De hond of de kat, of toch de hond?

“De vraag is in welk land we willen leven. Het is een fundamentele keuze: de liberale wereldorde, of een nieuw conservatisme waarin een conservatieve samenleving door vrije individuen wordt gebouwd – een conservatisme dat ook erfgenaam is van dat liberalisme.” Die vraag stelde Forum voor Democratie Europarlementariër Rob Roos, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Een interessante vraag: gaan we de ene of de andere kant op: liberaal of conservatief? En Roos kiest voor het nieuwe conservatisme. Nu is dat nieuwe conservatisme een bijzondere stroming.

Bron: Pixabay

Bijzonder omdat conservatief, aldus de Van Dale “vasthoudend aan bestaande maatschappelijke toestanden,” is. Als we de betogen van FvD-vertegenwoordigers erop nalezen dan zetten zij zich flink af tegen de manier waarop de samenleving nu is georganiseerd en die betitelen ze als liberaal. Als we het begrip conservatisme zoals de Van Dale het geeft hanteren, dan is een liberaal die de huidige liberale orde wil handhaven, conservatief. Roos wil een andere samenleving  en noemt die ‘nieuw conservatief’. 

Als we het betoog van FvD-leider Baudet in een Zwitserse krant van vorig jaar moeten geloven, dan wordt dat een soort eind achttiende-eeuwse bourgeoissamenleving. Ik weet niet of ik daar blij van word. Eigenlijk weet ik het wel, daar word ik niet blij van. Want dat was een samenleving met rangen en standen. Met een paar procent van de bevolking die het voor het zeggen had. Een elite van rijke kooplui en oude adel. Op het punt van de economische macht lijkt die samenleving verdacht veel op onze huidige. De huidige die Roos als alternatief voor die ‘nieuwe conservatieve’ schetst. Van die huidige liberale wereldorde zoals Roos ze noemt, word ik echter ook niet blij. Veel teveel economie en vooral markt en veel te weinig mens. Een wereldorde die als eerste de vraag stelt naar de ‘economische gevolgen’, die alles vertaalt in economie, daar word ik ook niet blij van.

Maar wacht eens. In  mijn reactie op Baudets artikel in die Zwitserse krant vatte ik Baudets maatschappijvisie samen met de woorden: “Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden.” Zou dat het nieuwe conservatisme zijn? Gewoon de huidige ‘liberale wereldorde’ met een nieuwe elite onder aanvoering van Baudet en zijn partijgenoten?

Gelukkig is de werkelijkheid niet zo simpel als Roos ze schetst. De toekomst is geen keuze tussen een beet van de kat of de hond. En als het werkelijk alleen maar om de ‘machtsposities’ gaat, een beet van de hond en de hond. Gelukkig ligt de toekomst niet vast. Die maken we en daarbij zijn er veel meer mogelijkheden dan de twee (of één) die Roos schetst.

‘Madammen met ‘nen bontjas’

            “Het kwaad wordt beloond, zou mijn grootmoeder zaliger – een boerin – hebben gezegd.”  Woorden waarmee August Hans den Boef het compenseren van nertsenfokkers beschrijft in een artikel bij Joop. Deze fokkers ontvangen compensatie voor de schade die zij lijden door het doden van de nertsen in hun stallen. Die dieren worden nu vroegtijdig gedood om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen waardoor de pels niets of veel minder opbrengt dan normaal het geval zou zijn geweest. Die: “financiële compensatie voor vergaste nertsen is belonen van ongewenst gedrag,” vindt Den Boef en zo luidt de titel boven zijn artikel.

            Nu hoeven nertsenfokkers ook niet op mijn sympathie te rekenen. Om een bekend lied van Urbanus aan te halen: “Nee, ik hou niet van madammen met ‘nen bontjas. Madammen met een bontjas zijn gemeen. ‘K Moet niets hebben van madammen met ‘nen bontjas. Tegen madammen met ‘nen bontjas zeg ik neen.” Gebrek aan sympathie wil echter niet automatisch zeggen dat de fokkers de schade die hen door anderen wordt opgelegd dan ook maar zelf moeten ophoesten. “Bouwden de fokkers dus af? Neen, velen meenden nog even een paar jaar te kunnen scoren. Met de zegen van de boerenpartijen, CDA, ChristenUnie en SGP en de ondernemerspartij VVD. Dat scoren viel tegen. De weerstand bleef groeien – ook internationaal – en de pelsprijzen daalden. … Want een fokker die elf jaar de tijd heeft om zijn bedrijf af te bouwen, maar dat weigert, tegen allerlei maatschappelijke en economische ontwikkelingen in, neemt welbewust een… hoe heet dat ook weer? Een ondernemersrisico!” Inderdaad is de nertsenfokkerij sinds 15 januari 2013 verboden. Dat roept meteen de vraag op waarom er dan nog nertsenfokkers zijn?

Het antwoord daarop is heel Nederlands. Omdat ‘we’ met zijn allen in 2013 te beroerd waren om het meteen goed te regelen en de fokkers schadeloos te stellen, is er een overgangstermijn opgenomen voor bestaande fokkerijen. Die krijgen tot en met 31 december 2023 de gelegenheid om hun investering terug te verdienen. Het ligt dus net iets anders dan Den Boef beweert. Het was een ‘welbewuste keuze’ van de samenleving om de nertsenfokkers nog ‘een paar jaar te laten scoren’. Dat was nodig om ze hun eigen sanering te laten verdienen zodat het zonder schadevergoeding kon. Dat plaatst een schadevergoeding nu in een ander daglicht.

            Daar komt bij dat Nederland wel meer ‘kwaad beloont’ om Den Boefs grootmoeder aan te halen. Bedrijven die miljarden winst maken en belastingen ontwijken, zoals booking.com, maar niet reserveren voor tegenvallers, kunnen eten uit de staatsruif.

Rekenen en betalen

Ik reken zelf nog geregeld de prijzen van producten terug naar oude guldens. Vooral de prijs van ‘un lekker pilske oet de tap’ is daarbij favoriet omdat ik me de prijs van mijn eerste nog goed kan herinneren. Het glas kosten mij één hele gulden. Voor de jeugd van tegenwoordig, dat is € 0,45. Wat het nu, in corona-tijden is, weet ik nog niet maar tijdens de Venlose vastelaovend kostte het € 2,60. Een stijging van 577%. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de inhoud van het toen gebruikelijke ‘kleintje’ 0,16 cl was en het tegenwoordige ‘fluitje’ 0,25 cl bevat. Dat maakt de werkelijke prijsstijging een stuk geringer, zo’n 370%.  Alleen heb ik niets aan die wetenschap als ik de barman moet betalen. Ik moest hieraan denken na het lezen van een opiniestuk van André ten Dam in Elsevier.

Bron: Wikimedia Commons

Ten Dam pleit voor een ‘intelligente euro’. Hoe die eruit ziet omschrijft hij, aan het einde van zijn lange tirade tegen alles wat er nu niet goed gaat, als volgt: “Met een beetje creativiteit draaien we het ‘terug naar nationale munten’-scenario gewoon om. Dan worden ‘betaalmiddelen’ (de nationale munten/rekeneenheden) uitsluitend nationale ‘rekeneenheden’, en wordt, vice versa, de euro zowel overal het enige ‘betaalmiddel’ als de overkoepelende Europese ‘anker-rekeneenheid’. Dan krijgen we dus geen 19 nationale valuta’s en 19 nationale rekeneenheden met 1 overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. Nee, dan krijgen we 19 nationale rekeneenheden met slechts 1 valuta annex overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. En dat is dus véél eenvoudiger!” Om het simpel te zeggen, in Nederland rekenen we in guldens en betalen we in euro’s. De Italiaan rekent in lires en betaalt in euro’s. En hoeveel guldens of lires er in een euro gaan, kan per dag verschillen. Hij noemt dit The Matheo Solution. Helaas legt hij niet uit hoe dat zou moeten werken, daarom een poging.

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark, in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Op dat moment gingen er zo’n 880 lires in een gulden. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere.

Laten we het eens proberen aan de hand van een voorbeeld. Als we het heden vanuit de vroegere situatie zouden bekijken dan zou de gulden nu flink, bijvoorbeeld 60% in waarde zijn gestegen ten opzichte van de lire. In mijn voorbeeld bereiken we dit door de gulden op hetzelfde niveau te laten, dus er gaan nog steeds 2,20371 guldens in een euro. De lire is aangepast. Dat betekent dat er nu ruim 1.400 lires in een gulden zouden gaan. Als we nog in guldens en lires betaalden, dan was een vakantie naar Italië nu erg goedkoop. Dat is nu niet meer het geval en in Ten Dams intelligente oplossing ook niet.

Een Nederlandse fabrikant van espressomachines heeft een zó goed product dat een Italiaanse barista interesse in het ding heeft. Hij rekent er 2.203 guldens voor. Het apparaat kost dus, om het makkelijk te maken, het mooie ronde bedrag van € 1.000. De Italiaanse barista rekent, zoals Ten Dam voorstelt, in de rekeneenheid lire en ziet dat er 1,4 miljoen in die € 1.000 gaan. Een Italiaanse fabrikant heeft ook een puik apparaat en heeft in zijn rekeneenheid lires berekent dat er 1,8 miljoen in de prijs van het apparaat gaan en dat het dus € 1.285 kost. Dat is duurder dus besluit de barista om voor de Nederlandse fabrikant te kiezen en rekent de € 1.000 af. Wat voegt hierin dat rekenen in die ‘lokale’ rekeneenheid toe? Net zoals ‘ut pilske’ maakt het niet uit waarin ik reken al is dat de ‘gold pressed latinum’ van de Ferengi uit Star Trek: The Next Generation. Wat er toe doet is de munt waarmee ik werkelijk moet betalen.

Wat verandert een dergelijke tussenstap aan de realiteit? Die stap is niet nodig om de prijzen van de producten te vergelijken. Die tussenstap is voor de Italiaanse fabrikant ook niet nodig om te zien dat zijn product te duur is. Als hij wil concurreren kan hij de prijs verlagen. Dat kan als hij zijn productiekosten verlaagt. Dat kan door de salarissen te verlagen of door de productie zo te automatiseren dat hij met minder personeel uitkomt. Hij kan er echter ook voor kiezen om de kwaliteit van zijn product te vergroten. Dan is het misschien wel duurder maar heeft het iets extra’s. Als laatste kan hij via marketing zijn product ‘verbeteren’ door er een ‘gevoel’ aan te verbinden dat je als barista dát apparaat moet hebben. Net zoals Apple zijn computers jaren geleden verkocht met de slogan ‘think different’.

Wat hij niet kan is de euro devalueren zodat zijn product goedkoper wordt dan dat van zijn Nederlandse concurrent. Die euro is immers dezelfde als waarmee de Nederlander betaalt. Dus hoe dit, zoals Ten Dam schrijft, hetzelfde resultaat bereikt: “als bij het ‘terug naar nationale munten’-scenario, maar dan dus véél eenvoudiger en zónder alle nadelen, complicaties en obstakels ervan,” is mij een raadsel. Het basisprobleem, dat de euro voor Nederland eigenlijk in prijs moet stijgen en voor de Italiaan in prijs moet dalen, wordt er niet door opgelost. De eurozone is niet de enige munteenheid die met dit probleem te kampen heeft. Laten we wel wezen, dat probleem is inherent aan iedere moderne nationale munt. De gulden was bijvoorbeeld te sterk voor Zuid-Limburg en de noordelijke provincies en te zwak voor andere delen van het land. Italië kampte met hetzelfde probleem tussen het noorden en het zuiden van het land. De huidige dollar is waarschijnlijk te zwak voor Californië en te sterk voor veel van de fly-over staten. De Indiase roepie is waarschijnlijk te zwak voor Mumbai en te sterk voor de Punjab. Waarin deze voorbeelden verschillen van de euro is dat al deze landen een manier hebben om de gevolgen van dit probleem op te vangen. Die oplossing is vrij eenvoudig en heet herverdeling via belastingen. Die mogelijkheid kent de eurozone niet. Een Europese vennootschapsbelasting die de winsten van de Nederlandse en Duitse bedrijven afroomt en het geld investeert in de versterking van de economische structuur van de zwakkere delen, zou dit gat kunnen vullen.

Maar misschien ligt dat aan mij en ontbeer ik de benodigde herseninhoud om de ‘intelligentie’ van Ten Dams oplossing te zien.

Sigaar uit eigen doos

  “Wij kunnen geen instrumenten of maatregelen accepteren die leiden tot het opbouwen van gezamenlijke schulden of een wezenlijke verhoging van de EU-begroting.” Dit, zo is in de Volkskrant te lezen, schrijven de ‘vrekkige vier’ landen van de Europese Unie. Nederland is een van deze vier, de andere drie zijn Denemarken, Oostenrijk en Zweden. De vier landen hebben een eigen plan ontwikkeld waarmee de Europese Unie de economische ellende als gevolg van corona moet overwinnen.

Bron: Wikipedia

Wat houdt dat plan in? (D)e vier (willen) de nieuwe Europese meerjarenbegroting vooral aan economisch herstel besteden. Dat zou ten koste gaan van de subsidies voor boeren en armere regio’s.” De vier willen namelijk niet dat de Europese begroting wordt verhoogd. Daarnaast moet er: “een tijdelijk (maximaal 2 jaar) herstelfonds,” komen dat: “is gebaseerd op leningen (tegen lage rente, lange looptijd) aan de getroffen landen.” Deze: “leningen worden ingezet voor economische vernieuwing en een steviger zorgsector. De lenende landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Ook mogen ze de rechtsstaat niet ondermijnen.” Laten we het plan eens doorlopen.

Dat de rechtsstaat niet mag worden ondermijnd lijkt mij evident. Alhoewel? De afgelopen tien weken is er flink geknibbeld aan de rechtsstaat. Vrijheden van inwoners zijn dramatisch ingeperkt. Pleidooien voor technieken die ons doen en laten volgen, kunnen op bijval rekenen. Als dit onderdelen van de nieuwe rechtsstaat worden, pleit ik voor ondermijning van die rechtsstaat.

De landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Tijdens de ‘Griekse crisis’ van enkele jaren geleden, werd hier ook om geroepen. Sterker nog, het land kreeg het opgelegd. De publieke sector werd in de uitverkoop gedaan en delen, zoals de gezondheidszorg, die niet werd verkocht, werden uitgeknepen. Gelukkig moet die gezondheidszorg nu buiten schot blijven. Sterker nog, die moet steviger worden. Een advies dat ook Nederland zich ter harte kan nemen. Alleen is dat niet gratis. Met het geld van een tijdelijke lening kun je een ziekenhuis bouwen. De exploitatie zal toch met belastinggeld moeten worden opgebracht. 

Vreemd wordt het bij het inzetten voor economische vernieuwing. Niet het aandringen op die vernieuwingen is vreemd. Vreemd is dat een deel van het herstel betaald moet worden door het afbouwen van subsidies aan de armere regio’s. Deze subsidies zijn juist bedoeld om de economische activiteit in die armere regio’s te stimuleren. Dus om bijvoorbeeld het welvarende Noord-Italië er bovenop te helpen, moet het arme zuidelijke deel van het land bloeden? 

Met dat ‘schuiven’ van geld van ‘landbouw en arm’ naar corona herstel kom ik bij het punt waarmee de vier het bijvoeglijk naamwoord ‘vrekkig’ eer aan doen. De inkomsten van, en dus de bijdragen van de landen aan de Unie veranderen niet. Wat er wel verandert, zijn de doelen waaraan het wordt uitgegeven. Die doelen liggen met name in de andere Europese landen. De ‘vrekkige vier’ ontvingen in 2018 samen zo’n 5% van de totale EU uitgaven. Dat is minder dan Italië (6,6%), Spanje (7,8%), Duitsland (7,6%) of koploper Polen (10,4%). De ‘last’ van de herverdeling wordt vooral door anderen gedragen. En als het ‘tijdelijke herstelfonds’ op z’n Europees wordt gevuld, dan zal ieder land naar grootte van van het bruto binnenlands product een bedrag in het fonds stoppen. Het Nederlands aandeel hierin is gering en het storten van dat bedrag in het fonds kost niets. Sterker nog, het levert geld op. Nederland kan haar deel tegen 0% lenen en de landen die aanspraak maken op het geld moeten rente betalen. De Italianen en Spanjaarden zullen dubbel rente moeten betalen. Eerst om het bedrag te lenen dat ze in het fonds moeten storten en vervolgens moeten ze rente betalen op de leningen die vanuit het fonds worden gefinancierd. Het plan van de ‘vrekkige vier’ lijkt verdacht veel op de welbekende sigaar uit eigen doos. 

‘BOETE VOOR TE SNEL RIJDEN. BETAAL € 15’

“Het lijkt erop dat de gigantische opmars van de VVD is gestagneerd. De partij van Mark Rutte stond vorige week op 32 zetels en daar is deze week geen verschil in te zien: Geen krimp, maar ook geen groei.” Dit las in bij De dagelijkse Standaard. Als je iets verder kijkt in het tabelletje van de peiling uitgevoerd door Maurice de Hond dan zie je dat de VVD nu 33 kamerzetels heeft. Die ‘gigantische groei’ vertaalt zich in een zetel minder dan de partij nu werkelijk heeft. Dat zal het euforische gevoel dat door de woorden ‘gigantische opmars’ bij menig VVD-er opkwam, flink temperen. Zo zie je maar weer dat de manier waarop je iets zegt van belang is voor het beeld dat ontstaat. En daarmee kom ik bij een woord dat deze week vaak viel: ‘ontslagboete’.

In de nieuwe ondersteuningsregeling om bedrijven door de crisis te helpen, is geen plek meer voor de ‘ontslagboete’. Dat heeft minister Koolmees verklaart, zo lees ik bij nos.nl: “Als bedrijven die steun krijgen niemand mogen ontslaan dan gaan zij alsnog failliet, en dan raken we van de regen in de drup.” Dat is te begrijpen. Een bedrijf moet zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en daarbij kan het zijn dat er mensen moeten worden ontslagen. In de nu geldende regeling lag dat anders: “Bedrijven die via de regeling Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) tot 90 procent van de salarissom vergoed kunnen krijgen, moeten nu nog een boete betalen als zij toch personeel ontslaan.” De NOW is een subsidie van de loonkosten.

Een boete, is aldus Van Dale, een: “wegens een overtreding opgelegde geldstraf.” Een mooi voorbeeld is het bekende ‘kanskaartje’ in het Monopoly-spel: ‘BOETE VOOR TE SNEL RIJDEN. BETAAL €15’. Als we dit toepassen op die NOW, dan zou dat kunnen luiden: ‘ontsla een werknemer er betaal 100.’ Nu heb ik de hele NOW regeling erop nagelezen en kom het woord ‘boete’ er niet in tegen. De regeling bevat geen boeteclausule bij ontslag. Wel omvat de regeling (artikel 13 lid b) een verplichting die luidt: “de werkgever doet na 17 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend.” 

Ontslag van een medewerker leidt niet tot een boete voor de werkgever. Die kan werknemers gewoon, via de gebruikelijke procedure ontslaan. Daarvoor hoeft hij geen enkele ‘boete’ te betalen. Maar, als de werkgever gebruik wil maken van de NOW, dan moet hij aan de voorwaarden voldoen. Een van de voorwaarden is dat er niemand mag worden ontslagen. Maak je gebruik van die regeling en ontsla je wel iemand, dan krijg je de subsidie niet. Iets niet krijgen is heel iets anders dan een boete betalen.

‘Solidariteit en wederkerigheid’

Overal ter wereld proberen regeringen de ‘economie’ van hun land te redden. De Nederlandse regering heeft er, net als de regeringen van vele andere landen, voor gekozen om bedrijven te redden. De Ballonnendoorprikker zou, zoals hij betoogde in De ezel en de steen, een andere insteek hebben gekozen. De eerste regeling die hiervoor werd opgesteld, loopt bijna op z’n einde en er wordt nagedacht over een nieuwe. Vanuit allerlei hoeken krijgt de regering nu adviezen over wat er wel en niet in de regeling moet. Een van die ‘adviseurs’ is Jacco Vonhof, de voorzitter van MKB-Nederland. Vonhof pleit in een gesprek met de Volkskrant voor ‘solidariteit en wederkerigheid’. Volgens Vonhof past een loonoffer hierin.

Vonhof: “een deel van de kosten van de 100 procent doorbetaling aan de werknemer belandt bij de werkgever en dat kunnen veel ondernemers niet nog maanden volhouden.” Op de vraag of daar ook een (loon)offer van de werknemer bij past antwoordt hij: “In onze ogen wel.” Vonhofs MKB-Nederland heeft één doel: “Nederland uit de crisis helpen. Dat is belangrijk voor werkgevers, werknemers en het kabinet.” Daarvoor is solidariteit belangrijk en: “Als je met mensen praat over solidariteit weten ze heel goed dat anderen solidair met hen moeten zijn, maar dat solidariteit wederkerigheid inhoudt, dat vergeten de meesten al snel.” Een offer van de werknemers is, zo betoogt Vonhof, een manier om die wederkerigheid in te vullen. Dat klinkt logisch. We schikken allemaal wat in en dan komen we er samen uit. Of niet?

Laten we eens meegaan in de redenering van Vonhof. De werknemer levert bijvoorbeeld tijdelijk 10% van zijn salaris in. In plaats van 100 krijgt de werknemer maar 90. Nu heeft deze werknemer bijvoorbeeld 97 nodig om al zijn kosten te betalen. De overige 3 reserveert hij voor onvoorziene uitgaven zoals een kapotte wasmachine. Die 90 is te weinig om alle kosten te betalen. De reservering kan als buffer worden ingezet en zo kan de werknemer het wellicht even een maand of twee drie uitzingen. Behalve natuurlijk als die wasmachine net is vervangen. Na die twee of drie maanden loopt het voor de werknemer spaak. Dan duikt de werknemer in de schulden. Dan kan hij zijn rekeningen niet meer betalen. Hoe lossen we dat op?

Gelukkig is Vonhof en zijn club MKB-Nederland van de solidariteit en  wederkerigheid. Dat biedt mogelijkheden. Vonhof en zijn achterban zijn dan vast bereid om de solidariteit van de werknemer ‘wederkerig’ tegemoet te treden. Tegemoet te treden door de prijzen van hun producten, het brood de groenten, de knipbeurt, het kopje koffie op het anderhalve-meter-terras en zeker ook de bij premier Rutte populaire nagelstudio met bijvoorbeeld diezelfde 10% te verlagen. Dit om te voorkomen dat de werknemer ‘failliet’ gaat.

Maar wacht eens even? “We verhogen de prijzen met drie euro per behandeling. Dat lijkt ons schappelijk,” aldus een kapper in de Volkskrant van 7 mei. Schappelijk omdat: “Normaal gesproken knippen we een klant per halfuur, dat wordt nu een klant per uur. We nemen de tijd om de salon te desinfecteren en gaan terug van drie kappers in de salon naar twee.” In hetzelfde artikel figureert ook een Amsterdamse kroegbaas met twintig kroegen: “Met dertig procent bezetting, zou je voor een biertje meer dan tien euro moeten rekenen. Maar daar zit natuurlijk niemand op te wachten.” Hij sluit prijsverhogingen echter niet uit. Hoe wederkerig is dan de MKB’er die Vonhof vertegenwoordigt? Aan de ene kant moet het personeel een salarisoffer brengen om solidair te zijn met de werkgever en aan de andere kant moet hij de prijsverhoging betalen? 

We zijn er echter nog niet. Theaters en reisbureaus verwachten dat die werknemer geen geld terug vraagt voor afgelaste voorstellingen en geboekte reizen. Dan gaat het die werknemer wel erg smal. Daar komt nog bij dat al die miljarden waarmee het kabinet strooit ooit door iemand betaald moeten worden. Miljarden naar bedrijven zoals booking.com die er een sport van maken om zo min mogelijk belasting te betalen. Want die bedrijven steun weigeren of er aan strikte voorwaarden aan verbinden daar heeft: “Het kabinet (…) naar gekeken, maar de uitvoering blijkt te lastig,” zo is bij nos.nl te lezen. Het blijft bij een: “moreel appèl (…) op bedrijven die belasting ontwijken om geen steun aan te vragen.” Hoeveel vertrouwen moeten we hebben in de moraliteit van bedrijven die belastingen ontwijken? Ook die miljarden zal de ‘werknemer’ via de belastingen moeten betalen. ’Ja maar,’ zo zal Vonhof zeggen, ‘dat zijn niet de bedrijven die ik vertegenwoordig. Het MKB zal ook die kosten via de belasting mee moeten betalen’. En dat zou best wel kunnen kloppen. Alleen zal die extra belasting weer worden doorvertaald in de prijs van de ‘knipbeurt’ voor de werknemer. 

Zo wordt solidariteit en wederkerigheid wel erg eenzijdig ingevuld.

Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Economisch belang(eloos)

Het positieve aan het ‘binnenblijven’ is dat er leuke initiatieven ontstaan. Zo is er een ‘rondleider’ van het Rijksmuseum, die het museum in deze corona-tijd naar je toe brengt. Hij richt zich hierbij vooral op kinderen van de basisschool en dan vooral de basisschool die zijn dochter bezoekt. Een van mijn favorieten is zijn uitleg over Zeven werken van barmhartigheid. Misschien komt dat wel omdat het een goede spiegel is voor bedrijven als boeking.com. En met het redden van bedrijven en kunst kom ik bij een brief van Kunstenaarsvereniging Arti et Amici bij Joop.

“Het is een plicht ervoor zorg te dragen dat niet alleen de grote culturele instellingen deze crisis overleven maar juist ook de individuele kunstenaar die onze planeet met zijn creativiteit, ons aller menselijk kapitaal, leefbaar maakt.” De afsluitende woorden in de brief. De vereniging pleit voor meer steun voor de kunstsector in het algemeen en de kunstenaars in het bijzonder. Want, zo stellen zij: “Ook kunstenaars zijn onmisbaar voor economisch herstel.” Toch wringt er iets bij mij.

De kunstenaars zijn niet de enigen die pleiten voor een ‘aparte’ regeling om door de crisis te komen. Vele andere sectoren gingen hen al voor en vonden een gewillig oor bij de regering. Zoals ik in een eerdere Prikker al betoogde, zou ik liever zien dat de overheid zich richt op het redden van mensen in plaats van bedrijven. Immers om de kunst te redden, moet je de kunstenaar in leven houden. Dat redden kan heel goed via een basisinkomen. Maar daar gaat hij mij in deze Prikker niet om. 

Het gaat mij om de link die alle sectoren leggen naar de ‘economie’, en het ‘economisch herstel’. Kunstenaars moeten, net als de KLM, de kalvermesters, de bloementelers, de cafébazen enzovoorts worden gered omdat ze ‘onmisbaar zijn’ voor de economie en het economisch herstel. Kunst wordt vertaald in ‘banen’ en ‘toeristen’ en die worden vervolgens uitgedrukt in percentages van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Hoe hoger het percentage, hoe belangrijker het is. De ‘economie’ is zo de maat der dingen.    

Hiermee zeggen we eigenlijk dat we ‘werken om te leven’. Nu is werk, en dan vooral betaald werk, de afgelopen decennia heilig verklaard. Werk is, of beter gezegd wordt gezien, als de hoogste vorm van maatschappelijke participatie en de beste manier om in te burgeren. Zonder werk neem je niet deel aan de samenleving. Werk zorgt voor structuur in het leven van mensen. En zo kan ik doorgaan met het benoemen van eigenschappen die we verbinden aan het hebben van werk. We stemmen het onderwijs erop af, bereiden kinderen voor op hun plek op de arbeidsmarkt, dus op werk. Volwassenen moeten een leven lang leren om hun ‘employability’ te vergroten.

Door al deze zaken exclusief te verbinden aan betaald werk, lijkt werk onmisbaar te worden voor het goede leven van een mens. Inderdaad werk zorgt voor structuur, kan sociale contacten opleveren, kan je eigenwaarde een boost geven, kan bijdragen aan het veroveren van je plek in de samenleving. Dat kan allemaal. Participeren, inburgeren, deelnemen aan de samenleving, structuur hebben in je leven, het kan allemaal óók zonder werk.

Wat als we het omdraaien? Wat als we gaan werken om te leven? Als we die vraag vertalen naar de crisis van nu en het ‘redden’ van bedrijven: wat dragen die sectoren bij aan het leven? Zou het kunnen dat we dan heel andere keuzes zouden maken? Wat dragen de KLM, booking.com en kunst bij aan het leven? Zouden we dan nog steeds zoveel geld uittrekken om ‘onze blauwe trots’ in de lucht te houden? Wellicht blijkt dan dat wat economisch belangeloos is wel eens van het grootste belang te zijn. Misschien sluiten die keuzes wel aan bij die zeven werken van barmhartigheid?

PS. Fedor bedankt voor je ‘thuismuseum’. Het brengt mij een lach en die vind ik van groot belang!

Pijlstaart tv: het thuismuseum

De bomen en het bos

Gisteren besprak ik minister Hoekstra’s nieuwe dominotheorie. In dezelfde persconferentie deed ook Hoekstra’s collega minister Van Nieuwenhuizen een duit in het zakje. De KLM: “een van de grootste werkgevers is en onze blauwe trots. Maar dat doen we zeker ook omdat een gezonde KLM een onmisbare schakel is voor ons economisch herstel.” De dominosteen wordt nog wat belangrijker gemaakt door ook voor mij te bepalen dat de KLM ‘onze blauwe trots’ is. Daar gaat het mij nu echter niet om. Het gaat mij om de voorwaarden aan die steun.

Als voorwaarde voor steun aan de KLM noemde Hoekstra, geen dividenduitkering, geen bonussen en geen winstdeling en ook lagere salarissen voor ‘de sterkste schouders’ binnen het bedrijf. Dit zolang het bedrijf overheidssteun nodig heeft.Van Nieuwenhuizen formuleerde twee voorwaarden: het terugbrengen van het aantal nachtvluchten en het terugbrengen van de koolstofdioxide uitstoot.

Maar wacht eens even. Heeft de overheid geen andere middelen dan financiële steun om salarissen en bonussen binnen de perken te houden? Belachelijk hoge salarissen, zoals de 10 miljoen van Frenkie de Jong waarover ik laatst schreef, kunnen ook via de de inkomstenbelasting worden aangepakt. Een manier die ook effectief is als bedrijven geen staatssteun ontvangen. Een manier die trouwens ook werkt om bonussen aan banden te leggen. In plaats van een verbod op dividend en winstuitkering voor één bedrijf, kan Hoekstra beter inzetten op een algemene verhoging van de dividend- en vennootschapsbelasting. De KLM zal dit jaar het komend jaar en waarschijnlijk ook in 2022 toch geen winst maken. Andere bedrijven, die nu profiteren van de situatie daarentegen wel. Bedrijven zoals onder andere bol.com. 

Heeft de overheid geen andere middelen dan financiële steun om het aantal nachtvluchten en de uitstoot van broeikasgas te beperken? Ik geloof meteen dat de KLM ’s nachts van en naar Schiphol vliegt. Het is echter niet de KLM die het recht hierop vergeeft. Jaarlijks zijn er van en naar Schiphol zo’n 20.000 vluchten tussen 23.00 en 6.00 uur en zo’n 12.000 tussen 6.00 en 7.00 uur. De meesten worden gebruikt voor vracht- en vakantievluchten. Als Van Nieuwenhuizen de KLM dwingt om rechten op nachtvluchten in te leveren zonder dat het totaal aantal wordt verlaagd, zullen andere maatschappijen in dat gat springen. Als Van Nieuwenhuizen werkelijk minder nachtvluchten wil, dan heeft zij andere middelen om dit af te dwingen. Dan kan zij de Tweede Kamer voorstellen om de Wet luchtvaart zo aan te passen dat er ’s nachts minder gevlogen kan worden. 

Als laatste de milieumaatregelen en dan vooral het beperken van de uitstoot van koolstofdioxide. Een goed streven waar alleen een verdwaalde ontkenner van de gevolgen van de opwarming van de Aarde en de rol die koolstofdioxide daarin speelt, tegen zal zijn. De luchtvaart valt niet onder het Klimaatakkoord van Parijs en de financiële steun aan de KLM is een mogelijkheid om hier wat aan te doen. Top dus. Nou… .  Door deze voorwaarde aan de financiële steun te hangen, ontstaat bij mij het beeld dat de KLM wordt gesubsidieerd bij het nemen van dergelijke maatregelen. Dat beeld wordt versterkt omdat Van Nieuwenhuizen vergeet erbij te vermelden dat zij een jaar geleden trots de Tweede Kamer informeerde over het klimaatbeleid voor de luchtvaart. Onderdeel van dat beleid is een Ontwerpakkoord  Duurzame luchtvaart. Een akkoord dat zij met de Nederlandse luchtvaartsector heeft afgesloten en een van de partijen die het akkoord mee heeft vastgesteld is de KLM. Een akkoord met als doelstelling een 50% reductie van koolstofdioxide in 2050 ten opzichte van 2005. Niet zo ambitieus als het Klimaatakkoord van Parijs maar toch.

Is dit ‘voorbeeld KLM’ niet een voorbeeld van wat er mis is met politiek en bestuurlijk Nederland? Trouwens niet alleen in Nederland. Er wordt gemanaged op incidenten. Incident oplossen en op naar het volgende incident. Oplossingen die het volgende incident al in zich dragen. Een ‘bankencrisis’ waarbij banken door deregulering ‘too big to fail’ zijn, niet gebruiken om ze kleiner en minder belangrijk te maken. Nee, gewoon op de oude voet verder gaan. Een schuldencrisis (de eurocrisis) bestrijden door schulden aan te gaan. Het ‘vluchtelingen probleem’ oplossen zonder aandacht te besteden aan het ‘probleem van de vluchteling’. Oplossen door een oplossing voor te stellen die al praktijk is: opvang in de regio. Een schrijnend gebrek aan aandacht voor de lange termijn aangevuld met een schrijnend gebrek aan kennis van en vertrouwen in de rol van de overheid en de politiek? Een focus op bomen waardoor het bos niet meer wordt gezien.

Domino D-Day

Je kan het eigenlijk zien als een eerste dominosteen aan het begin van een lange rij. Als KLM omvalt dan heeft dat niet alleen gevolgen voor het bedrijf en het personeel, maar voor alle steentje die er ook daarna nog komen. Voor Schiphol, voor de laders en lossers voor de hoofdkantoren die we in Nederland hebben, voor distributiecentra, voor toerisme en congressen en allerlei soorten handel. Allemaal sectoren die baat hebben bij de goede verbindingen die we in Nederland hebben.” Wellicht dat veel mensen na deze uitspraak van minister Hoekstra moesten denken aan het tv-programma Domino D-Day. Een programma waarbij in een grote hal allerlei kleurrijke blokjes op een rij werden gezet. Dit met als doel om ze, op de uitzenddag van het programma, met een tik tegen één blokje, allemaal om te laten vallen. Al omvallend kwamen er vervolgens mooie afbeeldingen te voorschijn. Bijvoorbeeld in de vorm van een schilderij. Het doel van het programma was om het ‘wereldrecord’ te verbeteren. Ik dacht aan iets anders. 

Ik dacht aan de ‘dominotheorie’ die de Amerikaans president Dwight D. Eisenhower in 1954 formuleerde. In die tijd streed het ‘westen’ tegen het ‘communisme’. In Europa was die strijd koud. In Indo-China en vooral in Vietnam ‘heet’. Daar werd werkelijk oorlog gevoerd. Een oorlog waarbij de Vietnamezen streden tegen de koloniale overheersing door de Fransen. Omdat een deel van die naar onafhankelijkheid strevende Vietnamezen zich ‘communist’ noemden en steun zochten bij de Sovjet Unie en het recentelijk communistisch geworden China, bekeek Eisenhower (en hij niet alleen) deze onafhankelijkheidsoorlog met het frame van de strijd tegen het communisme. En, zo luidde de theorie, Vietnam is de eerste ‘dominosteen’ in een rij. Als die valt en communistisch wordt dan valt heel Zuidoost-Azië toe aan het communisme. 

In haar boek De Mars der Dwaasheid vat historica Barbara Tuchman het kernachtig samen: “Het HUK-banditisme in de Filippijnen, Ho TSji-minhs oorlog in Indo-China, een communistische opstand in Malakka, de communistische revolutie in China en de aanval in Korea maakten allemaal deel uit van één aanvalsplan, waaraan vijfendertig jaar is gewerkt en dat tenslotte wordt uitgevoerd via wapengeweld en oproer. Overal in Azië. Dit op één hoop gooien van de afzonderlijke landen van Oost-Azië alsof ze geen eigen karakter, geen eigen geschiedenis, geen per land verschillende omstandigheden kenden, was de denkwijze die- of dat nu kwam doordat men slecht op de hoogte was en van alles naar een beetje wist of doordat men bewust een onjuiste voorstelling van zaken gaf – de dominotheorie deed ontstaan en tot een dogma liet uitgroeien.” De theorie versimpelde de werkelijkheid en stopte het in een voor iedereen te bevatten frame: het was een strijd van ‘goed’ (het Westen) tegen ‘kwaad’ (het communisme).

Dat frame maakte dat, zoals Tuchman het schrijft, de Amerikanen verwachtten dat: “ Omdat oosterlingen er in westerse ogen allemaal hetzelfde uitzagen, … dat zij met de gelijkvormigheid van dominostenen zouden handelen.” Eisenhowers dominotheorie bleek de plank behoorlijk mis te slaan. Zijn verwisseling van een strijd om onafhankelijkheid met ‘communisme’ kostte tussen de anderhalf en 4 miljoen mensen het leven, waaronder bijna 60.000 Amerikaanse soldaten. De Amerikaanse belastingbetaler moest de bijna 500 miljard aan kosten ophoesten. Kosten die ongeveer 10 keer zo hoog waren als men vooraf berekende. Vietnam werd onafhankelijk en communistisch en de andere ‘stenen’ zoals Indonesië, de Filippijnen en Thailand vielen niet. Een dure theorie.

‘Maar beste Ballonnendoorprikker’, zo zul je vragen, ‘wat heeft dat nu met de redding van de KLM te maken?’ Net als Eisenhower kijkt Hoekstra door een sterk vereenvoudigend KLM-frame naar de werkelijkheid. Als de KLM omvalt, zo redeneert Hoekstra, dan begint de ellende. Laten we die ellende eens bekijken. Inderdaad heeft het gevolgen voor het bedrijf en het personeel. Het bedrijf bestaat dan niet meer en de personeelsleden moeten op zoek naar een nieuwe baan. Net zoals een deel van de ‘laders en lossers’. Dat is vervelend voor hen, maar is dat een reden om het bedrijf te redden? Mijn buurmannen hebben ook eigen bedrijven met personeel. Eentje in de horeca en de andere in de evenementen sector. Ook hun omzet is genivelleerd door de corona-maatregelen. Als ze het niet redden, is het ook einde bedrijf en moet ook hun personeel op zoek naar ander werk. 

Dan Schiphol. Geen KLM betekent direct minder vluchten op Schiphol. Hoeveel minder? Nou ongeveer de helft minder. Nou ja direct, direct nadat de beperkende maatregelen zijn opgeheven. Nu vliegt er sowieso niet veel op Schiphol. Dat is spijtig voor de luchthaven. Een deel van de capaciteit wordt dan niet benut. Lelystad zal dan niet open hoeven. Dat zal op de korte termijn leiden tot ontslagen. Wat de gevolgen voor de langere termijn zijn, is niet duidelijk. Maar als de luchthaven werkelijk zo goed is, dan zullen een of meer van de ongeveer 80 andere ‘vliegeniers’ die op Schiphol vliegen in het gat springen dat door het faillissement van de KLM valt. Wellicht springen voormalig medewerkers van de KLM wel in het gat en starten ze een nieuw ‘vliegbedrijf’. 

Wat is de relatie tussen de KLM en het hoofdkantoor van een bedrijf? Wat verandert er voor hen? Hun kantoor staat nog steeds op dezelfde plaats. Zou een bedrijf haar hoofdkantoor alleen maar in Nederland vestigen vanwege de KLM? Als ze moeten vliegen, kunnen ze nog steeds naar Schiphol. De luchthaven ligt er nog steeds en er vliegen nog steeds vliegtuigen naar diverse bestemmingen. Alleen niet meer met de KLM. Wel met een van die tachtig andere maatschappijen. Ook de toeristen en congresbezoekers kunnen ons land nog steeds per vliegtuig bezoeken. Een van die tachtig andere ‘vliegeniers’ en eventuele nieuwe zullen hen best naar Nederland willen vervoeren.

Eisenhower en de Amerikanen konden zich niet voorstellen dat de Vietnamezen alleen maar ‘baas in eigen huis’ wilden zijn. Hoekstra lijkt zich niet te kunnen voorstellen dat je ook met een andere maatschappij van en naar een congres of de Wallen in Amsterdam kunt vliegen. Daarom wordt er nu tussen de 2 en 4 miljard in de KLM gepompt. Mocht dat niet genoeg zijn, dan doen we nog meer, zo liet hij al doorschemeren. Een dure theorie?