Uitgelicht

Fascisme en Trump

En ik zeg het ook als aanmoediging. Voor wie zich afvraagt wat je zelf kunt doen tegen fascisme, is het eenvoudigste antwoord: je uitspreken. Laat anderen hardop weten dat jij dit krankzinnige, autoritaire machtsvertoon walgelijk en onacceptabel vindt en schaar je, openlijk of in een inbox, achter mensen die dat ook doen.” Dit schrijft Rob Wijnberg in een artikel bij De Correspondent. Dat fascisme komt van de Amerikaanse president Trump. Een president die Wijnberg in een eerder artikel: “het grootste gevaar voor de wereld sinds Adolf Hitler,” noemde. Trump en fascisme, die combinatie hoor je vaker. Terecht?

Bron: Wikipedia

Even vooropgesteld wat Trump uitspookt en hoe hij handelt, daar kun je niet genoeg tegen opstaan, je tegen uitspreken en tegen protesteren. En dat gebeurt veel te weinig en dan vooral door mensen met macht. Mensen die vorige week in Davos waren verzameld. Het was een gotspe dat de crème de la crème van de zakelijke en politieke wereld daar naar anderhalf uur leugen, laster en achterklap bleef luisteren zonder Trump publiekelijk tegen te spreken en vervolgens de zaal te verlaten. Nee, men bleef zitten en klapte na het anderhalf uur. Dat was het moment om op te staan, je uit te spreken en te protesteren. Wat dat betreft past de benaming “maffiabaas’ voor Trump die Wijnberg in zijn laatste artikel geeft beter. Een maffiabaas spreek je niet tegen, die laat je niet merken dat je het niet met hem eens bent. Doe je dat wel dan loop je immers het risico om ‘een paardenhoofd’ naast je in bed te vinden of erger.

Dat gezegd hebbende. De VS van nu vergelijken met het fascisme slaat de plank op belangrijke aspecten van het fascisme mis. Kern van het fascisme was het staatscorporatisme. Het wilde een synthese zijn tussen het kapitalisme en het socialisme door arbeid per bedrijfstak te organiseren. Het belangenconflict tussen arbeid en kapitaal zou zo opgeheven moeten worden. Privébezit werd in stand gehouden maar wel met een stelsel van sociale zekerheid. Dit met verplicht overleg tussen werkgevers en werknemers. Eigenlijk zoals het Nederlandse model met aan top de SER jarenlang heeft gewerkt. Maar in plaats van een SER aan de top, stond bij het fascisme de staat aan de top. Die bepaalde wat er geproduceerd moest worden. En aan de top van die staat stond de grote leider. Afgezien van de ‘grote leider’ zien we in de VS niets van dit alles. Sociale zekerheid is er een vies woord. Sterker nog op economisch gebied, bestaat er in de VS geen staat en groeit het land steeds meer toe naar het libertarisme.

Voor wie een beeld wil van een libertaire samenleving, lees de mooie verhalen over de ‘zelfbesturende eilanden’ van Peter Thiel en anderen. Of, lees Atlas Shrugged van Ayn Rand. Een boek dat voor vele neoliberalen en libertariërs als inspiratie heeft gediend. Het na de bijbel best verkochte boek in de VS. In dat boek beschrijft zij, via de personages John Galt en Dagny Taggert, haar ideale samenleving. Een samenleving waarbij alles wat mensen met elkaar hebben en doen gebeurt via een transactie. Alles moet worden gekocht en betaald. Dit levert vast de grootste economische meerwaarde op. Iedereen doet dat waar zijn meerwaarde het grootste is en dat levert voor het geheel de grootste meerwaarde. Laat de dokter alleen dokteren, de poetser alleen poetsen en dan het liefst zeven dagen per week en vierentwintig uur per dag. Dat zou het beste zijn voor de economie. Want waarom zou een dokter of een poetser een hobby moeten hebben zoals het trainen van het voetbalteam van zijn of haar kinderen? Zijn of haar meerwaarde zit niet in het trainen van voetballertjes, dan was hij of zij wel trainer geworden. Laat die trainingen ook maar verzorgen door een professionele trainer. Waarom zou de arts nog seks moeten hebben? Daar zit niet zijn of haar meerwaarde. Als zijn of haar meerwaarde daar het grootste zou zijn, zou hij of zij wel sekswerker zijn geworden. Maar, … . Zouden we daar gelukkiger van worden? Zou die medisch specialist gelukkig worden als het contact met de kinderen verloren zou gaan? Zouden die kinderen daar gelukkig van worden?

Terug naar het fascisme. Dat verzette zich tegen het christendom. Het christendom ziet het geluk van de mens in het leven na de dood. Het fascisme wil dat geluk in het hier en nu. Het fascisme wilde het christendom vervangen door ‘de nieuwe mens’. Die ‘nieuwe mens was in ieder geval geen liberale individualist, het zou een mens moeten zijn die leefde en werkte in het belang van het grotere geheel en dat grotere geheel was de natie. Trump en de zijnen dwepen juist met religie en dan vooral het christendom. Zie de heiligverklaring van Charlie Kirk, een omhoog gevallen influencer die leefde van controverse. Geen reden om hem dood te schieten maar ook zeker geen reden om hem heilig te verklaren. Ze dwepen ook met het individualisme. De ‘nieuwe mens’ is ver te zoeken net zoals de ‘nieuwe samenleving’ waartoe de ‘nieuwe mens’ zou leiden. Het fascisme was een collectivistische politieke stroming, het Trumpisme is een individualistische.

Het fascisme was een bijzondere politieke stroming. Het wilde op revolutionaire wijze terug naar een verleden dat nooit heeft bestaan maar waarin de natie de natuurlijke orde der zaken was. Dat van die natie zien we ook bij Trump en project 2025 maar Trump heeft niets revolutionairs. Wat Trump en de zijnen met het fascisme gemeen hebben is een verheerlijking van geweld. Het ‘Ministerie van oorlog’, ICE dat boven de wet staat en bruut geweld als modus operandi heeft.

Niet alles met een sterke leider dat geweld verheerlijkt en toepast, is fascistisch. Het is, net als het fascisme, wel verwerpelijk. Het is verwerpelijk omdat het de mens als een middel ziet. Bij het fascisme is de mens een middel dat de staat ten doel staat en bij Trump een middel dat gebruikt mag worden om de ‘feodale heren’ nog meer rijkdom te doen toekomen. Hoe moeten we die $trump en $melania anders zien. Die laatste zou voor iedereen een waarschuwing moeten zijn dat er aan dit alles een luchtje zit.

Uitgelicht

Make Holland Great Again???

Onder welke steen hebben die gelegen? Dat dacht ik toen ik een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard las. Van der Galien:“De geopolitieke spanningen lopen op tot een kookpunt, en wat doet Nederland? Wij kijken toe als een stel makke schapen die naar de slachtbank worden geleid. Gelukkig is er nog één partij die wél durft te benoemen wat er werkelijk aan de hand is. Ralf Dekker, het buitenland-geweten van Forum voor Democratie.” In zijn betoog: “fileerde,” Dekker: “haarfijn de leugens en de hysterie die ons beleid domineren.” Daar moet dus een einde aan komen. ‘We’ moeten weer zelf aan het stuur zitten:“Het is tijd voor bezinning en vernieuwing, zonder taboes. Dat betekent dat we ook de discussie over een Nexit en een vertrek uit de NAVO niet langer uit de weg mogen gaan. Want zolang we vastzitten in deze globalistische dwangbuizen, blijven we een speelbal van machten die niet het beste voorhebben met de Nederlandse burger.” We moeten het weer helemaal zelf gaan doen, om Trump te parafraseren: Make Holland Great Again.

Terug naar de Gouden, voor anderen zwarte, zeventiende eeuw waarin ‘we’ de eerste viool speelden in het orkest van wereldmachten. In Van der Galiens betoog miste ik alleen nog het citaat van Balkenende: “Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?” Op een punt is dit oude advies van Balkenende niet verkeerd en dat is de oproep om over de grenzen te kijken. Iets wat Van de Galien en Dekker ook niet echt lijken te doen. Wat is er over die grenzen te zien?

Als ze over die grenzen kijken dan zien ze landen als Oekraïne Venezuela en Iran ‘speelballen’ zijn van ‘machten’. Dan zien ze een wereld waarin recht nog minder betekent dan het al betekende en dan zien ze dat macht regeert, militaire en economische. Dan zien ze dat de economische macht van China ongeëvenaard is en dat Nederland daar machteloos tegenover staat en als ze dat niet zien dan gaan ze maar even met Minister Karremans praten. Die kan hen vast wel vertellen wat er gebeurt als je als kikkerlandje een maatregelen neemt waarvan China de dupe is. Dan zien ze dat de Verenigde Staten hun militaire macht gebruiken om hun zin te krijgen. Die 5 procent voor defensie zijn een gevolg van dreiging en chantage vanuit de VS. Chantage die de VS veel oplevert omdat een flink deel van dat geld aan Amerikaanse wapens wordt besteed. Dan zien ze dat de bijdrage van de VS aan het steunen van Oekraïne nihil is omdat alle militaire steun door de Europese landen wordt betaald. Dan zien ze dat de VS hun bondgenoot Denemarken bedreigen en dat kunnen ze ook met Nederland doen. Dat deed de VS trouwens al door ongevraagd het luchtruim van de Antillen te gebruiken voor hun aanval op Venezuela.

Even een klein lesje geschiedenis voor de heren. Dat Nederland vanaf Napoleon tot aan de Tweede Wereldoorlog niet verwikkeld was in een Europese oorlog, was niet vanwege de Nederlandse kracht of kundige buitenlandse politiek. Dat was alleen omdat de Europese grootmachten Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk het elkaar niet gunden om het land te bezitten. Toen Hitler het zichzelf gunde, was het zo afgelopen met Nederland. In de door Van der Galien en Dekker gewenste wereld, zou dat zomaar weer kunnen gebeuren.

Na uittreden uit de Europese Unie staat Nederland er op alle gebieden alleen voor. Dan stort de Nederlandse doorvoerhandel in. Want waarom zouden Duitse bedrijven de moeite nemen om spullen via Nederland in te voeren? Dat is alleen maar extra papierwerk en kosten. Dan vaart die container wel door naar Hamburg of wordt in Antwerpen uitgeladen. Dan stort heel logistiek en agrarisch Nederland in. Dat eerste heeft één voordeel en dat is dat er geen lelijke logistieke dozen meer bijkomen. Nadeel is wel dat het grootste deel van de dozen die er nu staan, dan nutteloos zijn.

Even voor Van der Galien en Dekker, vrede, veiligheid en voorspoed brak in Europa uit toen Frankrijk en Duitsland inzagen dat honderdvijftig jaar van vijandschap alleen maar tot vernietiging leidde en dat een nieuwe oorlog beide landen voorgoed de vernieling in zou helpen. Daarom werd ingezet op samenwerking op Vrede en veiligheid door voorspoed.

Van der Galien maakt zich terecht druk dat: Terwijl de baantjesjagers van VVD, CDA en D66 in Den Haag nog steeds ruziën over wie er op welk pluche mag zitten in het gedoemde minderheidskabinet van Rob Jetten (…) de wereld in brand (staat).” In plaats van de jacht om het pluche het oplossen van de futiliteit ‘asielcrisis’, zouden ze zich volop moeten richten op één opgave: het bouwen van een democratische federale Europese Unie die naast het economische, ook het veiligheid- en buitenlandbeleid tot haar taken mag rekenen. Eén EU leger dat sterk genoeg is om iedereen buiten de deur te houden. Eén EU-minister van buitenlandse zaken die namens alle landen spreekt. Want dat de NAVO en ook de EU nu, zoals Van der Galien terecht constateert:reageert als een kip zonder kop.” klopt. De oorzaak daarvan is dat er niet één kip is, er zijn 27 kippen met allemaal een eigen kop die door elkaar kakelen en allemaal hun ‘eigen toon’ belangrijker vinden dan een duidelijke boodschap. Nu is niet duidelijk wie er gebeld moet worden als je ‘Europa’ wilt spreken. Dat moet duidelijk worden en dat wordt het pas als de Europese Unie op het gebied van buitenlandbeleid en defensie met één Europese mond spreekt. Dan is er één kip met één kop. Als Dekker en Van der Galien hun zin krijgen blijven er 27 kippen van verschillend formaat en daar zullen de grootmachten zich niets van aantrekken. Die minister van dat uit de EU en NAVO getreden Nederland zoals de beide heren willen, zal niets in de melk te brokkelen hebben. Die zal, als hij zijn Amerikaanse collega belt, een bandje aan de lijn krijgen met de tekst: ‘er zijn nog vijftig wachtenden voor u.’ Als hij al het telefoonnummer van die collega krijgt. Die minister is niet meer dan een slachtknip.

Uitgelicht

Boycot WK voetbal!

Ik hoop niet dat jullie allemaal beelddenkers zijn want dan vrees ik voor de zin waarmee ik eigenlijk wilde beginnen. Mijn broek viel af toen ik de reactie van onze minister-president op de Amerikaanse aanval op Venezuela las: “Het kabinet volgt de ontwikkelingen in het Caribisch gebied en de situatie in Venezuela na de aanvallen van de VS op de voet. De veiligheid in de regio is van groot belang voor Aruba, Curaçao en Bonaire. We houden nauw contact en ik heb premiers Eman en Pisas en gezaghebber Soliano laten weten dat zij en de mensen op de eilanden op onze steun kunnen rekenen in deze onzekere tijd.”

Beste meneer Schoof, u bent minister-president van een land dat in de Grondwet heeft staan datde regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. Ik mag hopen dat u het betreffende artikel 90 kent. Ik twijfel eraan omdat ik u niet zoveel hoor over schendingen van die rechtsorde. Zo is uw zwijgen over de Israëlische schendingen van die orde oorverdovend. Israël is bezig met een etnische zuivering en schuwt genocidaal geweld daarbij niet. Dat laat u allemaal passeren. Grove schending van het internationaal recht dat u moet bevorderen. Het zwijgen was zelfs zo oorverdovend dat u de regering van Israël met een poging tot onrust stoken en verdeeldheid zaaien liet wegkomen. Voor uw geheugen, ik heb het hier over de Israëlische framing van de rellen ronde de voetbalwedstrijd tussen Ajax en Maccabi. Framing waarbij er bewust olie op het vuur werd gegooid. Een buitenlandse regering die zich mengt in onze binnenlandse aangelegenheden die op zijn minst vroeg om een strenge veroordeling.

Ik twijfel er ook aan omdat uw zwijgen ook oorverdovend stil was toen de Verenigde Staten en Israël een aanval uitvoerden op Iran. “Alles moet in het werk worden gesteld om verdere escalatie te voorkomen,” zo luidde uw reactie dit gevoegd bij de constatering dat het geduld van de Verengde Staten en Israël met Iran kennelijk op was. En ja, zorgen om de nucleaire capaciteiten van Iran zijn terecht. Dat is echter geen rechtvaardiging voor een militaire aanval. Niet door het land, de Verenigde Staten, dat de overeenkomst waarmee Iran afzag van verdere stappen richting de ontwikkeling van kernwapens eenzijdig opzegde. En al zeker niet door een land dat het non-proliferatie verdrag niet heeft ondertekend en zelf heimelijk kernwapens heeft ontwikkeld. Deze aanval was een grove schending van het internationaal recht

En nu Venezuela. U spreekt terecht van een aanval. Dit is een daad van oorlog. En net zoals dat bij de Russische aanval op Oekraïne gebeurde, moet deze Amerikaanse aanval ten strengste worden veroordeeld. Eerdere schendingen van het recht, het beschieten van boten zonder aanleiding, liet u ook zomaar passeren. En nu? ‘We volgen de ontwikkelingen’ is niets. Dat doe ik als inwoner van dit land en ik denk dat dit voor veel anderen ook geldt, wel zelf. Van u, en met u de regering, verwacht ik dat u pal staat voor de internationale rechtsorde. En voor onze Antilliaanse rijksgenoten zou wat materiële steun wellicht niet misstaan. De Verenigde Staten verbieden om gebruik te maken van het Antilliaanse luchtruim en de Antilliaanse territoriale wateren. Een deel van de Nederlandse vloot en van onze luchtmacht naar de drie eilanden sturen om het luchtruim te bewaken en tegen elke schending ervan optreden.

Daarbij zou het niet moeten blijven. Tegen Rusland werden allerlei economische sancties, culturele en sportieve sancties ingesteld. Liefst in Europees verband. Als ik de berichten mag geloven dan zijn wij niet in de positie om Amerika met sancties economische te treffen. Nog niet. Dit is aanleiding om als Nederlandse overheid om alle banden met Amerikaanse bedrijven af te bouwen. Dat zal niet van de ene op de andere dag kunnen want er moeten op sommige gebieden wellicht alternatieven worden ontwikkeld. Op gebieden waar er alternatieven zijn, moet die stap meteen worden gezet. Wel kunnen we culturele en sportieve sancties afkondigen. Voor wat betreft die laatste zou het weren van de Verenigde Staten van de Olympische Winterspelen een mooie mogelijkheid zijn. Maar dat kan Nederland niet alleen. Wat we wel alleen kunnen is het Wereld Kampioenschap voetbal boycotten. Helaas treffen we daar ook de Mexicanen en Canadezen mee want zij zijn mede-organisator. Jammer voor de spelers en coaches die hard hebben gestreden voor kwalificatie. Jammer voor de vele voetballiefhebbers waarvan ik er zelf eentje ben. Er zijn echter belangrijkere zaken dan voetbal. Laten zien dat een oorlog beginnen niet kan, is er een van. Geen podium voor Trump. Een ‘winnaar’ van de FIFA vredesprijs, die een oorlog begint, moet worden gestraft. Geroep dat ‘sport niet politiek gemaakt moet worden’, kunnen sinds die prijsuitreiking de prullenbak in.

Dus boycot de WK-voetbal en roep andere Europese landen op hetzelfde te doen.

Uitgelicht

Verholen antisemitisme?

“Zo voel ik mij ongemakkelijk bij het voortdurende gehamer op het woord genocide, als het om het optreden gaat van Israël in de Gazastrook. … Daarbij valt mij wel het eigenaardige fenomeen op dat je voor een protest tegen Israël met gemak 250 duizend man op de been krijgt, maar dat er geen demonstrant met een bord staat als ik op het Museumplein langs het Russische consulaat fiets … Hoe komt dat? Het is misschien vervelend om te zeggen, maar dat komt – zo vermoed ik – omdat het toch Joden zijn die in Gaza tekeergaan. En die zouden eigenlijk beter moeten weten. Waarmee je naar mijn gevoel raakt aan een verholen soort antisemitisme: we moeten die arrogante lui eens een lesje in moraal geven.” Aldus Max Pam in een column in de Volkskrant over het gebruik van de woorden genocide en fascisme. Ik viel bijna van mijn stoel. Ik word beschuldigd van ‘verholen antisemitisme’.

“Versta mij goed: ik vind dat optreden verwerpelijk. De Israëlische regering van vrome zeloten kan beter nog vandaag dan morgen ophoepelen en wat mij betreft mag Netanyahu wegens algehele corruptie in de gevangenis worden gegooid. Maar genocide is nog wat anders, zeker in het licht bezien van de Joodse geschiedenis,” aldus Pam. Uit zijn betoog maak ik op dat er eigenlijk alleen de Holocaust genocide mag heten want, en daarbij zegt hij de historicus Simon Schama na: “elke vergelijking met de Holocaust voor hem ‘een stuitende verloedering betekent van het woord genocide’.” Is dan in vergelijking met een groepsverkrachting van drie jonge vrouwen door twintig personen, een groepsverkrachting van een vrouw door twee personen ook een ‘stuitende verloedering’ van het woord groepsverkrachting? Met zo’n onderbouwing, kan het begrip genocide wel worden afgeschaft. Dan is het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide overbodig. Dit even terzijde. Terug naar die ‘250.000 verholen antisemieten’ om met Pam te spreken.

Zou het kunnen dat die mensen de straat op gaan omdat Israël het internationaal recht en de internationale rechtsorde met voeten treedt? Dat het land de bevolking van Gaza laat verhongeren en de mensenrechten van deze mensen schendt? Dat het duizenden mensen, waaronder veel kinderen vermoordt en daarbij grof geweld inzet? Dat het daarbij zelfs zover gaat dat het ambulance personeel vermoordt en met ambulance en al begraaft? Dat het land er alles aan doet om Gaza onleefbaar te maken waarschijnlijk in de hoop dat de Gazanen dan zelf wegtrekken? Dat het land gebieden bezet houdt en dat het een track record heeft van het vestigen van nederzettingen in dat bezette gebied waarvoor het de bewoners van dat gebied op allerlei manier het leven onmogelijk maakt? Dat het land alle buurlanden tenminste een keer en de meeste wel vaker, heeft aangevallen?

Zou het kunnen dat deze mensen de straat opgaan omdat ze zien dat de Nederlandse regering behalve ‘het overbrengen van zorgen’ geen enkele maatregel neemt tegen Israël? Dit terwijl Rusland door de Nederlandse regering terecht flink de maat wordt genomen? Dat er allerlei strafmaatregelen en sancties tegen Rusland zijn ingesteld en dat de getroffen partij op veel steun in allerlei vormen kan rekenen? Zou het kunnen dat dat de reden is waarom 250.000 mensen de straat op gingen om een rode lijn te trekken? Dat dat de reden is en niet ‘verholen antisemitisme om die arrogante lui eens een lesje te leren’?

Voor in ieder geval één van die 250.000 wel.

Uitgelicht

Gegijzelde gevangenen en gevangen gegijzelden

Gisteren, maandag 13 oktober, was een heuglijke dag. Twintig Israëliërs en tweeduizend Palestijnen werden herenigd met hun families. Of dit werkelijk het begin van een nieuw glorieus tijdperk is zoals de Amerikaanse president Trump betoogt, is nog zeer de vraag. Deze oorlog is al meer dan honderd jaar aan de gang en kende al eerder momenten dat de vrede leek uit te breken. Daar gaat het me nu niet om. Het gaat mij om het gebruik van woorden en beelden die dit oproept.

“Met blijdschap en ongeloof zetten de nog levende gijzelaars twee jaar na hun ontvoering door Hamas weer voet op Israëlische bodem. Maandag kwamen de laatste 20 gijzelaars vrij,“ zo lees ik in de Volkskrant en deze krant is niet de enige die deze woorden gebruikt. Vervolgens een portret van deze twintig mensen waarvan het goed is dat ze weer zijn herenigd met hun familie. “De Israëlische gijzelaars maakten deel uit van de naar schatting 250 mensen die Hamas op 7 oktober 2023 ontvoerde tijdens de terreuraanval in Israël,” is verderop te lezen. In ruil daarvoor: “ laat Israël bijna tweeduizend Palestijnse gevangenen vrij.” Van deze 2.000 ontbreekt een portret. Wel is te lezen dat: “ het vredesakkoord op fel verzet van rechtse coalitiepartijen, die zich keren tegen elke vorm van ruil met Hamas,” stuit.

In een ander artikel in dezelfde krant staat iets meer over de 2.000 Palestijnen. Of eigenlijk meer over die ene Palestijn die niet is vrijgelaten, maar daarover later meer. “De vrijgelaten gevangenen zijn grofweg in te delen in twee groepen: het gaat allereerst om 1.700 van de ongeveer 6.000 Gazanen die de afgelopen twee jaar tijdens de vernietigingscampagne zijn opgepakt en zonder vorm van proces in een Israëlische cel zijn verdwenen. … De andere groep gevangenen is veel kleiner. In totaal 250 Palestijnen die tot levenslang zijn veroordeeld.” De vrijlating van deze laatsten ligt in Israël gevoelig omdat: “de gevangenen aanslagen hebben gepleegd of bij de organisatie daarvan betrokkenen waren.”

Op deze laatste groep kom ik later terug, tegelijk met die ene Palestijn waarover het artikel handelt. Nu eerst die eerste groep. Deze eerste groep zat zonder vorm van proces in een Israëlische gevangenis. Een situatie die is te vergelijken met het niet militaire deel van de Israëliërs waarvan gisteren de laatsten zijn vrijgelaten. Een wederrechtelijke gevangenneming ook door een overheid, is in Nederland een strafbaar feit dat gijzelen wordt genoemd (artikel 282a Wetboek van strafrecht). Ook deze 1.700 Palestijnen waren gegijzeld. Gegijzeld door de staat Israël. Door hen ‘gevangenen’ te noemen ontstaat het beeld dat zij een misdaad hebben gepleegd terwijl dat niet het geval is. Het beeld dat er zo ontstaat is dat er onschuldigen tegen misdadigers worden uitgeruild. Een beeld dat in ieder geval voor deze 1.700 niet het juiste is.

Dan naar die ene Palestijn en in zijn kielzog die andere groep van 250. Marwan Barghouti: “die al 23 jaar achter de tralies zit, wordt door het overgrote deel van de Palestijnen beschouwd als hun gedroomde president. Zodra hij vrijkomt, zal hij worden gezien als het gezicht van de toekomstige Palestijnse staat en is hij de grote hoop op een einde aan de bezetting.” Een man die na de akkoorden van Oslo: “werd gekozen in het nieuwe parlement van de Palestijnse Autoriteit,” en: “voorstander (was) van de vredesonderhandelingen en maakte zich mateloos populair door zijn verzet tegen corruptie binnen de top van het Palestijnse bestuur.” Door het traineren van dat proces vanuit Israëlische kant: “verloor (hij) in de loop der jaren echter zijn vertrouwen in Israël als partner voor vrede en koos voor het gewapende verzet. Tijdens de Tweede Intifada (2000-2005) leidde hij de gewapende tak van Fatah.” Hij, zo is te lezen: “weigerde zich te laten verdedigen uit protest tegen het Israëlische juridische systeem, maar liet herhaaldelijk weten dat hij fel tegenstander is van het doden van onschuldige burgers.” Hij werd uiteindelijk veroordeeld: “tot vijf keer levenslang, plus nog eens 40 jaar cel voor vijf moorden, meerdere pogingen tot moord en samenzwering.” Hij wordt niet vrijgelaten. Maar laten we eens kijken naar zijn, in de ogen van Israël gepleegde misdaden.

Moord, pogingen tot moord en samenzwering. Om met die laatste beschuldiging te beginnen. Samenzwering tegen de staat Israël. Barghouti verzet zich tegen de bezetting van zijn land door Israël. Er is geen wet die het verzet tegen bezetting legitimeert. Maar is het daarmee verboden? Er is een basis voor verzet tegen een bezetter. Die basis vormt de Universele verklaring voor de rechten van de mens. De aanhef van dit verdrag – de preambule zoals dat in juridische termen wordt genoemd – biedt die basis. Die begint met de woorden: “dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.” Gevolgt door: “dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens.” En dan het voor dit betoog belangrijke: “dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen wordt om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking.” Als een heerser deze rechten aan de laars lapt, dan mag de mens in opstand komen tegen tirannie en onderdrukking.

Verzet tegen een tirannie en overheersing is geoorloofd. Iets wat iedere Nederlander zou moeten weten want de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, de voorloper van ons huidige land, ontstond uit eenzelfde daad van verzet. Een daad die werd gelegitimeerd met het Plakkaat van Verlatinghe waarin we een soortgelijke tekst lezen als in de Universele verklaring voor de rechten van de mens. Volgens het Plakkaat is het: “aan ieder bekend dat een vorst, als dienaar van God, geacht wordt zijn onderdanen te beschermen tegen alle onrecht, overlast en geweld, zoals een herder zijn schapen beschermt. De onderdanen zijn niet door God geschapen om de vorst in alles wat hij beveelt onderdanig te zijn en hem als slaven te dienen. De vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen en moet met recht en reden over hen regeren, hen beschermen en liefhebben zoals een vader zijn kinderen liefheeft en zoals een herder met hart en ziel zijn schapen beschermt. Als een vorst zijn plichten niet nakomt, maar, in plaats van zijn onderdanen te beschermen, hen probeert te onderdrukken als slaven, dan is hij geen vorst, maar een tiran. In dat geval mogen zijn onderdanen, na beraadslaging in de Staten-Generaal, hem afzweren en een andere leider kiezen.” Ook de Amerikaanse Declaration of Indepence begint met een soortgelijke passage: “Wanneer het in de loop van menselijke gebeurtenissen noodzakelijk wordt voor een volk om de politieke banden die hen met een ander volk verbonden hebben te verbreken en onder de machten van de aarde de afzonderlijke en gelijke positie in te nemen waartoe de wetten van de natuur en van de God van de natuur hen recht geven, vereist een gepast respect voor de mening van de mensheid dat zij de redenen bekendmaken die hen tot de afscheiding hebben gedreven.”

Barghouti verzet zich tegen een bezetter die de inherente waardigheid, gelijke en onvervreemdbare rechten van de Palestijnen aan de laars lapt. Een bezetter die deze rechten voor Palestijnen minacht en wiens handelen tot barbaarsheid leidt. Barbaarsheid waardoor hij in laatste instantie zijn toevlucht zocht tot opstand tegen tirannie en onderdrukking. Bij die opstand richtte hij zich, als we zijn uitspraken mogen geloven, op de staat en de organen ervan die zich schuldig maken aan die tirannie en onderdrukking en niet op de bevolking van die staat. Of dat altijd lukte en er niet burgers stierven door zijn acties, weet ik niet. Maar zelfs als dat laatste gebeurde, dan nog zijn die verzetsdaden geen misdaad. De gedode burgers zijn dan onbedoelde nevenschade. Of dit voor al de 250 vrijgelaten Palestijnen ook opgaat, weet ik niet. Iedere oorlog en bezetting kent zijn ‘slagers’, mensen die doden om het doden.

Wat ik wel weet is dat dit het door de Volkskrant en trouwens bijna alle media voor deze Palestijnen gebruikte woord ‘gevangenen’ in een ander daglicht stelt.

Uitgelicht

Appels en peren en knollen voor citroenen

Het linker smaldeel weigerde alle geweld van wie dan ook te veroordelen, en zelfs alleen rechts geweld afkeuren ging hen te ver vanwege andere ondertekenaars.” De tweede zin uit een artikel van Ines van Bokhoven bij Opiniez. Volgens Van Bokhoven maken, om de titel aan te halen: “Linkse politici (…) zich alleen druk over rechts geweld,” en: “Rechts geweld heet nu ‘afglijden naar fascisme’”. Dit terwijl we over: “het veel frequentere en veel ernstiger linkse geweld (…) niet (mogen) zeuren, ook al kan dat soms zelfs als terrorisme worden bestempeld.” Een bijzonder betoog.

Als eerste de weigering van links om alle geweld te veroordelen. Van Bokhoven refereert hier aan de motie ingediend door Wilders en de nieuwe Forum voor Democratie leider De Vos. Een motie met de volgende tekst: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, spreekt uit al het geweld, zowel uit extreemrechtse, extreemlinkse, jihadistische hoek, of waar dan ook vandaan, te veroordelen.” Eerst even de logica, dan de inhoud. De conclusie van Van Bokhoven dat links weigert om alle geweld te veroordelen, kan niet getrokken worden uit het niet instemmen met deze motie. Tegen een motie stemmen dat alle geweld veroordeelt, betekent niet automatisch dat je weigert om alle geweld te veroordelen, dat je geweld een legitiem middel vindt om je politieke zin te krijgen. Het zegt alleen dat je deze motie niet steunt. En daarvoor kunnen goede redenen zijn. En daarmee kom ik bij de inhoud.

Instemmen met die motie betekent dat je alle geweld veroordeeld, dus waarom zou je dat niet doen? Een wedervraag. Waarom zou een partij die de principes van de democratische rechtsstaat verdedigt, in moeten stemmen met een motie die geweld veroordeeld? Een van de belangrijke principes van een democratische rechtsstaat is dat je geen geweld gebruikt om je zin te krijgen, maar dat je dat doet via de daarover afgesproken procedures. Sterker nog. Een van de principes van een democratische rechtsstaat is dat je geen geweld gebruikt om je doelen te bereiken. Maar als je dat toch al vindt, dan kun je toch gewoon voor een motie stemmen die jou opvattingen bevestigt? Weer een wedervraag: wat bevestig je als je instemt met deze motie? Expliciet bevestig je dat je alle politiek geweld veroordeeld. Tot zover niets bijzonders. Je bevestigt echt ook impliciet iets. Door met deze motie in te stemmen bevestig je impliciet dat geweld een legitiem politiek middel is om je doel te bereiken. Als politiek geweld illegitiem is, dan is zo’n motie overbodig. Illegitieme middelen mogen niet worden gebruikt. Daarom is stemmen over, en zelfs het indienen van deze motie, schadelijk voor onze democratische rechtsstaat. De motie wekt de suggestie dat geweld een legitiem politiek middel is.

Dan de indieners van de motie. Zij, en dan vooral Wilders, hebben een geschiedenis van het wijten van geweld aan specifieke kenmerken van groepen. Aan de cultuur of de religie van groepen. “Het veroordelen van de jodenjacht in Amsterdam is niet genoeg. De daders moeten het land uit. Ik waarschuw al ruim twintig jaar voor de groeiende jodenhaat in NL door de voortdurende massaimmigratie en islamisering van ons land,” twitterde Wilders na de ‘Maccabi-rellen’ om maar één voorbeeld te noemen. Nu het geweld uit een door hem geïnspireerde hoek komt, verdwijnt de dader naar de achtergrond en probeert hij de aandacht te verleggen naar het geweld. Deze motie is niets anders dan een manier om zijn eigen mogelijke rol als indirecte inspirator te verhullen. Dat zou voor mij een goede reden zijn om niet in te stemmen met deze motie.

Dan het frequentere en ernstigere ‘links’ geweld. Van Bokhoven: “Want laten we voor de zoveelste keer een koe eens een koe noemen: er is oneindig veel meer extreemlinks geweld in ons land dan extreemrechts. Dat is met gemak aan te tonen: duik de kranten van de afgelopen jaren eens in. Graaf uw eigen geheugen even af. Zeker sinds de oorlog in Gaza is het extreemlinkse geweld volledig aan het ontsporen. Om dan, na een geweldsoprisping tijdens een rechtse demo, direct te spreken van “oprukkend fascisme uit de rechterhoek” is al knap hilarisch, een pamflet uitbrengen en laten ondertekenen door politici tegen enkel en alleen extreemrechts geweld is, in het licht van wat we de afgelopen jaren zagen – herinnert u zich BLM nog? – ronduit absurd. En de moord op Fortuyn zijn we ook nog lang niet vergeten. …In een land waarin elke week wel een gebouw wordt beklad en beschadigd, waar zelfs kunstwerken niet veilig zijn voor activisten, waar snelwegen wel mogen worden bezet door linkse activisten maar niet door rechtse, waar onderhand geen enkele bijeenkomst, demonstratie of zelfs maar theatershow kan plaatsvinden zonder dat extreemlinks de boel komt verstoren en verkloten, is een keertje een rechtse demo die uit de hand loopt blijkbaar op slag een signaal van het afglijden naar fascisme.”

Oke, laat ik eens in de kranten duiken en in mijn geheugen graven. Laat ik beginnen met het bezetten van die ‘snelwegen’. Die werden enkele jaren geleden bezet door protesterende boeren. Ze blokkeerden verschillende wegen, gooiden er rommel op en staken er brandjes. Nu zal Van Bokhoven dit niet bedoelen. Ze bedoelt de bezetting van de A12 door actievoerders van Extinction Rebellion (XR). Hinderlijk voor het verkeer, maar een demonstratie met toestemming van de burgemeester. De bezetters gebruikten geen geweld. Het enige wat ze deden was weigeren om weg te gaan als de in de vergunning opgenomen tijd om te demonstreren was verlopen. Dan greep de politie in en verwijderde de demonstranten. Die demonstranten gebruikten geen geweld tegen de politie. Zelfs bij actie waarvoor geen vergunning was, zoals die op vliegvelden, gebruikten de demonstranten geen geweld tegen de politie. De ‘rechtse activisten’ hadden op die 20e september 2025 geen vergunning om op de A12 te mogen demonstreren. Net zoals de boeren jaren eerder hier geen vergunning voor hadden. Een ander verschil met de XR-demonstranten is dat de ‘rechtse vrienden’ van Van Bokhoven, het gevecht met de politie bewust opzochten.

Wellicht is het Van Bockhoven ontgaan, maar voor al deze demonstraties werden, net zoals demonstratie in het kader van Black Lives Matter, keurig vergunningen aangevraagd. En ja, die vragen om inzet van de politie. Bij deze demonstraties werd geen geweld tegen de politie gebruikt. Het bekladden van gebouwen is vervelend voor de eigenaar, het is echter geweldloos. Net zoals protesten bij ‘theatershows’. Die zijn hinderlijk voor de theaterbezoekers en en de artiest. Hinderlijk maar geweldloos en zeker geen terrorisme. Dit vergelijken met de gebeurtenissen van de 20ste september in Dan Haag is het vergelijken van appels met peren.

Als laatste het geweld dat gebruikt werd bij de actie op de universiteiten vanwege het Israëlische optreden in Gaza en de inactiviteit van de Nederlandse regering en bij deze acties in het bijzonder de universiteitsbesturen. De door een klein deel van deze demonstranten veroorzaakte vernielingen zijn niet goed te praten. Net zoals het geweld dat werd gebruikt toen de politie een einde maakte aan de bezetting van gebouwen en terreinen van de universiteit niet goed te praten is. In een democratische rechtsstaat is geweld, zoals gezegd geen legitieme manier om je zin te krijgen. Toch is dit van een andere orde van het extreem rechtse geweld van 20 september jongstleden. De bezetters van de onderwijsgebouwen waren niet op zoek naar geweld, maar toen het op hun pad kwam, gingen ze het niet uit de weg. De extreem rechtse demonstranten daarentegen waren op zoek naar geweld en dat kregen ze. Ze waren op zoek naar geweld en naar politieke symbolen om zich op te botvieren. Symbolen zoals het partijkantoor van D66 en vooral het Binnenhof, het politieke hart van ons land.

Als we het toch over ‘in de kranten duiken en in het geheugen graven’ hebben, dan moet het Van Bokhoven ook zijn opgevallen dat er bij veel protesten tegen de komst van een AZC geweld werd gebruikt. Zo werden politieagenten geregeld bestookt met vuurwerk. De bezetters van de universiteiten gooiden met ander spullen maar het geweld was van de zelfde orde. Wat de protesten tegen AZC’s anders maakt is dat er naast geweld sprake van was intimidatie van volksvertegenwoordigers en bestuurder en verstoring van vergaderingen van gemeenteraden. Dan moet het ook zijn opgevallen dat de heer Wilders bij enkele van die bijeenkomsten de zaak stond op te hitsen door te verkondigen dat de ‘demonstranten beslisten wat er ging gebeuren en niet de gemeente raad, colleges of burgers’. Raden en colleges die een wettelijke taak uitvoerden werden zo gehinderd door een vertegenwoordiger van de Nederlandse wetgevende macht. Als volksvertegenwoordiger kun je een wet anders willen. Als je dat wilt, dan moet je een voorstel tot wijziging indienen. Die mogelijkheid heb je als volksvertegenwoordiger. Dat doet Wilders niet. Wat hij wel doet, is oproepen om de wet te negeren. Daarmee ondermijnt hij de wet, de wetgevende macht waarvan hij zelf deel van uitmaakt en onze democratische rechtsstaat. Je mag vinden dat er 130 kilometer per uur gereden moet kunnen worden. Je mag een wetsvoorstel indienen dat dit mogelijk maakt. Maar totdat het voorstel kracht van wet heeft, geldt de oude maximumsnelheid. Net zo geldt de huidige Spreidingswet totdat er een andere is.

Er is meer. In navolging van FvD leider De Vos vraagt Van Bokhoven zich af waar de verontwaardiging was toen: “het partijkantoor van FvD weer eens (werd) aangevallen?” Of toen: “het kantoor van BBB (werd) bedreigd met brandstichting?” Toen gebeurde er niets, geen verontwaardiging. Toen was het , zo betoogt Van Bokhoven: “dat moet toch gewoon kunnen? Dat is toch geen aanslag op onze democratie, zoals een aanval op het D66-kantoor dat wel schijnt te zijn? “ Nu bestond de ‘aanval’ op het FvD-kantoor uit een met ‘fascist’ bekladde deur en een spandoek met daarop ‘Baudet hartje Poetin’. Een bedreiging met brandstichting is niet goed te praten en vraagt actie van ons allemaal. Dit lijkt mij toch van een heel andere orde dan een meute die de straatstenen uit de stoep rukt en die door de ramen van een kantoor mikt, die optrekt naar het binnenhof en bewust en bedoeld het gevecht met de politie aangaat.

En Van Bokhoven: “zag geen verbolgen pamflet voorbij komen met ‘Handen af van onze politici’ of ‘Aanval op onze democratie’ – ik zag helemaal niks, hoorde niks, het zwijgen was verpletterend. Blijkbaar is dat geweld dan weer prima aanvaardbaar,” toen Baudet met een bierflesje werd geslagen. Nu meen ik me van dat bierflesjesincident te herinneren dat iedere politicus dat veroordeelde. Links verwijten dat er toen ‘geen pamflet’ was en nu wel, is vrij bijzonder. Bijzonder omdat links het pamflet van de ChristenUnie juist niet onderschreef en ook niet instemde met de motie Wilders-De Vos. Als er dan toch al sprake is van hypocrisie, dan niet bij links dat consequent handelt.

Mijn vermoeden is veel eerder dat ze helemaal niet willen dat extreemrechts geweld verdwijnt: zoals we deze week – en aan dit pamflet – al kunnen merken leidt het geweldig af van hun eigen, nog veel ergere geweld,” betoogt Van Bokhoven na de weigering van SP, PvdD, Volt, GL-PvdA, DENK en D66 om het pamflet van de ChristenUnie te ondertekenen. Laat dat D66 al links wordt genoemd niet zien dat voor Van Bokhoven het politieke centrum ver naar rechts is geschoven? Dit terzijde. Beweert ze hier werkelijk dat deze partijen zich bedienen van geweld? Ik denk niet dat ze dat bedoelt. Ze zegt het wel. Net zoals het geweld van 20 september geen PVV geweld was, was het geweld van de bezetters van de universiteiten geen SP, PvdD of welke andere linkse partij dan ook. Echter, in tegenstelling tot die linkse partijen ondermijnt Wilders wel de positie van gemeenteraden en colleges die gewoon de wet uitvoeren. Ondermijnt Wilders de positie van de volksvertegenwoordiging waar hij onderdeel van uitmaakt en dus onze democratische rechtsstaat.

Van Bokhoven bagatelliseert geheel in lijn met Wilders, het extreem rechtse geweld van 20 september en de rol die Wilders en, in het verlengde van Wilders, het Forum voor Democratie hierin spelen. Dat bagatelliseert en ze blaast het gevaar van de ‘linkerkant’ op tot extreme proporties. Ze vergelijkt, zoals ik al schreef, appels met peren en probeert ons al doende knollen voor citroenen te verkopen.

Uitgelicht

Election Files 15: me and the market

In het vorige deel van de Election Files begon ik met het beschrijven van belangrijke ontwikkelingen die kunnen helpen bij het krijgen van een goed beeld van onze huidige samenleving. Die vorige Prikker, Me, Myself en We, handelde over het individu en de groep. Over de manier waarop we als mensen samen onze weg proberen te vinden. In deze Prikker een tweede grote ontwikkeling. Een ontwikkeling die handelt over de manier waarop we als mens in ons levensonderhoud voorzien en preciezer geformuleerd hoe we spullen verwerven die we daarvoor nodig denken te hebben.

Wij, de homo sapiens, zijn de meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.”1 De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.2 Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt. Ze leefden als jager-verzamelaars en maakten binnen die groep de gereedschappen die ze daarvoor nodig hadden.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.”3 De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. De manier waarop ze in hun levensonderhoud voorzagen was nog steeds dezelfde als de jager-verzamelaars. Bijna hetzelfde dan, want om die grotere groep, die stam, bij elkaar te houden, was er meer nodig. De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep. Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. En iemand die de code of vrijgevigheid van de groep negeert, snijdt zichzelf af van de gemeenschap en een wordt buitenstaander. Sociale verplichten binnen een samenleving nakomen is in het belang van de groep maar ook en voor het eigenbelang van de persoon.4

Zo’n tienduizend jaar geleden veranderde er iets. Als eerste in het gebied wat we nu het Midden-Oosten noemen. Dat iets noemen we de agrarische revolutie. Volgens Harari luidde de agrarische revolutie: “geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”5 Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. Landbouw maakte dat onze voorouders zich op een vaste plek gingen vestigen. Immers, alleen zo kon je de vruchten van je werk plukken en voorkwam je dat iemand anders die vruchten plukte. Nadeel was echter wel dat je dan wel dat graan had, maar niet meer dat hert of die vis uit dat meer 150 kilometer verderop. Dat je te ver weg woonde van die groeven met goede vuursteen. Als je die toch wilde, dan moest er iets gebeuren.

Voor Karl Polanyi, een Oostenrijks-Hongaarse econoom en socioloog was het duidelijk dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. Waarom? “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.” Volgens Polanyi zijn wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards tot the sexual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is mainly effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territoriaal character.”6 Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien.

In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten, onderscheiden de filosofen Hans Achterhuis en Nico Koning zes manier waarop een mens zich zaken toe-eigenen zoals zij is dat noemen:

De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.

De huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden. Hierbij moeten we het huishouden niet te letterlijk opvatten, het huishouden kon bestaan uit het dorp, de clan of de groep.

Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, waren er andere manieren nodig. Toedeling is een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. de relatie wordt verzwaard.

Handel. Kenmerk van ruil, en dat is handel, is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie.

Roof: De laatste vorm waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie.

Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.

De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”7 Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in de ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien zij de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken.8 Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in de woorden van de auteurs, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid).

Tragedy of the commons

It’s the economy, stupid,” deze woorden vatten de verkiezingsstrijd tussen de toenmalige president George H. Bush en zijn uitdager Bill Clinton in het kort samen. Bush had internationaal veel lof geoogst met de overwinning in wat nu de eerste Golfoorlog heet. Met die overwinning op zak en de roem en glorie die dat nationaal en internationaal opleverde, dacht hij de presidentsverkiezingen te kunnen winnen. Waar hij minder of geen oog voor had, was hoe de gemiddelde Amerikaan ervoor stond. Economisch stonden de Verenigde Staten er minder florissant voor en Clinton wist daar goed op in te spelen en sprak de kiezers aan op dit, door Bush ‘verwaarloosde’ thema. Hij sloot hierna goed aan bij onvrede onder de Amerikaanse bevolking en het resultaat is inmiddels geschiedenis: Clinton won. Waarom dit uitstapje naar presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten van ruim dertig jaar geleden? Omdat we hier iets van kunnen leren. De les die Bush ervan leerde (maar het was toen al te laat) was dat de economie ook een rol speelt in het leven van mensen. Dit is een les die we heel goed hebben geleerd, tegenwoordig draait alles om de economie. Besturen lijkt tegenwoordig alleen te bestaan uit het reguleren van de markt, van de economie, en dat reguleren is gericht op het ‘organiseren’ van voldoende economische groei. De les die we nu moeten leren is de omgekeerde. Onze samenleving zou uit veel meer moeten bestaan dan alleen economie en dan vooral meer dan alleen de markt.

De geschiedenis van de mens laat zien dat de markt pas zeer recent de belangrijkste manier is van het verwerven van voor het leven benodigde zaken. De eigen productie en het huishouden was de manier waarop onze voorouders in hun levensonderhoud voorzagen. Hierbij konden ze gebruik maken van wat de Engelsen commons noemen en wij in Nederland de meent, gemene gronden. Grond, maar het kon ook een meer of bos zijn, waarvan een groep mensen gebruik konden maken.

Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de ‘gebruiksgerechtigden’. In de terminologie van Achterhuis en Koning is een meent een vorm van toedeling door een hoger geplaatste. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere een functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

De Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin muntte met zijn artikel uit 1968 de term The Tragedy of the Commons,9 de tragedie van de gemeenschappelijke gronden of de meent en iets ruimer het gemeenschappelijke bezit. In het artikel beschrijft hij hoe er, volgens hem, een einde kwam aan dat gemeenschappelijk gebruik. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van deze tragedie. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort.

Het verhaal van Hardin klinkt de moderne mens zeer overtuigend in de oren. Overtuigend wil echter niet zeggen dat het zo is gegaan. Ja, de de gemene gronden zijn ten onder zijn gegaan aan de hebzucht. Maar niet van de herders die ‘een schaapje te veel’ lieten grazen, maar aan de hebzucht van iemand anders.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationale keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet willen veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclusure acts.10 Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg, op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”11 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Hier is voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd in andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld diverse Afrikaanse landen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.12

Modellen

Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland. Voor even want we gaan we terug naar het verleden. Polyani schreef zijn bekendste werk The Great Transformation in 1944. Hij onderzocht, zoals de ondertitel van het boek duidelijk maakt, de politieke en economische oorsprong van de westerse samenleving van het midden van de twintigste eeuw. In de achttiende eeuw waren er echter ook al mensen die probeerden te verklaren hoe de samenleving in elkaar stak. Een ervan was Adam Smith. Daar beginnen we onze zoektocht. Voor een goede analyse is het namelijk van belang om te achterhalen hoe onze huidige samenleving is ontstaan, dat hebben we hierboven gedaan, maar ook welke manier van denken daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. Dit omdat denkers ontwikkelingen beschrijven en proberen te verklaren. Dat doen ze aan de hand van theorieën: modellen van de werkelijkheid en die hebben onhebbelijkheden

Voor die onhebbelijkheden even een uitstapje naar de Eerste Wereldoorlog en hoe die begon. De historica Barbara Tuchman schreef hierover het boek Kanonnen van augustus. Centraal hierin staat de eerste oorlogsmaand en wat eraan vooraf ging Tuchman laat zien dat dit gebeurde aan de hand van een vooropgezet plan. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren onwaar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon.

Aan de andere kant heb je economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort, veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de oorlogsplanners en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is een strijdt die zo oud is als de wetenschap. De strijd tussen rationalisten (hier de wensdenken) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel want beiden zijn in deze vergelijking rationeel in die zin dat er beide stromingen denken gebruiken.

Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld13. Volgens de rationalisten bevat de werkelijkheid een inherente redelijke en logische structuur. Die structuur kun je ontdekken via het denken ontdekken en onthullen. Volgens empiristen is de werkelijkheid alleen te kennen door ze waar te nemen. Volgens empiristen leert de mens alleen door ervaring. Voor beiden is wat te zeggen, maar beiden hebben ook zo hun zwakheden.

Tomáš Sedláček geeft het zwakke punt van het rationalisme in de sociale wetenschappen als volgt weer: “De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is er geen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.”14 Maar dit denken in systemen en ‘wiskundige’ modellen kent volgens Sedláček gebreken: “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”15 In de sociale wetenschappen, en economie is een sociale wetenschap, wordt: “de praktijk (…) beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.”16 Hij vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt:“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.”17 Ondanks die gebreken maken economen, net zoals andere sociale wetenschappers, gebruik van modellen. Sinds het ontstaan van de economie als wetenschap zijn er verschillende ‘modellen’ ontwikkeld. Modellen die ondanks hun gebreken, toch worden gebruikt en die zich in hoofden van mensen vast zetten. Hieronder een ‘ geschiedenis van de economische modellen.

De klassieke economie

Smith wordt wel de vader van de economie genoemd. Hij staat aan de basis van wat de klassieke economie wordt genoemd. Smith beschrijft als eerste in de moderne tijd de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van slechts een klein deel van een product. Deze specialisatie leidt tot een toename van de totale productie, mensen produceren zo meer dan hun dagelijkse levensbehoeften en gebruiken. Het surplus verkoopt hij op de markt en daarmee koopt hij andere goederen en diensten. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaald niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hen het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”18 Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen bang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkent de John Stewart Mill dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid. Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.”19Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belastingontwijker dat zegt alles binnen de bestaande wet en regelgeving te doen – daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook – en aan de andere kant Mill die de ontwijker zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen. Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.”20Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen.

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties van de vrije markt en de mogelijkheden van de vrije mens als individu en als samenleving. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein21 en was Mill een filosoof en politiek theoreticus.

Mill was, met zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn.22 Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Bruto binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.

En ook tot nieuwe vormen van solidariteit, niet meteen want eerst moeten de ‘gebreken’ van het nieuwe systeem aan het licht komen. De ‘gebreken’ van het kapitalisme die in de loop van de negentiende eeuw aan het licht kwamen, heeft Karl Marx goed beschreven in Das Kapital. Bezit en vermogen (kapitaal) hoopt zich op bij steeds minder mensen en de grote massa (het proletariaat) verpauperde en leefde onder erbarmelijke omstandigheden en moest dagelijks vechten om te overleven. Dit vechten betekende zeer lange werkdagen ook voor kinderen voor weinig geld en bij ziekte of een bedrijfsongeval vielen de inkomsten meteen weg.

De economie volgens Marx

Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Die beschrijving stelt de positie van de arbeider centraal en laat zien dat het kapitalisme een strijd is tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen.

Marx’s denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelde partijen die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). Het toenmalige kapitalisme was in zijn ogen ontstaan uit de strijdt tussen het feodalisme en vroege kapitalisme, De strijd in Marx’s zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat). En net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje moeten leggen tegen de kracht van de arbeiders en dan zou het de socialistische samenleving zijn bereikt. De vrije concurrentie moest immer onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen.23 Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. Zoals in het vorige hoofdstuk al aangeven geloofde ook neoliberalen in een einde aan de geschiedenis, alleen een ander einde.

Marx was tevens de eerste die verder nadacht over de rol van het geld. Geld werd tot Marx vooral gezien als een ruilmiddel bedoeld om het ruilen te vergemakkelijken. Hij zag de eigenstandige macht van geld, geld als vermogen. Marx: “Wat door het geld van mij is, wat ik kan betalen, dat wij zeggen wat het geld kan kopen, dat ben ik, de bezitter van het geld zelf. Hoe groter de macht van het geld, des te groter mijn eigen macht. de eigenschappen van het geld zijn de eigenschappen en essentieel vermogens van mij – de bezitter van het geld. Wat ik ben en wat ik kan hangt dus allerminst af van mijn individualiteit.”24 Deze eigenstandige macht van het geld speelt nu een zeer belangrijke rol. Tegenwoordig lijkt iets pas waarde te hebben en lijkt iets pas te bestaan en de moeite van het behouden waarde als het in geld is uit te drukken. Zo hebben bedrijven pas belangstelling getoond voor het verminderen van de uitstoot van kooldioxide sinds er wordt gewerkt met verhandelbare quota voor de uitstoot.

De industriëlen ‘verzamelde’ de proletariërs in grote aantallen in en rond de fabriekssteden. Of, zoals Andreas Malm betoogt, was het precies omgekeerd: in de steden verzamelde paupers op zoek naar werk en dus trokken de fabrieken naar de steden25. Hoe het ook zij, de macht van industriëlen leidde tot haar tegenmacht: politieke bewegingen en vakbonden die opkwamen voor de belangen en de emancipatie van de arbeiders. Ook enkele grootindustriëlen zagen dat er iets moest gebeuren, zij het vanuit een andere invalshoek. Om hun afzet te laten groeien en daarmee de mogelijkheden op winst, hadden zij nieuwe consumenten nodig en de arbeiders zouden dit kunnen worden. Voorwaarde hiervoor was dat zij een redelijk inkomen konden verwerven en in betere omstandigheden zouden leven. Zij gaven hieraan handen en voeten door fatsoenlijke huisvesting te verzorgen (met goede voorwaarden voor hygiene) en redelijke salarissen en zo hun arbeiders aan hen te binden. Daarbij werden vaak wel eisen gesteld op bijvoorbeeld drankgebruik.26 De druk vanuit (en vaak ook de angst voor) de arbeidsbeweging en ook door de voorbeelden vanuit enkele ondernemers, ontkwamen de regeringen er niet aan om wetten op te stellen die aan de belangen en eisen van de arbeiders tegemoet kwamen.

Dit leidde vanaf het eind van de negentiende eeuw tot een groeiend stelsel van sociale wetgeving. De eerste wetten betroffen vaak verboden zoals het al eerder genoemde verbod op kinderarbeid, maar ook het verbod op slavernij past in dit rijtje. Daarna volgden wet en regelgeving met betrekking tot huisvesting en hygiëne (denk hierbij aan het aanleggen van riolering) en arbeidstijden. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met sociale zekerheidswetgeving, wetgeving die inkomen garandeerde bij onder meer ouderdom, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ook wetgeving die werknemers beschermt bij ontslag. Een stelsel dat zijn hoogtepunt bereikte eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien staat dit stelsel onder druk. Die druk deed zich het eerste gevoelen bij de inkomensregelingen. Die zijn drastisch versoberd en de mogelijkheden om er gebruik van de te maken zijn drastisch beperkt. Maar ook andere regelingen staan onderdruk en zijn beperkt. Denk hierbij aan de bescherming bij ontslag, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de intrede van uitzendkrachten en Zelfstandigen Zonder Personeel. Ook hier wordt de afbraak verkocht door deze in een positief frame te zetten: het heet modernisering en flexibilisering. Wie wil er immers ouderwets en start zijn.

Het keynesianisme

Maar eerst nog even terug in de geschiedenis van de economische wetenschappen. De klassieke economen en de angst voor het marxisme hebben het denken over economie en samenleving tot de jaren dertig van de twintigste eeuw beheerst en gedomineerd. De grote economische depressie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bood de klassieke economen een uitdaging die ze niet opgelost kregen. De werkelijkheid paste niet in de toekomstmodellen van de klassieke economen en vroeg om een andere aanpak. Daar waar de klassieke economen en ook de marxisten ervan uitgaan dat de toekomst zich ontwikkeld volgens vooropgezette te kennen route, is de toekomst volgens John Maynard Keynes onkenbaar en onvoorspelbaar. Effecten van keuzes zijn in de ogen van Keynes maar in beperkte mate te voorspellen. Keynes:“In de regel hebben we slechts een zeer vaag idee van de rechtstreekse gevolgen van ons handelen.”27Handelen dat, als we het op economische beslissingen betrekken, vaak een eenmalig karakter heeft en moeten worden genomen in omstandigheden die afwijken van wat normaal gangbaar is.

De werkelijkheid knelde flink met de vooronderstellingen van de klassieke economen. De eerste vooronderstelling, de mens kiest en besluit rationeel, schoot hij aan flarden op basis van zijn ervaringen als belegger, een activiteit waarin hij redelijk succesvol was. Het was en is niet de ratio die op de mens als deelnemer op de markt regeert maar de emotie en het sentiment: “De markt zal onderworpen zijn aan golven van optimistische en pessimistische sentimenten, die enerzijds onredelijk zijn en, maar die tegelijkertijd in zekere zin wel legitiem zijn, aangezien er geen solide basis is waarop een rationele berekening kan worden gemaakt.”28 Vanuit die ervaring had hij geleerd dat succesvol beleggen een gevolg is van de anderen te slim af zijn en veel minder van door rationeel te kiezen. Het gaat er bij beleggen volgens hem om “de massa te slim af te zijn en het slechte, of gedevalueerde, muntstuk door te schuiven naar een andere knaap.”29Als we vertalen naar de de markt van gebundelde hypotheken dan zien we dat de waardevolle bundels in handen zijn gebleven van de banken en dat de overheden de ‘bagger’ hebben overgenomen, dit in hoop deze in de toekomst weer te kunnen verkopen. Keynes benaderde de economie dus veel meer vanuit de psychologie en wat later de speltheorie is gaan heten.30

Ook de tweede vooronderstelling, dat al die rationale keuzes op de markt zouden leiden tot een voor de samenleving beste resultaat, staat daarmee op losse schroeven. Met een treffend voorbeeld wist hij ook het ‘welbegrepen eigenbelang’ van de slager, bakker of brouwer van Smith aan de kaak te stellen. Keynes deed dit aan de hand van een voorbeeld. India bezat begin twintigste eeuw vrijwel het monopolie op de handel in jute. En zoals altijd zijn er dan ondernemers die meer willen verdienen en daarom de kwaliteit stiekem verminderen. Ze bieden jute aan die minder lang meegaat. Volgens Smith zou het eigenbelang van de ‘slager’ ervoor zorgen dat de de ‘fraudeurs’ door de afnemers gestraft zouden worden omdat die zouden weglopen. Keynes zag in de praktijk een andere mogelijkheid: de andere producenten apen de fraudeurs na omdat ze marktaandeel verliezen: “Terwijl vervalsing duidelijk ingaat tegen het belang van de handel als geheel, is het niettemin in het belang van elke individu om eraan mee te doen.”31Ook in dit geval, een voorbeeld van een prisoner’s dilemma waarover ik het in het vorige hoofdstuk had, pleitte Keynes voor overheidsingrijpen via wetgeving.

Het is daarom niet meer dan logisch dat ook de derde vooronderstelling, de overheid moet niet ingrijpen, door Keynes naar de prullenbak werd verwezen. Dat blijkt al uit zijn pleidooi voor wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van jute maar wordt nog duidelijker aan de hand van zijn analyse en voorgestelde aanpak van de economische depressie. Volgens de klassieke economen wordt een crisis bestreden door loonsverlaging aan de ene kant en aan de andere kant door grotere besparingen die via renteverlagingen ondernemers er vanzelf toe zouden aanzetten om weer te investeren. Het eerste zou leiden tot een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt, het tweede tot een nieuw evenwicht op de financiële markten. Dit allemaal door de onvolprezen ‘onzichtbare hand’. Die hand liet het echter af weten. Waar de klassieke economen vanuit hun ideologische standpunten hun oude mantra bleven herhalen en met name de vakbonden ervan beschuldigden de lonen hoog te houden en zo de vrije markt te verstoren, keek Keynes naar wat er werkelijk aan de hand was en kwam met alternatieven. Keynes zag een uitval van de vraag en die leidde tot minder investeringen. Het verlagen van de lonen leidde tot nog verdere terugval van de vraag en zo ontstond een neerwaartse spiraal. Op grond van wat hij zag en hoe hij dit duidde pleitte hij voor direct overheidsingrijpen. Omdat de markt niet investeert, zou de overheid het zelf moeten doen. Met Keynes als belangrijkste adviseur zette de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt zijn omvangrijke ‘New Deal’ programma op. Dit bestond uit forse investeringen in de energievoorziening en de infrastructuur. Investeringen die mensen werk boden en via die weg tot toenemende vraag en zo tot het weer toenemen van investeringen door de marktpartijen. Hoe succesvol de New Deal is, zullen we nooit precies weten omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en die zorgde voor een heel andere dynamiek. Ook in andere landen werd over een keynesiaanse aanpak nagedacht. De Duitse crisisaanpak van investeringen in autowegen en de wapenindustrie vertoont ook keynesiaanse trekken.

Keynes en zijn denken heeft de westerse wereld gedomineerd in de periode vanaf de Tweede wereldoorlog tot begin jaren zeventig van de afgelopen eeuw. Samen met Amerikaan Harry Dexter White stond hij aan de wieg van het Bretton Woods stelsel. Een stelsel dat voor de uitdaging stond om, zoals Rodrik het beschrijft:” … allow enough international discipline and progress toward trade liberalization to ensure vibrant world commerce, but give plenty of space for governments to response to social en economic needs at home.”32 Een stelsel van vaste wisselkoersen waarbij alleen de Amerikaans dollar aan het goud werd gekoppeld, de overige munten werd gekoppeld aan de dollar en waren daardoor in waarde gegarandeerd. Omdat Amerika veruit de dominantste economie hadden met een flinke voorsprong op alle andere, was dit een tijd die tijd passend systeem. Een tweede onderdeel van de afspraken betrof de handel exclusief de agrarische sector, bekend onder de naam General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Deze afspraken werd in diverse rondes aangepast aan de eisen van de tijd. Ter ondersteuning van landen in ontwikkeling of in crisis werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank for Reconstruction and Development (nu deel van de Wereldbank) opgericht. Internationale instituties met eigen bevoegdheden en macht om los van welk land dan ook te opereren. Hiermee regelden de industriële westerse landen financiële en handelsrelaties.

Het door Keynes en White ontworpen systeem ondersteunde de economische wederopbouw na de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Het bood landen ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. Het systeem functioneerde tot midden jaren zeventig en zorgde voor flinke groei van de economieën van de westerse landen33. Toch liep het Bretton Woods systeem vast en achteraf bezien in het eigen succes. Het paste in een tijd waarin één land economisch met kop en schouders boven de rest uitstak, de Verenigde Staten waarvan de munt aan het goud was gekoppeld en dat over het grootste deel van de financiële reserves beschikte. Dit was de spil waarop het systeem draaide. Toen in de jaren zestig de economie van de andere landen weer op toeren kwamen, leidde dit tot druk op de dollar omdat de reserves van de Europese landen en Japan nu die van de Verenigde Staten overtroffen en ook de economieën van deze landen sterker groeiden wat leidde tot ontevredenheid bij deze landen met de rol van de Verenigde Staten als wereldbankier. Uiteindelijk stond of viel het systeem met de bereidheid van andere landen om dollars aan te houden als reserve. Deze bereidheid verminderde door de grote uitgaven van de Verenigde Staten (Vietnamoorlog en het sociale programma the Great Society van president Johnson) waarvoor extra dollars werden bijgedrukt. Daarop wisselden steeds meer landen hun dollarvoorraden in tegen goud en koppelden hun munten los van de dollar. In 1971 beëindigde president Nixon van de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van de dollar voor goud en ontstond het systeem van zwevende wisselkoersen. Dit betekende het einde van het bouwwerk van Keynes en White.

Dit was het begin van het einde van het keynesianisme als leidende economische stroming. Die leidende positie werd verder aangetast door de economische crisis van eind jaren zeventig. Een crisis waar het ‘wondermiddel’ van Keynes uit de jaren dertig, overheidsinvesteringen in tijden van crisis, niet werkte. De economie stagneerde en er was sprake van flinke inflatie (samengevoegd tot stagflatie). Die inflatie zorgde vervolgens weer voor loonsverhogingen om de gestegen prijzen te compenseren en dus de koopkracht op peil te houden. Extra overheidsinvesteringen wakkerden de inflatie aan, zorgden voor opwaartse druk op de lonen en zo tot vermindering van investeringen door het bedrijfsleven. Het keynesianisme bood hiervoor geen oplossing. Zijn succesvolle methode om de economie te stimuleren bij vraaguitval, is door zijn navolgers tot een soort dogma verheven. Een aanpak die in iedere crisis toepasbaar is. Wellicht zou Keynes, indien hij nog had geleefd, wel met oplossingen zijn gekomen. De kern van zijn denken bestond eruit om te kijken naar wat er aan de hand is en daar een praktische oplossing bij zoeken.

Neoliberalisme

Daarmee komen we bij het neoliberalisme, het ‘model’ dat de afgelopen vijftig jaar het denken over economie en de samenleving heeft gedomineerd. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen: “Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.34 Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.”35 Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt. Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtegoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt: ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”36 Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af. De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen. Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.

Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten.37 Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaalsocialisme en fascisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie en dat het streven naar democratische vormen van socialisme niet mogelijk is:“That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable, but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not believe it until the connection has been laid bare in all its aspects.”38En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.

De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheid daarnaast en tweede manier om naar vrijheid te kijken, een vorm die hij ‘positieve vrijheid’ noemt. Hierbij staat het antwoord op een andere vraag centraal: “Wat of wie, is de bron van beheersing of inmenging die kan bepalen dat iemand dit doet in plaats van dat, of zó en niet anders.”39 Dit is de socialistische vlag van Hayek, daar is vrijheid: “… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .”40 Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om:“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”41

Twee verschillende interpretaties die inderdaad niet allebei volledig te bevredigen zijn. De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methods of guiding economic activity.”42 En dan moeten we denken aan: “… the provision of the signposts on the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.”43 In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.”44

Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogd krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelend, het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. John Gray verwoordt de misser van Hayek als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.”45 Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen.

De belangrijkste navolger en meest invloedrijke denker van het neoliberalisme was Milton Friedman. Friedman was verbonden aan de Universiteit van Chicago die kan worden beschouwd als de bakermat en het middelpunt van het neoliberale denken. Daar waar Keynes beweerde dat vraaguitval de reden was van de Grote Depressie in de jaren dertig en dat deze met overheidsinvesteringen kon worden bestreden, kwam Friedman tot een heel ander analyse en oplossingsrichting. Volgens Friedman was het een gewone financiële schok die werd verergerd door de krimp van de geldhoeveelheid die erop volgde. Deze krimp werd veroorzaakt door verkeerd beleid van de directeuren van de Federal Reserve (Fed) het stelsel van centrale banken in de Verenigde Staten. Het was dus de overheid die faalde en niet de vrije markt. Wat opvalt, ondanks hun totaal verschillende analyse van de Grote Depressie, is dat zowel Keynes als Friedman het eens leken over de oplossing: meer geld in de economie en dat de overheid hiervoor moest zorgen. Alleen over de manier waarop verschilden de beide heren. Keynes wilde dat de overheid zou investeren in zaken die de economie zouden versterken. Friedman wilde dit doen daar de geldvoorraad te vergroten zodat de particuliere sector zou investeren. In de jaren dertig is uiteindelijk de Keynes oplossing gekozen. Bij het aanpakken van de crisis van 2007 en verder, is gekozen voor de Friedman oplossing. Hierop kom ik later nog terug.

Friedman was een fel tegenstander van overheidsingrijpen in de economie ook niet als niet ingrijpen tot ernstige ellende leidde of ontwrichtend voor de maatschappij was. Markten komen immers op den duur (korte of lange termijn) altijd weer tot een evenwicht, de negatieve gevolgen moesten zo lang het duurde maar verdragen worden. Keynes zou hem hebben geantwoord met zijn beroemde woorden:“De lange termijn is een misleidende gids in de maatschappelijke werkelijkheid. Op lange termijn zijn we allemaal dood.”46 Friedman was de grote pleitbezorger van het monetarisme dat een grote rol toekent aan het geld in de economie. Vergroting van de geldvoorraad zou inflatie veroorzaken daarom pleitten de monetaristen ervoor dat de centrale bank de geldhoeveelheid met een vooraf bepaald maximumpercentage mocht groeien, dit percentage moest worden gerelateerd een de reële economie en diende vooraf te worden bepaald. Er bestond volgens hem een nauwe en stabiele relatie bestaat tussen prijsinflatie en de geldhoeveelheid. Geld vervult voor de monetaristen een centrale rol in de economie. Friedman zag het gevaar van een ongereguleerd financieel systeem. Regulering of het versterken van de bevoegdheden van de centrale bank zag hij echter niet als oplossing. De oplossing zag hij in een permanente groei van de geldvoorraad. Dit door deze met tussen de 3 en 5% per jaar te laten groeien. Het liefst zag hij dit als enige wettelijke opdracht voor de Fed.

Via Friedman en zijn collegas van de Universiteit van Chicago kreeg het neoliberalisme steeds meer de overhand in het economisch denken en handelen. De Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Tatcher waren grote bewonderaars van Friedman en Hayek en via deze twee politici werd het neoliberalisme mainstream en verspreide het zich verder over de wereld. Diverse landen hebben sinds begin jaren zeventig ervaringen opgedaan met de neoliberale aanpak. Als eerste Chili na de coupe van Pinochet. Na de val van de Berlijnse muur werd de neoliberale aanpak het handelsmerk van het internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Landen in financiële nood konden via deze instellingen kredieten krijgen maar moesten in ruil hun economie ‘uitleveren’ aan de vrije markt47.

Friedman behoorde tot de kring ronde Amerikaanse schrijfster en denker Ayn Rand. Rand is de schrijfster van het op de bijbel na meest verkochte boek in de Verenigde Staten, de roman Atlas Shrugged uit 1957. In zijn boek De Utopie van de vrije markt noemt Hans Achterhuis dit boek de utopie van het kapitalisme. Dit denken kenmerkt zich door een kleine rol voor de overheid, zo min mogelijk belemmeringen voor het bedrijfsleven en zo min mogelijke belastingen. In kern is het neoliberale denken samen te vatten in drie woorden waarvan er twee toevallig ook nog eens de titel vormen van een van de boeken van Friedman. Friedmans boek is getiteld Capitalism and Freedom het neoliberale denken is samen te vatten met kapitalisme is vrijheid. Daar waar marxisten de socialistische samenleving als eindtijd van de geschiedenis zien, is dit voor veel neoliberalen het kapitalisme gecombineerd met de liberale democratie. Toen de Berlijnse muur viel, zagen zij dit dan ook als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van het ideologisch denken omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de liberale-vrije-markt samenleving, er was immers geen ideologisch alternatief meer. Dit was de strekking van het boek The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama uit 1992.

In die kringen rond Ayn Rand vertoefde ook Alan Greenspan, de latere president van de Fed. Greenspan heeft het denken van Friedman in die rol in de praktijk gebracht. Toezicht op de financiële wereld verslapte, alleen de groei van de geldvoorraad was belangrijk. Greenspan deed dit door de rente te verlagen, een manier om de geldvoorraad te vergroten. Lage rentetarieven van de centrale bank maakt immers dat banken goedkoop aan geld kunnen komen en dit weer als lening in de markt uit te zetten. Door de crisis die in 2007 inzette heeft het neoliberale denken een flinke deuk opgelopen. De overheden moesten flink ingrijpen om met name de bankensector overeind te houden en overheidsingrijpen past niet in het neoliberale denken, zeker niet in financiële sector. Ondanks deze deuken is het dit moment nog steeds de dominante economische filosofie en ligt het ten grondslag aan vele beleidskeuzes.

Libertarisme

De crisis van 2007 bracht het neoliberale bouwwerk aan het wankelen. Het zichtbare verzet kwam van de kant die wilde herverdelen. De 99 procent kwam in verzet tegen de 1 procent meest vermogenden. De Occupy-beweging kreeg en trok de aandacht. Wat de deelnemers bond, was hun woede tegen de hebzucht van de grote financiële instellingen. Die werden gezien als de belangrijkste oorzaken van de financiële crisis waarin de wereld sinds 2008 terecht is gekomen. De Occupy-beweging werd gevoed door een sterk gevoel van onbehagen over de bestaande economische ongelijkheid, de afbraak van sociale en economische verworvenheden en de (vermeende) onzichtbare macht van het multinationale bedrijfsleven over de politieke besluitvorming. Tot woede van de demonstranten werden de banken die de crisis hadden veroorzaakt, gered ten koste van de gewone man. Dit werd kort verwoord met de slogan: ‘Banks get bailed out, we get sold out’. Over de oorzaken was men het binnen de occupy-beweging eens, waar het naar toe moest, wat het doel van de protesten was, bleef vooral vaag.

Naast dit zichtbare verzet tegen de neoliberale wereldorde van Occupy, was er een andere groep die een andere dan de neoliberale wereldorde wilde. Deze groep bleef en blijft nog steeds, vooral onder de radar. Het is echter wel de groep die steeds meer macht en invloed verwerft. Marlène Benquet en Théo Bourgeron noemen deze groep ‘Alt Finance’. Een groep die bestaat uit de hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen. In hun boek Alt Finance betogen de auteurs op een overtuigende manier (onder andere door het volgen van het geldspoor), dat deze bedrijfstak de neoliberale wereldorde wil afbreken. Ze willen een nieuwe wereldorde een libertaire.

Libertarisme is: “een politieke filosofie die de nadruk legt op individuele vrijheid, vrijwillige associatie en beperkte of geen overheidsinterventie in zowel persoonlijke als economische aangelegenheden. Het pleit voor minimale tot geen overheidsbemoeienis in het leven van burgers en bevordert persoonlijke vrijheid en autonomie.” De overheid moet zich volgens de libertariers beperken tot het beschermen van de individuele rechten. Die zijn heilig: “Libertariërs geloven in de primaire rol van individuele rechten, waaronder het recht op leven, vrijheid en eigendom. Deze rechten worden gezien als inherent en niet “verleend” door een of andere overheid.” Volgens de libertaire leer is iedereen vrij om zijn leven te leiden zoals de persoon zelf wil. De enige beperking hierbij is dat een ander geen schade mag worden gedaan en dat die ander dezelfde rechten heeft.48 “Het unieke kenmerk van het libertarisme is dat het een ethische benadering van vrijheid verdedigt zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor het algemeen belang,” aldus Benquet en Bourgeron. Want: “In tegenstelling tot liberalen en neoliberalen, die een consequentialistische benadering hanteren, hebben libertariërs een deontologische benadering van vrijheid: de vrijheid om te accumuleren is op zichzelf al een wenselijk resultaat.”49

Een politiek filosofische stroming die de nadruk legt op de vrijheid van het individu waarbij de rol van de overheid zo klein mogelijk is. Deze stroming heeft belangrijke raakvlakken met het objectivisme van Ayn Rand. Het libertarisme put daarmee uit eenzelfde bron als het neoliberalisme, maar is nog wat extremer. De rol van de mens als burger bestaat voor het libertarisme eigenlijk niet. De mens is consument en de markt is de democratie. Of om de voormalig Britse premier Thatcher aan te halen: ‘who is society? There is no such thing’. Weg van het WIJ en naar het IK, de op zichzelf aangewezen mens. Een IK die de andere IKKEN in toenemende mate met wantrouwen bejegend. Eigenlijk een strijd van allen tegen allen om Hobbes te parafraseren, maar dan zonder fysiek geweld. Zo is wantrouwen de basis geworden van onze samenleving terwijl een democratie floreert bij vertrouwen.

In hun onderzoek naar de Brexit kwamen Benquet en Bourgeron het libertaire denken op het spoor door het volgen van de geldstromen: wie betaalden de campagnes voor en tegen de Brexit. Tot hun verrassing werden de beide campagnes vooral betaald door de financiële sector. Brexit: “was het gevolg van een economische tegenstelling tussen twee facties van de Britse financiële sector, die uitgroeide tot een institutioneel en politiek conflict.”50 Een strijd tussen de gevestigde financiële sector, die zij First Wave finance noemen en die vooral bestaat uit banken, verzekeraars, institutionele beleggers, goederen handelaren, aan de ene kant en de nieuwe financiële partijen, die zij Second Wave Finance noemen en die bestaat uit hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen.

De First Wave partijen wilden het Verenigd Koninkrijk in de Europese Unie houden. Dit deel van de Britse financiële sector had mee aan de wieg gestaan van het neoliberale bouwwerk dat die Unie was geworden. Hun werkwijze: “wordt gekenmerkt door publieke oproepen tot sparen, waarbij spaargelden worden ingezameld door particuliere spaarinstellingen en voor korte periodes worden belegd in aandelen die op beursgenoteerde markten worden verworven.” Zij hadden veel te verliezen bij een Brexit. Dit deel roerde zich stevig in het debat over een Brexit. De werkwijze van Second Wave partijen: ‘wordt gekenmerkt door spelers die particulier kapitaal (afkomstig van vermogende particulieren en andere professionele beleggers) investeren in niet-beursgenoteerde activa; op middellange termijn nemen deze spelers actief de controle over deze activa over.51

Belangrijk verschil tussen de twee is de sterke betrokkenheid van de oprichter in het opereren en welvaren van Second Wave Finance. Deze staken eigen geld in de Leave campagne terwijl de First Wave partijen vooral bedrijfsgeld investeerden. De financiers van de Leave campagne bleven veel meer op de achtergrond. Ze spraken zich niet zelf uit, ze lieten dat aan anderen over. Waarom ze uit de Europese Unie wilden? Ze: “hoopten de vrije hand te krijgen om te investeren zoals zij dat wilden en zich te ontdoen van de financiële regelgeving van Brussel, die zij te restrictief vonden.”52 Want ze zagen zich: “Geconfronteerd met een neoliberaal politiek regime dat niet langer de institutionele regelingen beschermde die zij nodig achtten om hun winsten te laten stijgen,” En omdat ze de regels binnen de Unie niet gewijzigd kregen: “vonden de financiële actoren van de tweede golf een mogelijke uitweg: een verandering van politiek regime.”53 Die verandering van politiek regime werd de Brexit.

Sinds die Brexit wordt de roep om een verandering van institutionele regeling ook binnen de Europese Unie de steeds sterker. Ook sloten andere partijen en dan vooral de grote techbedrijven en dan vooral techbedrijven die draaien op data, zich bij die roep aan. Alessandro Baricco beschrijft de tech-ondernemers in zijn boek The Game. Hij onderzoekt als een soort archeoloog de ontstaansgeschiedenis van de nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de hele digitale revolutie. Hij gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië waar een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was,” zich had verzameld. Zij wilden een andere wereld. “Het waren mensen op de vlucht. Ze probeerden te ontsnappen aan de eeuw die de gruwelijkste in de geschiedenis van de mensheid was geweest, en die niemand had gespaard.” Wat die gruwelijke eeuw kenmerkte? “De obsessie met grenzen, de verafgoding van alle mogelijke scheidslijnen, de drang om de wereld in te delen in beschermde zones die niet met aldaar in contact stonden.“54 Een wereld die werd gedomineerd door ideologie. Zij wilden geen ideologie maar waren in de kern bijzonder ideologisch. Ze predikten het anarchisme en de meeste van hen een zeer bijzondere vorm van anarchisme, het libertarisme.

Ook bij hun pogingen om tot die libertaire samenleving te komen, blijven de aanjagers ervan, uitzonderingen zoals Elon Musk daargelaten, het liefst in de schaduw. Overheden en vooral de Europese Unie hinderen hen daarbij. De EU omdat deze, geheel volgens de neoliberale wereldorde, ernaar streeft om via de markt het algemeen belang te bevorderen en dat algemeen belang (kwaliteitsregels voor producten, regels ter bescherming van de burger en de consument) hindert deze ondernemers. Daarom laten ze via denktanks en door hen gefinancierde actiegroepen roepen dat de regels ‘verstikkend’ zijn en ‘innovatie belemmeren’. Ze doen dat met toenemend succes. En de ironie, de grootste slachtoffers van het niet reguleren zijn precies de mensen die voor het karretje worden gespannen. Die worden getriggerd met de boodschap dat die regels hun vrijheid belemmeren. Ze laten anderen het werk opknappen en die anderen zijn vooral mensen die juist het meeste belang hebben bij herverdeling. Want het libertaire beleid: “versterkt de financialisering van samenlevingen, waardoor de kloof tussen arm en rijk groter wordt.”55

Benquet en Bourgenon laten zien dat al die denktanks één netwerk vormen met de naam Atlas Foudation: “Ongeveer 400 denktanks zijn lid van de Atlas Foundation, waarvan de meeste Anglo-Amerikaans zijn. Ze vormen een politiek samenhangend geheel dat gekenmerkt wordt door zijn libertarisme en zijn banden met alt-right in de Verenigde Staten en met radicale groeperingen binnen de Britse Conservatieve Partij… De meest emblematische leden van dit netwerk in de Verenigde Staten zijn het Cato Institute, gefinancierd door de gebroeders Koch, miljardairs in fossiele brandstoffen die bekend staan om hun ontkenning van klimaatverandering en hun libertarische opvattingen, en de Heritage Foundation, eveneens een klimaatveranderingsontkennende, libertarische en neoconservatieve groep.”56 De Heritage Foundation is de grondlegger van Project 2025. Een in 2022 opgesteld plan om na de toen nog onzekere verkiezingswinst van een republikeinse president de overheid vol te stoppen met aanhangers van het libertaire gedachtegoed. Een in de basis autoritair plan omdat het ervan uitgaat dat een president na zijn verkiezing boven de wet staat. Na zijn inauguratie is de huidige president Trump dit plan aan het uitvoeren. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning

Benquet en Bourgeron betogen dat Het nieuwe politieke regime van accumulatie (…) zich (heeft) gehuld in het kleed van het libertaire economische denken, maar is autoritair in zijn politieke en sociale optreden.”57 Ze noemen dit het libertair autoritair regime. Een regime dat: “vijandig (staat) tegenover elke herverdeling van rijkdom en gebruikt onderdrukking van sociale bewegingen, beperking van burgerlijke vrijheden en beperkingen op openbare demonstraties en toespraken als belangrijkste middelen om de sociale orde te handhaven.”58 En als we nu om ons heen kijken, dan is dat precies wat er gebeurt. Trump voert op een autoritaire manier Project 2025 uit. Rechten van mensen (legaal of illegaal) worden met voeten getreden. Het leger wordt tegen de eigen burgers ingezet. Onwelgevallige stemmen wordt het zwijgen opgelegd door hen te (laten) ontslaan of door te dreigen met een rechtszaak. We zien het ook in Nederland. Hier staat het recht om te demonstreren onder druk. Worden moties, wetsvoorstellen en amendementen ingediend die strijdig zijn met onze grondrechten. Worden de bevoegdheden van opsporingsinstantie om te grasduinen in privégegevens steeds groter. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning en dan vooral de laatste vorm: roof. Roof, want dat is het als de machtigen hun macht gebruiken om hun rijkdom verder te vergroten ten koste van de onmachtigen.

Afsluitend

Deze Prikker schets de geschiedenis van manieren waarop de mens zaken verwerft die nodig zijn om te overleven. De laatste drie eeuwen is de nadruk daarbij steeds meer komen te liggen op verwerven via de markt. Daarbij zien we een permanente strijd tussen de kapitaalkrachtigen en de rest. Om in Occupy termen te spreken: de strijd tussen de 1% en de 99%. In die strijd spelen ideeën een belangrijke rol. Ideeën in de zin van theorieën of modellen die de werkelijkheid moeten verklaren. Nadeel van theorieën en modellen in de sociale wetenschappen is dat ze de werkelijkheid versimpelen en beïnvloeden. Sinds eind jaren zeventig is hierbij de nadruk komen te liggen op de vrije markt als dé manier van verwerven. Dat zou zowel voor het individu als voor de samenleving het beste opleveren: als iedereen zijn eigen belang nastreeft dan moet de som van die eigenbelangen wel het optimale maatschappelijke belang zijn. Zo is de opvatting van het neoliberale denken. De werkelijkheid laat echter zien dat veertig jaar neoliberaal beleid hebben geleid tot erosie van het algemeen belang. De laatste vijftien tot twintig wordt het libertaire denken steeds dominanter. Dit denken lost het probleem van eroderend algemeen belang op door het irrelevant te maken. Individuele verwerving van (zoveel mogelijk) kapitaal is het enige wat telt. De aanhangers van dit denken, de kapitaalkrachtige individuen van het Second Wave Finance en de Tech Bro’s, verstoppen hun denken onder de vlag van vrijheid. Een valse vlag waaraan het volgende deel gewijd zal zijn. Bij het vormgeven van beleid zullen we hier rekening mee moeten houden. Gelukkig kunnen we daarbij ons voordeel doen met ervaringen uit het verleden. Die bieden niet automatisch ‘rendementen voor de toekomst’. Die ervaringen laten echter wel zien dat het anders kan. Dat herverdeling mogelijk is.

1 Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

2 Yuval Noah Harar, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

3 Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

4 Lees Marcel Mauss, Over de gift

5 Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92

6 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 48-49

7 Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten,pagina 414-415

8Idem pagina 415-419

9 Hier baseer ik me op de bespreking van dit artikel in John Cassidy, Wat als de Markt Faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 166-167. Voor het origineel artikel zie: Garrett Hardin, “ The Tragedy of the Commons” Science 162 (1968): 1244.

10 R.R. Palmer, Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 428

11 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

12 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

13 Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad. de zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218

14 Idem, pagina 209

15 Idem, pagina 213 (Sedláček benadrukt in dit citaat twee woorden die hij cursiveert. Ik cursiveer citaten en om de nadruk van Sedláček te behouden schrijf ik deze woorden normaal).

16 Idem, pagina 344

17 Idem, pagina 346

18 Bij het beschrijven van het denken van Adam Smith heb ik gebruik gemaakt van De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy.

19 John Stewart Mill, Over vrijheid. Pagina126

20 Idem, pagina 127

21 The Theory of Maral Sentiments., een boek dat handelt over ethiek en waarin hij de handelende mens als meer dan een egoïstisch wezen ziet.

22 Bertrand Russell, Geschiedenis van de Westerse Filosofie. Vanuit de politieke en sociale omstandigheden van de Griekse Oudheid tot in de twintigste eeuw. Pagina 803 – 804. Zie ook Hans Achterhuis, pagina 189

23 Idem, pagina 811 – 819

24“ Geciteerd bij Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 198

25 Zie: Andreas Malm,Fossil Capital. The Rise of Steam Power an the Roots of Global Warming

26 Philips is hiervan een goed Nederlands voorbeeld. In Engeland is lord Lever (nu onderdeel van Unilever) hiervan een voorbeeld.

27“ Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 191

28 Geciteerd bij Cassidy, pagina 190

29 Geciteerd bij John Cassidy pagina 192

30 Speltheorie is een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat. De speltheorie biedt een raamwerk waarbinnen strategische interactie tussen ‘spelers’ bestudeerd wordt. Met behulp van modellen wordt geprobeerd de onderliggende interactie van ‘spelers’ die beslissingen nemen te begrijpen. (bron: Wikipedia)

31 Geciteerd bij John Cassidy, pagina 194

32 Dani Rodrik,The Globalization Paradox. Democracy and the Future of the World Economy, pagina 69

33 Angus Maddison, Ontwikkelingsfasen van het kapitalisme pagina67

34 Frans Pollux, Het Gelijk van Heisenberg, pagina 15 – 16. De vete druk is overgenomen van Pollux

35 http:/ http://www.volkskrant.nl/recensies/van-sciencefiction-valt-te-leren~a1021420/

36 Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 52

37 Collectivisten zijn voor Hayek alle stromingen die in groepen denken in plaats van in individuen. Het omvat daarmee onder andere het communisme, het socialisme, het facisme en het nationaal-socialisme.

38 Friedrich A. Hayek, The road to Serfdom. Text and Documents. The definitive Edition, pagina 82

39 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, pagina 11.

40 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Editionpagina 77

41 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, Berlin, pagina 75

42 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Edition, pagina 85 – 86

43 Idem, pagina 87

44 Idem, pagina 88

45 John Gray, Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën pagina131

46 Geciteerd bij Hans Achterhuis,De utopie van de vrije markt, pagina pagina 214

47 Idem, pagina 239 – 252

48 Bron: https://libertairperspectief.nl/over-het-libertarisme/

49 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 107 (eigen vertaling)

50 Idem, pagina 10 (eigen vertaling)

51 Idem, pagina 39 (eigen vertaling)

52 Idem, pagina 44 (eigen vertaling)

53 Idem, pagina 65 (eigen vertaling)

54 Alessandro Baricco, The Game, pagina 98

55 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 131 (eigen vertaling)

56 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 104-105 (eigen vertaling)

57 Idem, pagina 107 (eigen vertaling)

58 Idem, pagina 9 (eigen vertaling)

Uitgelicht

‘We’ve got a bigger problem now’

In 1982 kwam het album Plastic Surgery Disasters van de punkband Dead Kennedys uit. Bij veel gebeurtenissen de laatste tijd schiet me een nummer op dat album te binnen: het nummer We’ve Got a Bugger Problem Now.1 Het nummer verhaalt over: “Emperor Ronald Reagan, Born again with fascist cravings.” We zijn ruim veertig jaar verder en zitten met een Amerikaanse president opgescheept die het programma dat in de song aan Reagan wordt toegedicht, uitvoert. We zien Europese politici die braaf in het gelid springen en een soortgelijk programma nastreven. Neem de Nederlandse partijen PVV, VVD, BBB, SGP en JA21 die een motie van het Forum voor Democratie ondersteunden om Antifa te benoemen tot een terroristische organisatie. Een gevaarlijke ontwikkeling.

De hoes van de EP In God We Trust waarop het nummer We’ve Got a Bigger Problem Nowop de B-kant is te vinden

Dead Kennedys was een punkband uit Californië. Grote man was zanger Jello Biafra, het alter ego van Eric Reed Boucher. Hij schreef over de maatschappij kritische teksten. We’ve got a Bigger Problem Now is daarvan een goed voorbeeld. Het nummer is een herschreven versie van hun eerste single California Über Alles2, een song waar Jerry Brown, de Democratische gouverneur van Californie op de hak werd genomen. Brown was in de race voor het presidentschap dat uiteindelijk naar Ronald Reagan ging. Het activisme van de band bleek uit uit de ‘bijlage’ bij het album Frankenchrist . Die bijlage zorgde ervoor dat de strafrechterlijk werd vervolgd. Bij dat album zat een kopie van het werk ‘Penis Landscape’ van de Zwitserse kunstenaar Giger. Op de hoes waarschuwde de band voor die bijlage die als schokkend, walgelijke of beledigend ervaren kon worden.

Terug naar We’ve Got a Bigger problem now en waarom dat nummer mij steeds vaker te binnen schiet. Het nummer begin met het volgende gesproken intro: “Last call for alcohol. Last call for your freedom of speech. Drink up, Happy Hour is now enforced by law. Don’t forget our house special. It’s called a Tricky Dicky Screwdriver. It’s got one part Jack Daniels. Two parts purple Kool-Aid. And a jigger of formaldehyde From the jar with Hitler’s brain in it. We’ve got in the back storeroom. Happy trails to you, happy trails to you!” Het feest is over. De vrijheid van meningsuiting staat op de tocht. Geniet vooral van onze fascistische leugens propaganda. De naam van het speciale huisdrankje Tricky Dicky Screwdriver verwijst naar president Nixon die in 1974 moest aftreden vanwege het Watergate schandaal, het leugenachtige. De formaldehyde uit het vat met daarin Hitlers hersens is een duidelijke verwijzing naar het fascisme. Met betrekking tot Reagans presidentschap wellicht een tikkeltje voorbarig. Nu onder Trump een redelijk accurate beschrijving van de werkelijkheid. De vrijheid van meningsuiting wordt in rap tempo geweld aangedaan met Jimmy Kimmel als laatste prominente slachtoffer.

Dan het eerste couplet: “I am Emperor Ronald Reagan. Born again with fascist cravings Still, you made me president. Human rights will soon go ‘way. I am now your Shah today. Now I command all of you. Now you’re going to pray in school. I’ll make sure they’re Christian, too.” De ‘fascist cravings’, fascistische verlangens, van Donald Trump waren al bekend vanuit zijn eerste ambtstermijn. ‘Cravings’ blijkend uit het ondermijnen van het democratische verkiezingsproces op alle mogelijke manieren met als meest pregnante voorbeeld zijn woorden en daden op de 6e januari 2021. De dag dat een meute opgehitste aanhangers van hem het Capitool bestormden. Bestormers die hij, als een van zijn eerste daden in zijn tweede termijn, gratie verleende en vernoemde tot ‘helden en patriotten’. Ondanks die ‘fascist craving’ werd hij verkozen tot president. Met die herverkiezing zijn de mensenrechten in rap tempo aan het verdwijnen. Mensen worden zonder aanleiding opgepakt, opgesloten en een deel zelfs geëxporteerd naar een land waar ze geen enkele relatie mee hebben. Hij is de ‘sjah’, de ‘geestelijk leider’ die iedereen beveelt. En bijna iedereen schikt zich naar die bevelen. Ook daarvan is Jimmy Kimmel het meest recente voorbeeld. Een geestelijk leider die bepaalt ‘dat je op school christelijk bidt’. Het verzet tegen dat ‘christelijk bidden’ is mede door het werk van Charlie Kirk behoorlijk risicovol geworden. Kirk verzamelde op zijn Professor Watchlist docenten met ‘radical behaviour’. En gedrag was in zijn ogen al snel ‘radical’. Een watchlist die ervoor zorgde dat docenten op die lijst worden lastiggevallen door volgelingen Kirk en Trump. Na de moord op Kirk en de reactie van Trump en zijn regering, zal het leven van de docenten op deze lijst er niet vrolijker op zijn geworden.

Na het eerste couplet het refrein: “California über alles. California über alles. Über alles California Über alles California.” Dit is niet veranderd ten opzicht van de eerste single van de band met de gelijknamige titel als de eerste zin van het refrein. Door naar het tweede couplet.

“Ku Klux Klan will control you. Still, you think it’s natural. Nigga knockin’ for the master race. Still, you wear the happy face. You closed your eyes, can’t happen here Alexander Haig is near. Vietnam won’t come back, you say. Join the Army or you will pay. Join the Army or you will pay.” De nieuwe Klan die je controleert wordt gevormd door tech bro’s die hun middelen ten dienst stellen aan Trump die hen als wederdienst niets in de weglegt bij het najagen van zoveel mogelijk winst ten koste van Jo Sixpak. En Jo vindt het ook nog normaal dat die bedrijven hem uitbuiten want ze komen op voor ‘zijn vrijheid’. De tech bro’s en zeloten zoals Kirk die als een moderne Pavlik Mozorov mensen ‘verraden’ voor het ‘goede doel’. Voor degenen die het niet weten. Pavlik Mozorov was een held van de Sovjet Unie wiens ‘heldendaad’ eruit bestond dat hij zijn vader verried. En dat allemaal ter meerdere eer en glorie van het ‘master race’. En nee dat zijn niet de blanken. Dat zijn mannen die miljarden hebben gemaakt met het uitbuiten van het klootjesvolk. Klootjesvolk dat graag bij dat ‘master race’ willen horen. Zo graag dat ze zich met een blij gezicht laten afpersen, uitbuiten en misbruiken. Misbruiken door zich gewillig als knokploeg te laten inzetten voor destructieve acties zoals de bestorming van het Capitool. De terreur die deelnemers aan de ‘anti asieldemonstratie’ van 20 september 2025 in Den Haag uitoefenden is een Nederlands voorbeeld hiervan. Enigst verschil met de jaren tachtig is dat een huidige Alexander Haig ontbreekt. Haig was een meermalig gedecoreerde generaal die stond voor fatsoen en in de eerste anderhalf jaar van de regering Reagan minister van buitenlandse zaken was.

Na weer een keer het refrein, volgt een gesproken intermezzo: “Yeah, that’s it, just relax. Have another drink, few more pretzels. Little more MSG. Turn on those Dallas Cowboys on your TV. Lock your doors, close your mind. It’s time for the two-minute warning.” Ach ja, het zal zo’n vaart niet lopen. Dus drink nog maar wat, neem nog wat pretzels, wat MSG (mononatriumglutamaat, een umami smaakversterker) zodat het je je nog wat beter voelt. Laat je verdoven door een voetbalwedstrijd op TV, maar in de huidige tijd mag het ook B&B vol liefde zijn of iets soortgelijks. Ogen dicht niet nadenken. Dan is het nu tijd voor de waarschuwing, de blik op de toekomst.

Die blik wordt gelegd in het Orwell jaar 1984, twee jaar na het uitkomen van het nummer. Die waarschuwing luidt: “Welcome to 1984! Are you ready for the Third World War? You, too, will meet the secret police. They’ll draft you and they’ll jail your niece. You’ll go quietly to boot camp! They’ll shoot you dead, make you a man Don’t you worry; it’s for a cause. Feeding global corporations’ claws. Die on our brand-new poison gas. El Salvador or Afghanistan. Making money for President Reagan. Making money for President Reagan! And all the friends of President Reagan!” Helaas hoeven we nu niet zover vooruit te kijken. De vraag of we klaar zijn voor een oorlog, een wereldoorlog of niet, is er eentje die vaak wordt gesteld. De immigratiedienst ICE vervult met verve de rol van de ‘secret police’. Je hebt de keuze tussen het gevang en meelopen en -werken. Meewerken aan het vullen van de zakken van president Trump en zijn vrienden de tech bro’s en wat Marlène Benquet en Théo Bourgeron, in hun boek Alt Finance How the City of London bought democracy, ‘alt finance’ noemen: de hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen.3

Benquet en Bourgeron betogen op een overtuigende manier (onder andere door het volgen van het geldspoor), dat deze bedrijfstak de neoliberale wereldorde wil afbreken. Wat deze partijen nastreven is, in de woorden van de beide auteurs, een libertair autoritair regime. Een regime dat: “vijandig staat tegenover elke herverdeling van rijkdom, gebruikt het onderdrukking van sociale bewegingen, beperking van burgerlijke vrijheden en beperkingen op demonstraties en toespraken als belangrijkste middelen om de sociale orde te handhaven.”4 Libertarisme berust, zo betogen Benquet en Bourgeron: “op de radicale verdediging van privé-eigendom, dat wordt geponeerd als de belangrijkste (en vaak enige) regel van sociale organisatie, zonder rekening te houden met de collectieve gevolgen daarvan.”5

Nu willen ook partijen van links deze wereldorde afbreken. De reden waarom is echter een heel andere. Partijen van links willen die orde afbreken omdat die orde tot grote ongelijkheid leidt en wat zij slecht vinden voor het algemeen belang. Ze willen zaken herverdelen. De libertariërs van ‘Alt Finance’, en in hun verlengde de tech bro’s willen die wereldorde afbreken omdat die hen hindert bij het binnenharken van zoveel mogelijk geld. Dit binnenharken wille ze doen door alles te financialiseren. Alt finance en de tech bro’s willen van de neoliberale naar een libertaire wereldorde. Liberalen en neoliberalen maken zich nog druk maken over het maatschappelijk belang zo heeft kapitaal accumulatie via de markt voor neoliberalen tot doel het bevorderen van dat algemeen belang. Voor libertariers is het algemeen belang niet van belang. Voor hen is accumulatie van kapitaal de gewenste uitkomst van het spel.

Overheden en vooral de Europese Unie hinderen hen daarbij. De EU omdat deze, geheel volgens de neoliberale wereldorde ernaar streeft om via de markt het algemeen belang te bevorderen en dat algemeen belang (kwaliteitsregels voor producten, regels ter bescherming van de burger en de consument) hindert deze ondernemers. Daarom roepen ze het hardst dat de regels ‘verstikkend’ zijn en ‘innovatie belemmeren’. Die roep is echter niet bedoeld om regels af te schaffen, maar om te voorkomen dat er nieuwe komen die hen belemmeren bij het uitzuigen en uitbuiten van alles en iedereen. Ze doen dat met toenemend succes. En de ironie, de grootste slachtoffers van het niet reguleren van de activiteiten van deze roofridders, zijn precies de mensen die op 6 januari 2021 het Capitool bestormden, die op 20 september 2025 in Den Haag aan het demonstreren waren. Maar niet nadat ze eerst anderen hebben geslachtofferd. Anderen zoals de immigrant, de asielzoeker, de LHBTQI-er, de islamiet, de jood enzovoorts.

Het nummer is nu actueler dan toen Dead Kennedys het in 1982 uitbrachten. Ook Nederland is al een eind op weg. De motie rond Antifa is een volgende stap ter vervulling van de ‘facist cravings’ van het libertair autoritarisme. ‘Cravings’ zoals het beperken van het demonstratierecht maar ook andere grondrechten want op dezelfde dag dat de Antifa-motie werd aangenomen, namen dezelfde een motie aan om de boerka te verbieden. Weer een stap op een hellend vlak. En het vlak helt al behoorlijk, zoals ik in een eerdere Prikker betoogde. De partijen die deze moties aannamen, de PVV, JA21, FvD, SGP, BBB en de VVD tillen het vlak steeds verder op.

1 Hier is het nummer te beluisteren: https://www.youtube.com/watch?v=VmJYpAycF0c&list=RDVmJYpAycF0c&start_radio=1

2 Hier is het nummer te beluisteren: https://www.youtube.com/watch?v=R-rDQs5NOP4&list=RDR-rDQs5NOP4&start_radio=1

3 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance How the City of London bought democracy, pagina 39

4 Idem, pagina 9. Eigen vertaling.

5 Idem, pagina 9. Eigen vertaling

Uitgelicht

Het rokje van Dilan Yeşilgöz

“ Op dit soort momenten heb je politici nodig die verbinden. We moeten het geweld afkeuren en achter de daders aan, maar om het gelijk politiek te maken is heftig en onnodig. Je gaat dingen politiek maken die niets met politiek te maken hebben.” Woorden van minister Eelco Heinen van de VVD naar aanleiding van het extreem rechts terreur in Den Haag van zaterdag 20 september 2025. Een bijzondere redenering van minister Heinen. Heinen reageerde op de uitspraak van D66-leider Rob Jetten dat: “andere politici en partijen deze extremisten in het centrum van de macht hebben gebracht”.

Heinen was niet de enige. Zijn partijgenoot Christianne van der Wal viel hem in de uitzending van EVA van maandag 21 september bij. Net zoals VVD-leider Dilan Yeşilgöz bij Pauw & De Wit. Daar betoogde zij dat: “we als politiek één front moeten vormen,” dat, “vanuit de Kamer moet zeggen: dit accepteren we niet.” Ze kregen zelfs bijval van politiek verslaggever Elodie Verweij die Yeşilgöz complimenteerde met haar eerste inhoudelijke reactie en die vond dat de rest weer: “Den Haag being Den Haag,” was namelijk weer heel erg met zichzelf bezig. Yeşilgöz had getweet dat het ‘tuig was dat je gewoon moet oppakken. Zeer bijzonder.

bron: Flickr

Maar nu toch even voor de dames en heren politici en politiek journalisten het onderscheid tussen de politiek en het politieke. De politiek dat zijn de formele structuren en processen die bij het besturen horen, dat wat de volksvertegenwoordigers in Den Haag met elkaar uitspoken. Het politieke is de manier waarop macht in een samenleving wordt uitgeoefend en verdeeld. Hier behoort ‘ de politiek’ als in de besluitvormingsstructuren toe maar het omvat veel meer. Het omvat zo ongeveer elk aspect van het sociale leven.

Een demonstratie is een:“betoging: een demonstratie tegen het beleid van de regering.” Een betoging een: “optocht om bepaalde gevoelens kenbaar te maken,” is per definitie politiek. De terreur die een deel van de demonstranten verspreidde, is net zo politiek. Ook dat is een aspect van net sociale leven. Het geweld gericht tegen de politie, een kantoor van een politieke partij, het parlementsgebouw maar ook tegen de horeca-ondernemers en hun personeel is politiek. En ja, het is ook bedoeld om ‘de politiek’, het besluitvormingsproces van de samenleving te beïnvloeden. Er hoeft niets politiek gemaakt te worden want het is een en al politiek.

Het is nog om een andere reden bijzonder. De roep van de VVD om dit te ‘depolitiseren’ en ‘schouder aan schouder’ te staan klinkt op het eerste gezicht sympathiek. Wat Yeşilgöz en de rest van de VVD van D66 vraagt is om ‘schouder aan schouder te staan met politieke partijen zoals de PVV, die nu hard roepen dat dit ‘tuig’ hard gestraft moet worden, maar die al jaren de woorden en het gedachtegoed leveren waarmee deze extreemrechtse terreurzaaiers hun daden verdedigen zoals Lubach in zijn uitzending liet zien. Meest recent nog tijdens de algemene politieke beschouwingen na Prinsjesdag. Partijen die de haat zaaiden met hun woorden en nu afstand doen van de oogst van hun zaaiwerk. Daar moet je nu ‘ schouder aan schouder’ mee gaan staan. Dat is hetzelfde als van een verkrachte vrouw vragen om samen op te trekken met iemand die haar verweet dat ‘dat rokje’ wel erg uitdagend is en dat je er dan wel een beetje om vraagt.

Bijzonder is ook dat deze oproep komt van een partij en partijleider die de zaaier, de ondemocratisch georganiseerde en ondemocratisch en anti-rechtsstatelijk handelde PVV, in het centrum van de macht heeft gebracht. Van een partijleider die zich de afgelopen week stil hield, toen Wilders tijdens die algemene politieke beschouwingen verdeeldheid en haat stond te zaaien. Een partijleider van een partij die een motie van een andere extreem rechtse partij, het Forum voor Democratie om antifa als een terroristische organisatie te bestempelen, ondersteunde. Nu is antifa een vlag en geen organisatie en constateert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid dat er vanuit die hoek geen gevaar dreigt voor de democratie en de rechtsstaat. Dezelfde partij die instemde met een boerkaverbod. Een partij die instemde met het discrimineren van statushouders. Een partij die er geen been in ziet om het grondrecht om je mening te uiten in een demonstratie aan banden wil leggen.

Met de roep om te ‘depolitiseren’ proberen Yeşilgöz en de VVD hun rol en verantwoordelijkheid weg te schuiven en te ontlopen. En de VVD en verantwoordelijkheid staan, zoals ik bij de bespreking van het verkiezingsprogramma van de partij al liet zien, op gespannen voet met elkaar. De roep om de depolitiseren is daarmee politiseren in optima forma.

Uitgelicht

Election Files 14: Me, Myself and We

De volgende prikker in deze serie Election Files: dit keer geen bespreking van een verkiezingsprogramma maar een artikel naar aanleiding van de besprekingen. Bij de programma’s die ik heb besproken viel een gebrek aan analyse op. Omdat een goede analyse voorafgaat aan het zetten van stappen om iets te veranderen, analyseer ik in de komende Prikkers onze huidige samenleving. Welke grote ontwikkelingen zien we? Waar komen die ontwikkelingen vandaan en waarom staan we nu waar we nu staan? De eerste grote ontwikkeling betreft het individu en de groep, en de groep en het individu. Een ontwikkeling zo oud als de mensheid maar nog steeds actueel. Zeer actueel.

“De geschiedenis schetst de fundamentele morele veranderingen van de mensheid van onze vroegste, nog niet menselijke, voorouders in Oost-Afrika tot en met de recentste conflicten rond identiteit, ongelijkheid, onderdrukking en duidingsmacht over het heden, die online in de metropolen van de moderne wereld worden beslecht,”1 aldus Sauer. In zijn boek schetst hij de reis die de mensheid hierin heeft gemaakt. Een reis waarin het leven van het groepsdier mens centraal staat. Een reis van de Oost-Afrikaanse vlakten zo’n vijf miljoen jaar geleden tot en met de digitaal, en met zo ongeveer de hele wereld, verbonden mens van tegenwoordig. Een reis waarin de mens en zijn relatie tot de te medemens centraal staat. Een reis die aantoont hoe afhankelijk de mens is van zijn medemens. Een reis waarin samenwerking en het aanpassingsvermogen centraal staan. Sauer: “Het beslissende van onze specifiek menselijke evolutie (…) vond plaats in een uiterst volatiele omgeving. … Een instabiele natuurlijke omgeving beloont een toeneming van flexibiliteit en plasticiteit, wat voeding, mobiliteit en vaste woonplaats betreft.” En om het wat beeldender te vertellen: “Als je slechts met minstens zes mensen op een olifant of zebra kunt jagen, is de keus tussen jagen met vijven en het jagen met zessen niet die tussen vijf of zes konijntjes, maar tussen vijf konijntjes en een olifant.”2 Sauer concludeert over dat samenwerken: “Vijf miljoen jaar geleden hebben we de voordelen van samenwerking ontdekt. Maar samenwerking is altijd duur, en niet-coöperatief gedrag blijft voordelig. Om evolutionair stabiel te worden, moesten we onze coöperatieve inspanningen beperken tot een kleine groep mensen: We werden altruïstisch en hulpvaardig, maar alleen in combinatie met een psychologie die mensen verdeelt in ‘wij’ en ‘zij daar.’”3 Wat in die vijf miljoen jaar is gebeurd, is dat de ‘wij’ steeds groter werd. Dat begon met de directe familie en een groep van maximaal zo’n 150 individuen en is nu gegroeid tot hele grote groepen zoals de achttien miljoen Nederlanders of de 1,4 miljard inwoners van India. Gedurende die gehele geschiedenis moest en ook nu moet het individu zich verhouden tot de groep en een plek voor zichzelf in de groep zien te vinden: zichzelf ontdekken. In een kleine groep van bijvoorbeeld dertig jager-verzamelaars was dat makkelijk. Je was de persoon die iets wat er nodig was goed kon, bijvoorbeeld spoorzoeken, dieren ontvellen, vuistbijlen maken, geneeskrachtige planten gebruiken, speerwerpen, kinderen iets leren of iets anders. Niet dat je alleen sporen zocht – nee je deed alles – maar als er sporen gezocht moesten worden, dan werd er naar jou geluisterd. Het ontdekken wie je bent en jezelf kunnen zijn, zijn dingen die in onze complexe samenleving steeds moeilijker worden. Dat ‘ontdekken wie je bent’ is van vrij recente datum.

Ze zegge det de helluf van de wereld van ôs is. Ik weit ’t neet percies maar as det klop is ’t neet mis. Dan staeke we 50 cent van iddere gölde in de tes. En nog ein kwartje van de res.” Het openingsrefrein van het feestnummer Gekke minse van de Venlose band Neet oet Lottum. In de rest van Nederland is de band vooral bekend door het nummer Hald mich ens vas. Die ‘ôs’, ‘ons’ in het Nederlands, zijn gekke mensen. In het boek The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous lijkt auteur Joseph Henrich tekstschrijver Frans Pollux gelijk te geven. Weird betekent “raar, gek of eng” volgens de Vandale. Henrich geeft er een heel andere betekenis aan: WEIRD is voor hem een acroniem van “Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic.”4 Wij, de westerse wereld, zijn WEIRD en wijken af van de rest van de wereld en van samenlevingen uit het verleden.

Voor een beschrijving van het niet WEIRDe deel van de huidige en vroegere wereld even terug in de tijd. Een van de mooiste scenes in de film Gladiator is, in mijn ogen tenminste, als de gladiator Juba, gespeeld door Djimon Gaston Hounsou, de poppetjes die de voorouders en kinderen van Maximus, de oud-generaal en later gladiator gespeeld door Russell Crowe, in het zand begraaft. Juba spreekt dan de woorden: “I will see you again… but not yet. Not yet.” Die scene herbergt twee manieren om naar het leven op aarde te kijken. “I will see you again,” duidt op het geloof dat er na het leven op Aarde nog iets is. Een leven na de dood. Dit denken is al oud en heeft vooral als doel om je tijdens het leven op Aarde te disciplineren. Dat disciplineren tijdens het leven kan alleen als het niet zeker bent van dat leven na de dood. Of, en dat is de variant die het meeste voorkomt, dat plek is voor degenen die goed hebben geleefd en zich dus aan de morele regels hebben gehouden en een plek voor hen die dat niet hebben gedaan. Voor christenen de hemel of de hel en voor het katholieke deel van hen zat daartussen nog het vagevuur. Daar kwam je terecht als je niet goed genoeg had geleefd maar ook niet slecht genoeg. Daar doolde je rond totdat je voldoende was gestraft voor je zonden. In de Griekse mythologie, die ook aan de basis van het Romeinse lag waarin Maximus geloofde, was Elysium het gedeelte van de Hades, de onderwereld, waar de goeden naar toegingen en Tartaros was het deel waar je naartoe ging als je uitzonderlijk slecht had geleefd. Zat je ertussen dan ging je naar Asphodel een min of meer ‘kraak nog smaak’ gebied waar je dan bleef ronddolen.

De begraven poppetjes duiden op een andere manier van naar het leven kijken. Dat is denken dat je als mens deel uitmaakt van een groter geheel en wel op twee manieren. De eerste is de doorlopende keten van verre voorouders, via je grootouder, ouders en jezelf door naar je kinderen, kleinkinderen en verder tot je verre nakomelingen. Daar staan de poppetjes voor. Je staat in een familie en tribale lijn waarin je je plek hebt. Je staat onder je ouders en grootouders maar ook ooms, tantes en oudooms en oudtantes, daar heb je naar te luisteren, daar heb je respect voor en wat zij zeggen stel je niet ter discussie. De tweede manier van ‘je plek hebben’ hangt af van de plek die je familie inneemt in de tribale structuur. Behoor je tot de familielijn van de stamleider of priester, dan sta je in hoger aanzien en wordt er eerder naar je geluisterd dan naar een familie van een eenvoudige landbouwer. De plek van je familie is ook jouw plek en toekomst. Is je vader boer, dan word jij ook boer. Is je vader krijger, dan word jij het ook. Je hoeft niet na te denken en leert alles van je ouders. Pas als die dood zijn en jij aan de top van de familielijn staat (en niet een van je broers) dan kun je wat richting bepalen en proberen iets te veranderen. Alleen is dat laatste lastig omdat veranderen betekent afwijken van het oude en de tradities en die zijn heilig. De stam en familie bepalen alles.

Stam en familie stonden centraal. Henrich omschrijft deze samenleving als volgt. “Mensen leefden in een netwerk van verwantenorganisaties binnen stamgroepen of netwerken. Uitgebreide familiehuizen maakten deel uit van grote verwantschapsgroepen (clans, stamhuizen etc.) Erfenis en verblijf na het huwelijk waren patrilineaire; mensen leefden vaak in uitgebreide patrilineaire huizen en vrouwen gingen bij de verwanten van hun man wonen. Veel verwantschapseenheden bezaten of controleerden gezamenlijk grondgebied. Zelfs als er sprake was van individueel eigendom, behielden verwanten vaak het erfrecht, zodat land niet verkocht of anderszins overgedragen kon worden zonder toestemming van verwanten. Grotere verwantschapsorganisaties bepaalden zowel de wettelijke als de sociale identiteit van individuen. Geschillen binnen verwantengroepen werden volgens gewoonte intern beslecht. Gezamenlijke verantwoordelijkheid betekende dat intentionaliteit maar een kleine rol speelde bij het toekennen van straf of het opleggen van boetes voor geschillen tussen verwanten. Verwantschapsorgnisaties boden leden bescherming, verzekering en zekerheid. Deze organisaties zorgden voor zieke, gewonde en arme leden, en voor ouderen. Gearrangeerde huwelijken met familieleden waren gewoonte, net als huwelijkse betalingen zoals bruidsschat of bruidsprijs (…) Polygone huwelijken waren gebruikelijk voor mannen met een hoge status. In veel gemeenschappen konden mannen slechts met één “primaire” vrouw trouwen, meestal iemand van ongeveer gelijke sociale status, maar ze konden dan secundaire vrouwen toevoegen, meestal van een lagere sociale status.5

Menigeen zal nu denken: zie je wel het patriarchaat, door mannen verzonnen om vrouwen eronder te houden. En inderdaad is dit het patriarchaat ten top. Alleen behoorde een flink deel van de mannen tot de grote verliezers. Dat bepalen met wie er getrouwd kon worden, betekende voor een flink deel van de mannen dat er niet getrouwd werd omdat er niemand was om mee te trouwen. Voor vrouwen betekende het dat ze derde, vierde of tiende vrouw van een man konden worden. Voor laag geplaatste families was het weggeven van een dochter als zoveelste vrouw een manier om zich omhoog te werken in de hiërarchie. Voor de top waren huwelijken een manier om macht, aanzien en vooral bezit in de familie te houden. En nee, dit systeem is niet bedacht door mannen. Het is een moderne voortzetting van de op overleving – en dan vooral de doorgifte van DNA – gebaseerde strategie van het leven. Een strategie die de mannelijke leden van een diersoort ertoe aanzet om zoveel mogelijk vrouwen te verzamelen want dat maakt de kans het grootst om nakomelingen te krijgen. Ook voor vrouwelijke leden van de soort was het aantrekkelijk om zich rond een sterke man te voegen. Dat vergrootte voor de vrouw de kans om nakomelingen groot te krijgen.

De WEIRD-heid ligt aan de basis van het succes van de Westerse samenleving, zo betoogt Henrich. Aan die WEIRD-heid hebben we het economisch succes en onze democratie te danken. Het gebrek aan die ‘WEIRD-heid’ is ook een van de oorzaken waarom economische succes op andere plekken ontbreekt. En ook een van de oorzaken waarom de democratie op veel plekken niet echt aanslaat. Henrich geeft Afghanistan als voorbeeld en citeert uit een ander boek een gesprek met een kiezer. Die kiezer geeft aan te hebben gestemd op de kandidaat van keuze: “Besluiten voor hem? Meneer! Wat bedoelt u? Zijn familie woont hier al sinds de dagen van Dost Mohammed Khan en langer … Wist u dat mijn zusters man een neef heeft die getrouwd is met Sayyaf’s schoonzus. Hij is een van de onzen.”6 Democratie in een tribale samenleving is de macht geven aan de grootste stam. Om die te bepalen is het niet nodig om verkiezingen te houden. Maar door die wel te houden krijgt de machtigste stam de staatsmacht en daarmee ook de macht over andere stammen. Ze zal die macht vervolgens gebruiken om zich die staat toe te eigenen.

De oorzaak van onze ‘gekheid’ ligt, zo betoogt Henrich, in de christelijke stroming die in West-Europa uiteindelijk dominant werd. En daarvoor moeten we een heel eind terug in de tijd. Dat die stroming waaruit de huidige katholieke kerk en de vele protestantse stroming uit zijn voortgekomen dominant werd, stond tevoren niet vast, want: “aan het begin van het eerste millennium van de jaartelling was het Romeinse Rijk een borrelende ketel van religieuze concurrentie van de oude Romeinse staatsgodsdienst, het jodendom, het zoroastrisme, het mithraïsme, een potpourri van christelijke geloven en een veelheid aan lokale religies omvatte.” Die WEIRD-heid werd, zo betoogt Henrich, veroorzaakt door de regels rond het huwelijks- en familierecht van de winnende stroming. Hij noemt dit het Huwelijks- en Gezins-Programma van de kerk.

Hoe zag dit Programma eruit? Het: “verbood huwelijken met bloedverwanten. Deze verboden werden geleidelijk uitgebreid naar verre verwanten, tot neven en nichten.” Het: “verbood het huwelijk met aangetrouwde verwanten (…) Als je echtgenoot stierf, kon je niet met zijn broer, je zwager, trouwen. In de ogen van de kerk werd de broer van je man je echte broer (incest).” Het verbood: “huwelijken met niet-christenen tenzij ze bekeerd waren.” Het: “creëerde geestelijke verwantschap, via de instelling van peetouders.” Zo werd: “de adoptie van kinderen ontmoedigd. Moeders moesten voor hun eigen kinderen zorgen: als ze dat niet konden, zouden de kerk of peetouders voor hen zorgen.” Volgens het Programma was: “publieke instemming met het huwelijk door beide partners nodig.” Het: “moedigde nieuw getrouwden aan een eigen huishouden te beginnen.” Het programma: “moedigde het privé bezit van eigendom (land) en erfenis door een persoonlijk testament aan.”7 Deze maatregelen werden niet allemaal ineens ingevoerd en het mag dan met de ogen van nu niet erg spectaculair lijken. Toch maakte dit, zo betoogt Henrich, geleidelijk een einde aan de oude stam en familiebanden en stond daarmee aan de basis van die WEIRDe samenleving.

De reden waarom de kerk voor deze lijn koos is waarschijnlijk niet omdat ze de individuele vrijheid van de mens zo belangrijk vond. Het positieve dat de kerk zag, was dat deze keuze leidde tot een toename van middelen (grond en geld) en dus macht voor de kerk. Een van de bijzonderheden van het christelijk geloof in die tijd was, en daarmee komen we bij de weg naar de hemel, dat je die weg kon kopen. Kopen door al je bezittingen aan ‘de armen’ te geven. En de kerk was de vertegenwoordiger van ‘de armen’. Alleen is het lastig om iets te geven als het eigendom is van je gehele familie. Een individuele lijn sterft nogal eens uit, de kans dat dit met zo’n familielijn gebeurt is veel kleiner en wordt zelfs nihil als je, zoals bij de Romeinen gewoon, makkelijk een kind als je eigen kon adopteren. De maatregelen van het Huwelijks- en Gezins-Programma waren erop gericht om meer middelen en macht te verwerven door juist de basis onder de tribale en familiestructuur te breken. En succesvol was het: “Tegen 900 CE bezat de kerk ongeveer een derde van het cultuurland in West-Europa, inclusief Duitsland (35 procent) en Frankrijk (44 procent). Tijdens de protestantse reformatie in de 16e eeuw bezat de kerk de helft van Duitsland en tussen een kwart en een derde van Engeland.”8 De belangrijkste ‘nevenschade’ van deze keuze is dat mensen steeds meer zelf gingen nadenken. Hiermee zetten de kerk uiteindelijk de bijl aan de wortel van haar eigen bestaan want mensen gingen ook nadenken over hun geloof, hun relatie met god en de rol van de kerk. Was er wel een kerk en priester nodig voor die relatie met god? Nee, dachten zelfs priesters als Luther en timmerde zijn 95 stellingen op de deur van de Wittenbergse kerk en hij was niet de enige noch de eerste. De volgende interessante vraag die werd gesteld was of god wel nodig was en bestond? Nietzsche beantwoordde die vraag uiteindelijk door god dood te verklaren. Had de kerk dit in het eerste deel van het eerste millennium geweten, dan had ze wellicht een andere route gekozen. Maar zoals wel vaker hebben acties die op positief lijken onvoorziene negatieve gevolgen.

En met Luther zijn we bij de man die, volgens Francis Fukuyama aan het begin van het individualisme en het begrip identiteit staat of zoals hij het zelf schrijft: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.” Luther was, zo betoogt hij, “de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen.”9

En daarmee zijn we bij het moderne begrip identiteit. De Digitale Van Dale omschrijft identiteit met: “ 1. gelijkheid: je identiteit bewijzen; bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft; de identiteit van de dader is nog niet bekend. 2. eigen karakter van een persoon of groep: zijn identiteit proberen te bewaren.” In deze bespreking concentreren we ons op de tweede betekenis: het eigen karakter. De Vlaamse psycholoog Paul schetst in zijn boek Identiteit het jezelf ontdekken in relatie tot anderen als een: “verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeer10 Het gaat dus om de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Identiteit is, volgens Verhaeghe niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.”11

Die spiegel betekent dan het begrip ‘identiteit’: “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.’12 Je verhouden tot de buitenwereld was vroeger, zo betoogt Francis Fukuyama, een niet bestaande vraag: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.”13 Zo in de negentiende eeuw (in Engeland iets eerder) werd dat anders voor ‘Hans’. De wereld industrialiseerde in rap tempo, mensen trokken naar de stad en kwamen daar in contact met anderen die vaak ook nog eens een andere taal spraken. ‘Hans’ verhuisde naar het Roergebied en kwam mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.”14 Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Sinds de negentiende eeuw is er veel veranderd. Eerst de radio, vervolgens de televisie en sinds het einde van de vorige eeuw het internet, bieden steeds meer ‘vensters’ of ‘spiegelbeelden’ waartoe iemand zich moet verhouden en die dus een rol spelen bij het ontdekken wie je bent en dat vervolgens ook zijn. ‘Hans’ kreeg als antwoord: ‘je bent een Duitser’ en kreeg verhalen te horen over ‘grote Duitsers’ uit het verleden om het trots te maken. Nationalisme dus. Een antwoord dat nu ook nog wordt gegeven maar dat niet meer voldoende is. Want het zijn van ‘Duitser’, of in ons geval ‘Nederlander’ zegt niet over bijvoorbeeld je denken over de oorlog in Oekraïne. Tegenwoordig is er meer nodig en wordt het antwoord steeds individueler. En het zoeken naar antwoorden wordt lastig door de druk van sociale media waar mensen veelal een perfectere vorm van zichzelf laten zien. Een mooier beeld dan de werkelijkheid.

In hoofdlijnen zijn er in het denken over identiteit en vooral de politiek rond identiteit twee extreme stromingen. De eerste stroming werd hierboven al aangestipt: die stroming, de extreem nationalistische, ziet nationaliteit als belangrijkste kenmerk van je identiteit. Zolang nationaliteit blijkt uit je paspoort, is er niets aan de hand. Dat wordt anders als er wordt opgeroepen om trotst te zijn op de geschiedenis van een land. Als er mantra zoals: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’, worden gebruikt. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Als er vervolgens nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Dit denken legt mensen een identiteit op en blaast de geschiedenis van het land op tot mytische proporties. Die ‘trots op de geschiedenis’ en ‘trots op de cultuur’ hebben twee uitwerkingen. Ze binden en verdelen. Ze binden mensen die zich in het verhaal herkennen, die maken dat verhaal tot een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Ze verdelen omdat iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen.

De andere stroming hakt de mens in stukken waarbij ieder stuk bestaat uit twee uitersten en waarbij het ene uiterste meer macht heeft dan het andere: ‘man’ heeft meer macht dan ‘vrouw’, ‘wit’ meer dan ‘zwart’ en zo maar door. Of zoals Seada Nourhussen het stelt: “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Als sociologische theorie om machtsverschillen te verklaren is het al een gemarkeerde theorie, om je identiteit te bepalen is de theorie net zo uitsluitend als de extreem nationalistische. Ook dit denken legt je een identiteit op. Ze bepaalt jouw identiteit op basis van zaken waar je niets aan kunt doen. Of zoals de filosofie Susan Neiman het schrijft:”“Het begint met de zorg voor gemarginaliseerde personen en eindigt met het reduceren van elk tot het prisma van haar marginalisatie. Het idee van intersectionaliteit zou de nadruk hebben gelegd op de manier waarop we allemaal meer dan één identiteit hebben. In plaats daarvan leidde het de focus op die delen van identiteiten die het meest gemarginaliseerd zijn, en vermenigvuldigt ze tot een woud van trauma’s.” Deze manier van denken: “eist dat naties en volkeren hun criminele geschiedenis onder ogen zien. Daarbij komt vaak tot de conclusie dat de hele geschiedenis crimineel is.”15 De hele geschiedenis en dan vooral de hele Westerse geschiedenis. Als die hele geschiedenis crimineel is, dan kan er ook geen sprake zijn van vooruitgang. Dit terwijl vooral de geschiedenis van het Westen vooruitgang laat zien. En nee, dat maakt niet dat alles in het westen goed is. Dat iemand met een donkere huidskleur vaker uit de rij wordt gepikt bij het vliegveld of staande wordt gehouden door de politie is niet goed te praten. Het is echter een hele vooruitgang in vergelijking met de situatie van voor de afschaffing van de slavernij. Ook deze manier van denken over identiteit bindt en verdeelt. Ze bindt mensen op de kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,”aldus Nourhussen. Maar dan moet je wel op dezelfde kruispunten uit kunnen komen. Dat ontmoeten wordt lastig als er, zoals Nourhussen schrijft: “In de ballroom culture in New York,” mooie dingen gebeuren: “waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”16 Wat is er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn? Eilanden waar niet iedereen kan komen.

Voor dergelijke zware en voor een deel op leugens gebaseerde opvattingen over identiteit moeten we uitkijken. Toch kunnen we, volgens de filosoof Kwame Anthony Appiah, niet geheel zonder leugens als het over identiteit gaat: “we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.”17 Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur? En ook op de kruispunten van Nourhussen verschillen de daar bivakkerende mensen op vele manieren van elkaar.

Terugblikkend op ons verleden valt op dat identiteit steeds zwaarder wordt gemaakt en beleefd. Dat zorgt ervoor dat we steeds meer tegenover elkaar komen te staan. Om samen te leven in een gebied, moeten mensen iets hebben dat hen bind. Er moet enige eenheid in de groep zijn. Volgens Fukuyama kan dat op vier manieren. Als eerste: “verplaatsing van bevolkingsgroepen over over politieke grenzen van een bepaald land.” Dat kan worden bereikt via: “kolonisten naar nieuwe gebieden te sturen, door mensen die in een bepaald gebied wonen met geweld te verdrijven,” en, “door ze domweg om te brengen.”18 Nieuwe gebieden, in zijn geval de planeet Mars, is de manier die Musk najaagt. Op Aarde zijn er, afgezien van Antarctica geen ‘nieuwe gebieden.’ Verdrijven en vermoorden is de manier waarop Israël werkt aan ‘eenheid’. Dit is ook de manier onder het denken van de PVV. De tweede manier die Fukayama onderscheidt is: “om grenzen zodanig aan te passen dat ze overeenkomen met bestaande taalkundige of culturele bevolkingsgroepen,”19 Dit lijkt mij, behalve als we programmapunt 2 van van Rug op ‘81 van de Tegenpartij van Jacobse en Van Es, gespeeld door respectievelijk Kees van Kooten en Wim de Bie willen uitvoeren, niet uitvoerbaar. Zij verdelen Nederland onder gebieden (thuislanden) voor groepen met een specifieke afkomst. En dan geldt het zoals Jacobse betoogt: “het oud geborduurd spreekwoord,” een spreekwoord dat zegt: “het buitenland leg naast de deur,”20 en krijgen we een, “multiradiale samenleving.” De derde manier om iets van een ‘samen’ te creëren, zo betoogt Fukuyama: “is om minderheidsgroepen op te nemen in de cultuur van een bestaande etnische of taalkundige groep.” Met andere woorden: “culturele en biologische assimilatie.” Dit is in de geschiedenis al vaak en met succes gedaan. En, als niet een van de eerste twee manieren dominant wordt, dan is dit iets wat vanzelf gaat gebeuren. Als laatste noemt Fukuyama: “het omvormen van de nationale identiteit zodat die beter aansluit op de bestaande kenmerken van de samenleving.”21

Die laatste manier sluit aan bij hetgeen Appiah adviseert. Dat is je: “identiteit licht (te) dragen.” Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’. En ja, ook op de Nourhussens kruispunten gebeurt iets bijzonders. De intersectionele theorie beoogt verschillen in macht te verklaren. Als ze wordt gebruikt om de identiteit van levende mensen te beschrijven, dan wordt ze zwaar. Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”22

Van de vier manieren die Fukuyama beschrijft, zijn de laatste twee het meest interessant om te bewandelen. De derde manier, de culturele en biologische assimilatie ontstaat vanzelf. Culturen veranderen door veranderende omstandigheden. Dat kost even tijd en soms wat ellende maar het gebeurt vanzelf. Maar kan worden versneld door er actief op te sturen. Dat kan door, zoals in Frankrijk in de negentiende eeuw gebeurde, één cultuur als ideaal te kiezen en de overige culturen ernaartoe te laten groeien. Dat kan ook door de Fukuyama’s vierde manier te kiezen en een nieuw ‘samen’ te formuleren dat aansluit bij de huidige samenleving op een manier die Appiah voorstelt. Daarbij kan, zo betoogt David Pilgrim in zijn boek Identity Politics. Were did It All Go Wrong, de deliberatieve democratie een goede manier zijn om dat doel te bereiken: “directe participatie, geen passieve overdracht van bevoegdheden aan onze gekozen vertegenwoordigers.” Maar, zo concludeert hij: “Vandaag de dag zijn we mijlenver verwijderd van deze visie van dagelijks samenleven en samen beslissen. … Dit betekent dat we onze inspanningen moeten verdubbelen om de strategische ambities van een echte deliberatieve democratie te verwezenlijken.”23

Afsluitend. Deze Prikker schets de ontwikkeling in wat Henrich het WEIRD deel van deel van de wereld noemt: grofweg West-Europa, de VS, Canada, Nieuw-Zeeland en Australië. De rest van de wereld heeft een andere geschiedenis. In het WEIRDe deel is het individualisme zover gevorderd, dat het individu nu op zoek is naar een groep om bij te horen. Zover gevorderd datzorgen voor een ander is beperkt tot een hele kleine kringen die soms alleen maar uit het individu bestaat. In het niet WEIRDe deel is dat anders. Migratie heeft ervoor gezorgd dat niet-WEIRD in WEIRD gebied woont en dat kan tot onbegrip leiden.

1Hanno Sauer, Moraal. Goed en kwaad van prehistorie tot polarisatie, pagina 9

2Idem, pagina 28-29

3Idem, pagina 66

4Joseph Henrich, The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous, pagina xiii

5Idem, pagina 162-163

6Idem, pagina 409.

7Idem, pagina 165-166.

8Idem, pagina 185.

9Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 48

10Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

11Idem, pagina 15

12Idem, pagina 19

13Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89

14Idem, pagina 89

15Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 5. Eigen vertaling.

16https://www.oneworld.nl/mensenrechten/kruispunten/

17https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/filosoof-kwame-anthony-appiah-bijt-je-niet-vast-in-identiteit~ba425159/?referrer=https%3A%2F%2Fballonnendoorprikker.nl%2F

18Francis Fukuyama, Identiteit. waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 179

19Idem, pagina 180

20https://www.youtube.com/watch?v=K0lg9KchCqQ

21Francis Fukuyama, Identiteit. waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 180

22https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/filosoof-kwame-anthony-appiah-bijt-je-niet-vast-in-identiteit~ba425159/?referrer=https%3A%2F%2Fballonnendoorprikker.nl%2F

23David Pilgrim, Identity Politics. Were did It All Go Wrong, pagina 211-212