Inburgeringsexamen

Het rijbewijs, dat was in mijn jeugdige jaren het bewijs dat je erbij hoorde. Bij de ‘onafhankelijke’ mensen van de wereld die zomaar ergens naar toe konden gaan als er maar een weg naar toe liep. Natuurlijk moest je dan wel een auto hebben, want met een rijbewijs alleen kun je niet rijden.

Rijbewijs_1928

Foto: Wikimedia Commons

Om zo’n bewijs te krijgen moet je het rijexamen met goed gevolg afleggen en dat bestaat uit een theorie- en een praktijkdeel. Bij het theoriedeel leer je de regels en in het praktijkdeel moet je die toepassen. Als ik me goed herinner heb ik een keer of drie, vier examen moeten afleggen alvorens ik het begeerde papiertje bezat. Vooral de eerste keer staat mij nog goed bij. Op een mooi tijdstip zo rond tien uur moest ik me melden. Ik was er helemaal klaar voor alleen het weer niet, zeer dichte mist en daarop werd mijn examen verplaatst naar een andere dag. Op die dag werd ik rond vijf uur verwacht, na een zware schooldag, werd dat geen succes. De tweede poging maakte ik een fout en ook de derde poging ging in twee keer omdat sneeuw met ijzel maakten dat ook die poging moest worden verplaatst. Maar uiteindelijk kreeg ik het begeerde bewijs en toen ik het papiertje in bezit had, kon ik zo instappen en rijden. Ik hoorde erbij.

Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur las dat minister Koolmees van Sociale Zaken heeft besloten om het eindgesprek over de arbeidsmarkt te schrappen uit het inburgeringsexamen. Niet om inhoudelijke redenen, maar omdat er te weinig examinatoren zijn. Je kunt je afvragen of dat eindgesprek dan wel belangrijk was als je het ook zonder kunt? Waarom is het ooit onderdeel geworden van het examen als het niet zo belangrijk is?

Als dat onderdeel niet zo belangrijk is, zouden er dan nog meer onderdelen zijn die niet zo belangrijk zijn? Het examen kent ook een onderdeel Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Een onderdeel waar vragen worden gesteld en de kandidaat moet kiezen uit een aantal mogelijke antwoorden. Vragen zoals: Is Nederland vaak droog of nat? Volgens de toets is ‘nat’ het goede antwoord terwijl het aantal uren zonder regen het aantal met regen ver overschrijdt. Of de vraag hoelang de Nederlandse staat al bestaat, vijftig of vierhonderd jaar? Dit terwijl het koninkrijk der Nederlanden in 2014 haar tweehonderdjarig bestaan vierde. Daarvoor bestond er geen centraal gezag en dus geen Nederlandse staat.

Sterker nog en daarom moest ik aan het rijbewijs en het rijexamen denken, als je het inburgeringsexamen met goed gevolg aflegt en je hebt het diploma, ben je dan ingeburgerd? Ben je dan Nederlander? Hoor je er dan echt bij?

Welkom! Of niet?

Als je in Nederland asiel zoekt en krijgt, dan krijg je in eerste instantie een verblijfsvergunning voor vijf jaar. Kun je dan nog niet veilig terug naar je land van herkomst, dan krijg je een permanente verblijfsvergunning. CDA en SGP willen dit anders, deze partijen willen de tijdelijke verblijfsduur oprekken naar zeven jaar. Veel vluchtelingen hebben een gebrek aan perspectief in Nederland. Bovendien: “het doel moet zijn dat na afloop van een oorlog mensen weer terug gaan om te helpen bij de wederopbouw,” zo beweert CDA-leider Buma in Elsevier. Door de tijdelijke status op te rekken, heeft de Nederlandse overheid meer tijd om vluchtelingen terug te sturen.

kikker

Van iemand die de asielstatus heeft gekregen, wordt verwacht dat hij zich snel de taal en gebruiken eigen maakt en op zoek gaat naar werk, hij moet ‘inburgeren’ en deel gaan nemen aan de Nederlandse samenleving. Zou het kunnen dat een tijdelijke status daarbij hindert?  Het kan immers zomaar gebeuren dat alle inspanningen die je als vluchteling in je inburgering stopt, na vijf jaar voor niets is geweest. Als de oorlog in je land van herkomst is beëindigd, moet je van Buma immers terug om dat land mee op te bouwen. Is dat niet dubbel? De Nederlandse overheid verplicht je om in te burgeren, maar geeft je geen zekerheid dat je mag blijven? Vluchtelingen moeten goed hun best doen, maar krijgen geen garanties, behalve dan als ze: “kunnen aantonen dat ze een inkomen hebben en voldoende zijn ingeburgerd.” 

De christelijke mannenbroeders Buma en Van der Staaij signaleren een gebrek aan perspectief en daarom willen zij de tijdelijke status verlengen. Als een gebrek aan perspectief het probleem is, zou daar dan niet wat aan moeten worden gedaan? Wie is er verantwoordelijk voor dat perspectief? Moet perspectief niet worden geboden? Heb je daar niet anderen voor nodig? Is dat niet juist een opgave van de samenleving die de vluchteling asiel biedt? Is dat niet juist de opgave waar de politiek in het algemeen en vooral de christelijke mannenbroeders die de naastenliefde hoog in het vaandel hebben staan in het bijzonder, aan moet werken? Aan een perspectief in Nederland en niet alleen vluchtelingen ‘na de oorlog’ uitzetten om te helpen bij de ‘wederopbouw’?

Zou een verlengde tijdelijke status het perspectief van de vluchteling verbeteren? Of, en dan draaien we het om, zou het gebrek aan perspectief niet een gevolg kunnen zijn van die tijdelijke status? Zou meteen een permanente status daarbij niet veel uitnodigender zijn? Zij die ‘na de oorlog’ terug willen om hun land van herkomst op te bouwen, zullen zich door die permanente Nederlandse status niet laten weerhouden.

Complexer door te versimpelen

In de Volkskrant een bijdrage van de filosoof Stephan Huijboom met als titel De machtsstrijd om het Nederlanderschap begint. In zijn bijdrage stelt hij, in navolging van Willem Schinkel die dat een week eerder deed, het gebruik van woorden als ‘Marokkaan’ en ‘Allochtoon’ ter discussie, omdat die woorden niet neutraal zijn.

uitnodigingIllustratie: jijislief.nl

Volgens Huijboom draait het uiteindelijk: “om de vraag of Nederlanders die ‘allochtoon’ genoemd worden, ooit als onderdeel gezien kunnen worden van ‘de Nederlandse cultuur’. Kan dat nu, over vijftig jaar, over 150 jaar, of nooit? Bovendien: wie bepaalt dat? Nederlanders die zichzelf ‘autochtoon’ noemen?” Een Volkskrantlezer, die zich EddieValliant noemt, meent dat het betoog van Huijboom onderuit wordt gehaald: “… door uitspraken van allochtone Nederlanders zelf die zeggen zich niet als Nederlander te willen zien en hun kinderen opvoeden als Marokkaan of Turk.” Huijboom draait, volgens deze lezer, oorzaak en gevolg om.

Deze lezer raakt hiermee een bijzonder punt. Wat is hier de oorzaak en wat het gevolg? Bezorgt het onderscheid autochtoon versus allochtoon de laatsten het gevoel nooit bij Nederland te kunnen horen? Een gevoel dat ze krijgen omdat ze steeds worden aangesproken op hun herkomst of de herkomst van hun (voor)ouders? Of zijn allochtonen die zeggen zich niet als Nederlander te zien, er de oorzaak van dat ze niet als Nederlander worden gezien?

Zou het onderscheid autochtoon versus allochtoon in aanmerking komen als beginpunt? Wie heeft dit taalkundig onderscheid met grote sociale en maatschappelijke gevolgen gecreëerd? Zijn het de allochtonen die zijn begonnen zich allochtoon te noemen? Wie heeft termen als ‘inburgering’ en ‘integratie’ geïntroduceerd? Termen waarvan, net als van de woorden ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ een uitsluitende werking uitgaat. Woorden die mensen verdelen in plaats van verbinden. Woorden die, door de werkelijkheid te versimpelen, haar in feite complexer maken? Versimpelen, door mensen in groepen te verdelen die op een of andere manier net iets anders lijken. Complexer maken, omdat hierdoor groepen tegenover elkaar komen te staan.

Zou het niet beter zijn, om iedereen die een Nederlands paspoort en dus de Nederlandse nationaliteit, heeft ook gewoon Nederlander te noemen en alle andere benamingen weg te laten? Zou dat niet verbinden? Zelfs als EddieValliant gelijk heeft? Want waarom in dat geval niet een afwijzing beantwoorden met een uitnodiging?

It takes two to tango

In 2014 deed Motivaction een onderzoek naar de gevoeligheid van jongeren voor religieus geweld veel stof opwaaien, omdat er werd geconcludeerd dat er onder met name Turkse jongeren veel sympathie voor IS leek te bestaan. Op het Motivaction-onderzoek bleek onderzoekstechnisch van alles aan te merken en daarom heeft het SCP een onderzoek gedaan met als titel Een wereld van verschil. Dit onderzoek laat zien dat een veel kleiner deel van de jongeren begrip zegt te hebben voor religieus geweld.

AAN53JFoto: xn--apart-fsa.com

“We moeten ons richten op die kleine groep mensen die Isis en religieus geweld goedkeuren, maar we hoeven en we mogen niet hele groepen mensen wantrouwen.” Dit zegt minister Asscher in reactie op de uitkomsten van het SCP-onderzoek.

Richt Asscher zijn pijlen wel op het goede doel? Natuurlijk! Zal de eerste reactie van velen zijn. We moeten voorkomen dat deze jongeren naar Syrië gaan en jihadist worden. Dus dat rechtvaardigt dat we ons daarop richten.

Zou het doel niet die grote andere groep moeten zijn? De groep die juist geen begrip heeft voor religieus geweld? Het SCP constateert dat de helft van de Nederlanders met Turkse of Marokkaanse wortels zich geen volwaardig burger voelt, zoals de Volkskrant het samenvat. Zouden de pijlen niet juist op dit probleem gericht moeten worden? Een probleem van niet alleen deze groep, maar ook van de ‘autochtone’ Nederlanders? Volwaardig lid worden van een groep vraagt immers ook inspanningen van degenen die tot de groep behoren omdat integratie tweerichtingsverkeer is. Immers ‘it takes two to tango’. Hieraan heb ik in Inburgeren al aandacht besteed.

Zouden die pijlen niet moeten bestaan uit een aanpak die uitgaat van de kracht van onze open democratische samenleving, waaraan ik in Vrijheid, democratie en verbieden en Vrijheid vieren aandacht schonk? Een aanpak die een sterk alternatief biedt tegenover de aantrekkingskracht van het jihadisme waar ik in Waar vóór naar zocht? Zou dat geen succesvollere aanpak kunnen zijn? Zou dat helpen bij de tango? Toch nog eens de vraag: richt Asscher zijn pijlen wel op het goede doel?