Oranje hesjes

Zoals bijna iedere zaterdag, bracht ik ook vandaag weer een bezoek aan de bakker. Met brood, een krentenbrood, harde en zachte broodjes en croissants in de speciale tas van bakker Rutten liep ik van de Parade naar huis. Me verheugend op de lunch. Ik sloeg de hoek om naar de Grote kerkstraat en schrok me een hoedje. Ik dacht daar zul je het hebben, het eerste protest van de gele hesjes in Venlo. 

Bron: Pixhere

Al snel zag ik dat er iets niet klopte. De hesjes waren oranje. Zou het een nieuwe projectgroep zijn? Een afscheiding die zich niet helemaal kan vinden in het protest van de gele hesjes en daarom met oranje hesjes de straat op gaat. Geen onmogelijk scenario in deze tijden van ‘identiteitspolitiek’ waarbij de nadruk wordt gelegd op verschillen. Maar nee, het was geen ‘afscheidingsbeweging’ want ze droegen geen spandoeken met zaken waar ze tegen waren. Ze droegen vuilniszakken en knijpers en raapten de rommel op. Ze maakten de straten en de stad schoon. ‘Venlo schoon, heel gewoon’ stond op de door de gemeente Venlo beschikbaar gestelde vuilniszakken. Een prachtig voorbeeld van participeren, je betrokken voelen bij het wel en wee in je omgeving en je inzetten voor de samenleving. En dat allemaal als vrijwilliger. Hulde voor deze vrijwilligers zullen gemeentebestuur en -raad van de gemeente, in dit geval Venlo, zeggen.

Maar toch. Jaren geleden was stratenveger nog een beroep. Met handkar en bezem veegde hij, het overgrote deel van de statenvegers was man dus maak ik er een hij van en bied ik meteen mijn excuses aan de eventuele vrouwelijke stratenveger aan, de straten schoon. De stratenveger kreeg hiervoor betaald. Niet veel, maar het was een manier om je brood te verdienen. Zoveel waardering als de gemeentelijke overheid nu geeft aan die vrijwilligers, zo weinig waardering kon er worden opgebracht voor het werken van de stratenveger. In tijden van bezuiniging was hij een van  de eersten die sneuvelde en werd wegbezuinigd. We, de gemeenschap, vonden de kosten van zijn activiteiten, zijn salaris, niet opwegen tegen de baten, een schone straat. Hij werd werkloos.

Maar ja, die rommel op straat, dat is ook geen gezicht. Zo ‘gewoon’ is een ‘schoon Venlo’ niet. Dat stoorde ons, de gemeenschap, en daarom wordt naar alternatieven gezocht. Een van die alternatieven is het inzetten van mensen in de bijstand. Om die ‘luieriken’ een ‘dagritme en arbeidsethos’ bij te brengen, worden ze her en der ingezet om vuilnis te prikken. Wellicht zit er tussen die bijstandsgerechtigden nog een voormalige stratenveger en kan hij nu om zijn veel lagere uitkering te behouden, stratenveger onder begeleiding. Dit terwijl hij het vroeger zelf kon.

Een ander alternatief liep ik dus vandaag tegen het lijf. Vrijwilligers die, met door de gemeenschap beschikbaar gesteld materiaal, de pleinen, straten en parken schoonmaken. Deze vrijwilligers krijgen, zoals gezegd, iets wat de oude stratenveger en zijn ‘bijstandsgerechtigde’ opvolger niet krijgen: waardering, lof en de complimenten. 

Als we het vanuit de economie beredeneren, dan ligt het anders. Die vrijwilligers dragen nul komma nada bij aan het bruto binnenlands product, het bbp. Ook de ‘extra activiteit’ van de bijstandsgerechtigden draagt er niets extra’s bij. Zij krijgen nog steeds hun bijstandsuitkering. De stratenveger droeg vroeger wel extra bij aan het bbp. Zijn salaris was immers hoger dan de bijstand. Als we de groei van het bbp zo belangrijk vinden dan zouden we weer terug moeten naar de betaalde stratenveger. Een interessante invalshoek als je het bbp en de groei ervan belangrijk vindt. 

Bij het zien van dat groepje ‘oranje hesjes’ moest ik weer denken aan het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Ik schreef er gisteren en vorige week ook al over. Ik moest aan dit boek denken omdat er in de zorg en ondersteuning van mensen iets soortgelijks gebeurt. Ook in de zorg en ondersteuning van kwetsbare mensen wordt ernaar gestreefd om veel meer vrijwilligers en mantelzorgers in te zetten. De auteurs concluderen uit hun onderzoek dat: “De beperking van de kosten voor de verzorgingsstaat en een grotere aanspraak op het eigen sociale netwerk worden gepresenteerd als dermate onvermijdelijk en noodzakelijk dat debat daarover mogelijk noch nodig is.” Gecombineerd met: “een verhaal over wat ‘de’ burgers eigenlijk wensen, namelijk om meer zelf te doen en meer voor elkaar te doen. Het idee dat de beperking van professionele hulp niet alleen noodzakelijk maar ook door allen gewenst is,” maakt dat nauwelijks serieus wordt gekeken wat er werkelijk aan de hand was. En wat was dat volgens de auteurs: “De voorkeuren van diverse (hoger en lager opgeleide, mannelijke en vrouwelijke) burgers () in omgekeerde richting veranderd (zijn), … Tussen 2002 en 2011 nam onder al deze verschillende groepen (in uiteenlopende mate) de voorkeur voor een ‘warmmodern zorgideaal’ (met vooral informele zorg) af en die voor een ‘koudmodern zorgideaal’ (met vooral professionele zorg) toe.” 

Eigen foto

Dit gebrek aan discussie en zicht op de werkelijkheid op het beleidsniveau heeft zijn effect op de werkvloer. Zo wordt de inzet van vrijwilligers beleidsmatig onderbouwd met de bewering dat: “informele hulpverleners meer continuïteit zouden bieden en met meer creatieve en passender oplossingen zouden komen.” De auteurs: “Deze vermeende voordelen van de huiselijke wereld zijn we in de praktijk overigens weinig tegengekomen. Aanspreken van het netwerk was in sommige gevallen van waarde voor de cliënt, maar niet omdat er betere kwaliteit of continuïteit werd geboden. Wat het vooral opleverde, in die gevallen dat het goed ging, was meer begrip en communicatie.” Wat zij wel zagen: “In voorlichtingsmateriaal aan professionals wordt bijvoorbeeld over professionals gesteld dat het niet gaat om wat je weet maar om hoe je bent. Je persoon is belangrijk, niet je kennis. De professional deugt voor zover hij of zij een ‘professionele vriend’ is. Maar zelfs als professionals zich zo ‘onprofessioneel’ mogelijk voordoen, worden naasten nog vaak door het beleid gezien als betere hulpverleners.”  Dit, zoals de auteurs het noemen, huiselijke vertoog is: “een aanslag op de professionaliteit van mensen die betaald zorg en hulp verlenen. Zij krijgen immers te horen dat anderen, zonder enige opleiding, hun werk ook wel kunnen doen.” Net zoals de vrijwilligers die ik tegen kwam ‘betere stratenvegers’ worden gevonden. 

“Ironisch is dat onder professionele organisaties jarenlang grote onzekerheid en discontinuïteit is gecreëerd door marktwerking en aanbesteding. Organisaties en de daar werkende professionals weten daardoor vaak niet of ze het volgende jaar dezelfde cliënten nog wel mogen helpen. Wordt hun organisatie de aanbesteding gegund, wordt hun tijdelijke contract verlengd? Deze arbeidsonzekerheid krijgen ze nu als gebrek aan kwaliteit in hun gezicht geworpen: het netwerk is beter want het biedt meer continuïteit. Als we continuïteit zo belangrijk vinden, waarom wordt het werk dan niet zo georganiseerd dat professionals deze continuïteit kunnen bieden?” vragen de auteurs zich af. Een interessante vraag die we ook met betrekking tot een schone buitenruimte en de stratenvegers kunnen stellen.

Zeep en zelfredzaamheid

“Cijfers zijn als zeepjes, schrijft Sanne in haar boek: knijp er te hard in en ze glippen uit je handen. We zijn soms zo obsessief bezig met meten dat de cijfers hun doel voorbijschieten.” Een citaat uit de aankondiging van een podcast bij de Correspondent. Een podcast met Sanne Blauw, een econometrist die het als haar doel ziet om: “cijfers weer op hun plek (te) zetten. Niet op een voetstuk. Niet bij het vuilnis. Maar waar ze horen: naast de woorden.” Aan dit citaat moest ik deze week denken. Ik moest eraan denken toen ik met enkele collega’s sprak over het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Een boek waar ik vorige week ook al over schreef.

Bron: Wikipedia

“Beleid wordt niet gemaakt door beleidsmakers maar door uitvoerders. Politici noch ambtenaren op ministeries en in gemeentehuizen bepalen het beleid, maar de zorgverleners aan het bed en de politieagenten op straat.” Met die zin begint het laatste hoofdstuk. Het boek doet verslag van een onderzoek onder de uitvoerders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de de Jeugdwet. Hoe vullen zij hun werk in en hoe verhoudt zich dat tot het beleid en daarin geformuleerde doelen? De onderzoekers concluderen dat er drie verschillende werelden zijn. De eerste wereld van de beleidsnota’s, de echte wereld van de uitvoerders en de derde wereld van de ‘verantwoording van de resultaten’.

Ik moest aan het citaat denken omdat de auteurs van het boek het fenomeen zelfredzaamheid-matrix onder de loep nemen. Een instrument waarmee je kunt “bijhouden hoe de zelfredzaamheid van cliënten zich ontwikkelt.” Een instrument om te kunnen meten of het beleidsdoel: een toename van de zelfredzaamheid kan worden bereikt. Nu is er met dat begrip zelfredzaamheid iets bijzonders aan de hand, aldus de auteurs. In de beleidsdocumenten zien zij twee betekenissen die haaks op elkaar staan. Een de ene kant: “Individuele zelfstandigheid – ook wel ‘eigen kracht’ en ‘zelfzorg’ genoemd,” en aan de andere kant: “het vermogen om informele hulp te vragen aan en te ontvangen van naasten, in ‘eigen netwerken’.” De auteurs vragen zich af: “hoe ze beide onder de term ‘zelfredzaamheid’ kunnen vallen.” Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het antwoord schuilt in wat beide betekenissen in negatieve zin verbindt: ze staan tegenover een beroep doen op professionele hulp. Zelfredzaamheid wordt dus niet positief gedefinieerd maar vooral in termen van wat het niet is, namelijk geen beroep op professionele hulp.” Dit even als redelijk relevant terzijde. Redelijk relevant omdat je de vraag kunt stellen welke ‘zelfredzaamheid’ er wordt gemeten? De resultaten lijken daarmee al op de ‘zeepjes’.

Het wordt echter nog glibberiger. Uit hun veldonderzoek onder de uitvoerders blijkt dat: “Verslaglegging (…) het werk van professionals zwaarder (heeft) gemaakt en meer bureaucratische rompslomp met zich meegebracht. Dat hoeft hun speelruimte echter niet in te perken: ze kunnen hun verslaglegging toeschrijven naar wat het beleid wil horen.” Met hun voeten ‘onder de keukentafel’ hebben de uitvoerders nog een, redelijk logische betekenis toegevoegd aan zelfredzaamheid: “professionele hulp zoeken (teneinde in een later stadium alsnog het zelf te kunnen doen of het netwerk te kunnen vragen).” Deze extra categorie maakt dat: “Bijna alles wat een wijkteamlid of een Wmo- consulent doet, (…) als toename van zelfredzaamheid gescoord (kan) worden. En dus kan beleid op papier succesvol zijn, bijna ongeacht wat er in de praktijk gebeurt.”

De auteurs concluderen hieruit dat: “Als we accepteren dat beleidsplan en verantwoording enerzijds en praktijk anderzijds verschillende werelden zijn, dan kunnen we constateren dat het met beide werelden best goed gaat.” Alleen leidt dat tot drie problemen. Als eerste wordt het zelfredzaamheidsideaal: “niet serieus ter discussie (…) gesteld noch nader (…) gepreciseerd; wat in de praktijk geleerd wordt, leidt niet tot reflectie in beleid en politiek.” Als tweede vraagt dit: “veel rituele handelingen (…) van professionals die het al heel druk hebben en weinig baat hebben bij de eindeloze verantwoordingsformulieren.” En als laatste: “kan beleid wél emotionele schade veroorzaken bij cliënten, juist wanneer de professionals beleidsopdrachten heel getrouw uitvoeren en zich dus niet als straatbureaucraten gedragen.” 

De ‘cijfers en woorden’, om het doel van Blauw te parafraseren, komen niet naast elkaar te staan. Niet alleen wordt zo het ‘zelfredzaamheidsideaal’ niet ter discussie gesteld, ook de ideologie waarop de drie genoemde wetten zijn gebaseerd, wordt niet getoetst en ter discussie gesteld. En, zoals ik al eerder schreef, is die ideologie een ‘kaartenhuis’ gebaseerd op aannames.


Hofje van Bakenes

Een bejaardenhuis, ook wel rusthuis genoemd. In nog vroeger tijden werden ze ook wel oudemannenhuizen en oudevrouwenhuizen genoemd. Nog niet zo lang geleden kon je ernaartoe als je redelijk verzorgd van je ‘oude dag’ wilde gaan genieten. Het was wonen gecombineerd met vormen van zorg. Er werd voor je gepoetst. Als je wilde kon je naar een gemeenschappelijke ruimte voor activiteiten al dan niet begeleid door een activiteitenbegeleider en je kreeg er te eten. Tegenwoordig, met de Wet maatschappelijke ondersteuning, noemen we die zorg ‘ondersteuning’ want ‘zorg’ reserveren we voor zaken met een meer medische noodzaak. 

Hofje van Bakenes. Bron: Wikimedia Commons

In Nederland lijken ze de laatste tien vijftien jaar uit de gratie geraakt. Mensen willen ‘langer zelfstandig’ wonen en niet worden betutteld, zo heet het in beleidstermen. Mensen willen zelf de regie voeren over hun leven. Dat ‘langer zelfstandig’ wonen en ‘eigen regie’ geld moeten besparen is een tweede, niet minder belangrijke, reden. Of het werkelijk goedkoper is? Ja, door de verantwoordelijkheden op te knippen wordt het lastig om te vergelijken. Wonen, zorg en ondersteuning hebben allemaal een eigen ‘baas’.

Nu luisterde ik vandaag naar een aflevering van 1 op 1 met minister Hugo de Jonge over de personeelsproblemen in de zorg. In de randen van dit thema werd er ook gesproken over gemeenten die grond beschikbaar moesten stellen om woningen te bouwen. Woningen voor ouderen in een soort van ‘hofje’ en voorzien van goede ondersteuning en zorg. Ouderen zouden naar die ‘hofjes’ moeten verhuizen zodat hun gezinswoningen vrijkomen voor anderen die een woning zoeken.

Voor het gemak zal ik verder even geen aandacht besteden aan de bijzondere redenering dat ouderen hun ‘thuis’ moeten verlaten als ze naar zo’n ‘hofje’ willen. Hoezo langer thuis? Als we even teruggaan in de geschiedenis dan is dit niets nieuws. Een van de eerste bejaardenhuizen avant la lettre was het ‘hofje van Bakenes’ voor oude vrouwen. Wat is zo’n ‘hofje’ anders dan een moderne uitgave van een rusthuis of bejaardenhuis? Een clustering van oude van dagen die het mogelijk maakt om efficiënt zorg en ondersteuning te organiseren? 

Oude wijn in nieuwe zakken? Passender: oude van dagen in nieuwe hofjes.

‘In de tes gezeikt’

“Het tekort aan leraren is een urgente kwestie die om onorthodoxe maatregelen vraagt,’ zo concludeert Peter Giesen in het Commentaar in  de Volkskrant. Dit naar aanleiding van de carrièreswitch van Merel van Vroonhoven. Van Vroonhoven verlaat haar post als bestuursvoorzitter van de Autoriteit Financiële Markt om docent te worden. 

Bron Wikimedia Commons

“Als het basisonderwijs inderdaad aantrekkelijker wordt door een hoger salaris, zullen meer studenten voor de pabo kiezen, maar het duurt minimaal vier jaar voordat zij voor de klas staan. Ook zij-instromers hebben eerst een opleiding nodig, temeer daar de Onderwijsraad constateerde dat hun didactische vaardigheden vaak tekortschieten.” Aldus Giesen en daarom zoekt hij naar die ‘onorthodoxe maatregelen’. Waaraan hij denkt: “Het basisonderwijs beschikt over een grote stille reserve. Zeven van de tien leraren werken, in deeltijd, vaak drie dagen. Als zij verleid kunnen worden om meer uren te werken, bijvoorbeeld door een premie of andere voordelen, staan er meteen meer mensen voor de klas en kan de werkdruk afnemen, zeker als de overheid de regeldruk en bureaucratie zo veel mogelijk terugsnoeit.” Hij concludeert dat er: “veel haken en ogen (aan deze maatregel zitten) maar zij is effectiever dan een salarisverhoging voor alle leraren die heel duur is en hooguit op termijn resultaat oplevert.” 

Als die zeven van de tien meer gaan werken dan biedt dat inderdaad een oplossing. Maar toch, denkt Giesen niet wat te gemakkelijk. Laten we eens een school nemen met tien leerkrachten waar werk is voor twaalf waarvan er drie volledig werken. Stel die zeven anderen worden verleid met een premie en ‘arbeidsverlichting’ door het wegnemen van bureaucratie? Wie moet dat ‘bureaucratische werk dan doen? Dat moet immers ook gebeuren? Maar vooral hoe zouden die drie die al volledig werken dat vinden? Die krijgen geen premie en arbeidsverlichting, ze werken immers al voltijds en hoeven niet te worden verleid. Als een van die drie zou ik me behoorlijk, om het op z’n Venloos te zeggen, ‘in de tes gezeikt’  voelen (voor de niet Venlonaren (belazerd voelen). Ik kreeg dan immers minder voor zwaarder werk want ik heb geen ‘arbeidsverlichting’. 

Omdat er toch een tekort is, zou ik op een andere school solliciteren als parttimer zodat ze mij kunnen ‘verleiden’ tot fulltime werken met ‘arbeidsverlichting’. Als iedereen dat doet, dan betekent dit dat het salaris van een fulltimer stijgt, zijn werkdruk daalt en dat er mensen moeten worden aangenomen voor dat ’bureaucratische werk’ Dan is het toch eenvoudiger om meteen de salarissen te verhogen en ‘bureaucraten’ aan te nemen. 

Paradoxen aan de keukentafel

Provincies moeten taken van gemeenten kunnen overnemen en sterke gemeenten moeten taken van provincies kunnen overnemen.” Daar kwam een toespraak van minister Ollongren op neer, zo lees ik op binnenlandsbestuur.nl. Zo zou een provincie zorgtaken van gemeenten kunnen overnemen. Dat was tegen het zere been van de Vlissingse wethouder Albert Vader zo is in een ander artikel op binnenlandsbestuur.nl te lezen. Alles is immers pas opgeschud en naar de gemeente gekomen en dat heeft: “tijd, rust en ruimte nodig om tot zijn recht te komen.” Daar heeft de wethouder een punt. Al maar het bed op blijven schudden maakt het lastig om erin te slapen. 

Toch maak ik me zorgen. Zorgen om de mechanische aanpak die ik bij veel gemeenten zie ook bij Vader. “Gemeenten krijgen steeds meer zicht en grip op de werkprocessen in de praktijk. Er worden lessen geleerd en verbeterslagen gemaakt om te komen tot een efficiënte aanpak.” Cruciaal bij de zorg voor en ondersteuning van mensen is de relatie met de mens achter de ‘hulpbehoevende’. Laat zo’n relatie zich vangen in een werkproces? 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is loketten.jpg
Bron:Flickr

Vorig jaar bracht het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken een jaarboek uit met als titel De verhuizing van de verzorgingsstaat . Het boek is gebaseerd op onderzoek naar de manier waarop gemeenten sinds 2015 invulling geven aan zorg en ondersteuning. Nabijheid wordt zo ongeveer gezien als de oplossing voor alles of zoals de auteurs het schrijven: “nabijheid is in beleidsteksten een wondermiddel voor ongeveer alles wat het beleid in het sociale domein zich heden ten dage ten doel stelt.” 

De onderzoekers constateren dat gemeenten ‘nabijheid’ centraal stellen en die nabijheid afzetten tegen de bureaucratische logica. Zij zien negen beloften van nabijheid. Allemaal beloften met haken en ogen. Als eerste de belofte dat nabijheid tot maatwerk leidt. De auteurs: “Maatwerk werd tot voor kort helemaal niet gekoppeld aan nabijheid; een voorwaarde voor maatwerk was discretionaire bevoegdheid.”

Als tweede: nabijheid leidt tot een betere aansluiting op de vraag. De auteurs hierover: “Voor een betere aansluiting op de vraag van burgers was evenmin nabijheid, en eerder kennis van gelijksoortige gevallen nodig. Die kennis werd verkregen via grootschalig onderzoek met abstrahering van individuele gevallen. Dat onderzoek leverde het bewijs voor de beste aansluiting van diensten op de vraag van burgers en maakte de dienstverlening evidence-based. Onderzoek vereiste objectiviteit, en dat vroeg om distantie. Nabijheid zou de blik maar beperken tot specifieke, moeilijk te generaliseren gevallen.”

Als derde leidt nabijheid tot vertrouwdheid en vertrouwen. Ook hier lag het tot voor kort anders: “Het fundament waarop de verzorgingsstaat sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig werd opgebouwd, was vertrouwen in anonieme structuren, die garandeerden dat mensen gelijk behandeld werden. Dat vertrouwen in anonieme structuren werd versterkt door een afkeer van intensieve bemoeienis door paternalistische professionals, die mensen thuis kwamen vertellen hoe zij hun leven moesten leiden. Vooral sinds de jaren zeventig wilde men af van afhankelijkheid van vertrouwensrelaties met professionals bij wie je in goede aarde moest vallen om een prettige behandeling te krijgen.”

Als vierde versterkt nabijheid het preventief werken. Dit: “betekende eerder ook niet de dienstverlening dicht bij individuele gevallen organiseren, maar op afstand collectieve, grootschalige oplossingen bedenken. Openbare gezondheidszorg die sinds de negentiende eeuw ontwikkeld werd bij- voorbeeld, was niet gebouwd op nabije hulp van de dominee of de dokter maar op anonieme, massale maatregelen als riolering, huisvesting, waterleiding en inentingen. Nabijheid associeerde men eerder met besmetting van ziekten. Preventie vereiste afstand houden van besmettingsbronnen zoals armoedige landlopers.” 

Ook zorgt nabijheid, zo luidt het huidige adagium, ervoor dat er integraler wordt gewerkt. Die integriteit: “vereiste eerder sturing op afstand,” zo dacht men tot voor kort. Afstand zo was nog geen twintig jaar geleden de gedachte, versterkt de regiefunctie. 

Dan vergroot, zo denkt men tegenwoordig, nabijheid de creativiteit. Nog niet zo lang geleden werd creativiteit gezien als: “resultaat van afzondering. Ruimte om na te denken, niet afgeleid door beslommeringen van cliënten en de waan van de dag.” 

De laatste ‘belofte’ van het huidige nabijheidsdenken is dat het tot efficiëntie leidt. Dit terwijl efficiëntie vroeger moest komen van: “afstandelijke burelen achter loketten, waar anonieme klerken hulpbehoeften zouden ordenen, stroomlijnen en van aanbod voorzien.” 

De auteurs concluderen: “de beloften van nabijheid worden nauwelijks beargumenteerd. Nabijheid wordt gepresenteerd als logisch en evident voor het bereiken van de doelen. In de recente geschiedenis van zorg en welzijn vond men voor dezelfde doelen afstand vaak een goede route.” Een verontrustende conclusie al hoeft die niet te verbazen. Al eerder schreef ik over de redeneringen achter de verschuiving van zorgtaken naar de gemeenten en dan vooral de aannames die erbij werden gedaan. Over de aanname achter de nabijheid. Nabijheid die moet worden bereikt met wijkteams. Wijkteams die de ‘oplossing voor alle ‘kwalen’ aan de ‘keukentafel’ verzinnen.

Bron: Flickr

Als we vervolgens kijken naar de manier waarop gemeenten het werk vormgeven dan vertoont dat zeer veel kenmerken van een bureaucratische logica: “zicht en grip op de werkprocessen.” Het enige wat er is veranderd is dat het loket is verplaatst naar die ‘keukentafel’. In de verhuizing van de verzorgingsstaat laten de auteurs zien tot welke paradoxale situaties die aannames aan die ‘keukentafel’ leiden.

Oud minister-president Drees sloot zijn verdediging van zijn ‘noodwet’ in de jaren vijftig met de hoop dat die zou uitgroeien: “tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Soortgelijke woorden sprak de koning uit in 2013 in de troonrede ter verdediging van de nieuwe manier van denken: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten… .” Eenzelfde ‘verdediging’ voor een tegenovergestelde beweging. Dat paradoxale hoeft geen verrassing te zijn. Met eenzelfde logica het precies tegenovergestelde bereiken, moet wel tot een paradox leiden.


‘Leeuwenkoning Baudet 2’

“I’ve said that many times.” Het antwoord van Thierry Baudet op de vraag van een Zwitserse journalist of hij “the leading intellectual in the Netherlands,” is. Natuurlijk mag iemand dat van zichzelf vinden en het ook zeggen. Laten we Baudets betoog eens volgen.

Bron: Wikimedia Commons

Baudet zet zich af tegen alle partijen want die zijn: “all representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” Baudet maakt hier wel een erg grote karikatuur van het liberalisme en gaat volledig voorbij aan grote liberale denkers die de wel degelijk grenzen stelden aan maximale individuele vrijheid. Mill begrensde die al door eraan toe te voegen dan de vrijheid van de één begrensd wordt door evenveel vrijheid voor alle anderen. De liberaal en denker over rechtvaardigheid John Rawls voegde er zijn twee beginselen van rechtvaardigheid aan toe: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Tot zover de karikatuur. In deze zinnen zegt Baudet nog meer. Hij zet zich af tegen maximale gelijkheid van mensen. Beweert hij hier dat, om Orwells Animal Farm te citeren: “some animals are more equal than others”? Hij streeft niet die maximale gelijkheid na, maar een ingebedde mens die ‘zijn eigen vrijheid goed begrijpt’. Een ‘ingebedde mens die een leidende elite nodig heeft want: “society needs an elite that leads the way.” Dat hij zelf vindt dat hij tot die elite behoort, mag al blijken het antwoord op de vraag uit het interview waarmee ik begon. 

Maar een elite? Mogen we hieruit afleiden dat hij een nieuwe elite wil met hem als ‘leeuwenkoning’ om een eerdere Prikker aan te halen? Dat ‘het volk’ zich daarna weer moet schikken in ‘volgzaamheid’? ‘Het volk’ is dus alleen maar even nodig om de ‘oude elite’ die er volgens Baudet niets van begrijpt, weg te werken. En daarna ‘le roi est mort, vive le Roi lion’? Op die eerdere Prikker kom ik later nog terug.

Even terug naar dat ‘equilibrium’ die: “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’.” Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Daarvoor grijpt hij terug in de geschiedenis: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Baudet wil terug naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” 

Bron: Wikipedia

Pardon! de bourgeoisie waren de ‘ordinary people’? De bourgeois manier van leven was voorbehouden aan een heel klein deel van de mensen. Even een korte geschiedenis van het begrip bourgeoisie. Dit begrip ontstond in de Middeleeuwen en bestond uit de middenklasse van handelaren en gildemeesters uit de steden. Bij middenklasse moeten we ons iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig onder verstaan. De middenklasse bestond uit de mensen die minder aanzien hadden dan de adel, maar meer dan het gepeupel waartoe de overgrote meerderheid behoorden. Ze stonden midden tussen die twee standen of klassen in. Qua financiën stonden ze aan de top. In de steden vocht deze klasse voor zeggenschap voor de burgers van een stad tegen de landheer. Nu moeten we ons ook bij het begrip stadsburger iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig bij denken. Niet iedere inwoner van de stad had rechten als burger. Nee deze rechten waren voorbehouden aan … de bourgeoisie. Het gewone volk daar hadden ze geen eieren mee, dat moest zich schikken in haar armetierige lot. De bourgeoisie bestond dus uit de rijke handelaren, bankiers en vanaf de negentiende eeuw de fabriekseigenaren.

Een belangrijk begrip in Baudets denken is oikofobie. Baudet beantwoordt de vraag of oikofobie: “denying or hating your own culture,” is met “yes”. Baudet verwijt dat: “under the influence of cultural Marxism, which started in the 1920s and became dominant in the 60s, intellectuals, politicians, artists, academics, journalists and, as such, the entire elite of our society have been bewitched by that idea.” Cultuurmarxisme een prachtige term waar Baudet en andere aanhangers ervan, alles onderstoppen wat ze niet aanstaat. Als dit oikofobie is dan vraag ik me af waar Baudet tegen vecht. Zouden er werkelijk zoveel mensen zijn die hun eigen cultuur ontkennen en haten? 

Het lijkt erop dat iedereen die denkt dat een cultuur fluïde is en in de loop van de tijd verandert in de ogen van Baudet aan oikofobie leidt. En daarmee kom ik bij de eerste prikker met als titel ‘Leeuwenkoning Baudet’ en vooral bij de zin van Popper die erin centraal stond: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Waardoor het, in ieder geval voor mij, duidelijk wordt dat Baudets denken een van de twee vormen van historicisme is. De vorm die het ideaal in het verleden zoekt en ernaar terug verlangt. 

En, zoals Popper concludeerde leidt historicisme in extremis tot totalitarisme. Met zijn betoog over de bourgeoisie wordt duidelijk hoe Baudet de wereld ziet. Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden. Heeft dat niet een zweem van totalitarisme?

Verdwalen tussen de kruispunten

In-ter-sec-tio-na-li-teit. Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” De eerste zin van een artikel van Seada Nourhussen bij Oneworld. “ Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse).Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken. 

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. 

Bron: Wikipedia

Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft dan de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel; “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  

Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. 

Hoeveel zin heeft het om alle energie te verspillen aan indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.

Zou dat ‘ontmoeten’ niet veel makkelijker worden als er niet wordt verdeeld maar verbonden? Als er niet gezocht wordt naar verschillen, naar die kleine stukje, maar naar het geheel? Dat geheel heet mens en het streven wat al die verschillende groepjes delen is dat ze gelijk willen worden behandeld en gelijke kansen willen hebben in de wereld. Als dat de gemeenschappelijke deler is, waarom dan eerst verdelen en vervolgens elkaar proberen te vinden op kruispunten? Dan kan alle energie worden gericht om dat doel van een betere wereld te bereiken. 

“Daarom is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen,” schrijft Nourhussen. Ik denk inderdaad dat het cruciaal is. Cruciaal om ermee te stoppen zodat we niet verdwalen tussen de kruispunten, maar elkaar vinden in het geheel.

Wat gij niet wilt dat u geschiedt, …

Gaaaaap! Dat dacht ik toen ik in de Volkskrant een interview las met Rob Roos, de leider van Forum voor Democratie in Zuid Holland. Waarom? Om een wel erg grijsgedraaide plaat. Een plaat die bestaat uit uitspraken die een beeld oproepen dat dan wel populair is maar nergens op slaat. 

“Onze kiezers zijn mensen die ’s morgens in de file staan, hardwerkende Nederlanders die bij de NPO worden uitgemaakt voor idioten. Voor hen komen we op. Al twintig jaar is het debat in Nederland door politieke correctheid platgeslagen. Dat moet stoppen. De PVV wordt al jarenlang uitgesloten, en ook wij hebben een stempel op ons voorhoofd gekregen.” 

Bron: Wikimedia Commons

Beste meneer Roos, zijn het alleen uw kiezers die hard werken en in de file staan? Stemmen er werklozen of arbeidsongeschikten op uw partij? Dat is het beeld dat u hier schetst. Ik heb niet en zal nooit op uw partij stemmen, wil dat zeggen dat ik niet hard werk? Kunt u mij drie, twee, één voorbeeld noemen van een NPO programma dat hard werkende Nederlanders uitmaakt voor idioten?

De PVV wordt uitgesloten? Ik meen me het kabinet Rutte 1 te herinneren, dat sloot die partij in. Dat was niet zo’n succes. Als het over uitsluiten gaat, dan heeft de SP meer reden tot klagen. Deze partij is in haar langere bestaansgeschiedenis dan de PVV zelfs nog nooit gevraagd om te gedogen. Uw partij komt net kijken en nu al beklaagt u zich dat u wordt ‘buitengesloten’. Vreemd voor een partij die in verschillende provincies de grootste is en het initiatief heeft. Het is makkelijk om de schuld van dat buitensluiten bij de ander te leggen. Het kan echter ook dat je jezelf buiten sluit door je eigen opstelling? Is u klacht over buitensluiten misschien een eerste opzetje om u zelf buiten te sluiten.

Ik lees dat het u emotioneert om te worden uitgemaakt voor: “populisten, extreem-rechts of zelf voor fascisten. Dat vind ik verschrikkelijk, echt waar. Het doet me pijn. Je mag andere meningen hebben, maar praat met elkaar en heb respect voor elkaars mening.” Van hoeveel respect getuigt het om te pleiten voor het ontslag van weermannen en leraren die iets zeggen wat niet in het straatje van uw partij past? Van hoeveel respect getuigt een meldpunt voor leraren die ‘links indoctrineren’? Zou het de mensen die u voor “extreemlinkse activisten,” uitmaakt niet ook pijn kunnen doen?

Als laatste die politieke correctheid die het debat, volgens u, al twintig jaar platslaat. Waarover heeft u het? Als de afgelopen twintig jaar ergens door worden gekenmerkt dan is het dat iedereen alles maar gewoon zegt en roept. Iets beweert zonder dat het enige relatie heeft met de werkelijkheid. Eigenlijk zoiets als u hier doet. Het politieke en publieke klimaat zou wel varen bij minder schreeuwen en meer correctheid. 

Beste meneer Roos, gooi die grijze plaat weg. En voordat u uzelf beklaagt, denk dan aan de gulden leefregel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’  

Dreigen en democratie

Onze vrijheden en de erop gebaseerde liberale democratie, zijn ons kostbaarste bezit. Dat zijn de werkelijke Nederlandse ‘normen en waarden’, onze ‘traditie’ en onze ‘identiteit’. Voor ons zijn ze vanzelfsprekend, zo vanzelfsprekend dat ze niet opvallen. Ze vallen pas op als ze ontbreken. Als je in een land verblijft waar ze niet vanzelfsprekend of zelfs afwezig zijn. Of die waarden in gevaar zijn?

Bron: Wikimedia Commons

Zorgwekkende ontwikkelingen zijn er wel. In de Volkskrant betoogt Sander van Walsum dat partijen het voordeel van de twijfel verdienen zolang zij: “programmatisch en strategisch binnen de democratische orde,” bewegen. Daar is wat voor te zeggen alleen is het wel verstandig om je daarbij te bedenken dat ‘programmatisch en strategische binnen de democratische orde opererend’ die democratische orde kunnen vernietigen. De recente geschiedenis kent verschillende voorbeelden van regeringsleiders die hiermee bezig zijn. Neem bijvoorbeeld Orban in Hongarije en Erdogan in Turkije.

Zorgwekkend is ook de redenering van Henk Strating bij Opiniez. Volgens Strating is maar: “één manier (waarop) kan voorkomen dat ze bij de volgende Tweede Kamer-verkiezingen door een nog veel groter Forum voor Democratie wordt weggevaagd. De tegenstellingen tussen voor- en tegenstanders die dán ontstaan zullen onbeheersbaar worden, met alle gevolgen voor onze democratische rechtsstaat.” Die mogelijkheid is: “in de resterende regeerperiode serieus rekening te houden met opvattingen van Forum voor Democratie en waar mogelijk met deze partij tot samenwerking in de Eerste Kamer te komen.”

Stel dat Strating gelijk heeft. Dat het nu negeren van het Forum voor Democratie leidt tot onbeheersbare tegenstellingen over twee, drie jaar? Is dat dan een reden om met die partij in zee te gaan? Hoe democratisch is zo’n dreigement? Stratings redenering komt er dan op neer dat een stemmer op het Forum voor Democratie zwaarder weegt dan een kiezer op de bijvoorbeeld de Partij voor de Dieren. Zwaarder omdat er naar die eerste moet worden geluisterd om een ‘ramp’ in de toekomst te voorkomen.

Stel nog steeds dat Strating gelijk heeft. Moeten andere partijen zich dan onder die dwang een bepaalde kant op laten drukken? Als dat de manier is, wat let dan de aanhangers van de andere partijen om ook te dreigen met ‘tegenstellingen die onbeheersbaar worden’. Als onze democratie zich onder druk laat zetten door het schermen met ‘onbeheersbaarheid’ als een groep haar zin niet krijgt, is er dan nog wel sprake van democratie?

‘Leeuwenkoning Baudet’

Boreale wereld, uilen van Minerva die weer vliegen, masochistische ketterij, het kwam allemaal voorbij in de speech van Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet. Een speech vol beeldspraak en een verlangen naar een verleden. Maar welk verleden? Hierover schreef ik al eens een artikel. Na het lezen van die speech moest ik denken aan de filosoof Karl Popper. In het tiende hoofdstuk van zijn bekende werk De open samenleving en haar vijanden typeert hij dit streven in één pakkende zin. Op die zin moeten jullie nog even wachten. Eerst wat meer over Popper en het boek. 

Eigen foto

Popper werd in 1902 in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. Popper is vooral bekend om zijn wetenschapsfilosofie. Hij pleit voor kritisch rationalisme en ontwikkelde het ‘falsificatieprincipe’. Dit komt erop neer dat wetenschappers niet steeds nieuw bewijsmateriaal moeten zoeken om hun theorieën te bevestigen, maar juist moeten proberen de eigen veronderstellingen te ontkrachten. Om Poppers bekende voorbeeld aan te halen. Als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan helpt het zoeken naar witte zwanen niet. Al die duizenden witte zwanen die je vindt, maken nog niet dat je kunt zeggen dat alle zwanen wit zijn. Wat wel helpt is het zoeken naar zwarte zwanen. Als je er één vindt, dan weet je zeker dat niet alle zwanen wit zijn. 

Een tweede bijdrage van Popper aan de wetenschap en die is voor deze Prikker van belang, is zijn strijd tegen historicisme. Historicisme is denken dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk via vaste wetten naar een bepaalde eindsituatie ontwikkelt. Door de geschiedenis te bestuderen zou je die wetten kunnen ontdekken en dus kunnen weten hoe de toekomst eruit gaat zien. Die strijd tegen het historicisme staat centraal in De Open Samenleving en haar vijanden. Het boek is een vurig pleidooi voor de liberale democratie voor de open samenleving. 

Even een stukje geschiedenis. De mens heeft millennia lang in kleine groepen geleefd. Popper noemt deze samenlevingsvorm de gesloten tribale samenleving. Het leven in die groepen en ook het denken van onze voorvaderen werd gedomineerd door het steeds terugkeren van het bekende: de jaargetijden die de trek van bepaalde dieren meebrachten. Het leven zoals het wordt weergegeven in het themanummer van de film ‘The Lion King’, een lied met als titel ‘The circle of life’. Toekomst en ontwikkeling zijn in zo’n samenleving niet relevant omdat iedereen een vaste plek en rol heeft en morgen hetzelfde is als vandaag, gisteren en eergisteren. Een plek die aan de kinderen wordt doorgegeven. 

Bron: Public Domain Pictures

Dat werd anders toen onze voorvaderen landbouwer werden en in dorpen en later steden gingen wonen en gingen handelen. Er ontstonden nieuwe manieren om te overleven los van die oude ‘circle of life’ en zo ontwikkelde zich langzaam een lineair tijdsbesef en daarmee een onzekere toekomst. Toevallig of eigenlijk niet toevallig, ontstonden nieuwe verhalen die mensen ‘zekerheid’ over de toekomst bood: godsdiensten die een leven na het leven bood in een hemel, walhalla of reïncarnatie maar ook vormen van historicisme. In bijvoorbeeld het christendom staat de hemel centraal. Als een wat oudere persoon met een katholieke opvoeding de vraag stelt: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Dan is er een redelijke kans dat het antwoord luidt: ‘om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.’ Met de Verlichting werd god eerst ter discussie gesteld en later werd hij afgeschaft. Maar geen nood, historicisme biedt een oplossing in de vorm van een soort religie voor atheïsten. Een manier van denken die zin moet geven aan het leven.

Terug naar het heden. In zijn speech zegt Baudet: “En zo staan we hier, vanavond, te elfder ure, letterlijk, te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken…’ De grootste en mooiste beschaving, dus, die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek.”  Als er ooit in de geschiedenis van het Westen een moment was dat deze woorden de werkelijkheid beschreven dan was het op het moment dat Popper het boek schreef. Een tijd dat die liberale democratie er heel slecht voor stond namelijk de beginjaren van Tweede Wereldoorlog. Totalitaire regimes waren aan de winnende hand: Duitsland heerste over bijna het gehele Europese continent en Japan heerste in Azië. Je kunt het boek zien als Poppers bijdrage aan de oorlog.

De liberale democratie werd in die tijd bedreigd door zowel het totalitaire nazisme als het totalitaire communisme. Beide stromingen, aldus Popper, zijn voorbeelden van historicisme, stromingen waarbij het heden geen op zichzelf staande waarde heeft. De enige waarde van het heden is de ‘bijdrage’ die het levert aan het bereiken van die ‘eindtijd’. Omdat het heden op zichzelf geen waarde heeft, heeft een mensenleven ook geen waarde. Als die glorieuze toekomst naderbij komt door het doden of onderdrukken van miljoenen mensen, dan moet dat maar.  

Poppers bijdrage in de strijdt voor de liberale democratie richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper, in de inleiding bij de eerste druk: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.”

Het communisme is gebaseerd op het denken van een van die ‘grootste geestelijke leiders’ namelijk Karl Marx. Die op zijn beurt weer sterk was beïnvloed door het werk van een andere ‘grote geestelijke leider’ Hegel. Marx dacht dat hij de wet achter de geschiedenis had ontrafeld. Die geschiedenis moest onherroepelijk leiden tot het ‘arbeidersparadijs’. In het tweede deel van De open samenleving en haar vijanden toont Popper aan dat de ‘wetmatigheid van Marx niets meer is dan ‘orakelfilosofie’ die in extremis leidt tot totalitarisme. Een staatsvorm, die de Van Dale omschrijft als: “dictatuur waarbij alle krachten van één punt uit op één doel worden gericht.”

Beeld Plato. Bron: Wikimedia Commons

Voor de interpretatie van de speech van Baudet en het denken erachter, is het eerste deel van De open samenleving en haar vijanden van belang. In dat eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Daar waar het historicisme van Marx toewerkt naar een ‘hoogtepunt’ in de toekomst, lag voor Plato, net als voor Baudet nu, het hoogte punt in het verleden. Plato leefde juist in een tijd dat die tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.” 

De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden. Die openere samenleving kreeg de vorm van de democratie. Die openere samenleving bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap.

Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Plato wilde het liefste terug naar vroeger. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Een ontwikkelingsrichting en rol die Baudet in zijn speech ook lijkt te schetsen: “Want wij zijn de partij van de wedergeboorte. Wij zijn de partij van de Renaissance. En dat is wat wij willen bewerkstelligen. En het is nooit urgenter geweest dan nu om dat te bewerkstelligen. Het is nooit noodzakelijker geweest dan nu dat mensen van goede wil de handen inéén slaan. Om de banden met onze tradities te herstellen. Om onze kracht te hervinden en nieuwe kruisbestuivingen tot stand te brengen. Om al het goede dat we in de wereld kunnen vinden te verbinden met onze oude wortels en zo het land weer te laten bloeien.” Terug naar vroeger, maar welk vroeger?

De overgang van gesloten tribale naar de open samenleving is volgens Popper: “een van de meest verstrekkende revoluties die de mensheid heeft gekend.” Een revolutie die onbehagen met zich meebracht. Onbehagen dat Popper ‘de druk van de beschaving’ noemt. En: “Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld. Vooral in tijden van sociale verandering.” Die druk wordt veroorzaakt door: “de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen.” Die druk moeten we: “aanvaarden als de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.” Plato en in zijn spoor Baudet, lijken die prijs niet te willen betalen. Zij willen terug naar het verleden. Zij willen terug naar een gesloten samenleving.

Bij de Griekse tijdgenoten van Plato, uitte zich dat verlangen om terug te gaan naar vroeger in haat tegen het Atheense imperium, de vloot, de havens en de stadsmuren. Door de koloniën en de handelscontacten druppelde de buitenwereld naar binnen in de vorm van handelswaar en kennis van andere volkeren en andere levenswijzen. Heeft een mens eenmaal de geneugten van producten van elders geproefd dan kan hij bijna niet meer zonder. Voor kennis geldt dat nog in sterkere mate. Zit die eenmaal in hoofden, dan gaat ze er niet meer uit. Bekijken we de ideeën van Baudet dan uit zich dat verlangen naar vroeger in de afkeer van de Europese Unie, migratie en klimaatpolitiek. Allemaal voorbeelden van een ‘boze buitenwereld’ die het ‘maagdelijke Nederland’ hebben besmet. 

Terug naar vroeger door Nederland te ‘ontdoen’ van die buitenwereld dat is wat Baudet lijkt te willen. De geschiedenis van Sparta laat zien dat deze weg heilloos is. Het is een onmogelijk streven omdat, zoals ik al schreef, kennis niet weggaat en de geneugten van producten van elders sterker zullen blijken te zijn. In Plato’s tijd was het al vrijwel onmogelijk om contacten met de buitenwereld te beperken en toen waren er nog geen kranten en internet. Terug naar het verleden lukt alleen als we het mobieltje en het internet ‘ontuitvinden’ en als we ieders kennis eraan uit het geheugen kunnen wissen. De enige manier om een beetje in de buurt te komen is de ‘Noord Korea variant’: een land helemaal proberen af te sluiten van de buitenwereld. Dat kan alleen een totalitair regime en daarmee zijn we bij de Poppers belangrijkste conclusie. Historicisme van welk soort ook, leidt in extremis tot totalitarisme. 

Popper typeert Baudets manier van denken in de volgende zin, de zin die ik in de eerste alinea aankondig: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Popper vervolgt: “Niet in staat om nieuwe paden in te slaan, konden zij niets anders doen dan zich opwerpen als leiders van de eeuwige revolte tegen de vrijheid.”  

Pericles in gesprek met de Atheners. Bron: Flickr

Liever dan Plato en Baudets liefde voor de terugkeer naar een ‘Leeuwenkoning samenleving’, stel ik voor om Pericles en zijn beroemde lijkrede centraal te stellen. Woorden van iemand met een open blik, met interesse voor de medemens en vertrouwen in een ongewisse toekomst: “Wij leven als vrije staatsburgers in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan tegen elkander en wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt. … Wij stellen onze stad open voor iedereen, wij verdrijven nooit een vreemdeling. … Wij zijn vrij om te leven precies zoals we dat willen, en toch zijn we er altijd klaar voor om enig gevaar onder ogen te zien. … Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting, wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid.”