The problem and Government

Over welk beestje heeft hij het? Die vraag schoot mij te binnen na het lezen van de column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Kalshoven concludeert met betrekking tot de wachtlijsten in de publieke sector: “Aan dit fundamentele probleem van publieke sectoren (prijsaanpassingen kunnen niet; capaciteitsaanpassingen duren lang) kunnen we niets veranderen. Het is de aard van het beestje. Katten vangen vogels; publieke sectoren zijn log. Het is zoals het is.” 

Bron: Flickr

De publieke sector is anders dan het bedrijfsleven. “Bij bedrijven heet een wachtrij een ‘orderboek’ en hoe voller het orderboek, des te blijer de baas,” zo betoogt Kalshoven terecht. “Als er plots een klant op de stoep staat met haast, dan mag hij voordringen, mits de haast gepaard gaat met een hoge betaalbereidheid.” Bij de overheid ligt dit anders: “prijsflexibiliteit is al snel strijdig met andere maatschappelijke waarden, zoals gelijke toegang tot de rechtspraak.” Meer uitvoerders om de wachtlijsten op te lossen dan? “Maar het geld dat nodig is voor capaciteitsuitbreiding in publieke sectoren komt uit Den Haag. En voordat die euro’s uit de schatkist terecht zijn gekomen op een Amsterdams politiebureau, een Midden-Nederlandse rechtbank, of de Jeugdzorg in Breda, zijn we minstens een jaar verder.” Ook hier heeft Kalshoven het gelijk aan zijn zijde. Maar toch.

Wachtlijsten bij publieke diensten zijn niet onoverkomelijk. Ze zijn een gevolg van keuzes. Dat bijvoorbeeld het onderwijs met een flinke uitstroom van leerkrachten te maken zou krijgen, is al meer dan twee decennia bekend. Daar had op ingespeeld kunnen worden door zowel de schoolbesturen als de overheid. Helaas is dat niet gebeurd en nu zitten we met de gebakken peren en ontbreekt het aan bevoegde docenten.

Gesloten politiebureaus en te weinig rechters? Ook een gevolg van keuzes. Ook hier weer de keuze om de ogen te sluiten voor een naderende uitstroom van mensen vanwege pensioen. Of de keuze om bij de rechtbanken te werken met budgetten die niet toereikend zijn voor het werk.

Wachtlijsten in de jeugdzorg? Ook een gevolg van gemaakte keuzes. Niet op basis van de inhoud maar op basis van aannames en ideologie wordt de jeugdzorg steeds opnieuw ingericht. In die ideologisch prachtige wereld kan de jeugd met minder hulp en de jeugdzorg met minder geld toe. De markt maakt immer alles beter en goedkoper. Alleen blijkt de werkelijke wereld weerbarstiger.

Wachtlijsten in de publieke sector zijn niet ‘onoverkomelijk’ en de ‘publieke sector’ kan ook snel en wendbaar zijn. Dat is allemaal afhankelijk van keuzes. Dat het ‘beestje’ nu een bepaalde ‘aard’ heeft, en we te maken hebben met wachtlijsten en een logge overheid, is een gevolg van keuzes. Vooral de keuze om de ogen te sluiten en te vertrouwen op een ideologie. Kijkend naar een rode draad achter al deze keuzes, moet ik aan wijlen Ronald Reagan denken. In zijn inaugurale rede op 20 januari 1981 sprak hij de woorden: “In this present crisis, government is not the solution to our problems; government is the problem.” Voor zijn volgers, en dat zijn er ook in Nederland zeer veel, was het voor wat betreft de overheid ‘hoe kleiner hoe beter’. Werken voor de overheid werd en wordt nog steeds lager beoordeeld dan werken voor het bedrijfsleven. Daarmee is de uitspraak een self fulfilling prophecy geworden. De overheid werd door deze ideologie zo uitgekleed dat ze nu het probleem is. Inderdaad is het, om Kalshoven aan te halen, zoals het is. Dat wil niet zeggen dat er niets aan gedaan kan worden. Het ‘beestje’ kan ook een andere ‘aard’ aanleren.

‘Cultureel systeem’

Afgelopen zondag zat ik weer op de tribune bij mijn clubje VVV-Venlo. Dat ‘Venlo’ erachter is trouwens dubbel omdat de eerste V voor Venlose staat, dat even terzijde. Gelukkig speelde Opoku mee. Dat biedt altijd voer voor een gesprek met een van mijn medesupporters. Die zeurt steevast dat Opoku er niets van kan. Vervolgens scoort hij of is hij betrokken bij een beslissende actie. Ook deze keer liep het weer zo. Hij leidde met een prachtige actie de 1-0 in. Maar ook daar gaat het mij nu niet om. Nee, een andere vaste bezoeker vond dat de scheidsrechter wel erg pietluttig floot en riep: “ut is gen wievevoetbal.” Ik keek hem aan zei, met de ‘racisme polemiek van de afgelopen weken in het achterhoofd: “det kin se neet zegge. Mietjes trouwes ok neet.” Aan deze gebeurtenis moest ik denken toen ik een artikel van Karim Bettache bij Joop las.

Stadion de Koel. Bron: Wikipedia

Volgens Bettache kenmerkt Nederland zich door een: “kolon(a)ial(.) culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties huidskleur … een absurde, arbitraire manier van het indelen van mensen en het maakt de samenleving voor veel mensen een hel op aarde.” Zo die zit. Hoe kwam Bettache tot die conclusie? Die conclusie trok hij uit: “een filmpje van een klein meisje in Nederland dat volgens de clip door twee volwassen ‘keurig uitziende’ witte Nederlanders uitgemaakt wordt voor Zwarte Piet.” Volgens Bettache ging er door dat filmpje een schok door de ‘wereld’: “Geschokt was men dat dit in het land gebeurde waarvan de meeste mensen een beeld hadden (dat) het een vrijdenkende, open samenleving is.” Bettache redeneert vervolgens: “De ontmenselijking zit er diep ingebakken als je een klein hulpeloos meisje zo kunt vernederen, zonder ook maar een greintje empathie te voelen voor dat kind. Dan mankeert er echt wat daar in de bovenkamer. Toch ga ik die mensen niet de schuld in de schoenen schuiven, want dat is het trucje dat al te lang is gebruikt. Racisme in de schoenen schuiven van individuen die eruit blaten wat de samenleving vaak diep daarbinnen denkt.”

Nu heb ik dat ‘filmpje’ van anderhalve minuut ook gezien. Nergens in dat filmpje wordt een kind voor ‘zwarte piet’ uitgemaakt. Wat we zien zijn een oudere man en vrouw die worden gefilmd door iemand die tegen hen staat te tieren. We horen de tierende mevrouw zeggen dat haar dochtertje door de oudere vrouw ‘zwarte piet’ zou zijn genoemd. Dat dit is gebeurd, wil ik best geloven. Maar of dat op een ‘ontmenselijkende en diepvernederende’ manier gebeurde, zoals Bettache betoogt, dat blijkt niet uit het filmpje. En de intentie maakt voor mij nogal wat uit. 

Mijn eerste gedachte, en daarom moest ik aan het voorval op de tribune denken, was dat de tierende mevrouw wel erg lange tenen moest hebben. Hoe ik tot die conclusie kwam? Mijn natuurlijke reactie als iemand tegen mijn kind iets zou zeggen wat mij niet aanstaat, dan zou ik ze op een rustige toon aanspreken en aangeven dat ik daar niet van gediend ben. Ik zou het vervolgens aan de ander laten om daar dan iets mee te doen en zich te verontschuldigen of niet. Ik zou zeker niet mijn telefoon pakken, de camera aanzetten en vervolgens gaan schreeuwen tegen die persoon. 

Tot zover het filmpje, terug naar de redenering van Bettache. Hij trekt een conclusie voor de samenleving als geheel uit één voorval. ‘Ho, ho’, zal hij daarop zeggen ‘er zijn veel meer van dergelijke voorvallen, neem het gebeuren bij FC Den Bosch.’ Inderdaad, er zijn meer van dergelijke voorvallen. Er zijn echter ook vele ‘voorvallen’ die in een andere richting wijzen. Alleen worden deze voorvallen niet gefilmd en komen ze niet in het nieuws. Goed nieuws is immers geen nieuws. Net zoals het merendeel van de supporters die niet meedoet aan ‘gescheld’ tegen spelers en scheidsrechter geen ‘nieuws’ zijn. Die negatieve voorvallen zijn volgens Bettache een gevolg van dat ‘koloniale culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties in huidskleur’. Hoe zijn die positieve ’voorvallen’ te verklaren als het niet aan individuen ligt maar aan dat ‘koloniale culturele systeem’? 

‘Die K.. Nederlanders’

“Kijk nou naar de situatie dat Marokko weigert te praten over de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat deze mensen überhaupt in die procedure komen is al bespottelijk, want ze komen immers uit een veilig land. Maar dat kan je nog zien als een slappe houding van ons. Maar dat Marokko ons zelfs een gesprek weigert om hun eigen mensen terug te krijgen vraagt om een keiharde reactie.” Dit advies geeft Jan Roos in zijn wekelijkse column bij De dagelijkse Standaard, aan staatsecretaris van Justitie en Veiligheid Boekers-Knol.  Boekers-Knol, zo is te lezen in de Volkskrant: “wilde hierover een gesprek met de ‘juiste minister’, maar kreeg nul op het rekest.”  Haar: “is te kennen gegeven dat het geen zin heeft om langs te gaan, want ik zou daar niet binnenkomen.” 

Bron: Wikipedia

Roos is niet de enige die zich opwindt over de Marokkaanse houding. Zoals we in de Volkskrant kunnen lezen vond de VVD-fractie het: “Te gek voor woorden,” en luisterde Groenlinkser Van Oijk: “met stijgende verbazing.” Volgens de VVD is de: “weigering reden te meer om diplomatieke maatregelen te nemen tegen landen die hun uitgeprocedeerde asielzoekers niet terugnemen.” Iets minder ferm dan Roos maar toch. Vrij naar voormalig huisarts en PvdA wethouder Rob Oudkerk zou je bijna uitroepen: ‘die ‘K… Marokkanen’

Maar toch. In deze zelfde week zette Turkije twee vrouwen uit naar Nederland. De vrouwen worden, zo lees ik in de Volkskrant verdacht: “van deelname aan een terroristische organisatie.” De gezamenlijke reactie van de ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken luidde: “Het kabinet betreurt dat Turkije ondanks alle inspanningen alsnog eigener beweging tot uitzetting is overgegaan.” Zouden de Turken nu ook die ‘K.. Nederlanders’ denken?

Nee, die in Turkije ‘ongewenste asielzoekers’ had politiek Den Haag liever niet hier gehad. Ze hebben immers ‘ons land en alles waar we voor staan’ verraden. Die hebben hun recht om hier te mogen zijn verspeeld. Van een van de twee, die naast de Nederlandse ook de Marokkaanse nationaliteit had, was zelfs de Nederlandse nationaliteit afgenomen. Dus hoe kon die nu naar Nederland worden teruggestuurd, ze was immers Marokkaanse. Vreemd trouwens dat in dergelijke gevallen alleen de Nederlandse nationaliteit wordt afgenomen van iemand die ook nog een andere heeft. Dit voor een overheid die al haar onderdanen gelijk moet behandelen. 

Wat de Marokkaanse beweegredenen zijn, wordt niet duidelijk. Die zou zomaar eens dezelfde kunnen zijn als de Nederlandse: ‘door Marokko te verlaten en asiel aan te vragen in Nederland heb je Marokko en alles waar het land voor staat verraden. Die hebben hun recht om in Marokko te mogen zijn verspeeld.’ 

De logica van Van Ark

“Jonggehandicapten werken wat vaker dan voorheen maar vooral in tijdelijke baantjes. Voor mensen uit de sociale werkplaats is de kans op werk afgenomen. Voor de oude groep in de bijstand is weinig veranderd.” Deze korte samenvatting van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft de Volkskrant. In de krant een gesprek met verantwoordelijk staatssecretaris Van Ark. In het gesprek maakt de staatssecretaris zich er zorgen over: “Het zorgelijkst vind ik de groep mensen die op de wachtlijst stond voor een plek in een sociaal werkbedrijf. Voor hun moeten de gemeenten nu beschut werk vinden, maar dat gebeurt te weinig. Jonggehandicapten verdienen meer geld door arbeid. Dat is positief, maar hun inkomenspositie is verslechterd. Het doel van de Participatiewet is niet alleen om een uitkering te bieden maar ook uitzicht op werk, liefst vast werk en niet alleen onzekere, tijdelijke banen.” De oplossing van Van Ark: “de vrijblijvendheid moet eraf.” 

Bron: WikimediaCommons

Voor wie moet de vrijblijvendheid eraf? “Om te beginnen voor mijn ministerie. Dat moet gemeenten en werkgevers ondersteunen. In elke regio komt een loket dat hen bijstaat en overal op dezelfde manier werkt.” Vervolgens voor de gemeenten: “Die moeten nu aan de slag met de echt moeilijke groepen. Daar zie ik een lichtpunt. In veel college-akkoorden die na de gemeenteraadsverkiezingen zijn gesloten, staat: we gaan aan de slag met die groep.” Omdat gemeenten dit hebben laten zitten: “ga ik de wet nu zo veranderen dat de gemeenten iedereen die onder de Participatiewet valt een passend, niet vrijblijvend aanbod moeten doen voor het leveren van een tegenprestatie,” aldus Van Ark. En dan zijn we bij degenen waar de echte ‘vrijblijvendheid’ eraf moet: de mensen die zijn aangewezen op deze wet. Want, zo zegt de staatssecretaris: ‘‘Het gaat om wederkerigheid. Iets terugdoen voor de maatschappij.” 

Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ er werkelijk voor zorgen dat een werkgever een jonggehandicapte in vaste dienst neemt in plaats van een tijdelijk baantje? Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ werkelijk hun inkomenspositie verbeteren? Zou ‘de verplichte tegenprestatie’ werkelijk de kans op werk voor mensen uit de sociale werkplaats vergroten? 

Ik vrees met grote vrezen. Het enige wat er gaat gebeuren is dat kwetsbare mensen nog verder onder druk worden gezet. En waarom? De staatssecretaris: “Er is ook een groep mensen die zegt: ik wil niet werken. Volgens het SCP zijn dat zo’n 50 duizend mensen. Daar moeten we streng tegen zijn, want ik ben ook de staatssecretaris van de belastingbetaler die de uitkeringen betaalt.” Om die achter de veren te zitten moeten zo’n half miljoen anderen onder druk worden gezet en gestigmatiseerd.

Als onderzoek iets uitwijst dan is het dat de jonggehandicapten wel willen, maar dat hen geen vast werk wordt aangeboden. Dat zij door dat willen hun inkomenspositie verslechteren. Dan leert het onderzoek dat het ontbreekt aan passend werk voor mensen uit de sociale werkplaatsen. Zou een ‘tegenprestatie’ eisen van de vragers naar werk helpen om meer aanbod te creëren? Zou de staatssecretaris niet een ‘tegenprestatie’ van de werkgevers moeten eisen? Mag van de werkgevers niet ook ‘wederkerigheid’ worden geëist? Moeten de werkgevers niet ook iets ‘terugdoen voor de maatschappij’?  Zou zij van de overheid niet het goede voorbeeld moeten eisen?

De waarde van slavernij

Op het hoogtepunt van de slaafgedreven economie vertegenwoordigden de slaven een waarde die groter was dan alle Amerikaanse fabrieken en spoorwegen bij elkaar opgeteld.” Een zin uit een artikel in De Groene Amsterdammer van Casper Thomas. Het artikel behandelt een eventuele ‘herstelbetaling’ aan de nabestaanden van slavernij. Het gaat mij niet om nut en/of noodzaak van een eventuele ‘herstelbetaling’ en de haken en ogen die daaraan kleven. Het gaat mij om deze zin. De zin suggereert iets, een waarde, maar wat is die waarde? Een interessante vraag die het waard is te onderzoeken zonder iets af te willen doen aan de ellende van slavernij.

Bron: Wikimedia Commons

Deze zin lijkt opgenomen om het economische belang van slavernij aan te tonen. De Verenigde Staten waren tot voor kort de toonaangevende industriële macht in de wereld. Ook kent iedereen wel de verhalen over de onstaansgeschiedenis van het transcontinentale spoorwegennet. Al is het maar van Spoorweg door de prairie, een van de avonturen van Lucky Luke. De sneller dan zijn schaduw schietende cowboy met zijn trouwe viervoeter Jolly Jumper. Met dit in het achterhoofd kan de conclusie niet anders zijn dan dat slavernij een enorme bijdrage leverde aan de Amerikaanse welvaart. Toch is het beeld dat deze passage oproept ver bezijden de waarheid. 

Laten we de zin eens ontleden. Als eerste: het hoogtepunt van de slaafgedreven economie. Waneer was dat? Zoals iedereen weet werd de slavernij in de Verenigde Staten beëindigd in 1865 na bijna vier jaar burgeroorlog. Een burgeroorlog waarin de geconfedereerde staten zich wilden afscheiden. De economie in deze staten was vooral ‘slaafgedreven’ en dat wilden ze behouden. De unionistische noordelijke staten wilden de slavernij in de gehele unie afschaffen. Zie daar de aanleiding voor de burgeroorlog. De geconfedereerde staten verloren en op 18 december 1865 werd slavernij in de gehele Verenigde Staten afgeschaft. Het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven’ economie moet daarmee voor 1865 liggen. Thomas’ artikel opent met het wedervaren van Oluale Kossale die in 1860 als slaaf voet aan wal zette in de Verenigde Staten. Hij was de laatste en in de periode voor hem waren er vanaf 1808 steeds minder nieuwe slaven geïmporteerd. Met ingang van dat jaar verbood het Amerikaanse congres het naar Amerika halen van slaven. Dit besluit betekende dat de slaafgedreven economie het vanaf die tijd eerst met veel minder en later zonder nieuwe aanwas uit Afrika moest doen. De slavenhouders waren in toenemende mate aangewezen op ‘natuurlijke aanwas’. Het hoogtepunt van de ‘slaafgedreven economie’ lag daarmee in ieder geval voor 1861, het begin van de burgeroorlog en misschien zelfs wel voor 1807.

In 1861 waren er ruim 3,9 miljoen slaven in de Verenigde Staten, tegen bijna 900.000 in 1800. Als het om aantallen slaven gaat dan zou je zeggen dat 1860 het hoogtepunt was. Alleen moeten we dan wel kijken hoe het aantal slaven zich verhield tot de totale bevolking. De Amerikaanse bevolking, groeide tussen 1800 en 1860 van 5,4 miljoen naar 31,4 miljoen. Een forse groei veroorzaakt door immigratie. Een klein deel gedwongen als slaaf. Klein deel omdat slavenimport sinds 1808 was verboden. Het overgrote deel vrijwillig vanuit Europa. Het aandeel slaven in de totale bevolking daalde van bijna 17% in 1800 naar 12%. Dat zou dan weer pleiten voor 1800 als hoogtepunt.

Dan het tweede deel van de zin, de waarde van de fabrieken en spoorwegen. Om te beginnen die fabrieken. In 1870 waren de Verenigde Staten na Engeland de tweede industriële mogendheid van de wereld. Toch stelde die industrie niet zo veel voor. Maarten van Rossum opent zijn De Verenigde Staten in  de twintigste eeuw met de zin: “Tussen het einde van de Burgeroorlog en het begin van de Eerste Wereldoorlog veranderden de Verenigde Staten van een overwegend agrarisch in een overwegend industrieel land.” Twintig jaar eerder, in 1851, ten tijde van de wereldtentoonstelling in Londen, stond de wereld versteld van de gereedschappen en productiewijze van de Amerikanen. Alleen waren er niet veel ‘fabrieken’ zo is op de site theusaonline.com te lezen: “The industrial growth that began in the United States in early 1800’s continued steadily up and through the American Civil War. Still, by the end of the war, the typical American industry was small. Hand labour remained widespread, limiting the production capacity of industry. Most businesses served a small market and lacked the capital needed for business expansion.”  Waar het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven economie’ ook ligt, veel fabrieken waren er tot de burgeroorlog niet. Die ontstonden pas erna.

Als laatste de spoorwegen. Eigenlijk is een verwijzing naar Spoorweg door de Prairie voldoende. Het verhaal speelt zich, net als alle avonturen van Lucky Luke, af in de periode na de burgeroorlog. Maar toch, Wikipedia leert dat in 1829 de eerste stoomlocomotief, de Stourbridge Lion, in de Verenigde Staten werd geïmporteerd. En: “By 1835, dozens of local railroad networks had been put into place. Each one of these tracks went no more than a few miles, but the potential for this mode of transportation was finally being realized. With every passing year, the number of these railway systems grew exponentially. By 1850, over 9,000 miles of track had been lain.”  De echte groei kwam na de burgeroorlog toen de lokale lijnen werden verbonden door een groeiend netwerk van transcontinentale spoorwegverbindingen. De lijnen uit Spoorweg door de prairie.

Om de waarde van de zin te bepalen, is het van belang om te weten wanneer dat ‘hoogtepunt’ was. Was dat aan het begin van de 19e eeuw, dan zegt de zin helemaal niets. Er waren immers nog geen fabrieken en spoorwegen. Was dat in 1860, dan wordt het een ander verhaal. Maar dan nog is het maar de vraag of de zin zoveel waarde heeft als Thomas het doet voorkomen.

Vietnam en beleid maken

Het hoofd van de luchtmacht Curtis LeMay is één zin in zijn in 1965 verschenen autobiografie altijd blijven aankleven: ‘ Mijn oplossing (…) zou zijn (de NoorVietnamezen) rechtuit te zeggen dat ze zich moeten terugtrekken en hun agressie moeten staken, omdat we ze anders terug naar het stenen tijdperk zullen bombarderen.” Zo begint hoofdstuk 14 van het boek Vietnam een tragedie 1945-1975 van Max Hastings. Het hoofdstuk heeft als titel Rollende donder. Dat, in het Engels Rolling Thunder, was de naam van de Amerikaans bombardementen op Noord-Vietnam vanaf februari 1965. Een paar zinnen verder: “Lyndon Johnson zette de Amerikaanse vliegtuigen in tegen Noord-Vietnam, omdat hij ten einde raad de cyclus wilde doorbreken waarin Washington voortdurend naar de pijpen van de vijand leek te dansen.” Op de afloop van de oorlog hadden de bombardementen trouwens geen enkele invloed. Tussen deze twee passages beschrijft  Hastings een bevinding van een andere Amerikaan: “Diep in de Zuid-Vietnemese jungle hunkerde een lezer van LeMay, Doug Ramsey, ernaar om de generaal te ontmoeten om hem erop te wijzen dat ‘het lastig is om iets naar het stenen tijdperk terug te bombarderen als het daar nog nooit uit is gekomen.”

Bron: Wikipedia

Aan deze passage uit Hastings’ boek, moest ik denken toen ik bij RTLZ een column van Wimar Bolhuis las met als titel De ijzeren wet van beleidsbehoud: een ramp voor alle uitvoerders. Die ‘ijzeren wet’ luidt dat beleidsmakers vasthouden aan wat ze eerder hebben bedacht: “Want toegeven dat het beleid niet uitpakt zoals de bedenkers hadden bedacht, is een politiek-ambtelijk teken van falen en dus slecht voor carrières en verkiezingsuitslagen.” Volgens Bolhuis: “veranderen beleidsparadigma’s vaak pas als het echt niet meer anders kan. Als het water aan de lippen staat.” Te lang wordt vastgehouden aan heilloze zaken: “Denk aan het falende automatiseringsbeleid bij het CBR, wat de mensen in het call center nu mogen oplossen. Denk ook aan het beleidsidee van Nationale Politie, waar de agenten nu nog steeds de scherven van aan het opruimen zijn. Of aan de bezuinigingen op onderwijs, waardoor overwerk in avonden en weekenden gaat toenemen. Denk aan hoe de jeugdzorg er nu aan toe is, nadat duizenden werknemers door nieuw beleid het veld ruimden.”

Toen Jonhson besloot tot een ‘GO’ voor Rolling Thunder stond het water nog niet tot aan de lippen al waren er wel voldoende signalen dat de Verenigde Staten een heilloze weg waren ingeslagen. Het water bereikte de lippen pas in 1973 een karrenvracht aan bommen met bijbehorende vernietiging, gewonden en doden later. “Ik gun alle uitvoerders dat zij de bedenkers hiervoor tijdig kunnen waarschuwen. En dat er geluisterd wordt. Voordat een ramp zich voltrekt.” Zo eindigt Bolhuis zijn schrijven. Met zijn artikel pleit hij: “voor extra waardering voor beleidsuitvoerders van Nederland. Voor de medewerker van de sociale dienst, de thuiszorgmedewerker, de schooldocent, de politieagent, ga zo maar door..”  Een pleidooi waarbij ik me van harte aansluit.

Ik zou er alleen nog iets aan toe willen voegen. Uit ervaring weet ik dat ambtelijke ‘beleidsschrijvers’ het niet makkelijk hebben. Niet makkelijk als ze een kritische noot laten horen op de door bestuurders en politici afgesproken koers. ‘Kan die kanttekening niet anders worden geformuleerd’?  ‘Als we dat risico benoemen, dan komen er lastige vragen’. Een kritische beleidsschrijver zal deze zinnen ongetwijfeld hebben gehoord. Bestuurders en ambtelijke managers die bang zijn dat afwijkende standpunten van ambtenaren ‘naar buiten komen. 

En dat zijn nog de meer onschuldige vormen. ‘Als de wethouder de bomen op de kop wil planten, dan adviseren wij dat ze op de kop moeten worden geplant.’ Die woorden sprak een afdelingsmanager van een gemeente waarmee de gemeente waarvoor ik werkte, ging fuseren. Toen ik dat hoorde, keek ik onder de tafel of mijn broek nog op de juiste plaatst zat. Het pleidooi dat ik vervolgens hield voor de beleidsambtenaar als onafhankelijk adviseur maakte geen indruk. Zo cru en uitgesproken als dit geval, maak je ze zelden mee. Als je die verzoeken vaak krijgt, ben je lastig en dat heeft zijn weerslag op je ‘toekomstperspectief’. Dit zorgt ervoor dat veel ‘beleidsschrijvers’ kiezen voor ‘baanzekerheid’. Dit terwijl openheid over afwijkende adviezen juist de kracht van het bestuur en het besluit versterkt. Het laat zien dat er binnen de overheid wordt gedacht, gediscussieerd en van mening wordt verschild. Juist die meningsverschillen en discussie zorgen voor betere besluiten. 

Cliteur en terreur

“De oorzaken van het terrorisme zijn niet materieel, maar cultureel. Het heeft te maken met een overweldigend verschil van opvatting over kernwaarden.” Dit schrijft FvD Eerstekamerlid Paul Cliteur bij TPO. “Jawed S., Junaid I., de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de terroristen van de Bataclan denken heel anders over kernwaarden dan de burgers van Nederland en Frankrijk.Toen ik dit las, moest ik denken aan terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf. Zij noemt terroristen in het DWDD-college de ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Combineren we die twee dan is het zijn van ‘kluns en losers’ cultureel bepaald. Zou dat zo zijn?

De executie van Maximillien Robespierre. Bron: Wikimedia Commons

Cliteur richt zijn schrijven aan de Amsterdamse burgemeester Halsema. Volgens Halsema, en nu citeer ik Cliteur, ligt het aan: “teleurstelling of frustratie,”  veroorzaakt door het leven: “in wijken waar de bewoners worstelen met armoede en discriminatie hun loyaliteit met de ‘rechtsgemeenschap’ op het spel kan komen te staan.” Als we Halsema volgen dan is Terrorisme een gevolg van sociale condities waarin mensen verkeren. De verkeerde diagnose aldus Cliteur: Halsema gaat daarmee haar: “voorgangers Cohen en Van der Laan,” achterna die hebben: “jammerlijk gefaald bij het bedwingen van dit gevaar.” 

Twee verklaringen. Aan de ene kant ‘cultuur’ als oorzaak. Het vreemde is echter dat lang niet iedereen die zich in die ‘culturele’ situatie bevindt, ‘terrorist’ wordt. Bijzonder is ook dat enkele plegers van aanslagen tot kort voor hun daad helemaal niet ‘bekend’ stonden als fanatieke aanhanger van die ‘cultuur’. Zij stonden eerder bekend als (kleine) crimineel. Aan de andere kant de ‘sociale condities’ als oorzaak. En ook hier is het vreemd dat niet iedereen in die ‘conditie’ het schopt tot ‘terrorist’. Ook hier is het bijzonder dat plegers van terroristische daden helemaal niet uit situaties die Halsema beschrijft, komen. Zo waren de ouders van RAF lid Ulrike Meinhof historici die hun dochter de mogelijkheid boden te gaan studeren.  Ook van Bin Laden kun je veel zeggen, maar niet dat zijn ouders in een ‘achterstandswijk’ woonde.

Als we in het verleden duiken, dan zien we dat terreur niet iets is van een specifieke cultuur. Zoals ik begin dit jaar al schreef, is terrorisme afgeleid van la Terreur, een periode uit de Franse revolutie. Terreur heeft sinds die tijd een bijzondere omkering meegemaakt. In oorsprong was het het de staat die burgers ‘terroriseerde’. Robespierre de Fransen, Hitler als eerste de Duitsers, Stalin de Russen, Mao de Chinezen, Ho de Vietnamezen en Pol Pot de Cambodjanen Nu zijn het burgers die de staat ‘terroriseren’. En ook dat kent ‘geen grenzen’. Type ‘terrorisme’ in op Wikipedia en je vindt een keur aan voorbeelden uit verschillende culturen en streken van de wereld. Hieruit mag duidelijk zijn dat terrorisme niet ‘cultuur specifiek’ is zoals Cliteur beweert.

Beide ‘diagnoses’, om in Cliteurs vocabulaire te blijven, geven geen antwoord waarom iemand overgaat tot het plegen van terreur. Toch is er iets aan de diagnose van Cliteur dat zorgen baart. Als die ‘verklaring’ maar lang genoeg wordt herhaald, dan zou die verklaring wel eens haar eigen waarheid kunnen creëren. Door steeds te blijven herhalen dat terrorisme ‘cultuurbepaald’ is, lopen we het risico dat die cultuur en terrorisme als synoniem worden gezien. Daarmee worden mensen gestigmatiseerd en wordt de kans groter dat ze uiteindelijk het gedrag gaan vertonen dat Cliteur hun nu toedeelt. 

‘De vettigen Handdook’

Toen ik het ouderlijk huis verliet betrok ik een klein zolderappartement in Venlo. Een appartement met bijzondere buren. Aan de ene kant had groenteboer Janssen zijn zaak. Een echt familiebedrijf. Iedere dag verse groenten en vers fruit. Ik kwam er tenminste iedere week en vaak nog wel vaker. Aan de andere kant, en meteen ook de andere kant van het gezondheidsspectrum, zat een frietzaak. Daar kwam ik af en toe. Die frietzaak stond bekend als ‘De Vettigen Handdook’. Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur een stukje van de verdediging van gemeentebestuurders las tegen het alweer ‘centraliseren’ van een deel van de jeugdzorg: “Het is in Oost-Groningen echt een ander vraagstuk dan in Amsterdam, Goes of Enschede.” Dit naar aanleiding van de problemen in de jeugdzorg waarover ik gisteren ook schreef. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad is Oost Groningen anders dan Amsterdam, Goes of Enschede, daar heeft de Enschedese bestuurder Eelco Eerenberg, die deze uitspraak doet, een punt. Toch vraag ik me af of dit wel het punt is? Hoe ‘anders’ is het probleem van een kind dat in Oost Groningen of Goes vanwege de thuissituatie uithuis moet worden geplaatst? Wat is de specifiek Amsterdamse of Enschedese component aan de situatie van dat kind en het betreffende gezin? Als Eerenberg gelijk heeft dan is de vraag die Goes of iedere andere gemeente, zich moet stellen: hoe ziet specifiek Goes’ huiselijk geweld eruit? Geeft Eerenberg hier niet een voorbeeld van verkeerde veronderstelling of een kromme redenering?

En zelfs als Eerenberg het bij het rechte eind heeft en het probleem van een kind dat uit huis moet worden geplaatst afhankelijk is van de woonplaats en er zoiets bestaat als specifiek Enschedees huiselijk geweld, wil dat dan meteen ook zeggen dat de gemeente dan ook de juiste schaal is om de jeugdzorg te organiseren? Waarom zou het met een vanuit het rijk aangestuurde jeugdzorg onmogelijk zijn  om: “problemen op (te) lossen (…) in combinatie met sportclubs, scholen, huisartsen en veel andere partijen”? 

Laat McDonalds niet zien dat het goed mogelijk is om vanuit Oak Brook het ‘hongerprobleem’ lokaal aan te pakken? Het bedrijf geeft haar basismenu een ‘lokale twist’: in Nederland de McKroket, in Japan de Teriyaki burger enzovoorts. Het bedrijf sluit daarmee veel beter aan bij de wensen van het gros van de klanten dan  mijn oude buren van ‘De Vettigen Handdook’. Die zaak is jaren geleden opgedoekt.

Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over vooronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

Jihadisten en onze rechtstaat

Tijdens het kort geding verklaarde hij dat de Nederlandse overheid jihadisten moet terughalen omdat ze verplicht is om ‘mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen’ te voorkomen. Kijk, ik snap best dat je als advocaat je cliënten adequaat moet verdedigen. Maar zou dat alsjeblieft met wat minder grote woorden kunnen? Met wat minder lachwekkende ook?” Zo schrijft Elma Drayer in haar column in de Volkskrant. Die ‘hij’ waarover Drayer schrijft is André Seebregts. Vanuit de emotie is het betoog van Drayer te volgen. In één zin spreken over jihadisten en mensenrechten dat lijkt een gotspe. Zijn de woorden van Seebregts wel zo lachwekkend?

Bron: Pixabay

Zeker deze jihadisten steunden  een moorddadig en bruut regime en het bleef niet bij steunen alleen. Ze leverden er vaak ook nog een bijdrage aan. Voor de misdaden die zij hebben begaan moeten zij worden gestraft. Zwaar worden gestraft. Dat staat buiten kijf. Zoals ook buiten kijf staat dat zij bij voorkeur berecht moeten worden op de plek waar zij die misdaden hebben begaan. Als dat om welke reden dan ook niet kan, dan is berechting in Nederland aan de orde. 

Wat ook buiten kijf staat, is dat Nederland een rechtstaat is en dat het de plicht is van de Nederlandse overheid om mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen te voorkomen. Die plicht heeft de Nederlandse overheid jegens al haar onderdanen, wat zij ook op hun kerfstok hebben. Die plicht heeft de overheid jegens een onschuldig iemand die om dubieuze redenen in een Turkse gevangenis verdwijnt. Die plicht heeft zij ook jegens een van drugshandel beschuldigde persoon in Thailand, en een meervoudig moordenaar en verkrachter in Paraguay. Die plicht heeft de Nederlandse overheid ook jegens een jihadist in Irak of Syrië. 

‘Maar die heeft door daden toch alles verspeeld waar Nederland voor staat?’ Hoor ik velen van jullie denken. Dat klopt, maar dat ontslaat de Nederlandse regering niet van haar plicht om zich in te zetten om mensenrechtenschendingen tegen hem of haar te voorkomen.

Een rechtstaat kenmerkt zich nu juist door haar principes ook toe te passen op degenen die haar regels met voeten hebben getreden. Onder andere daarom heeft vrouwe Justitia een blinddoek om. Zo lachwekkend zijn de uitspraken van Seebregts niet. Door die regels niet van toepassing te verklaren op bepaalde mensen, zoals de VVD doet, wordt de bijl gezet in een van de de belangrijkste pijlers onder onze rechtstaat. Dat is niet lachwekkend, dat is zorgwekkend.