Keuzes na corona

‘Never waste a good crisis’. Een uitspraak die wordt toegekend aan Winston Churchill maar of hij deze of een soortgelijke uitspraak werkelijk heeft gedaan, daar woeden flinke discussies over. Ook wordt er in tijden van crisis vaak verwezen naar het Chinese teken voor crisis, dat zou bestaan uit twee delen. Een deel ‘gevaar’ en het tweede deel ‘kans’. Een, naar het schijnt want ik ben geen kenner van het Chinees, opvatting die berust op een verkeerde interpretatie. Dat een crisis kansen biedt, staat buiten kijf. Kansen om je ten koste van anderen te verrijken door de prijs van bijvoorbeeld mondkapjes fors te verhogen. Maar ook kansen om zaken die onaantastbaar lijken, te veranderen. In een recente Prikker citeerde ik Piketty die ervoor pleitte om belangrijke gebeurtenissen in het verleden te zien als momenten waarop het verschillende kanten op kon gaan. Ik sloot die Prikker af met de woorden: “Een goed idee om Piketty’s advies ter harte te nemen en actief te zoeken naar die meerdere wegen.” Laat ik eens een begin maken met dat actief zoeken.

Op dit moment zoeken onderzoekers met man, macht en waarschijnlijk ook muis naar een geneesmiddel en een vaccin tegen ‘corona’ of beter gezegd covid-19. Om dat te bespoedigen delen ze direct alle informatie die ze verzamelen en alle ideeën die ze hebben. Door zo samen te werken borduren ze voort op elkaars werk, ideeën en hypotheses. Dat voortborduren vergroot de kans dat het medicijn of het vaccin worden gevonden. 

Als we kijken naar de technologische ontwikkeling van de mens, dan is dat niets nieuws. Ooit vond een mens of mensachtige uit dat je met scherpe stenen kon snijden. Daarop borduurde een andere voort door er een steel aan te bevestigen en de bijl was geboren. Weer een ander bevestigde een kleinere variant van zo’n scherpe steen op een lange stok en de speer was geboren. Via het wiel, het bewerken van brons en ijzer en de molen vond James Watt de stoommachine uit. Dat laatste is wat de ‘volksmond’ ons wil doen geloven. Watt borduurde voort op een eerdere versie van Thomas Newcomen. Rudolf Diesel borduurde voort en vond de verbrandingsmotor uit. Zo kunnen we doorgaan en komen we ook bij ons huidige ‘onmisbare’ mobieltje. Zonder die ‘snijdende steen’ van de onbekende uitvinder, was dat mobieltje er wellicht nooit geweest. Al die stapjes hebben ons gebracht waar we nu staan. 

De uitvinder van de ‘snijdende steen’ had, samen met zijn clan, tijdelijk een voordeel op de andere clans die nog niet wisten welke steensoort ze moesten gebruiken. Zo was het steeds met nieuwe uitvindingen. De uitvinders van het bronzen zwaard stonden even bovenaan. Totdat anderen ook over bronzen zwaarden beschikten. Die hadden vervolgens allemaal het nakijken toen iemand het ijzeren zwaard uitvond. In de periode dat je de ‘enige’ bent die bepaalde kennis heeft, heb je een voordeel op alle anderen. Tegenwoordig kun je dat voordeel in patenten laten vastleggen. Dat patent geeft jou het exclusieve recht tot het maken of verkopen van het product. Zolang het patent loopt, geniet jij als patenthouder dat voordeel en kun je eraan verdienen. Dat verdienen wordt gerechtvaardigd met het argument dat dit de beloning is voor de uitvinder zijn investering en zijn harde werk. Zonder die bescherming zou een ander het na kunnen maken en produceren zonder de flinke investeringen die het jou heeft gekost. Op wereldschaal verwijten de Verenigde Staten, bij monde van president Trump, dat China dit doet. China kopieert en produceert en dat gaat ten koste van de ‘uitvindende Amerikanen’. Dat lijkt logisch maar is het wel zo logisch?

Zoals ik hierboven al schreef, werken wetenschapper nu met man en macht aan een vaccin en een medicijn. Hierboven schreef ik ook nog ‘met muis’ waarbij ‘muis’ staat voor eventuele dieren waarop kansrijke stoffen worden getest. Dat doen zij door kennis te delen. Uiteindelijk is er één de gelukkige uitvinder van het vaccin. Die zal de boeken in gaan als de nieuwe Alexander Fleming, de uitvinder van de penicilline. De Nobelprijs voor de geneeskunde zal zijn of haar deel zijn. Het bedrijf waarvoor de persoon werkt, zal zich kunnen verheugen op flinke omzet en winst. Werkt de persoon voor een universiteit, dan zal er vast een bedrijf klaar staan met een lonkende zak geld in ruil voor de kennis en vooral het patent. Het voorbeeld werd deze week al gegeven toen bekend werd dat de Amerikaanse president Trump probeerde de exclusieve rechten op een mogelijk vaccin tegen het virus van een Duits bedrijf te kopen. Het cashen kan beginnen. ‘The winner takes it all’, zoals ABBA, niet mijn soort muziek maar dat zullen mijn vaste lezers vast al wel weten, al zong. En dat past precies bij onze meritocratische samenleving. Een samenleving waar iedereen wordt beoordeeld op zijn verdienste.

Maar borduurt de ‘winner’ niet voort op de uitvindingen van zijn voorgangers? Zij of hij voegt iets toe aan het werk van vele voorgangers. En niet alleen aan het werk van de ‘winnaars’ onder die voorgangers. Ook al die wetenschappers en onderzoekers die, naar straks zal blijken, het ‘dode spoor’ op weg naar het vaccin onderzoeken. Ook die leveren een flinke bijdrage. Wat het ‘winnende spoor’ is, weet vooraf immers niemand. De investeringen in een ‘dood spoor’ zijn net zo hoog en misschien nog wel hoger dan in het ‘winnende spoor’. Alleen levert het aan het einde van de rit geen rendement op . ‘The loser’s standing small. Beside the victory. That’s her destiny.’  Zo vervolgt ABBA. Biedt covid-19 niet een uitgelezen kans om die ‘destiny’ eens te herzien? 

Dat kan door het systeem van patenten af te schaffen. Patenten belemmeren de technologische ontwikkelingen. Hoe? Laten we weer even dat vaccin nemen dat de winnaar ontwikkelt. Wellicht is dat door een uitvinding van een dood spoor te gebruiken wel veel efficiënter, sneller en goedkoper te produceren. Het patent van de ‘winnaar’ voorkomt dat de ‘verliezer’ verder kan experimenten met de vinding van de winnaar. Dat ‘recht’ komt alleen de winnaar toe. De ‘verliezer’ kan er alleen mee verder werken als er een flink bedrag aan de winnaar wordt betaald. Zonder patent kan iedereen met de nieuwe vinding aan de slag.

‘Maar wie betaalt dan al dat onderzoek naar nieuwe medicijnen’? Een goede vraag. Wie betaalt het nu? Nu wordt het betaald door de uiteindelijke gebruikers van het product maar vooral via de verzekeringspremie en de belastingen die wij betalen. En een flink deel van die premie en belastingcenten vloeit in de vorm van ‘winst’ in de zakken van de farmaceutische bedrijven. In mijn ‘nieuwe wereld’ zijn wij het die nog steeds dat onderzoek betalen. Dat doen we via onze belastingen en een kleine opslag op het medicijn of vaccin. Die opslag verdwijnt in een onderzoeksfonds net als een deel van de door ons betaalde premie. Uit dat onderzoeksfonds bekostigen we al het medische onderzoek. Daaruit betalen we de winnaar en de verliezers allemaal hetzelfde.

Wellicht vraag je je nu af: ‘En die farmaceutische industrie dan?’ Die worden gewoon ‘pillendraaiers’ en voor dat ‘pillen draaien’ krijgen ze een vergoeding die hun kosten dekt en hen een kleine winst bezorgt. Hoe we dat doen? Dat doen we door de diverse ‘pillendraaiers’ te vragen een offerte op te stellen voor de productie van het medicijn of vaccin. De opdracht gunnen we vervolgens aan de goedkoopste ‘draaier’ en we betalen hem de prijs die de op een na laagste ‘draaier’ offreerde. 

‘Events dear boy, events’

“Events dear boy, events.” Aan die uitspraak van Harold Macmillan,  premier van Groot Brittannië tussen 1957 en 1963, moest ik denken na het lezen van een artikel van politicoloog en bestuurskundige Frank Jansen op de site Opiniez. Macmillan gaf dit antwoord aan een journalist die hem vroeg waardoor zijn regering de meeste kans maakte om te ontsporen. ‘Events’, onverwachte gebeurtenissen die het leven onvoorspelbaar maken. Je kunt er veel geld mee verdienen en zelfs een carrière als schrijver en ‘goeroe’ op bouwen. Zo laat Nassim Nicholas Taleb zien met zijn boeken De Zwarte Zwaan en Antifragiel.  

In zijn artikel betoogt Jansen dat de kiezer bij nieuwe politieke onderwerpen buitenspel staat. Zaken die niet in verkiezingsprogramma’s staan en waar toch ‘ineens’ een besluit over wordt genomen. Als voorbeelden noemt hij de poging om de dividendbelasting af te schaffen en het wellicht komende landelijke vuurwerkverbod. Het eerste stond in geen enkel verkiezingsprogramma en het tweede bij maar een paar partijen: “Gezamenlijk hebben ze 25 van de 150 zetels in de Tweede Kamer, bij lange na geen meerderheid.”  Dat kan niet volgens Jansen: “De kiezer wordt zo compleet buitenspel gezet door de politiek, waarmee de ondermijning van de democratie een feit is. Deze fout in ons democratisch systeem moet dan ook snel worden rechtgezet.” 

Een referendum is volgens Jansen het enige geschikte instrument om over zaken die niet in de programma’s staan, toch een besluit te nemen. Maar dat kennen we in Nederland niet. Daarom, zo betoogt Jansen: “vind ik het zowel vanuit democratisch als moreel oogpunt niet in orde als het parlement deze onderwerpen in dezelfde kabinetsperiode toch behandelt. De politieke besluitvorming over deze onderwerpen zou dan wat mij betreft moeten worden uitgesteld tot de volgende verkiezingen. Als de behandeling toch plaatsvindt in dezelfde kabinetsperiode, dan hebben we te maken met machtsmisbruik, dat ook nog eens de facto wordt gelegitimeerd. Het vuurwerkverbod en het klimaatbeleid dienen hierbij als afschrikwekkende voorbeelden.” 

Nu is het maar de vraag of de drie voorbeelden die Jansen noemt, uit de lucht komen vallen. Neem het komende vuurwerkverbod. De maatschappelijke discussie over een verbod wordt al jaren gevoerd. Waarbij het vuurwerk steeds meer in de ‘maatschappelijke verdrukking’ kwam. Het plan van premier Rutte om de dividendbelasting af te schaffen mag dan uit de lucht zijn komen vallen, dat laat onverlet dat het tarief door de jaren heen een dalende trend vertoont. En inderdaad, het klimaatbeleid zoals het er nu ligt, stond in geen enkel verkiezingsprogramma. Het klimaat nam echter in bijna alle programma’s een belangrijke plek in.

Jansen gaat, net als de politieke partijen, uit van een ‘planbare wereld’. Een wereld waarin we onze ervaringen uit het recente verleden gebruiken en die in een vlaag van optimisme of al naar gelang de levensopvatting pessimisme, door trekken naar de toekomst. Om een metafoor die Taleb in De Zwarte Zwaan gebruikt te spreken, bekijkt Jansen de wereld door de ogen van de kalkoen voor Thanksgiving (pagina 53): “De vogel zal er elke keer dat hij voer krijgt vaster van overtuigd raken dat het de algemene regel is dat hij iedere dag gevoerd wordt door vriendelijke leden van de menselijke soort die, zoals een politicus zou zeggen, ‘opkomen voor zijn belangen’. Op woensdagmiddag voor Thanksgiving zal er echter iets onverwachts gebeuren met die kalkoen waardoor zijn overtuiging ruw onderuit wordt gehaald.” Dat onverwachte is het slagersmes dat een einde maakt aan het leven van de kalkoen.

Als je de geschiedenisboeken bestudeert, dan zie je dat die vol staan met ‘bijzondere gebeurtenissen’. Gebeurtenissen van natuurlijke aard zoals aardbevingen, grote stormen enzovoorts en vooral gebeurtenissen van ‘menselijke makelij’. Je zult ook zien dat de schrijvers van die boeken van die gebeurtenissen van ‘menselijke makelij’ een ‘logisch’ verhaal maken waardoor het lijkt of het zo wel moest gaan. Maar, zoals de titel van een al wat oudere Prikker luidt: Het leven wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard.Daarmee bedoel ik dat op het moment zelf dat ‘logische verhaal’ ontbrak. Aan dat verbanden leggen maak ook ik mij ‘schuldig’. De verhalen moeten worden gezien als een poging tot een verklaring, niet als een exacte weergave van het gebeurde. Er zijn trouwens ook auteurs die hetzelfde doen met stormen en aardbevingen. Dat zijn vooral religieus gemotiveerde auteurs. Die maken er een ‘straf van god’ van. 

Als we Jansen volgen, dan kan de regering niet omgaan met dergelijke gebeurtenissen. Die stonden immers niet in de verkiezingsprogramma’s. Sterker nog, ook redelijk voorspelbare gebeurtenissen zoals een economische crisis, staan niet in die programma’s. De regering zou de gevolgen van de economische crisis van 2007-2008, pas na de verkiezingen van 2010 hebben kunnen beperken. Regeren is, als we Jansen volgen, het uitvoeren van een plan en alles wat niet in het plan staat, dat wordt vooruitgeschoven. Zou politicoloog en bestuurskundige Jansen niet weten dat de volksvertegenwoordiging is gekozen namens het volk besluiten te nemen in zaken die zich aandienen, ook ‘ongeplande’ zaken?

Zouden die ‘verkiezingsprogramma’s en ook ‘regeerakkoorden’ niet veel minder belangrijk moeten zijn? Veel minder belangrijk dan de levensvisie en de daarbij horende waarden van de politicus en de politieke partijen? Dan nog treden de ‘events’ van Wilson op. Alleen weten we dan op basis van welke visie en normen politici handelen zo als ze handelen. Dat zou de ‘fout in ons democratisch systeem’ die Jansen signaleert wegwerken. Sterker nog, dan zouden we kunnen concluderen dat er niets mis is met het democratische systeem. Wat Jansen signaleert is immers geen systeemfout, maar een fout in de uitvoering.

Logica van de koude grond

“Je zou verwachten dat als een van de grootste nettobetalende leden van een vereniging vertrekt, de contributie aan het bestaande budget ook omlaag gaat.” Een zin uit een schrijven van Derk Jan Eppink op de site van Forum voor Democratie. De vereniging waarover Eppink schrijft is de Europese Unie en het nettobetalende lid dat vertrekt is Groot Brittannië. Ik moest toch even achter mij oren krabbelen toen ik dit las. Het vertrek van een lid moet ertoe leiden dat de contributie voor de andere leden omlaag gaat. Hoe zou de penningmeester van een amateurvoetbalclub dit zien?

De club heeft een aantal velden, kleedlokalen en een kantine die moeten worden onderhouden. Wellicht moet er nog een lening op die gebouwen worden afgelost. Ze moet betalen voor gas, water en licht, maar ook voor ballen en andere materialen. Dit alles wordt betaald uit de contributie die de leden betalen. Zouden die kosten dalen en dus de contributie kunnen worden verlaagd als er een lid vertrekt? Ik vrees eerder dat het omgekeerde het geval is. 

Nu is de Europese Unie een bijzondere vereniging. Zij probeert iedereen, ieder land en iedere streek binnen haar vereniging ‘op te stoten in de vaart der volkeren’ om het zo te noemen. De totale uitgaven voor dat ‘opstoten’, moeten worden betaald door alle leden. Dat gebeurt, door ieder land te laten bijdragen. Het ene gebied, Nederland bijvoorbeeld, is al verder ‘opgestoten’ dan het andere, bijvoorbeeld Roemenië. Dit betekent dat de Unie meer investeert in Roemenië dan in Nederland. Roemenië krijgt dan meer geld dan het bijdraagt en Nederland minder. Nederland is, zoals dat wordt genoemd, een ‘netto-betaler’, Roemenië een ‘netto-ontvanger’. Groot-Brittannië was ook zo’n ‘netto-betaler’ en die verlaat de club. Daarmee vervallen alle ‘investeringen’ van de Unie in Groot-Brittannië en ook de bijdrage van de Britten aan de Unie. Omdat de Britten een ‘netto-betaler’ zijn, ontstaat er een gat in de begroting van de Europese Unie. De vraag die Eppink helemaal buiten beschouwing laat, is de vraag achter het ‘netto-betalerschap’ Als ‘opstoten in de vaart der volkeren’ het doel is van de Unie, moeten we in Nederland dan niet blij zijn dat we ‘netto-betaler’ zijn? Dat betekent immers dat we het verst zijn ‘opgestoten’. 

Zou dat gat opgevuld kunnen worden door een verlaging van de contributie  voor de overige leden? Zoals iedere penningmeester van een vereniging weet, is het erg lastig om een tekort te dekken door de inkomsten te verlagen. Het enige wat er dan gebeurt is dat het tekort verder oploopt.

Het gat kan op drie manieren worden gedicht. Als eerste door in de uitgaven te snijden en de inkomsten gelijk te houden. Een eenvoudige en pijnloze manier van ‘snijden’ heeft de Unie al laten liggen. Namelijk het snijden in parlementsleden. De ‘stoeltjes’ die de Britten verlaten, worden verdeeld over de andere landen. Eppinks partij profiteert hiervan, ze krijgen er een stoeltje bij. Ware het niet dat die toevalt aan een aanhanger van ‘ketter’ Otten. Hierover heb ik geen partij gehoord. Snijden betekent dat er minder ‘opgestoten kan worden in de vaart der volkeren’. Als je dat rechtvaardig wilt doen dan snijd je in steun aan gebieden die het verst zijn ‘opgestoten’, bijvoorbeeld Nederland en ontzie je gebieden, zoals Roemenië die nog wel wat ‘opstoting’ kunnen gebruiken. Gevolg hiervan zal zijn dat de ‘netto-betalers’ nog grotere ‘netto-betalers’ zullen worden. De uitgaven aan de Unie blijven immers gelijk en de inkomsten uit de Unie dalen. De Roemenen zullen er niets van merken. Hun inkomsten en uitgaven blijven gelijk. 

De tweede manier om het gat te dichten is door, bij gelijkblijvende uitgaven, de inkomsten te verhogen. Ieder land betaalt dan meer contributie bij gelijkblijvende bijdragen uit de Unie. Nederland wordt ook dan een grotere ‘netto-betaler’. Roemenië betaalt meer contributie bij gelijkblijvende inkomsten uit de Unie. De pijn wordt op deze manier verdeeld over alle leden. De derde manier om uitgaven en inkomsten weer in evenwicht te brengen, is een combinatie van de eerste twee manieren. Ook in dat geval zal ‘netto-betaler’ Nederland meer gaan bijdragen. Welke variant het meest eerlijk en rechtvaardig is, laat ik graag aan anderen over. Helder mag zijn dat Nederland in alle drie de scenario’s meer moet betalen. Hoeveel meer, geen idee. 

Laten we blij zijn dat Eppink geen ‘penningmeester’ is. Wat meer zorgen baart, is dat dergelijke ‘logica van de koude grond’ er bij het Forum voor Democratie in lijkt te gaan als gods woord in een ouderling. 

Anarchisme als unique selling point

Ik had er nog niet van gehoord, maar dat kan, ik weet het wel zeker, aan mij liggen. De ‘swapfiets’. Nu las ik twee artikelen over dit fenomeen. In de Volkskrant kwam de ‘swapfiets’ voor in een artikel van Doortje Smitshuijsen met als titel “Hoe flexibele diensten ons een illusie van vrijheid voorschotelen.” Even later kwam ik het ‘geval’ ook tegen bij Vrij Nederland. Kelli van der Waals schrijft over de ‘leasefiets’ en noemt het consumentisme ten top. Voor een bedrag van € 16,50 per maand mag je een robuuste omafiets gebruiken. Als de fiets kapot is, bijvoorbeeld een lekke band, dan komt iemand die fiets maken of omruilen. Ik moest denken aan Provo.

Provo was een anarchistische protestbeweging die twee jaar heeft bestaan en die werd opgericht in 1965. In haar beginselverklaring stond de volgende zin: “Provo ziet zich voor de keus gesteld: desperaat verzet of lijdzame ondergang. Provo roept op tot verzet waar het kan. Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij nog eenmaal hartgrondig te provoceren, wil het zich niet laten ontgaan.” Een van de ideeën van de groep was het ‘witte fietsenplan’. Die in collectief eigendom zijnde ‘witte fietsen’ zouden zonder slot in de stad worden geplaatst en iedereen zou ze gratis kunnen gebruiken. Je gebruikt je ‘witte fiets’ om van A naar B te gaan en laat de fiets achter bij B. Iemand anders pakt de fiets weer en rijdt ermee naar C. 

Ik moest hieraan denken omdat de ‘Swapfiets’ een verre ‘nakomeling’ is van de ‘witte fiets’ en dat op meerdere manieren. Zowel de ‘witte’ als de ‘swapfiets’ gaan alleen uit van ‘gebruik’. Kijk zo’n collectieve ‘witte fiets’ die je gratis kunt gebruiken, is natuurlijk fantastisch. Totdat ze allemaal kapot zijn. Want wie plakt de band of legt de ketting er weer op? Dat is bij de ‘swapfiets’ beter geregeld. De fiets is eigendom van ‘swapfiets’ dat voor de reparatie zorgt. Maar ja, dat plakken kost je dan wel een aardig bedrag per maand. Bovendien is die ‘swapfiets’ alleen door de huurder ervan te gebruiken. 

Nu ik het toch over dat bedrag per maand heb. De gebruikers van de ‘Swapfiets’ lijken mij niet al te best in rekenen. € 16,50 per maand is € 198 per jaar. Voor dat bedrag kun je ook eigenaar zijn van die ‘robuuste omafiets’. De dertiende maand en verder kun je dan reserveren voor het eens per jaar door een fietsenmaker laten onderhouden van je ‘stalenros’. Dat kost je tussen de € 35 en € 75 per jaar en verlengt de levensduur van je fietsje. Dat lijkt mij veel goedkoper. Dat stelt het filmpje op de site van Swapfiets, waarin wordt beweerd dat de gewone fietsenmaker behoorlijk ‘overpriced’ is, in een heel ander daglicht. ‘Swapfiets’ lijkt daarmee een prachtig modern bedrijfsconcept. Modern in die zin dat het zich overmatig laat betalen voor mooie praatjes op een ‘kekke’ website en dito app.

Daarmee kom ik op een andere manier waarop de ‘swapfiets’ een verre nakomeling is van de ‘witte fiets’. De ‘witte fiets’ werd en de ‘swapfiets’ wordt aangeprezen als vrijheid.  ‘Swapfiets’ past hiermee in het rijtje Apple, Google, Facebook, Uber etc die naar eigen zeggen, ‘desperaat verzet’ plegen tegen de ‘maatschappelijke orde’. Net als Provo van zichzelf beweerde. Maar daar waar bij Provo het ‘provoceren’ van bestaande orde voorop stond, staat bij deze verre opvolgers het worden van de ‘nieuwe orde’ voorop. Een ‘nieuwe orde’ waarin geld en vooral bovenmatige winst centraal staat. Toch knap van deze op geld en macht beluste bedrijven om van ‘anarchisme’ hun ‘unique selling point’ te maken.

Brecht, Maslow en een (basis)gift

“De vraag is hoe we de kwetsbare flexibele werknemers en zzp’ers zo goed mogelijk kunnen beschermen tegen onderbetaling, uitbuiting, ongunstige arbeidsomstandigheden en bestaansonzekerheid. En of we de ver doorgevoerde flexibele arbeidsmarkt wel in stand willen houden.” Die vraag stellen Marc Kuipers (Inspecteur Generaal van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Justine Ruitenberg (afdelingshoofd bij de afdeling Programmering, signalering en onderzoek bij de Inspectie SZW) op de site Sociale Vraagstukken. Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het kabinet neemt met de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans op 1 januari 2020 een stap richting beteugeling van de flexibiliteit.” Zou dit werkelijk de vraag oplossen? Of zouden we hét antwoord in een heel andere richting moeten zoeken?

Bron: Pixabay

Ik stel die vraag omdat dit de zoveelste wet is die deze vraag probeert te beantwoorden en tot nu toe bleek geen van de voorgangers hét antwoord. Hoe de nieuwe wet wel hét antwoord wil zijn? “De wet is er onder meer op gericht om de afdracht van sociale premies hoger te maken voor flexibele arbeidscontracten dan voor vaste werknemers. Hiermee wordt een basis gelegd om flexibel werk te ontmoedigen. Dat sluit uiteindelijk ook aan bij de wensen van flexibele werknemers die immers best een vast contract, en dus meer zekerheid, willen.” Maar daarmee zijn we er volgens de auteurs nog niet: “Hiernaast is harmonisering van de Europese arbeidswetgeving nodig om verschillende escaperoutes te voorkomen. En een volgende stap is dat sociale partners, kennisinstituten, beleidsmakers en toezichthouders zich buigen over de vraag: moet arbeid wel in zoveel verschillende contractvormen mogelijk zijn?”  Het lijkt mij, dat ook deze wet dus nog niet hét antwoord is.

In hun artikel schetsen de beide auteurs het probleem: “De Nederlandse economie draait goed. De werkloosheid zit op of onder full employment niveau. Maar de lonen stijgen minder dan verwacht en het aantal flexibele arbeidsrelaties en zzp’ers is de laatste decennia sterk gegroeid. Dat is contra-intuïtief. Je zou verwachten dat werkgevers in tijden van krapte werknemers aan zich willen binden met extra loon en gunstige arbeidscontracten.” Volgens de auteurs zijn er mechanismen die: “de relatief lage lonen, de flexibele arbeidsrelatie en oneerlijk werk,” in stand houden. 

Zo houdt prijsconcurrentie de lonen laag en de arbeidsrelatie onzeker: “De vele juridische arbeidsvormen in Nederland, zoals payrolling, oproepcontracten, nul-urencontracten en uitzendwerk, maken besparingen op het loon mogelijk.”  Iets wat nog wordt versterkt door het verschijnsel ‘schijnzelfstandigheid.

Dan zijn er mazen in de wet die het mogelijk maken om de geldende CAO’s te ontwijken: “Het komt voor dat nieuwe bv’s worden opgezet in een andere CAO om duurdere CAO’s te vermijden. Ook is het voor uitzendbureaus die met veel arbeidsmigranten werken, aantrekkelijk om een buitenlandse vestiging te openen, zodat bijvoorbeeld Bulgaren en Roemenen in Nederland kunnen werken tegen de lagere sociale premies van hun eigen land.”

Een derde mechanisme is het ontstaan van de platformeconomie: “hier gebruikt men constructies – de relatie wordt beschreven als ad hoc of niet structureel – om vaste contracten te omzeilen. Medewerkers werken vaak als zzp’er en hebben geen goed geregelde arbeidsvoorwaarden.”

Als laatste zijn er arbeidsmigranten: “die bereid zijn hetzelfde werk onder slechtere omstandigheden en voor minder geld uit te voeren.” 

De oplossing die door de beide auteurs, en getuige de nieuwe wet ook door onze regering en het grootste deel van onze volksvertegenwoordigers wordt aangehangen, is het ontmoedigen van flexibele – en het proberen te stimuleren van vaste arbeidscontracten. Zeker omdat uit onderzoek blijkt dat: “tachtig à negentig procent van de flexibele werknemers een vast contract uiteindelijk (heel) belangrijk.” En als dat belangrijk wordt gevonden  dan moeten we daar wat aan doen. Daar kan ik me in vinden. 

Een eerste stap is dan de analyse van het probleem. Mensen vinden, zo blijkt dus uit onderzoek, een vast contract belangrijk. Nu moet ik bij zo’n gegeven altijd denken aan een uitspraak die wordt toegeschreven aan Henry Ford maar die hij waarschijnlijk nooit heeft gedaan: ‘If I had asked people what they wanted, they would have said faster horses’. Die zin drukt precies mijn gedachten bij dergelijke onderzoeksresultaten uit. Inderdaad zou niemand in het midden van de negentiende eeuw ‘een auto’ hebben geantwoord op de vraag wat er nodig was om sneller van A naar B te komen. Een auto bestond nog niet en was, wellicht op Jules Verne en een enkele uitzondering na, niet voorstelbaar. Mensen denken immers vooral binnen voor hen bekende en voorstelbare kaders. Als je het gros van de mensen met een flex-contract vraagt naar hun arbeidswensen voor de toekomst, dan zullen die antwoorden: doe mij maar een vast contract. Dus logisch dat de beide auteurs denken: we moeten werken aan vaste contracten. 

Maar toch. Stel ze de vraag waarom wil je dat vaste contract? Dan zullen ze antwoorden dat hen dit zekerheid geeft. Zekerheid van waaruit ze aan hun toekomst kunnen werken: ‘huisje boompje, beestje.’ Een ‘vast contract biedt die zekerheid. Of toch niet? Vaste contracten worden geregeld door werkgevers beëindigd. Faillissement, economische omstandigheden, onwerkbare arbeidsverhoudingen, niet functioneren, het kan allemaal leiden tot ontslag. Die nieuwe Wet arbeidsmarkt in balans moet werkgevers verleiden tot het bieden van een vast contract. Maar hoe ‘zeker’ is dat vaste werk? Dat verleiden gaat immers gepaard met het versoepelen van het ontslagrecht. Trouwens ook van de zijde van de werknemer worden de vaste contracten opgezegd. Een ‘nieuwe uitdaging’ of een ‘verbetering in de arbeidsvoorwaarden’ en weg is de vaste medewerker. En, zoals alle eerdere wetten al duidelijk maakten, is de werkelijkheid hardnekkiger dan de ‘theoretische beschouwingen’ die aan de wet ten grondslag liggen.

Bron: Wikipedia

Zekerheid geeft een mens de ruimte. Ruimte om zich te ontwikkelen. Ruimte om risico’s te nemen en zich met het onzekere bezig te houden. Dat bedoelde de Duitse schrijver Bertolt Brecht met de de beroemde woorden: “Erst kommt dass Fressen, dann kommt die Moral,” in het toneelstuk Dreigroschenoper. Dat is ook de theorie achter de piramide van Maslow. Veiligheid en zekerheid vormen in het denken van Maslow de tweede soort behoeften voor een mens. Dit nadat aan de lichamelijke behoefte, (eten, drinken, slaap, kleding, onderdak) is voldaan. Pas daarna komt de mens toe aan zijn sociale behoeften (vriendschap, familie, seksuele intimiteit). En als de geschiedenis iets heeft uitgewezen dan is het dat de mens leert en zich ontwikkelt door risico’s te nemen. Een ‘wiel’ vind je pas uit als je er de tijd, maar vooral de (geestelijke) ruimte voor hebt. Wat als de overheid zich richt op het bieden van een basiszekerheid? Een basisinkomen?

Het idee van een basisinkomen is niet nieuw. Het is geen ‘uitvinding’ van Rutger Bregman die het in 2016 met zijn boek Gratis geld voor iedereen weer onder de aandacht bracht. Die eer komt hem toe. Met een beetje fantasie kun je het zelfs een zeer oud idee noemen. Je zou de gemene gronden een soort proto-basisinkomen kunnen noemen. Deze gronden (het kon ook een bos, rivier of meer zijn) konden alle inwoners van het dorp of het gebied gebruiken om de opbrengst van hun eigen stukje grond wat verder aan te vullen. Gebruik dat aan voorwaarden was verbonden. Voorwaarden die voorkwamen dat de grond uitgeput raakte of dat een enkeling zich het grootste deel toe-eigende. 

Een veel genoemd bezwaar tegen een basisinkomen is dat het mensen zou tegenhouden om te werken en het zou onbetaalbaar zijn. Een basisinkomen is een manier om te herverdelen en je kunt alleen dat herverdelen wat er is. De kunst bij het herverdelen is ervoor te zorgen dat het basisinkomen voldoende is om een set van basisgoederen te verwerven, het is niet bedoeld voor verlangens of luxe maar voor behoeften. Betaalbaarheid is een keuze: als we het als samenleving willen, dan kan het. Alleen kan dat betekenen dat een deel van de samenleving meer moet gaan bijdragen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er enkele bijzondere experimenten met een basisinkomen uitgevoerd in de Verenigde Staten en Canada. Deze experimenten hebben veel gegevens opgeleverd die indertijd niet zijn geëvalueerd. De reden hiervoor is dat er eind jaren zeventig een andere politiek-economische (neoliberale) wind ging waaien. Deze experimenten pasten daar niet in en zijn beëindigd zonder evaluatie. Gelukkig zijn de gegevens wel bewaard gebleven. De afgelopen jaren zijn deze gegevens wel bestudeerd. Evelyn L. Forget heeft een set uit het Canadese dorp Dauphin doorgenomen om te kijken welke effecten een basisinkomen heeft op de gezondheid van mensen. Haar artikel sluit af met de volgende zin: “These results would seem to suggest that a Guaranteed Annual Income, implemented broadly in society, may improve health and social outcomes at the community level.” Het experiment zorgde voor minder ziektekosten door ongelukken en verwondingen maar wat vooral opviel was dat er minder psychische problematiek was. Ook bleek uit het onderzoek van de gegevens uit Canada dat er sprake was van een kleine vermindering van de deelname aan het arbeidsproces. Dit kwam vooral op het conto van vrouwen en jongeren. Nadere bestudering van de cijfers leerde dat zij die tijd niet zaten te verlummelen. Vrouwen spendeerden die tijd aan de opvoeding van hun kinderen. Jongeren bleken langer door te leren en dus beter beslagen de arbeidsmarkt op te gaan. Ze investeerden in zichzelf en daar hebben ze ook na het beëindigen van het experiment nog van geprofiteerd. Het weerhoudt mensen dus niet om te gaan werken. Omdat hun ‘Fressen’ zeker is, ontwikkelen ze zich. Ze bevredigen, om Maslow te gebruiken, hoger in de piramide gelegen behoeften.

Bron: Wikipedia

De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep (lees zijn boek Over de gift). Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. Nu kan de onderlinge betrokkenheid in onze samenleving ook wel een impuls gebruiken. Geen basisinkomen maar een basisgift?

The problem and Government

Over welk beestje heeft hij het? Die vraag schoot mij te binnen na het lezen van de column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Kalshoven concludeert met betrekking tot de wachtlijsten in de publieke sector: “Aan dit fundamentele probleem van publieke sectoren (prijsaanpassingen kunnen niet; capaciteitsaanpassingen duren lang) kunnen we niets veranderen. Het is de aard van het beestje. Katten vangen vogels; publieke sectoren zijn log. Het is zoals het is.” 

Bron: Flickr

De publieke sector is anders dan het bedrijfsleven. “Bij bedrijven heet een wachtrij een ‘orderboek’ en hoe voller het orderboek, des te blijer de baas,” zo betoogt Kalshoven terecht. “Als er plots een klant op de stoep staat met haast, dan mag hij voordringen, mits de haast gepaard gaat met een hoge betaalbereidheid.” Bij de overheid ligt dit anders: “prijsflexibiliteit is al snel strijdig met andere maatschappelijke waarden, zoals gelijke toegang tot de rechtspraak.” Meer uitvoerders om de wachtlijsten op te lossen dan? “Maar het geld dat nodig is voor capaciteitsuitbreiding in publieke sectoren komt uit Den Haag. En voordat die euro’s uit de schatkist terecht zijn gekomen op een Amsterdams politiebureau, een Midden-Nederlandse rechtbank, of de Jeugdzorg in Breda, zijn we minstens een jaar verder.” Ook hier heeft Kalshoven het gelijk aan zijn zijde. Maar toch.

Wachtlijsten bij publieke diensten zijn niet onoverkomelijk. Ze zijn een gevolg van keuzes. Dat bijvoorbeeld het onderwijs met een flinke uitstroom van leerkrachten te maken zou krijgen, is al meer dan twee decennia bekend. Daar had op ingespeeld kunnen worden door zowel de schoolbesturen als de overheid. Helaas is dat niet gebeurd en nu zitten we met de gebakken peren en ontbreekt het aan bevoegde docenten.

Gesloten politiebureaus en te weinig rechters? Ook een gevolg van keuzes. Ook hier weer de keuze om de ogen te sluiten voor een naderende uitstroom van mensen vanwege pensioen. Of de keuze om bij de rechtbanken te werken met budgetten die niet toereikend zijn voor het werk.

Wachtlijsten in de jeugdzorg? Ook een gevolg van gemaakte keuzes. Niet op basis van de inhoud maar op basis van aannames en ideologie wordt de jeugdzorg steeds opnieuw ingericht. In die ideologisch prachtige wereld kan de jeugd met minder hulp en de jeugdzorg met minder geld toe. De markt maakt immer alles beter en goedkoper. Alleen blijkt de werkelijke wereld weerbarstiger.

Wachtlijsten in de publieke sector zijn niet ‘onoverkomelijk’ en de ‘publieke sector’ kan ook snel en wendbaar zijn. Dat is allemaal afhankelijk van keuzes. Dat het ‘beestje’ nu een bepaalde ‘aard’ heeft, en we te maken hebben met wachtlijsten en een logge overheid, is een gevolg van keuzes. Vooral de keuze om de ogen te sluiten en te vertrouwen op een ideologie. Kijkend naar een rode draad achter al deze keuzes, moet ik aan wijlen Ronald Reagan denken. In zijn inaugurale rede op 20 januari 1981 sprak hij de woorden: “In this present crisis, government is not the solution to our problems; government is the problem.” Voor zijn volgers, en dat zijn er ook in Nederland zeer veel, was het voor wat betreft de overheid ‘hoe kleiner hoe beter’. Werken voor de overheid werd en wordt nog steeds lager beoordeeld dan werken voor het bedrijfsleven. Daarmee is de uitspraak een self fulfilling prophecy geworden. De overheid werd door deze ideologie zo uitgekleed dat ze nu het probleem is. Inderdaad is het, om Kalshoven aan te halen, zoals het is. Dat wil niet zeggen dat er niets aan gedaan kan worden. Het ‘beestje’ kan ook een andere ‘aard’ aanleren.

De waarde van slavernij

Op het hoogtepunt van de slaafgedreven economie vertegenwoordigden de slaven een waarde die groter was dan alle Amerikaanse fabrieken en spoorwegen bij elkaar opgeteld.” Een zin uit een artikel in De Groene Amsterdammer van Casper Thomas. Het artikel behandelt een eventuele ‘herstelbetaling’ aan de nabestaanden van slavernij. Het gaat mij niet om nut en/of noodzaak van een eventuele ‘herstelbetaling’ en de haken en ogen die daaraan kleven. Het gaat mij om deze zin. De zin suggereert iets, een waarde, maar wat is die waarde? Een interessante vraag die het waard is te onderzoeken zonder iets af te willen doen aan de ellende van slavernij.

Bron: Wikimedia Commons

Deze zin lijkt opgenomen om het economische belang van slavernij aan te tonen. De Verenigde Staten waren tot voor kort de toonaangevende industriële macht in de wereld. Ook kent iedereen wel de verhalen over de onstaansgeschiedenis van het transcontinentale spoorwegennet. Al is het maar van Spoorweg door de prairie, een van de avonturen van Lucky Luke. De sneller dan zijn schaduw schietende cowboy met zijn trouwe viervoeter Jolly Jumper. Met dit in het achterhoofd kan de conclusie niet anders zijn dan dat slavernij een enorme bijdrage leverde aan de Amerikaanse welvaart. Toch is het beeld dat deze passage oproept ver bezijden de waarheid. 

Laten we de zin eens ontleden. Als eerste: het hoogtepunt van de slaafgedreven economie. Waneer was dat? Zoals iedereen weet werd de slavernij in de Verenigde Staten beëindigd in 1865 na bijna vier jaar burgeroorlog. Een burgeroorlog waarin de geconfedereerde staten zich wilden afscheiden. De economie in deze staten was vooral ‘slaafgedreven’ en dat wilden ze behouden. De unionistische noordelijke staten wilden de slavernij in de gehele unie afschaffen. Zie daar de aanleiding voor de burgeroorlog. De geconfedereerde staten verloren en op 18 december 1865 werd slavernij in de gehele Verenigde Staten afgeschaft. Het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven’ economie moet daarmee voor 1865 liggen. Thomas’ artikel opent met het wedervaren van Oluale Kossale die in 1860 als slaaf voet aan wal zette in de Verenigde Staten. Hij was de laatste en in de periode voor hem waren er vanaf 1808 steeds minder nieuwe slaven geïmporteerd. Met ingang van dat jaar verbood het Amerikaanse congres het naar Amerika halen van slaven. Dit besluit betekende dat de slaafgedreven economie het vanaf die tijd eerst met veel minder en later zonder nieuwe aanwas uit Afrika moest doen. De slavenhouders waren in toenemende mate aangewezen op ‘natuurlijke aanwas’. Het hoogtepunt van de ‘slaafgedreven economie’ lag daarmee in ieder geval voor 1861, het begin van de burgeroorlog en misschien zelfs wel voor 1807.

In 1861 waren er ruim 3,9 miljoen slaven in de Verenigde Staten, tegen bijna 900.000 in 1800. Als het om aantallen slaven gaat dan zou je zeggen dat 1860 het hoogtepunt was. Alleen moeten we dan wel kijken hoe het aantal slaven zich verhield tot de totale bevolking. De Amerikaanse bevolking, groeide tussen 1800 en 1860 van 5,4 miljoen naar 31,4 miljoen. Een forse groei veroorzaakt door immigratie. Een klein deel gedwongen als slaaf. Klein deel omdat slavenimport sinds 1808 was verboden. Het overgrote deel vrijwillig vanuit Europa. Het aandeel slaven in de totale bevolking daalde van bijna 17% in 1800 naar 12%. Dat zou dan weer pleiten voor 1800 als hoogtepunt.

Dan het tweede deel van de zin, de waarde van de fabrieken en spoorwegen. Om te beginnen die fabrieken. In 1870 waren de Verenigde Staten na Engeland de tweede industriële mogendheid van de wereld. Toch stelde die industrie niet zo veel voor. Maarten van Rossum opent zijn De Verenigde Staten in  de twintigste eeuw met de zin: “Tussen het einde van de Burgeroorlog en het begin van de Eerste Wereldoorlog veranderden de Verenigde Staten van een overwegend agrarisch in een overwegend industrieel land.” Twintig jaar eerder, in 1851, ten tijde van de wereldtentoonstelling in Londen, stond de wereld versteld van de gereedschappen en productiewijze van de Amerikanen. Alleen waren er niet veel ‘fabrieken’ zo is op de site theusaonline.com te lezen: “The industrial growth that began in the United States in early 1800’s continued steadily up and through the American Civil War. Still, by the end of the war, the typical American industry was small. Hand labour remained widespread, limiting the production capacity of industry. Most businesses served a small market and lacked the capital needed for business expansion.”  Waar het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven economie’ ook ligt, veel fabrieken waren er tot de burgeroorlog niet. Die ontstonden pas erna.

Als laatste de spoorwegen. Eigenlijk is een verwijzing naar Spoorweg door de Prairie voldoende. Het verhaal speelt zich, net als alle avonturen van Lucky Luke, af in de periode na de burgeroorlog. Maar toch, Wikipedia leert dat in 1829 de eerste stoomlocomotief, de Stourbridge Lion, in de Verenigde Staten werd geïmporteerd. En: “By 1835, dozens of local railroad networks had been put into place. Each one of these tracks went no more than a few miles, but the potential for this mode of transportation was finally being realized. With every passing year, the number of these railway systems grew exponentially. By 1850, over 9,000 miles of track had been lain.”  De echte groei kwam na de burgeroorlog toen de lokale lijnen werden verbonden door een groeiend netwerk van transcontinentale spoorwegverbindingen. De lijnen uit Spoorweg door de prairie.

Om de waarde van de zin te bepalen, is het van belang om te weten wanneer dat ‘hoogtepunt’ was. Was dat aan het begin van de 19e eeuw, dan zegt de zin helemaal niets. Er waren immers nog geen fabrieken en spoorwegen. Was dat in 1860, dan wordt het een ander verhaal. Maar dan nog is het maar de vraag of de zin zoveel waarde heeft als Thomas het doet voorkomen.

Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over vooronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

‘Waar moeten we ze op komen halen?’

  “Terwijl een Turks offensief tegen de Koerden in Syrië in volle gang is, opent president Erdogan een ‘tweede front’ tegen Europa. Hij dreigt ‘de poorten open te zetten’ naar Europa voor de 3,5 miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije, als de EU haar kritiek op de inval niet inslikt” Zo is te lezen in een artikel van Arnout Brouwers in de Volkskrant. Brouwers doet verslag van  het debat hierover in de Tweede Kamer en de Europese Unie en dat stemt tot treurnis. Dieptepunt, zo vindt de Ballonnendoorprikker, is de reactie van VVD-kamerlid Koopmans: “We moeten voorkomen dat sancties Nederlandse inkomens en banen raken.” Dat het maar duidelijk is, een Nederlandse baan is belangrijker dan het leven van een Koerd.

Bron: Wikipedia

Tja… Nog niet eens zolang geleden stond het gros van de politici te juichen. Het was gelukt om de stroom vluchtelingen naar Europa te stoppen. In ruil voor vele miljarden zou Turkije de Syrische vluchtelingen opvangen. Een ‘prachtige’ deal tussen de Europese Unie en Turkije bereikt onder premier Ruttes voorzitterschap. Een deal die door toenmalig PvdA-leider Diederik Samsom ‘een blauwdruk voor andere routes’ werd genoemd. En inderdaad hangt het Europese migratiebeleid tegenwoordig van deals aan elkaar. Voor wie er een goed beeld van wil krijgen, lees het boek Niemand wil ze hebben van journalist Linda Polman.

“Natuurlijk gebruikt hij Syrische en andere vluchtelingen als machtsmiddel. Natuurlijk chanteert hij de Europese leiders, maar laten die zich niet ook maar al te graag chanteren in de hoop dat hij hun probleem maskeert?” Die vraag stelde ik in de Prikker van 15 april 2016. En nu is het dan zover. Het geld is overgemaakt en de vluchtelingen worden als machtsmiddel gebruikt. ‘Hou je bek, anders laat ik ze los’, schreeuwt Erdogan tegen de Europese Unie en meteen zijn de problemen die met de deal werd gemaskeerd weer zichtbaar. Recent schreef ik: “Als de geschiedenis iets leert dan is het dat de machtigen sollen met de minder machtigen.” Nu is de macht van Erdogan niet zo groot. Zijn macht lijkt groot door die onderlinge Nederlandse en Europese verdeeldheid. Die maakt Erdogan machtig. Ja, Turkije heeft een flink leger. Economisch is het een wankel land en intern is het tot op het bot verdeeld. En zoals zovelen voor hem probeert hij de interne zwakte te verbloemen door een ‘ gezamenlijke vijand’ te benoemen en een oorlog te beginnen.

Beste heren politici van welk pluimage dan ook. Het enige wat u nu moet doen, is de volgende vraag stellen: ‘Waar moeten we ze op komen halen?’ Die vraag maakt Erdogan ineens machteloos. Daarmee geeft u het signaal af dat Europa zich niet laat chanteren. Tevens corrigeert u daarmee de in 2016 gemaakte fout. Die 3,5 miljoen Syrische vluchtelingen vangen we op en we zorgen ervoor dat ze een nieuw leven kunnen opbouwen. 

Die vraag laat u volgen door de woorden: wij laten ons niet meer chanteren! Die miljarden die u voor deze vluchtelingen kreeg, waren de laatste die u van Europa zult ontvangen. Alle Europese investeringen in uw land worden met onmiddellijke ingang stopgezet. Wij bevriezen alle tegoeden van Turkije en haar inwoners. Alle handel met uw land wordt met onmiddellijke ingang stopgezet. Wij geven een negatief reisadvies voor Turkije en ontraden onze inwoners om naar uw land op vakantie te gaan. Als laatste achten wij ons richting Turkije niet meer gebonden aan artikel 5 van de NAVO. 

Maar ja, in 2016 hadden onze leiders al zwakke knieën en gezien het gekrakeel en de angst voor een werkloze Nederlander, zal de schreeuwlelijk wel weer zijn zin krijgen. Leiderschap zal ook nu wel weer ver te zoeken zijn. Van principes kun je immers niet eten en dus is een Nederlandse baan belangrijker dan het leven van een Koerd.

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?