Uitgelicht

De geschiedenis van ‘de Oost’

Volgens Paroollezer Jeroom Remmers zou de gemeente Amsterdam ieder jaar een deel van haar inkomsten uit de toeristenbelasting moeten overmaken naar Indonesië. “Zo zou Amsterdam na honderden jaren ook weer eindelijk iets teruggeven aan de arme bevolking van Indonesië.” Nu mag de gemeente Amsterdam met haar geld doen wat ze wil en als een meerderheid van de Amsterdamse gemeenteraad het idee van Remmers steunt, dan staat niets de overdracht van geld in de weg. Toch knelt er iets.

Bestand:KaartSoembaIndonesie.jpg
Bron: Wikipedia

Uitspraken als die van Remmers hoor je vaker. Ze doen mij altijd terugdenken aan mijn colleges filosofie van de geschiedenis. Van die colleges zijn mij drie namen in het bijzonder bijgebleven. Als eerste Karl Popper, over wie ik al vaker schreef. Popper verzette zich tegen het historicisme. Een tweede naam is R.G. Collingwood. Volgens Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van het denken. Want om erachter te komen ‘hoe het is geweest’ moet een historicus proberen te ‘her- denken’ wat de mensen dachten ten tijde van de gebeurtenis. Daarvoor moet je je huidige kennis, normen, waarden en opvattingen opzij zetten. Bij het vellen van een oordeel over Columbus of Marx, moeten we de genocide op de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s vergeten. Bij het beoordelen van Marx, moeten we Stalin en Mao buiten beschouwing laten. We moeten hun denken en handelen ‘her-denken’ in hun tijd, niet in de onze. De laatste naam die me is bijgebleven is die van de Duitser Leopold von Ranke, de ‘vader’ van de moderne geschiedenis. Volgens Ranke moeten we de geschiedenis bestuderen om te weten te komen ‘hoe het eigenlijk geweest is.’ We moeten het feitelijk houden. “Zo’n 300 jaar hebben Nederlanders het land bezet en Amsterdammers hebben daarvan het meest geprofiteerd,” schrijft Remmers en daar knelt het. Het knelt met twee van de drie: met Ranke en met Collingwood.

Eerste Ranke. Toen de drie handelsschepen Mauritius, Hollandia en de Amsterdam in 1595 samen met het kleine jacht Duyfken vanaf Texel naar Azië vertrokken, bestond het land ‘Indonesië’ niet, Nederland trouwens ook nog niet. De republiek Indonesië bestaat in haar huidige vorm pas sinds 1950. Toen Soekarno de Verenigde Staten van Indonesië ophief en de andere zes republieken bij zijn ‘republiek Indonesia’ voegde. Nederland ontstond pas na de acceptatie in 1839 van de Belgische opstand van 1830. Die opstand maakte een einde aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dat in 1814 tijdens het congres van Wenen werd ‘opgericht’. Hoe kun je uit een nog niet bestaand land vertrekken om een nog niet bestaand land te bezetten?

Het knelt met Collingwood. De schepen vertrokken niet om gebieden te bezetten maar om handel te drijven. Een paar jaar later, in 1602, werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht en zij kreeg van de Republiek der Zeven verenigde Provinciën het Nederlandse monopolie op de handel met ‘de Oost’. Dat wil niet zeggen dat ze het monopolie hadden op de handel met ‘de Oost’. Nee, er waren, om in scheepvaarttermen te blijven, veel kapers op de kust, onder andere Franse, Engelse en Portugese handelaren die met steun van hun respectievelijke overheid hetzelfde wilden bereiken. De VOC was een eeuw lang echter de meest succesvolle. Dat succes bestond uit een reeks forten op strategische punten en een sterke vloot. Bezet werd er, afgezien van die forten en hun directe omgeving, niet zoveel. Daarvoor ontbrak de mankracht maar vooral het geld. Het bezetten van grote gebieden is een kostbare aangelegenheid en waarom zou je dat geld eraan besteden als je vloot de concurrenten buiten de deur kon houden en heersers in de gebieden in de Oost in het gareel kon houden waardoor ze de VOC een monopolie op de handel met hun gebied gaven. Handel waar die inlandse vorsten stevig aan verdienden en die hun machtspositie ten opzichte van hun concurrenten konden versterken.

Het echt ‘bezetten’ van de eilanden, en daarmee komen we weer bij Ranke,  werd pas een thema vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Nou ja echt bezetten? “Al was de Nederlandse overheid er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan om zijn rechten op de meeste eilanden zoals Borneo, Celebes, Sumatra en Bali, ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake,” zo schrijft historicus Kossmann in zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België. Deel I 1780-1914. Werkelijk bezetten bleek, zo maakten de perikelen in Ajeh duidelijk, heel kostbaar en weinig succesrijk. In het grootste deel van de archipel zag men de eerste Nederlander pas eind negentiende eeuw. Op sommige eilanden pas in het begin van de twintigste eeuw en dan zien we nog maar even af van het ‘Nederlandse’ deel van Nieuw Guinea, waarvan de Nederlanders om het cru te formuleren zo ongeveer alleen de kustlijn kenden.  

Veel succesvoller in het bereiken en beïnvloeden van de bewoners van de eilanden waren de missionarissen. Het bijzondere is dat met het succes van die missionarissen ook het zaad voor de dekolonisatie en het ontstaan van het land Indonesië werd gelegd. Met die missionarissen kwam ook het onderwijs en met het onderwijs de westerse ideeën zoals socialisme, communisme en nationalisme. Ideeën waarmee men de Europeaan met zijn eigen woorden kon bestrijden. Om terug te komen op de uitspraak van Remmers. De ondernemende activiteiten van de zestiende en zeventiende eeuwse Amsterdammer stonden aan de wieg van het land Indonesië. Maar als de ‘Amsterdammers’ het niet hadden gedaan, dan hadden de Engelsen of Portugezen het wel gedaan.

Uitgelicht

Schuld en verantwoordelijkheid

“Er bestaat zoiets als verantwoordelijkheid voor dingen die je niet hebt gedaan: je kunt ervoor aansprakelijk worden gesteld. Maar er bestaat niet zoiets als schuldig zijn aan of je schuldig voelen over dingen die zijn gebeurd zonder dat je daar zelf actief aan hebt deelgenomen. Dit is een belangrijk punt, waard om luid en duidelijk te worden gesteld op een tijdstip waarop zoveel weldenkende progressieve blanken bekennen dat ze zich schuldig voelen ten aanzien van de problemen van zwarten.” Een zeer actuele uitspraak. Toch zijn dit de eerste zinnen van een lezing die de filosofe Hannah Arendt op 27 december 1968 gaf op een conferentie van de American Philosophical Society. Een lezing met als titel Collectieve verantwoordelijkheid. Een ook nu, nu er flink wordt gedebatteerd over racisme, slavernij en kolonialisme, een zeer actuele lezing.

De bundel waarin de toespraak Collectieve verantwoordelijkheid is opgenomen. Eigen foto

Arendt maakt onderscheid tussen schuld en verantwoordelijkheid. Schuldig ben je alleen voor daden die jezelf hebt begaan. Schuld “zondert (…) je altijd af; zij is strikt persoonlijk.” Als iedereen schuldig is dan is er niemand schuldig, zo betoogt Arendt: “We zijn allemaal schuldig,” zo was, aldus Arendt, de eerste reactie van de Duitsers op hetgeen het nazi-regime de joden had aangedaan. Die uitspraak, zo betoogt zij: “die op het eerste gehoor zo aanlokkelijk klonk,” heeft: “in feite alleen maar gediend om mensen die werkelijk schuldig waren in aanzienlijke mate van blaam te zuiveren. Waar iedereen schuldig is treft niemand blaam.”  

Je kunt wel verantwoordelijk zijn voor daden die je niet hebt begaan. Er is dan sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Van collectieve verantwoordelijkheid is sprake als er aan twee voorwaarden is voldaan: “ik moet verantwoordelijk worden gehouden voor iets wat ik niet heb gedaan en de reden van mijn verantwoordelijkheid moet mijn lidmaatschap zijn van een groep (een collectief) dat door geen enkel vrijwillig ingrijpen van mezelf tenietgedaan kan worden, dat wil zeggen een lidmaatschap dat in niets lijkt op een zakelijk partnerschap dat ik naar believen kan beëindigen.” Om duidelijk te maken wat collectieve verantwoordelijkheid niet is, geeft Arendt een voorbeeld van duizend geoefende zwemmers op een strand die een verdrinkende man niet te hulp schieten. Die duizend zijn niet collectief verantwoordelijk omdat er geen sprake is van een groep waarvan zij lid zijn. Toch kunnen zij schuldig zijn aan het verdrinken. Daarover kan een rechter in een rechtszaak beslissen, maar dan moet die schuld per individu worden aangetoond.

Collectieve verantwoordelijkheid is daarmee, zo betoogt Arendt, altijd politiek van aard: “of het zich nu voordoet in de oudere vorm, waarbij een gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich neemt voor wat een van haar leden gedaan heeft, of in vormen waarin een gemeenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor wat in haar naam is gedaan.” Deze laatste vorm kennen we als de politieke verantwoordelijkheid van een minister of de hele regering voor daden van eerdere ministers en regeringen.

Wat zien we, als we met de ogen van Arendt naar de huidige discussie kijken? Als eerste is er niemand in het huidige Nederland schuldig aan de trans-Atlantische slavenhandel. Dat wil niet zeggen dat er niemand schuldig is aan slavernij. Ook tegenwoordig kennen we immers nog slavernij en mensenhandel en als we die nog kennen, dan maken er zich ook mensen aan schuldig.

Wat we ook zien is dat activisten rond Sylvana Simons en Gloria Wekker spreken van schuld. Door te spreken over ‘wit privilege’ en ‘witte onschuld’ leggen zij een collectieve schuld neer bij blanken. Zij wijzen iedereen met een blanke huidskleur als schuldig aan racisme aan. Als Arendt het bij het rechte eind heeft, dan helpen ze daar de echte racisten mee. Die kunnen zo schuilen in de groep ‘blanken’. En die groep voelt zich, voor het overgrote deel terecht, niet aangesproken. Zij maken zich niet ‘schuldig’ aan racisme en zijn niet geïndoctrineerd met een ‘cultureel archief van witte superioriteit’. Daarom verzetten zij zich terecht tegen deze beschuldiging en in dat verzet kunnen de echte racisten veilig schuilen. En daarmee lijkt Arendt gelijk te krijgen.

Wat als er niet over schuld, maar over verantwoordelijkheid zou worden gesproken? En nee, niet over verantwoordelijkheid voor het ‘racistische kolonialisme dat de oorzaak zou zijn van het huidige racisme’, maar over verantwoordelijkheid voor een samenleving waarin iedereen als persoon van gelijke waarde wordt behandeld. Zou dat tot een echt gesprek leiden? Een gesprek dat ons allemaal verder helpt?

Uitgelicht

De weg naar de hel …

Bij Joop verscheen een schrijven van de zichzelf ‘activist’ noemende Kunta Rincho met als titel Wit privilege is je niet hoeven bezighouden met racisme. Rincho verhaalt in zijn schrijven van hetgeen hem gebeurde nadat een fragment van 34 seconden uit zijn deelname aan Het Grote Racisme Gesprek viraal ging en hij werd overspoeld met negatieve reacties. Dat is vervelend, zeker als je daarop allerlei bagger over je heen krijgt. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om een bijdrage van een lezer onder het schrijven. Iemand die zich Ikzelf noemt schrijft: “En juist omdat de focus verlegd wordt naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat, maak ik deze opmerkingen.” Een bijzondere redenering.

Hel, Demonen, Duivel, Kwaad, Fantasie, Monster
Bron: Pixabay

Eerst even de aanleiding voor die opmerking. Rincho begon zijn schrijven met de zin: “De universele strijd tegen racisme is geen strijd tegen witte mensen maar tegen het systeem van witte suprematie dat gebouwd is op de eeuwenlange onderdrukking van zwarte en andere mensen van kleur.” Een bijzondere passage omdat dit het mantra is van vele ‘activisten’. Richo is er daar één van. Centraal in hun redenering staat het ‘universele blanke racisme’. Het westers kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij is volgens deze activisten een gevolg van dat ‘universele blanke racisme’. Dit racisme maakt het westerse kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij ‘uniek’. Een soortgelijke formulering schreef ik in een reactie onder Rincho’s artikel. In de activistische redenering is dat ‘westers exceptionalisme’ cruciaal, want dat veroorzaakt de achterstand die mensen van kleur nu ondervinden. Die achterstand vindt haar oorzaak in racisme.

Maar: “Als nu blijkt dat de westerse motieven niet verschilden van die van de Romeinen, de Maya’s, de Mongolen en alle eerdere wereldrijken, dan staat dat ‘blanke racisme’ op drijfzand. Volgens mij wordt daarom een verwijzing naar de Afrikaanse betrokkenheid, de Arabische slavernij et cetera door de activisten snel weggewuifd,” zo vervolgde ik mijn bijdrage. En: “Als dat ‘blank racisme’ namelijk wegvalt, dan valt de stok weg waarmee er wordt geslagen. Zonder die stok moet er worden gezocht naar andere verklaringen voor ‘minder kleur aan de top’ of ‘hogere werkloosheid onder kleur’. Verklaringen die veel logischer zijn, maar waarmee het lastig ‘slaan’ is.”  Zo schreef ik in mijn reactie.

Daarop reageerde Ikzelf: “waarom dan altijd de strijd doodslaan, als u niets heeft tegen het strijden? Waarom dan altijd zijweggetjes zoeken om het vooral niet over de kern te hoeven hebben? Waarom de kern afwijzen, omdat u het met een detail niet eens bent?” Dit gevolgd door een minder fraaie zin waarin ik het verwijt krijg een ‘voorvechter van wit Nederland’ te zijn. Hij verwijt mij dat ik: “de focus (verleg) naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat.” En daarmee zijn we bij die bijzondere redenering.

Bijzonder omdat die redenering suggereert dat alleen het doel van de strijd ertoe doet. Als het doel ‘goed’ is dan zijn alle middelen gerechtvaardigd en geoorloofd. Nu is er een bekend Nederlands spreekwoord over de goede intenties, namelijk dat de weg naar de hel ermee is geplaveid. De geschiedenis laat zien dat dit ook zo is. De nazi’s, de communisten onder Stalin en Mao, allemaal werkten ze aan het ‘goede’ toen ze hun terreur over de wereld uitstortten. Tenminste, hun idee van het goede. Net zoals de aanhangers van IS en Al Qaida je zullen zeggen dat ze aan de ‘goede kant van de geschiedenis’ staan. Wat ‘goed’ is, kan immers verschillen.

Afgezien van de verschillende gedachten over wat ‘goed’ is. Hoe ‘goed’ is jou ‘goed’ als je middelen gebruikt die niet door de beugel kunnen? Dan is een uitspraak als “it became necessary to destroy the village in order to save it,” bekend uit de Vietnamoorlog, niet ver weg. In dit geval middelen gebruiken die inhouden dat je feiten die je niet te pas komen, negeert of ter zijde schuift. Omdat, zoals Elma Drayer het in haar column in de Volkskrant schrijft: “Wat wij, suffe sukkels, aanzien voor feiten zijn slechts ‘constructen’ of ‘narratieven’, in stand gehouden door de ­boven ons gestelden teneinde hun machtsposities te beschermen. Dus moeten de feiten ‘gedeconstrueerd’, liever nog ‘gedekolonialiseerd’.” Ook Drayer valt het: “soms niet licht om de logica van de huidige generatie antiracismeactivisten en hun sympathisanten te volgen.” Omdat in, zoals Drayer het schrijft: “het postmoderne gedachtengoed … iets als de waarheid (niet) bestaat, iets als objectiviteit evenmin en feiten zijn ­betwistbaar.” Dan zijn: “feiten per definitie verdacht (en) winnen ervaringen aan gewicht.” Dit ‘postmoderne gedachtegoed’ degradeert wetenschap tot ‘ook maar een mening’ en dan dus vooral een mening van ‘de boven ons gestelden’. Een manier van denken waarmee, volgens Drayer: “Universiteiten (…) al heel lang mee geïnfecteerd,” zijn. Als ik de Prikker over de brief die 80 docenten op de Universiteit van Amsterdam ondertekenden waarin ze aangaven te hebben ‘gefaald’, in herinnering roep, dan zou Drayer voor wat betreft die universiteit wel eens gelijk kunnen hebben.

Uitgelicht

De geschiedenis van onze kleren

Bij OneWorld fulmineert Melissa Watt tegen de huidige modewereld, want daarin is: “racisme dagelijkse kost. Het is een extreem witgekalkte industrie die altijd de voorkeur heeft gegeven aan witte ontwerpers, witte modeshows en witte CEO’s. Maar die voorkeur reikt niet tot de kledingproductie, waarin miljoenen mensen van kleur in slechte omstandigheden werken om onze kleding in elkaar te zetten.” Dat is nogal wat. Zeker omdat: “De mode-industrie zoals we die kennen, is gebaseerd op kolonialisme en slavernij. Vanaf de zestiende eeuw vielen Europese landen Azië, Afrika en Zuid-Amerika binnen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten.”  Die passage verdient toch enige nuance.

Bron: Wikipedia

Maar eerst even over het compleet ‘wit’ zijn van de top en het ‘gekleurd’ zijn van de onderkant van de kledingindustrie. Bij De Correspondent verhaalt Emy Demkes over uitbuiting van kledingarbeiders in Engeland. Arbeiders die werken voor het: “onder tieners zeer populaire Britse merk Boohoo.” Nu zullen ook in die Britse fabrieken mensen van kleur werken. Maar bijzonder in deze zaak is dat Boohoo eigendom is van: “de 55-jarige miljardair Mahmud Kamani.” Dat nuanceert de ‘extreem witgekalkte industrie’ toch enigszins. Dat even terzijde.

Dan terug naar het ‘kolonialisme en slavernij’ waarop de kledingindustrie is gebaseerd. Deze uitspraak verdient de nodige nuance. Die Europese landen, of beter gezegd handelaren, die Azië, Afrika en Amerika binnenvielen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten deden daar precies hetzelfde als wat ze in Europa ook deden, namelijk de zaak afstruinen naar iets om te verhandelen. Als we het huidige Nederland en België bezien, dan ontstond daar vanaf de elfde eeuw de ‘lakenindustrie’ met wol als basisproduct. Nu moeten we ons bij het begrip industrie iets anders voorstellen dan een fabriek. Het waren in eerste instantie gewoon de keuterboertjes die het wol van hun schapen schoren, spinden en tot lakens weefden. Dit werk werd later in ‘stukken gehakt’ en door verschillende werklui verricht: de boer schoor, de wol ging naar een spinner, vervolgens naar een verver, wever en als laatste naar de handelaar die de zaak verkocht. Die arbeidsdeling zorgde ervoor dat de productie steeg en de prijzen daalden en de werklui langzaam werden uitgeknepen. Vanaf de zestiende eeuw nam de concurrentie verder toe omdat ook de Fransen en Engelsen zich op de ‘lakenproductie’ toelegden. Meer concurrentie betekende dat de werklui nog verder werden uitgeknepen. Voor zijde en katoen was men in Europa in die tijd afhankelijk van de handel via de zijderoutes die Peter Frankonpan in zijn boek De Zijderoutes uitgebreid beschrijft.

Dat werd anders nadat die “Europese landen” de andere kant van de Atlantische oceaan bereikten en daar katoen aantroffen. Met name de Engelsen transporteerden vanaf het einde van de zeventiende eeuw het ruwe product naar Engeland en verwerkten het daar tot kleding. In het zuiden van wat nu de Verenigde Staten zijn, werd het op steeds grotere schaal geteeld op plantages en dat gebeurde door vanuit Afrika gehaalde slaven. En in tegenstelling tot hetgeen Watt beweert, werd de slavernij in de Verenigde Staten niet in 1808 afgeschaft maar kwam er pas in 1865 met het einde van de Amerikaanse burgeroorlog een einde aan. Wel werd al eerder, in 1807, het importeren van slaven in de Verenigde Staten verboden. In Engeland werd het ruwe product verwerkt tot stof en kleding die vervolgens in het hele Britse rijk werden verkocht. Dat verwerken gebeurde vanaf het midden van de 18e eeuw (de Eerste Industriële Revolutie) steeds meer machinaal en in steeds grotere fabrieken. Fabrieken waar de arbeiders tot een maximum werden uitgeperst zoals Karl Marx in Het Kapitaal goed heeft beschreven.

Als we dit als de basis van de mode-industrie zien, en dat is wat Watt beweert, dan kunnen we constateren dat kolonialisme en slavernij een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van deze industrie. Maar daarmee zijn we er nog niet. De werkelijke basis van de mode-industrie was en is, dat laat onder andere het voorbeeld van Boohoo zien, de uitbuiting van iedereen die erin werkzaam is.

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’

‘350 jaar illegale bezetting’

“De Nederlandse staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.” Woorden van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden. Pondaag spreekt deze woorden uit in een artikel van Fitria Jelvyta bij dekkanttekening.nl. Een artikel gewijd aan het geleden leed dat Nederland, volgens het artikel, onder ogen moet zien. Pondaag heeft ook een idee hoe dat kan: “Het is zaak dat Nederland een podium biedt aan de Indonesische slachtoffers in de vertelling van de geschiedenis.”  Dat er evenwichtige aandacht moet zijn voor alle aspecten van het verleden en dat dit nu nog niet altijd het geval is, staat buiten kijf. 

Batavia zo rond 1870. Bron: Wikipedia

Toch wringt er iets aan het betoog van Pondaag en dat begint met de zin waarmee ik deze Prikker opende. Een dergelijke zin wringt behoorlijk met ‘evenwicht’. 350 jaar is een lange tijd. We komen dan uit in het jaar 1670. Als we de staatkundige kaart van die tijd bekijken dan zien we dat die er heel anders uitzag dan tegenwoordig. We zullen Nederland er niet op vinden. Duitsland en Italië trouwens ook niet. We treffen er een landje aan dat de Zeven Verenigde Provinciën heet. Dat landje omvat een flink deel van het huidige Nederland. Een groot deel ook niet. Als ik de gemeente Venlo, waar ik woon bekijk, dan lag het huidige grondgebied in drie verschillende landen. Venlo lag in een gebied waar geregeld legers voorbij trokken om elkaar te bestrijden. Dat landje kende geen ‘centraal bestuur’. Elk van die zeven provinciën dopten hun eigen boontjes en soms deden ze wat samen. Kijken we naar de staatkundige kaart van het huidige Indonesië dan zien we een baaierd aan rijkjes en rijken. Een land Indonesië is er niet op te vinden. Dat er nu wel een land van die naam is te vinden is, en dat klinkt cru, juist het resultaat van het kolonialisme. Dat maakte van de Eilanden van Smaragd een staatkundige eenheid. 

Dan het woord illegaal, “in strijd met de wet”  zoals de Vandale het omschrijft. Welke wet? Internationale wetgeving is iets van de laatste eeuw. Ja, ook al in de zeventiende eeuw werd er over internationaal recht gedacht en geschreven bijvoorbeeld door Hugo de Groot. Relaties tussen Rijken en staten werden geregeld via verdragen. Verdragen die konden worden opgezegd en geschonden en die oorlogen en bezettingen niet konden verhinderen. Pas met de komst van de Volkerenbond in 1919 ontstond er iets wat op internationale wetgeving leek. Al was die poging geen lang leven beschoren. Met de oprichting van de Verenigde Naties werd een nieuwe, betere poging gewaagd. 

Pondaag: “Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat 18.000 kilometer hiervandaan ligt te beschouwen als zijn eigendom? Als ze zeggen dat kolonialisme toen vanzelfsprekend was, hoe zit het dan met de mensen die in Indonesië woonden? Hebben zij dan geen stem? Zijn zij dan geen mensen?” Natuurlijk leefden er ook toen mensen op de eilanden in de Oost. En, nee, die mensen hadden daarin geen stem. Net zoals de inwoners van de Zeven Verenigde Provinciën niets is gevraagd. Die hadden daarin ook geen stem. Zij kregen pas in de twintigste eeuw een stem. De mannen mochten voor het eerst allemaal stemmen in 1917 en de vrouwen in 1919. Het bezetten gebeurde toen omdat het kon en gebruikelijk was. Dzjengis Khan vroeg zich vier eeuwen eerder ook niet af of hij wel het ‘recht’ had om 8.000 kilometer verderop gebieden te bezetten en mensen te vermoorden. En nu is het nog steeds mogelijk. Immers wie geeft de Verenigde Staten het ‘recht’ om Irak binnen te vallen? 

Pondaags zin waarmee ik begon gaat verder. Na illegale komt het woord bezetting. Als de ‘VOC-methode’ door iets niet werd gekenmerkt, dan is dat wel bezetting van het gebied dat nu Indonesië heet. De VOC stichtte op strategische plekken langs de zeeroute naar en in de Oost forten. Forten waar de schepen veilig konden aanleggen om vers water en voedsel in te slaan. Forten waarmee de handel in belangrijke producten gemonopoliseerd kon worden. Er werden geen gebieden bezet waarvan het bestuur werd overgenomen. Wel kon het gebeuren dat een vorst die de belangen van de Compagnie schaadde werd aangepakt. Voor een bezetting ontbrak het de Compagnie aan mankracht en middelen en Nederland in de negentiende eeuw trouwens ook. Of zoals Kossmann het in  het standaardwerk De Lage Landen 1780/1980 deel I omschrijft: “Al was het Nederlandse bestuur er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan zijn rechten op de meeste eilanden, zoals Borneo, Sumatra, Celebes en Bali ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake.” Dat bevestigen gebeurde niet om de ‘inlanders’ eronder te krijgen. Dat gebeurde om de Engelsen en Fransen buiten de deur te houden. De lokale heersers konden gewoon hun gang gaan zolang ze maar niet dwars lagen. Lagen ze dwars, zoals Atjeh, dan werd hen de oorlog verklaard.

Al dit doet er niets aan af dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. In de jaren ’45-’49 maar ook in het al genoemde Atjeh en op andere momenten zoals het optreden van Jan Pieterszoon Coen. Zaken die verteld moeten worden en waarbij zeker ook het verhaal van de slachtoffers een prominente plek moet krijgen. Dat mag echter geen aanleiding zijn om het verleden geweld aan te doen door het in een 21ste eeuws frame te plaatsen.

Leven in het verleden

Kolonialisme leeft door in het heden. Daarom is dekoloniseren belangrijk.” De titel van een artikel van Heleen Debeuckelaere bij De Correspondent. Debeuckelaere: “We staan niet meer achter kolonialisme. Waarom houden we nog vast aan de overblijfselen ervan?” Wat die overblijfselen zijn? Dat varieert: “Van straatnamen die koloniale massamoordenaars verheerlijken tot een jaarlijks blackface-festijn. …Het koloniale verleden is op allerlei manieren meer heden dan verleden. En het begrip ‘dekoloniseren’ kan helpen om daarmee om te gaan.” 

Mesoptamie. Bron: WikimediaCommons

Volgens Debeuckelaere is dekoloniseren: “een politiek, sociaal, filosofisch, academisch en activistisch denkkader. En net zoals de verlichting is het een niet duidelijk omkaderde en gedefinieerde kennistheorie, maar meer een houding, een doel of een streven.” Een denkkader dat ons helpt: “door deze rare fase te navigeren, waarin het historische politieke project van kolonialisme pas deels voorbij is.” Een proces zonder einde aldus Debeuckelaere: “Dekolonisatie beschouw ik als een nooit afgewerkt proces.”  Als het koloniale verleden meer heden dan verleden is en we het moeten verwerken ‘dekoloniseren’ en als dat ‘dekoloniseren’ een ‘nooit afgewerkt proces’ is, blijven we dan niet voor eeuwig in het verleden leven? Zouden we ons niet beter op het heden kunnen richten en bekijken hoe we het heden met kennis van het verleden kunnen verbeteren zodat de toekomst er beter uitziet dan het heden en het verleden?

Wat zien we als we naar ons heden kijken met kennis van het verleden? Dan zien we dat er wereldwijd nog steeds koloniaal wordt gedacht. Dat kolonialisme niet iets van het verleden is en zeker niet iets waaraan alleen ‘het westen’ zich schuldig heeft gemaakt. Dat kolonialisme zo ongeveer gelijktijdig met de agrarische revolutie is ontstaan. En dan bedoel ik niet: “De toenemende toepassing van wetenschappelijke kennis na 1750 zou voor de landbouw grote gevolgen hebben. Vruchtwisseling maakte het bijvoorbeeld mogelijk het middeleeuwse drieslagstelsel te vervangen. Ook deden tot dan toe onbekende gewassen zoals de aardappel en maïs hun intrede. De invoering van de keerploeg maakte een betere grondbewerking mogelijk. Men ging zaaizaden selecteren voor de volgende oogst. Alleen de beste zaden werden gebruikt en zorgden zo voor een betere opbrengst. Een betere bemesting en vervanging van ossen door paarden als trekdieren hielpen ook bij het vergroten van de productie.” Deze Achttiende-eeuwse die je bij wikipedia aantreft als je zoekt op agrarische revolutie. Nee, de agrarische revolutie die vanaf ongeveer 12.000 jaar geleden ontstond in het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris dat daarom bekend werd als Mesopotamië. De revolutie die Yuval Noah Harari de grootste zwendel van de mensheid noemt. Zwendel omdat: “Het buiten kijf staat dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”

Die revolutie zorgde ervoor dat onze verre voorouders zich gingen vestigen op een vaste plek. Dat zij die plek hun eigendom gingen noemen en er hekken omheen zetten. Hieruit ontstonden steden met muren als omheining om de vijand buiten te houden en de elite binnen de muren aan de macht. Vanuit die ommuurde steden probeerde deze elite de omgeving van de stad te overheersen en andere steden te domineren. Precies die activiteit die ‘het Westen’ eeuwen later op wereldschaal ondernam en alle andere machtige rijken en gebieden in tussenliggende periode.

Als we naar het heden kijken dan zien we nog steeds hetzelfde patroon. De machtigen proberen de minder machtigen te domineren en te overheersen. Ze bepalen de regels zo dat die in hun voordeel zijn. Als we vandaag de dag kijken naar het gebied waar het allemaal begon, het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, dan is dat precies het gebied waar een typisch koloniaal conflict wordt uitgevochten door ‘The Powers that Be’ van tegenwoordig. Als we kijken naar het Chinese Belt and Road initiative of aansluitend bij het verleden ‘de nieuwe zijderoute’ zien we dan niet gewoon een vorm van kolonialisme? Als we kijken naar de het Europese ‘opvang in de regio’ beleid kijkt, zien we dan niet ook gewoon een vorm van ‘kolonialisme’? 

Staan ‘we’ dan werkelijk niet meer achter kolonialisme of zijn ‘we’ er blind voor? Blind omdat ‘kolonialisme inderdaad meer ‘heden’ dan ‘verleden’ is maar dan op een andere manier dan Debeuckelaere bedoelt? Blind omdat ‘we’ door die preoccupatie met het kolonialisme van het verleden, het hedendaagse kolonialisme niet zien? Blind omdat ‘we’ zo in het verleden blijven leven?

Morele chantage

Ik moet ‘schuld’ bekennen. Tenminste om een succesvolle klimaat activistische beweging te kunnen laten ontstaan. Zo langzamerhand ben ik schuldig aan alle ellende op deze wereld. 

Nou ja alle. Ik neem geen drugs dus de ‘ondermijning’, criminaliteit en milieuvervuiling’ als gevolg van drugs, kunnen mij niet in de schoenen worden geschoven. Die ellende is immers een gevolg van de uitgaander die soms een pilletje neemt. Tenminst, als we minister Grapperhaus, het kabinet en vele politici en beleidsmakers moeten geloven. Zoals Gerard Drosterij in de Volkskrant terecht constateert, is dat wel erg gemakkelijk. Of zoals hij het zegt: “als er een zondebok voor de ontspoorde drugscriminaliteit nodig is, dan toch zeker de overheid. Ik zou zeggen: trek lekker zelf het boetekleed aan in plaats die om de schouders van burgers te hangen. Wat meer zelfkritiek zou je sieren. ” Dat even terzijde.

Bron: pxhere

Terug naar dat waar ik wel schuldig aan ben. Tenminste als ik activist Chihiro Geuzebroek moet geloven die in een artikel van Emma Meelker bij Oneworld wordt opgevoerd. Geuzebroek hoopt: “dat westerse klimaatactivisten snel erkennen dat het Westen een schuld heeft te vereffenen op klimaatgebied. Pas dan kan er verzoening ontstaan en krijgt de klimaatbeweging tanden.” Want: “Het klimaatprobleem is er natuurlijk een van de westerse industrie. Een wit project dat met kolonialisme overal is uitgerold. Dat is de eerste laag van klimaatracisme.” En: “Het gesprek gaat over ‘vrijwillige hulp’ aan die landen, niet over het vereffenen van een schuld.” Daarvoor moet ik mijn excuses maken en vervolgens de schuld vereffenen want: ik ‘koloniseer de atmosfeer.’ 

Zo die kan ik in mijn zak steken. Want wat die westerse ‘witman’ allemaal heeft uitgespookt en gedaan, daar deugt geen hout van. Afgezien van het feit dat deze Westerse ‘witman’ verdomde weinig invloed heeft op bedrijven als Shell net zoals zijn voorouders niets te vertellen hadden over de koers van de VOC, zou ik Geuzebroek iets willen vragen. Als ik alle ellende die de Westerse manier van leven heeft veroorzaakt op mijn schouders moet nemen, mag ik dan ook de complimenten ontvangen van u en anderen die mij dit verwijten, voor het goeds dat die manier heeft opgeleverd? 

De complimenten voor bijvoorbeeld de parlementaire democratie en de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld of voor het ontsnappen aan het juk van de religie en de Verlichting? Die komen immers uit dezelfde bron als die westerse industrie. Op de foto bij het artikel staat Geuzebroek met een megafoon in haar handen. Die megafoon is slechts een van de vele vindingen van die industrie. Net als de filmcamera en de telefoon.

Mag ik dan ook de complimenten ontvangen voor de penicilline, de antibiotica en de vaccins? En dan wil ik best erkennen dat we daarbij te weinig aandacht hebben bestaat aan bijvoorbeeld de sikkelcelziekte. Maar ja, die kwam in onze contreien ook niet veel voor, dus die had geen prioriteit. Andere delen van de wereld, waar deze ziekte wel veel voorkomt, hebben het op dit punt niet veel beter gedaan. Sterker nog, die zijn vooral afhankelijk van en bouwen voort op juist de vindingen van die ‘westerse industrie’.

Nu zit ik echt niet op die complimenten en bedankjes te wachten. Ik heb er immers niets aan bijgedragen, dat hebben anderen uit de ‘westerse wereld’ gedaan en ik vind het nogal overdreven om met hun veren te gaan pronken. Dan eigen ik mij iets toe wat mij niet toekomt. En dat geldt voor mij ook met negatieve zaken zoals kolonialisme en milieuvervuiling door industrieën waar ik geen invloed op heb. Daar wil ik niet verantwoordelijk voor worden gehouden en daar ga ik mij niet voor verontschuldigen. Pronken doe ik met mijn eigen veren en verontschuldigen doe ik mij voor mijn eigen daden. Voor de rest probeer ik zo te leven dat ik anderen, ook op het gebied van milieuvervuiling, zo min mogelijk schade toebreng. Ik hoop dat anderen dat ook doen. Als ik hierbij dingen fout doe, dan mag men mij daar gerust op aanspreken. 

Als mijn weigering om me te verexcuseren ervoor zorgt dat mijn streven om het milieu te beschermen: “zo moeilijk aansluiting kan vinden met mensen van kleur,” dan is dat maar zo. Ik weiger te buigen voor deze vorm van morele chantage.

Imperialistische privileges

Op de opiniesite JOOP een artikel van student Marc van Waarden. Van Waarden pleit voor het erkennen van de omvang en de gruwelijkheid van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Van Waarden: “350 jaar onderdrukking en vernietiging verdwijnen niet als sneeuw voor de zon en hoewel witte Nederlanders zich niet schuldig hoeven te voelen om het koloniaal verleden, moeten (we) de invloed van dat verleden en de onderdrukkingen en privileges die onze erfenis zijn erkennen en bestrijden.” Als historicus doet het mij deugd dat u zich interesseert voor de geschiedenis. Daarom een aanvulling op uw betoog.

De moderne zijderoute. Bron: Wikipedia

Koloniaal en imperialistisch gedrag is van alle tijden. Daaraan maakten en maken alle landen die op enig moment tot de machtigsten behoorden en behoren, zich schuldig. In mijn artikel Wat was en IS besteedde ik er al aandacht aan. Trouwens ook de minder machtigen. De Verenigde Staten doen het nu nog steeds, lees de brief van hun ambassadeur in Nederland Hoekstra er maar eens op na. Of neem de Chinese ‘plannen’ met de nieuwe zijderoute. De plannen van Erdogan om hier weekendscholen op te zetten. Het Nederlandse ontwikkelingshulpgeld waarvoor ‘Nederlandsche waar’ moet worden gekocht. Allemaal voorbeelden van imperiaal en koloniaal gedrag. En ja, dat leverde en levert voordelen op, in uw termen ‘privileges’. Een eventuele toekomstige Afrikaanse wereldmacht zal dat ook doen. 

Trouwens, die Republiek die in 1815 koninkrijk werd, zoals u schrijft,  kende ook ‘Europese koloniën’. Die noemden ze ‘ Generaliteitslanden’ Limburg en grote delen van Noord-Brabant behoorden hiertoe. Ja, imperialisme werd ook binnen Europa bedreven. 

En ja, de transatlantische slavernij was erg. Net als trouwens slavernij in Europa, alleen werd die lijfeigenschap en horigheid genoemd. In het grootste deel van Europa werd die ook pas aan het eind van de negentiende eeuw afgeschaft. Die Transatlantische slavernij past in een triest rijtje met een variëteit in daders en slachtoffers

Nu kunnen we ons heel druk maken over wat er 300 jaar geleden gebeurde. Dat kunnen we echter niet meer veranderen. Waar we wel wat aan kunnen doen, is het imperialisme, kolonialisme en de slavernij van tegenwoordig. Als we dit vergeten dan zitten onze kleinkinderen in hetzelfde parket als wij nu. Dan zullen ‘uw kleinkinderen’ zeggen dat we ‘privileges’ hebben gebaseerd op het imperialistische verleden dat ons heden is. Dan kunnen ‘mijn kleinkinderen’ reageren zoals ik nu reageer. 

Wat we nu wel kunnen doen is het verleden bestuderen. Dan ontdekken we patronen zoals het imperialistische gedrag van machtigen. Bestuderen maar niet misbruiken voor onze ‘politieke doelen’ in het heden. Iets waar uw betoog naar neigt. Het Forum voor Democratie en hun leider Baudet geven daar op de website van de partij een ‘mooi’ voorbeeld van. Een voorbeeld dat vroeg om een reactie.