechtvaardigheid uitgelegd als opkomen voor de minder bedeelden een van mijn drijfveren is, dat ik altijd het gesprek aan wil gaan, ook met u. Als u me echter, net als sommige mede zwarte-piet-activisten vraagt om mijn ‘witte privilege’ te erkennen, dan haak ik af. Ik haak niet af omdat mijn hart sluit, maar omdat mijn hoofd dat niet kan verdragen.

Als u na het lezen van dit schrijven de verbinding met mij wilt zoeken, laat het me weten.

Met vriendelijke groet,

de Ballonnendoorprikker

De volgende genocide?

Sylvana Simons kreeg een hele strontkar aan verwensingen en verwijten over zich, toen ze bekend maakte als politica actief te willen worden bij de nieuwe partij DENK. Vervolgens werden en worden nieuwe strontkarren uitgekeerd over de hoofden van de ‘kiepers van de karren’ over Simons. In dit ‘strontkarren kiepen’ speelt ook het woord genocide een rol en dan vooral de Armeense genocide. Aan de hand van een gebeurtenis in het verre verleden, nu de Armeense genocide maar het kan ook de slavernij of het kolonialisme zijn, een gebeurtenis waar de laatste overlevende waarschijnlijk al van is overleden, wordt bepaald hoe fout iemand in het heden is. Zo ook in de discussie onder een column van collega Sylvia Witte.

genocideFoto: www.examiner.com

Nu dus het onderwerp Armeense genocide, een gebeurtenis uit 1915 terwijl het woord genocide pas in 1944 is gemunt. Was er dan sprake van een genocide avant la lettre? Er wordt een nieuwe lat langs oud verleden gelegd en het is de vraag of dat wel correct is. Het is verleidelijk om te doen. Ligt echter misbruik van het verleden voor doelen in het heden dan niet op de loer? Houdt die fixatie op ‘fout’ zijn in de vorige, niet meegemaakte, oorlog niet het risico in dat we de huidige oorlog missen?

Neem het begrip genocide. De Engelse wikipedia onderscheidt acht stadia. Stadium één: mensen worden verdeeld in wij en zij. Stadium twee: als dit wordt gecombineerd met haat kunnen symbolen aan de paria-groepen worden opgedrongen. Stadium drie: de ene groep ontkent de menselijkheid van de andere groep en vergelijkt ze met dieren, ongedierte en ziektes. Stadium vier: speciale ‘legereenheden en milities’ worden getraind en bewapend. Stadium vijf: haatgroepen zenden hun propaganda uit. Stadium zes: slachtoffers worden geïdentificeerd en gesepareerd. Stadium zeven: de uitvoering van de ‘uitroeiing van de ander die toch geen mens is. Stadium acht: de ontkenning van de begane misdaad.

Wij versus zij, komt dat bekend voor? Symbolen als de ‘varkenskop’? De  IS-vlag? Vergelijkingen: de tsunami van islamisering? Onze cultuur is superieur? Ongelovigen mogen worden gedood? En ik vergeet vast nog wel iets. Hoe moeten we het duiden als steeds dezelfde mensen het slachtoffer zijn van de oorlog tegen het jihadisme? Als zij steeds uit de rij worden gepikt, uit vliegtuigen verwijderd omdat ze er ‘anders’ uitzien, je raar aankijken of een differentiaalvergelijking oplossen? Staan de sociale en reguliere media niet vol met propaganda voor ‘het goede doel’ en met afkeer van de andere? Hoe moeten we de segregatie in de samenleving duiden? Is dit een voorstadium van separatie. Gelukkig is de uitroeiing nog niet aan de orde. Maar komt het toejuichen van verdrinkende vluchtelingen niet al in de buurt?  Zouden de strontkarren die onder het mom van de vrije meningsuiting worden gestort, straks als ‘ontkenning’ worden gebruikt: ik maakte alleen van het recht op vrije meningsuiting gebruik?