Uitgelicht

Election Files 11: werken en tegenwerken

Dit is úw land! Nederland is vol, overvol, bomvol. De PVV komt in democratisch verzet. Tegen azc’s, tegen de massa-immigratie en islamisering, tegen overlast en criminaliteit – en tegen het decennialange links-liberale beleid dat de erbarmelijke staat van ons land heeft veroorzaakt.”1 De eerste woorden uit Dit is uw land, het verkiezingsprogramma van de PVV. Daarmee mag duidelijk zijn dat in deze Prikker het verkiezingsprogramma van de PVV wordt besproken. Het programma bevat geen visie, geen belangrijke uitgangspunten voor het handelen waaraan het getoetst kan worden. Daarom een wat andere manier van bespreken. In deze openingszin zegt enige partijlid Wilders dat de PVV in democratisch verzet komt. Daarmee heb ik een punt ter beoordeling van het programma. Een tweede voor de partij belangrijk punt is vrijheid: “De PVV heeft niet voor niets “vrijheid” in haar naam staan. Wij vinden dat iedereen zijn of haar leven moet kunnen leiden zoals hij of zij zelf wil – of iemand nu hetero, homo of anders is. Helaas staat die vrijheid onder druk.”2 In hoeverre bieden de plannen van de PVV iedereen de mogelijkheid om een leven te leiden wat de persoon zelf wil. Dat bespreken ga ik doen aan de hand van de geschiedenis van Nederland. Want, zo schrijft Wilders in zijn programma: “Nederland is een prachtig land. Zie ons unieke landschap, onze eeuwenoude molens en onze kerken. Zie ook onze rijke Nederlandse geschiedenis, cultuur en identiteit.”3 Laten we eens kijken hoe het programma zich verhoudt tot die rijke geschiedenis, cultuur en identiteit. Die bespreking begint met een stukje geschiedenis in het algemeen en van wat nu Nederland is, in het bijzonder. Maar zoals bij iedere bespreking van een verkiezingsprogramma begin ik met de conclusie.

Conclusie

Wilders en de PVV trekken heel bijzondere conclusies uit ‘onze rijke Nederlandse geschiedenis’. Die geschiedenis laat een open blik op de wereld, een tolerante en uitnodigende houding naar mensen van elders en geen van boven af opgelegde dogmatiek maar een vrije uitwisseling van kennis, ideeën en opvattingen zien. De partij concludeert daaruit dat het voor de welvaart van het land en het welzijn van haar bevolking nodig is om de grenzen en de luiken te sluiten. Dat de welvaart en het welzijn van Nederland het beste af zijn als het land op zichzelf is teruggeworpen. Ook bijzonder is dat een partij die, zoals ze zelf zegt, vrijheid niet voor niets in haar naam heeft, die vrijheid vooral geweld aan doet. Ze beperkt vrijheid om de vrijheid te beschermen.

Een kleine geschiedenis van wat nu Nederland is

Waar te beginnen? Ieder beginpunt is willekeurig maar je moet ergens beginnen. Dus dan maar zo volledig mogelijk. De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten. Ten tijden van de verovering van het zuidelijke deel van wat nu Nederland is door de Romeinen, leefden hier verschillende Germaanse stammen zoals de Batuwen, Kanaveden en Friezen. Veel van deze volkeren verdwenen met de val van het Romeinse rijk. Boven de rivieren bleven de Friezen. Al was dat boven de rivieren een vooral ontoegankelijk moeraslandschap.

En zo rond 1400 begon de geschiedenis zich te herhalen. Het huidige Nederland was een gebied, om Johan Norberg te citeren, met: “weinig mensen (…) er was geen verenigde kerk of machtige aristocratie, er waren weinig natuurlijke hulpbronnen, geen leger en geen marine. Ze hadden geen vorst, geen staat en geen grondwet, alleen soevereine provincies die vooral onderling vochten. Ze hadden zelfs niet veel land om op te wonen en voedsel te verbouwen; ze moesten het terugwinnen op de oceaan.” Maar in de tweede helft van de zestiende eeuw nam dit: “onverteerbaar braaksel uit de zee (zoals een Engelse satiricus de regio noemde),”4 het op tegen het machtigste rijk van het moment en het won. Het won, zo betoogt Norberg omdat: “De Nederlanders (…) de kunst van openheid (moesten) perfectioneren, juist omdat ze in het begin zo weinig hadden. Alles moest worden gecreëerd, gebouwd, ontwikkeld en geïmporteerd.”5 En wat er vooral ‘geïmporteerd’ werden, waren mensen. Mensen die vanwege hun geloof naar de Republiek trokken. “Nederland werd een republiek van vluchtelingen. … Het heeft zelfs geleid tot de vraag hoe ‘Nederlands’ de Nederlandse Gouden Eeuw werkelijk was. … Joden vluchtten erheen voor de Inquisitie, Hugenoten voor de Franse onderdrukking en Duitsers voor de Dertigjarige Oorlog, en in de volgende generatie werden migranten aangetrokken door economische kansen. In het midden van de zeventiende eeuw blijkt uit de huwelijksregisters van Amsterdam dat ongeveer een op de drie burgers een immigrant was, wat waarschijnlijk een onderschatting is van hun aandeel in de bevolking.”6

Die Republiek versloeg, zoals gezegd, de toenmalige supermacht Spanje en werd de supermacht. Een supermacht met de blik gericht op de wereld. Ze bouwde in heel korte tijd een handelsimperium op dat haar weerga niet kende. Holland dreef op handel in goederen met relatief lage waarde zoals graan en hout. Aan het einde van de zestiende eeuw deed zich een kans voor: “Spanje vond dat het zijn havens moest openstellen voor de Nederlandse handel om te kunnen overleven. De Nederlanders stortten zich onmiddellijk op de ‘rijke handel’ in het Middellandse Zeegebied en begonnen fruit, wijn, specerijen, suiker, zijde en verfstoffen te vervoeren in een handelsnetwerk dat zich uitstrekte van de Levant tot Archangelsk aan de Witte Zee.”7 Toen de Spanjaarden zich in 1598 realiseerden dat het openstellen van hun havens voor hun grootste lastposten, de ‘Hollanders’, die Hollanders meer rijkdom bracht dan Spanje zelf, wilden ze die fout herstellen. Besloten de Hollanders dat: “ze het Iberisch schiereiland moesten omzeilen en rechtstreeks naar Afrika en Indië moesten varen om hun handel niet te verliezen. Dit was het begin van de mondiale ambities en het koloniale rijk van deze kleine republiek. Met een enorme handelsvloot en diepe financiële markten heersten de Nederlanders al snel over de zeeën. Tot dan toe waren de Nederlanders nog niet voorbij Kaap de Goede Hoop gekomen. In de zeventiende eeuw passeerden meer Nederlandse schepen de Kaap dan alle andere Europese landen samen.”8 De Republiek en dan vooral haar kooplui en handelaren, hadden hun blik op de wereld gericht en waren altijd op zoek naar goede handel.

Immigratie, een nieuwsgierige, open houding en welvaart gingen niet alleen samen in de Republiek van de zestiende en zeventiende eeuw. Dat gold – zo laat Norberg in zijn boek Peak Human zien – ook voor de andere zeven beschavingen die voor een gouden tijdperk zorgden. Angst voor migranten en een gesloten, dogmatische houding betekent weinig goeds. Of zoals de historicus Dan Jones over het Romeinse Rijk concludeert: “Het Romeinse Rijk was ooit een grote verspreider van de klassieke geleerdheid in al zijn uitgestrekte gebieden. Maar toen het Westen uiteenviel en het Oosten steeds meer geobsedeerd raakte door leerstellige vraagstukken werd het een actieve blokkade voor de kennisoverdracht door de eeuwen heen, en de doorgifte van de klassieke geleerdheid in het Rijk begon te stokken.”9 Het oostelijke deel van het Rijk dat vanaf die tijd het Byzantijnse Rijk werd, hield het steeds verder krimpend, nog zo’n duizend jaar vol. Afgezien van pracht en praal, zoals de Hagia Sofia, leverde het niets vernieuwends op. Aan het einde van de zeventiende eeuw verviel de Republiek in religieuze orthodoxie en sloten de luiken voor de buitenwereld. Om de koninklijke ambities van stadhouder Willem III te verbloemen: “verbood de Staten-Generaal uit veiligheidsoverwegingen iedereen te beweren dat de stadhouder naar soevereiniteit over de provincies streefde. Godslastering en aanvallen op de kerk waren al eerder verboden. Zelfs in Holland waren boeken die God of de goddelijkheid van Christus ontkenden verboden (hoewel regenten de impact ervan verzachtten door boekverkopers vaak van tevoren te waarschuwen dat er een inval zou komen). Maar dit was de eerste keer dat het openbare debat door de Staten werd gecensureerd.” Iets wat nu in de Verenigde Staten kunnen zien: Republikeinse politici die uit angst voor Trump, diens leugens verkondigen. En net zoals we nu in de VS zien, werd in de Republiek de wetenschappelijke vrijheid beknot: “In 1674 verboden de Staten van Holland boeken van verschillende onruststokers. Spinoza werd als bijzonder gevaarlijk beschouwd, omdat hij ontkende dat de Bijbel een goddelijke openbaring was en omdat hij God op een manier had beschreven die door velen als atheïsme werd geïnterpreteerd. Pierre Bayle, die al lang door hardline calvinisten werd veracht, werd in 1693 zijn leerstoel in Rotterdam ontnomen.”10 Een periode die tot het midden van de negentiende eeuw duurde. De Republiek raakte: “in verval, van de economische, politieke en militaire grandeur bleven alleen de schimmen over.”11

Maar voordat er in het midden van de negentiende eeuw weer iets van dynamiek terugkwam, moest er eerst nog heel wat water door de Maas. Onderdeel van dat verval was dat de macht verschoof van de Staten Generaal naar de stadhouder. De Republiek bestond toen alleen nog in naam. Aan het einde van de achttiende eeuw had een deel van de gegoede burgers genoeg van wat zij zagen als het ‘absolutistische bestuur’ van stadhouder Willem V. Zij noemden zich Patriotten en streefden naar democratisering en naar het herstel van de macht en positie van de Republiek, ze wilden terug naar de republiek van de eerste helft van de zeventiende eeuw de economische militaire, politieke en culturele wereldmacht. Terug gaan naar het verleden is altijd een slecht idee. Zeker als: “De ontwikkeling van de zeventiende eeuw (te danken) was aan de samenwerking van een aantal gelukkige omstandigheden, die nu niet meer bestonden… . De basis ervan was de functie van Holland, en speciaal natuurlijk Amsterdam, als stapelmarkt. De hele economische structuur van Nederland rustte daarop. En juist deze brokkelde af. Betere communicatiemiddelen te land en ter zee, de strijdbare concurrentie van Engeland en Frankrijk, vernieuwingen op het gebied van prijsvorming en commissiehandel die de behoefte aan een stapelmarkt verminderden, maakten het in veel gevallen mogelijk om het dure Amsterdam te vermijden en de goederenstroom direct van koper naar verkoper te leiden.” Deze ontwikkeling had: “ernstige sociale gevolgen (…), aangezien bij een waarschijnlijk groeiende bevolking de werkgelegenheid en de spreiding van de welvaart er, naar men moet aannemen, door inkrompen.”12 Patriottische opstanden drongen Willem V in het defensief. Hij werd echter gered door en Pruisisch leger dat in 1787 de republiek binnen viel en voor dat moment een einde maakte aan de opstanden van de patriotten. Na de Franse revolutie kregen de Patriotten steun van de Fransen, een land waar velen van hen naar toe waren gevlucht. En na de Franse veldtocht in de Nederlanden brak de Bataafse Revolutie uit. Die maakte en 1795 een einde aan het stadhouderschap. Willem V vluchtte naar Engeland. Hierdoor vielen: “veel oude zekerheden weg , onervaren mensen kregen verantwoordelijkheden die ze niet konden dragen en de snelle opbouw van een ideale democratische maatschappij werd een chaos.”13 Dit schrijvend bedacht ik me dat onze huidige politieke situatie hier redelijk wat overeenkomsten mee vertoont. Er moet ‘geluisterd worden’ naar het volk en dan komt er een kabinet van die ‘luisteraars’ en dan blijkt dat ze de verantwoordelijkheid niet kunnen dragen en er een chaos van maken. Bij het vormgeven van die democratische maatschappij werd vooral naar Frankrijk gekeken en Frankrijk keek ook terug. Alleen was het democratische daar vastgelopen en viel de macht in 1799 toe aan Napoleon Bonaparte. Diens geduld met Nederland raakte op en in 1805 benoemde hij zijn broer Louis, in het Nederlands Lodewijk tot koning van het koninkrijk Holland. Dat was van redelijk korte duur want op 9 juli 1810 werd dat koninkrijk opgeheven en ingelijfd bij Frankrijk.

Na de voor Napoleon desastreus verlopen veldtocht naar Rusland probeerde Napoleon zijn gezag te herstellen. Hiervoor trok hij met een troepenmacht op naar het Oosten. Dit eindigde met de door de Fransen verloren Volkerenslag bij Leipzig van oktober 1813. De Fransen vochten daar tegen een coalitie van Rusland, Pruissen, Oostenrijk en Zweden. Zij verzwakten de Franse teugels. Napoleon trok zich terug en de coalitietroepen vielen Frankrijk binnen. Daarop trokken de Fransen hun troepen terug uit het voormalige koninkrijk Holland. Een driemanschap bestaand uit Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum sprong in het bestuurlijk vacuüm en nam het bestuur op zich. Een van de eerste daden betrof het sturen van een brief aan, Willem Frederik, de zoon van de gevluchte stadhouder Willem V met het verzoek om naar Den Haag te komen en als soeverein vorst de regering op zich te nemen. Willem Frederik accepteerde die uitnodiging maar al te graag en hoopte op veel meer dan alleen het grondgebied van de oude Republiek. Het geluk was aan zijn zijde want de grote mogendheden verzameld in Wenen zagen een Europa voor zich geregeerd door vorsten. De meeste overwinnaars werden geregeerd door een vorst. Alleen in Engeland moest die vorst buigen voor een parlement. Republieken en zeker democratieën hadden afgedaan en alle partijen zagen wel wat in een een sterke buffer tussen Frankrijk en Duitsland. Die buffer werd het Koninkrijk der Nederlanden dat bestond uit het huidige Nederland en België. Naast koning van de Nederlanden werd de zich nu Willem I noemende Willem Frederik ook groothertog van Luxemburg. Luxemburg bleef, net als de provincie Limburg onderdeel uitmaken van de Duitse bond.

Willem regeerde wel met een grondwet: “maar dat betekent niet dat Nederland dan een rechtsstaat is,” zoals Ybo Buruma terecht constateert en vervolgt met: “De koning stelt zich op als een absolute vorst, of als een verlicht despoot over de pas tot stand gekomen eenheidsstaat.”14 Nederland als eenheidsstaat, maar: “’Nederlanders’ zijn er niet: dat komt pas later met de nationaliteitswetgeving na de Grondwet van 1848. Dat is niet louter juristerij. De meesten van de circa twee miljoen inwoners voelen zich meer verbonden met de eigen woonplaats en de oude gewesten dan met het land.”15 Het je Nederlander voelen is daarmee van vrij recente datum. Pas vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werd er gewerkt een een ‘Nederlands verhaal’ waar je ‘trots’ op moest zijn. Het is niet voor niets dat het gros van de standbeelden van zee- en landhelden vanaf het einde van de negentiende eeuw zijn geplaatst. Pas vanaf dat moment werden de ‘grote daden’ van de man met de kleine naam, Piet Hein, bezongen. Voor het katholieke deel van het land lag het allemaal net wat anders. Die werden niet als echte Nederlander gezien. Ze werden tot het midden van de twintigste eeuw gewantrouwd want waren die niet loyaal aan Rome? En zouden die door hun hoge geboortecijfers het land niet ‘omvolken’ om een tegenwoordig door rechtse partijen gebruikte term te gebruiken?

De regeerstijl van Willem I valt vooral in de Zuidelijke Nederlanden slecht. Dat Zuiden is katholiek en de gegoede burgers, veelal industriëlen, zijn liberaal. Na de Belgische opstand van 1830, scheidden de Zuidelijke Nederlanden zich af. Willem I treedt af en zijn zoon Willem II neemt de troon over. Als in heel Europa in 1848 een revolutionaire wind waait en menig vorst wordt afgezet, accepteert Willem II dat zijn macht wordt beperkt. Hij mag de troon behouden maar voortaan ligt de macht bij het parlement en wordt de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd. Hij veranderde, zoals het vaker wordt beschreven ‘in een nacht van conservatief in een liberaal’. Met de Grondwet van 1848 ontstond er voor het eerst iets wat op een democratie leek. Maar dan wel een democratie waaraan slechts een klein deel van het volk kon deelnemen. Alleen als je voldoende belasting betaalde, mocht je stemmen en kon je verkozen worden. Een omkering van het ‘no taxation without representation’ dat in de Amerikaanse revolutie belangrijk was. In Nederland was het ‘no representation without taxation’. Pas in 1922 toen ook vrouwen voor het eerst hun stem voor de Tweede Kamer mochten uitbrengen, was er sprake van een democratie waarin iedereen mocht meebeslissen. Dat was vier jaar nadat voor het eerst ook alle mannen van 25 jaar en ouder mochten stemmen.

Zoals hierboven al gezegd kwam er vanaf het midden van de negentiende eeuw weer iets van dynamiek terug. Een echte economische opleving liet echter nog een eeuw op zich wachten. Na het verlies van de belangrijkste kolonie Nederlands-Indië trok de bedrijvigheid aan. Nederland zocht zijn toekomst over de grens. In eerste instantie vooral in Europa. Mede afgedwongen door de Marshallhulp koos Nederland voor samenwerking met de buren. Eerst in de Benelux, daarna in de Europese Gemeenschap en later in de Europese Unie. Dit zorgde voor grote bedrijvigheid en met die bedrijvigheid kwam ook de immigratie weer opgang. Eerst uit Italië en Spanje en later uit Turkije en Marokko kwamen mensen om in de Nederlandse industrie te werken. Ze werden ‘gastarbeiders’ genoemd omdat men enigszins naïef verwachtte dat ze na verloop van tijd wel weer terug zouden gaan. Dat viel tegen. Een flink deel bleef hier en arbeiders uit Turkije en Marokko haalden hun familie naar hier. Zelfs toen een groot deel van hen in de loop van de jaren zeventig werkloos werd, gingen ze niet terug.

Wat leren we van deze korte geschiedenis? We leren dat een open blik, tolerantie ten opzichte van andersdenkenden en vrijheid om zaken naar eigen inzicht op te pakken voorwaarden zijn voor ‘gouden eeuwen’. Dat wil echter niet zeggen dat voldoen aan die voorwaarden automatisch tot een ‘gouden eeuw’ leiden. Zeker is wel dat hieraan tornen een ‘gouden eeuw’ onmogelijk maakt. We leren dat die trots op Nederland, het Nederlands nationalisme, van een recente datum is. We leren dat die tegenwoordig zo bejubelde ‘identiteit’, die joods-christelijke cultuur tot voor kort vooral bestond uit groepen die op z’n best met de rug naar elkaar stonden. En wat zien we als we met deze bevindingen het PVV-verkiezingsprogramma doornemen?

Immigratie

Het immigratie verleden van wat nu Nederland is, behoort, als we de PVV mogen geloven, niet tot de rijke Nederlandse geschiedenis. De PVV wil in feit een einde aan migratie. “De afgelopen decennia zijn er meer dan een miljoen niet-westerse immigranten ons land binnengekomen; onze bevolking groeit alleen nog door immigratie. In grote steden als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam is de allochtone bevolking al in de meerderheid.”16 Daaruit wordt geconcludeerd dat: “We (…) te veel vreemdelingen, te veel asielzoekers, te veel islam en veel te veel azc’s,” hebben binnengelaten. “Het opengrenzenbeleid maakt ons land helemaal kapot. De PVV is er klaar mee. Het roer moet drastisch om.”17 De partij wil een: “Totale asielstop: alle asielzoekers worden aan de grens geweigerd.” Door: “Geen immigratie uit islamitische landen.” Ze wil een: “Verbod dubbele nationaliteit.”18 Ze wil doen, wat volgens de partij: “jarenlang is nagelaten. Wij sluiten de grenzen.”19 Grenzen die door soldaten bewaakt moeten worden want: “Wij willen dus geen buitenlandse militaire missies, maar militaire inzet aan onze eigen grenzen: grensbewaking.”20

Dat immigratie voor problemen en wrijving zorgt, zal ik niet ontkennen. Maar immigratie en welvaart gingen niet alleen samen in de Republiek van de zestiende en zeventiende eeuw. Dat gold – zo laat Norberg in zijn boek Peak Human zien – ook voor de andere zeven beschavingen die voor een gouden tijdperk zorgden. En het sluiten van grenzen voor migranten leidde in alle gevallen ook tot een periode van verval. Ook vanaf midden jaren vijftig ging migratie en welvaart hand in hand. De wrijving door migratie ging gepaard met glans en ook tegenwoordig gaat die wrijving gepaard met glans. De gesloten grenzen waar de PVV voor pleit verkleinen de kans op welvaart en welzijn. Om die kans op glans te vergroten en om problemen te verkleinen, moet die immigratie en dan vooral de arbeidsmigratie wel gereguleerd worden. Dit is uw land bevat echter geen enkele maatregel, zelfs geen enkel woord over arbeidsmigratie. Het woord arbeid komt welgeteld één keer voor in het programma: “Gevangenen moeten een uniform dragen en minstens 40 uur per week arbeid verrichten.”21

De grenzen moeten dicht voor mensen die veiligheid zoeken. De arbeidsmigratie blijft onaangeroerd en dus ook de wantoestanden en problemen waar deze groep mee te maken krijgt. Net als de overlast die deze problemen voor de rest van de samenleving veroorzaken. Dit afgezien van de ‘bemiddelaar’ en de werkgever van de arbeidsmigrant die ervan profiteren. Studiemigratie moet wel worden aangepakt: “De PVV wil een maximale inperking van studiemigratie naar ons land. Ons onderwijs is er voor de Nederlanders, niet voor buitenlandse studenten die na hun studie weer vertrekken.”22 Dus het liefst niemand naar hier en als er toch eentje komt dan moet die na zijn studie snel weer opkrassen. Dit terwijl een open ideeënuitwisseling en wederzijdse beïnvloeding bouwstenen zijn die ‘gouden eeuwen’ mogelijk maken. Het beleid van de PVV maakt dit zeer moeilijk tot onmogelijk. Geen moderne equivalenten van Pierre Bayle, René Descartes en John Locke.

Blik op de wereld

Die Republiek versloeg, zoals gezegd, de toenmalige supermacht Spanje en werd de supermacht. Een supermacht met de blik gericht op de wereld, met een open houding en dito grenzen en tolerant. De PVV wil migranten weg en de luiken sluiten. “Alle Syriërs terug naar Syrië,” want: “Delen van Syrië zijn weer veilig,” en zijn: “handelssancties (…) opgeheven.” Zij moeten: “terug om hun eigen land weer op te bouwen.” En als dat niet lukt, moeten ze naar: “andere Arabische landen waarmee we afspraken maken.”23 Hoe ze vanuit die andere landen hun land dan weer moeten opbouwen is mij een raadsel. Voor de PVV is het enige wat telt dat ze hier weg zijn. En daar, waar dat dan ook is, moeten ze het zelf maar uitzoeken want: “geen cent meer naar kansloze projecten, corrupte regimes en activistische ngo’s. Geen cent meer naar Afrika, het Midden-Oosten of Azië. Nederland is geen pinautomaat voor de rest van de wereld. Ontwikkelingshulp wordt volledig afgeschaft.”24 Ook moeten de: “Volwassen mannelijke Oekraïense ontheemden terug naar Oekraïne.” Want: “Oekraïne heeft zijn eigen mannen hard nodig. … Zij kunnen dan hun eigen land helpen, zoals door de Oekraïense regering gevraagd.”25 En op steun uit Nederland hoeven ze bij dat helpen niet te rekenen. De PVV steunt: “Oekraïne ( dan wel) omdat het een soeverein land is dat door de Russische agressor onrechtmatig is binnengevallen,” maar: “Ondertussen hebben we al ruim € 20 miljard aan Oekraïne betaald. Laat andere landen nu wat meer doen, dan hebben wij meer geld voor de Nederlanders.”26

We trekken ons terug uit het VN-Klimaatakkoord van Parijs,” aldus de PVV. En: “niet nóg meer bevoegdheden en miljarden overhevelen naar Brussel, maar juist terughalen. Onze vetorechten behouden we, herstellen we in ere én zetten we in: Nederland moet al het mogelijke vetoën, waaronder de EU-begroting, om zo een opt-out op asiel en immigratie en soepeler natuur- en stikstofbeleid te dwingen en de EU van binnenuit op de schop te nemen.”27 De luiken gaan dicht. Die dichte luiken verhouden zich slecht met het streven om Schiphol te laten groeien omdat het: “van groot belang voor ons vestigingsklimaat, onze economie en onze internationale handelspositie,”28 is. Zelfs voor de wolf want als die problemen veroorzaakt dan wordt hij of zij verjaagd en: “bij ernstige incidenten volgt onverbiddelijk afschot.”29Als vestigingsplaats ben je aantrekkelijk met open venster, een welwillende houding ten opzicht van immigranten. De PVV zegt te: “kiezen voor de Nederlanders, hun portemonnee, hun koopkracht en hun welzijn.”30 De gesloten luiken, zouden wel eens nadelige gevolgen kunnen hebben voor juist de portemonnee, de koopkracht en het welzijn. Ook daarvoor biedt het verleden voorbeelden. “In de late zeventiende eeuw keerde het tij, … In de achttiende eeuw raakte de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën in verval, van de economische, politieke en militaire grandeur bleven alleen schimmen over.”31 De oorzaken van dat verval: “net als zoveel andere gouden eeuwen begon de Nederlandse neergang met despotische ambities, politieke centralisatie en censuur. Het land dat wereldwijd voorop liep in open debat begon de teugels aan te halen. De kerk begon een calvinistische orthodoxie op te leggen, boeken werden verboden en universiteiten werden gezuiverd van seculiere ideeën. De immigratie nam af en buitenlandse studenten begonnen de voorheen toonaangevende Nederlandse universiteiten te verlaten. De groep waaruit de stedelijke elite werd gekozen, kromp in, en al snel krompen ook de steden zelf.”32

Voor de PVV lijkt de wereld op te houden voorbij de landsgrens. Zelfs samenwerken met de Europese buren lijkt een brug te ver want: “niet nóg meer bevoegdheden en miljarden overhevelen naar Brussel, maar juist terughalen. Onze vetorechten behouden we, herstellen we in ere én zetten we in: Nederland moet al het mogelijke vetoën, waaronder de EU-begroting, om zo een opt-out op asiel en immigratie en soepeler natuur- en stikstofbeleid te dwingen en de EU van binnenuit op de schop te nemen.”33

Democratie en Vrijheid

De PVV heeft niet voor niets “vrijheid” in haar naam staan. Wij vinden dat iedereen zijn of haar leven moet kunnen leiden zoals hij of zij zelf wil – of iemand nu hetero, homo of anders is. Helaas staat die vrijheid onder druk. Vandaag de dag kunnen homo’s vooral in de grote steden niet meer hand in hand over straat lopen zonder uitgescholden, bespuugd of zelfs in elkaar geslagen te worden, vaak door niet-westerse allochtonen.”34 Daarom, zo betoogt de partij: “gaan (wij) ons land en onze wijken en straten terugwinnen, onze vrijheid herpakken en onze toekomst veiligstellen – voor onze kinderen, voor onze samenleving, voor alles wat ons dierbaar is.”35 Bij dat herpakken kan ook de automobilist op steun rekenen want: “Autorijden is een vorm van vrijheid en welvaart, maar het wordt de automobilist al jarenlang steeds moeilijker gemaakt.” De PVV presenteert zich hier als de partij die zich inzet voor uw vrijheid. Maar dan wel uw individuele vrijheid. En dan ook nog niet eens voor eenieders individuele vrijheid.

Want als ik in alle vrijheid ‘From the river to the sea, Palestine will be free’ wil zeggen, dan ben ik strafbaar. En als ik me inzet voor Extinction Rebellion of Antifa dan zet ik me in voor een terroristische organisatie.36 Als een docent zijn klas kennis wil laten maken met seksualiteit dan wordt het risico gelopen je schuldig te maken aan: “links-liberale seksuele indoctrinatie via het onderwijs.” Ik vraag me dan meteen af of ‘rechts-conservatieve’ indoctrinatie over Adam en Eva wel mogen. En we: “Stoppen met wokebeleid: er zijn slechts twee geslachten – man en vrouw – en het biologische geslacht is leidend, dus geen “X” in het paspoort” Helaas voor de hermafrodieten onder ons. En als een moslim heb je pech want er komt een: “Verbod op het afleggen van de eed op Allah voor overheidspersoneel en militairen,” een christen mag zijn god aanroepen, een moslim de zijn niet. Ook worden de islamitische gebedsoproep en de boerka verboden.”37 Over ‘woke’ in de klas had ik het al, maar wat voor ‘woke’ opgaat, geldt voor de PVV ook voor ‘klimaat’, ook dat mag niet geïndoctrineerd worden. Ook moeten leraren politiek neutraal zijn: een onmogelijkheid. Niemand is politiek neutraal. Bovendien zou dit een beperking van de vrijheid van leraar zijn. Ook wil Wilders het verplichten om op het schoolplein Nederlands te spreken. Fries en Venloos mag dus niet meer? De: “Opvoeding is aan de ouders.” en: “Orde, rust en gezag terug in de klas.” Dan mag je als docent ook verwachten dat de kinderen worden opgevoed. Dat ze het gezag in de klas accepteren, braaf met de armen over elkaar zitten en stil zijn als de leraar het vraagt. Stemt de partij er dan mee in dat de leerkracht een slecht opgevoed kind naar huis stuurt?38 Voor een partij die vrijheid in haar naam draagt en vrijheid uitlegt als kunnen doen wat je wilt, zijn dit erg veel beperkingen.

Wat zien we als we naar de politieke vrijheid kijken? De vrijheid om als burger deel te nemen aan besluitvorming over zaken die jou raken? Om de besluitvorming te beïnvloeden? Dan zien we dat de PVV vooral mensen met een andere dan de eigen mening, de mond wil snoeren. XR en antifa werden al genoemd. “Bij gewelddadige demonstraties draaien de daders op voor alle schade. Buitenlandse studenten, docenten, bestuurders en directieleden die meedoen of dit gedogen, gaan zonder pardon terug naar hun thuisland. Nederlandse docenten, bestuurders en directieleden die zich hier schuldig aan maken, worden per direct ontslagen.”39 Dat lijkt een heel reëel standpunt. Totdat je je realiseert dat gewelddadigheid van twee partijen af kan hangen. Neem de anti-zwartepiet demonstraties van enkele jaren geleden. De demonstranten demonstreerden vreedzaam maar kregen te maken met geweld vanuit het publiek en soms ook de politie. Totdat je je realiseert dat de PVV dergelijke harde woorden spreekt bij demonstraties van XR of tegen het Israëlische geweld in Palestina. Bij eveneens gewelddadige en vernielzuchtige protesten van boeren en tegen asielzoekers, zwijgt hij als het graf. Dit maakt een dergelijke maatregel erg gevoelig voor willekeur. Willekeur die ook het wetsvoorstel dat het verheerlijken van terrorisme moet verbieden omgeeft.

Niet alleen vrijheid lijkt bij de PVV in verkeerde handen. Ook de gelijkheid, geregeld in artikel 1 van onze Grondwet komt er bekaaid af. De partij discrimineert er met haar voorstellen vrolijk op los. Geen eed op Allah, wel op God. Links-liberale indoctrinatie mag niet maar zwijgen over indoctrinatie vanuit andere hoeken. “Mensen met een dubbele nationaliteit die zijn veroordeeld voor één ernstig misdrijf, worden na het uitzitten van de straf gedenaturaliseerd en moeten Nederland verlaten.” En: “Nooit meer voorrang op sociale huurwoningen voor statushouders – ook niet met urgentie.”40 Dit zijn maatregelen of straffen die niet aan iedereen kunnen worden opgelegd. Ze discrimineren op oneigenlijke gronden. De partij wil een: “Verbod op Arabische en andere niet-westerse teksten in onze (winkel)straten.”41 Waarom wel Engelse, Franse of Spaanse teksten en geen Russische, Chinese of Arabische? Discriminatie op basis van oneigenlijke gronden. Pleit dan voor alleen Nederlandse teksten. Wilders wil terecht een: “Snoeiharde aanpak van antisemitisme.” Antisemitisme is immers een vorm van discriminatie. Die oproep zou veel krachtiger zijn als zijn programma niet vol stond met discriminerende voorstellen die vooral islamieten treffen. Want hoe hard bestrijd je discriminatie als je discrimineert?

Wilders houdt er een heel bijzondere manier van redeneren op na.“Wij zijn tegen dubbele loyaliteiten en dus tegen dubbele nationaliteiten.”42 heel bijzonder omdat iedereen er meerdere loyaliteiten op na houdt. Zo ben ik loyaal supporter van VVV-Venlo maar heb ik ook een zwak voor bijvoorbeeld Borussia Mönchengladbach. Maar wat nationaliteit met loyaliteit te maken heeft ontgaat mij. Ik heb de Nederlandse nationaliteit maar wat betekent dat voor wat betreft mij loyaliteit? Als de Nederlandse regering in mijn ogen de verkeerde dingen doet, dan zal ik me daar tegen verzetten. En laten we wel wezen, de recent gevallen regering waar Wilders’ PVV onderdeel van uitmaakte, blonk uit in belachelijke uitspraken en verkeerde besluiten. Waaraan ik loyaal ben is mijn keuze en die keuze heeft niets te maken met mijn paspoort.

Oh ja, ook dat nog of nog een keer

Even terug naar het SBS debat voor de verkiezingen van november 2023. De verkiezingen waaraan we het Walking Dead kabinet Schoof met als deelnemer de PVV te danken hebben. Dat kabinet dat al dood was voordat het begon en vervolgens als een zombie begon aan haar ziekmakende werk. In dat debat trad een mevrouw op die naar later bleek een bekende van Wilders was. Die mevrouw had het erg moeilijk en werd door de programmamakers gebruikt om Timmermans, de leider van GroenLinks-PvdA onder druk te zetten. Timmermans begon daar uit te leggen dat het afschaffen van de eigenbijdrage bij de ziektekosten afschaffen niet van vandaag op morgen kon. Maar die mevrouw, zo sprak Wilders, had niet de tijd om te wachten ze had nu dat geld nodig. Helaas voor die mevrouw, bleek Timmermans gelijk te hebben want het levende dode kabinet kwam niet verder dan een halvering van de eigenbijdrage per 2027. Wilders heeft er niet van geleerd want ook nu weer: “schaffen wij het eigen risico volledig af, zodat niemand zorg mijdt door geldzorgen.”43 Ik hoop dat de mevrouw ervan heeft geleerd. Ik vrees echter het ergste. Ik vrees het ergste want de mantra dat ‘de PVV is tegengewerkt’ lijkt het erg goed te doen. Dan toch even. Om tegengewerkt te kunnen worden moet je eerst werken. En dat heeft de PVV niet gedaan.

1 Dit is uw land, pagina 3. Dit is uw land is te vinden via: https://www.pvv.nl/images/2025/PVV_Programma_Digi_2025.pdf

2 Idem, pagina 27

3 Idem, pagina 27

4 Johan Norberg, Peak Human. What we Can Learn from the Rise and Fall of Golden Ages, pagina 288

5 Idem, pagina 337

6 Idem, pagina 305

7 Idem, pagina 305-306

8 Idem, pagina 306-307

9 Dan Jones, De Middeleeuwen. Een Nieuwe Geschiedenis, pagina 102

10Johan Norberg, Peak Human. What we can Learn from the Rise and Fall of Golden Ages, pagina 334-335

11 Auke van der Woud, de steden de mensen. Nederland 1850-1950, pagina 17

12 E.H. Kossmann, De Lage Landen 170/1980. Twee eeuwen Nederland en België, pagina 41-42

13 Auke van der Woud, de steden de mensen. Nederland 1850-1950, pagina 17

14 Ybo Buruma, De onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025, pagina 26

15 Idem, pagina 27

16 Dit is uw land, pagina 6

17 Idem, pagina 6

18 Idem, pagina 8-9

19 Idem, pagina 8

20 Idem, pagina 31

21 Idem, pagina 12

22 Idem, pagina 34

23 Idem, pagina 7

24 Idem, pagina 30

25 Idem, pagina 8

26 Idem, pagina 31

27 Idem, pagina 30

28 Idem, pagina 36

29 Idem, pagina 25

30 Idem, pagina 4

31 Auke van de Woud,De steden de mensen. Nederland 1850-1900 pagina 17

32 Johan Norberg, Peak Human. What we can Learn from the Rise and Fall of Golden Ages,Pagina 339

33 Dit is uw land, pagina 30

34 Idem, pagina 27

35 Idem, pagina 8

36 Idem, pagina 12

37 Idem, pagina 28

38 Idem, pagina 34

39 Idem, pagina 34

40 Idem, pagina 9

41 idem, pagina 28

42 Idem, pagina 8

43 Idem, pagina 17

Unieke geschiedenis en dezelfde mens

Om vicepresident van de Verenigde Staten te worden, hoef je niets bijzonders gestudeerd te hebben of te weten. Je moet alleen voor die functie gevraagd worden door iemand die president wil worden. Of, en dat is bij de huidige vicepresident J.D. Vance het geval, je wordt door iemand met een hele grote bak geld aanbevolen aan iemand die president wil worden. Eenmaal in die positie heb je invloed, luisteren mensen naar je en nemen ze je serieus ook al braak je de grootste onzin uit. Een vooraanstaand historicus Niall Ferguson beschuldigen van historisch analfabetisme is er zo een, zo las ik in een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard.

Auteur onbekend – US-Army images. Wikipedia

Ferguson plaatste op X een bericht waarin hij president George H.W. Bush aanhaalt. Die zei op 4 augustus 1990 het volgende: “I’m not going to discuss what we’re doing in terms of moving forces, anything of that nature. But I view it very seriously, not just that but any threat to any other countries, as well as I view very seriously oud determination to reverse out this agression. And pleas believe me, there are an awfull lot of countries that are in total accord with what I’ve just said, and I salute them. They are staunch friends and allies, and we will be working with them all for collective action. This will not stand. This will not stand, this aggression ageinst Kuwait.” Voor de jongeren onder mijn lezers de volgende toelichting. Bush sprak deze woorden twee dagen nadat het Irak van Saddam Hussein Koeweit was binnengevallen en had bezet. Ferguson plaatste zijn bericht naar aanleiding van de recente uitspraken van de Amerikaanse president Trump die erop neerkwamen dat Oekraïne zelf verantwoordelijk is voor de Russische inval in het land. Een uitspraak die van een vergaande vorm van ‘analfabetisme’ getuigt. Dit even terzijde, terug naar de reactie van Vance.

What is Niall’s actual plan for Ukraine? Another aid package? Is he aware of the reality on the ground, of the numerical advantage of the Russians, of the depleted stock of the Europeans or their even more depleted industrial base? Instead, he quotes from a book about George HW Bush from a different historical period and a different conflict. That’s another currency of these people: reliance on irrelevant history.” Vance heeft een punt dat een citaat uit een boek een oorlog niet beëindigd. Maar dat is dan ook zo ongeveer het enige punt dat hij heeft.

Want realiseert Vance zich dat realiteit waar Bush in 1990 mee te maken had? Is hij zich ervan bewust dat die geschiedenis in deze niet irrelevant is? Dat de situatie in beide gevallen grote overeenkomsten vertoont. In 1990 was Saddam Hussein gefrustreerd over de manier waarop de buurlanden Irak het vel over de oren trokken voor wat betreft het terugbetalen van leningen. Leningen die Irak had afgesloten om de in 1988 geëindigde oorlog tegen Iran te financieren. Die buurlanden, waaronder Koeweit, financierden Irak om ieders vijand Iran te bestrijden. Toen de oorlog voorbij was en Saddam vroeg of er wat gedaan kon worden aan die leningen, liep hij tegen een muur van onbegrip. Geen legitieme reden om een land aan te vallen maar dat is toch wat hij deed. Hij viel Koeweit binnen, een land dat hij toch al beschouwde als een provincie van Irak. In 2022 en ook al eerder was Vladimir Poetin gefrustreerd over de manier waarop hij door het Westen werd behandeld. Die hielden geen rekening met de Russische grootsheid en gunden het land geen ‘eigen achtertuin’. Geen reden om een land binnen te vallen maar toch is dat wat Poetin deed. Hij viel Oekraïne binnen, een land dat in zijn ogen alleen bestond als onderdeel van het grote en machtige Russische rijk.

Maar er is meer. Koeweit was volledig overlopen en de Iraaks numerieke overmacht was kolossaal. Zo kolossaal Koeweit na twee dagen volledig in Iraaks bezit was. Met de Arabische voorraad was het niet goed gesteld om over de Arabische industriële basis maar te zwijgen. Die bestond niet. Dat weerhield Bush er niet van om op te treden en samen met andere landen een grote troepenmacht te verzamelen die de Iraakse troepen vrij snel uit Koeweit bonjourde. Oekraïne vecht ook tegen een numeriek sterkere vijand. En ja, Europa (de Europese Unie) had weinig voorraden en een beperkte militaire industrie. Dat kun je de Unie verwijten. Feit is echter dat de Europese Unie nooit met militaire bedoelingen is opgericht. Het militaire deel vonden de Europese landen in de NAVO. Pas in 1993 werd er een begin gemaakt met gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Iets wat maar moeilijk van de grond kwam omdat ieder land toch ook eigen buitenlands en militair beleid wilde voeren. Dit terzijde.

It is lazy, ahistorical nonsense to attack as “appeasement” every acknowledgment that America’s interest must account for the realities of the conflict.” Beste meneer Vance, de realiteit van het conflict is dat Rusland in tegenstelling tot wat uw ‘capo’ Trump beweert, een soeverein land is binnengevallen. Net als Irak in 1990. In tegenstelling tot Trump, wees zijn verre voorganger Bush wel met de vinger naar de agressor en deed er vervolgens alles aan om die daad van agressie ongedaan te maken. In tegenstelling tot de verre voorganger Bush beloont uw regering agressie en trapt het de aangevallen partij verder in een hoek.

For three years, President Trump and I have made two simple arguments: first, the war wouldn’t have started if President Trump was in office; second, that neither Europe, nor the Biden administration, nor the Ukrainians had any pathway to victory. This was true three years ago, it was true two years ago, it was true last year, and it is true today.” Voor een regering die het de ‘feiten deal’ zoals Vance schrijft, een bijzondere uitspraak. Het enige feit in deze hele bewering, is dat Trump inderdaad al drie jaar roept dat de oorlog niet was uitgebroken als hij president zou zijn geweest. Dat is het enige feit in deze bewering. Dat de oorlog niet zou zijn uitgebroken is een hypothese die altijd een hypothese zal blijven omdat die situatie zich nooit meer zo voor zal doen. Bijzonder is dat hij Oekraine verwijt dat het geen ‘pathway to victory’ had en heeft. Zo’n weg had Koeweit. Wat hij doet door te zeggen dat het Oekraïne geen pad naar de overwinning had en heeft, is de schuld van de oorlog in de schoenen van de Oekraïners schuiven. Natuurlijk hadden zij geen pad naar de overwinning, ze waren niet van plan om een oorlog met Rusland te beginnen. Ze zijn erin verzeild geraakt en strijden nu om te overleven tegen een, zoals u terecht zegt vijand met numerieke voordelen.

Bovendien ligt er een enorm grote beer op de weg naar een Europese en/of Oekraïense overwinning. Die beer is het Russische nucleaire arsenaal van zo’n 6.000 kernkoppen. Die zorgen ervoor dat Poetin niet kan verliezen. Die wapens maken een succesvolle Oekraïense en Europese opmars naar Moskou onwaarschijnlijk. Oekraïne kan niet winnen.

We believe the continued conflict is bad for Russia, bad for Ukraine, and bad for Europe. But most importantly, it is bad for the United States,”aldus Vance. Een van de weinige punten in het hele betoog van Vance die kloppen. Maar is vrede toegeven aan agressie? De geschiedenis laat zien dat een agressor agressief blijft en alleen door kracht kan worden gestopt. Hem zijn zin geven, en buigen voor agressie zoals Trump doet, gaat een agressor niet stoppen. Die zal de nieuwe situatie weer ter discussie stellen wetende dat agressie loont. “(T)he United States retains substantial leverage over both parties to the conflict.” een van de andere weinige punten die kloppen. De oude Bush zette die macht in om de agressor te bestraffen. Trump zet die macht in om agressie te belonen. En dat stemt somber. Want wie stopt de Amerikaanse agressie?

Het historisch analfabetisme om deze ervaringen uit het verleden te negeren. Ja, het heden is uniek en anders dan iedere andere situatie uit het verleden. Wat de geschiedenis ons leert is dat de menselijke natuur en het menselijk handelen niet uniek is. Dat is verdomde consequent en dat is precies waar Ferguson met zijn bericht op duidt.

Slavernijrekening vereffenen

Maar wat is ‘het juiste doen’? En wanneer is de ‘rekening vereffend’? Die vragen stelde ik onder een artikel van Phaedra Haringsma bij De Correspondent. Een artikel met als titelExcuses voor het slavernijverleden? Herstel is niet alleen het juiste zeggen, maar ook het juiste doen.”  Haringsma eindigt haar artikel met de woorden: “Ruttes handgebaar – eerherstel zonder een concreet plan voor écht herstel – is alsof je als eregast wordt uitgenodigd op een feestje van iemand aan wie je een tijd geleden zo veel geld hebt geleend dat je zelf niet meer kunt rondkomen. Attent, zeker. Maar vereffen eerst maar eens de rekening – dan kunnen we daarna misschien allemaal een feestje vieren.” Op mijn vraag kwam het volgende antwoord: “Ik weet niet of de rekening ooit vereffend kan worden, en of het zinnig is dat te gaan ‘proberen’.”

Voor mij en volgens mij zijn betogen om rekeningen van het verleden te vereffenen niet behulpzaam en zelfs contraproductief. Pogingen om de ‘rekening ervan te vereffenen’ van in het verleden aangedaan onrecht, leiden meestal alleen maar tot ontevredenheid of nog erger. Dat zien we nu bijvoorbeeld in Oekraïne en Gaza. Als een rekening niet te vereffenen is, wordt dan de ene groep niet moreel gegijzeld door de andere en kun je je dan niet afvragen of er niet sprake is van een bijzondere vorm van slavernij?

Sporen nalaten is het enige wat het verleden doet. Die sporen kun je niet uitwissen of herstellen. Het oversteken van de Rubicon door Julius Ceasar was en is met geen mogelijkheid meer te herstellen. Columbus voer na zijn ‘ontdekking’ terug naar Spanje maar zijn heenreis werd daarmee niet teniet gedaan. Little Boy, de naam van de atoombom die op Hiroshima werd gegooid, kan nooit meer ont-ontploffen en terug de bommenwerper Enola Gay invliegen. Met de gevolgen ervan moeten we leven. Excuses en schadevergoedingen maken deze daden niet ongedaan. Om een zeer recent voorbeeld te geven. De ‘streep’ die verschillende ministers onder hun verleden poogden te zetten, maken de gedane uitspraken en acties niet ongedaan. De streep maakt geen einde aan de gezaaide angst, gecreëerde onrust en het ontwikkelde wantrouwen.

“Voor mij ligt deze column in het verlengde van de audioreportage die vandaag is uitgekomen: Ga mee naar de binnenlanden van Suriname, waar een koloniale tragedie nog altijd haar sporen nalaat.” Zo vervolgde Haringsma haar antwoord op mijn vragen. En daarmee kom ik bij het ‘juiste’ doen. Maar wat is het juiste? Voor het juiste zoek ik graag aansluiting bij de filosoof John Rawls. In zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid formuleert hij twee beginselen van rechtvaardigheid: “Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1] Mijn definitie van het ‘juiste’ komt overeen met het deel dat stelt dat sociaal economisch beleid zo geordend moet worden dat het meest ten goede komt aan de minst bevoordeelden. Daarbij doet het er niet toe hoe die situatie is ontstaan. Iemand in ellende in het binnenland van Suriname help je omdat het een mens is, niet om iets wat ooit een iemand zijn voorvaderen heeft aangedaan.

Bij dat juiste doen is bestuderen van het verleden van belang. Niet om ‘schuldigen’ aan te wijzen waarbij je een rekening kunt indienen. Wel omdat het verleden ons kan leren welk menselijk denken en handelen tot ongelijkwaardigheid leidt. Het kan ons helpen gedrag dat tot vormen van uitbuiting leidt te herkennen, te adresseren en er iets aan doen. Iets aan te doen voor mensen die er nu slachtoffer van zijn of dreigen te worden.

Het einde van de slavernij herdenken is goed. En na goed de komma waar voormalig premier Rutte oversprak na de komma vervolg de zin dan met: ‘om hedendaagse vormen van uitbuiting en slavernij te bestrijden. Niets meer en niets minder. Die herdenking koppelen aan ‘een echt plan voor herstel’ of ‘vereffening van een niet te vereffenen rekening’ zorgen alleen maar voor onnodige tweespalt.  


[1] John Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, pagina 321

Het eeuwige nu

Kernenergie: niet nodig , niet slim en niet te betalen, zo luidt de titel van een artikel van Jesse Frederik bij De Correspondent. In het artikel legt hij uit waarom hij vindt dat het bouwen van vier nieuwe kerncentrales geen goede keuze is. De titel van het artikel bevat heel in het kort zijn argumenten. Het gaat mij nu niet om al dan niet kerncentrales te bouwen en de argumenten van Frederik ertegen. Het gaat mij om een reactie die hij gaf op een bijdrage van een lezer die zich zorgen maakte over het kernafval omdat het zo’n 20.000 jaar duurt voordat het spul weer een beetje veilig is. Frederik: “ik maak me daar om eerlijk te zijn wat minder zorgen over. In Finland gaan ze het kernafval heel diep onder de grond stoppen in stabiele aardlagen, daar zie ik eigenlijk niet zo’n probleem mee, anders dan dat het – wederom – gruwelijk duur is.” Daar zie ik dan weer wel een probleem.

Het probleem dat ik zie heeft te maken met wat ik het eeuwige nu, noem. Wij leven nu, in het heden. Dat heden is voor ons: “belangrijker en bijzonderder dan alles wat in het verdere verleden was en ook belangrijker dan alles wat in de verre toekomst zal zijn,” zo schreef ik enkele jaren geleden in een prikker. En vervolgde met: “Een mens die leefde in 1438 vond waarschijnlijk ook dat het toenmalige heden de meest belangrijke en bijzondere periode was. Een mens die in 2238 leeft, zal dat waarschijnlijk ook vinden van de jaren dertig van de 23ste eeuw. Ook zij vinden de periode waarin zij leven de belangrijkste periode uit de geschiedenis van de mensheid. Een tijd die ze, zoals velen nu doen, omschrijven als de meest dynamische waarin de ontwikkelingen elkaar in een razend tempo opvolgen.”

Het nu bepaalt voor een belangrijk deel hoe wij naar het verleden en de toekomst kijken. Neem Rutger Bregman. Die stelde een jaar of twee geleden in een artikel in hetzelfde medium de vraag: “hoe is het mogelijk dat zo lang, zo weinig mensen in opstand kwamen tegen de slavernij?” Met onze ogen inderdaad bijzonder dat er zo weinig mensen protesteerden tegen slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel. Als je die vraag twee eeuwen geleden stelde, dan had 90% van de mensen je aangekeken alsof ze water zagen branden. Het gros van de mensen leefde toen in omstandigheden die niet zoveel van slavernij verschilde en was ongeletterd.

Frederiks uitspraak verplaatst het eeuwige nu naar de toekomst. We stoppen het kernafval onder de grond, zetten er waarschuwingsborden bij en zorgen voor goede overheidscontrole. 20.000 jaar, dat zijn 800 generaties. Dat zijn de kinderen van de kinderen van …. en dat 800 keer. Dat is heel ver weg in de tijd. Net zo ver als de tijd van de ouders van onze ouders … en dat 800 keer. Die voorouders leefden nog in de tot nu toe laatste ijstijd, het Weichselien genoemd. Die voorouders leefden als jager-verzamelaars. Aan die ijstijd kwam zo’n 12.000 jaar geleden na 115.000 jaar een einde. Na het einde van die ijstijd gingen onze voorouders langzaam over op de landbouw, de zogenaamde neolithische of eerste agrarische revolutie. De Van Dale definieert revolutie als een: “plotselinge verandering in de bestaande toestand; algehele ommekeer,” en geeft erachter als voorbeeld de industriële revolutie en de wetenschappelijke revolutie. Die laatste duurde twee eeuwen, de 17e en 18e, de eerste voltrok zich binnen een eeuw. Allebei al niet erg plotseling maar vergeleken bij de neolithische was dat toch erg ‘plotseling’ die duurde een paar duizend jaar.

Betrouwbare regeringen waar je als burger op kunt vertrouwen en die je zelf kunt kiezen, zijn van nog recentere datum. In 1922 konden in Nederland voor het eest mannen en vrouwen gaan stemmen. Als ze tenminste 25 jaar of ouder waren. En als we terugkijken dan zien we dat rijken opkomen, floreren en weer vergaan. De Romeinen deden dat in bijna duizend jaar, het Britse rijk ‘where the sun never set’ in minder dan tweehonderd jaar en is, om The Pogues en hun lied Navigator  aan te halen: “now deep in darkness but the railway is there yet.” Betrouwbare democratische gekozen regeringen zijn geen gegeven. Het zijn eerder uitzonderingen op de regel.

Hoe onze voorouders 20.000 jaar geleden over het leven dachten, daarvan weten we bijna niets. We hebben wat voorwerpen gevonden en enkele wandschilderingen en op basis daarvan en van bestudering van mensen die nog als jager-verzamelaar leven, proberen we ons een beeld te vormen van het leven toen. Zo’n 5.000 jaar geleden begonnen mensen in wat we nu Egypte noemen, piramides te bouwen. Ze staan er nog steeds maar hoe ze precies werden gebouwd, weten we niet meer. Neem  Stonehenge. Hoe het is gebouwd weten we niet en we weten zelfs niet met welk doel. Van de hiërogliefen in de piramides weten we inmiddels wat ze betekenen. Dat geldt ook voor het spijkerschrift, Orakelbotschrift en het Lineair B. Het Lineair A, het Rongorono en het Espanca is nog steeds een groot raadsel.

“Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (e)nda thu uuat unbidan uue nu,” schreef een West-Vlaamse kopiist aan het einde van de elfde eeuw. Een van de oudst gevonden teksten in het Oudnederlands: “’Alle vogels zijn nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten wij nu op?” Had u dit, zonder deze vertaling erbij, erin gelezen? Het einde van de elfde eeuw is nu bijna 1.000 jaar en dus 40 generaties geleden. Zouden onze nazaten 40 generaties verder nog kunnen lezen wat wij nu schrijven? Zouden ze onze pictogrammen zoals dat voor radioactief afval begrijpen? Of zouden zij, net zoals wij doen bij een opgraving uit de Middeleeuwen, nieuwsgierig ieder stukje materiaal voorzichtig afborstelen en in een museum leggen. Of wellicht wordt ons afval door hen verwerkt in iets. Of ze weet hebben van het gevaar dat ze lopen?

‘Maar er is toch veel meer informatie. Al die boeken en al die informatie op het internet. Daarvan zal toch wel iets blijven?’ Een goede vraag. Inderdaad zal daarvan wel iets blijven, maar weten we dan hoe we het moeten interpreteren? Een harde schijf kan veel informatie bevatten, maar je moet wel iets hebben om die informatie eraf te halen. Wellicht vinden onze verre nazaten allebei, maar weten ze dan dat het ene gebruikt moet worden om de informatie van het ander te halen? De ‘cloud’ bevat nog veel meer informatie van een harde schijf, maar juist die ‘cloud’ kun je niet vinden. Die is virtueel. Nee dan geef ik het boek nog de meeste kans om door onze nazaten begrepen te worden. Maar zelfs als onze verre nazate als door een wonder onze ‘cloud’ af weten te tappen, dan nog is de vraag wat ze met al die informatie kunnen. Wij hebben al moeite om digitale feiten van fictie te scheiden. Laat staan over duizend jaar. Over duizend jaar als kernenergie wellicht een technologie is die al achthonderd jaar niet meer wordt gebruikt. Dan is het zelfs lastig om een bouwplan van zo’n centrale te begrijpen.

Die stabiele onderaardse lagen zijn wellicht veilig. Maar of het afval er de komende 20.000 jaar veilig ligt?

Ephraims selectieve feiten

In een opiniërend artikel de Volkskrant geeft de Israelische ambassadeur Modi Ephraim een korte samenvatting van wat er in het Midden-Oosten is gebeurd. Hij doet dit omdat hij constateert dat veel van de mensen die nu protesteren, de groep die hij de volgers noemt, niet weten wat er speelt. Ephraim: “Veel leden van deze groep worden gekenmerkt door hun vrijwel totale gebrek aan rudimentaire informatie over de zaak waarvoor zij zogenaamd strijden. Of een zeer beperkte kennis, die grotendeels is ontleend aan simplistische berichten op sociale media en anti-Israëlische propaganda.” Ephraim geeft wel een heel bijzondere samenvatting in een bijzonder betoog.

Eerst even in het kort het betoog van Ephraim. Volgens Ephraim bestaat de groep die protesteert tegen Israël uit in de basis twee groepen. “De meest dominante groep in veel van de protesten zijn oproerkraaiers die een diepe vijandigheid jegens ‘zionisten’ uitstralen (hun codewoord voor Joden), en wier acties vaak bestaan uit intimidatie, bedreigingen en fysieke aanvallen, niet zelden gericht tegen Joodse studenten.” De andere groep zijn dus de hierboven geschetse groep van meelopers. De bedoeling van een samenvatting is dat er een goed beeld wordt gegeven van hetgeen dat wordt samengevat zonder te vervallen in details en uitweidingen: een “korte weergave”  aldus de omschrijving die de Van Dale bij samenvatting geeft. Ephraims samenvatting of beschrijving van de groep is wel een heel beknopt en eenzijdig . Het zijn jodenhatende oproerkraaiers en voor Ephraim lijken joden en Israël synoniem en ‘onnozelen’ die de feiten niet kennen en zich laten beïnvloeden. Dat er zeer veel mensen zijn die, in tegenstelling tot Ephraim, het onderscheid tussen joden en de staat Israël wel kunnen maken en die dus protesteren tegen het een, de acties van de staat Israël zonder joden te haten en dat dit de overgrote meerderheid is van allen die protesteren, lijkt hij niet te willen zien. Nu maken de acties van een kleine groep ‘jodenhatende oproerkraaiers’ die er ook zijn en die legitieme protesten gebruiken voor hun eigen agenda, het er ook niet gemakkelijker op. En ja, er zijn onder de demonstranten best ook ‘onnozelaars’ zijn die de feiten niet kennen.

Dan naar de samenvatting van de informatie. Ephraim: “Op 7 oktober pleegde Hamas een massale terreuraanval waarbij meer dan 1.200 Israëli’s werden vermoord op de gruwelijkst denkbare manieren. Onschuldige vrouwen en mannen werden verkracht en verminkt. En 240 mannen, vrouwen en kinderen werden naar Gaza ontvoerd. … Hamas heeft beloofd het bloedbad van 7 oktober keer op keer te herhalen, in lijn met zijn genocidale doelstellingen, namelijk gericht op het vernietigen van Israël om het te vervangen door een islamistisch kalifaat. … Hamas heeft de controle over de Gazastrook in handen sinds deze in 2007 met geweld de Palestijnse Autoriteit heeft verdreven. De aanval van 7 oktober was het begin van de huidige oorlog en sindsdien is Israël gedwongen in actie te komen om zijn burgers te verdedigen, de gijzelaars weer thuis te brengen en ervoor te zorgen dat Hamas zijn belofte om het bloedbad van 7 oktober te herhalen niet kan nakomen.”  Even voorop gesteld: alles wat Ephraim hier schrijft is feitelijk juist. Maar … Betekent dit ook dat het een goede samenvatting is van wat er aan de hand is? Het korte antwoord op deze vraag is NEE. Het lange antwoord met de uitleg waarom niet volgt hieronder

Ephraim begint op 7 oktober 2023, het moment van de verwerpelijke aanval van Hamas en ziet het als een strijd tussen Israël en Hamas. Daarom gaat hij terug naar 2007. Wat hij niet vermeld, is dat ‘7 oktober’ past in een reeks van gebeurtenissen die al meer dan honderd jaar teruggaat. Het al meer dan honderd jaar durend conflict tussen zionisten (en nee, een jood is niet gelijk aan een zionist) en Palestijnen. Een jood is iemand die de joodse religie aanhangt. Zionisme is: “het streven van een bep. Joodse groepering om een eigen staat te stichten en te behouden.” Zionisme is een nationalistische stroming die ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw. De eeuw van het nationalisme. Een stroming waar Theodor Herzl min of meer de ideologische vader is. Herzl verwoordde zijn ideeën in zijn boek Der Judenstaat uit 1896. Herzl zag ‘een eigen staat’ als enige oplossing voor de eind negentiende eeuw weer oplaaiende haat tegen joden. En waar moest die staat komen? Herzl noemde er twee: Argentinië en Palestina. Zijn betoog vond bij menig prominent Europese politicus een luisterend en gewillig oor. Een ‘oor’ dat enkele andere mogelijke locaties voor die Joodse staat voorstelden zoals Suriname. De voorkeur van het Zionistische Congres ging om religieuze redenen, uiteindelijk uit naar Palestina. Dit op aandringen van Oost- Europese joden die in die tijd het meeste te lijden hadden onder jodenhaat. Tot 1948 streefde het zionisme naar een eigen staat, na 1948 naar het behoud ervan, het behoud van de staat Israël.

Palestina dus. Vanaf begin twintigste eeuw trokken steeds meer Oost-Europese joden naar Palestina. Nu was Palestina geen leeg gebied. Het maakte al sinds het sultanaat van Selim I in het begin van de zestiende eeuw deel uit van het Ottomaanse Rijk. Een groot rijk waarin vele volkeren woonden dat op godsdienstig gebied redelijk tolerant was maar waar de islam de dominante godsdienst was. Er werd dus gesproken over een gebied waarover men niets te zeggen had en aan de inwoners waarvan men niets had gevraagd. Die inwoners waren overwegend islamiet met minderheden van verschillend christelijk pluimage en joden. Daar trokken zionisten naar toe met als doel om daar een eigen staat te stichten.

In 1917 kregen de zionisten een mooi presentje aangeboden door de Britse minister Arthur Balfour. Die schreef namens de Britse regering het volgende in een brief aan Lord Rottschild, een van de zionistische leiders: “Zijne Majesteits Regering staat positief tegenover de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het Joodse volk, en zal zich tot het uiterste inspannen om de verwezenlijking van dit doel te vergemakkelijken, met dien verstande dat niets zal worden gedaan dat afbreuk kan doen aan de burgerlijke en godsdienstige rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina, of aan de rechten en de politieke status die de Joden in enig ander land genieten.” Een brief geschreven om steun van de zionisten te krijgen in de strijd tegen het Duitse Keizerrijk en de met haar verbonden as-mogendheden. Het Ottomaanse Rijk was een van die as-mogendheden.

Na wat we nu de Eerste Wereldoorlog noemen, kregen de Britten van de opgerichte Volkenbond het mandaat over Palestina. In dat mandaatverdrag werd de brief van Balfour geïncorporeerd en kregen de Britten de opdracht om: “het land onder zodanige politieke, bestuurlijke en economische omstandigheden te brengen dat de vestiging van het joodse nationale tehuis, zoals vastgelegd in de preambule, en de ontwikkeling van zelfbesturende instellingen verzekerd zijn, en tevens de burgerlijke en religieuze rechten van alle inwoners van Palestina, ongeacht ras of godsdienst, te waarborgen.” Het verdrag bevatte geen soortgelijk artikel dat de overgrote meerderheid van de bevolking, de Palestijnen, eigen bestuur in het vooruitzicht stelde. Die 94% moesten het doen met de ‘garantie’ van artikel 6 dat stelde: “Het bestuur van Palestina zal, zonder afbreuk te doen aan de rechten en de positie van andere bevolkingsgroepen, de immigratie van joden onder passende voorwaarden vergemakkelijken en, in samenwerking met het in artikel 4 bedoelde joodse agentschap, nauwe vestiging van joden op het land aanmoedigen, met inbegrip van staatsgronden en braakliggende gronden die niet nodig zijn voor openbare doeleinden.” Met het verdrag werden de Palestijnen tweederangs burgers in hun eigen land. Een land dat het ‘joods nationale tehuis’ moest worden.

Aangemoedigd door de tekst in het mandaatverdrag vestigden steeds meer joden zich in Palestina. Die kwamen daarna in steeds grotere getalen en dat leidde tot steeds meer frictie met de er wonende bevolking. Niet vreemd want die frictie zien we ook in Europa met de komst van migranten. Zeker als die migranten jouw land zien als het hunne en dus jou als een lastige bijkomstigheid. En dat was de manier waarop de nieuwkomers, zionisten, naar de wereld keken. De migranten creëerden, gesteund door mandaathouder Groot Brittannië, een eigen parallelle samenleving. Dit leidde al snel, in 1920, tot  botsingen en de eerste doden en gewonden. De eerste echte grote clash vond plaats in 1936 toen de Palestijnen een algemene staking organiseerden in Jaffa en Nabloes. Een staking met drie eisen: stopzetting van de joodse migratie, een verbod op de verkoop van gronden aan joden en de instelling van een representatieve regering. Die staking liep uit in gewelddadigheden en een opstand toen de Britse politie het vuur opende op de protesterende Arabieren. Dit leidde tot een drie jaar durende opstand van de Palestijnen tegen het Britse bestuur. Bij het neerslaan van die opstand maakten de Britten gebruik van zionistische paramilitaire clubs als Hagana. Clubs die door de Britten werden getraind in moderne gevechtstechnieken en effectieve strafmaatregelen tegen mensen die zich verzetten.

Uiteindelijk stuurden de Britten 20.000 soldaten om een einde te maken aan de opstand. De manier waarop Israël nu in Gaza en eigenlijk al jaren tegen de Palestijnen optreedt, is een voortzetting van de manier waarop de Britten met verzet en dan vooral van Arabische kant, in Palestina omgingen: collectief straffen. Collectief straffen door het opleggen van boetes, het in bezit nemen van vee, het vernielen van huizen en soms hele dorpen en het detineren van groepen in concentratiekampen, die vervolgens de kans liepen om gemarteld en gedood te worden. Zo werden na de Arabische opstand onder andere 5.000 huizen vernietigend, 150 Arabische leiders ter dood veroordeeld en andere leiders verbannen. Resultaat van de opstand was dat de Arabieren zonder leiders zaten en door de Britten werden ontwapend. Dit terwijl de Britten  veiligheidsafspraken maakten met het joodse leiderschap, dit van wapens voorzag en een deel van de kosten ervan voor haar rekening nam. En net zoals  nu was een veelvoud van de doden en gewonden Arabier. Nog geen 1.000 doden aan Britse en joodse kant tegen ongeveer 5.000 aan Arabische kant.

Na de overwinning op nazi-Duitsland zochten veel Europese joden een veilig heenkomen. Een grote groep wilde naar de Verenigde Staten maar ook een flink deel naar die ‘eigen staat’ in Palestina. Alleen ging dat nog niet zo makkelijk want de Britten hadden na de Arabische Opstand besloten om de joodse migratie naar Palestina te beperken tot 25.000 eenmalig, 10.000 in de eerste vijf jaar na 1939 en in de vijf jaar daarna zou migratie afhankelijk worden gemaakt van toestemming van de Arabische gemeenschap. Dit zeer tegen het zere been van het joods leiderschap in Palestina. Daarom legde de diverse joodse strijdgroepen zich toe op het naar Palestina smokkelen van zoveel mogelijk joodse vluchtelingen. Een van die ‘smokkelacties’ heeft Leon Uris geromantiseerd in het boek Exodus. Dit boek is later verfilmd. Dit boek en de film hebben het beeld van Israël en ook van de Arabieren lang bepaald. De eerste ten positieve en de tweede ten negatieve. Die verboden migratie en het Britse optreden hiertegen maakte dat de zionisten zich nu ook tegen de Britten keerden: de Joodse Opstand van 1944-1947. Vooral Irgun, een van de joodse strijdgroepen onderscheidde zich met terreurdaden. Daar waar die voor de Tweede Wereldoorlog vooral gericht waren op Arabische doelen en dan vooral Arabieren in het algemeen, waren vanaf medio 1944 ook de Britten het slachtoffer en niet alleen in Palestina.

In 1947, het jaar vóór die terugtrekking, nam de opvolger van de Volkenbond en dus de mandaatgever, de Verenigde Naties, resolutie 181 aan. Een resolutie met een twee statenoplossing, een Joodse en aan Arabische,  die samen een economische unie zouden vormen. Jerusalem en omgeving zou door de VN worden bestuurd. De Arabische zijde zag niets in dit plan, zij wilden wat zij met goede argumenten als hun land zagen, niet verdelen en zeker geen genoegen nemen met 43% van het land terwijl ze twee derde van de bevolking besloegen. De andere zijde, het Joods Agentschap onder leiding van David Ben Goerion zag dit ook niet zitten en riep op 14 mei 1948 vlak voordat de Britten hun mandaat zouden beëindigen de onafhankelijke staat Israël uit en gaf de opdracht aan haar troepen om belangrijke gebieden te bezetten en indien nodig te vernietigen. Dit conform het hiervoor door de Hagana opgestelde plan Dalet. Het voormalige dorp Al-Tantoera is daarvan een schrijnend voorbeeld. Hiermee werd invulling gegeven aan het derde doel dat de Israëliërs zich hadden gesteld: zo min mogelijk Arabieren binnen de grenzen. De andere twee waren de oorlog overleven en als dat lukte zo ruim mogelijke veilige grenzen. De Arabieren in Palestina waren zonder leiderschap en bijna volledig ontwapend door de Britten, geen partij voor de Israëlische strijdkracht. Hulp moest van buiten komen.

Behalve de Arabische buren, erkende bijna alle landen Israël als onafhankelijke staat. Dit paste immers in het afgesproken verdelingsplan. Dat die staat in de erop volgende oorlog datzelfde verdelingsplan schond door zich een groter gebied toe te eigenen dan waarvan in het plan sprake was, leidde afgezien van de Arabische wereld, tot weinig protest. Voor de Arabische buurlanden was die uitroeping van de staat Israël aanleiding om in te grijpen. Zij stuurden hun legers maar dat werd geen succes omdat de invallende troepen niet samenwerkten en niet hetzelfde nastreefden. Dit conflict wordt nog steeds beschreven als David, de kleine nieuwe joodse staat Israël tegen Goliath, de gezamenlijke legers van de Arabische landen. De Palestijnse historicus Khalidi schets een ander beeld: “Ondanks het breed levend beeld van het Israëlische leger dat in het niet viel bij de zeven binnenvallende legers, weten we dat Israël in 1948 in werkelijkheid meer manschappen en meer wapens had dan zijn tegenstanders. Er waren in 1948 maar vijf reguliere Arabische militaire machten op de been, aangezien Saudi-Arabië en Jemen geen noemenswaardig leger hadden. Vier van die legers trokken het Mandaat Palestina binnen (het minuscule Libanese leger is nooit de grens over gegaan) en twee daarvan, het Arabische Legioen van Jordanië en de Irakese strijdkrachten, hadden van hun Britse bondgenoten het verbod gekregen om de grenzen van de gebieden die door de opdeling aan de joodse staat waren toegewezen, te overschrijden en voerden dan ook geen invasie in Israël uit.[1] Zo’n 700.000 Arabieren wachtten niet af en ontvluchtten de nieuwe staat Israël. Een andere ongeveer even grote groep maakte de omgekeerde tocht. Die verlieten Arabische landen omdat ze vreesden voor hun veiligheid maar ook omdat ze het beter hoopten te krijgen in de nieuwe staat Israël. Die 700.000 vluchtten naar de buurlanden en naar Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Zij zijn de ouders van de nu ronde zes miljoen Palestijnse vluchtelingen

Deze strijd tussen eerst zionisten en later de staat Israël aan de ene kant en de Palestijnen aan de andere kant is al meer dan honderd jaar aan de gang. En al vanaf het begin is er sprake van een ongelijke strijd. Sinds de verklaring van Balfour staan de Palestijnen op achterstand en worden ze gezien als tweederangs inwoners. Sinds die tijd geldt iets wat Herzl in zijn dagboek schreef: “We moeten met zachte hand het particulier eigendom op de gebieden die ons worden toegekend, onteigenen. We zullen proberen de straatarme bewoners over de grenzen te laten verdwijnen, door in overgangslanden werkgelegenheid te scheppen en hun tegelijkertijd in ons land geen werk te geven. Zowel het proces van onteigening als het verwijderen van de armen moet  discreet en onopvallend gebeuren.[2] Het enige wat sinds die tijd is veranderd, is de zachte hand en de discretie. Wat in 1948 opging, ging op in 1956, 1967, 1972, 1982, in de jaren negentig en nul tijdens de verschillende Intifada’s en gaat nu nog steeds op. Israël is dé macht in het Midden-Oosten. De macht, met nucleaire slagkracht die naar goeddunken en met steun van een supermacht, eerst de Britten en sinds 1967 steeds met goedkeuring van de Verenigde Staten, oorlogen heeft uitgevochten met, en bombardementen heeft uitgevoerd op Egypte, Libanon, Syrië, Irak en Iran. Het bestaan van Israël is nooit bedreigd. Zeker niet op 7 oktober 2023. Israël was en is de bovenliggende partij die zich bovendien door dik en dun gesteund weet door de sterkste militaire en economische macht van de wereld, de Verenigde Staten.

“De feiten doen er niet toe voor de demonstranten.” Met die woorden begint de laatste alinea van Ephraims betoog. Of dat zo is, kan ik niet beoordelen. Wat ik wel kan beoordelen is dat Ephraim er met zijn samenvatting selectief in winkelt en Israël in de slachtofferrol positioneert. Ja, het land is slachtoffer van 7 oktober 2023 dat laat onverlet dat het dader is in de nu al meer dan honderd jaar durende oorlog tegen het Palestijnse volk. Een Palestijns volk waaraan Israël zich niets gelegen liet en laat liggen.


[1] Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 105

[2] Citaat is opgenomen in Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 15.

Wakker liggen om recht op abortus

Nee, ik heb niets tegen Simon van Teutem. Dit even vooraf want ook in deze prikker staat een artikel van Van Teutem bij De Correspondent centraal. Een artikel waarin Van Teutem onderzoekt of jonge mannen conservatiever worden. In de titel van het artikel geeft hij al meteen het antwoord: Worden jonge mannen echt steeds conservatiever? Niet als je naar de cijfers kijkt. Voor het antwoord hoef je het artikel dus niet meer te lezen. Toch deed ik het en kwam er een rammelend beargumenteerd standpunt tegen. En omdat de Ballonnendoorprikker ‘beoogt kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen’, moest ik daar iets mee.

Van Teutem loopt verschillende onderwerpen na en laat op basis van de World Values Survey en de Europese variant ervan zien dat het met dat conservatisme wel mee valt. Een van die onderwerpen is abortus. “Of neem abortus, altijd een heet hangijzer in de arena van conservatieven versus progressieven. In 1981 vond slechts 36 procent abortus acceptabel. In 2008 was het nog altijd minder dan de helft, maar in 2022 is dat meer dan 71 procent. Een ware aardverschuiving.” Een positief verhaal dat Van Teutems betoog ondersteund. Tot zover niets aan de hand. Dan vervolgt hij met de volgende conclusie op basis van deze cijfers: “We hoeven dus niet wakker te liggen, bang voor Amerikaanse toestanden in Nederland.”

Wat die Amerikaanse toestanden zijn, licht hij niet toe maar het kan niets anders zijn dan het recente besluit van de Amerikaanse Supreme Court om Roe vs Wade terug te draaien en daarmee het recht op abortus. We hoeven, zo betoogt hij, in Nederland niet bang te zijn dat het recht op abortus terug wordt gedraaid omdat 71% van de bevolking het acceptabel vindt. En op die conclusie, op dat standpunt sloeg de Ballonnendoorprikker aan.

Als 70% van de mensen in een democratie iets vindt bijvoorbeeld dat abortus acceptabel is, dan is dat een meerderheid en daarmee is het pleit beslecht en is het recht op abortus niet in gevaar. Dat lijkt een een-tweetje. Maar toch. Als we naar het land van die Amerikaanse toestanden kijken dan vindt ook daar de meerderheid van de mensen dat abortus acceptabel is, zo blijkt uit een poll van Gallup. 52% ziet zich als Pro-Choice en 44% Pro-Life. Toch is het recht op abortus afgeschaft. ‘Maar dat is Amerika, daar hebben ze een heel ander politiek systeem’ kun je tegenwerpen. Dat klopt, daar hebben ze een heel ander politiek systeem.

Dan maar even naar Nederland. Het Wetboek van strafrecht  van 1881 verbood abortus maar maakte abortus op medische gronden mogelijk. Op andere gronden bleef het strafbaar. In de jaren zeventig van de vorige eeuw vonden de Dolle Mina’s dat dit moest veranderen. De vrouw moest ‘Baas in eigen buik’ zijn en dat hield ook abortus in als de vrouw dat wenste. Dit leidde er uiteindelijk toe dat de Eerste Kamer in 1981 instemde met de Wet afbreking zwangerschap. De Tweede Kamer had een jaar eerder al ingestemd met de kleinst mogelijke meerderheid. Bijzonder hierbij is dat in dat jaar 1981, aldus de cijfers die Van Teutem zelf geeft, slechts 36% abortus acceptabel vond. Een minderheid en toch werd er een wet aangenomen die abortus mogelijk maakte. Als een wet kan worden aangenomen waar een minderheid van de mensen (36%) voor is, dan is het omgekeerde ook mogelijk.

Een meerderheid voor iets  onder de bevolking is in onze democratie geen garantie dat iets wel of niet gebeurt. Wat we willen wordt niet altijd wet en wat we niet willen kan toch gebeuren. Ook in onze Nederlandse democratie. Wakker liggen om ‘Amerikaanse toestanden op dit gebied lijkt mij wat overdreven, waakzaam blijven niet.

Het paard achter de wagen

“Wanneer is er eigenlijk een moment in de vaderlandse politiek dat we eens een diepgaande analyse maken van onze staatsinrichting? Waar gaan we naar toe en is dat eigenlijk wel een bewust gekozen en gewenste route en wie heeft de route gekozen? Het volk, de democratie?” Interessante vragen die  René Dercksen stelt in een artikel bij Opiniez. Dercksen staat er wel bij stil in een wel heel bijzonder betoog. Volgens Dercksen leidt: “het succes van het kapitalisme (…) uiteindelijk, zonder ingrijpen, tot socialisme.” En daarom zo eindigt hij: Moge het beleid van Milei de basis vormen voor politici die wél een visie hebben op de inrichting van de samenleving. Eén met bewezen de meeste welvaart, het meeste welzijn en vrijheid voor een ieder. Het kapitalisme.” Dercksen stelt Milei ten voorbeeld omdat: “hij slagvaardig van start gegaan (is) met bijvoorbeeld het afschaffen van tal van regels op de woningmarkt, dat direct leidde tot meer aanbod en lagere huren (hoi Hugo). Ook schrapte hij tal van ministeries, want hoe groter de overheid, hoe minder vrijheid. Onze overheid was nog nooit zo groot en dat onder leiding van een zelfverklaard liberaal.” Volgens Dercksen is de overheid dus te groot en te bemoeizuchtig en daardoor wordt onze vrijheid beperkt.

Voor zijn ideale samenleving gaat hij terug naar de jaren vijftig: “Nadat we met een beetje Marshallhulp ons land na de Tweede Wereldoorlog weer aan de praat kregen ontstond er een economie, die nog het dichtst bij het ideaalbeeld kwam van het kapitalistische systeem.” Tenminste het kapitalistische systeem zoals het bedoeld is volgens Dercksen: “bakkers die hun brood te duur verkopen, concurrentie krijgen van een andere bakker verderop in de straat die dezelfde kwaliteit goedkoper kan produceren. Kapitalisme houdt ondernemers scherp en biedt consumenten waar voor hun geld. Bijkomend voordeel: MKB’ers zijn in de regel zuinig op hun personeel, hun kostbaarste kapitaal.” Als iemand terug wil naar het verleden word ik argwanend want meestal zag dat verleden er toch net iets anders uit dan wordt voor geschetst. Zo was de vrijheid van de helft van de bevolking, de vrouwelijke helft, in die tijd veel beperkter dan nu. Maar laat ik me beperken tot het ‘ideaalbeeld van het kapitalistisch systeem’ dat de jaren vijftig volgens Dercksen het meest benaderde. Voor wat betreft de loonvorming was er niets kapitalistisch of vrije markt. De na de Oorlog ingevoerde geleide loonpolitiek werd pas in het begin van de jaren zestig afgeschaft. Met de Hongerwinter in het achterhoofd, nam de overheid allerlei maatregelen om de landbouwproductie te verhogen, iets wat ieder land in West-Europa probeerde en dat uiteindelijk onder de noemer gemeenschappelijk landbouwbeleid een van de belangrijkste pijlers werd onder de Europese Unie. Beleid dat leidde tot boterbergen en melkplassen die vervolgens met korting hun weg vonden naar de rest van de wereld. De Noodwet van Drees van 1947 vormde de eerste van een reeks wetten die onze verzorgingsstaat vormen. Het ‘kapitalisme’ van de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kende grote overheidssturing.

Het huidige heden lijkt niet meer op de jaren vijftig. Niet op die in het hoofd van Dercksen maar ook niet op hoe het werkelijk was. Er is veel veranderd. Dercksen: “Intussen zijn echter de multinationals zo groot dat er op vele terreinen sprake is van oligopolies. Meta van Facebook koopt Whatsapp en Instagram en als je ergens wilt inloggen kan dat via Google of Apple. Dat lijkt handig, maar het laat onze slaafse afhankelijkheid van Big Tech zien. Betalen met Apple Pay? Mij niet gezien. Daarnaast hebben ze een digitale snelweg gecreëerd: apps. Wat je er ook op doet, Google of Apple verdient eraan. Zo is het kapitalisme niet bedoeld.” Nu is kapitalisme niet iets is wat iemand heeft verzonnen met een bepaalde bedoeling. Kapitalisme is een interpretatie van de samenleving bedoeld om te begrijpen wat er gebeurt. Dercksen is niet de enige die de werkelijkheid gelijkstelt aan de interpretatie. Een: “manier van spreken over onze samenleving (die het doet) voorkomen alsof onze voorouders ooit eens een soort vergadering hebben gehouden met als doel een ‘motor’ uitkiezen om in de samenleving te stoppen. Als historicus zou ik maar wat graag de notulen van die vergadering willen hebben. Welke ontwerpeisen stelden ze aan de ‘motor’? Maar vooral welk doel hadden ze voor ogen? Helaas zullen die notulen nooit boven tafel komen omdat ze er niet zijn,” zoals ik in de recente prikker Systeem schreef. Dat laat echter onverlet dat je je terecht kunt afvragen of ‘multinationals die zo groot zijn dat er sprake lijkt van oligopolies’ een gewenste ontwikkeling zijn.

Echt bijzonder wordt het als Dercksen gaat verklaren hoe het zo is gekomen. Daarvoor gaat hij te raden bij politiek wetenschapper Joseph Schumpeter (1983-1950). Schumpeter is de man die de door Werner Sombart gemunte term creatieve destructie de nu bekende betekenis gaf: ‘een proces van voortdurende innovatie waarbij succesvolle technieken oude vernietigen’. Schumpeter was het met Marx eens dat het kapitalisme uiteindelijk zou worden vervangen door het socialisme. Dit zou via de tussenstap van het corporatisme gebeuren. En volgens Dercksen is dat nu aan het gebeuren: “Schumpeter stelde dat het kapitalisme via corporatisme zou transformeren naar een meer totalitair socialistisch model. Dat is exact wat we thans voor onze ogen zien gebeuren. Plat gezegd: het succes van het kapitalisme leidt uiteindelijk, zonder ingrijpen, tot socialisme. Waar wetgeving niet (alleen) meer gemaakt wordt in het parlement, maar waar multinationals via supranationale instituten als het WEF, WHO, VN en EU, steeds meer invloed en macht concentreren, aan wetten meeschrijven of intussen zelfs wetten voorschrijven. Waar boeren vervangen worden door WEF-food hubs, waar in fabrieken van Bil Gates krekels worden verwerkt tot voedsel.”

Een bijzonder betoog. Als eerste omdat de periode die volgens Dercksen het meest op het kapitalisme leek, in Nederland de meest corporatistische was. Zo werd in 1950 de Wet op de publieke bedrijfsorganisaties aangenomen. Een wet die vooral door de Katholieke Volkspartij werd gepromoot. Een wet die het mogelijk maakte om product- en bedrijfschappen op te richten. Een productschap was een belangenorganisatie van bedrijven die eenzelfde grondstof in opeenvolgende stadia bewerken. Een bedrijfschap is een organisatie van bedrijven die in eenzelfde branche werken. De branches zelf konden zo’n schap oprichten en de Sociaal Economische Raad zag erop toe dat zo’n schap voldoende draagvlak had en representatief was. Zo’n schap kon heffingen opleggen en regels stellen die bindend waren voor alle bedrijven in hun sector. Vooral in de agrarische sector speelde deze publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties een belangrijke rol.

Vooral bijzonder omdat Dercksen de huidige wereldordening socialistisch noemt, totalitair socialistisch om precies te zijn. Een “politieke ideologie, oorspronkelijk gericht op afschaffing van privékapitaalbezit en collectief bezit van de productiemiddelen, later vooral gericht op sociale rechtvaardigheid en op een sterke rol van de overheid om die te bewerkstelligen,” aldus de omschrijving die de Van Dale van socialisme geeft. Dat is toch iets heel anders dan een samenleving waar multinationals meeschrijven aan wetten en supranationale instituten steeds meer invloed en macht hebben. Dercksens omschrijving komt wel in de buurt van totalitarisme, een samenleving: “waarin alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de alles controlerende staat, die meestal als dictatuur is ingericht,” aldus weer de Van Dale. Maar dan wel een bijzondere soort van totalitarisme omdat het niet de ‘alles controlerende staat’ waaraan is alles ondergeschikt wordt gemaakt, maar aan die multinationals. Een beeld dat bevestigd lijkt te worden door de reacties van Europese politici op de recente boerenprotesten. Een reactie die vooral oog lijkt te hebben voor de belangen van het agro-industrieel complex en niet die van de burger noch van de boer.

En daarmee komen we bij de door Dercksen bewierookte ministeries en regels afschaffende Milei die de overheid kleiner maakt omdat een grote overheid minder vrijheid voor burgers betekent. Tenminste in het hoofd van Dercksen. Dercksen ziet meer in een wereld zoals Ayn Rand die voorspiegeld. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  Dit objectivisme is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die door succesvolle zakenlui geschapen ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Dat is de wereld die Dercksen voor zich ziet en daarom moet de overheid kleiner. Wat die wereld voor de minder succesvolle mensen zou betekenen, wat die voor hun vrijheid zou betekenen, blijft ongeschreven. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Wat we wel weten, is dat zo’n vrije wereld met kleine overheden die alles aan de markt overlaten, leidt tot: “multinationals zo groot dat er op vele terreinen sprake is van oligopolies.” En dat als je dat tegen wilt gaan je juist een sterke overheid nodig hebt. De ‘vrijheid’ die Dercksen wil, leidde er aan het eind van de negentiende eeuw toe dat er in de Verenigde Staten monopolies ontstonden zoals Standard Oil en General Electric. Een ontwikkeling die gekeerd kon worden door wetgeving de Sherman Antitrust Act van 1890. Een wet bedoeld om het publiek te beschermen tegen het falen van de markt. De wet richt zich niet tegen gedrag dat competitief is, zelfs niet in ernstige mate, maar tegen gedrag dat er op oneerlijke wijze toe neigt de concurrentie zelf te vernietigen. Dit soort wetgeving is nodig om iets te doen tegen: “onze slaafse afhankelijkheid van Big Tech.” Dergelijke wetgeving en een overheid die zichzelf verantwoordelijk maakt voor de basisinfrastructuur ook op digitaal gebied.

Als de geschiedenis ons iets leert, dan is het dat een sterke inclusieve centrale overheid onmisbaar is voor een sterke competitieve en innoverende samenleving. “We zullen zien dat Groot-Brittannië rijker is dan Egypte omdat Groot-Brittannië (of Engeland om precies te zijn) in 1688 een revolutie doormaakte die de politiek en daarmee de economie van het land veranderde. Mensen vochten voor en wonnen meer politieke rechten en ze gebruikten die om hun economische mogelijkheden uit te breiden,[1] schrijven Daron Acemoglu en James A. Robbinson in de inleiding van hun boek Why Nations Fail. The origins of Power, Prosperity and Poverty. Ze tonen aan dat zonder die sterke inclusieve overheid een sterke inclusieve en innovatieve economie niet mogelijk is. Niet mogelijk omdat die overheid ervoor zorgt dat rechten gewaarborgd zijn en dat revenuen van innovaties ten goede komen aan de innovator. Maar ook dat iedereen die innovator kan zijn. Ontbreekt die sterke inclusieve overheid dan ontstaat er een extractieve samenleving. Een samenleving waar de rijken en machtigen hun macht en rijkdom beschermen door zich zoveel mogelijk toe te eigenen onder andere door anderen te belemmeren om de vruchten van hun werk te oogsten.

Als Dercksen een punt heeft met: “onze slaafse afhankelijkheid van Big Tech,” en als “multinationals (werkelijk) zo groot dat er op vele terreinen sprake is van oligopolies,” en dat punt heeft hij, dan spant hij met Milei het paard achter de wagen.


[1] Daron Acemoglu en James A. Robbinson, Why Nations Fail. The origins of Power, Prosperity and Poverty,  pagina 4 (eigen vertaling)

 ‘Gekke minse’

“Ze zegge det de helluf van de wereld van ôs is. Ik weit ’t neet percies maar as det klop is ’t neet mis. Dan staeke we 50 cent van iddere gölde in de tes. En nog ein kwartje van de res.” Het openingsrefrein van het feestnummer Gekke minse van de Venlose band Neet oet Lottum . In de rest van Nederland is de band vooral bekend door het nummer Hald mich ens vas. Die ‘ôs’, ‘ons’ in het Nederlands, zijn gekke mensen. De tekstschrijver Frans Pollux zou wel eens gelijk kunnen hebben. Dat is wat ik dacht na het lezen van het boek The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous  van Joseph Henrich. Het laatste boek dat ik in 2023 las, maar wel het boek dat de meeste indruk op me heeft gemaakt. Weird: “raar, gek, eng,” volgens de Vandale. Henrich geeft er een heel andere betekenis aan. WEIRD is voor hem een acroniem van Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic.[1]  Wij, wat we nu de westerse wereld noemen, zijn WEIRD en wijken af van de rest van de wereld en van samenlevingen uit het verleden.

Voor een beschrijving van het niet WEIRDe deel van de huidige en vroegere wereld even terug in  de tijd. Een van de mooiste scenes in de film Gladiator is in mijn ogen als de gladiator Juba, gespeeld door Djimon Gaston Hounsou, de poppetjes die de voorouders en kinderen van Maximus, de oud-generaal en nu gladiator gespeeld door Russell Crowe, in het zand begraaft. Juba spreekt dan de woorden: “I will see you again… but not yet. Not yet.” Die scene herbergt twee manieren om naar het leven op aarde te kijken.

I will see you again,” duidt op het geloof dat er na het leven op Aarde nog iets is.  Een leven na de dood. Dit denken is al oud en heeft vooral als doel om je tijdens het leven op Aarde te disciplineren. Dat disciplineren tijdens het leven kan alleen als het niet zeker bent van dat leven na de dood. Of, en dat is de variant die het meeste voorkomt, dat plek is voor degenen die goed hebben geleefd en zich dus aan de morele regels hebben gehouden en een plek voor hen die dat niet hebben gedaan. Voor christenen de hemel of de hel en voor het katholieke deel van hen zat daartussen nog het vagevuur. Daar kwam je terecht als je niet goed genoeg had geleefd maar ook niet slecht genoeg. Daar doolde je rond totdat je voldoende was gestraft voor je zonden. In de Griekse mythologie, die ook aan de basis van het Romeinse lag waarin Maximus geloofde, was Elysium het gedeelte van de Hades, de onderwereld, waar de goeden naar toegingen en Tartaros was het deel waar je naartoe ging als je uitzonderlijk slecht had geleefd. Zat je ertussen dan ging je naar Asphodel een min of meer ‘kraak nog smaak’ gebied waar je dan bleef ronddolen.

De begraven poppetjes duiden op een andere manier van naar het leven kijken. Dat is denken dat je als mens deel uitmaakt van een groter geheel en wel op twee manieren. De eerste is de doorlopende keten van verre voorouders, via je grootouder, ouders en jezelf door naar je kinderen, kleinkinderen en verder tot je verre nakomelingen. Daar staan de poppetjes voor. Je staat in een familie en tribale lijn waarin je je plek hebt.  Je staat onder je ouders en grootouders maar ook ooms, tantes en oudooms en oudtantes, daar heb je naar te luisteren, daar heb je respect voor en wat zij zeggen stel je niet ter discussie. De tweede manier van ‘je plek hebben’ hangt af die je familie inneemt in de tribale structuur. Behoor je tot de familielijn van de stamleider of priester, dan sta je in hoger aanzien en wordt er eerder naar je geluisterd dan naar een familie van een eenvoudige landbouwer. De plek van je familie is ook jouw plek en toekomst. Is je vader boer, dan word jij ook boer. Is je vader krijger, dan word jij het ook. Je hoeft niet na te denken en leert alles van je ouders. Pas als die dood zijn en jij aan de top van de familielijn staat (en niet een van je broers) dan kun je wat richting bepalen en proberen iets te veranderen. Alleen is dat laatste lastig omdat veranderen betekent afwijken van het oude en de tradities en die zijn heilig. De stam en familie bepalen alles.

Stam en familie stonden centraal. Henrich omschrijft deze samenleving als volgt. “Mensen leefden in een netwerk van verwantenorganisaties binnen stamgroepen of netwerken. Uitgebreide familiehuizen maakten deel uit van grote verwantschapsgroepen (clans, stamhuizen etc.) Erfenis en verblijf na het huwelijk waren patrilineaire; mensen leefden vaak in uitgebreide patrilineaire huizen en vrouwen gingen bij de verwanten van hun man wonen. Veel verwantschapseenheden bezaten of controleerden gezamenlijk grondgebied. Zelfs als er sprake was van individueel eigendom, behielden verwanten vaak het erfrecht, zodat land niet verkocht of anderszins overgedragen kon worden zonder toestemming van verwanten. Grotere verwantschapsorganisaties bepaalden zowel de wettelijke als de sociale identiteit van individuen. Geschillen binnen verwantengroepen werden volgens gewoonte intern beslecht. Gezamenlijke verantwoordelijkheid betekende dat intentionaliteit maar een kleine rol speelde bij het toekennen van straf of het opleggen van boetes voor geschillen tussen verwanten. Verwantschapsorgnisaties boden leden bescherming, verzekering en zekerheid. Deze organisaties zorgden voor zieke, gewonde en arme leden, en voor ouderen. Gearrangeerde huwelijken met familieleden waren gewoonte, net als huwelijkse betalingen zoals bruidsschat of bruidsprijs (…) Polygone huwelijken waren gebruikelijk voor mannen met een hoge status. In veel gemeenschappen konden mannen slechts met één “primaire” vrouw trouwen, meestal iemand van ongeveer gelijke sociale status, maar ze konden dan secundaire vrouwen toevoegen, meestal van een lagere sociale status.[2]” 

Menigeen zal nu denken: zie je wel het patriarchaat. Door mannen verzonnen om vrouwen eronder te houden. En inderdaad is dit het patriarchaat ten top. Alleen behoorde een flink deel van de mannen tot de grote verliezers. Dat bepalen met wie er getrouwd kon worden, betekende voor een flink deel van de mannen dat er niet getrouwd werd omdat er niemand was om mee te trouwen. Voor vrouwen betekende het dat ze derde, vierde of tiende vrouw van een man konden worden. Voor laag geplaatste families was het weggeven van een dochter als zoveelste vrouw een manier om zich omhoog te werken in de hiërarchie. Voor de top waren huwelijken een manier om macht, aanzien en vooral bezit in de familie te houden. En nee, dit systeem is niet bedacht door mannen. Het is een moderne voortzetting van op overleving en dan vooral de doorgifte van dna gebaseerde strategie van het leven. Een strategie die de mannelijke leden van een diersoort ertoe aanzet om zoveel mogelijk vrouwen te verzamelen want dat maakt de kans het grootst om nakomelingen te krijgen. Ook voor vrouwelijke leden van de soort was het aantrekkelijk om zich rond een sterke man te voegen. Dat vergrootte voor de vrouw de kans om nakomelingen groot te krijgen.

Onze huidige westerse samenleving ziet er heel anders uit. Wij zijn individualistisch en gericht op zelfverbetering en zelfwaardering. Privé- bezit is alles bepalend. Wat onze ouders doen is niet bepalend voor wat wij gaan doen. We kunnen onze ambities najagen en doen dat ook. Dat wat we willen zijn en najagen wordt vervolgens de kern van onze identiteit en omdat je er positief op wilt staan wordt er hard gewerkt. Dat wakkert innovatie aan. We zoeken mensen op waarvan we denken dat ze ons verder brengen. We vinden rechtvaardigheid belangrijk en daarbij is de vraag naar de intentie van iemands handelen van belang. Wij praten over schuld en niet over schaamte. Je schaamt je  als je iets doet wat de groep waartoe je behoort in diskrediet brengt. Dat is waarschijnlijk ook waarom de discussie over excuses voor slavernij vooral in westerse samenlevingen wordt gevoerd. We denken analytisch en niet holistisch .Traditie en ouderdom zijn voor ons geen redenen om iets te doen of iets van iemand aan te nemen. Regels en wetten bepalen ons handelen en die worden zo objectief mogelijk toegepast en gehandhaafd. Om slechts enkele van de afwijkende kenmerken van de WEIRD samenleving te noemen[3].

Die WEIRD-heid ligt aan de basis van het succes van de Westerse samenleving, zo betoogt Henrich. Aan die WEIRD-heid hebben we het economisch succes en onze democratie te danken. Het gebrek aan die “WEIRD-heid is ook een van de oorzaken waarom economische succes op andere plekken ontbreekt. Het is ook een van de oorzaken waarom de democratie op veel plekken niet echt aanslaat. Henrich geeft Afghanistan als voorbeeld en citeert uit een ander boek een gesprek met een kiezer. Die kiezer geeft aan te hebben gestemd op de kandidaat van keuze: “Besluiten voor  hem? Meneer! Wat bedoelt u? Zijn familie woont hier al sinds de dagen van Dost Mohammed Khan en langer … Wist u dat mijn zusters man een neef heeft die getrouwd is met Sayyaf’s schoonzus. Hij is een van de onzen.[4]  Democratie in een tribale samenleving is de macht geven aan de grootste stam. Om die te bepalen is het niet nodig om verkiezingen te houden. Maar door die wel te houden krijgt de machtigste stam de staatsmacht en daarmee ook de macht over andere stammen. Ze zal die macht vervolgens gebruiken om zich die staat toe te eigenen.

 De oorzaak van onze ‘gekheid’ ligt, zo betoogt Henrich in de christelijke stroming die in West-Europa uiteindelijk dominant werd. En daarvoor moeten we een heel eind terug in de tijd. Dat die stroming waaruit de huidige katholieke kerk en de vele protestantse stroming uit zijn voortgekomen dominant werd, stond tevoren niet vast want : “Aan het begin van het eerste millennium van de jaartelling was het Romeinse Rijk een borrelende ketel van religieuze concurrentie van de oude Romeinse staatsgodsdienst, het jodendom, het Zoroastrisme, het Mithraïsme, een potpourri van christelijke geloven en een veelheid aan lokale religies omvatte.[5]  Die WEIRD-heid werd, zo betoogt Henrich veroorzaakt door de regels rond het huwelijks- en familierecht van de winnende stroming. Hij noemt dit het Huwelijks- en Gezins Programma van de kerk.

Hoe zag dit Programma eruit? Het: “verbood huwelijken met bloedverwanten. Deze verboden werden geleidelijk uitgebreid naar verre verwanten, tot neven en nichten.” Het: “verbood het huwelijk met aangetrouwde verwanten (…) Als je echtgenoot stierf, kon je niet met zijn broer, je zwager, trouwen. In de ogen van de kerk werd de broer van je man je echte broer (incest).”Hetverbood: “huwelijken met niet-christenen tenzij ze bekeerd waren.” Het: “creëerde geestelijke verwantschap, via de instelling van peetouders.” Het: “de adoptie van kinderen ontmoedigd . Moeders moesten voor hun eigen kinderen zorgen: als ze dat niet konden, zouden de kerk of peetouders voor hen zorgen.” Volgens het Programma was: “publieke instemming met het huwelijk door beide partners nodig.” Het: “moedigde nieuw getrouwden aan een eigen huishouden te beginnen.” Het programma: “moedigde het privé bezit van eigendom (land) en erfenis door een persoonlijk testament aan.[6]  Deze maatregelen werden niet allemaal ineens ingevoerd en het mag dan met de ogen van nu niet erg spectaculair lijken. Toch maakte dit, zo betoogt Henrich, geleidelijk een einde aan de oude stam en familiebanden en stond daarmee  aan de basis van die WEIRDe samenleving.

De reden waarom de kerk voor deze lijn koos is waarschijnlijk niet omdat ze de individuele vrijheid van de mens zo belangrijk vond. De belangrijkste ‘nevenschade’ van deze keuze is dat mensen steeds meer zelf gingen nadenken. Hiermee zetten de kerk uiteindelijk de bijl aan de wortel van haar eigen bestaan want mensen gingen ook nadenken over hun geloof, hun relatie met god en de rol van de kerk. Was er wel een kerk en priester nodig voor die relatie met god? Nee, dachten zelfs priesters als Luther en timmerde zijn 95 stellingen op de deur van de Wittenbergse kerk en hij waas niet de enige noch de eerste. De volgende interessante vraag die werd gesteld was of god wel nodig was en bestond? Nietsche beantwoordde die vraag uiteindelijk door god dood te verklaren.

Had de kerk dit in het eerste deel van het eerste millennium geweten, dan had ze wellicht een andere route gekozen. Maar zoals wel vaker hebben acties die op positief lijken onvoorziene negatieve gevolgen. Het positieve dat de kerk zag, was dat deze keuze leidde tot een toename van middelen (grond en geld) en dus macht voor de kerk. Een van de bijzonderheden van het christelijk geloof in die tijd was, en daarmee komen we bij de weg naar de hemel, dat je die weg kon kopen. Kopen door al je bezittingen aan ‘de armen’ te geven. En de kerk was de vertegenwoordiger van ‘de armen’. Alleen is het lastig om iets te geven als het eigendom is van je gehele familie. Een individuele lijn sterft nogal eens uit, de kans dat dit met zo’n familielijn gebeurt is veel kleiner en wordt zelfs nihil als je, zoals bij de Romeinen gewoon, makkelijk een kind als je eigen kon adopteren. De maatregelen van het Huwelijks- en Gezins Programma waren erop gericht om meer middelen en macht te verwerven door juist de basis onder de tribale en familiestructuur te breken. En succesvol was het:  “Tegen 900CE bezat de kerk ongeveer een derde van het cultuurland in West-Europa, inclusief Duitsland (35 procent) en Frankrijk (44 procent). Tijdens de portestantse reformatie in de 16e eeuw bezat de kerk de helft van Duitsland en tussen een kwart en een derde van Engeland.[7]

Tot zover Henrichs betoog. Rest de vraag: hoe sterk is zijn betoog? Henrich onderbouwt het betoog met cijfers, statistieken sociale onderzoeken van vroeger en nu. Onderzoeken in westerse samenlevingen maar ook onder nu nog tribale samenlevingen en zelfs onder jager- verzamelaars. Onderzoeken die laten zien waarom ‘wij’ WEIRD zijn en welke ‘proto WEIRDheid’ onze voorvaderen vertoonden. Onderzoeken die laten zien dat WEIRD mensen vaker de beloning kunnen uitstellen door bijvoorbeeld te kiezen voor € 140 over een jaar in plaats van € 100 nu. Maar ook onderzoek naar de loopsnelheid van mensen. WEIRD loopt sneller. Tijd is immers geld. Voor de liefhebbers, een Amsterdammer (hoog op de WEIRD schaal) loop gemiddeld 3,5 mijl per uur. Een inwoner uit Rio de Janeiro een mijl minder per uur[8]. Die cijfers laten correlatie zien, geen causaal verband. Ze verklaren niet eenduidig dat het Huwelijks- en Gezins Programma dat de kerk in de eerste eeuwen van het eerste millennium inzette de oorzaak is van ‘onze’ WEIRD-heid. De veelheid aan cijfers maar vooral de vergelijking met samenlevingen die niet bloot zijn gesteld aan dat Plan, maken zijn betoog sterk. En zelfs als vervolgonderzoek op een andere oorzaak dan het Programma wijst, dan nog is het een verhelderend boek. Verhelderend omdat het laat zien dat niet alle mensen ‘WEIRDos’ zijn zoals ‘wij’ en dus op een andere manier naar het leven kijken.

Om het einde van Gekke Minse van Neet oet Lottum  aan te halen: “Want weej zien gek, want weej zien gek, hartstikke gek. Gek, gek, gek, gek gek, gek.”  En daarmee sluit ik 2023 af. Ik wens jullie een fijne jaarwisseling en alle goeds.


[1] Joseph Henrich, The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous, pagina xiii

[2] Idem, pagina 162-163

[3] Idem pagina 56: op deze pagina geeft Henrich een opsomming van de kerneigenschappen van de psychologie van WEIRD.

[4] Idem, pagina 409. Eigen vertaling

[5] Idem pagina 471. Eigen vertaling

[6] Idem, pagina 165-166. Eigen vertaling

[7] Idem, pagina 185. Eigen vertaling.

[8] Idem, pagina 362

Sorry, …?

‘Zo komen we nooit verder.’ Dat dacht ik na het lezen van een interview met psychiater Glen Helberg in Trouw. “Met die excuses erkent Nederland het leed. Maar ik heb nog niet gehoord dat de excuses aangenomen zijn. Daar zijn we nog niet aan toe. Ik zeker niet.” Zo beantwoordt Helberg de vraag of na de excuses van de koning voor het slavernijverleden de heling is begonnen.

 Ja, wie moet die excuses ‘aannemen’? En wanneer kan die heling dan beginnen? Kan dat pas als de laatste betrokken persoon ze heeft aangenomen of kan er ook al eerder mee worden begonnen? Als we moeten wachten op de laatste betrokken persoon moeten wachten, dan komt er nooit een einde aan. Iedere dag worden er immers nieuwe ‘laatst betrokkenen’ geboren. Op deze manier wordt het een ‘neverending story’ of om er een andere metafoor tegenaan te gooien, een perpetuum mobile. Op deze manier blijven we in het verleden steken. Blijven we steken in een omgekeerd soort Stockholmsyndroom, het psychologisch verschijnsel dat soms optreedt tijdens een gijzeling. waarbij de gegijzelde, de machteloze sympathie voor de gijzelnemer, de machthebber. Omgekeerd omdat in de machthebber er nu alles aan lijkt te doen om de sympathie en goedkeuring van de machteloze te krijgen. Op die manier komen we nooit  toe aan het vervolg van de zin achter die spreekwoordelijke komma van premier Rutte.

Mochten we dan uiteindelijk uit die klem komen dan is er weer een ander iets uit het verleden dat vraagt om eerst bezinning, dan erkenning, dan excuses en als die er zijn dan moet die historische schade worden vergoed. Want volgens Helberg zijn: “excuses van de regering een wassen neus. “In de VN heeft de Derde Wereld gevraagd de schade die het Westen heeft aangericht, te vergoeden. Dat gaat om tientallen miljarden. De westerse landen, ook Nederland, hebben die resolutie verworpen, twee maanden voor de excuses werden uitgesproken. Nederland had hier een gidsland kunnen zijn, maar Rutte zegt: hier heb je 200 miljoen, doe het daar maar mee. Hij heeft een gebrek aan moreel besef.”

Als historicus juich ik aandacht voor het verleden toe. Historici die op basis van nieuwe bronnen een ander perspectief openen op het verleden, ik verwelkom ze met open armen en kritische blik. Ik vraag me af of de manier waarop er nu met slavernij en kolonialisme uit het verleden wordt omgegaan, constructief is? Of die manier ons verder helpt? Wat er ook aan ‘herstel’ wordt gedaan, het verleden verandert er niet door. De verre voorouder die als slaaf werkte op een plantage, verkrijgt er niet ineens de vrijheid door en de kapitein van een achttiende-eeuws slavenschip ziet er niet ineens het licht door. Wat ‘we’ nu ook doen, onze (verre) voorouders hebben er niets aan: ‘What’s done is done.’

Wie wel ‘iets’ met onze acties moeten, zijn onze kinderen en kleinkinderen. Zij moeten leven met de gevolgen van keuzes die wij nu maken. Net zoals wij moeten leven met de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt. Zij zullen onze keuzes bestuderen en wegen. Sommige zullen zij als ‘verwerpelijk’ bestempelen en anderen toejuichen. Zij zullen ons beoordelen op ons handelen en de motivering ervan. Zij zullen kijken naar onze omgang met vluchtelingen, hoe we om zijn gegaan met de klimaatverandering en wellicht met zaken waarvan wij nu niet weten dat zij die dan belangrijk vinden. Hoe ze over ons zullen denken weten we nu niet. Ook niet hoe ze over ons zullen oordelen.

Ik hoop dat ze ons niet beoordelen door ons langs de maatstaven van ‘hun gelijk’ te leggen en zich klem zetten in zo’n ‘omgekeerd Stockholmsyndroom’ zoals nu rond slavernij gebeurt. Ik hoop dat ze zien dat wij worstelen met onderwerpen als migratie, klimaat maar ook nog steeds met arbeid. Ik hoop dat ze een productievere manier van omgang met het verleden zoeken dan pogingen om het verleden in het heden recht te zetten. Ik hoop dat ze op de lijn van Nelson Mandela zitten in zijn toespraak ter gelegenheid van de viering van 10 jaar democratie in Zuid-Afrika in 2004:  “Let us never be unmindful of the terrible past from which we come – using that memory not as a means to keep us shackled to the past in a negative manner, but rather as a joyous reminder of how far we have come and how much we have achieved.”

 Want ja, we kunnen schande spreken over het slavernijverleden van de wereld. We kunnen ons echter ook realiseren dat onze voorouders het besluit hebben genomen om slavernij af te schaffen. En ja, dat had veel eerder kunnen gebeuren. Daarbij is het goed om je te realiseren dat het ook niet had kunnen gebeuren.  Dan kan de VN wel vragen aan het westen om de schade die het heeft aangericht te vergoeden. Het was wel juist het westen dat het voortouw nam in de afschaffing van de slavernij. Het was niet in het Afrikaanse Ashanti rijk, het Chinese keizerrijk of het Arabische sultanaat Oman dat de barbaarsheid van het instituut slavernij ter discussie werd gesteld.

Wat als … ?

Wat als ik een andere studie had gekozen? Wat als ik … ? Iedereen zal zich wel eens zo’n vraag stellen en zich dan een beeld proberen te vormen van hoe het leven er dan uit zou hebben gezien. Vaak stel je je die vragen als er iets tegenzit. Dan had je wellicht iets anders gedaan waar je wel blij mee zou zijn. Wat je er dan vaak bij ‘vergeet’ te bedenken, is dat alles waar je wel tevreden over bent er wellicht ook niet was geweest. Dan had je die prachtige baan, maar wellicht al twee scheidingen achter de rug en hikte je tegen een derde aan. Wat als … ? Ik moest eraan denken bij het lezen van een  ingezonden brief van Bart Immerzeel in de Volkskrant waarin hij pleit voor een kernwapenvrije wereld.

De bom op Hiroshima: Bron: WikimediaCommons

Immerzool reageerde op een ingezonden brief van Chris Holman die stelde dat: “Als dit land (Oekraïne) zijn kernwapens in 1994 niet had teruggegeven aan Rusland, onder druk van Amerikaanse ‘veiligheidsgaranties’, zou deze verschrikkelijke oorlog waarschijnlijk niet hebben plaatsgevonden.” Immerzool reageerde hier op met: “Ongetwijfeld waar, maar als Rusland geen kernwapens had gehad, zou het net zo goed nooit hebben durven invallen. Met conventionele wapens alleen maakt Rusland geen schijn van kans tegen het Westen (waar Oekraïne zich in toenemende mate toe rekent). Dus van een wereldoorlog zoals in de jaren veertig zou geen sprake zijn. Waarschijnlijker is dat de VS Poetin al jaren daarvoor met een gewelddadige coup gewipt zouden hebben om een VS-­vriendelijke regering te installeren.” Wat als kernwapens niet waren uitgevonden?

Wat beiden hierbij doen, is uitgaan van de huidige omstandigheden. Om je een wereld zonder kernwapens voor te stellen, moet je echter terug naar het moment dat deze wapens op het toneel verschenen. We moeten dan terug naar de wereld van vóór 6 augustus 1945. Want op die dag werd voor het eerst een kernwapen ingezet. En beter nog, naar de wereld van vóór 19 juli 1945 want op die dag werd de eerste kernbom in de woestijn van Nevada tot ontploffing gebracht.

Laten we eens kijken hoe de wereld er toen bij lag. Europa lag grotendeels in puin na vijf jaar verwoestende oorlog. Nazi- Duitsland was verslagen nadat het Sovjet leger na een verwoestende en veel levens kostende slag de Duitse hoofdstad Berlijn hadden ingenomen. Nu het Duitse gevaar was geweken, richtte de aandacht van de Sovjets zich op Japan. De Sovjets waren begonnen met de verplaatsing van anderhalf miljoen soldaten naar het oosten. Hiermee kwamen de Sovjets de in november 1943 in Teheran gemaakte afspraak na dat ze de wapens tegen Japan op zouden pakken binnen drie maanden nadat Duitsland zou zijn verslagen. De plannen voorzagen erin dat de Sovjets de Japanners uit Mantsjoerije en het Koreaanse schiereiland zouden verdrijven en vervolgens de oorlog naar Japans grondgebied zouden verplaatsten: eerst de Koerilen en daarna Hokkaido, het in grootte tweede eiland van Japan.

De Amerikanen hadden net de slag om Okinawa achter de rug (1 april – 22 juni 1945). Een slag waarmee ze voet zetten op Japanse bodem en het eiland veroverden. Dat ging niet vanzelf. Aan geallieerde kant sneuvelden zo’n 12.500 soldaten, raakten er meer dan 36.000 gewond en verloor men veel materiaal. Aan Japanse kant waren de verliezen nog veel groter. Er sneuvelden zo’n 110.000 soldaten en dat waren er ongeveer evenveel als waarmee ze de slag begonnen. Daarnaast vielen er zeer veel burgerslachtoffers, afhankelijk van de bron tussen de 40.000 en 150.000. De Japanners vochten zich werkelijk dood en dan was Okinawa nog maar een klein eilandje. Hoe zou dat gaan als de oorlog de grote Japanse eilanden zou bereiken?

Dat is de wereld waarnaar we terug moeten gaan voor het speculeren over de vraag wat als er geen kernbommen waren uitgevonden? Ze ‘de wereld uit doen’ zoals Wil Verheggen in een artikel in dezelfde krant doet dat de aanleiding was voor Holmans brief, gaat niet. Met het vernietigen van alle huidige kernwapens, blijft de kennis om ze te maken er en dus de dreiging dat ze in ‘geval van nood’ gemaakt worden er. Die kennis ‘ont-uitvinden’ gaat niet.

Als we naar dat moment teruggaan, dan is het meest waarschijnlijke scenario dat de Sovjets Japan vanuit het noorden zouden innemen. Dat is waar ze op 9 augustus 1945 aan begonnen en die opmars werd beëindigd na de capitulatie van Japan. De Sovjets waren inmiddels de toen Japanse Koerilen-eilanden binnengevallen. De Amerikanen en hun westerse bondgenoten zouden hun allang ingezette aanval vanuit het zuiden voortzetten. Uiteindelijk zou Japan worden verslagen. Maar hoelang ‘uiteindelijk’ zou duren? Geen  idee.

Voor wat er daarna met Japan zou zijn gebeurd, hoef je geen helderziende te zijn. Het zou in bezettingszones worden verdeeld onder de geallieerden. De Russen in het noorden, de Amerikanen en westerse geallieerden in het zuiden en Tokyo, net als Berlijn en Wenen, in vier stukken. Dit is het makkelijkste deel van de ‘wat-als-voorspelling’ op andere punten ligt het veel moeilijker. Neem Nederlands Indië. Daar stond na de capitulatie van Japan nog geen geallieerde soldaat op welk eiland dan ook. Het lag niet op de geallieerde opmarsroute. Zonder atoombom zouden Hatta en Soekarno op 17 augustus geen Indonesische Republiek hebben uitgeroepen. Hoe het wel zou zijn gegaan?

Wellicht was Vladimir Poetin dan als kanonnenvoer gesneuveld in ‘een wereldoorlog zoals in de jaren veertig’ die dan in 1975 zou zijn uitgebroken. Dit nadat hij in de slag om New York in gevecht raakte met het peloton van luitenant Donald J. Trump. Die laatste sneuvelde nadat hij als lafaard, wegrennend van het gevecht, door zijn onder geschikte, sergeant Bruce Springsteen, werd neer geschoten. Een wereldoorlog die in 1984 eindigde door tussenkomst van de opkomende wereldmacht Brazilië als leider van de LAVO, de Latijns Amerikaanse Verdrags-Organisatie. Een organisatie bestaande uit alle Latijns-Amerikaanse landen met Brazilië als drijvende kracht.