Grondrechten op de helling

Mijn zorgen over onze democratische grondrechten die ik eind vorig jaar naar aanleiding van het eindverslag van formatieverkenner Ronald Plassterk in een prikker uitte, zijn vergroot. De aanleiding hiervoor is iets wat zich in de Tweede Kamer in het Vragenuurtje afspeelde. “VVD, PVV en BBB – samen met NSC in gesprek over een nieuw kabinet – grepen het eerste Vragenuur van 2024 dinsdag aan om hun afkeer van de aanhoudende demonstraties van XR te belijden,” aldus een artikel in de Volkskrant dat er verslag van doet. Aanleiding voor de vragen was het besluit van het Openbaar Ministerie om de zaak tegen Extinction Rebellion actievoerders die in 2022 een deel van Schiphol hadden bezet, te seponeren.

“Dus eerst delen we veel te lage straffen uit in Nederland. En dan stoppen we met vervolgen omdat mensen anders toch maar een lage straf krijgen. Dit kan toch helemaal niet? De mensen thuis begrijpen er geen snars van.” Aldus PVV-Kamerlid Marjolein Faber. Dat het Openbaar Ministerie de vervolging staakte omdat duidelijk was geworden dat de manier waarop de actievoerders waren geïdentificeerd niet deugde vergeet ze voor het gemak maar even. Die manier bestond uit het fotograferen van actievoerders en vervolgens via een zoektocht langs foto’s op Internet proberen te achterhalen welke persoon bij de foto hoorde. Dit had ertoe geleid dat er mensen werden beschuldigd van deelname aan die actie die konden aantonen daar niet te zijn geweest.

Deze verdraaiing van de werkelijkheid is nog tot daaraantoe.  Voormalig PVV en nu BBB-Kamerlid Lilian Helder gaat nog een stap verder: “XR weet heel goed hoe het de wet moet omzeilen. Het maakt misbruik van het demonstratierecht. Doe het dan zoals Spanje: noem het een criminele organisatie. Dan wordt het een heel ander verhaal.”  Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen. Dat geldt zeker voor Kamerleden en wat we zeker van Kamerleden mogen verwachten is dat ze de Grondwet kennen. En van die Grondwet toch zeker de grondrechten. Helaas geeft mevrouw Helder er blijk van die kennis te ontberen. We kennen in dit land geen ‘misbruik van het demonstratierecht’. Artikel 7  derde lid van de Grondwet is daarover heel duidelijk: “Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.” Die voorgaande leden behandelen het uiten van gedachten en gevoelens via de geschreven (lid 1) en ongeschreven media (lid 2). Van dit recht maak ik met het schrijven van deze prikker gebruik en daarvoor hoef ik aan niemand toestemming te vragen. Zo hoeft niemand toestemming te vragen om op welke plek dan ook zijn ‘gedachten en gevoelens’ te uiten. Zo kon ‘Rote Fahne’, die in de jaren tachtig zieltjes probeerde te winnen voor het communisme, ongehinderd zijn boodschap verkondigen in de binnenstad van Venlo. Net zoals de ‘stadsprediker’ van Eindhoven zijn christelijke boodschap door de straten mocht schreeuwen.

Echt bijzonder wordt het met Helders idee om XR dan maar tot ‘criminele organisatie’ te benoemen. Het lijkt erop dat de BBB al een heel eind naar beneden is gerold van het hellende vlak. Het hellende vlak van verkenner Plassterks gesprek over ‘een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.’ Benoem iemand met een andere mening die op een voor jou hinderlijke manier de mening uit gewoon een ‘criminele organisatie’ en weg zijn de grondrechten. Bij de BBB zijn onze grondrechten dus niet veilig. Goed om te weten.

Dat ‘misbruik van het demonstratierecht’ klinkt trouwens heel anders dan de sympathie en aanmoedigingen van haar partij voor de ‘trekker terreur’ van boeren de afgelopen jaren. De tactiek van XR verschilt in niets van die van de manier waarop de boeren, Farmers Defence Force voorop, aandacht vroegen voor hun zorgen. De tactiek was niet anders. Qua inzet van middelen is het echter een verschil van dag en nacht. Een tube lijm en een ketting om je aan elkaar vast te ketenen tegenover bijvoorbeeld een John Deere 6R al dan niet met een aanhanger met mest of hooibalen of een Caterpiller 938M shovel. Enige hypocrisie is de partij dus niet vreemd. Trouwens ook de PVV niet want ik kan me geen oproepen van PVV-Kamerleden herinneren om protesterende boeren te vervolgen en hen er niet vanaf te laten komen met ‘een lage straf’.

CDA-Kamerlid Boswijk deed ook een duit in het zakje door erop te wijzen dat de boetes die de activisten krijgen via een crowd funding worden betaald: “Dan is die ene prikkel die je hebt dus ook weg. Dit is gewoon een vorm van anarchie. Er zijn heel veel mensen in Nederland, onder wie ikzelf, die dit heel slecht trekken.”  Minister van Justitie en Veiligheid en VVD-leider Yesilgöz gaat hierop in met de opmerking: “De vragen die in de Kamer leven, zijn heel terecht. Als dit een verdienmodel is, misbruik maken van het demonstratierecht, dan wil ik van het OM graag horen wat het nodig heeft van de politiek om daarop te reageren.”  Ook Yesilgöz geeft er blijk van de wet en vooral de Grondwet en de erin opgenomen grondrechten, niet te kennen. Bijzonder voor een minister van Justitie en Veiligheid. Dat meneer Boswijk en anderen dat ‘slecht trekken’ mag zo zijn, het is niet verboden en als er al sprake is van een ‘verdienmodel’ dan is het de overheid die de verdiensten, de door wie dan ook gefinancierde boetes opstrijkt. En ook hier de nodige hypocrisie. Immers toen er geld werd ingezameld om de boetes voor de ‘Blokkeer-Friezen’ te betalen, bleven CDA en VVD oorverdovend stil.

Na de schertsvertoning van deze partijen, waarvan drie van de vier nu aan tafel zitten om die ‘basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtstaat’ begint het erop te lijken dat het grote risico dat ik in de al genoemde prikker schetste, werkelijkheid begint te worden. Het grote risico: “dat die ‘basislijn’ lager komt te liggen dan nu het geval is. Dat er rechten verdwijnen en dat er gemorreld gaat worden aan onze democratische rechtsstaat.”

Ouderdomsgebreken?

 “Wilders verdedigde het model van de democratische rechtsstaat tegenover de op de sharia gebaseerde theocratie. Hij heeft zich dus niet tégen de rechtsstaat gekeerd, maar deze juist verdedigd. Verdedigd tegenover het constitutionele sjiitische model van de Iraanse Republiek. Of het soennitische model van het koninkrijk van Saoedi-Arabië.” Aldus Paul Cliteur in een artikel van bij De Dagelijkse Standaard. Bij het lezen van het artikel moest ik denken aan twee volkswijsheden. Als eerste ‘wijsheid komt met de jaren’ en als tweede ‘ouderdom met gebreken’. Cliteur lijkt de eerste volkswijsheid te ontkennen en de laatste te bevestigen.

Volgens Cliteur is het: “een hypocriete schijnvertoning die gesprekken over Wilders’s ijskast en wat erin moet of eruit mag.”  Want: “Laten we de zaak eens in historisch perspectief plaatsen. Dit jaar is het 20 jaar geleden dat Theo van Gogh werd vermoord door een jihadist. Inmiddels (20 jaar later) is duidelijk geworden dat de moord op Van Gogh niet een “incident” was, maar een “precedent” voor vele andere moorden die vanuit hetzelfde motief werden gepleegd.” Dus zou je: “verwachten dat de ministers van justitie en veiligheid (Hirsch-Ballin, Donner, Grapperhaus, vaak dus van CDA-huize) visies zouden hebben ontwikkeld op hoe deze nieuwe ideologisch-religieus gemotiveerde aanslagen het hoofd kan worden geboden. Dat gebeurde niet.”  Wat er volgens Cliteur wel gebeurde: “te beginnen met de toenmalige burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, is dat een enorme stilte over Nederland neerdaalde. Het bespreken van dit onderwerp werd een taboe. Nu de discussie in Frankrijk na de vele aanslagen in volle hevigheid is losgebarsten (en niet alleen bij “extreemrechts”, maar ook bij de regering-Macron) wordt het contrast duidelijk: in Nederland is het nog steeds stilstaand water op dit onderwerp.”  Alleen Wilders is de uitzondering aldus de passage waarmee ik begon. Een probleem: “Vaak waren de oplossingen van Wilders onhaalbaar of onwenselijk of schofferend of alle drie.” Dit tegenstaande doet dat, aldus Cliteur: “niets af aan de enorme verdiensten die Wilders had, en nog steeds heeft, in het pogen het onderwerp van het jihadistisch terrorisme op de agenda te krijgen.

Op één punt heeft Cliteur een punt en dat is dat de gesprekken over ‘de ijskast’ een hypocriete schijnvertoning zijn, Iedere: “zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen partijen die aan de grondrechten willen tornen. Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen zo’n onderzoek omdat het een hellend vlak is,” schreef ik naar aanleiding van het advies van de verkenner Plassterk om zo’n gesprek te gaan voeren. Dit omdat zo’n gesprek: “schadelijk ( is) voor onze grondrechten. Schadelijk omdat dit uitstraalt dat grondrechten ter discussie kunnen worden gesteld en inwisselbaar zijn.”  

Waar hij geen punt heeft en de zaken verkeerd voorstelt, is dat onze democratische rechtstaat niet werd of wordt aangevallen door een op de ‘sharia gebaseerde theocratie’. De moord op Van Gogh, hoe treurig ook, was geen ‘aanval op onze democratische rechtstaat’. Het was geen poging om een ‘sharia theocratie’ in te voeren. Het was een schendig van de rechtsorde zoals iedere moord een schending van de rechtsorde is. Een schending van de rechtsorde door een eenling, een persoon die zijn eigen morele opvattingen boven de wet stelde. Onze democratische rechtstaat, en dan vooral het deel rechtstaat, reageerde daar adequaat op door de dader op te pakken en voor een onafhankelijke rechter te brengen. Een rechter die de dader vervolgens heeft veroordeeld.

De manier waarop Wilders de democratische rechtstaat, in de woorden van Cliteur, ‘verdedigt’ is juist wel een aanval op onze democratische rechtstaat. Neem het wetsvoorstel op het verbod van bepaalde islamitische uitingen dat Wilders recentelijk heeft ingetrokken: “De islam is geen godsdienst of levensbeschouwing, maar een gewelddadige, totalitaire ideologie,” aldus het eerste lid van het artikel en onderbouwd in de memorie van toelichting met: “De islam is bovendien een allesomvattende ideologie, die ieder aspect van het menselijk bestaan bepaalt. Het is een politiek, juridisch, militair, cultureel en sociaal systeem. Er is in de islam geen scheiding van machten, geen gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en tussen moslims en niet-moslims.” Kenmerk van iedere godsdienst is dat het een allesomvattende ideologie is die alle aspecten van het menselijk bestaan bepaalt: politiek, militair, cultureel en sociaal. Geen enkele godsdienst kent een ‘scheiding van machten’. De gelijkheid tussen man en vrouw is bij iedere godsdienst een probleem en discrimineert niet-gelovigen. Dit voorstel tornt aan de vrijheid van godsdienst omdat de staat, als dit voorstel wordt aangenomen, net als in theocratieën, gaat bepalen wat een godsdienst. Dat is een terrein waarop de democratische rechtstaat zich niet moet begeven want daarmee legt ze de bijl aan haar wortels. Mochten we een Grondwettelijk hof zoals Omtzigt voorstelt, hebben dan zou dit deze wet naar de prullenbak verwijzen. Iets waarvoor zo’n hof niet nodig is omdat de Raad van Staten, het hoogste adviesorgaan van de overheid die conclusie ook al trok en in haar advies met betrekking tot dit voorstel schreef: “Het van overheidswege «weg» definiëren van een religie is echter onverenigbaar met de neutraliteit en terughoudendheid die overheidsorganen in acht dienen te nemen.”

Ook met het Wetsvoorstel verandering in de Grondwet, strekkende tot uitbreiding van de uitsluitingsgronden van het kiesrecht en een verbod op meervoudige nationaliteit bij bepaalde ambtsdragers. Als dit voorstel wordt aangenomen dan verworden Nederlanders met een tweede nationaliteit tweederangs burgers. Het wordt hen dan onmogelijk gemaakt om bepaalde bestuurlijke functies te vervullen. Bijzonder aan het voorstel is dat het met geen woord rept over de aanpassing van artikel 3 van de Grondwet. Dat bepaalt dat: “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.”  Het voorstel schenkt alleen maar aandacht aan de wijziging van artikel 43 van de Grondwet . Het creëren van tweederangs burgers is een democratische rechtstaat onwaardig. Met betrekking tot dit voorstel concludeerde de Raad van Staten, dat het onverenigbaar is: “met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, zoals uitgewerkt in de Nederlandse Grondwet en verschillende verdragen. Het uitsluiten van personen van het kiesrecht op grond van het enkele feit dat zij een dubbele nationaliteit bezitten is in strijd met de in de Grondwet en verdragen vervatte discriminatieverboden. Dat is nog meer evident als van die andere nationaliteit geen afstand kan worden gedaan, zoals in het geval van de Marokkaanse nationaliteit. Het uitsluiten van bevolkingsgroepen met de Nederlandse nationaliteit van het politieke besluitvormingsproces, zonder op de individuele persoon toegespitste gronden, houdt in dat deze groepen als tweederangsburgers worden behandeld en creëert het risico dat zij zich gaan afkeren van de Nederlandse samenleving. Het tegengaan van mogelijke loyaliteitsconflicten kan deze uitsluiting niet rechtvaardigen, nu op geen enkele wijze is aangetoond dat het feit op zich dat iemand een dubbele nationaliteit heeft in negatieve zin verband houdt met zijn loyaliteit aan Nederland.”

Deze twee voorbeelden tonen aan dat Wilders’ verdediging van de democratische rechtstaat zoals Cliteur het noemt, niet alleen: “onhaalbaar of onwenselijk of schofferend of alle drie” maar een aanval juist op die democratische rechtstaat. Het ‘jihadistisch terrorisme’ hoeft niet geagendeerd te worden. Er is geen visie nodig hoe ‘nieuwe ideologisch-religieus gemotiveerde aanslagen’ het hoofd te bieden. Daarvoor is onze democratische rechtstaat uitstekend toegerust met de veiligheidsdiensten, politie, justitie en de onafhankelijke rechtspraak.

Onze democratische rechtstaat wordt niet aangevallen door het een ‘sharia theocratie’ noch door het ‘jihadistisch terrorisme. Ze wordt aangevallen door voorstellen zoals Wilders ze doet. En onze democratische rechtstaat wordt verzwakt door deze aanvallen, zoals Cliteur in zijn artikel doet, te betitelen als ‘het verdedigen van onze democratische rechtstaat’. Als rechtsgeleerde en filosoof zou Cliteur beter moeten weten.

Voorkomen dat niemand meer protesteert

Het is weer bijna TOP2000 tijd. Het nummer Big Yellow Taxi  van Joni Mitchell zal er vast wel een plek hebben in de lijst. Het lied met erin de ijzersterke tekstpassage: “Don’t it always seem to go that you don’t know what you’ve got till it’s gone. They paved paradise and put up a parking lot.” Die passage kwam in me op bij het lezen het eindverslag van verkenner Ronald Plassterk.

Gedicht van Martin Niemöller

“Ik adviseer een informateur met de volgende opdracht te benoemen: Te onderzoeken of er overeenstemming is of kan worden bereikt tussen de partijen PVV, VVD, NSC en BBB over een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.  ‘Dan ben je professor doctor in de biologie. Ben je minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geweest en tussendoor nog lid van de Tweede Kamer en schrijf je zoiets met droge ogen en bloedserieus op.’ Dat was mijn eerste reactie.

Die ‘gezamenlijke basislijn’ voor wat betreft de grondrechten en de democratische rechtsstaat’ ligt er al. Dat noemen we de Grondwet. Die begint met artikel 1 het belangrijkste grondrecht: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Die regelt in artikel 3 dat: “Alle Nederlanders (…) op gelijke voet in openbare dienst benoembaar”, zijn. Die regelt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in artikel 6. Die regelt de vrijheid van meningsuiting in artikel 7. Het recht vereniging in artikel 8. Het recht op vergadering en betoging in artikel 9. Het recht de persoonlijke levenssfeer in artikel 10. De onaantastbaarheid van je lichaam in artikel 11 en zo kunnen we verder gaan.

Dat de partijen, volgens Plassterk, overeenstemming moeten bereiken over een ‘gezamenlijke basislijn’ betekent niet dat de ‘gezamenlijke basislijn’ waarover overeenstemming wordt bereikt, hoger komt te liggen. Er zullen geen rechten worden toegevoegd. Voor het toevoegen van rechten is het niet nodig om tot overeenstemming te komen over een ‘gezamenlijke basislijn’. Dan is die ‘basislijn’ er namelijk al. Dat is de huidige Grondwet. Ook voor het eventueel toevoegen van instituten zoals Omtzigts Grondwettelijk hof, is overeenstemming over een gezamenlijke basislijn niet nodig. Ook dan ligt de ‘basislijn’ er, die wordt gevormd door de huidige instituten.

Onderhandelen over een ‘gezamenlijke basislijn’ van grondrechten en de democratische rechtsstaat brengt het grote risico met zich mee dat die ‘basislijn’ lager komt te liggen dan nu het geval is. Dat er rechten verdwijnen en dat er gemorreld gaat worden aan onze democratische rechtsstaat. Aan welke rechten eenmanspartij PVV hierbij onder andere denkt, daarover schreef ik recentelijk al een prikker. Zelfs als de partijen tot de overeenstemming komen dat die basislijn de huidige Grondwet en democratische rechtsorde zijn, dan nog is een gesprek aangaan over die ‘basislijn’, schadelijk voor onze grondrechten. Schadelijk omdat dit uitstraalt dat grondrechten ter discussie kunnen worden gesteld en inwisselbaar zijn.

Een zichzelf respecterende democratische politieke partij gaat niet in gesprek over een “gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat”. Een zichzelf respecterende politieke partij die handhaaft die basislijn en doet voorstellen om die basis daar waar nodig geacht te verhogen. Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen zo’n gesprek.  Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE omdat de basisrechten niet onderhandelbaar zijn. Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen partijen die aan de grondrechten willen tornen. Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen zo’n onderzoek omdat het een hellend vlak is.

Een zichzelf respecterende democraat zou zoiets niet adviseren. Een zichzelf respecterende democraat zegt die basislijn is onze Grondwet. Een zichzelf respecterende democraat zegt dat de in de Grondwet opgenomen grondrechten niet ter discussie staan. Een zichzelf respecterende democraat adviseert niet samen te werken met een partij die de in de Grondwet opgenomen rechten wil beperken. Een zichzelf respecterende democraat waarschuwt voor dit hellend vlak in plaats van het te adviseren. 

En nee, dat is niet het uitsluiten van 25% van de kiezers. Dat is het uitsluiten van partijen en politici die mensen willen uitsluiten van grondrechten. Dat is niet het uitsluiten van mensen maar het voorkomen dat er mensen uitgesloten worden. Dat is voorkomen dat gaat zoals altijd  dat ‘we don’t know what we’ve got till it’s gone’ om Joni Mitchell te parafraseren en dat we op een dag wakker worden en ons geplaveide paradijs een parkeerplaats blijkt te zijn. Dat is voorkomen dat er ‘niemand meer is om te protesteren, als ze mij komen arresteren’ om de beroemde preek van de Duitse predikant Martin Niemöller aan te halen.

De jij-bak van Cliteur

”Pieter, wil je nu eens eindelijk met mij gaan praten?” Zo begint een artikel van rechtsfilosoof en voormalig lid van de Eerste Kamer namens het Forum voor Democratie Paul Cliteur bij De Dagelijkse Standaard. Het artikel is geschreven in de vorm van een dialoog tussen PVV -enigst-lid Geert Wilders en NSC-leider Pieter Omtzigt. “Nee, Geert, wat jij zegt is in strijd met de Grondwet, in strijd met de rechtsstaat,” zo laat Cliteur Omtzigt antwoorden. Een artikel waarin Cliteur zich bedient van jij-bak, maar wel eentje die als een tang op een varken slaat. Voor degenen die het niet weten. Een jij-bak is een redenering waarbij het standpunt van de tegenstrever niet wordt verworpen, maar waar hem wordt verweten boter op het hoofd te hebben.

In Cliteurs artikel laat Omtzigt Wilders raden naar uitspraken van Wilders die strijdig zijn met de Grondwet. Na wat gekibbel laat Cliteur Wilders zeggen: “Weet je wat? Ik ben klaar met jou. Ik zal jou eens wat puntjes laten formuleren waarop jouw programma in strijd is met de grondwet.”  Waarop Cliteur Omtzigt verbaast laat reageren met: “Bij ons? Strijd met de Grondwet? Hoe kom je daar nu bij?”  Waarop Cliteurs Wilders antwoordt: “Jij bent een groot voorstander van een Constitutioneel Hof. Dat wil zeggen een rechterlijke instantie die mag toetsen of de wetten die wij, volksvertegenwoordigers, maken wel in overeenstemming zijn met de Grondwet. Dat Hof komt straks helemaal vol te zitten met D66-rechters die alles gaan afhameren wat wij, vertegenwoordigers van het volk, tot wet hebben verheven. Dat plannetje van jou, dat Constitutioneel Hof, is in strijd met de Grondwet. De Grondwet verbiedt namelijk “constitutionele toetsing” in art. 120. Daar staat: “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen”. Dat wil jij dus mogelijk maken: dat die rechters die beoordeling gaan plegen. In strijd met de Grondwet, Pieter, en dat artikel heeft men niet voor niets in Grondwet opgenomen.” Inderdaad stelt artikel 120 van de Nederlandse Grondwet: “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.” En precies beoordelen van de grondwettelijkheid is wat Omtzigt met zijn Grondwettelijk hof beoogt. Dus Cliteur heeft een punt?

Niet te snel concluderen! In zijn verkiezingsprogramma stelt ‘Pieter’ voor om: “het verbod op toetsing aan de Grondwet op (te) heffen en een constitutioneel hof in (te) stellen dat aangenomen wetten toetst aan de Grondwet.[1] Om dat mogelijk te maken, moet de Grondwet volgens worden gewijzigd. Een voorstel tot wijziging van de Grondwet is niet ongrondwettelijk. Zo’n voorstel moet twee keer door de Tweede – en Eerste Kamer worden behandeld. De eerste keer moet het voorstel worden aangenomen met een gewone meerderheid. De tweede keer met een twee derde meerderheid. Tussen die twee keren moeten verkiezingen voor de Tweede Kamer zitten. Op die manier heeft ook de kiezer de mogelijkheid om zich erover uit te spreken. Dat weet ‘Pieter’, dat zal ‘Geert’ ook weten en dat weet Cliteur ook.

Wat ‘Geert’ wil, is van een heel andere orde. ‘Geert’ wil: “geen islamitische scholen, korans en moskeeën.[2] Hij wil: “Behoud van artikel 23 van de Grondwet, de vrijheid van bijzonder onderwijs,  en: “Verbod op islamitisch onderwijs, omdat dat onze vrijheid en onze waarden bedreigt.[3] Die laatste twee staan direct onder elkaar in de opsomming. Ook dat kan en mag je willen en ook daarvoor is een wijziging van de Grondwet noodzakelijk. Alleen is die wijziging iets ingrijpender. Die vraagt om een grondige verbouwing van de Grondwet. Daarvoor is het nodig om in ieder geval artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan,” artikel 6 eerste lid:
Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet,”
 en artikel 8: “Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.” Artikel 9 eerste lid: “Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet,” en bizar genoeg ook artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs regelt en dat ‘Geert’ wil behouden, moet worden aangepast. En ja, ook dat kan op de hierboven genoemde manier.

Dus toch een jij-bak: beiden willen de Grondwet wijzigen dus waarom zeurt ‘Pieter’ zo ? Waarom gaat hij niet ‘eens eindelijk met Geert praten’? Waar is dan die tang die op dat varken slaat? Wat ‘Pieter’ wil betreft de structuur van onze rechtsstaat, de instituties. Daar wil hij er eentje aan toevoegen. Over nut en noodzaak daarvan kun je van mening verschillen en daar kun je kanttekeningen bij plaatsen, zoals ik eerder deed. ‘Geert’ tornt niet aan de structuur van onze rechtsstaat, maar aan de cultuur. Hij wil verschil in behandeling. Hij wil eerste- en tweederangs burgers. Dat is van een heel andere orde en dat zou Cliteur, als rechtsfilosoof moeten weten.


[1] Tijd voor herstel, pagina 8

[2] Nederlanders weer op 1, pagina 8

[3] Idem, pagina 34

Grondwettelijk hof

“Weet je waar ze een constitutioneel hof hebben? In de Verenigde Staten. Dat heeft vrouwen het recht op abortus afgepakt. En raad eens hoe Omtzigt stemt als het gaat om het recht op abortus.”  Aldus Francisco van Jole. Van Jole verbaast zich erover dat niemand NSC-leider Omtzigt aanvalt op zijn plannen om zo’n hof in te stellen. Dat niemand Omtzigt aanvalt vanwege de Amerikaanse ervaringen met zo’n hof, is nog niet eens zo bijzonder. Het meest bijzondere is dat niemand Omtzigt vraagt welk probleem zo’n hof moet oplossen en hoe hij zo’n hof wil vormgeven en vooral hoe hij aan de leden voor zo’n hof wil komen? Het is zo vaag dat hem erop aanvallen onmogelijk is. Bijzonder is dat niemand hem erop bevraagt, Dus dan doet de Ballonnendoorprikker het maar.

Het NSC- verkiezingsprogramma rept alleen over het probleem: “We zetten dus een grondwettelijk hof op om grondrechten te verankeren,[1] meer woorden dan dit maakt de partij er niet aan vuil. Een grondwettelijk hof om grondrechten te verankeren. Veel landen kennen een grondwettelijk hof. Rusland heeft er een. Ook heeft het land een prachtige grondwet met vrijheid van meningsuiting, vrijheid van politieke diversiteit en alle andere mooie artikelen. De werkelijkheid laat zien dat zo’n hof geen garantie is op ‘verankering van de grondrechten’. Daar is meer voor nodig. Nu kun je tegenwerpen dat ‘Rusland een slecht voorbeeld is’. Dat kan, het voorbeeld laat wel zien dat zo’n hof en de borging van grondrechten geen een-tweetje is. 

‘Slecht voorbeeld’, dan een ander. Van Jole verwijst naar de Verenigde Staten. Dat land heeft het Supreme Court of the United States. Het hof heeft, om Van Joles woorden te gebruiken, ‘vrouwen abortus afgepakt’ maar is dat een argument tegen het hof als je je realiseert dat het hof ook een belangrijke rol spelen in het ‘geven van het recht op abortus’ aan vrouwen. Dat gebeurde in 1973 met het arrest Roe v. Wade. Het arrest waar dezelfde Supreme Court vorig jaar weer afstand van nam. Pikant in deze zaak is dat de vrouw die de aanleiding was voor de initiële uitspraak later actief werd in de anti-abortusbeweging of zoals ze zich zelf noemen de pro-life-beweging. Dit even terzijde. Het wedervaren van Roe v Wade laat zien dat rechters verschillend over zaken kunnen denken en grondrechten anders kunnen interpreteren en dus dat die ‘verankering’ door de tijd verandert.

 Let wel: de coronamaatregelen waren een forse en langdurige inperking van grondwettelijke rechten, zoals het gelijkheidsbeginsel, het recht op vergadering en betoging, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het recht op onaantastbaarheid van het lichaam of het eigendomsrecht. Er is dus niet alleen een discussie of de inperking proportioneel was, bijvoorbeeld om de volksgezondheid te bevorderen – tevens een grondwettelijke opdracht – maar ook een relevante discussie of de inperkingen rechtmatig waren. Zijn bij de inperking van grondrechten de voordelen wel afdoende afgewogen tegen de grote schade? Als het enige doel van de staat is om het aantal besmettingen binnen een bandbreedte te houden, dan is dat wel een zeer beperkte taakopvatting. En meer fundamenteler: mocht het Catshuisberaad, zeker toen de crisis langer duurde, feitelijk dit soort vergaande maatregelen effectief nemen?[2] Aldus Omtzigt in zijn Thorbeckelezing. Als hij op zoek is naar ‘duidelijkheid voor altijd’, dan is het maar de vraag of een grondwettelijk hof die kan bieden. De afweging van verschillende belangen tegen elkaar, is niet objectief. Het is subjectief. Mijn afweging kan anders zijn dan de jouwe en dat geldt voor rechters precies zo. Dat liet ook de Toeslagenaffaire zien. Ook in die affaire werd de redelijkheid van een maatregel op verschillende momenten verschillend beoordeeld door dezelfde instituten.

Dan de benoeming van de leden van zo’n hof. In de VS worden rechters genomineerd door de president en voor de rest van hun leven benoemd door de Senaat. Wat er sinds 1973 is veranderd, is het politieke klimaat. Het land is tot op het bot verdeeld en gepolariseerd en het Supreme Court, of beter gezegd de benoeming van haar leden, is de afgelopen jaren onderdeel geworden van die polarisatie. Het is, onderdeel geworden van het politieke spel. De politieke opvattingen van rechters in spé zijn veel belangrijker geworden dan hun inhoudelijke kwaliteiten. Door rechters te benoemen kan een president en een meerderheid in de senaat ver over het politieke graf regeren. Zo is de 75 jarige Clarence Thomas al opperrechter sinds 1991 in functie. Via Thomas regeert de in 2018 overleden George Bush de oudere nog steeds, zelfs over zijn werkelijke graf.

Een voorbeeld van die politisering begon met het overlijden van rechter Antonin Scalia op 13 februari 2016, het jaar waarin er een nieuwe president werd gekozen om Obama op te volgen. Obama kon niet meer worden herkozen omdat hij al twee termijnen had gediend. Om de vacante plek op te vullen droeg Obama Merrick Garland voor. De Republikeinen, die op dat moment een meerderheid hadden in de Senaat gingen hier niet in mee. Zij vonden dat Obama niet over zijn graf mocht regeren en dat hij de benoeming van een nieuwe opperrechter aan zijn opvolger moest overlaten. Die opvolger, Donald Trump  droeg uiteindelijk Neil Gorsuch voor en die werd benoemd. Als ‘over het graf regeren’ een reden is om een benoeming te frustreren dan kan er geen enkele rechter worden benoemd. Door hun ‘levenslange’ aanstelling wordt er altijd over het graf van de voordragende president geregeerd. Iets meer dan vier jaar later vonden dezelfde Republikeinen het geen probleem om iets meer dan twee maanden voor het einde van het presidentschap van Trump Amy Barrett te benoemen als opvolger van de een maand eerder overleden Ruth Ginsburg.

Over het graf regeren kan worden beperkt. Dat laat Duitsland zien. Om rechter te worden van het Duitse Bundesverfassungsgericht moet je minimaal 40 jaar zijn en met 68 jaar word je van rechtswegen gepensioneerd. De ambtstermijn van een rechter bedraagt maximaal 12 jaar. Duitsland kent 16 opperrechters. De helft wordt benoemd door het Duitse parlement, de Bundestag, en de andere helft door de Bundesrat, in dat orgaan zitten door de regeringen van de deelstaten benoemde leden. Die leden zijn lid van de regeringen van de deelstaten. Aangezien er in Duitsland tot nu toe altijd in coalitie wordt geregeerd, is het risico op politieke polarisatie van de benoeming gering.

Veel verder dan ‘Thorbecke vond het ook’ komt Omtzigt niet: “De regering voegde de volgende zin aan de grondwet toe: “De Wetten zijn onschendbaar.” Uit de memorie van toelichting wordt duidelijk dat dit het toetsingsverbod behelst. Dus wetten kunnen niet getoetst worden aan de grondwet door de rechter. Thorbecke was fel tegenstander van deze toevoeging. Hij schreef: “Voor deze nieuwe spreuk zal, geloof ik, ieder als voor eene gesloten deur blijven staan.” Hij maakt zijn tegenstand duidelijk: “De grondwet zou ophouden Grondwet te zijn; en de gewone wetgever, die zijn bestaan en zijn regt enkel uit de Grondwet ontleent, boven de Grondwet wezen.[3]””  Een wel erg magere uitwerking voor iemand die zich inzet voor ‘bestuurlijke vernieuwing’.

Daarom: beste meneer Omtzigt. Hoe wilt u het grondwettelijk hof vormgeven? Hoe moet dat bijdragen aan de verankering van onze grondrechten? En om actueel te maken, hoe had zo’n hof zoiets als de Toeslagenaffaire kunnen voorkomen? En als ‘voorkomen’ een brug te ver is, hoe had zo’n hof ervoor gezorgd dat er eerder een einde aan was gekomen?


[1] Verkiezingsprogramma 2023. Vertrouwen. Zekerheid. Perspectief, Pagina 3

[2] Thorbeckelezing Pieter Omtzigt, pagina 12

[3] Idem, pagina 25-26

IJzer smeden

In mijn vorige prikker behandelde ik de ideeën van  NSC-leider Pieter Omtzigt voor een districtenstelsel. Dit in het kader van de roep om bestuurlijke vernieuwing. Nu is Omtzigt niet de enige die een en ander wil veranderen. Volgens Vinzenz Ziesemer is, zo blijkt uit een artikel bij De Correspondent, het ijzer nu heet zodat er met smeden kan worden begonnen. Dit omdat: “een groot deel van de Kamer vertrekt.” Een uitgelezen kans omdat: “vertrekkende Kamerleden stemmen niet meer over zichzelf, maar over hun opvolgers. Dat neemt de schijn van zelfzuchtigheid al wat weg.”  Is het tijd om te smeden?

Bron: Flickr

Laten we de ideeën van Ziesemer eens nader bekijken. Als eerste: “De simpelste weg is: geef Kamerleden meer medewerkers, dan kunnen ze meer dossiers tegelijk behandelen.” Nadeel hiervan, dat geld: “kan worden ingezet om meer communicatiemedewerkers in dienst te nemen.” Dat kan worden voorkomen door het extra geld toe te wijzen aan het: “Bureau Wetgeving en de Dienst Analyse en Onderzoek, die Kamerleden inhoudelijk kunnen bijstaan.” Meer geld hiervoor op de begroting kan. Dan moet de huidige Kamer de begroting van de Staten Generaal, waartoe ook de Tweede Kamer behoort, wel voor de verkiezingen vaststellen. Dus dit kan. Dit ijzer kan worden gesmeed maar of het vervolgens ook zo wordt uitgevoerd dat is aan de Kamer die we in november kiezen.

Dan een tweede plan:“meer dan 40.000 mensen tekenden bijvoorbeeld een petitie om de kiesdrempel te verhogen,  zodat de Kamerfracties groter worden – als ze met meer mensen zijn, dan kunnen ze het werk beter verdelen.” Een kiesdrempel vergt een wijziging van de Kieswet. Dat lukt niet meer voor de komende verkiezingen want ook daarvoor zal een voorstel tot wijziging van die wet geschreven moeten worden. Zelfs als een meerderheid van de huidige Kamer het eens is dat er een drempel komt en hoe hoog die drempel moet zijn, dan nog is het onhaalbaar om de Kamer daar voor de verkiezingen over te laten stemmen. Zo’n voorstel moet eerst nog in de consultatieronde en daarna nog naar de Raad van State. Eensgezindheid voor een verhoging van de kiesdrempel is er niet. Want zoals Ziesemer schrijft kan dit idee: “niet iedereen bekoren, want zo’n kiesdrempel maakt onze democratie minder representatief.” En dan gaat het nog niet eens over de hoogte van die drempel. Ik vrees dat dit ijzer niet gesmeed kan worden door de huidige Tweede Kamer.

Deze week pleitten Volt-leider Laurens Dassen en ChristenUnie-leider Mirjam Bikker voor uitbreiding van de Tweede Kamer naar 250 leden. Een idee dat ook aan bod komt in Ziesemers artikel. Dat idee vergt een wijziging van de Grondwet. Daarvoor moet een voorstel worden opgesteld en dat moet dan door de Tweede en Eerste Kamer worden vastgesteld en dan na de verkiezingen nogmaals met twee derde meerderheid in beide Kamers worden aangenomen. Het lukt nooit een voorstel dat nog niet is opgesteld voor de verkiezingen door beide Kamers te loodsen. Ja, we moeten ons democratisch systeem evalueren en wellicht aanpassen. Dat nu ‘even in twee maanden’ doen, is geen goed idee zelfs al zou het kunnen.

Nu kan het ijzer alleen heet genoeg gemaakt worden voor dat extra geld. Kan omdat dit van de wil van de huidige Kamer afhangt. Alle andere veranderingen vragen meer tijd. Andere meer ingrijpende verandering vragen niet alleen qua procedure meer tijd. Want vragen dergelijke aanpassingen niet om een  maatschappelijk gesprek. Een gesprek over ons politiek bestuurlijk systeem. Samen nadenken maar niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een vergadering die de opdracht krijgt om met ons allemaal in gesprek te gaan. Een ‘burgerberaad’ met 13.000.000 kiesgerechtigde burgers van dit land. “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[1] Zo sprak Pierre Rosanvallon in zijn Spinozalezing van 2012. Nee dit lukt niet in twee maanden. En nee, ook dit ijzer kan nu niet meteen worden gesmeed. Ook dat vraagt een wettelijk kader dat door een nieuwe Kamer moet worden opgesteld. Wat nu wel kan, is zo’n gesprek agenderen door de partijen die deelnemen aan de verkiezingen te vragen of zij kunnen instemmen met zo’n gesprek. Dan kan de nieuwe Kamer bij een positief antwoord hier meteen mee aan de slag.


[1] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 76

Grondrechten, meningen en fatsoensnormen?

In een artikel bij De Kanttekening stelt Mariska Jansen de vraag of het verbranden of verscheuren van de koran verboden moet worden. In het artikel doet, hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging de volgende uitspraak: “Bij het verscheuren en verbranden van de koran raken twee grondrechten in botsing. De vrijheid van meningsuiting om te kunnen zeggen wat je wil, versus de vrijheid van godsdienst.” Botsen er twee grondrechten bij het verbranden van een koran of welk heilig boek dan ook?

Artikel 6 van onze grondwet regelt dat ieder in ons land het recht heeft: “zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Het volgende, zevende, artikel regelt de vrijheid van meningsuiting. In het eerste lid de vrijheid van drukpers, het tweede de inhoudelijke vrijheid voor het uiten van meningen via tv of radio en het derde via welk ander middel dan ook. Het vierde lid regelt dat de eerste drie niet van toepassing zijn op het maken van handelsreclame[1].

Als iemand een bijbel of een koran verscheurt en verbrandt omdat die persoon vindt dat deze boeken mensen bedriegen of niet deugen of wat dan ook, dan uit de persoon zijn mening. Dit verscheuren en verbranden belet niemand om christen of islamiet te zijn en dat geloof te belijden. Beide artikelen geven het individu rechten. Van een botsing van grondrechten is, naar mijn opvatting, geen sprake. Ze zouden botsen als ze een individu voor het blok zetten. Niet als twee individuen met elkaar botsen. Beide individuen hebben immers dezelfde rechten. In dit geval worden de grondrechten van beide personen gerespecteerd. De vrijheid van meningsuiting van een persoon kunnen niet botsen met de vrijheid van godsdienst van een ander. Net zoals mijn vrijheid van meningsuiting niet kan botsen met die van jou. Er botsen geen grondrechten.

Wat er wel botsen, zijn meningen. De mening van de een dat een boek heilig is met de mening van een ander dat het mensen bedriegt. Beide meningen mogen er zijn en mogen worden geuit. Wat er ook botst, zijn fatsoensnormen. Fatsoensnormen over hoe we met elkaar en elkaars meningen en met boeken omgaan.  


[1] https://wetten.overheid.nl/BWBR0001840/2023-02-22

Vlaggen en achtervolgd worden door je verleden

Deze week bezocht ik de Kick off bijeenkomst voor de implementatie van de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Een, zoals het op de site van de Tweede Kamer kort wordt samengevat: “Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking.” Een bijzondere gebeurtenis rond een bijzondere wet met een bijzondere redenering.

Bron: Flickr

Een bijzondere gebeurtenis die een déjà vu bij me opriep. De zoals de Wikipedia het omschrijft: “ervaring iets mee te maken waarvan men tegelijkertijd de indruk heeft het al eerder te hebben meegemaakt, terwijl men weet dat dat niet het geval is.” Ik weet dat dit niet het geval was omdat ik nog nooit in het betreffende zalencentrum in het midden van het land ben geweest. Ook het programma en de dagvoorzitter met de vrolijk gekleurde kleren had ik nooit eerder gezien. Het déjà vu gevoel betrof de inhoud van de bijeenkomst en het enthousiasme waarmee het werd verkondigd. De ‘kokers’ doorbreken met ‘integrale aanpak’, waardoor mensen met ‘meervoudige problematiek’ door naar ze te ‘luisteren’ en vervolgens dat ene gezin, met één plan onder  de bezielende aansturing van één regisseur echt met ‘maatwerk’ te ondersteunen. Enige verschil is dat die regisseur nu coördinator wordt genoemd. Door die woordenstroom waande ik me weer in 2013. Dat dit waan was, bleek na een blik in de spiegel. In 2013 was een grijze haar op mijn hoofd een uitzondering. Nu is er wellicht nog één niet grijze te vinden. In 2013 werden die woorden gesproken omdat de grootste ‘taakverschuiving’ uit de geschiedenis van het land eraan zat te komen, de drie decentralisaties zoals ze toen werden genoemd. Een operatie waarmee het rijk de hele zorg voor de jeugd en de ondersteuning van volwassenen over de heg van de gemeente kieperde met veel minder geld erbij dan het rijk er tot dan aan had uitgegeven. Dit omdat, zoals Tof Thissen op 20 februari 2016 in een column in Dagblad De Limburger schreef: “Gemeenten zijn de meest nabije overheid en zij kunnen het beste de zorg voor mensen organiseren.”  Een column die me toen verleidde tot de Prikker met de meest pakkende titel tot nu toe: Assumption is the mother of all fuck ups. Een uitspraak uit de film Under Siege 2: Dark Territory. Een film met actieheld Steven Seagal in de hoofdrol. Het karakter van Seagal lijkt onder de trein te zijn gekomen, maar als er toch nog bad guys dood worden gevonden, vraagt het personage gespeeld door de acteur Al Sapienza of ze het lijk hebben gezien. ‘Ik zag hem vallen en ik zag bloed, dus ik nam aan dat ….’  Waarop Sapienza’s personage de volgende legendarische uitspraak doet: “Assumption is the mother of all fuck ups!”  Maar ik val in herhaling terug naar mijn inhoudelijke déjà vu tijdens die bijeenkomst. Een déjà vu dat anderen, mensen die toen al dertig jaar in de jeugdzorg werkten, in 2013 ook al hadden. Een van hen vertelde op een van de toenmalige bijeenkomsten iets als: ‘dat zeiden ze 20 jaar geleden ook al. Ik ben benieuwd of het nu wel lukt’, of woorden van gelijke strekking.

Een bijzondere wet omdat die wet de uitwisseling van persoonsgegevens mogelijk moet maken: “Dit wetsvoorstel beoogt tegemoet te komen aan specifieke knelpunten in de privacywetgeving, zodat gemeenten meer ruimte ervaren bij de aanpak van meervoudige problematiek en de benodigde afstemming en samenwerking met derden.” Aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Deze wet moet het makkelijker maken voor hulpverleners om persoonsgegevens met elkaar te delen als er sprake is van meervoudige problematiek. Dat delen is nodig omdat alleen als alle benodigde relevante informatie bij de betrokken hulpverleners bekend is, een goede afweging kan worden gemaakt voor de aanpak van die meervoudige problemen. Nu komt het te vaak voor dat hulpverleners informatie niet delen omdat ze bang zijn de regels rond de bescherming van persoonsgegevens te overtreden. Met de nieuwe Wams, zoals de wet ook wordt genoemd, wordt: “gestreefd naar het verminderen van de handelingsverlegenheid door professionals; zowel als het gaat om wat kan en mag met persoonsgegevens als het kader waarin de samenwerking binnen het buiten het sociaal domein en met de cliënt en gezinsleden moet plaatsvinden. Het wetsvoorstel geeft hiervoor de benodigde handvatten als het gaat om criteria en bevoegdheden.[1]

Of de wet hierbij werkelijk gaat helpen en vooral of deze wet er werkelijk voor zorgt dat ‘de kokers worden doorbroken’ met een ‘integrale aanpak’ met als kenmerk ‘één gezin, één plan, één regisseur, oh nee, één coördinator en dat dus een toekomstig déjà vu wordt vermeden? Ik hoop het hopen als dat correct Nederlands is, maar ik heb er een hard hoofd in. “De overheid probeert te transformeren via wetgeving die zich vooral bemoeit met de structuur. Het Rijk schuift verantwoordelijkheden van de ene naar de andere overheid en stuurt via de voor– en de achterkant. Via de voorkant door zaken vast te leggen in wet- en regelgeving en via de achterkant via benchmarks en verantwoordingsinstrumenten. Dus op een geel, blauwe manier.” Dit schreef ik in Winnen door te verliezen, een prikker waarin ik de maatschappelijke opgave en vooral de manier waarop de overheid die aanstuurt, analyseerde aan de hand van het boek Leren veranderen van Léon de Caluwé en Hans Vermaak. Dit terwijl de opgave vraagt om: “ een ‘veranderaar (in dit geval een overheid) die ‘mensen in beweging’ wil krijgen (groendruk) en een stap verder, een veranderaar die ‘ruimte creëert voor verandering’ door onder andere de kracht van mensen, hun ‘innerlijke zekerheid’ aan te spreken (witdruk). Een veranderaar die ‘leersituatie kan creëren’ en die ‘mensen motiveert tot leren’ (groendruk). Maar die vooral niet bang of ‘onzeker wordt’ van ‘dynamiek’ (witdruk).” Dit vraagt om vertrouwen en vertrouwen geef je niet bij wet.

 ‘Als informatie uitwisseling een probleem is dan vraag je toch toestemming aan de betrokken persoon om de jouw bekende informatie over die persoon met anderen te delen? Dan kan dat toch,’ zul je zeggen. Nou daar zijn vraagtekens bij gezet. Iemand kan je geen toestemming geven om de informatie te delen maar zelfs als die toestemming wel wordt gegeven, biedt dat geen voldoende basis, zo is in de memorie van Toelichting te lezen: “De AP (Autoriteit Persoonsgegevens) benadrukte daarbij ook dat gemeenten dit probleem niet kunnen ondervangen door toestemming te vragen aan betrokkenen voor het verwerken van hun gegevens, omdat er doorgaans sprake is van situaties waarin de betrokkenen afhankelijk zijn van de gemeente voor hulp. Daarbij wordt verondersteld dat betrokkenen toestemming niet in vrijheid kunnen geven.[2] En daarmee komen we bij de bijzondere redenering. Een toestemmingsverklaring is niet voldoende omdat de persoon aan wie je toestemming vraagt, in een afhankelijkheidsrelatie met de overheid zit. En dat wordt opgelost door geen toestemming meer te vragen maar gewoon uit te wisselen waardoor de afhankelijkheidspositie alleen nog maar groter wordt. Als betreffende burger heb je helemaal geen zicht en invloed meer op de informatie die anderen over je delen. Een van de gevolgen van de Toeslagenaffaire was dat de Belastingdienst ‘vlaggetjes’ bij mensen plaatste waardoor ze door andere overheidsdiensten met argwaan werden bekeken. Deze wet zou er wel eens kunnen zorgen voor een nieuwe ‘vlaggetjesaffaire’. Maar vooral herbergt de wet het risico dat mensen achtervolgd blijven door hun verleden.


[1] Memorie van Toelichting, pagina 4

[2] Memorie van Toelichting, pagina 5

Onssoortmensenrechten

“Vrij,” zo heet het boek van de van oorsprong Albanese hoogleraar politieke theorie en hoofddocent filosofie Lea Ypi. Een boek met als ondertitel “ Opgroeien aan het einde van de geschiedenis.” In het boek beschrijft ze haar jeugd in Albanië. Een jeugd waarin de val van de Berlijnse muur en het een jaar later instorten van de Albanese eenpartijstaat centraal staat. Een verwarrende jeugd zo blijkt uit het boek omdat veel niet bleek te zijn zoals het leek te zijn. De jonge Ypi dacht in het meest vrije land van de wereld te wonen en dat land bleek van de ene op de andere dag een openluchtgevangenis te zijn geweest. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het Commentaar van Bert Lanting in de Volkskrant.

Eigen foto

Volgens Bert Lanting is een visumverbod voor Russen onverstandig, zo schrijft hij in “Het is de vraag of dat het gewenste effect zal hebben. Waarschijnlijk zal het alleen maar voedsel geven aan Poetins mythe dat het Westen erop uit is Rusland en de Russen te vernederen.” Belangrijker is echter dat het dan: “voor tegenstanders van Poetin moeilijker zal worden aan zijn greep te ontsnappen.”  Wel: “moeten de EU-landen strenger worden bij het selecteren van de Russen die wél, zoals Kallas het uitdrukte, het ‘voorrecht’ om Europa te bezoeken verdienen.” Nu gaat het mij in deze column niet om dat visum, maar om het voorrecht. Dat voorrecht is een uitspraak van de Estse premier Kaja Kallas die de ‘nuchtere vaststelling’ deed: “Europa bezoeken is een voorrecht, geen mensenrecht.”

Nederland en ook de andere Europese landen protesteren terecht tegen landen, zoals Noord-Korea, die reizen naar andere landen onmogelijk maken. Zo’n land is in de basis één grote openluchtgevangenis waarbij grensbewaking vooral gevangenenbewaking is en minder het voorkomen van ongeoorloofd binnentreden. Dergelijke protesten waren ook voor het vallen van de Berlijnse muur te horen ten opzichte van de Sovjet Unie en de andere landen van het voormalige Oostblok. Deze landen maakten het hun burgers onmogelijk om naar het Westen te reizen en op mensen die ‘over de muur’ wilden vluchten werd zelfs geschoten. Dit zijn duidelijke schendingen van artikel 13 tweede lid van de Universele Verklaring voor de rechten van de Mens. Dit artikel stelt dat iedereen: “het recht (heeft) welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.” Dus ook iedere Rus heeft het recht zijn land te verlaten. Nu is een land verlaten iets anders dan een land bezoek. Of toch niet?

Ik schreef al vaker over negatieve vrijheid, de vrijheid van onderdrukking en dwang en positieve vrijheid, de vrijheid om iets te kunnen doen. Een land dat haar inwoners belemmert om naar een ander land te reizen, beperkt de (negatieve) vrijheid van haar inwoners. Het belemmert hen in hun handelen en in dit geval zelfs in handelen dat tot de mensenrechten behoort, namelijk het recht om je land te verlaten.

De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens bevat geen artikel dat bepaalt dat iedereen het recht heeft om naar de Europese Unie te komen. De spiegel van ‘het verlaten van welk land ook, met inbegrip van het zijne’ is echter het bezoeken van een ander land. Om bezoek te reguleren, te weten wie er op bezoek komt, is onder andere het visumsysteem in het leven geroepen. Het ‘verlaten’ van een land wordt onmogelijk als andere landen je niet toelaten. Dan heb je niets aan je negatieve mensenrecht om je land te kunnen verlaten omdat de andere landen je positieve vrijheid, je mogelijkheid om je land te verlaten, beperken. Dus ja, het negatieve mensenrecht van de Russen wordt met een visumverbod niet aangetast, hun positieve mensenrecht, de mogelijkheid om hun land te verlaten, echter wel.

En daarmee kom ik bij de reden waarom ik aan Ypi moest denken. In hoofdstuk 13 met als titel Iedereen wil weg schrijft ze over Albanezen die hun land willen verlaten om elders een beter bestaan op te bouwen. De eersten lukt dat, maar al snel doen zich hierbij onverwachte problemen voor. Symbool voor de eersten staat het schip de Partizani dat met een groep vluchtelingen aan boord wordt verwelkomt in Italië. Een ander schip, de Vlora, dat iets later en volgepakt met mensen de overtocht maakt, staat centraal voor de moeilijkheden. De vluchtelingen worden in Italië in een stadion ondergebracht  en van daaruit moeten ze weer terug. Ze zijn niet meer welkom. Wat was er veranderd in die korte tijd? Ypi: “In het stadion verspreidde zich het gerucht dat, omdat ons land technisch gezien geen communistische staat meer was, verzoeken om politiek asiel waarschijnlijk zouden worden afgewezen. In plaats daarvan zouden de nieuw aangekomenen beschouwd worden als economische migranten. Dit was een nieuwe, onbekende categorie.[1]Een nieuwe, nu zeer bekende categorie die nu door menigeen gelukszoekers worden genoemd. En dan concludeert ze: “Misschien was bewegingsvrijheid wel nooit echt belangrijk geweest. Het was gemakkelijk om die te verdedigen als iemand andere het vuile werk van gevangenschap opknapte. Maar welke waarde heeft het recht om te vertrekken als het recht om elders binnen te komen ontbreekt? Waren grenzen en muren alleen maar verwerpelijk als ze dienden om mensen binnen, in plaats van buiten te houden?[2]  

Terechte vragen. De antwoorden die Europa en het Westen er met hun daden op geven zijn niet erg fraai en doen hun ‘morele woorden’ over diezelfde rechten geen goed. Hoe mooi Kallas het ook formuleert, mensen weigeren omdat ze Rus zijn, is een schending van de mensenrechten.


[1] Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, pagina 198

[2] Idem, pagina 203

Rechten, meningen in de openbare ruimte

Mensen houden er bijzondere redeneringen op na. Zo las ik de volgende in de Volkskrant: “De vlaggen hangen als landelijk vreedzaam protest in de openbare ruimte en die is van iedereen. Hier wordt de vrijheid van meningsuiting geschonden’, redeneren de boeren.” Of het werkelijk boeren zijn die zo redeneren weet ik niet maar daar gaat het mij ook niet om. Het gaat mij om de uitspraak dat de openbare ruimte van iedereen is en dat het weghalen van daar opgehangen vlaggen een schending is van de vrijheid van meningsuiting.

Bron: Pixabay

Als er in Nederland, en trouwens ook in de andere westerse landen, iets heilig is, dan is dat eigendom. Dat is heilig, daar moet je van afblijven. Ja, dat kan worden onteigend maar dat dient dan wel gecompenseerd te worden. Dat is niet iets van tegenwoordig. Dat is trouwens ook de reden dat de slavenhouders werden gecompenseerd voor het verlies van hun slaven. Iets waarvan Marvin Hokstam in het interview bij De Kanttekening waar mijn vorige prikker over handelde, van zei: “Probeer maar eens te bevatten op hoeveel fronten dat niet klopt.” Als je het onvervreemdbare recht op eigendom bekijkt, dan is compensatie van de slavenhouders ineens niet meer zo vreemd. Het mag dan op ‘hoeveel fronten’ niet kloppen, vanuit het onvervreemdbare recht op eigendom klopt het. Dit even terzijde.

Veel grond in Nederland is in handen van particulieren. Een zeer flink deel hiervan is in handen van boeren. Het Kadaster houdt bij van wie welk stuk grond is. Dat die grond je eigendom is, wil niet zeggen dat je ermee kunt doen en laten wat je wilt. De Nederlandse wet- en regelgeving beperkt je in je vrijheid om dat grondbezit te gebruiken. Het eigendomsrecht van grond geeft je nog niet het recht om er zomaar een huis op te bouwen of er afval op te deponeren. Als je er als boer mest op wilt uitrijden dan moet je je daarbij aan de daarvoor geldende regels houden.

Naast grond in eigendom is er ook de openbare ruimte. Openbare ruimte is voor iedereen toegankelijk. Niemand kan erop geweerd worden. De openbare ruimte is de verbinding tussen ‘private ruimtes’. Daarom zijn ze ook voor iedereen toegankelijk. Was dat niet het geval, dan kon niemand zijn huis of perceel verlaten zonder aan iemand toestemming te vragen. De openbare ruimte is daarmee voor iedereen maar dat wil niet zeggen dat ze ook van ‘iedereen’ is. Een groot deel van de openbare ruimte is eigendom van overheidsorganen, van het Rijk, bijvoorbeeld de rijkswegen, van de provincies, gemeenten of de waterschappen. Maar ook stichtingen, zoals Natuurmonumenten en in de contreien waar ik woon het Limburgs Landschap, kunnen eigenaar zijn van openbare ruimte.

Dat iedereen de openbare ruimte mag gebruiken, wil ook niet zeggen dat alles erop is toegestaan. Ook het gebruik van de openbare ruimte is onderhevig aan dezelfde wet- en regelgeving. Zo is de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing op: “voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten,” aldus artikel 1 eerste lid onder c. Dat betekent dat deze wet van toepassing is op alle vlaggen die aan bruggen viaducten en lantaarnpalen worden gehangen. De wet bepaalt dat het een ieder is: “verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.” Het opzettelijk storten van asbest, banden, strobalen en stront en het in brand steken hiervan is daarmee verboden en ook het ophangen van vlaggen, al dan niet op de kop, kunnen het verkeer hinderen. Zelfs het zonder toestemming van de wegbeheerder met een tractor rijden op een autoweg of autosnelweg is verboden.

Dan het grote goed van de vrijheid van meningsuiting. Het staat iedereen vrij zijn mening te uiten, ook in de openbare ruimte. Dit natuurlijk behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Over die verantwoordelijkheid voor de wet, specifiek de Wegenverkeerswet, heb ik het hierboven al gehad. En nee, het storten van rommel op wegen en het stichten van brand valt niet onder het uiten van je mening. Een mening uit je met woorden en eventueel met symbolen zoals een omgekeerde vlag. En ja, je mag je mening uiten in de openbare ruimte. Je mag er zelfs demonstreren. Daarvoor moet je wel eerst een vergunning aanvragen. Een vergunning die slechts bij hoge uitzondering geweigerd zou mogen worden zoals ik al eerder betoogde.

Dus, ja een symbolisch omgekeerde vlag valt onder de vrijheid van meningsuiting. Je mag ermee zwaaien om je mening te uiten. Je mag ze aan je eigendom hangen maar doe het wel degelijk want als ze loswaait en op een voorbijrijdende auto komt, dan ben je aansprakelijk. Je mag ze niet ongevraagd aan andermans eigendom hangen en dus ook niet aan lantaarnpalen, bruggen, viaducten en bomen langs de weg. Daarvoor moet je eerst toestemming vragen aan de eigenaar. Nu zijn ze toch opgehangen en hebben ze er een tijdje gehangen. Dat deze illegaal opgehangen vlaggen vervolgens worden verwijderd, betekent niet dat de vrijheid van meningsuiting wordt aangetast. Indien bekend is van wie de vlag is, kan de eigenaar van de openbare ruimte de kosten ervan zelfs op die persoon verhalen.

Trouwens. Als je mening uiten door een omgekeerde vlag aan elementen in de openbare ruimte zoals bomen, bruggen viaducten en lantaarnpalen op te hangen wel zou mogen, zou het weghalen door een willekeurige andere die zich beroept op een andere mening daar dan ook niet onder vallen? Die ander heeft dan immers evenveel recht om zijn mening te uiten. Een reden te meer om uiterst terughoudend om te gaan met het op die manier uiten van meningen.