Pinautomaten

“Een grote sprong richting een Federale Staat van Europa zou tot opstand leiden in de noordelijke landen, omdat we dan de pinautomaat voor de rest van Europa worden, en in de zuidelijke landen omdat ze niet aan de daarbij horende strenge eisen aan hun staatsuitgaven en werkethos zullen willen voldoen.” Dit is, volgens Theo Wolters bij Opiniez een van de drie kwaden zoals hij ze noemt voor de “opdoemende volgende eurocrisis.” De andere twee zijn ‘voortmodderen’ en de ‘muntunie ontvlechten’. Gelukkig is er volgens Wolters ook een vierde mogelijkheid: “De beste oplossing is niet het ontvlechten van de euro-muntunie (alle landen terug naar een eigen munt), maar het flexibiliseren ervan (de euro behouden maar devalueren en revalueren per land weer mogelijk maken). Hierdoor wordt het weer mogelijk om per land de juiste waarde van de euro te bepalen.” Een bijzondere oplossing. 

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark , in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere. Tussen landen met verschillende munten worden die schommelingen opgevangen door de munt te de- of revalueren waardoor het speelveld weer gelijk werd getrokken. 

Dit laatste kan sinds 1 januari 1999 niet meer en dat zorgt nu voor problemen. Want zoals Wolters terecht schrijft: “Onze exporterende bedrijven worden slapende rijk met producten die door de te goedkope euro al gauw 30% te goedkoop zijn.” En als je het vanuit Italië bekijkt dan is die euro waarschijnlijk al gauw 30% te duur waardoor het land niets kan maken wat kan concurreren met de noordelijke landen. Wolters’ voorstel komt erop neer dat we moeten doen alsof die oude munten er nog zijn en moeten bepalen hoeveel van die oude munten er met de huidige economische verhoudingen in de euro passen. Dan zouden er nu bijvoorbeeld nog maar anderhalve gulden in de euro passen en ongeveer 2600 lires. Dat zou de verhoudingen weer rechttrekken.

Dat klinkt mooi alleen krijg ik maar niet bedacht welk voordeel dit heeft. Die oude munten bestaan niet meer dus wat schiet een Italiaan ermee op dat er meer niet meer bestaande lires in zijn euro gaan? Hij krijgt zijn salaris in euros en alles wat hij betaalt moet hij in euro’s betalen. Zijn espresso van € 1,50 wordt er niet goedkoper door. Die zal niet ineens maar €1 kosten. De Nederlandse machine die de Italiaanse industrieel koopt, zal ook niet ineens  60% duurder worden waardoor de Italiaanse producent ineens goedkoper is. Dat kan alleen als de salarissen van de Italianen met 30% dalen en de Nederlandse met 30% stijgen. Dat zal allebei niet gebeuren. Blijven de drie ‘kwaden’ over. “Voortmodderen kan niet meer, de toch al wanhopige toestand in Italië is onhoudbaar geworden door de Corona-crisis,” zo schrijft Wolters en daar heeft hij een punt. Dus blijven er nog twee opties over.

Als eerste het ontvlechten van de euro. Dan worden de ‘oude munten’ opnieuw ingevoerd en kan het oude de- en revaluatie-mechanisme zijn werk doen. Wolters: “Nadeel is dat de zwakke landen in een zeer ingrijpende crisis terecht dreigen te komen.” Niet alleen die zwakke landen, ook de ‘sterke’. De export vanuit de ‘sterke’ naar de ‘zwakke’ landen zal fors afnemen.  Het ‘slapend rijk worden’ zit er dan niet meer in voor de noordelijke landen. Trouwens niet alleen de export naar de zuidelijke landen. Ook de export naar de rest van de wereld zal een fikse dreun krijgen omdat de de nieuwe Nederlandse gulden in waarde zal stijgen ten opzichte van de dollar, het pond en de Chinese yuan. Minder export betekent minder werkgelegenheid en meer werkloosheid. Die kant van de medaille vergeet Wolters te schetsen.

Dan de optie waarmee ik begon: de sprong naar een federaal Europa. Het noorden wordt dan, als we Wolters mogen geloven, de ‘pinautomaat’ voor het zuiden. Daar kunnen we tegenover zetten dat ‘onze exporterende bedrijven’ nog steeds ‘slapend rijk’ worden. Dat ‘slapend rijk worden’ plaatst die ‘pinautomaat’ in een heel ander daglicht: het noorden ‘pint’ in het zuiden. En met die ‘pinautomaten’ metafoor komen we waar we moeten zijn. Volgens Wolters is: “Een muntunie tussen landen met verschillende groei (…) rampzalig voor alle betrokken landen: de producten uit landen met hoge groei (Nederland) worden steeds goedkoper ten opzichte van die met lage groei (Italië) en zo concurreren we al twintig jaar Zuid-Europa steeds verder kapot.”  Dit plaats dan weer het ‘zuiniger’ moeten zij en ‘harder moeten werken’ van het zuiden in een ander perspectief. Als de wereld na de kredietcrisis iets laat zien dan is dat je nog zo hard kunt werken en zuinig zijn, tegen die ongelijkheid kun je niet op besparen en werken. Dit plaatst de ‘kwade’ federale oplossing in een ander perspectief. Wellicht is die optie toch niet zo ‘kwaad’? Misschien zelfs wel ‘goed’.

Dat een muntunie tussen staten met verschillende groei niet rampzalig hoeft te zijn laten de Verenigde Staten zien. Een federatie bestaande uit 52 staten die allemaal verschillend zijn. Toch betalen ze allemaal met dezelfde dollar. Of het nu het economisch zeer sterke Californië is of het economisch zwakkere Tennessee. Trouwens ook India kent deelstaten met verschillende economische ontwikkeling en toch eenzelfde munt. Wat maakt dat het daar wel werkt? Het antwoord op deze vraag zou wel eens heel eenvoudig kunnen zijn: herverdeling via belastingen. Via een Europese belasting op bedrijfswinsten,- waarvoor ik in een recentelijke Prikker pleitte, romen we geld af te van de ‘slapend rijk’ wordende noordelijke exporteurs. Dat geld wordt geïnvesteerd in het versterken van de economische structuur van het ‘zwakke’ zuiden. Dat kan dan laten zien dat het niet ‘lui en verspillend’ is. 

De ezel en de steen

Deze week, zo las ik in de Volkskrant, klopte booking.com bij de Nederlandse overheid aan voor steun. Steun om de banen van de medewerkers te beschermen. Die lopen gevaar omdat de site draait op reizen en wat daarvoor nodig is. En reizen zit er nu even niet in. Het bedrijf is niet het eerste of enige dat voor steun bij de overheid aanklopt. Het bedrijf wil gebruikmaken van de regeling waarbij de overheid 90% van de lonen betaald. Gelukkig heeft het bedrijf nog even 4 miljard kunnen lenen want: “Als we die 4 miljard niet hadden, zou het er slecht uitzien, o mijn God.” Aldus de CEO Glenn Fogel. Ik moest denken aan een ezel en een steen. Laten we deze casus eens wat uitdiepen en vervolgens de vraag stellen of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis van 2008.

Eerst even deze casus. Het bedrijf is een van de paradepaardjes van de ‘tech-bedrijven’. En net als de meeste van die bedrijven verkoopt het bedrijf geen product. Het heeft geen vliegtuigen, hotels of auto’s die het kan verhuren. Het is eigenlijk niets anders dan een in een nieuw jasje gegoten ‘reisbureau’. Voor de jeugdigen onder mijn lezers, als je vroeger alles rond je vakantie wilde regelen, dan ging je naar een reisbureau. Daar besprak je met de medewerker je wensen: zon of toch actief? Spanje, Griekenland of …? Op basis daarvan pakte de medewerker enkele gidsen uit de kast en liet je wat foto’s zien van mogelijke vakantieadressen. Daaruit maakte je een keuze en dan ging de medewerker van het reisbureau alles regelen. Van alles wat er werd geregeld kreeg je een rekening van het reisbureau. In die rekening zaten de kosten van het reisbureau verwerkt. Dat kon op grofweg twee manieren. Aan de ene kant als een opslag voor de gemaakte kosten. Aan de andere kant omdat het bureau minder betaalde voor campingplaats dan jij aan het bureau moest betalen. 

Tegenwoordig doe je dat zoeken zelf, achter je computer. Heb je gevonden wat je wilt, dan ga je boeken. En dat kan via booking.com. Het bedrijf wordt betaald door campings, hoteleigenaren et cetera. Die betalen een commissie van tussen de 10% en 30% aan het bedrijf. Hoe meer commissie je betaalt, hoe hoger je ‘hotel’ in de zoeklijst komt. Die vrolijke meid, want ja het waren meestal jonge vrouwen, is vervangen door een IT-nerd uit India en de schaal is de wereld geworden. En die nerd kan meer reizen per seconde verkopen dan die meid. Simpel omdat die nerd het eigenlijke werk aan jou, de reiziger, heeft uitbesteed. Hij ‘verzint’ alleen een algoritme dat dit mogelijk maakt. Dit bedrijfsmodel, het uitbesteden van het werk aan de gebruiker, komt trouwens zeer veel voor onder die hippe en vernieuwende ‘tech-bedrijven’. 

  Een zeer succesvol bedrijfsmodel omdat het bedrijf in 2019 zo’n € 4,6 miljard winst maakte. En als je bedenkt dat het bedrijf 5.500 medewerkers heeft, die gemiddeld € 47.000 verdienen, dan zou het bedrijf die salarissen makkelijk nog enkele jaren zelf moeten kunnen betalen. In totaal ontvangen de medewerkers namelijk een kleine € 260 miljoen aan salaris. Die winst van vorig jaar is daarmee voldoende om bij geen inkomsten nog 18 jaar alle salarissen te betalen. Ook van die pas geleende 4 miljard kunnen die salarissen aardig wat jaren worden betaald. Dus waarom staatssteun? 

Waar is dat geld gebleven? Dat geld is verdwenen in de zakken van de aandeelhouders. Sinds 2018, dat zijn dus twee jaar, heeft het bedrijf voor een totaal bedrag van € 12,9 miljard aan eigen aandelen teruggekocht. Dit opkopen zorgt er daarnaast voor dat de overgebleven aandelen in waarde stijgen waardoor het vermogen van de aandeelhouders nog verder toeneemt. Wat dit opkopen bijzonder maakt, is dat het bedrijf ook nog een schuld heeft van € 7 miljard. Je zou zeggen dat het geld voor die aandelenopkoop beter gebruikt had kunnen worden om die schuld af te lossen. Die schuld is nu dus ‘gelukkig’ nog vergroot met 4 miljard. Nu is booking.com niet het enige bedrijf dat eigen aandelen terugkoopt. Ook onder andere Shell doet dit voor miljarden. Ook is het niet het enige bedrijf dat vol wordt gehangen met ‘leningen’, dat zien we ook bij bijvoorbeeld de HEMA. Bedrijven vol met schulden hangen en eigen aandelen opkopen zijn twee manieren om de belastingbetaler te ‘tillen’. De belastingbetaler wordt ook nog op een andere manier benadeeld. Het bedrijf heeft tussen 2010 en 2018 ook nog eens € 1,8 miljard aan belasting niet betaald door gebruik te maken van de ‘innovatiebox’. Bovendien werd de fiscussen van andere Europese landen via allerlei constructies nog eens voor € 715 miljoen ‘benadeeld’. En nu het even tegenzit, klopt deze ‘geldcreatie- en belastingontduikingsmachine’ voor steun aan bij de overheid, de belastingbetaler en dus bij mij. Als zelfstandige zonder personeel gebruik ik mijn ‘winst’ als reserve voor slechte tijden en pensioenvoorziening. Als ik dat kan, waarom kan booking.com dat dan niet?

Waarom zou ik als belastingbetaler hieraan mee moeten betalen? Alleen is die vraag al door de Nederlandse overheid beantwoord. Onder het mom van het ‘behoud van werkgelegenheid’ is er een regeling bedacht die NEE niet lijkt te kennen als antwoord. Die regeling roept herinneringen op aan de redding van de banken in 2008 op kosten van de belastingbetaler. Toen werd alles op alles gezet om de banken te redden. Dit heeft de belastingbetaler flink geld gekost en de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen flink geld opgeleverd. Toen had de overheid zich moeten houden bij het redden van de mensen (garantie op een rekening tot € 100.000 en het redden van het betalingsverkeer door dit te nationaliseren. Daardoor zouden banken zijn omgevallen en hadden de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen de klappen gekregen die ze verdienden. Zij hadden dan betaald voor de risico’s die ze namen. De baten van die risico’s waren daarmee privé, de lasten publiek. Diezelfde banken en investeringsmaatschappijen werden tijdens de euro-crisis nogmaals gered. Dit keer vooral ten kosten van de Zuid-Europese belastingbetaler.

Is nu niet precies dezelfde fout gemaakt? Is de overheid niet bedrijven gaan redden onder het mom van ‘werkgelegenheid’? Dat begon al met de KLM en daarna was er geen houden meer aan en moeten alle bedrijven worden gered. Ook Booking.com dat overduidelijk lak heeft aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het ontduikt en ontwijkt belastingen en laat de winsten vloeien in de zakken van de aandeelhouders. Iets waaraan veel ‘techbedrijven’ en trouwens ook Shell andere zich schuldig maken. Op deze manier vloeit het geld, net als tijdens de bankencrisis, van arm naar rijk. Om de vraag ‘dus waarom staatssteun’ te beantwoorden: omdat het kan en een mogelijkheid is om nog meer geld in de zakken van de aandeelhouders te laten vloeien.

Moet de overheid zich niet alleen richten op het ‘redden’ van mensen? Zorgen dat iedereen voldoende heeft om te kunnen leven? Dat kan via een basisinkomen. Een basisinkomen mede gefinancierd uit een progressieve belasting op vermogens. Ook de directeur, de kleine zelfstandige ondernemer met of zonder personeel krijgt dat basisinkomen. Dat er vervolgens bedrijven als Booking.com en KLM omvallen, is jammer maar helaas. Het zijn toch maar, om een begrip uit een recente Prikker aan te halen, imaginaire constructen. Er zijn vast wel weer nieuwe te verzinnen. Voor die zelfstandige ondernemers is wel een randvoorwaarde dat ze na faillissement ook van alle schulden af zijn. Daardoor wordt het voor een kroegbaas mogelijk om nu failliet te gaan en straks een snelle nieuwe start te maken. 

Het antwoord op de centrale vraag in deze Prikker of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis is NEE. En helaas kost dat mij als belastingbetaler een flinke duit. En jammer genoeg levert dat mensen als Fogel en zijn aandeelhouders een nog veel flinkere duit op. 

Corona en de Wilde Weldoeners

Ook in deze corona-tijd zijn ze er weer. De filantropische miljardairs die geld geven voor de zoektocht naar een geneesmiddel, een vaccin of voor medische hulpmiddelen voor ziekenhuizen. Neem Melissa en Bill Gates die via hun foundation $100 miljoen geven. “The organization will immediately direct $20 million to groups including the US Centers for Disease Control and Prevention and the World Health Organization, which last week declared the coronavirus outbreak a global public health emergency.” En zo ontvangen verschillende landen verspreid over de wereld geld. Menigeen zal denken ‘wat goed van die Gatesjes’. Laten we dat eens wat nader bekijken. Dat nader bekijken doe ik aan de hand van het boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference van William Macaskill. Sommige lezers zal het deels bekend voorkomen en dat kan. Ik schreef al eerder over Macaskills boek. Dit is een lang artikel maar de moeite van het lezen waard. Al zal iedere schrijver dat over zijn werk zeggen.

Macaskill geeft een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?

In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.

De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.

Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?

Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen.  Het Amerikaanse programma heet Scared Straight en was in Nederland ook te zien via FOX te zien. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.

Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.

Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.

Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.

Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel (Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42 te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.

Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?

Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.

Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending $ 50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10  jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?

Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?

Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen.

Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Bezos, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopoliepositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden. Hoe goed behandelt Bezos zijn medewerkers?

Bron: Flickr

Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.

Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill (pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken. en dan kan hun overheid via de belastingen een goede onderwijs en gezondheidszorg opzetten.

Hoe goed is nu de daad van de Gatesjes en de andere filantropen? Ik begon dit artikel met twee organisaties waaraan de Gatesjes geld geven. Twee overheidsinstanties de US Centers for Disease Control and Prevention  en de  World Health Organization. Twee organisaties waarvoor de Amerikaanse regering de afgelopen jaren minder geld beschikbaar stelde. Twee organisaties die worden betaald met belastinggeld. De WHO met belastinggeld van over de hele wereld. Als die filantropen hun medewerkers en onderaannemers fatsoenlijk hadden betaald, als ze een normale prijs voor hun producten hadden gevraagd, als ze gewoon belasting hadden betaald, dan was hun filantropie onnodig geweest. Dan hoefden ze niet als ‘brandweer’ op te treden bij de ‘brand’ die ze met hun gedrag hebben veroorzaakt zoals Anand Giridharadas het bij Tegenlicht beschreef.

Maar ja, met belasting betalen  kun je geen mooie sier maken. Met filantropie wel. En met belasting betalen bepaal je niet zelf wat er met je geld gebeurt. Dat klopt, met belasting betalen bepalen we samen wat er met het geld gebeurt. En daarmee is niets mis.

Kapitaalvlucht

Enige tijd geleden vroeg ik mij in een Prikker af waarom het proces ‘effectenverkeer’ op de lijst met cruciale processen stond. Ik moest hieraan denken toen ik in Elsevier las dat ‘corona’ tot een kapitaalvlucht heeft geleid uit ‘opkomende economieën’ en ‘economieën’ die nog niet eens aan het ‘opkomen’ zijn. In het artikel van Marijn Jongsma, legt Rob Drijkoningen, werkzaam voor een Amerikaanse vermogensbeheerder, uit waarom: “Beleggers prefereren liquiditeit en hebben ineens een kortere beleggingshorizon. Het hemd is nader dan de rok. Ze kiezen voor landen die ze beter begrijpen.” Het gevolg:  “De zwakste landen betalen op hun dollarleningen nu gemiddeld 10 procentpunt meer rente dan de Verenigde Staten zelf.” Dat is slecht nieuws. 

Hoe werkt dat? Beleggers kiezen voor ‘liquiditeit’, voor geld, maar niet voor al het geld. Ze kiezen vooral voor sterke munten Amerikaanse dollars en in mindere mate euros, yens en ponden. Die stijgen daardoor in waarde. Ze stoten hun beleggingen in obligaties (staatsleningen) in andere dan deze munten af. Keerzijde daarvan is dat de munten van die ‘opkomende economieën’ in waarde dalen: “De Mexicaanse peso, de Braziliaanse real en de Zuid-Afrikaanse rand verloren sinds begin dit jaar meer dan 20 procent van hun waarde. De Nigeriaanse naira, de Indonesische roepie, de Colombiaanse peso en de Russische roebel verloren meer dan 15 procent.” Voordeel voor die landen is dat de producten die ze maken zo goedkoper worden. Alleen hebben ze daar nu niets aan omdat de handel ook lijdt onder corona. Nadeel is dat het lenen van geld duurder wordt en om de gevolgen van corona te bestrijden moeten ze nu lenen. 

Een voorbeeld. Stel Brazilië moet ter waarde van $ 1 miljard dollar lenen en dat waren tot voor kort 10 miljard real. Dan moet het land nu 12 miljard real aan obligaties uitzetten om op de wereldmarkt dezelfde hoeveelheid product te kunnen kopen. Wat betaalt het land dan? Stel de rente was 5%. Dan betaalde Brazilië eerst 500 miljoen real aan rente, 5% van 10 miljard. Als die 10 procentpunt stijgt dan is de rente nu 5,5%. Door de gedaalde munt en gestegen rente moet het land nu 660 miljoen real (5,5% van 12 miljard) rente betalen: bijna 30% meer. Die eenmalige lening om corona te bestrijden betekent dus dat het land gedurende de looptijd van de lening, jaarlijks 660 miljoen real meer aan rente moet betalen. Geld dat via belastingen moet worden opgehaald en dat niet kan worden besteed aan gezondheidszorg of onderwijs. 

Aangezien het belastingsysteem in Brazilië in feite regressief is, hoe rijker je bent hoe minder je procentueel gezien betaalt, betekent dit dat met name de armen het gelag betalen. Betalen in de vorm van extra belastinggeld of in de vorm van bezuinigingen op onderwijs, sociale- en medische voorzieningen. De rijke Brazilianen, als die hun kapitaal niet ook laten ‘vluchten in dollars’, zullen erop vooruit gaan. Zij zullen die obligaties kopen, want buitenlands kapitaal is er niet meer. Zij krijgen er 660 miljoen real per jaar bij en betalen via de belastingen maar marginaal mee. 

Als dit gebeurt en toch al kwetsbare landen zo nog kwetsbaarder worden, moet ‘effectenverkeer’ dan wel een cruciaal proces zijn? Zou ‘kapitaal’ dat nu in milliseconden van de ene naar de andere kant van de wereld flitst, niet veel meer aan banden moeten worden gelegd. Zeker in tijden van crisis? Aan banden omdat het ‘flitsen’ de positie van de zwakkeren verder verzwakt en die van de sterken verder versterkt? Zou het niet juist cruciaal zijn om dit proces meteen aan banden te leggen en het in tijden van crisis stil te leggen?

‘Maar dan beperk je het recht van de belegger om zijn eigendom, de obligaties, te verkopen en dan kan het dus zijn dat die belegger geld verliest,’ kun je tegenwerpen. Nee, het recht van de eigenaar om zijn obligaties te verkopen+ wordt niet aangetast. De eigenaar kan ze nog steeds verkopen, alleen nu even niet. En ja, dat kan betekenen dat ze, als er weer mag worden gehandeld, minder waard zijn en hij geld verliest. Maar daar hoeven we geen medelijden mee te hebben, verliezen is immers een van de risico’s van beleggen. Via dat verlies betaalt de belegger dan mee aan de kosten van het bestrijden van de crisis. Kosten die nu alleen bij de belastingbetaler worden gelegd.

Resetknop

In mijn laatste Prikkers heb ik het vaak over het ‘na-coronese tijdperk’. Wat zou er anders moeten en hoe? Ik ben hierin niet de enige. In de Volkskrant besteedt Paul Onkenhout aandacht aan de voetbalwereld. Voor lezers die niets met voetbal hebben, in deze Prikker gebruik ik het voetbal, en dan vooral het professionele voetbal als metafoor voor de samenleving. Dit omdat de sport in het algemeen, en het professionele voetbal in het bijzonder, sterk leunt op het ‘winners takes it all’ denken. Denken dat ook de rest van de samenleving in haar greep heeft. Onkenhout stelt in zijn column een interessante vraag: “Wanneer precies transformeerde het voetbal van een volkssport in een commercieel circus en naar welke periode zouden we terug moeten keren?” 

Een heel interessante vraag, behalve dan het stukje, terug gaan naar … . Teruggaan naar het verleden is geen goed idee. Het verleden moeten we bestuderen om te bekijken waarom men toen koos waarvoor men koos. In deze Prikker ga ik op zoek naar een antwoord op het eerste deel van die vraag. Met dat antwoord kijk ik vervolgens naar de bredere samenleving.

Onkenhouts antwoord: “Ik ben er zelf wel zo’n beetje uit. Het voetbal is verziekt, aan de top. Ik weet ook precies wanneer het dieptepunt is bereikt. Dat was op 2 december 2010, de dag dat de FIFA het wereldkampioenschap in 2022 toewees aan een klein land in de woestijn, Qatar, zonder voetbaltraditie en zonder stadions; een land met een gemiddelde zomertemperatuur van een graad of 45 en een omvangrijk arsenaal rechteloze dwangarbeiders.” Ik kan Onkenhouts redenering volgen. Alleen zou ik dat niet willen zien als het begin van die transformatie, maar als het voorlopige dieptepunt. 

Laten we eens wat verder teruggaan in de tijd en dat doen aan de hand van de huidige ‘heilige graal’ de Champions League, het ‘bal der kampioenen’. En daar begint het al te wringen. Hoezo kampioenen als er bijvoorbeeld vier Engelse, Duitse, Italiaanse en Spaanse clubs deelnemen? En zo komen we in 1997, het jaar dat er voor het eerst niet-kampioenen mochten deelnemen. Uiteindelijk komen we bij de start van de Champions League in 1992. Het jaar dat het commerciële belangrijker werd dan het sportieve. Na twee ouderwetse knock-out ronden werden er poules gevormd. Hierdoor nam het aantal wedstrijden toe en dus de tv- en reclame-inkomsten. 

Ietsjes eerder, in 1990, werd er voor het eerst meer dan € 10 miljoen voor een speler betaald. Voor dat bedrag ging Roberto Baggio, de speler waar de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco lyrisch over schrijft, van Fiorentina naar Juventus. Maar waarin verschilt het, behalve dat, van € 8 miljoen waarvoor Gullit in 1987 PSV verruilde voor AC Milan. AC Milan dat was toen in handen van mediamagnaat, multimiljardair en later premier Silvio Berlusconi. Een voetbalclub als ‘speeltje’ van een miljonair. Als je het mij vraagt ligt het antwoord op het eerste deel van Onkenhouts vraag ergens in de jaren tachtig. Vanaf dat moment deed de echte commercie haar intrede in de voetbalwereld en stegen de salarissen en transfersommen aan de top exponentieel en fors sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp van Europa groeide tussen 1980 en nu met bijna 2% per jaar. Als we de transfersom van Baggio in 1990 tot en met 2020 indexeren met 2%, dan levert dat een bedrag van net geen € 20 miljoen op. Voor dat bedrag koop je tegenwoordig een modale rechtsback. Het hoogste transferbedrag op dit moment is 11 keer zo hoog. Paris Saint Germain, eigendom van een sheik uit Qatar, betaalde € 222 miljoen om de Braziliaan Neymar over te nemen van Barcelona. De groei van de transfersommen vertoont meer gelijkenis met de vermogensstijging van de rijkste 0,1%.

En daarmee is de link tussen voetbal en de samenleving gelegd. De ontwikkelingen in het voetbal zijn een spiegel van de samenleving. Een ontwikkeling die eind jaren zeventig begon met de verkiezing van Margaret Thatcher tot premier van de Britten en begin jaren tachtig met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van Amerika. Voor beiden was de overheid een onderdeel van het probleem en wel het onderdeel dat de oplossing in de weg stond. Die overheid moest indammen ten faveure van bedrijven die elkaar beconcurreren op een vrije markt. Daarop werden staatsbedrijven geprivatiseerd en vooral belastingen verlaagd. En dan vooral voor de hoogste inkomens. Bij het aantreden van Reagan in 1981 bedroeg het laagste tarief in de VS 13,825%, het hoogste 69,125%. Hoog, maar lager dan op de piek in 1952 toen het toptarief 92% bedroeg. Bij zijn afscheid in 1988 was het laagste tarief gestegen naar 15%, en het hoogste gedaald naar 28%. Een geweldig voordeel voor de rijkste Amerikanen waarvan de rekening bij de armen en middeninkomens werd gelegd. De rest van de wereld volgde dit Amerikaanse voorbeeld en verlaagde de hoogste belastingtarieven. Zo is dit in Nederland van 72% gegaan naar 48,5% nu. Niet zo extreem als in de VS, maar toch. 

Dit werd onderbouwd met de bijzondere economische theorie van de ‘trickle down economics’. Die theorie gaat ervan uit dat de armen alleen maar rijker kunnen worden door de rijken nog rijker te maken. De rijken scheppen banen via hun investeringen en zorgen er zo voor dat de totaal te verdelen koek groter wordt. Natuurlijk krijgen zij hier zelf een flink deel van maar via die extra banen krijgen ook de armen een deel van de grotere koek. Het geldt sijpelt van boven (rijk) naar beneden (arm). Alleen hebben de afgelopen jaren geleerd dat de zwaartekracht niet van toepassing is op geld. Het ‘sijpelt’ als er niets aan wordt gedaan niet naar beneden, maar naar boven. De rijken worden steeds rijker, de armen niet noemenswaardig rijker en vaak zelfs armer. Door deze maatregelen krijgen rijken meer geld beschikbaar en enkelen van hen kochten voetbalclubs. Die clubs moesten natuurlijk wel ‘winnen’ en dus werden spelers gekocht en die spelers kregen steeds meer betaald. Zo is ook in de Volkskrant te lezen dat het in corona-tijden ook voor topsporters sappelen is. Zo mist Frenkie de Jong nu al gauw € 2 tot 3 miljoen van zijn salaris van € 10 miljoen. Van dat gemis kan de hele club Eerstedivisieclub Telstar een heel jaar draaien. Dit om het even in perspectief te zetten voordat je medelijden met De Jong krijgt.

Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en twee jaar later de Sovjet Unie instortte, leek het alsof Reagan en Thatcher het bij het rechte eind hadden. De Westerse vrije markt had definitief ‘gewonnen’ van de communisten en socialisten. Er leek geen alternatief meer voor de vrije markt. Of het toeval is weet ik niet, maar in 1992 startte de Champions League en verstevigde de commercie de greep op het voetbal. Een greep die zich in de jaren erna verstevigde en die uiteindelijk in december 2010 leidde tot de keuze voor Rusland als organisator voor het wereldkampioenschap in 2018 en Qatar in 2022. 2010 dat was ten tijden van de economische crisis als gevolg van de slechte leningen. Een crisis waarbij de Westerse banken en kredietinstellingen met flinke staatssteun overeind werden gehouden zonder dat er iets veranderde aan de manier van werken en belonen bij die banken. Om het cru te zeggen, aapten de Westerse banken en kredietinstellingen de Russische oligarchen en de sjeiks uit het Midden-Oosten na. Die eersten hadden sinds 1995 laten zien hoe je je verrijkt ten kosten van de gewone man en de staat. De laatsten, de sjeiks, pasten dat trucje al veel langer toe door zich de olieopbrengsten toe te eigenen.

In zijn column citeert Onkenhout Louis van Gaal: “ Maar: uiteindelijk is de marktwerking in de voetbalwereld niet afhankelijk van corona. De rijken blijven de rijken. En de armen blijven arm, ook straks.” Waarop Onkenhout even later verzuchtend eindigt met: “Er is geen resetknop. De marktwerking, weet je wel.” Als het allemaal begon met het geloof in ‘trickle down economics’ en verlaging van de inkomstenbelasting, zou dat dan geen resetknop kunnen zijn? Als we op Europees niveau kunnen komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000, zouden er dan nog steeds van die exorbitante bedragen aan transfers en salaris worden betaald? Dan zou Frenkie, een geweldige voetballer trouwens, netto net iets meer dan anderhalf miljoen overhouden. Een bedrag waar je iemand meer dan honderd jaar bijstand van kunt betalen. De Spaanse overheid kreeg dan fors meer belastinggeld binnen om de gevolgen van corona aan te pakken. Maar vooral ook om de onderwijzers, het verplegend personeel en de politieagenten fatsoenlijk te belonen voor hun werk.

Imaginair construct gezocht

“Nu al drukt deze pandemie haar stempel op onze economie: de beurzen staan zwaar in de min, winkels en horecagelegenheden moeten noodgedwongen hun deuren sluiten en zelfstandigen komen zonder opdrachten te zitten. Het is duidelijk dat de economische gevolgen langdurig zullen zijn.” Dat is de inleiding van Jesse Frederik voor een serie artikelen te vinden bij De Correspondent waar: “de belangrijkste inzichten over deze economische gevolgen van het coronavirus” worden beschreven. Een verzameling met als titel: Wat deze pandemie de economie kost. Laten we, in het kader van het nadenken over de ‘na-coronese periode’, deze laatste zin eens wat uitdiepen.

De pandemie ‘kost’ de economie iets. Maar wat is ‘de economie’? ‘Economie’ heeft, aldus Van Dale, drie betekenissen. Als eerste “zuinigheid”. Als tweede: “de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.” En als laatste: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Frederik heeft de derde betekenis voor ogen. Een betekenis die we te danken hebben aan de oude Grieken. Het is een samentrekking van de woorden ‘oikos’ en ‘nomos’ samen te vertalen als huishoudkunde. Voor de oude Grieken was dit het besturen van hun huishouden. Dat huishouden is niet te vergelijken met een huidig gezinshuishouden. Het bestond uit een pater familias met zijn vrouw, broers, ongehuwde zussen en al hun kinderen en kleinkinderen. Dit nog aangevuld met slaven voor in huis en op het land. ‘Huishouden’ is een metafoor voor een ‘staat of land’, een:  “beeldspraak die berust op een vergelijking”, zoals de Van Dale het omschrijft om het vervolgens met een voorbeeld te verduidelijken: “het schip van de woestijn is een metafoor voor kameel”.

Het gebruik van imaginaire beelden en die zien als een werkelijkheid, is een van de unieke eigenschappen van de mens. Die eigenschap maakt de mens, zo betoogt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, uiterst succesvol. Het grootste deel van ons leven speelt zich af in imaginaire constructies die ons binden, of scheiden. Neem eigenaarschap van een stukje grond. Ergens op een stukje papier staat dat iemand een stuk grond bezit. Dat heeft voor ons waarde. Dat zorgt ervoor dat anderen er niet over lopen. Een konijn laat zich er echter niet door hinderen. De Fransman Jean Jacques Rousseau heeft dit in 1754 treffend beschreven: “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden.” Landen, gemeenten, provincies maar ook bedrijven, verenigingen, geld en religies zijn net zo’n imaginaire constructen. Ze bestaan omdat wij vinden dat ze bestaan.

En nu we het toch over beeldspraak en metaforen hebben en daarmee terug naar het onderwerp, ook Frederik maakt gebruik van een metafoor. Hij lijkt de economie te zien als een ‘persoon’. Een persoon die kosten maakt, die schade oploopt, die kan afvallen (krimpen) maar ook kan aankomen (groeien). Een persoon die kosten kan maken en ook baten kan hebben. Alleen kun je de persoon ‘economie’, in tegenstelling tot een echte persoon niet beetpakken. Je kunt er ook geen ‘anderhalve meter afstand’ van houden. Om die imaginaire persoon ‘economie’ maken zeer veel mensen zich flinke zorgen. Met die persoon gaat het nu slecht. Zij lijdt aan corona en daardoor maakt zij kosten. Kun je haar ‘pijn’ al voelen?

Maar wat als we die imaginaire constructie ‘economie’ laten voor wat ze is? Wat zien we dan? Dan zien we dat de corona-pandemie mensen iets kost. De pandemie kost mensenlevens, ze kost mensen hun gezondheid, ze kost sommigen hun levenswerk en anderen verliezen hun baan. Als we vervolgens kijken wat een mens echt nodig heeft en wat ‘luxe’ is, is er dan, behalve het leed van de zieken en het verdriet van de nabestaanden van overledenen, een probleem? Er is voldoende te eten en te drinken voor iedereen. Er zijn voldoende ‘daken’ om iedereen onderdak te bieden. Even goed verdelen en links en rechts wat herverdelen en we kunnen verder. Ja, wellicht verliezen we een beetje luxe omdat we niet op vakantie kunnen. Maar is dat werkelijk een probleem? Onze voorvaderen hebben eeuwen overleefd zonder ‘vakantie’. Het enige wat er nog ontbreekt is een nieuw bindend  ‘imaginair construct’.

Terug naar een basisinkomen

“In de afgelopen weken klonk de roep om een basisinkomen luider dan ooit. En terecht: de wereldwijde coronacrisis vraagt om radicale maatregelen. Zelfs de Amerikaanse overheid deelt geld uit. Zeven jaar geleden schreef ik voor het eerst voor De Correspondent over een bijna vergeten idee dat nu overal weerklank vindt: gratis geld voor iedereen.” De aanheft boven een opnieuw gepubliceerd oud artikel van Rutger Bregman bij De Correspondent. Onder het artikel opnieuw een levendige discussie over nut, noodzaak en herkomst van het idee ‘basisinkomen’. Bregman noemt de neoliberale goeroes Friedrich Hayek en Milton Friedman als aanhangers van het idee en gaat zelfs terug tot Thomas More’s Utopia. Even wat historisch perspectief.

In dit deel van de wereld, en misschien ook in andere maar daar weet ik het niet van, was een ‘basisinkomen’ eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld. Nee, niet zoals Bregman het beschrijft een beurs met munten, maar het gezamenlijk gebruik van grond, een vijver, een bos, een weide. In goed Nederlands noemden ze dat de meent. Het woord gemeente is ervan afgeleid. De meent was een stuk grond, bos, vijver, rivier, dat de inwoners van het dorp konden gebruiken om de opbrengst van hun eigen kleine stukje grond aan te vullen. Het was meestal niet de beste of makkelijkst te bewerken grond. Aanvullen door er een konijn of vis te vangen, door hout te sprokkelen of bramen te plukken. De bewoners van een dorp hadden het gebruiksrecht, de grond was in eigendom van de landheer. Die landheer was niet bij machte om die rechten aan te tasten. Dit was een onderdeel van het feodale systeem.

In goed Engels noemen ze de meent commons. En wellicht gaat er nu bij een enkeling een belletje rinkelen: er was toch iets met Tragedy of the Commons? Een enkeling zal het begrip kennen van het pamflet In ons belang van Albert Jan Kruiter en Eelke Blok uit 2011. De munter ervan is echter de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. Hardin schreef in 1968 een artikel met als titel The Tragedy of the Commons.

Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever één schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn één schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt.

Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van The Tragedy of the Commons. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort. Je zou hieruit kunnen concluderen dat omdat vroeger het ‘basisinkomen’ niet werkte vanwege het egoïsme van de boeren, ook nu het basisinkomen gedoemd is te falen. 

Er is echter iets met deze ‘tragedie’. Dit is namelijk niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het  gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren, laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral overgebruik van deze gronden. Geld speelde maar een zeer marginale rol. Dit heeft eeuwenlang goed gefunctioneerd. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele ‘enclosure acts’. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten zij graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. 

Bijzonder schril voorbeeld hiervan is An Gorta Mór. De Ierse hongersnood van 1845-1849. De arme Ieren leefden in die tijd op aardappelen die ze zelf verbouwden. Dat ging jarenlang goed waardoor de bevolking was gegroeid. in 1845 begon het fout te gaan. Een beruchte aardappelziekte deed haar intrede: Phytophthora infestans. Dat er bijna geen aardappelen meer waren, wilde niet zeggen dat er niets te eten was in Ierland. Er was nog voldoende, alleen was dat in handen van Engelse landeigenaren die de beschikbare  producten, onder andere boter en vlees, verkochten op de wereldmarkt omdat ze daar een ‘betere prijs’ konden krijgen. De arme Ieren hadden het nakijken. Niets te eten en ook geen opbrengst om de pacht voor dat kleine stukje grond aan die Engelse landheer te betalen. Die landheer maakte het vervolgens nog erger door de pachters hun land en huis af te nemen. Dit alles zorgde ervoor dat de bevolking terugliep van 8 miljoen naar 3,5 miljoen. Een flink deel door sterfte en het grootste deel omdat ze emigreerden naar de Verenigde Staten.

De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud omdat hen de toegang tot de gemene gronden werd ontzegd. Die kant wordt door Karl Polanyi in zijn boek The Great Transformation treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en vergemakkelijkten zo de industriële revolutie.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op eerdere of latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld Afrikaanse landen. Waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time. Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland.  

Dus ja, de markt en hebzucht maakten een einde aan de eerdere vormen van een ‘basisinkomen’. Niet de ‘hebzucht’ van de kleine boeren, maar de hebzucht van de landheren, de ‘rijken’. En daarmee zijn we aanbeland bij Bregmans pleidooi voor een basisinkomen en waarom het een hele strijd wordt om het ingevoerd te krijgen, als het al lukt. De vroegere rijken en machtigen eigenden zich het vroegere ‘basisinkomen’ toe en de huidige rijken en machtigen zullen een nieuw basisinkomen moeten betalen. Betalen op twee manieren. Als eerste door meer belasting te betalen en als tweede omdat ze hun goedkope arbeidskrachten verliezen. Verliezen niet omdat mensen met een basisinkomen te lui zijn om te werken. Nee verliezen omdat ze, zoals Bregman in dit artikel laat zien, eigen keuzes maken hoe ze hun leven willen invullen. Keuzes die wel eens een andere kunnen zijn dan in het magazijn bij Amazon, Bol.com of het aspergeveld. Of misschien juist wel daar, maar dan op een gelijkwaardige voet. Een basisinkomen vraagt, om Polyani te parafraseren ‘a revolution of the poor against the rich.’

‘Grootste Europeaan ooit’

In een interview met de Volkskrant geeft minister Hoekstra aan wat hij wil: “We willen solidair en verstandig zijn.” Daar kan niemand tegen zijn. Hoekstra legt uit wat hij verkeerd vindt aan Eurobonds: “Met eurobonds ga je toe naar een schuldenunie en dat vinden wij niet verstandig. Euro-obligaties, waarbij alle eurolanden garant staan voor elkaars staatsschulden, passen niet bij een unie waarin de lidstaten allemaal over hun eigen begroting gaan. Eurolanden beslissen zelf hoeveel schulden ze maken en waar ze hun geld aan uitgeven. Dat ze die budgettaire vrijheid hebben is terecht, want elke regering in Europa legt verantwoording af aan haar eigen, nationale parlement.” Een bijzondere redenering: een schuldenunie is niet oké, een schuldenland wel? Toch ben ik het voor een belangrijk deel met hem eens dat schulden maken niet oké is. Niet voor de Unie en ook niet voor een land.

“De eurozone verkeert in een fundamenteel andere situatie dan de Verenigde Staten. Europa heeft geen centrale overheid. En wij zijn ook geen voorstander van zo’n centraal Europees gezag.” Met die zinnen vervolgt Hoekstra zijn  betoog tegen de Eurobonds. Heel bijzonder om te horen dat de Unie geen gezag heeft, terwijl de afgelopen jaren zo ongeveer alle ellende vanuit de ‘moloch Brussel’ kwam. Dat even terzijde. Nog niet zo lang geleden, bijna een jaar, pleitte Hoekstra voor de EU als machtsblok dat zich op het gebied van buitenlands politiek en defensie veel meer als eenheid moet opstellen. Een week of twee geleden pleitte hij voor: “een flinke pot geld …om toekomstige pandemieën het hoofd te bieden.” En wie moet die pot creëren? De Europese Unie! Voor iemand die geen ‘voorstander is van ‘centraal Europees gezag’ pleit hij wel vaak voor ‘centraal Europees gezag’. ‘Centraal Europees gezag’ dat er op verschillende terreinen trouwens al is. Het enige waaraan het dat ‘centraal Europese gezag’ mankeert, is slagkracht en democratische controle. En nog iets, namelijk middelen om dat gezag kracht bij te zetten.

Met het schrijven van Prikkers verdien ik, tot mijn verdriet, geen droog brood. Toch doe ik het omdat het mij energie geeft en het houdt mijn gedachten scherp. Om toch ‘droog brood’ en liefst iets meer te kunnen eten, werk ik als beleidsadviseur, veelal voor gemeenten. Daar gaat het mij nu even niet om. Maar dat werk leerde me wel dat Nederlandse gemeenten, dat klinkt misschien vreemd, iets gemeen hebben met de Europese Unie.  Gemeenten kunnen net als de EU niet voorzien in al hun eigen inkomsten.

Het gros van het geld, ongeveer tweederde waarop gemeenten draaien komt van de rijksoverheid. Een deel als algemene uitkering en een kleiner deel als doeluitkering. Het deel algemene uitkering mogen gemeenten vrij aanwenden. Een doeluitkering moet worden besteed aan het doel waarvoor het geld wordt gegeven. De gemeente is daarmee afhankelijk van de Rijksoverheid. Dit maakt haar kwetsbaar en dat blijkt. Sinds de gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdzorg en de zorg voor ouderen, kampt een toenemend aantal gemeenten met tekort aan geld. Aan de ene kant hebben ze de plicht om die zorg te bieden. Aan de andere kant hebben ze geen mogelijkheid om die stijgende kosten te dekken via belastinginkomsten. Het eigen belastinggebied, de onroerende zaakbelasting, honden-, pecario- en toeristenbelasting is te gering. Bovendien begrenst de rijksoverheid de mogelijke stijging van de onroerende zaakbelasting, de belangrijkste van de gemeentelijke belastingen. De totale uitgaven van alle gemeenten bedragen zo’n 60 miljard per jaar. Dit is ongeveer 8% van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp).

Voor de Europese Unie geldt eigenlijk hetzelfde. Ruim tweederde is afkomstig uit de afdrachten van de landen. De ‘contributie’ om het zo maar te zeggen. Deze bedraagt zo ongeveer 1% van het bbp. Daarnaast zijn er de ‘traditioneel eigen middelen’, dat zijn invoerrechten. Deze worden, vanwege het steeds maar verlagen van deze rechten, steeds minder. Als laatste dragen landen een deel van de BTW af aan de Unie. De totale begroting van de Europese Unie bedraagt zo’n 160 miljard. Een fors bedrag maar het is net iets meer dan 1% van het Europees bbp. Voor het grootste deel van dat geld, de ‘contributie’ is de Unie afhankelijk van de landen en dat gaat de laatste jaren niet van harte. Het is al snel te veel.

Historische ervaring, zo leert mij Kapitaal en Ideologie van Thomas Piketty, laten zien dat defensie, grensbewaking en buitenlandse politiek gemiddeld anderhalf tot twee procent van het bbp kosten. Als je een ‘machtsblok’ wilt zijn, is er meer nodig laat Piketty zien. Die twee procent waren voor China, India en andere gekoloniseerde staten niet voldoende om ‘het Westen’ buiten de deur te houden. Volgens Piketty was de Westerse dominantie niet zozeer het gevolg van onze wapens en technisch vernuft. Die hebben zeker wel geholpen. Nee, ze was veeleer een gevolg van financieel vernuft. Vernuft dat eruit bestond om, vanaf ongeveer het jaar 1500 meer dan die twee procent ‘belasting’ bij de bevolking op te halen. Dat meerdere werd gestoken in legers. Legers die binnen Europa elkaar bevochten en die in toenemende mate werden gebruikt om de wereld te domineren en zo rijkdom van elders naar Europa te laten stromen. Rijkdom in de vorm van goud en zilver en later in de vorm van grondstoffen voor de productie van goederen. Goederen die vervolgens in de koloniën werden afgezet. Goederen waarvan de productie in de koloniën werd gesaboteerd en verboden.

Een overheid is zo sterk als haar zeggenschap over haar inkomsten. De Europese Unie staat er op dat gebied net zo slecht voor als de Nederlandse gemeenten. Ze moet ‘bedelen’ om geld. Mijn vorige, als bewerking van Dickens’ A Christmas Carol vormgegeven, Prikker sloot ik af met de zin: “Zou Wopke ‘de beste Europeaan ooit’ worden?” Wellicht dat het Hoekstra lukt om ‘beste Europeaan’ te worden, als hij zijn pleidooi voor Europa als machtsblok kracht bijzet. Kracht bijzet door te pleiten voor een sterk democratisch gecontroleerd centraal Europees gezag. Een gezag met duidelijke bevoegdheden, waarvan Hoekstra er in het verleden een paar heeft genoemd, en een stevig eigen belastinggebied. 

Wat zou dan dat eigen belastinggebied moeten zijn? Ook daarvoor biedt Piketty aanknopingspunten: de belasting op bedrijfswinsten, de vennootschapsbelasting. Een terrein waarop Europese landen met elkaar concurreren en waar vooral de grote multinationals van profiteren. Profiteren omdat ze landen tegen elkaar uitspelen en, zoals Shell volgens Trouw, afspraken maken, zogenaamde rulings, met overheden waardoor ze nog minder betalen. Door deze belasting naar Europees niveau te centraliseren, wordt dit een stuk lastiger en vervalt in ieder geval de concurrentie tussen de landen van de Unie.

Van de revenuen van deze belasting moet de Europese Unie vervolgens alle taken vervullen die haar zijn toebedeeld, defensie, buitenlandse politiek, grensbewaking, versterken van de economische structuur en ook optreden in geval van crisis. De contributie kan dan vervallen, net als de uitgaven van de landen op de terreinen waar de Unie verantwoordelijk voor wordt. Als dat defensie is, dan vervallen de Nederlandse defensie-uitgaven. Net zoals de Nederlandse douane dan een onderdeel wordt van de Europese. Als het Hoekstra lukt om dit te bereiken dan komt hij in aanmerking voor de titel ‘beste Europeaan ooit’.

‘Corona-heffing’

“Schuld haalt energie van de toekomst naar het heden. Daar staat tegenover, dat door te sparen energie uit het verleden kan worden vergaard en naar de toekomst kan worden gestuurd.” Dit schrijft Tomáš Sedláček op pagina 109-110 van zijn boek De economie van goed en kwaad. Hij ziet schulden aangaan als een vorm van tijdreizen. Ik moest hieraan denken toen in de Volkskrant een klein interview las met de directeur van de Nederlandsche Bank Klaas Knot. Knot zegt daarin: “Ik stel dat op iedere vergadering aan de orde. Maar duidelijk is dat de regels van het Verdrag van Maastricht permanente monetaire financiering van eurolanden verbiedt.” Het ‘dat’ is de afwikkeling van het opkopen van schulden door de Europese Centrale bank (ECB).

Om welke bedragen gaat het dan? “De ECB heeft tot nu toe voor 2,6 biljoen (2600 miljard) obligaties in het eurosysteem opgekocht. Dat loopt dit jaar door nieuwe opkoopprogramma’s op tot 3,6 biljoen op een totale schuld van 10 biljoen euro.” De totale schulden van de Eurolanden bedragen dus zo’n 10 biljoen en daarvan heeft de ECB er nu al 2,6 biljoen opgekocht. En dan niet alleen van de ‘zwakke Zuid-Europese Eurolanden’. Nee: “Van de Nederlandse staatsschuld van 400 miljard is al eenderde in handen van de ECB.” Er gaan dagen in mijn leven, tot nu toe alle, voorbij dat ik een dergelijk bedrag niet tot mijn beschikking had. We hebben in het verleden daarmee flink toekomstige energie tot ons genomen. Die moet ooit worden afgelost en daarover betalen we rente. In Kapitaal en Ideologie onderzoekt Thomas Piketty ongelijkheid in het verleden en in verschillende samenlevingen. In dit boek beschrijft Piketty verschillende manieren waarop er in het verleden met schulden werd omgegaan. Misschien biedt dit aanknopingspunten voor het beantwoorden van Knots vraag. Daarom hieronder de opties. 

Een eerste variant is afbetalen. Dan betalen onze nakomelingen Sedláčeks ‘energierekening’. Om die rekening te kunnen betalen moet een land een overschot hebben op de begroting en dat overschot moet worden besteed aan het betalen van de rente op, en het aflossen van de schuld. Een goed voorbeeld van wat het aflossen van een schuld voor een land kan betekenen, is Haïti. Dat land werd in 1804 onafhankelijk van Frankrijk. Dit na de enige succesvolle slavenopstand in de geschiedenis. Nou ja succesvol. Dat succes kwam tegen een enorm hoge prijs. Haïti was begin 19e eeuw de grootste en belangrijkste producent van suiker. Na de onafhankelijkheid verplaatste de suikerproductie zich naar andere eilanden, zoals Cuba, waar slavernij nog ‘normaal’ was. Pas in 1825 erkende kolonisator Frankrijk de onafhankelijkheid en gaf het aan bereid te zijn af te zien van een invasie van het land. Die bereidheid kostte Haïti 150 miljoen goudfranken als vergoeding aan de voormalige slavenhouders. Haïti heeft er tot 1950 over gedaan om die schuld af te betalen en behoort nu tot de armste landen van de wereld.

Aflossen is ook de manier waarop Nederland met de staatsschuld omgaat. Alhoewel aflossen. Als we naar de ontwikkeling van de Nederlandse staatsschuld kijken, dan valt op dat die bijna permanent groeit. Alleen de afgelopen drie jaar is er wat afgelost. Nederland lost niet af, het leent om oude leningen af te lossen en legt de ‘energierekening’ bij de komende generaties. 

De geschiedenis leert dat er ook andere manieren zijn. De meest drastische manier waarop een heerser in vroeger eeuwen zijn schulden kon voldoen, was het uitschakelen van de schuldeiser. Je dood de schuldeiser en zijn familie en er is niemand meer die de schulden komt innen. Een zeer drastische manier met als nadeel dat er niemand meer iets aan je zal lenen. De gedoden kunnen het niet meer en de levenden met een flink vermogen, kijken wel uit om je nog wat te lenen. Trouwens niet alleen vroeger. Het Irak van Saddam Hoessein gebruikte deze variant toen het in augustus van 1990 Koeweit binnenviel. Koeweit was, naast Saoedi-Arabië, een van de belangrijke financiers van Irak toen dat land Iran binnenviel. Koeweit was (en is) als de dood voor het Iran van de ayatollahs dus de Iraakse inval in Iran kon op sympathie rekenen. Het Iraakse verzoek om in ieder geval een deel van die schulden kwijt te schelden, kon op minder sympathie rekenen. Daarop probeerde Irak een schuldeiser uit te schakelen.

Een tweede manier die vroegere machthebbers gebruikten was het ge- en sommigen zullen zeggen misbruik maken van hun muntrecht. Door de hoeveelheid goud of zilver in een munt te verminderen, slonk de schuld. De duizend gouden florijnen die de koning je schuldig was, bevatten ineens minder goud waardoor de koning goedkoper uit was. 

In onze moderne tijd waarin geld geen goud meer bevat maar leeft van vertrouwen, noemen we dit inflatie. Direct na de Tweede Wereldoorlog gebruikte Frankrijk deze manier om de door de oorlog fors gegroeide schuldenlast te laten slinken. Tussen 1945 en 1948 was de inflatie 50% waardoor die schuld als sneeuw voor de zon verdween. Reken maar mee. Na één jaar is de schuld van 100 nog steeds 100 maar je kunt voor die honderd maar voor 50 spullen kopen. Weer een jaar later nog maar 25 en via 12,5 uiteindelijk 6,25. Deze manier kent als nadeel dat je voor het loon wat je verdient, steeds minder kunt kopen. Tenzij natuurlijk de lonen, in het Franse voorbeeld ieder jaar met 50%, stijgen. Dan blijft de koopkracht behouden. De schade wordt op deze manier verplaatst naar degenen die je het geld hebben geleend. Zij krijgen Sedláčeks ‘energierekening’ gepresenteerd. Dat waren in het Franse geval, vooral de zeer vermogende lieden. Daarbij is het goed om te weten dat vermogen voor de twee oorlogen extreem ongelijk was verdeeld. De rijkste 10% bezat in de Europese landen tussen de 85 en 95% van al het vermogen. De rijkste 1% zo rond de 60%. Die konden daarmee wel wat lijden.

Een andere manier om van de schulden af te komen, werd door de Sovjet Unie toegepast. Die verklaarden een nieuwe staat te zijn en niet de rechtmatige opvolger van het Tsarenrijk. Dit betekende dat alle schuldeisers, en dat waren ook veel van die vermogende westerlingen, naar hun centen konden fluiten. Dat ‘fluiten’ deden ze niet zonder slag of stoot. Daarbij werd de ‘kanonneerboot diplomatie’ toegepast. Die ‘diplomatie’ was al verschillende keren met succes toegepast, bijvoorbeeld in China. Als de Chinese keizer leningen niet wilde betalen, dan stuurden alle Westerse landen samen oorlogsschepen en troepen om de keizer weer in het gareel te krijgen. Die leningen waren de Chinezen trouwens opgelegd ter bekostiging van bijvoorbeeld de ‘Opiumoorlog’ die zij van de Engelsen verloren. En ook de kosten van die ‘kanonneerboot diplomatie’ werden weer bij het slachtoffer gelegd. De Verenigde Staten, de Fransen en Engelsen stuurden troepen naar de nieuwe Sovjet Unie. Troepen die aan de kant van de ‘witten’, de aanhangers van de tsaar, streden tegen de ‘roden’, de Sovjets. Deze keer echter tevergeefs, de ‘roden’ wonnen de strijd en de schuldeisers konden fluiten naar hun geld en hun bezittingen in de nieuwe Sovjet Unie. Een mildere variant hiervan is nationalisatie van land en bedrijven. Ook die bieden een mogelijkheid omvat schulden af te komen.

Even terzijde. ’Kanonneerboot diplomatie’ wordt tegenwoordig trouwens nog steeds toegepast. De reactie op de hierboven aangehaalde Iraakse inval in Koeweit zou je in dit licht kunnen zien. Net zoals het zenden van schepen naar de Perzische golf om Iran in het ‘gareel’ te krijgen. De meest voorkomende variant van moderne ‘kanonneerboot diplomatie’ zijn de economische sancties.

Een redelijk recente manier om schulden af te betalen is extra progressieve belastingheffing op vermogen. Deze manier werd voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog toegepast. Piketty (pagina 475): “ Al meteen na de Eerste Wereldoorlog, tussen 1919 en 1923, waren in verschillende Europese landen, Italië, Tsjechoslowakije, Oostenrijk en Hongarije onder andere, speciale heffingen op privékapitaal uitgeprobeerd met percentages tot 50% voor de hoogste vermogens. Een van de ingrijpendste maatregelen, die ook het meeste opleverde, lijkt de speciale Japanse heffing van 1946-1947 te zijn geweest met percentages tot 90% voor de grootste effectenportefeuilles. De nationale solidariteitsbelasting waar in 1945 in Frankrijk toe werd besloten valt ook in die categorie, als was de opbrengst bedoeld voor de algemene begroting en niet specifiek om de schuld te verminderen.”  

Als we naar de verschillende manier om met schulden om te gaan kijken, dan is aflossen natuurlijk de meest nette. Alhoewel netste manier? Als je kijkt naar wie dan het gros van de rekening betaalt, dan zijn het vooral de zwakkere schouders die de lasten dragen. Het voorbeeld ‘Haïti’ laat zien dat de rijke Franse slavenhouders volledig werden ‘gecompenseerd’ voor hun geleden schade. Dit terwijl de voormalige slaven de rekening moesten betalen. Dit komt in grote lijnen overeen met de manier waarop we nu met ‘schulden’ omgaan. Neem de recente ‘Eurocrisis’. Wie werden er gered en wie betaalde de rekening? Waren het niet de grote financiële instellingen die werden gered ten koste van bijvoorbeeld de ‘gewone Griek’? Die laatste verloor een groot deel of al zijn inkomen terwijl de ‘Europese kredieten’ de banken redden. Degenen met de grootste vermogens, die 1% en zeker de 0,1% hadden hun schaapjes al naar het veilige ‘droge’ gebracht. Hun belangen werden goed vertegenwoordigd door de banken en de financiële markten.

Het mooie aan een virus zoals het huidige corona is dat het niet discrimineert naar inkomen. Het houdt geen rekening met je vermogen. Dat wil niet zeggen dat vermogende er niet beter voor kunnen staan. Quarantaine in een villa is wat anders dan in een flatje. Zeker als je in die villa je eigen IC kan inrichten. Bij het bestrijden van dit virus, moet iedereen een bijdrage leveren. De arts en verpleegkundige doen dit in het ziekenhuis. Ik door zoveel mogelijk thuis te blijven en door een stuk inkomen in te leveren. Zo moet iedereen zijn deel bijdragen. 

Zou dat niet ook bij het betalen van de rekening moeten gebeuren? En als we dan toch bezig zijn, zullen we daar dan de rekening van de vorige crises niet ook maar in meenemen? Het ‘doden’ van de schuldeisers gaat mij daarbij te ver. Het ‘nationaliseren’ van zaken, zoals patenten (op geneesmiddelen) waarvoor in Keuze na corona  pleit, is meer iets om komende crises te bestrijden. Daar hebben we nu niets meer aan. Inflatie kan helpen om de schuld draaglijker te maken. Dit is zeker aantrekkelijk maar dit moet wel worden gecombineerd met een stijging van de inkomens. Anders betalen de rijken met geld en de armen met hun leven. 

Blijft over de heffing op kapitaal, een ‘Europese corona-heffing’ op vermogen waarmee we de staatsschulden voor het grootste deel afbetalen. Een interessante optie. De vermogende 10 en 1% betaalt de rekening aan zichzelf. De overige 90% draagt de gevolgen van de economische dip. Gevolgen zoals bijvoorbeeld baanverlies.

Keuzes na corona: ‘effecten’

Op de site van de overheid is de lijst met cruciale beroepen of vitale processen te vinden. Die lijst van cruciale beroepen maakt nederig. Het zijn precies die beroepen die er bekaaid af komen voor wat betreft beloning. Leraren, verpleegkundigen en vuilophalers bevolken niet de bovenkant van het loonhuis. De lijst met cruciale processen bevat zaken als drinkwater, stroom-, olie- en gasvoorziening maar ook moderne zaken zoals internettoegang. Bij alle processen op de lijst kan ik mij een beeld vormen van het belang voor ons dagelijkse leven.  

Zonder drinkwater hebben we een groot probleem. We kunnen immers maar een paar dagen zonder eten. De lijst laat zien dat een ramp waarbij de elektriciteit langdurig uitvalt ons leven helemaal stillegt. Voor wie daar meer moeite mee heeft, lees het boek De Tweede Slaap van Robert Harris. Bij allemaal? Nee, niet bij allemaal. Van één proces op de lijst zie ik het belang voor onze samenleving niet in. Zeker niet in tijden van crisis. Dat proces is het effectenverkeer.

In zijn uitzending van zondag 22 maart besteedde Zondag met Lubach aandacht aan een klein fragment van het ‘effectenverkeer’. Aan de ‘flitshandel’. ‘Flitshandelaren’ maken via snelle computerprogramma’s en verbindingen gebruik van tijdsverschillen in de aanpassingen van prijzen. Van minieme tijdsverschillen tussen de aanpassing van de prijs van een aandeel op de ene en de andere beurs. Is de beurs in Amsterdam bijvoorbeeld ietsjes ( bijvoorbeeld een milliseconde) later met het verlagen van de prijs dan de beurs in Parijs, dan kan je in Parijs heel snel kopen en tegen de nog hogere prijs in Amsterdam verkopen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Diezelfde vragen kun je ook stellen bij de ‘gewone’ aandelenhandel. Hoe ‘cruciaal’ is die nu werkelijk? Zou Phillips die broodnodig beademingsapparaten niet meer kunnen maken als er niet meer kan worden gehandeld in het aandeel Phillips? 

Even een stukje geschiedenis van het aandeel. Die geschiedenis begint niet met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC. Die werd in 1602 opgericht en was een naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC kreeg het monopolie op de handel met, zoals dat later ging heten, de Oost. Omdat die handel zeer risicovol en kostbaar was, niet te betalen voor een individu, werd de VOC opgericht als bedrijf waarin mensen geld konden inbrengen en naar rato van de inbreng deelden in de winst. Nee, die begint twee jaar eerder in Londen waar om dezelfde reden en min of meer op dezelfde manier de East India Company werd opgericht. 

De constructie om een flinke investering te bekostigen door mensen een aandeel te geven in het bedrijf werd steeds populairder. Je nam een aandeel in een bedrijf omdat je verwachtte dat het je goed rendement opbracht. En, mocht je even krap zitten, dan kon je het aandeel altijd weer verkopen. Aandelenhandel was in de basis vrij saai en gericht op de lange termijn. Het werd, vooral in de Verenigde Staten, minder saai in de jaren twintig van de vorige eeuw. De termijn waarop men handelde werd korter. Speculeren, het kopen en verkopen van aandelen met als streven om op korte termijn winst te maken als gevolg van een stijging van de prijs van het aandeel, werd populairder. Dit leidde tot een flinke zeepbel die uiteindelijk in 1929 knapte. 

Na de Tweede Wereldoorlog werd de beurs weer saaier. Bovendien werden vooral in Europa de raden van bestuur van bedrijven meer en meer bevolkt door andere belanghebbenden zoals de werknemers, maar ook vertegenwoordigers namens de overheid. Beursnieuws was iets voor het financieel dagblad en de financiële pagina van de Telegraaf. In de rest van de media werd er nauwelijks tot niet bericht over de gang van zaken op de beurs. 

Dit veranderde in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Economie, geld, aandelen, de beurs en de banken kregen een steeds belangrijker positie. Symptomatisch hiervoor is de berichtgeving over de beurzen. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw besteedden het NOS-journaal en de actualiteitenrubrieken alleen aandacht aan de gang van zaken op de aandelenbeurzen als daar iets heel bijzonders gebeurde. Sinds Black Monday (19 oktober 1987) neemt het beursnieuws eens steeds prominentere plaats in en tegenwoordig is de met RTL Z zelfs een zender die permanent aandacht besteedt aan de gang van zaken op de diverse beurzen. De beurs is er niet meer voor beleggers, maar voor speculanten en, zoals Lubach liet zien, ‘flitshandelaren’. Speculanten in milliseconden. Dat daarmee goed geld is te verdienen, zowel bij stijgende als bij dalende koersen, bleek ook uit de uitzending.

Nu weer terug naar de vragen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Ik denk dat er door het stilleggen van deze handel geen enkele dode valt. Ook zal het niet leiden tot voedselschaarste of gebrek aan drinkwater. Wat maakt dit dan tot een cruciaal proces dat toch echt moet doorgaan? Dat moet dan liggen in wat het oplevert. Maar wat levert het op behalve de winsten voor de ‘flitshandelaren’? Wat levert het op behalve berichten over kelderende beurskoersen en bijgevolg zorgen en wellicht paniek over de economie en de baan? Ik kan niets bedenken. Wellicht dat een van jullie, mijn lezers, het weten. 

Wat kunnen we hieruit meenemen voor de ‘na-coronese wereld’? Daarvoor terug naar een uitzending van Tegenlicht die ook op die zondag werd uitgezonden. In die uitzending gaven virologen aan wat er nodig is om ons ‘virusbestendig’ te maken. Daarvoor is meer geld nodig voor onderzoek en mensen die dit onderzoek kunnen verrichten. Een van de geïnterviewden gaf aan dat gebruik van algoritmes daarbij kon helpen. Laat mensen die dat goed kunnen nu in dienst zijn bij die ‘flitshandelaren’. Daar gebruiken ze hun kennis om geld te schrapen. Die betalen hen daar grof geld voor. Volgens Lubach lag bij een van die bedrijven het gemiddelde salaris op een half miljoen per medewerker. 

Daarmee zijn we bij een punt aanbeland dat ik in de vorige Prikker over het ‘na-coronese tijdperk’ ook maakte, namelijk dat: “een vrije markt niet automatisch het algemeen belang dient.” Het algemene belang, de ‘virusbestendigheid’, legt het qua salaris flink af tegen de ‘flitshandel’. ‘Dan moet het algemeen belang maar meer betalen!’ Zou een neoliberaal kunnen roepen. Een terecht punt. Als we ‘virusbestendigheid’ belangrijk vinden, dan moeten we ervoor betalen. Nu zal de neoliberaal wat minder blij worden want dat ‘meer’ gaan we betalen van het afromen van winsten van de ‘flitshandel’ en de salarissen van de ‘flitshandelaren’. Dat kan door alle inkomen boven een bepaalde bedrag, bijvoorbeeld  € 150.000, te gaan belasten met een tarief van 80%.  Bij een gemiddeld ‘flitshandelsalaris’ van een half miljoen, levert dat ruim € 110.000 extra inkomstenbelasting op.  Het algemeen belang is immers in het belang van iedereen en daaraan moet iedereen naar vermogen bijdragen.