De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
‘Hee, kijk, de keizer loopt in zijn blootje!’ Roept een kind in het sprookje De Nieuwe kleren van de Keizer van Hans Christian Andersen als de ijdele keizer in de zijn van alleen voor slimme mensen zichtbare stof gemaakte ‘nieuwe kleren’ showt. Ik moest hieraan denken toen ik hoorde dat minister Van der Wal een door BBB-fractievoorzitter Van der Plas en door de NSC onderschreven ingediende motie om in Europa tegen de Natuurherstelwet te stemmen, met tegenzin ging uitvoeren.
“Onze eerste prioriteit is het bestuur van Nederland te veranderen, te herstellen. Ons programma begint niet met oplossingen voor problemen, maar met oplossingen voor het bestuur.” Aldus Pieter Omtzigt in het voorwoord van Tijd voor herstel. Vertrouwen. Zekerheid. Perspectief¸ het verkiezingsprogramma van NSC. Die ‘oplossingen voor het bestuur’ worden in het eerste hoofdstuk van het verkiezingsprogramma verder uitgewerkt. Daar is te lezen: “Aan overheidsbesluiten stellen we de eis dat deze zorgvuldig tot stand komen, consequent worden uitgevoerd en kritisch worden getoetst. Hierbij dient het algemeen belang voorop te staan en de mens centraal.[1]” En onder het kopje Het waarborgen van de democratie twee pagina’s verder, wordt het wat concreter gemaakt: “De regering en het parlement zijn verantwoordelijk voor integrale afwegingen in het algemeen belang van het land. De regering kan en moet uiteraard overleggen met relevante organisaties in de samenleving om goed beleid te kunnen ontwikkelen. Maar het parlement is geen stempelmachine voor akkoorden met sectortafels. Het afwegen van brede maatschappelijke belangen is voorbehouden aan de politiek.[2]” Hierbij wordt, door deze woorden vet af te drukken en te onderstrepen, de nadruk gelegd op integrale afweging. Nog iets verder lees ik: “Belangrijke wetten zullen in detail behandeld worden en per artikel. Een kleine fout in een wetsartikel heeft immers grote gevolgen. De (Grond)wet zal zo gewijzigd worden dat aangenomen wetten in zijn geheel in werking moeten treden binnen een periode na aanname door de Staten-Generaal en dat suppletoire begrotingen alleen in absolute noodsituaties kunnen leiden tot uitgaven zonder instemming van de Staten-Generaal.[3]” Met weer vet en cursief de woorden waarop volgens de partij de nadruk ligt. Punten waar ik me goed in kan vinden.
Op 29 februari 2024 in de Tweede Kamer in een interpellatiedebat betoogt Van der Plas dat minister Van der Wal niet tijdig voldeed: “aan het informatieverzoek om de Impact Assessment Natuurherstelverordening naar de Kamer te sturen.” Tijdens dit debat diende Van der Plas, ondersteund door NSC-Kamerlid Hertzbergen een motie in die: “verzoekt de regering om in de Raad van Ministers tegen de Natuurherstelverordening te stemmen; verzoekt de regering om een blokkerende minderheid te zoeken ter ondersteuning.[4]” Een verzoek om in Europa tegen de Natuurherstelverordening te stemmen. Dit in een debat dat niet ging over die verordening maar over het al dan niet tijdig krijgen van informatie. Op 5 maart 2024 werd die motie in stemming gebracht en met een grote meerderheid aangenomen. Waarschijnlijk tot groot genoegen van de indieners. De Natuurherstelverordening is inhoudelijk echter nog steeds niet besproken.
Beste meneer Omtzigt, hoe serieus moeten we u nemen als u ervoor pleit dat ‘alle overheidsbesluiten zorgvuldig tot stand moeten komen’? Als u betoogt dat het parlement verantwoordelijk is voor een integrale afweging in het algemeen belang van het land’? Als u ervoor pleit om ‘belangrijke wetten in detail te behandelen? En als u vervolgens met uw hele fractie instemt met een motie om tegen iets te zijn zonder dat er eerst een inhoudelijk debat over is gevoerd?
[1] Tijd voor herstel. Vertrouwen. Zekerheid. Perspectief, pagina 7
“De kiezers van de PVV stemmen op de PVV vanwege de standpunten. Dat moet je er altijd even bij zeggen, omdat het een tijdje in de mode is geweest om ze andere motieven toe te kennen.” Aldus Sheila Sitalsing in een column in de Volkskrant. In die column verbaast ze zich over Wilders’. Terwijl er nog niet eens is onderhandeld: “heeft Wilders nu al driekwart van zijn verkiezingsprogramma publiekelijk uit het raam moeten gooien. Er is elke week wel een draai, zo veel inmiddels dat hij er duizelig van moet zijn.” maar om dat gedraai gaat het mij niet. Het gaat mij om de uitspraak dat mensen op de PVV stemmen vanwege de standpunten van die partij. Zou het werkelijk?
Stemmen mensen op een partij vanwege de standpunten van die partij? Ja, is het populaire antwoord. Bij verkiezingen bestudeer je de programma’s van de partijen, je wikt en weegt en bepaalt vervolgens welke partij het beste aansluit bij jou standpunten en dat is de partij waar je op stemt. Maar gaat het werkelijk zo? Het Nederland van de twintigste eeuw werd gekenmerkt door het begrip verzuiling. Het was de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde.
Eigen foto
Nederland kende drie grote zuilen: “De drie zuilen kwamen voort uit de geestelijke stromingen van het Rooms-Katholicisme, het Humanisme en de Hervorming.[1]” Binnen deze zuilen liepen sociaaleconomische scheidslijnen. Cru gezegd kende Nederland drie parallelle samenlevingen die weinig met elkaar hadden. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.
Volgens Lijphart, en de geschiedenis geeft hem daarin gelijk, was “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk, maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[2]” Die saamhorigheid zag er als volgt uit: “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond. … De pacificatie-politiek heeft veel weg van politiek op internationaal niveau. In beide gevallen is de consensus gering en moeten alle strijdvragen door ‘nationale’ (of zuilen-) leiders worden onderhandeld.[3]” Een katholieke arbeider mocht dan wellicht overeenkomstige belangen hebben met een uit de algemene zuil. Die laatste behoorde dan bij het socialistische deel van de algemeen zuil, ze trokken niet samen op tegen de werkgever.
Voor de overgrote meerderheid van de kiezers, bestond kiezen uit het kleuren van het vakje van de partij van jouw zuil. Een katholiek stemde voor 1940 op de RKSP en na 1945 op de opvolger, de KVP en niet op een partij die voor de arbeiders opkwam. Een protestantse ondernemer stemde op de CHU of de ARP en niet op een partij die voor ondernemers opkwam. Om het met een huidig begrip te beschrijven, het gros van de kiezers stemde op het belangrijkste kenmerk van hun identiteit en dat was hun religie. In de jaren zestig van de vorige eeuw, begon dit te veranderen. Voor steeds meer mensen werd het geloof een steeds minder belangrijk iets en de kerkgang liep terug. Mensen zochten naar een andere manier dan religie om zichzelf te omschrijven. Met name de op religie gebaseerde zuilen ondervonden hiervan de gevolgen. Tot de Kamerverkiezingen van 1963 haalden de drie grote op religie gebaseerde partijen, de KVP, ARP en de CHU steevast de helft van de zetels. In 1976 waren deze partijen gefuseerd in het CDA en behaalden nog maar een derde van de zetels en vanaf de jaren negentig werden dat er steeds minder.
Ik heb het niet onderzocht maar ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik schrijf dat die neergang geen gevolg is van kiezers die de partij verlieten vanwege de standpunten. De neergang is, naar mijn inschatting, veeleer een gevolg van uitsterven van hun traditionele kiezer. De ouderen die nog met de verzuiling waren opgevoed en trouw op de partij van hun zuil stemden, stierven successievelijk. Van een soortgelijke ontwikkeling is ook de PvdA het slachtoffer geworden. Een niet op religie gebaseerde partij die opkomt voor de arbeiders, zou wel moeten varen bij die ontkerkelijking en ontzuiling. Dat zou inderdaad zijn gebeurd als er voor de rest niets was veranderd. Vanaf het midden van de twintigste eeuw, begon het percentage mensen dat werkzaam was in de industrie te dalen van 42% van de bevolking naar onder de 20%. Het aantal mensen met ‘Arbeider’ als belangrijkste kenmerk van hun identiteit nam af.
‘Protestant’ of ‘arbeider’ voldoen tegenwoordig niet meer als beschrijving van je persoonlijkheid. ‘We’ moeten dus op zoek naar een andere manier om onszelf te beschrijven. Een andere manier om onze identiteit te bepalen. De Vandale geeft twee betekenissen voor identiteit: ‘gelijkheid: je identiteit bewijzen’. Bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, ‘figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Identiteit zegt iets over jou maar ook over de anderen. Of zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[4]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Dat verhouden tot de buitenwereld betekent bepalen bij welke groep je hoort en bij welke groep je niet hoort.
Hoe sturend de groep is waar je jezelf bij vindt horen, maakt Lilliana Mason duidelijk in haar boek Uncivil Agreement. How politics became our identety. Mason levert, zoals ze schrijft, voor de Verenigde Staten: “het bewijs geleverd van de huidige staat van sociale polarisatie, waarin onze politieke identiteiten rondjes draaien om onze beleidsvoorkeuren in het aansturen van onze politieke gedachten, emoties en acties[5]” alhoewel haar boek de huidige staat van de politiek in Amerikaanse samenleving probeert te verklaren, kan het ook een licht schijnen op Nederland.
Mason geeft een verklaring voor de ontstane bijna onbestuurbaarheid van de Verenigde Staten. “Hoewel het de aard van mensen is om zichzelf in te delen in op zichzelf staande groepen en de aard van die groepen is om verdeeldheid en conflicten te veroorzaken, worden maatschappijen gekenmerkt door het grote aantal verschillende groepsindelingen. Hoe meer verdeeldheid, hoe vrediger en coöperatiever een samenleving kan zijn.[6]” Door die verschillende groepen was er altijd wel een productieve meerderheid te vinden bestaande uit politici uit beide grote partijen. Wat zij in de Verenigde Staten constateert is dat die verschillende groepen de afgelopen jaren steeds mee ‘in lijn’ zijn gevallen met partijlijnen en er in toenemende mate maar een groepsverdeling ontstaat: Republikeins versus Democratisch. Gevolg hiervan is dat productieve meerderheden op inhoud wellicht nog wel mogelijk zijn maar er niet gaan komen omdat de partij die aan de macht is wint en de andere verliest. Dat is precies wat we de afgelopen maanden zagen rond migratie. Inhoudelijk was er een akkoord, maar het kwam er niet omdat Biden dan zou winnen en die winst zou de Republikeinse ster (van in dit geval Trump) verbleken.
Het antwoord op een identiteitsvraag wordt door de groep gegeven. “Jij bent een trotse Duitser.” Dat antwoord kreeg ‘Hans’, de fictieve persoon in Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek in de negentiende eeuw als antwoord op de vraag ‘wie ben ik’. En dat werd nader ingevuld met: “ erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[7]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.
Door het wegvallen van ‘protestant’ of ‘arbeider’ moesten mensen op zoek naar een nieuwe beschrijving van hun identiteit. Daarbij zijn er twee mogelijkheden. Kwame Anthony Appiah beschrijft ze in een interview met de Volkskrant . De eerste is een lichte identiteit: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” De andere is een zware, uitsluitende vorm van identiteit: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een landdat niet wordt gedefinieerd door religie.’”
De oude ‘verzuilde’ identiteiten waren zwaar en uitsluitend. De periode sinds het wegvallen ervan kenmerkte zich door, om Mason te aan te halen: “grote aantal verschillende groepsindelingen.” Maar net als in de Verenigde Staten, lijken in Nederland die verschillende groepsindelingen in toenemende mate in lijn te vallen met politieke hoofdstromingen. Ik zeg bewust hoofdstromingen en niet partijen want in tegenstelling tot in de Verenigde Staten met twee partijen, kent Nederland een keur aan partijen. Die hoofdstromingen zijn aan de ene kant nationalistisch en conservatief en aan de andere kant internationalistisch, individualistisch en progressief.
Polarisering die, naar mijn mening, een gevolg is van aan de ene kant het ‘Nederlandse identiteitsnationalisme’ en aan de andere kant het intersectionele denken over identiteit. Beide manieren van denken zorgen ervoor dat identiteit zwaar en uitsluitend wordt. Voor identiteitsnationalisten tellen alleen de ‘echte Nederlanders’ en tot die groep behoor je alleen als je het met hen eens bent. Voor intersectionele identiteitsdenkers tel je alleen als je ‘geen privilege’ hebt. Beide manieren van denken trekken als waren het magneten aan die verschillende groepsindelingen. En daarbij harmoniseren de standpunten van mensen naar de extremen toe en zorgen ervoor dat de twee hoofdstromingen steeds verder polariseren. De eigen opvattingen worden aangepast aan de groep waartoe ze behoren.
Het grote risico van deze ontwikkeling is in de Verenigde Staten al naar voren gekomen en dat is dat de groepen steeds vijandiger tegenover elkaar staan en het algemene belang ondergeschikt raakt aan de ‘winst’ van de eigen partij. Neem voorbeeld van het migratieakkoord dat er niet kwam dat ik hierboven al noemende, maar ook: “een wet om de prijzen van medicijnen te limiteren, een verkiezingsbelofte van Donald Trump in 2016,” Dat door de regering Biden ingediende voorstel: “kreeg van de Republikeinen geen enkele steun,” zoals de Volkskrant in haar Commentaar schrijft. In Nederland zien we ook al ontwikkelingen in die richting. Een voorbeeld hiervan is het op voorhand al niet in zee willen gaan van bijvoorbeeld de VVD en NSC met de combinatie GroenLinks/PvdA en de verkettering Frans Timmermans de leider van die combinatie.
Tijd om ‘identiteit’ minder belangrijk te maken. Tijd om de nationale identiteit inclusief te maken op de lichte ‘Appiah’ manier en dus: “je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” In plaats van je vast te bijten: “in dat verhaal,” waarbij je er pas bij hoort als je: “duizend jaar in Nederland woont.” Maar ook tijd om te stoppen met je identiteit beschrijven als een verzameling ‘kruispunten’ van onveranderlijke kenmerken van iemand, zoals man, zwart, hetero, cis enzovoorts met de bijbehorende machtsstructuren maar de persoon als geheel te zien.
Het waren, naar mijn mening, niet de standpunten van Wilders die kiezers op hem deden stemmen, maar de groep waartoe ze naar eigen gevoel behoorden. De groep die hen een half jaar eerder op de BBB deed stemmen, in 2019 op de FvD van Baudet en in 2021 op de VVD. Die laatste partij loopt een groot risico op een splitsing tussen de twee vleugels die de partij van oudsher in zich combineert namelijk de conservatieve en de liberale. Die laatste is van oudsher internationalistisch en gericht op individuele ontplooiing en dat staat haaks op de kant die de partij op is gegaan. Dat het niet om de standpunten ging lijkt te worden bevestigd door peilingen die laten zien dat hij nog meer zetels zou krijgen ondanks het ‘in de koelkast’ zetten van driekwart van zijn programma.
[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek,, pagina 29
Op 1 februari 2024 trad de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen in werking. De wat? Denk je wellicht. De wet wordt ook wel de Speidingswet genoemd. Een wet met als doel om te voorkomen dat het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel te vol raakt. Om dat te voorkomen worden gemeenten verplicht om asielzoekers op te vangen. Een bijzondere wet voor een bijzonder probleem.
Eerst de wet. De wet bepaalt dat de minister iedere twee jaar aangeeft hoeveel plekken voor asielopvang er moeten zijn en hoeveel plekken iedere provincie en gemeente moet realiseren. De verdeling per gemeente is grof naar rato van het aantal inwoners. Grofweg omdat er ook rekening wordt gehouden met de sociaal economische status van de inwoners van een gemeente. In het kort betekent dit dat gemeente A met 100.000 inwoners die gemiddeld een hoger inkomen hebben dan gemeente B met 100.000 inwoners, meer asielzoekers moet opvangen. De gemeente heeft vervolgens ongeveer anderhalf jaar om die plekken te realiseren. Gemeenten moeten hun oplossing aan de commissaris van koning aanbieden en die biedt het totale provinciale pakket aan de minister aan. Voldoet het aan de wensen van de minister dan wordt het vastgesteld. Voldoet het niet omdat er te weinig plaatsen worden gerealiseerd, dan kan de minister gemeenten het aantal te realiseren plaatsen opleggen. Een bijzondere procedure omdat er drie overheden bij zijn betrokkenen. Dat lijkt mij in ieder geval één overheid teveel. Tot zover de wet. Over naar het probleem.
Ja, wat is het probleem? Is dat werkelijk dat er in ‘Ter Apel’ mensen op het gras moesten slapen? Ja, dat is een probleem en vooral een schande dat mensen die bescherming aan ons vragen, geen fatsoenlijk dak boven hun hoofd kunnen aanbieden. Een schande omdat afgelopen jaar gemiddeld 1.000 mensen per week zich melden om asiel aan te vragen. Op jaar basis meldden zich in 2023 ongeveer 48.500 mensen voor een asielaanvraag. Van dat aantal zijn er 10.000 een ‘nareisaanvraag’. Met een nareisaanvraag kan een asielzoeker en machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden aanvragen (echtgenoot, partner, kind, pleegkind of ouders als de aanvragen op het moment van zijn aanvraag jonger was dan 18 jaar. Als alles goed gaat, dan hoeven die nareizigers geen gebruik te maken van een opvangplek. Zij kunnen immers bij degene gaan wonen die hen heeft laten nareizen. Volgens de wet moet een asielaanvraag binnen een half jaar tot een besluit leiden. Dat besluit kan zijn: een asielstatus of geen status en het land verlaten. Hoe sneller je weet of je kunt blijven, hoe eerder je je leven weer kan oppakken. De Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) die de aanvraag behandelt, kan de beslistermijn verlengen met maximaal 9 maanden. Dat kan als de aanvraag complex is.
Met een beslistermijn van een halfjaar moeten er, om de 40.000 ‘eerste aanvragers’ op te vangen, 20.000 opvangplekken zijn. Maar dan moet alles perfect lopen en moeten er geen complexe aanvragen zijn. Omdat niet alles perfect loopt en er ook complexe gevallen zijn, moeten er meer opvangplekken zijn. Met 30.000 zou je het dan wel moeten redden. Reguliere COA-locaties op dit moment plek voor 33.415 opvangplekken[1]. Dus er zouden voldoende plekken moeten zijn. Waar gaat het fout? Waarom zitten er nog bijna 34.000 mensen in een nood- of andere vorm van opvang? En waarom krijgen gemeenten nu de opdracht om medio 2025 96.000 opvangplekken te realiseren? Dat zijn er 50.000 meer dan dat in 2023 mensen asiel aanvroegen. Waarom moeten er ruim drie keer zoveel opvangplekken worden ingericht dan nodig zijn als alles redelijk goed loopt.
Met dat ‘als alles goed gaat’ komen we bij de centrale vraag? Gaat alles goed? Dat er mensen op het gras moesten slapen in Ter Apel, maakt duidelijk dat niet alles goed gaat en dat er dus actie nodig is. Die actie is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen geworden. Omdat gemeenten onvoldoende locaties aanboden om asielzoekers op te vangen, is er nu een wet gekomen die hen verplicht om voldoende plekken aan te bieden. Een passende oplossing voor het probleem? Het korte antwoord op deze vraag is NEE. Het antwoord is NEE omdat het verkeerde probleem wordt aangepakt. Dat er mensen buiten sliepen in Ter Apel was een probleem maar is niet hét probleem. Het is een gevolg van het eigenlijke probleem. Of beter gezegd, de eigenlijke problemen want er zijn er meer.
Zoals al aangegeven kan de beslistermijn met negen maanden worden verlengd als het een complexe aanvraag betreft. De termijn kan echter ook worden verlengd als er plotseling zeer veel mensen asiel aanvragen. In september 2022 heeft de regering besloten om de termijn standaard met die 9 maanden te verlengen. Dit vanwege een verhoogde instroom en personeelstekort bij de IND. Het aantal in 2023 is vergelijkbaar met 2022 en ongeveer 10.000 meer dan het gemiddelde over de afgelopen tien jaar. Personeelstekort dat ertoe leidde dat de termijn van een halfjaar zeer vaak overschreden werd en dat leidde er weer toe dat er dwangsommen voor te laat besluiten moesten worden uitbetaald. En daarmee komen we bij het eerste probleem: personeelstekort bij de IND. Gevolg hiervan is wel dat het leven van een asielzoeker in ieder geval een jaar en drie maanden op pauze staat.
Dat probleem is niet nieuw. Al in februari 2020 constateerde onderzoekers dat het grootste probleem van de IND een tekort aan besliscapaciteit is. En nu, vier jaar verder, is er nog steeds een tekort aan besliscapaciteit. Zorgen voor meer besliscapaciteit, zou je dus zeggen. Volgens de IND, in een schrijven van maart 2023, gaat dat niet helpen: “Meer medewerkers werven is zowel op korte als lange termijn geen oplossing. De IND zet in op werving van mensen die het hoor- en beslisproces kunnen ondersteunen. Maar om dat werk zelfstandig en zorgvuldig te kunnen doen is een intern opleidingstraject van negen maanden tot een jaar noodzakelijk. De capaciteit die de IND op dit moment inzet op werving en selectie, begeleiding van nieuwe collega’s en opleiding is groot en zorgt ervoor dat ervaren medewerkers niet ingezet kunnen worden voor horen en beslissen.” En antwoord met een hoog gehalte aan ‘dweilen met de kraan open’.
Natuurlijk kan de winkel niet helemaal worden gesloten tijdens de verbouwing, in dit geval het opleiden van nieuwe beslissers. Maar toch. De IND geeft in het schrijven van maart 2023 aan: “22.000 beslissingen te nemen op asielaanvragen in de algemene en verlengde asielprocedure (spoor 4). Daarnaast kan de IND beslissen op enkele duizenden aanvragen van veilige landers en Dublin claimanten.” Als ik de cijfers van het CBS mag geloven, zijn er in 2022 bijna 30.000 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd verleend. Dat moeten er 50% meer worden, dus 50% meer beslissers. Laat ik voor het gemak rekenen met een jaar opleiding. Als we 10% van de beslissers inzetten voor opleidingen en ieder beslisser kan in die periode vijf aspirant beslissers begeleiden. Dan is na één jaar het benodigde aantal beslissers bereikt. Sinds de constatering van de onderzoekers in 2022 zijn vier jaar verstreken. Voldoende tijd om dat probleem te hebben opgelost lijkt mij.
Daarmee zijn we er nog niet. Er is nog een tweede probleem. Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) vangt nu zo’n 67.000 mensen op, de 33.000 in reguliere opvangcentra en de rest in nood- en andere opvangvoorzieningen. Van de 67.000 hebben er zo’n 17.500 een asielstatus[2]. Deze mensen wachten op reguliere huisvesting maar omdat die er niet voldoende is, blijven ze een opvangplek bezetten. Voor deze mensen duurt het nog langer voordat ze hun leven weer kunnen oppakken.
En daarmee komen we bij het tweede probleem: woningnood. Een probleem waar niet alleen statushouders mee te maken hebben. De Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen biedt geen oplossing voor deze problemen. De wet maakt er in 340 gemeenten, in twaalf provincies gemeenten en bij één rijksoverheid ambtenaren aan de slag gaan met ‘pleisters plakken op een botbreuk’. Pleisters omdat als dit werk niet leidt tot één extra beslisser bij de IND en ook niet tot één extra woning in een gemeente. Sterker nog, het zou er wel eens toe kunnen leiden dat de korte termijn de lange in de wielen gaat rijden. Een voorbeeld: een oud bejaardenhuis staat op de nominatie om gesloopt te worden om plaats te maken voor een flink aantal sociale huurwoningen. Om nu te voldoen aan de ‘opvangopgave’ wordt besloten om in het pand asielzoekers op te vangen voor een periode van vijf jaar, want dat is wat de minister ziet als structurele opvang’. Dat betekent dat het bouwplan voor die sociale huurwoningen nog minstens vijf jaar op zich laat wachten en de woningzoeker nog minstens zeven jaar. Sociale huurwoningen waar ook enkele van die 17.000 statushouders die nog in een COA-opvang zitten, een nieuw leven zou kunnen opbouwen. Een probleem waar gemeenten mee aan de slag zijn maar waarbij ze tegen verschillende problemen aanlopen die het probleem uiterst complex maken.
Een wet die niet bijdraagt aan het oplossen van de problemen is een verkeerde wet. Er is geen wet nodig om de problemen op te lossen. Er zijn mensen nodig bij de IND die ervoor zorgen dat er binnen een halfjaar wordt besloten. En er zijn huizen nodig om de woningnood op te lossen. Laten we ons op die problemen concentreren in plaats van energie en menskracht weg te laten vloeien naar een schijnoplossing. Een schijnoplossing waar politiek Den Haag meer dan een jaar tijd en energie heeft besteed.
‘Dan maken de kleinkinderen van Khalidi het einde van die oorlog niet mee’, dacht ik bij het lezen van een artikel van de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) Naomi Mestrum in Trouw. Rashid Khalidi draagt zijn boek De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet uit 2020 op aan zijn: “kleinkinderen Tariq, Idris en Nur, die allemaal in de eenentwintigste eeuw geboren zijn en hopelijk het einde van deze honderdjarige oorlog zullen meemaken.” Volgens Mestrum is, en daarmee sluit ze haar betoog af: “Een vredesproces in het Midden-Oosten (…) momenteel onhaalbaar, maar een veiligheidsproces is een must. De ambities van Iran en zijn bondgenoten stoppen namelijk niet bij de Middellandse Zee. De veiligheidssituatie in het Midden-Oosten gaat ons allemaal aan. Het is tijd dat dat besef leidend wordt in het westerse buitenlandbeleid.” Mestrum legt het probleem bij anderen en dat is wat de Israëlische regering en haar voorlopers al meer dan 100 jaar doen. Anderen staan een oplossing in de weg want die vormen een acute bedreiging voor de staat Israël. Klopt dat?
Eigen foto
De jure ontstond die staat in 1948 toen Israël haar onafhankelijkheid verklaarde enkele uren voordat mandaathouder Groot Brittannië zich zou terugtrekken. Die onafhankelijkheid werd al snel door veel landen, de Verenigde Staten en de Sovjet Unie voorop, erkend. De facto ontstond die staat al eerder. In 1920 gaf de Volkenbond Palestina in mandaat aan de Britten. Het Britse mandaatverdrag voor Palestina bevatte in de preambule de volgende passage: “Overwegende dat de belangrijkste geallieerde mogendheden eveneens zijn overeengekomen dat het Mandaat verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de verklaring die oorspronkelijk op 2 november 1917 door de regering van Zijne Britse Majesteit is afgelegd en door voornoemde mogendheden is aangenomen ten gunste van de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het joodse volk, met dien verstande dat niets mag worden ondernomen dat afbreuk zou kunnen doen aan de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina of aan de rechten en de politieke status die de Joden in enig ander land genieten.” Hoe dat moest, regelde artikel 3: “Voor zover de omstandigheden zulks toelaten, moedigt het Mandaat de plaatselijke autonomie aan.” Het vierde artikel regelde dit verder: “Een geschikt joods bureau wordt erkend als openbaar lichaam met het doel het bestuur van Palestina te adviseren en met dit bestuur samen te werken in economische, sociale en andere aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op de vestiging van het joodse nationale tehuis en de belangen van de joodse bevolking in Palestina, en, steeds onder toezicht van het bestuur, bijstand te verlenen en deel te nemen aan de ontwikkeling van het land. De Zionistische Organisatie wordt, zolang haar organisatie en statuten naar de mening van het Mandaathouder passend zijn, als zodanig erkend. Zij zal in overleg met de regering van Zijne Britse Majesteit stappen ondernemen om de medewerking te verkrijgen van alle Joden die bereid zijn te helpen bij de vestiging van het Joodse nationale tehuis.” Er moest een joods nationaal tehuis komen. Een joodse staat waar joden zichzelf bestuurden en ook de andere inwoners zouden moeten besturen. Hiermee kregen de Joodse kolonisten in Palestina zelfbestuur.
Khalidi ziet dit op de Balfour verklaring geënt verdrag als een oorlogsverklaring aan de Palestijnen: “Veelzeggend was dat de overgrote Arabische meerderheid van de bevolking (rond de 94% in die tijd) door Balfour niet werd genoemd, behalve op een indirecte manier als de ‘bestaande niet joodse gemeenschappen in Palestina’. Ze werden omschreven als wat ze niet waren, en zeker niet als een natie of een volk – de woorden ‘Palestijn’ of ‘Arabier’ komen in de zevenenzestig woorden tellende verklaring niet voor. De overgrote meerderheid van de bevolking werd alleen ‘burgerlijke en religieuze rechten’ beloofd, geen politieke of nationale rechten. Bij wijze van contrast kende Balfour nationale rechten toe aan ‘het joodse volk, zoals hij het noemde, dat in 1917 een kleine minderheid – 6 procent van de inwoners van het land vormde.[1]” Het verdrag bevatte geen soortgelijk artikel dat de overgrote meerderheid van de bevolking, de Palestijnen, eigen bestuur in het vooruitzicht stelde. Die 94% moesten het doen met de ‘garantie’ van artikel 6 dat stelde: “Het bestuur van Palestina zal, zonder afbreuk te doen aan de rechten en de positie van andere bevolkingsgroepen, de immigratie van joden onder passende voorwaarden vergemakkelijken en, in samenwerking met het in artikel 4 bedoelde joodse agentschap, nauwe vestiging van joden op het land aanmoedigen, met inbegrip van staatsgronden en braakliggende gronden die niet nodig zijn voor openbare doeleinden.”
Dit mandaatverdrag plaatste het joodse deel van de bevolking in het voordeel. Vanaf het moment dat de Britten Palestina in 1918 veroverden op het Ottomaanse Rijk, konden de joodse kolonisten rekenen op de militaire macht van het machtige Britse rijk en vormden zij de bovenliggende partij. De joodse kolonisten kregen een eigen bestuur met politie en naarmate de tijd vorderde ook een eigen in de jaren dertig door de Britten bewapend en getrainde paramilitairen, de Haganah. Voor de Palestijnen was dat niet weggelegd. Zij werden bestuurd door de Britten. Britten die, in geval van een conflict tussen joodse kolonisten en autochtone Palestijnen de kant van de kolonisten kozen en die daarbij de hulp van de kolonisten inschakelden. In 1936 organiseerde een arabische groep een algemene staking in Jaffa en Nabloes met drie eisen: stopzetting van de joodse migratie, een verbod op de verkoop van gronden aan joden en de instelling van een representatieve regering. Die staking liep uit in gewelddadigheden en een opstand toen de Britse politie het vuur opende op de protesterende Arabieren. Dit groeide uit tot een Palestijnse opstand die drie jaar duurde. Bij het neerslaan van die opstand maakten de Britten gebruik van de door hen getrainde Haganah. De manier waarop Israël nu in Gaza en eigenlijk al jaren tegen de Palestijnen optreedt, is een voorzetting van de manier waarop de Britten met verzet en dan vooral van Arabische kant, in Palestina omgingen, namelijk het collectief straffen. Collectief straffen door het opleggen van boetes, het in bezit nemen van vee, het vernielen van huizen en soms hele dorpen en het detineren van groepen in concentratiekampen, die vervolgens de kans liepen om gemarteld en gedood te worden. Zo werden na de Arabische opstand onder andere 5.000 huizen vernietigend, 150 Arabische leiders ter dood veroordeeld en andere leiders verbannen. Resultaat van de opstand was dat de Arabieren zonder leiders zaten en door de Britten werden ontwapend. Dit terwijl de Britten veiligheidsafspraken maakten met het joodse leiderschap, dit van wapens voorzag en een deel van de kosten ervan voor haar rekening nam. En net zoals nu was een veelvoud van de doden en gewonden Arabier. Nog geen 600 doden aan Britse en joodse kant tegen ongeveer 5.000 aan arabische kant.
Ook in de strijd die uitbrak na de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1948, waren de Israëliërs vanaf het begin de bovenliggende partij. De Palestijnen waren na de hierboven genoemde opstand ontwapend en onthoofd terwijl de kolonisten versterkt uit de oorlog kwamen. Daar komt bij dat: “Ondanks het breed levend beeld van het Israëlische leger dat in het niet viel bij de zeven binnenvallende legers, weten we dat Israël in 1948 in werkelijkheid meer manschappen en meer wapens had dan zijn tegenstanders. Er waren in 1948 maar vijf reguliere Arabische militaire machten op de been, aangezien Saudi-Arabië en Jemen geen noemenswaardig leger hadden. Vier van die legers trokken het Mandaat Palestina binnen (het minuscule Libanese leger is nooit de grens over gegaan) en twee daarvan, het Arabische Legioen van Jordanië en de Irakese strijdkrachten, hadden van hun Britse bondgenoten het verbod gekregen om de grenzen van de gebieden die door de opdeling aan de joodse staat waren toegewezen, te overschrijden en voerden dan ook geen invasie in Israël uit.[2]”En wat in 1948 opging, ging op in 1956, 1967, 1972, 1982 en gaat nu nog steeds op. Israël is dé macht in het Midden-Oosten. De macht, met nucleaire slagkracht die naar goeddunken en sinds 1967 steeds met goedkeuring van de Verenigde Staten oorlogen heeft uitgevochten met, en bombardementen heeft uitgevoerd op Egypte, Libanon, Syrië, Irak en Iran. Het bestaan van Israël is nooit bedreigd. Zeker niet op 7 oktober 2023. Israël was en is de bovenliggende partij die zich bovendien door dik en dun gesteund weet door de sterkste militaire en economische macht van de wereld, de Verenigde Staten.
De titel Honderdjarige oorlog tegen Palestina is een accurate omschrijving van wat er de afgelopen eeuw in Palestina is gebeurd. Khalidi beschrijft die 100 jaar aan de hand van zes oorlogsverklaringen. Hij is daarbij hard voor Israël en vooral voor eerst de Britten en later de Amerikanen die zich als machtigste mogendheden in hun tijd voor het eerst zionistische en later Israëlische karretje lieten en laten spannen en blind waren voor de Palestijnen. Met als meest pregnante voorbeeld het presidentschap van Donald Trump die na het erkennen van Jeruzalem als hoofdstad van Israël tegen de Israëlische premier Netanyahu zei: “We hebben Jeruzalem nu van tafel gehaald , dus daar hoeven we niet meer over te praten. Je hebt nu je punt gewonnen en je zult wat punten moeten toegeven later in de onderhandelingen, als die er ooit komen. Ik weet niet of die er ooit komen.” Hiermee, zo betoogt Khalidi: “werd het centrum van de geschiedenis, identiteit, cultuur en religievan de Palestijnen kortweg afgedaan, zonder zelfs de pretentie dat er naar hun wensen werd gevraagd.[3]”
Hij is echter net zo hard voor het leiderschap van de Palestijnen door de jaren heen. Dat had en heeft zich onvoldoende verdiept in het Westen in het algemeen en in de Verenigde Staten in het bijzonder. Khalidi”: “Toch lijkt de huidige, gespleten Palestijnse leiding geen beter inzicht te hebben in de finesses van de Amerikaanse samenleving en politiek te hebben dan de vroegere leiders.. De leden ervan hebben geen idee hoe ze de Amerikaanse publieke opinie moeten bespelen en hebben daar ook geen serieuze poging toe gedaan. Door dit gebrek aan kennis over het complexe Amerikaanse politieke stelsel konden ze geen bestendig programma opstellen om potentieel gunstig gestemde elementen van de burgermaatschappij aan te spreken.” Dit in tegenstelling tot: “Israël en zijn aanhangers (die) in de Verenigde Staten grote hoeveelheden geld uitgeven om hun zaak in de publieke arena te bepleiten, ook al hebben ze daar al een overheersende positie.[4]” Dit leidde tot foute inschattingen die de Palestijnse zaak geen goed deden. In het boek geeft Khalidi hier veel voorbeelden van. Tot die fouten behoort, zo betoogt hij met goede argumenten, ook het sluiten van het akkoord van Oslo in 1993.
Terug naar Mestrum en het ‘veiligheidsproces’ dat nodig zou zijn. Als er in de nu al honderdjarige oorlog tegen Palestina iets nodig is, dan is het een vredesproces. Het door Mestrum gewenste ‘veiligheidsproces’ staat al honderd jaar centraal en maakt dat een einde aan de oorlog niet in beeld komt. Door te hameren op dat ‘veiligheidsproces’ zorgt Israël, eerst gesteund door de Britten en nu door de Verenigde Staten en trouwens ook Nederland, er al honderd jaar voor dat het niet gaat over waar het eigenlijk over moet gaan. Dat veiligheidsproces levert steeds een nieuwe ‘vijand’ op die een existentiële bedreiging vormt voor Israël. Tussen 1948 en eind jaren tachtig waren dat de Arabische landen Egypte, Jordanië, Syrië en Irak. Waarbij er steeds eentje afviel. Sinds die tijd is het Iran en de door dat land gesteunde ‘terroristische organisaties’. Aan dat ‘veiligheidsproces’ zal nooit een einde komen zolang Israël het eigenlijke probleem negeert, en dat is dat er in wat voor 1948 het mandaatgebied Palestina was, ongeveer 14,3 miljoen mensen wonen. De helft van die inwoners identificeert zich als joods en behorend tot het joodse volk, de andere helft als Palestijns en behorend tot het Palestijnse volk. Het probleem is, en dat is het al honderd jaar, dat het Israëlische deel doet alsof het Palestijnse deel, het Palestijnse volk, niet bestaat. Vanaf het begin hebben de zionistische kolonisten hun eigen, parallelle samenleving opgericht. Een parallelle samenleving die steeds meer ruimte innam, zowel geografisch als psychologisch, en die zich niets gelegen liet liggen aan de Palestijnen. En niet bestaan, betekent dat ze ook geen rechten hebben. Zelfs geen ‘burgerlijke en godsdienstige rechten’ die de Balfour verklaring en het Mandaatverdrag hen nog wel toekende. Zolang hier geen verandering in komt, zullen Palestijnen blijven opstaan en zich verzetten tegen het onrecht wat hen wordt aangedaan. Verzet dat door Israël weer ‘terroristisch’ zal worden genoemd en wordt de spiraal van geweld voortgezet. Want dat is wat er de afgelopen honderd jaar steeds is gebeurd.
Khalidi hoopt dat verandering van: “De mondiale ordening van macht,” ervoor gaat zorgen dat: “de Palestijnen, en ook de Israëliërs en anderen over de hele wereld die vrede en stabiliteit met gerechtigheid in Palestina willen,” voor een andere route gaan zorgen. Om af te sluiten met de woorden: “Alleen zo’n pad, op basis van gelijkheid en gerechtigheid, kan de honderdjarige oorlog tegen Palestina beëindigen met een blijvende vrede, een vrede waarmee de bevrijding komt die het Palestijnse volk verdient.[5]” In tegenstelling tot Mestrums laatste woorden is een veiligheidsproces in het Midden-Oosten momenteel onhaalbaar, maar een vredesproces een must. De ambities van Israël staan dat in de weg. Het is tijd dat dat besef leidend wordt in het westers buitenlandbeleid.
[1] Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 39-40
“Het is heel treurig dat het onderwerp zo gepolitiseerd is. De link die tegenstanders van de hoofddoek leggen met partijdigheid is onzin. Neutraliteit gaat over gedrag, niet over hoe je eruitziet. Want hoe neutraal waren die agenten eigenlijk, die op de vingers werden getikt vanwege racisme?” Woorden van islamofobie-onderzoeker Ineke van der Valk in een artikel van Ewout Klei bij De Kanttekening. Dat naar aanleiding van het besluit van de gemeente Amsterdam dat een Bevoegd Opsporingsambtenaar (BOA) een hoofddoek of keppeltje mag dragen als die persoon het wil. Een bijzondere uitspraak en een bijzondere discussie.
Van der Valk is een van de drie personen die in Klei’s artikel aan het woord komen. De anderen zijn socioloog Hans de Vries, die tegen het dragen van hoofddoeken en keppeltjes is. De Vries: “Geloof is een individuele keuze. Ik ben een atheïst en een pacifist. Maar ik leg mijn opvattingen niet aan anderen op. Dat doe je wel als je statements maakt, zoals het dragen van een kruisje of een tulband, het verwerken van het vredesymbool in je handtekening of het dragen van een hoofddoek. Dit mag je doen trouwens, maar niet namens de overheid.” En jurist en arabist Maurits Berger die, net als Van der Valk, het een goede zaak vindt dat hoofdoeken en keppeltjes gedragen mogen worden door BOA’s en die zouden willen dat ook politieagenten ze mogen dragen. Berger: “Neutraliteit als leuze is betekenisloos. Het moet gaan om ons vertrouwen in geüniformeerde dienst. Kun je professioneel zijn als je gelovig bent?”
Wat opvalt is dat De Vries en Berger het allebei over neutraliteit hebben maar niet over hetzelfde onderwerp. De Vries heeft het over de neutraliteit van de overheid en de politie als onderdeel van die overheid. Berger heeft het over de neutraliteit van de individuele agent.
De platte politiepet, die tegenwoordig nog maar zelden wordt gedragen, straalt niets anders uit dan het ‘lidmaatschap’ van de politie en dus de overheid. Die pet zegt niets over de agent als persoon. Wat jij als persoon denkt en vindt is voor je werk als agent en voor de burgers met wie je in aanraking komt, niet van belang. Voor die burgers is alleen van belang dat de agent de overheid vertegenwoordigd.
Met een hoofdoek, keppeltje, tulband en het vergiet van pastafari ligt dat anders. Die zeggen iets over de persoon die het draagt. Dat is informatie die voor het uitvoeren van de functie en voor de burger waarmee de agent te maken heeft, niet van belang is. Om het in moderne termen te zeggen: de identiteit van de persoon in het uniform doet er niet toe. Of het een man of vrouw is, welke huidskleur die persoon heeft, welk geloof die persoon aanhangt, op welke partij die persoon heeft gestemd, wat de gezinssamenstelling is van het gezin van de agent is voor het uitoefenen van de functie agent en voor de burgers waarmee de agent te maken krijgt, niet van belang. Dat is ook precies de reden waarom er voor de uitoefening van die functie, voor een uniform is gekozen. Door het dragen van hoofddoeken, keppeltjes, tulbanden maar ook het zichtbaar dragen van andere uitingen van geloof of overtuiging, wordt de identiteit van de persoon in het uniform benadrukt en die doet er nu juist niet toe.
Het antwoord op de vraag van Berger of je iemand in uniform kunt vertrouwen die gelovig is, is ja. Bij het politiewerk gaat het er niet om wat de agent denkt, maar wat de agent doet. Racistische uitingen van agenten in appgroepjes zijn verwerpelijk en vragen om een reactie maar hoeven niet te betekenen dat de agenten die zich eraan schuldig hebben gemaakt, niet neutraal kunnen optreden. Volgens Berger mag de politie wel grenzen stellen aan haarkleur, piercings en tatoeage: “Dat heeft met decorum te maken. Ik kan dat begrijpen, al vind ik dat soort uiterlijkheden persoonlijk geen probleem. Ook agenten met piercings of tatoeages kunnen professioneel hun werk doen.” Bij de tatoeage moest ik denken aan Once were Warriors een Nieuw-Zeelandse film uit de jaren negentig. Een film over het leven van de Maori familie Heke en hun problemen rondom armoede, alcoholisme en huiselijk geweld, met name veroorzaakt door de vader, Jake gespeeld door Temuera Morrison. Na de begrafenis van dochter Grace, die zelfmoord heeft gepleegd na te zijn verkracht door Jakes vriend ‘Uncle Bully’, treffen de zoons Nig en Boogie elkaar na lange tijd weer. Nig is lid geworden van een groep Maori jongeren en moest daarvoor tā moko op zijn gezicht laten tatoeëren. Boogie is uithuisgeplaatst en maakt in het internaat kennis met de oude Maori gebruiken en leert die steeds meer te waarderen. Als Nig aan Boogie vraagt of het geen tijd is voor een tā moko antwoord Boogie met de woorden: “I wear my scars within.” Ik moest hieraan denken omdat die tā moko voor een Maori als Nig veel meer is dan ‘een tatoeage’ en dus decorum, “de gepaste vorm”, aldus de Van Dale. Het is onderdeel van de Maori cultuur en traditie. Nu zullen er weinig Maori’s in Nederland rondlopen, maar toch. Als je via een keppeltje en hoofddoek een deel van je identiteit mag uiten als agent, dan moet een tā moko ook kunnen. En als een tā moko moet kunnen, dan moet iedere tatoeage, piercing en zelfs een blauwe haarkleur kunnen. Dat is immers ook een uiting van iemands identiteit. Dan zou zelfs in het meest extreme geval een hakenkruis moeten kunnen. Zo’n uiting betekent immers niet dat iemand niet neutraal zijn werk kan doen.
Het gaat daarmee niet om hoofdoek of keppeltje maar om alles of niets. Dan toch liever de neutraliteit waar Hans de Vries voor pleit.
“Withuis’definitie van feminisme is die van een witte en gesettelde vrouw.” Zo lees ik een artikel van Saida Derrazi en Mona Hegazy bij de site Sociale Vraagstukken. Een bijzonder artikel met als titel Repliek op wit feministisch denken van Jolande Withuis. Met zo’n kop trek je mijn aandacht. Zeker als met daaronder de volgende opening: “Socioloog Jolande Withuis slaat de plank mis met haar kritiek op het moderne feminisme en intersectionaliteit. Saida Derrazi en Mona Hegazy van het moslimvrouwencollectief S.P.E.A.K bieden weerwoord op Withuis’ eenzijdige, witte perspectief.” Een bijzonder betoog van de beide auteurs als reactie op een eerder interview met Withuis op dezelfde site.
Volgens Derrazi en Hegazy is: “Een van de kernprincipes van het moderne feminisme (…) gelijkwaardigheid. Met andere woorden: de garantie dat vrouwen dezelfde rechten, vrijheden en kansen hebben als mannen.” Withuis gaat daaraan voorbij: “als ze weliswaar pleit voor een feminisme dat de biologische verschillen tussen man en vrouw erkent, maar onderscheid op basis ervan afwijst.” Want: “De gelijkheid waar Withuis het over heeft, is iets anders dan gelijkwaardigheid. … In tegenstelling tot het feminisme, zoals door Withuis gedefinieerd, benadrukt het moderne feminisme niet de gelijkheid van groepen, maar hun gelijkwaardigheid.” Nu geeft Withuis in het interview een heel duidelijke definitie van feminisme: “Feminisme is de overtuiging dat het biologische verschil tussen man en vrouw niet tot andere verschillen mag leiden.” Volgens mij betoogt Withuis dat mannen en vrouwen biologisch verschillen en dus ongelijk zijn maar dat ze, ondanks die biologische ongelijkheid gelijkwaardig zijn. Gelijkwaardig omdat man en vrouw allebei mens zijn en dus tot dezelfde soort behoren. Of zoals in het interview is te lezen: “Volgens Withuis moeten we af van het idee dat de seksen collectief wezenlijk verschillende soorten mensen zijn, met andere behoeften, kwaliteiten en karakters.” Volgens mij is dat precies wat het modern feminisme volgens Derrazi en Hegazy nastreeft.
Dan de rol van intersectionaliteit. Withuis is fel tegen intersectionalisme, zo lees ik in het interview omdat het: “doet alsof alle onderdrukten één gezamenlijke vijand hebben, het ‘systeem’ , en dus lotgenoten zijn. Dat is niet zo. Tussen al die groepen bestaan grote tegenstellingen. Feminisme betekent niet dat we moeten opkomen voor alle leed in de wereld. Onderdrukte mannen onderdrukken nogal vaak hun vrouwen.” Derrazi en Hegazy zien dat heel anders. Binnen het streven naar gelijkwaardigheid is intersectionaliteit volgens de beide auteur cruciaal omdat: “het ons (helpt) om de complexe interacties tussen verschillende vormen van onderdrukking van de diverse groepen te begrijpen. Vanwege haar inclusieve benadering bevordert ze de solidariteit tussen groepen. Ze houdt namelijk rekening met de verschillende ervaringen van vrouwen in verschillende sociale contexten.” Intersectionaliteit: “helpt om de verschillende vormen van onderdrukking te begrijpen en aan te pakken. Dat betekent dus niet, zoals Withuis abusievelijk concludeert, dat het een uniforme vijandigheid tegen het ‘systeem’ impliceert.” Ze concluderen vervolgens dat intersectionaliteit: “een waardevol kader om de diversiteit binnen de feministische beweging te garanderen, zodat verschillende ervaringen en identiteiten volmondig worden erkend en gewaardeerd.”
Een waardevol kader, volgens de beide auteurs, omdat het verschillende ervaringen en identiteiten erkent en waardeert. En waarderen doen de beide auteurs de bijdrage van Withuis: “Withuis’definitie van feminisme is die van een witte en gesettelde vrouw.” Withuis wordt van een label voorzien en aan de kant gezet. Aan de kant gezet niet op grond van argumenten want die zijn, zoals ik hierboven al liet zien, niet aanwezig dan wel flinter dun. Ze wordt aan de kant gezet op basis van het zijn van ‘wit en gesetteld’. Met die waardering van Withuis tonen de beide auteur ongewild het gelijk van Withuis aan dat intersectionaliteit doet alsof: “alle onderdrukten één gezamenlijke vijand hebben, het ‘systeem’”. Want die gezamenlijke vijand staan aan het einde van dat ‘wit en gesetteld zijn. Dat is de, ‘heteroseksuele, cis-gender man met een universitaire opleiding die zoon is van twee eveneens hoger (liefst universitair) opgeleide ouders die ‘witte, gesetteld’ is, de ‘zevenvinker ’van Joris Luyendijk.
Het betoog van Derrazi en Hegazy toont aan wat ik al eerder over intersectionaliteit schreef namelijk dat het energie verspilt aan: “het indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.” Withuis wordt ingedeeld op basis van huidskleur en ’gesetteld’ zijn en dat is alles bepalend. Niet wat ze betoogt. In plaats van: “de solidariteit tussen groepen,” te bevorderen en: “rekening (te houden) met de verschillende ervaringen van vrouwen in verschillende sociale contexten,” zet het groepen tegen elkaar op. In hun betoog maken Derrazi en Hegazy ruzie met iemand die hetzelfde doel nastreeft. Hoe bevordert dat de solidariteit tussen groepen?
Als laatste het antiwesterse van het intersectionele denken. Dit stoort Withuis: “ Als je kijkt naar landen als Afghanistan en Iran – er zijn nog wel een aantal andere landen te noemen wereldwijd – dan kun je toch niet anders concluderen dat vrouwen hier tegenwoordig vrij goed af zijn. Feministen zouden ook in het belang van vrouwen elders de westerse waarden niet moeten afwijzen, maar juist moeten verdedigen.” Derrazi en Hegazy zien: “Gelijkwaardigheid tussen geslachten daarentegen (als) een universeel ideaal dat in verschillende samenlevingen en culturen – ook in islamitische landen – al eeuwen wordt nagestreefd. Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw is zelfs in de islamitische leer verankerd.” Waarbij ze vervolgens constateren dat: “De mate waarin dit in de praktijk wordt gebracht, varieert, afhankelijk van culturele, sociale en politieke factoren.” De culturele, sociale en politieke factoren in de westerse samenleving zijn: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Als we naar de rest van de wereld kijken dan blijken juist die westerse waarden de meest vruchtbare voedingsbodem te bieden voor de gelijkwaardigheid tussen de geslachten. In ieder geval veel vruchtbaarder dan het ‘verankerd zijn in de islamitische leer’ van de gelijkheid tussen man en vrouw. Tot dat de praktijk iets anders laat zien lijkt mij die constatering voldoende reden om deze westerse waarden, zoals Withuis betoogt, te verdedigen. Waarmee niet is gezegd dat het westen die idealen al heeft bereikt.
Koning Willem de Tweede zou in één nacht zijn veranderd van een conservatief in een liberaal toen hij de Grondwet van 1848 onderschreef. Een Grondwet die de koning slechts een ceremoniële functie toekende. De oorzaak van die koninklijke kleurverandering kan worden gevonden in de revolutionaire ontwikkelingen in het jaar 1848. Zo werd de laatste Franse koning Lodewijk Fillips I afgezet en werden andere vorsten met geweld tot vergaande concessie gedwongen. Voor wie meer over dit revolutionaire jaar wil weten, lees het boek Europese Lente. De strijd voor een nieuwe wereld 1848-1849 van Christopher Clark. Ik moest hieraan denken bij het lezen van twee artikelen van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard.
Standbeeld koning Willem II Den Haaf. Bron: flickr.com
Op 14 februari prees hij in een artikel enigst PVV-lid Wilders: “door juist een PvdA’er aan te wijzen als informateur, bewijst Wilders dat hij boven de partijpolitieke spelletjes staat en het landsbelang vooropstelt. Het lijkt ook op een uitgestoken hand naar onze twijfelaar, Pieter Omtzigt.” Desite kwam superlatieven tekort: “Dit is niet zomaar een politieke zet; dit is een meesterzet. In de huidige politieke impasse, waarbij de formatiegesprekken keer op keer vastlopen op onverzoenlijke verschillen, is het cruciaal dat er iemand met een frisse blik en buiten het gebruikelijke partijpolitieke spectrum komt om de boel vlot te trekken.” Wilders geeft hiermee, zo wordt betoogt: “een duidelijk signaal uit naar de rest van politiek Nederland: de PVV is bereid om over haar eigen schaduw heen te springen en onconventionele keuzes te maken in het belang van het land. Dit is een krachtig statement in een tijd waarin politieke starheid en ideologische scherpslijperij vaak de overhand hebben.” En: “Bovendien plaatst Wilders hiermee de bal bij de andere partijen, en met name bij de NSC van Pieter Omtzigt. Door een bekwaam en gematigd figuur als Putters voor te dragen, maakt Wilders het voor Omtzigt en consorten moeilijker om zich afzijdig te houden. Het is nu aan hen om te bewijzen dat zij ook het landsbelang boven partijbelang kunnen stellen.” Afsluitend worden Wilders nog wat pluimen op de hoed gezet: “In de complexe en vaak onvoorspelbare wereld van de Nederlandse politiek heeft Geert Wilders wederom bewezen een strategisch denker te zijn, die bereid is om de conventies te doorbreken.” Hij is, om het zwak uit te drukken, erg te spreken over Wilders’ keuze voor Kim Putters. Tenminste op 14 februari.
Een dag later hangt de vlag er ineens heel anders bij. Jongeneel in een volgende artikel: “PARTIJKARTEL ALERT! Nieuwe informateur Kim Putters schakelt “experts” in: De zoveelste draaimolen van de politieke elite,” aldus de kop boven een artikel. “Kim Putters beweert dat zijn “opdracht duidelijk is”, maar geeft toe dat het “iets minder duidelijk” is hoe de politieke partijen hierover denken. Dit lijkt weer eens typisch politiek taalgebruik te zijn dat nietszeggendheid tot kunst verheft. Putters benadrukt de noodzaak van het vinden van de juiste vorm voor een nieuw kabinet, alsof de vorm het probleem is en niet de inhoud van beleid dat onze samenleving raakt,” zo begint het artikel. En vervolgt iets verder met: “We staan “als land voor grote uitdagingen”, zegt Putters. Maar zijn woorden klinken hol tegen de achtergrond van een politiek landschap dat meer verdeeld lijkt dan ooit. Grote tegenstellingen in het parlement worden als excuus gebruikt voor langdurige formatieprocessen, terwijl de echte kwesties – zoals immigratie, economische stabiliteit, en het behoud van onze nationale identiteit – op de achtergrond raken.” In de volgende alinea wordt het er niet beter op: “Het inschakelen van mastodonten zoals Tjeenk Willink en De Graaf is symptomatisch voor de wijze waarop de politieke elite blijft rondcirkelen binnen haar eigen kringetje, terwijl de stem van het volk naar de achtergrond verdwijnt. De formatie wordt een lastige klus genoemd, maar misschien is het wel de zelfgenoegzaamheid van onze politieke leiders die het werkelijke obstakel vormt.” Om af te sluiten met: “In de komende weken zal blijken of Putters en zijn team van ‘experts’ daadwerkelijk in staat zijn om iets te veranderen, of dat dit slechts de zoveelste aflevering wordt in de eindeloze soap die de Nederlandse politiek is geworden. Eén ding is zeker: de Nederlandse burger verdient beter dan deze eeuwige politieke carrousel.”
De Jongeneel van de 14e februari is het met de Jongeneel van de 15e februari eens dat er sprake is van een meesterzet. Wie die meesterzet heeft bedacht daarover denken ze verschillend. Voor die van de 14e februari is Wilders het genie dat deze zet heeft bedacht. Voor die van de 15e is een geniale zet het ‘partijkartel’. Of Jongeneel is, net als koning Willem II in 1858, in één nacht tot bezinning gekomen. Of hij lijdt aan een dissociatieve identiteitsstoornis. Of zijn kortetermijngeheugen is aangetast. Of hij behoort tot de categorie mensen die iedere oprisping met wereld deelt en daarbij niet kijkt naar consistentie in wat er wordt gezegd. Aangezien hij in het artikel van de 15e geen woord rept over zijn artikel van een dag eerder, liggen aantasting van het kortetermijngeheugen en ‘iedere oprisping delen zonder consistentie’ het meest voor de hand.
De titel met hoofdletters en veel punten erachter. En nee, die zucht is niet het gevolg van een kater als gevolg van het vieren van Vastelaovend. Die titel met hoofdletters en veel punten is een gevolg van iets dat ik las op de site De Dagelijkse Standaard. “Massa-immigratie gaat niet over het helpen van mensen, maar over het vernietigen van de nationale identiteit.Ze willen dat iedereen volledig geïsoleerd is en niet verbonden door taal, cultuur, familiebanden of een thuisland waar ze zich thuis voelen.” Aldus Kardinaal Gerhard Müller. Als ik het artikel mag geloven.
De auteur is geen persoon, het is Cultuur onder Vuur . Een, zo is te lezen op hun site: “campagne van de Stichting Civitas Christiana.” Dus dan maar even naar de site van die stichting: “Civitas Christiana vecht voor de overwinning van de christelijke tradities, het gezin en de vrijheid van Nederland. Tegen het oprukkende multiculturalisme, de gender ideologie en de cultuur van de dood.” Doel van de stichting is: “een halt toe te roepen aan de verdere afbrokkeling van de Nederlandse cultuur en tradities. Wij begrijpen de Nederlandse cultuur in de context van de christelijke beschaving, zoals die in de loop der eeuwen in Europa vorm heeft gekregen. Als fundamentele principes van de Europese cultuur zien wij traditie, familie en privé-eigendom.” Een stichting die zich inzet voor de Nederlandse cultuur en tradities met een Duitse hertog, Paul von Oldenburg als voorzitter en een Braziliaanse penningmeester in de persoon van Caio Xavier Da Silveira. Bijzonder. Tot zover de auteur. Terug naar de uitspraak van die kardinaal.
Ik vraag me dan meteen af wie die ‘ze’ zijn. Die ‘ze’ die tegenover ‘we’ staat al vraag ik me ook meteen af wie dan die ‘we’ is die tegenover die ‘ze’ staat. Het artikel geeft een hint: “De Duitse kardinaal stelt dat veel globalisten geloven dat er “te veel” mensen op aarde zijn, wat “klimaatschade” veroorzaakt.” Die ‘ze’ zijn dus ‘globalisten’ en om: “deze vermeende ‘overbevolking’ tegen te gaan, gebruiken deze machtsgroepen abortus en euthanasie als onderdeel van een ‘uitroeiingsprogramma’. De prominente kardinaal voegt daaraan toe: “En tegelijkertijd wordt iedereen die dit bekritiseert een nazi genoemd door degenen die zelf de moorddadige nazi-ideologie van ‘macht maakt macht’ voorstaan.” Volgens de kardinaal vloeit: “het lage respect voor het menselijk leven (…) voort uit de filosofische positie van het materialisme van globalisten. Je moet kijken naar de Frans-Roemeense filosoof Emil Cioran, die in zijn boek Le Mauvais demiurge de meest meedogenloze haat tegen de schepping en de goedheid van God propageert en het slangengif van het nihilisme van alle jakobijnse, communistische, fascistische en woke ‘elites’ van de afgelopen twee eeuwen uitspuwt.” Het artikel sluit af met: “Müller stelt ook dat klimaatverandering en de ‘groene” beweging worden gebruikt als een ‘vervangende religie’ die velen aanhangen ‘in plaats van het oorspronkelijke christendom te verspreiden’. De Duitse kardinaal voegt eraan toe: ‘Respect voor het schepsel komt voort uit geloof in de goede Schepper en heeft geen catastrofaal wereldbeeld nodig.”
Zo, dat is nogal wat. Er is dus een ‘’ze’, een club globalisten van jakobijnse, communistische, fascistische en woke ‘elites’ die vindt dat de wereld overbevolkt is, die zich van ‘uitroeiingsprogramma’s bedient om hier wat aan te doen en hierbij gebruik maken van klimaatverandering en de ‘groene beweging’ als plaatsvervangende religie. Mij is nog steeds niet duidelijk wie die ‘ze’ nu precies zijn. Jakobijnen, communisten, fascisten, woke elites, allemaal grote woorden maar wat zeggen ze en vooral op wie hebben ze betrekking? En hoe vervolgens zich dit verhoudt tot die massa-immigratie bedoeld om de nationale identiteit te vernietigen en iedereen te isoleren? En wat is daarin dan de rol van die nieuwe plaatsvervangende ‘groene-beweging-religie? Het lijkt mij nogal onwaarschijnlijk dat jakobijnen, communisten, fascisten en woke elites het ergens met elkaar over eens kunnen worden. Zelfs niet over een agree to disagree’. Laat staan over een gezamenlijk programma met betrekking tot migratie en een plaatsvervangende ‘groene-beweging-religie. Het beeld van die ‘ze’ wordt er niet duidelijker op.
Dan van de ‘ze’ naar het onderwerp migratie. Migratie is een van de wezenskenmerken van de Homo sapiens. De grootste kracht van de mens is zijn voorstellingsvermogen. Dat vermogen maakt dat we verhalen verzinnen, zoals landsgrenzen, bedrijven en religies, die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Het vermogen om je een beeld te vormen van wat er aan de andere kant van het water is zonder dat je het kunt zien. Dat is iets wat ons mensen drijft en inspireert. Je een mens op de maan kunnen voorstellen was voldoende om er binnen tien jaar op te staan. En als het bij de maan lukte, waarom zou het dan niet ook bij Mars lukken? Je de reis ernaar toe kunnen voorstellen, maakt dat mensen zoals Elon Musk eraan gaan werken. Je een beter leven elders kunnen voorstellen, is van de belangrijkste drijfveren van de mens. Die drijfveer maakt dat mensen de reis naar elders aanvaarden. Vaak blijkt werkelijkheid na aankomst anders dan de voorstelling die de reiziger ervan had. Ik hoop dat Musk en degenen die met hem de reis naar Mars willen aanvaarden zich dat ook bedenken. Migratie heeft geen ‘ze’ nodig om mensen te verleiden met een ‘groene-beweging-religie’ om te migreren. Migratie gaat inderdaad niet over het helpen van mensen. Het gaat over mensen die zichzelf willen helpen door te migreren. Migratie gaat niet over het bewust vernietigen van ‘de nationale identiteit’.
Kijkmagazine geeft vijf tekenen waaraan je een complottheorie kunt herkennen die ik voor het gemak hier herhaal. Als eerste worden “verbanden gelegd tussen zaken waartussen niet per se een oorzakelijk verband bestaat. Je zou net zo eenvoudig allerlei andere oorzaken kunnen verzinnen.” Als tweede zit het complot: “extreem ingewikkeld in elkaar. Enorme aantallen mensen houden iets geheim. Er moeten welhaast bovennatuurlijke krachten in het spel zijn om dat voor elkaar te krijgen.” Als derde: “Valt het woord ‘werelddominantie’? Of omvat het verhaal een ambitieus plan om controle te krijgen over een complete staat, economie of politiek systeem? Neem het dan maar met een paar korrels zout.” Als vierde worden: “Feiten en wilde speculaties worden in het betoog door elkaar heen gebruikt, zonder enige poging om ze van elkaar te onderscheiden.” Als vijfde en laatste wantrouwt de verteller: “overheden en organisaties enorm. Complotdenkers weigeren automatisch de officiële lezing te geloven, en vaak ook iedere andere verklaring die niet aansluit bij hun theorie.” Het door De Dagelijkse Standaard overgenomen betoog van kardinaal Gerhard Müller vertoont alle kenmerken van een complottheorie. Een kardinaal complot of beter nog kardinale onzin!
Ik heb de plank mis geslagen met mijn prikker Dubbele moraal en de internationale rechtsorde. Dat kreeg ik van een van mijn lezers te horen. Of beter te lezen: “Gaza was een de facto onafhankelijke staat met een eigen leger, eigen regering. De afscheiding als muur was er niet voor niets. Hamas als het officiële leger van de de facto staat Gaza heeft de boel laten ontbranden. Er was geen politie of bezettende macht in Gaza. De internationale rechtsorde had na 7 oktober moeten ingrijpen en Hamas er uit zetten voor oorlogsmisdaden. …. U hanteert hier zelf een dubbele moraal.” Daar kan ik het mee doen. Zie ik het dan verkeerd en is Gaza een onafhankelijke staat?
Na de bezetting door Israël in 1967, werden er 21 Israëlische nederzettingen gesticht. De kolonisten werden, net als op de Westelijke Jordaanoever, door het IDF beschermd. Die nederzettingen werden in 2005 verlaten en het Israëlische leger trok zich terug uit de Gaza en bouwde er een groot hek omheen. Bij de verkiezingen voor het Palestijnse parlement in 2006, kwam Hamas als de grote winnaar naar voren. Hamas deed aan deze verkiezingen mee onder grote druk van het Westen. Het Westen dat vervolgens een bestuur onder leiding van Hamas niet erkende. Daarop werd een regering van nationale eenheid geformeerd waarin zowel Hamas als Fatah deelnamen. Die viel na drie maanden uit elkaar en in de daarop volgende strijd nam Hamas met geweld de controle over Gaza. Maar was Gaza daarmee een staat?
Even naar de Van Dale. Onafhankelijk is: “vrijheid, zelfstandigheid.” Hier wordt niet specifiek een staat bedoeld. Dan de Wikipedia en het begrip onafhankelijkheid (staatkunde) want daar hebben we het hierover, wordt als volgt omschreven: “is het volledig soeverein kunnen heersen door een land of staat over het eigen grondgebied, zelfstandig kunnen beslissen over het binnenlands en buitenlands beleid en niet worden bestuurd door een ander land.” Hoe bepaal je de onafhankelijkheid? Wikipedia: “De status van onafhankelijkheid wordt internationaal bepaald door de erkenning door andere staten. Alleen onafhankelijke landen kunnen volledig lid worden van de Verenigde Naties, maar hiertoe zijn zij niet verplicht.”
Weer even terug in de tijd, naar het eerste Akkoord van Oslo van 1993. Daar kwamen Israël en de PLO overeen, de Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangements, zoalshet akkoord officieel heet. Een akkoord bedoeld: to establish a Palestinian Interim Self Government Authority, the elected Council (the “Council”), for the Palestinian people in the West Bank and the Gaza Strip” Dit vooruitlopen op een definitieve vredesregeling die er binnen vijf jaar zou moeten zijn. Het zelfbestuur werd de Palestijnse Autoriteit genoemd. Die naam geeft de bijzonderheid van de zaak al aan. Het is geen staat, maar een autoriteit. Een autoriteit omdat ze belangrijke eigenschappen van een staat ontbeert.“In order to guarantee public order and internal security for the Palestinians of the West Bank and the Gaza Strip, the Council will establish a strong policeforce, while Israel will continue to carry the responsibility for defending against external threats, as well as the responsibility for overall security of Israelis for the purpose of safeguarding their internal security and public order.” Die Palestijnse Autoriteit had geen zeggenschap over haar eigen grenzen en mag zich niet bemoeien met Israëliërs die in het gebied wonen. Het ontbrak haar daarmee aan belangrijke kenmerken van een staat.
In dit akkoord werd ook de terugtrekking van Israël uit Gaza vastgelegd en net als het inrichten van: “An economic development and stabilization programme”, dat: “the establishment of an Emergency Fund, to encourage foreign investment and financial and economic support.” Beoogde. “Both sides will coordinate and cooperate jointly and unilaterally with regional and international parties to support these aims.” De Europese Unie en ook Nederland waren partijen die financieel bijdroegen aan dit economisch ontwikkelingsprogramma. Zo werd er met Nederlands geld en door een Nederlands bedrijf gewerkt aan het aanleggen van een zeehaven in Gaza. Die haven in aanbouw werd in 2001 door Israël platgebombardeerd. Iets dat ook de in 1998 geopende luchthaven van Gaza overkwam. Tot een definitieve oplossing is het nooit gekomen.
Als we naar een ander aspect van een staat kijken, de internationale erkenning, dan zien we dat 138 van de 193 lidstaten van de Verenigde Naties Palestina als staat erkennen en Gaza maakt daar onderdeel van uit. Nederland is net als België en de Verenigde Staten een van die 63 landen die Palestina niet erkennen. Palestina is waarnemend niet-lid van de Verenigde Naties. Gaza wordt door geen enkel land erkend als staat.
De Palestijnse Autoriteit ontbeert, ondanks haar erkenning door 138 landen, belangrijke kenmerken van een staat. Gaza wordt helemaal niet erkend als staat en mist ook die kenmerken. Hoe moeten we het gebied dan omschrijven? Op de genoemde Westoever zijn de Israëlische troepen nog present. Dus daar kunnen we van bezetting spreken. Maar hoe zit dat in Gaza? In 2005 trok Israël al haar troepen terug uit Gaza. Geen troepen dus ook geen bezetting? “anneer het grondgebied van een land geheel of deels wordt bestuurd door een ander land” aldus de Wikipedia. Bezetting is, volgens deze definitie, breder dan alleen het fysiek stationeren van soldaten. Bezetting is ook aan de orde als het grondgebied van een land geheel of deels wordt bestuurd door een ander land. Voor deze definitie is veel te zeggen. Wat zien we als we met deze definitie naar Gaza kijken? Israël behield ook na terugtrekking van haar troepen en kolonisten de volledige zeggenschap over de in- en export van goederen in Gaza. Het controleerde en blokkeerde het luchtruim en de toegangen via water naar Gaza. Zo werd in 2010 een Turks schip dat de blokkade van Gaza wilde doorbreken, door Israëlische troepen geënterd. Voor de Verenigde Naties was die blokkade al voldoende reden om van bezetting te spreken. Als er vanuit Gaza iemand een aanslag pleegde in Israël, dan trad het Israëlische leger op en ging op zoek naar de aanslagpleger en het netwerk eromheen. Het vroeg niet om een internationaal arrestatiebevel en vroeg niet om ‘uitlevering’. Israël implementeerde een veiligheidszone op het grondgebied van Gaza, een strook land waar niemand mocht komen en waar je het risico liep om doodgeschoten te worden.
Na het voorgaande laat ik het aan jullie om te concluderen of ik het verkeerd zie en me, zoals de genoemde lezer zegt, schuldig maak het hebben van een aan dubbele moraal.
Mijn zorgen over onze democratische grondrechten die ik eind vorig jaar naar aanleiding van het eindverslag van formatieverkenner Ronald Plassterk in een prikker uitte, zijn vergroot. De aanleiding hiervoor is iets wat zich in de Tweede Kamer in het Vragenuurtje afspeelde. “VVD, PVV en BBB – samen met NSC in gesprek over een nieuw kabinet – grepen het eerste Vragenuur van 2024 dinsdag aan om hun afkeer van de aanhoudende demonstraties van XR te belijden,” aldus een artikel in de Volkskrant dat er verslag van doet. Aanleiding voor de vragen was het besluit van het Openbaar Ministerie om de zaak tegen Extinction Rebellion actievoerders die in 2022 een deel van Schiphol hadden bezet, te seponeren.
“Dus eerst delen we veel te lage straffen uit in Nederland. En dan stoppen we met vervolgen omdat mensen anders toch maar een lage straf krijgen. Dit kan toch helemaal niet? De mensen thuis begrijpen er geen snars van.” Aldus PVV-Kamerlid Marjolein Faber. Dat het Openbaar Ministerie de vervolging staakte omdat duidelijk was geworden dat de manier waarop de actievoerders waren geïdentificeerd niet deugde vergeet ze voor het gemak maar even. Die manier bestond uit het fotograferen van actievoerders en vervolgens via een zoektocht langs foto’s op Internet proberen te achterhalen welke persoon bij de foto hoorde. Dit had ertoe geleid dat er mensen werden beschuldigd van deelname aan die actie die konden aantonen daar niet te zijn geweest.
Deze verdraaiing van de werkelijkheid is nog tot daaraantoe. Voormalig PVV en nu BBB-Kamerlid Lilian Helder gaat nog een stap verder: “XR weet heel goed hoe het de wet moet omzeilen. Het maakt misbruik van het demonstratierecht. Doe het dan zoals Spanje: noem het een criminele organisatie. Dan wordt het een heel ander verhaal.” Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen. Dat geldt zeker voor Kamerleden en wat we zeker van Kamerleden mogen verwachten is dat ze de Grondwet kennen. En van die Grondwet toch zeker de grondrechten. Helaas geeft mevrouw Helder er blijk van die kennis te ontberen. We kennen in dit land geen ‘misbruik van het demonstratierecht’. Artikel 7 derde lid van de Grondwet is daarover heel duidelijk: “Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.” Die voorgaande leden behandelen het uiten van gedachten en gevoelens via de geschreven (lid 1) en ongeschreven media (lid 2). Van dit recht maak ik met het schrijven van deze prikker gebruik en daarvoor hoef ik aan niemand toestemming te vragen. Zo hoeft niemand toestemming te vragen om op welke plek dan ook zijn ‘gedachten en gevoelens’ te uiten. Zo kon ‘Rote Fahne’, die in de jaren tachtig zieltjes probeerde te winnen voor het communisme, ongehinderd zijn boodschap verkondigen in de binnenstad van Venlo. Net zoals de ‘stadsprediker’ van Eindhoven zijn christelijke boodschap door de straten mocht schreeuwen.
Echt bijzonder wordt het met Helders idee om XR dan maar tot ‘criminele organisatie’ te benoemen. Het lijkt erop dat de BBB al een heel eind naar beneden is gerold van het hellende vlak. Het hellende vlak van verkenner Plassterks gesprek over ‘een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.’ Benoem iemand met een andere mening die op een voor jou hinderlijke manier de mening uit gewoon een ‘criminele organisatie’ en weg zijn de grondrechten. Bij de BBB zijn onze grondrechten dus niet veilig. Goed om te weten.
Dat ‘misbruik van het demonstratierecht’ klinkt trouwens heel anders dan de sympathie en aanmoedigingen van haar partij voor de ‘trekker terreur’ van boeren de afgelopen jaren. De tactiek van XR verschilt in niets van die van de manier waarop de boeren, Farmers Defence Force voorop, aandacht vroegen voor hun zorgen. De tactiek was niet anders. Qua inzet van middelen is het echter een verschil van dag en nacht. Een tube lijm en een ketting om je aan elkaar vast te ketenen tegenover bijvoorbeeld een John Deere 6R al dan niet met een aanhanger met mest of hooibalen of een Caterpiller 938M shovel. Enige hypocrisie is de partij dus niet vreemd. Trouwens ook de PVV niet want ik kan me geen oproepen van PVV-Kamerleden herinneren om protesterende boeren te vervolgen en hen er niet vanaf te laten komen met ‘een lage straf’.
CDA-Kamerlid Boswijk deed ook een duit in het zakje door erop te wijzen dat de boetes die de activisten krijgen via een crowd funding worden betaald: “Dan is die ene prikkel die je hebt dus ook weg. Dit is gewoon een vorm van anarchie. Er zijn heel veel mensen in Nederland, onder wie ikzelf, die dit heel slecht trekken.” Minister van Justitie en Veiligheid en VVD-leider Yesilgöz gaat hierop in met de opmerking: “De vragen die in de Kamer leven, zijn heel terecht. Als dit een verdienmodel is, misbruik maken van het demonstratierecht, dan wil ik van het OM graag horen wat het nodig heeft van de politiek om daarop te reageren.” Ook Yesilgöz geeft er blijk van de wet en vooral de Grondwet en de erin opgenomen grondrechten, niet te kennen. Bijzonder voor een minister van Justitie en Veiligheid. Dat meneer Boswijk en anderen dat ‘slecht trekken’ mag zo zijn, het is niet verboden en als er al sprake is van een ‘verdienmodel’ dan is het de overheid die de verdiensten, de door wie dan ook gefinancierde boetes opstrijkt. En ook hier de nodige hypocrisie. Immers toen er geld werd ingezameld om de boetes voor de ‘Blokkeer-Friezen’ te betalen, bleven CDA en VVD oorverdovend stil.
Na de schertsvertoning van deze partijen, waarvan drie van de vier nu aan tafel zitten om die ‘basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtstaat’ begint het erop te lijken dat het grote risico dat ik in de al genoemde prikker schetste, werkelijkheid begint te worden. Het grote risico: “dat die ‘basislijn’ lager komt te liggen dan nu het geval is. Dat er rechten verdwijnen en dat er gemorreld gaat worden aan onze democratische rechtsstaat.”