De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

Waarheid en feiten

Правда of ‘Waarheid’ zo heette de partijkrant van de communistische partij van de Sovjet Unie. Ten tijde van de Sovjet Unie was het de belangrijkste krant van het land. En, zoals de naam suggereert, was dat wat erin stond de ‘waarheid’. Tenminste, voor de inwoners van het grote Sovjetrijk. Trouwens ook partijkrant van de CPN, de Communistische Partij Nederland droeg die naam en publiceerde de ‘waarheid’, tenminste voor de aanhangers van die partij. Andere kranten publiceerden andere ‘waarheden’ en daarin verschilde Nederland van de Sovjet Unie. Dat land kende ook andere kranten zoals Известия, Izvestia wat ‘berichten’ of ‘mededelingen’ betekent, maar die kranten publiceerden in de Sovjettijd dezelfde waarheid als de Правда.

Bron: WikimediaCommons

Ik begin hierover omdat ik bij ThePostOnline een column las van het filosofisch ingestelde SP-kamerlid Ronald van Raak. “Je leert het op elke filosofiecursus, je leest het in elk filosofenblad: dé waarheid bestaat niet. Dat is gemakkelijk gezegd, maar wat betekent dat eigenlijk? Is dan niets, of juist alles waar? Of moet je gewoon zélf bepalen wat waar is en wat niet?” Zo begint Van Raak en legt vervolgens de link met de coronacrisis: “Denk aan de ‘bekende Nederlanders’ die de informatie over Corona niet willen accepteren en liever vasthouden aan hun eigen ‘viruswaarheid’. Niet zozeer gebaseerd op de gegevens van artsen of de argumenten van onderzoekers, maar vooral ingegeven door hun eigen wil en hun eigen gevoelens”. Denken dat, zo betoogt Van Raak, in navolging van de Duitse filosoof Nietsche, berust: “in de absurditeit van het leven,” en ons maakt tot: “Goden van het eigen gelijk.”  Een god van het eigen gelijk omdat Nietsche de filosoof was die God dood verklaarde waardoor de mens zijn eigen god werd. Dat lijkt Van Raak een erg kwetsbare positie: “ Want wat als jij toch geen gelijk blijkt te hebben, als dat wat jij vindt en voelt tóch niet waar blijkt te zijn? Wat blijft er dan nog over? Niet veel anders dan een vallen en een dolen door een oneindig niets.”

Zoals ik al eerder schreef heeft de mens verhalen nodig. Verhalen die mensen in groepen verbinden en dan ook meteen van andere mensen onderscheiden. God is zo’n verhaal voor mensen die niet voldoende hebben aan het antwoord dat paleontoloog John de Vos recentelijk gaf: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Zo was of is ook het communisme zo’n verhaal. Wel een verhaal dat op een belangrijk punt verschilt van de ‘goddelijke komedie’. Zo wordt de communistische hemel op Aarde gesitueerd maar dan wel in de toekomst en dus net buiten bereik van de levende mens. 

Wat de ‘communistische’, de ‘goddelijke’ en de ‘viruswaanzinige’ waarheid gemeen hebben, is dat feiten er een ondergeschikte geringe rol in spelen. Een filosofiecursus leert je wellicht dat dé waarheid niet bestaat. Als het goed is leert diezelfde cursus je wel het verschil tussen theorieën en opvattingen of meningen aan de ene kant en feiten aan de andere kant. Want, om een bekend spreekwoord te verhaspelen: al is je waarheid nog zo snel, de feiten achterhalen haar wel.

Sympathy is what we need my friend

Recentelijk kwam, na ruim tweehonderdvijftig jaar, eindelijk de Nederlandse vertaling van The Theory of Moral Sentiment van Adam Smith uit. In het Nederlands vertaald als De theorie over morele gevoelens. Dat het iets na het midden van de achttiende eeuw uitkwam, wil niet zeggen dat het niet actueel kan zijn. En inderdaad, al redelijk in het begin (afdeling 1 hoofdstuk 4) kwam de actualiteit binnen en moest ik denken aan, om die moderne termen er maar eens in te gooien, echokamers en filterbubbels.

Eigen foto

Op de site Filosofie geeft Natascha Rietdijk een goede definitie van het begrip echokamer: “een situatie waarin jij je eigen mening steeds herhaald en bevestigd hoort. Dat echo-effect zorgt ervoor dat je nog overtuigder raakt van je eigen standpunt, waardoor ideeën snel kunnen radicaliseren” In de echokamer wordt het eigen gelijk en de eigen overtuigingen een dogma en straalt men, zoals Rietdijk schrijft: “een extreem scepticisme over de argumenten van buitenstaanders,” uit. Die echokamer wordt nog versterkt door het fenomeen filterbubbel, algoritmes van de zoekmachine die zich aanpassen aan jouw voorkeuren. Als jij en ik eenzelfde zoekwoord intypen dan krijgen we andere resultaten voorgeschoteld. Resultaten die zijn gebaseerd op onze eerdere zoekopdrachten en surfgedrag.  

Terug naar Smith. De eerste afdeling van zijn boek handelt over, om de titel aan te halen: “Het gevoel voor het moreel aangepaste”. Het centrale begrip is sympathie. Om de voetnoot van de vertaler aan te halen: “Smith gebruikt het woord ‘sympathie’ veelal in de betekenis die de etymologie van het woord suggereert: het is afgeleid van het Griekse werkwoord συμ-πάθεια dat letterlijk ‘mede-lijden’, ‘mede-ondergaan’ betekent.”  Volgens Smith is sympathie een kwestie van afstemming tussen de lijder en de mede-lijder. Afstemming die moet leiden tot harmonie. Smith: “Om deze harmonie te creëren leert de natuur de toeschouwers de omstandigheden van de directbetrokkenen tot de hunnen te maken, zoals ze de laatste leert zich in zeker mate in te leven in de toeschouwers. Zoals zij zich voortdurend verplaatsen in zijn situatie en aldus emoties vormen die lijken op wat hij voelt, zo verplaatst hij zich voortdurend in hun situatie en krijgt zodoende een idee van de mate van koelheid waarmee, zoals hij beseft, ze zijn lot bezien.” En dan komt het bijzondere in het betoog van Smith. Volgens Smith is het voor de gemoedsrust van de lijder beter om dit ‘afstemmen’ te doen met onbekenden. Sympathie die we bij vreemden constateren leidt, zo betoogt Smith, tot de grootste mate van gemoedsrust want: “wanneer we überhaupt meester over onszelf zijn, zal de aanwezigheid van een kennis ons werkelijk kalmeren, meer dan de aanwezigheid van een vriend, en de aanwezigheid van een gezelschap van vreemden weer meer dan die van een kennis.”  Sympathie van onbekenden zorgt, volgens Smith, voor meer gemoedsrust: “ten overstaan van hen dwingen we ons tot nog meer kalmte, en proberen steeds ons gevoel te verlagen tot het niveau waarvan we mogen verwachten dat het gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.”

Ik moest denken aan ‘echokamers’. Daar kom je gelijkgestemden tegen. Gelijkgestemden waarmee je je gevoel veel minder hoeft te verlagen en je dus veel makkelijker hoog in je emotie blijft zitten. Daarvan zien we vele voorbeelden. We zien ‘kamers’ die ons land als door en door racistisch zien en ook ‘kamers’ waar men in iedereen die van elders komt een vijand ziet. Echokamers die worden versterkt door filterbubbels. Zo is er ook een ‘kamer’ die het coronavirus ontkent. In die bubbel gebruikt de overheid het ‘spookvirus’ om onze vrijheden af te nemen. Die ‘kamer’ deed deze week van zich spreken via #ikdoenietmeer mee. Een hoog emotionele actie.

De nasleep van die actie liet een mooie bevestiging zien van het denken van Smith: de uitzending van Jinek met ‘influencer’ Famke Louise. Eerst gaat Jinek met veel emotie het gesprek met Famke Louise aan.  Ze wast haar min of meer de oren, maar tot een echt gesprek komt het niet. Een schoolvoorbeeld van twee personen die hoog in hun eigen waarheid zitten en zich niet in elkaars positie probeerden in te leven. Ze probeerden niet mee-te-lijden.

Gelukkig zat ook ic-specialist Diederik Gommers aan tafel. Gommers ‘verlaagde zijn gevoel’ en ging op een kalme manier opzoek naar contact met Famke Louise. Gommers verplaatste zich in haar situatie en dat maakte dat Famke Louise hetzelfde deed. Ze kwamen, om Smith aan te halen, op: “het niveau waarvan we mogen verwachten dat het specifieke gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.” Een niveau waarnaar het gros van de Nederlandse samenleving zich kan voegen. Een niveau waarbij we met elkaar mee-lijden. Een prachtig voorbeeld van Smiths theorie dat sympathie voor onbekenden voor meer gemoedsrust zorgt. Helaas zijn  dergelijke voorbeelden tegenwoordig zeer schaars.   

Probleem van de vluchteling

Het kan niemand zijn ontgaan dat het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos door branden grotendeels is verwoest. Toch heeft die brand relatief weinig commotie en verontwaardiging veroorzaakt. In het programma De Vooravond geeft jurist en auteur Roxane van Iperen een goede verklaring voor dit gebrek. Volgens haar is het een gevolg van een proces van ontmenselijking van de vluchtelingen. Een interessante verklaring waarbij ik moest denken aan het boek  Het kwaad. De psychologie van onze duistere kant van Julia Shaw. Eerst het proces van ontmenselijking van Van Iperen.

Eigen foto

Een proces dat begon met het afschuiven van het probleem naar ‘de regio’, waar de vluchteling moet worden opgevangen. Een regio waartoe Nederland nooit hoort. Zelfs niet als het wel het geval is, zoals in het geval van de Venezolaanse vluchtelingen die naar de Antillen vluchten. Dan moeten de grenzen dicht. Vervolgens worden vluchtelingen ‘gelukzoekers’, niet op zoek naar veiligheid maar uit op ‘onze welvaart’. Die Gelukzoekers die samen een ‘tsunami’ vormen die ons ‘overspoeld’. Vervolgens worden het terroristen, verkrachters enzovoort. Zo wordt een maatschappelijk ‘probleem’ vakkundig buiten ons geplaatst. En toen moest ik aan Shaw denken. In haar zoektocht naar, en verklaring van het kwaad kan zij niet om nazi-Duitsland heen. Shaw haakt aan bij de levensgeschiedenis van Martin Niemöller. Niemöller begon als aanhanger van Hitler, maar toen hij zag hoe funest de nazipolitiek uitpakte verzette hij zich en belandde uiteindelijk in concentratiekampen. Niemöller is de dichter van een van de bekendste protestgedichten:

Eerst kwamen ze voor de socialisten en ik zei niets. 
Omdat ik geen socialist was.
Toen kwamen ze voor de vakbondsleden en ik zei niets.
Omdat ik geen lid was.
Toen kwamen ze voor de Joden en ik zei niets.
Omdat ik geen Jood was.
Toen kwamen ze voor mij, en er was niemand over
om voor mij iets te zeggen.

Nazipolitiek die ook begon met het ontmenselijken van anderen en hen te benoemen als Untermenschen.  Tegenstanders die vervolgens één voor één werden uitgeschakeld op een manier die Niemöller in zijn gedicht beschrijft. Shaw over deze uitspraak: “Voor mij maakt hij duidelijk hoe gevaarlijk het is de problemen van de maatschappij als de problemen van iemand anders te zien. Het gaat over de medeplichtigheid die het gevolg is van niets doen. En we vragen ons af waarom we zo vaak niets doen als anderen om ons heen lijden.”

Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen. Dus daarom doen ‘we’ (de Nederlandse regering) zo vaak niets. Ook nu weer. Ja, er wordt naarstig overlegd door de regeringspartijen om tot een ‘oplossing’ te komen. Een ‘oplossing’ die niets oplost behalve dat ze de ‘vrede’ in de coalitie handhaaft.

Een debat dat draait om het ‘vluchtelingenprobleem’, de eventuele problemen die vluchtelingen hier kunnen veroorzaken. En om die problemen te voorkomen, wordt de deur dicht gehouden. Een oplossing die tot situaties leidt zoals op Lesbos, enkele andere Griekse eilanden maar ook in Italië. Een oplossing die ervoor zorgt dat de kosten van een tocht naar Europa zeer hoog worden. Een paar duizend euro voor een ‘boottocht’ naar Lesbos terwijl je voor nog geen € 150 van Turkije naar Amsterdam kunt vliegen. Een oplossing die ervoor zorgt dat mensen in gammele bootjes proberen in Europa te komen. Een oplossing die geen oplossing is.

Waarom vlucht iemand? Een hek om Syrië zetten, maakt het binnen dat hek niet veiliger. Een ‘gesloten deur’ voor economische vluchtelingen, maakt niet dat de economische situatie in het land van vertrek verbetert. Die oplossing is alleen te vinden als we in plaats van het ‘vluchtelingenprobleem’ het ‘probleem van de vluchtelingen’ centraal stellen. Als de veiligheid ‘binnen het hek’ wordt verbeterd, als de economische situatie in het land van vertrek verbetert, pas dan wordt er gewerkt aan het probleem van de vluchteling. Als we dat doen zal het huidige ‘vluchtelingenprobleem’ voor het grootste deel verdwijnen.

Shaw vraagt zich af hoe ‘Hitler’ mogelijk werd. Daarbij onderscheidt zij verschillende soorten medeplichtigen. Als eerste de ‘omstanders: “degenen die niet in de ideologie geloofden en niet betrokken waren bij de nazipartij, maar die getuigen waren of wisten van de wreedheden en niet optraden.” Als tweede de groep die: “in de retoriek geloofden, die geloofden dat ze de wereld door middel van een etnische ‘schoonmaak’ hielpen verbeteren en wier overtuigingen en optreden bij elkaar pasten.” Als laatsten: “degenen die niet in de nazi-ideologie geloofden, maar die het gevoel hadden zat ze geen andere keus hadden dan zich bij de nazipartij aan te sluiten of die geloofden dat een lidmaatschap hun persoonlijke voordelen opleveren.” De Ballonnendoorprikker wil niet behoren tot de medeplichtigen. Daarom laat hij zijn stem horen. Of beter, laat hij zijn toetsenbord spreken.

Woke? Wake up!

“Waar de millennial zich kenmerkt door een behoefte aan authenticiteit en duurzaamheid, gaat de nieuwe generatie jongeren, aangeduid als Generatie Z en geboren na 1995, namelijk nog een stap verder: ze zijn woke. Dit vertaalt zich als: alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht. ‘GenZ’ is in toenemende mate op zoek naar bedrijven waar zij haar woke mentaliteit terugvindt. Ze komt in actie door keuzes te maken met haar portemonnee. Activisme 2.0.” Dit schrijft Nadine Ridder in een artikel bij OneWorld. Daarom is het activisme van Bol.com om zwarte piet uit het assortiment te gooien, volgens Ridder ‘niet heldhaftig’ maar gewoon een soort ‘reclame’ omdat dit het goed doet bij een jonge progressieve doelgroep. Juist ja, de ‘woke GenZ’. Het eerste wat er bij mij opkwam was een diepe zucht …… .

Stay Woke | A word cloud featuring "#Stay Woke". This is li… | Flickr
Bron: Word Cloud by www.epictop10.com

Als tweede dacht ik aan de laatste aflevering van de serie Years and Years die ik het afgelopen weekend bekeek. Een serie die qua lengte geen uitdaging is voor een notoire binge watcher. Zes afleveringen van bij elkaar net geen zes uur. Die kun je makkelijk in een avond bekijken. Een dystopische maar toch vrolijke serie die zich afspeelt in post-Brexit Engeland tussen nu en 2030. Zeer de moeite van het kijken waard omdat het een mogelijke, niet zo fraaie nabije toekomst schetst. Een toekomst die niet ver is gezocht maar die voortborduurt op zaken die we in het nu kunnen herkennen en ze net één stapje verder doorvoert. Dat doorvoeren levert geen fraaie samenleving op.

Eerst terug naar het artikel van Ridder. Volgens Ridder is die nieuwe generatie dus: “alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht.” Nu loop ik geregeld door mijn woonplaats Venlo en sinds een aantal jaren kent onze stad een Primark. De winkel ligt op een zeer prominente plek in de stad. De huurprijs van panden op zo’n plek is vaak niet mals. In de winkel wordt kleding verkocht tegen zo’n lage prijzen dat je er wel heel veel moet verkopen om de huur van het pand terug te verdienen en de salarissen van het personeel van kan betalen. Laat staan het betalen van een eerlijk salaris aan de makers ervan. Nu wordt er ook heel veel gekocht. Met name jeugdigen lopen er de deur plat. Jeugdigen, ja precies die ‘Woke GenZ’. En dat is niet de enige winkel die ‘wel vaart’ bij ‘GenZ’. Ook de Amazons, Bol.commen, Zalando’s et cetera van deze wereld worden driftig bezocht.

Als die ‘GenZ’ werkelijk ‘woke’ is en ‘alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht’, dan vraag ik me af waarom ik ze bij de Primark zie binnenlopen. Waarom er zoveel online wordt geshopt? Waarom er bij Zalando tien setjes worden besteld om er vervolgens negen terug te sturen. Nu zijn zij niet de enigen die daar kopen, ook mensen van ‘andere generaties’ lopen daar naar binnen. Net zoals er ook mensen van ‘andere generaties’ alert zijn op racisme, ongelijkheid en onrecht. Zou ‘GenZ’ zich op dit punt werkelijk onderscheiden van ‘andere generaties’? Of is dit, zoals ik al eens eerder schreef, gewoon geleuter over generaties?

Voor wat betreft het ‘woke’ deel, moest ik aan die laatste aflevering van Years and Years denken. Dit vanwege een ‘toespraak’ van oma Muriel. Alle kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn op bezoek, zoals vaker in de serie en ze zitten samen aan de tafel. Oma Muriel vraagt aan de ‘huiscomputer ‘senior’ hoeveel dagen er zijn verstreken sinds de millenniumwisseling en dan geeft ze haar kinderen en zichzelf de schuld van de ellende waarin de Britten zich bevinden. Dan zegt ze, af en toe onderbroken door een van haar kleinkinderen: “The banks, the government, the resession, America, mrs. Rourke (de Engelse premier), every single thing that has gone wrong is your fault. … Because we are, every single one of us. We can sit here all day blaming other people, we blame the economy. We blame Europe, the opposition, the weather. And than we blame the vast sweeping tides of history you know. Like the’re out of our control at whistle helpless and little and small.  But it is still our fault You now why?”  En vervolgens analyseert ze waar het fout is gegaan: “It’s the one pound t-shirt, a t-shirt for one pound. The t-shirt we can’t resist it. Every single one of us we see a t-shirt that costs one pound and we think: oh that’s an bargain. I love that and we buy it. Not for best friend but nice little t-shirt for the winter to go underneath that’ll do. And the shopkeeper gets five miserable pence for that t-shirt. And some peasant in a field gets paid 0,01 pence and we think thats fine. All of us. We hand over our quid and we buy into that system for life. I saw it all going wrong when it began in the supermarkets. When they replaced all the women on the till with those automated check outs. … Twenty years ago they first popped up, did you walk out? Did you write letters of complain? Did you shop elswhere? No, you huffed and you puffed and you put up wit it. And now all those women are gone and we let it happen. … And I think we like them, those checkouts. We want them. Because it means that we can stroll through, pick up our shopping and we don’t have to look that woman in the eye. The woman who’s paid less than us. She’s gone. We got rid of her. Sacked! Well Done! So yes: it’s our fault this is the world we built!”

Hoe ‘woke’ ben je als je je druk maakt om ‘zwarte piet’ en vervolgens bij de Primark of via Bol.com en Amazon koopt? Bedrijven die niet bekend staan om hun riante beloning van, en goede omgang met hun personeel?

Plato en het kabinet

De afgelopen decennia hebben we een keur aan politieke avonturiers voorbij zien komen. Vaak kwamen ze op de slippen van een gevestigde partij de Kamer of het kabinet binnen, soms op eigen kracht. Meestal halen ze het niet. Aan een van die avonturiers moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat minister Schouten een voorgenomen maatregel met betrekking tot het veevoer weer introk. Ik moest eraan denken omdat dit de ‘zoveelste’ maatregel in korte tijd is die wordt aangekondigd en vervolgens weer ‘verwaait’ in de storm van de publieke opinie. Minister de Jonge ging haar zeer recent nog voor met een aangekondigde ‘verplichte quarantaine. Ik moest denken aan Jan Dijkgraaf de lijsttrekker van GeenPeil. Een partij die in 2017 zonder succes aan de verkiezingen deelnam. En ik moest denken aan Plato.

File:Plato. Etching by D. Cunego, 1783, after R. Mengs after Raph ...
Bron: https://wellcomecollection.org/works?query=plato

Eerst Dijkgraaf. Dijkgraaf werkte als journalist voor diverse media en is nu actief als columnist bij The Post Online alwaar hij ‘briefjes’ schrijft aan iemand die er in zijn ogen weer een puinhoop van maakt. In 2016 besloot hij dat hij ook wel de politiek in wilde en werd lijsttrekker van de partij GeenPeil. Het bijzondere van de partij GeenPeil was dat zij geen plannen, ideeën, visies of wat dan ook had. Nee, de partij zou haar stem in de Kamer laten afhangen van een snelle poll op haar site. Als de meerderheid van de deelnemers aan de poll ‘voor’ een voorstel zou zijn, dan zouden de fractieleden van GeenPeil ook ‘voor’ stemmen. Dijkgraaf en Geenpeil brachten daarmee het zijn van Kamerlid terug tot ‘Ja-knikker of Nee-schudder’. Maar dan wel een duurbetaalde want een Kamerlid vangt momenteel minimaal € 116.000 per jaar. Dit exclusief de vergoedingen voor reis-, verblijf- en beroepskosten.

Ik moest aan Dijkgraaf en GeenPeil denken omdat de handelswijze van het kabinet verdacht veel lijkt op de werkwijze van Dijkgraafs GeenPeil. Een werkwijze die erop neerkomt dat er een maatregel wordt aangekondigd en vervolgens wordt er gekeken hoe die in de samenleving valt. Is er veel verzet, dan gaat het niet door. Dan wordt de maatregel schielijk ingetrokken zoals Schouten en De Jonge recentelijk deden. Een kabinet dat het beleid afhankelijk maakt van de hardst schreeuwende. Dit zagen we ook afgelopen maart rond de sluiting van de scholen vanwege COVID-19. Onder druk van bezorgde docenten en ouders werden de scholen gesloten terwijl er volgens deskundigen geen aanleiding voor was. Bedrijven piepen en meteen wordt er iets geregeld waarbij de hardste schreeuwers (bijvoorbeeld de KLM) het eerste worden geholpen. Schreeuw hard en je krijgt je zin.

Ik moest vervolgens aan Plato denken. Aan zijn boek De ideale staat waarover ik al eerder schreef naar aanleiding van zijn omschrijving van de ‘ideale politicus’. Even vooraf Plato was geen aanhanger van de democratie. Nee, hij was voorstander van een aristocratie, wat voor hem betekende een regering van de besten. Plato: “Wanneer een democratische samenleving met zijn dorst naar vrijheid in handen valt van minderwaardige politieke slijters en zich bedrinkt aan drank met een onverantwoord hoog vrijheidspercentage, zal men de regering aanvallen als die niet de uiterste soepelheid toont en de bevolking een enorme vrijheid laat, en haar beschuldigen van een vuige reactionaire mentaliteit. … Mensen die met de regeringspolitiek instemmen verwijt men slaafse houding en men scheldt ze uit voor onbenullige meelopers. Zowel in het maatschappelijk als in het persoonlijk leven is dan het streven gericht op een nivellering, waarbij niet meer duidelijk is wie leiding geeft en wie leiding krijgt, en men bewondert leiders die zich als ondergeschikten gedragen.” Zo schreef Plato bijna vijfentwintighonderd jaar geleden. Deze passage kwam in mij op. Want vertoont ze niet enige gelijkenis met de Nederlandse politiek van nu?