Uitgelicht

Regeerprogramma 2025: veiligheidsparagraaf

Vandaag een bijzondere Prikker. Ergens in Haagse en Hilversumse zaaltjes werken enkele politici aan een regeerakkoord. Om ze een handje te helpen, heb ik, in mijn ogen, de belangrijkste keuzes voor hen op een rijtje gezet. Dat deze keuzes zeer weinig aandacht kregen in de campagnes, is mij niet aan te rekenen. Hun navelstaarderij kan mij niet worden verweten. In het vervolg van deze Prikker spreek ik in naam van de komende Nederlandse regering.

De Nederlandse regering kiest voor verdergaande en vergaande Europese integratie. Dat doet zij omdat onze samenleving en manier van leven waar we waarde hecht aan individuele vrijheid, aan gelijkheid en broederschap alleen gehandhaafd kan worden als we een zeer hoge mate van onkwetsbaarheid hebben bereikt. Die zeer hoge mate is alleen te bereiken door samen te werken met onze buurlanden. Om die samenwerking vorm en inhoud te geven, is de Europese Unie opgezet. Die Unie willen we vernieuwen, verbreden en verdiepen. Verbreden door de Europese Unie verantwoordelijk te maken voor de gezamenlijke veiligheid en het gezamenlijke buitenlandse beleid. Verdiepen door de huidige beslisstructuur vergaand te vereenvoudigen en te democratiseren. Ons streven is om dit per 2029 geregeld te hebben. Daartoe zullen aan onze Europese partners het volgende voorstellen:

  • de taak om het grondgebied van de landen van de Europese Unie te verdedigen wordt belegd bij de Europese Unie. Hiervoor wordt een Eurocommissaris aangesteld. Dit houdt in dat de legers van de Unielanden worden geïntegreerd tot één Unie leger met eenduidige militaire en politieke leiding;
  • de landen van de Europese Unie beleggen hun vertegenwoordiging, ook de parlementaire, in het buitenland bij de Europese Unie;
  • de landen van de Unie beleggen het vertegenwoordigen van de economische belangen in landen die niet tot de Unie behoren bij de Europese Unie;
  • de landen van de Europese Unie beleggen de opdracht om een veilige digitale infrastructuur te verzorgen bij de Europese Unie. Randvoorwaarde hierbij is dat publieke taken in publieke handen zijn. Hiervoor richt de Unie publieke diensten op. Dit betekend dat alle digitale infrastructuur, maar ook de opslag en bewaring in handen is van de Europese Unie. De diverse overheid van de Unielanden maken hiervan gebruik en betalen daarvoor een kostendekkende bijdrage;
  • de beslissingsbevoegdheid over deze en andere aan bij de Unie belegde verantwoordelijkheden ligt in ultimo bij het Europees parlement.

Het democratische gehalte van de Unie wordt versterkt. Wij denken hierbij aan de onderstaande richting maar wij staan open voor andere invullingen:

  • het Europees parlement wordt rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigde inwoners van de Europese Unie;
  • het principe van vaste aantal leden voor het Europees parlement per Unieland, wordt losgelaten. De kiezer kan kiezen voor een kandidaat naar voorkeur;
  • er wordt gekozen via het systeem van evenredige vertegenwoordiging;
  • voor de verkiezing vormen de deelnemende partijen blokken, zodat de kiezer te voren weet, wie met wie samen wil werken.
  • Het grootste blok vormt de Europese Commissie. Die hoeft niet op een meerderheid in het parlement te berusten en kan niet door het Europees parlement worden weggestuurd. Ze zit de volledige termijn van vijf jaar uit.

De Europese Unie krijgt een eigen belasting gebied. Bij dat belastinggebied staan wij open voor suggesties maar dat zouden onder ander kunnen zijn:

  • een accijns op vliegtuigbrandstof;
  • een belasting op financiële transacties;
  • invoertarieven.

Ons streven is om dit samen met alle 27 landen van de Europese Unie vorm te geven. Daarvoor vragen wij commitment op de hoofdlijnen en dat zijn uitbreiding van de Unie met defensie, veiligheid en digitale zaken. Versteviging van de economische samenwerking en verdieping en versterking van de Europese democratie. Wil een land hierin niet mee, even goede vrienden, maar dan gaan we zonder dat land verder. En daarmee komen we bij het vernieuwen: we richten een nieuwe Unie op onder gelijktijdige uittreding uit de oude. Daarmee voorkomen we dat landen die niet meewillen, binnen de Unie blijven.

Uitgelicht

Election Files 15: me and the market

In het vorige deel van de Election Files begon ik met het beschrijven van belangrijke ontwikkelingen die kunnen helpen bij het krijgen van een goed beeld van onze huidige samenleving. Die vorige Prikker, Me, Myself en We, handelde over het individu en de groep. Over de manier waarop we als mensen samen onze weg proberen te vinden. In deze Prikker een tweede grote ontwikkeling. Een ontwikkeling die handelt over de manier waarop we als mens in ons levensonderhoud voorzien en preciezer geformuleerd hoe we spullen verwerven die we daarvoor nodig denken te hebben.

Wij, de homo sapiens, zijn de meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.”1 De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.2 Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt. Ze leefden als jager-verzamelaars en maakten binnen die groep de gereedschappen die ze daarvoor nodig hadden.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.”3 De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. De manier waarop ze in hun levensonderhoud voorzagen was nog steeds dezelfde als de jager-verzamelaars. Bijna hetzelfde dan, want om die grotere groep, die stam, bij elkaar te houden, was er meer nodig. De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep. Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. En iemand die de code of vrijgevigheid van de groep negeert, snijdt zichzelf af van de gemeenschap en een wordt buitenstaander. Sociale verplichten binnen een samenleving nakomen is in het belang van de groep maar ook en voor het eigenbelang van de persoon.4

Zo’n tienduizend jaar geleden veranderde er iets. Als eerste in het gebied wat we nu het Midden-Oosten noemen. Dat iets noemen we de agrarische revolutie. Volgens Harari luidde de agrarische revolutie: “geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”5 Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. Landbouw maakte dat onze voorouders zich op een vaste plek gingen vestigen. Immers, alleen zo kon je de vruchten van je werk plukken en voorkwam je dat iemand anders die vruchten plukte. Nadeel was echter wel dat je dan wel dat graan had, maar niet meer dat hert of die vis uit dat meer 150 kilometer verderop. Dat je te ver weg woonde van die groeven met goede vuursteen. Als je die toch wilde, dan moest er iets gebeuren.

Voor Karl Polanyi, een Oostenrijks-Hongaarse econoom en socioloog was het duidelijk dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. Waarom? “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.” Volgens Polanyi zijn wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards tot the sexual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is mainly effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territoriaal character.”6 Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien.

In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten, onderscheiden de filosofen Hans Achterhuis en Nico Koning zes manier waarop een mens zich zaken toe-eigenen zoals zij is dat noemen:

De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.

De huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden. Hierbij moeten we het huishouden niet te letterlijk opvatten, het huishouden kon bestaan uit het dorp, de clan of de groep.

Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, waren er andere manieren nodig. Toedeling is een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. de relatie wordt verzwaard.

Handel. Kenmerk van ruil, en dat is handel, is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie.

Roof: De laatste vorm waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie.

Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.

De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”7 Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in de ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien zij de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken.8 Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in de woorden van de auteurs, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid).

Tragedy of the commons

It’s the economy, stupid,” deze woorden vatten de verkiezingsstrijd tussen de toenmalige president George H. Bush en zijn uitdager Bill Clinton in het kort samen. Bush had internationaal veel lof geoogst met de overwinning in wat nu de eerste Golfoorlog heet. Met die overwinning op zak en de roem en glorie die dat nationaal en internationaal opleverde, dacht hij de presidentsverkiezingen te kunnen winnen. Waar hij minder of geen oog voor had, was hoe de gemiddelde Amerikaan ervoor stond. Economisch stonden de Verenigde Staten er minder florissant voor en Clinton wist daar goed op in te spelen en sprak de kiezers aan op dit, door Bush ‘verwaarloosde’ thema. Hij sloot hierna goed aan bij onvrede onder de Amerikaanse bevolking en het resultaat is inmiddels geschiedenis: Clinton won. Waarom dit uitstapje naar presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten van ruim dertig jaar geleden? Omdat we hier iets van kunnen leren. De les die Bush ervan leerde (maar het was toen al te laat) was dat de economie ook een rol speelt in het leven van mensen. Dit is een les die we heel goed hebben geleerd, tegenwoordig draait alles om de economie. Besturen lijkt tegenwoordig alleen te bestaan uit het reguleren van de markt, van de economie, en dat reguleren is gericht op het ‘organiseren’ van voldoende economische groei. De les die we nu moeten leren is de omgekeerde. Onze samenleving zou uit veel meer moeten bestaan dan alleen economie en dan vooral meer dan alleen de markt.

De geschiedenis van de mens laat zien dat de markt pas zeer recent de belangrijkste manier is van het verwerven van voor het leven benodigde zaken. De eigen productie en het huishouden was de manier waarop onze voorouders in hun levensonderhoud voorzagen. Hierbij konden ze gebruik maken van wat de Engelsen commons noemen en wij in Nederland de meent, gemene gronden. Grond, maar het kon ook een meer of bos zijn, waarvan een groep mensen gebruik konden maken.

Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de ‘gebruiksgerechtigden’. In de terminologie van Achterhuis en Koning is een meent een vorm van toedeling door een hoger geplaatste. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere een functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

De Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin muntte met zijn artikel uit 1968 de term The Tragedy of the Commons,9 de tragedie van de gemeenschappelijke gronden of de meent en iets ruimer het gemeenschappelijke bezit. In het artikel beschrijft hij hoe er, volgens hem, een einde kwam aan dat gemeenschappelijk gebruik. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van deze tragedie. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort.

Het verhaal van Hardin klinkt de moderne mens zeer overtuigend in de oren. Overtuigend wil echter niet zeggen dat het zo is gegaan. Ja, de de gemene gronden zijn ten onder zijn gegaan aan de hebzucht. Maar niet van de herders die ‘een schaapje te veel’ lieten grazen, maar aan de hebzucht van iemand anders.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationale keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet willen veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclusure acts.10 Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg, op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”11 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Hier is voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd in andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld diverse Afrikaanse landen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.12

Modellen

Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland. Voor even want we gaan we terug naar het verleden. Polyani schreef zijn bekendste werk The Great Transformation in 1944. Hij onderzocht, zoals de ondertitel van het boek duidelijk maakt, de politieke en economische oorsprong van de westerse samenleving van het midden van de twintigste eeuw. In de achttiende eeuw waren er echter ook al mensen die probeerden te verklaren hoe de samenleving in elkaar stak. Een ervan was Adam Smith. Daar beginnen we onze zoektocht. Voor een goede analyse is het namelijk van belang om te achterhalen hoe onze huidige samenleving is ontstaan, dat hebben we hierboven gedaan, maar ook welke manier van denken daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. Dit omdat denkers ontwikkelingen beschrijven en proberen te verklaren. Dat doen ze aan de hand van theorieën: modellen van de werkelijkheid en die hebben onhebbelijkheden

Voor die onhebbelijkheden even een uitstapje naar de Eerste Wereldoorlog en hoe die begon. De historica Barbara Tuchman schreef hierover het boek Kanonnen van augustus. Centraal hierin staat de eerste oorlogsmaand en wat eraan vooraf ging Tuchman laat zien dat dit gebeurde aan de hand van een vooropgezet plan. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren onwaar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon.

Aan de andere kant heb je economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort, veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de oorlogsplanners en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is een strijdt die zo oud is als de wetenschap. De strijd tussen rationalisten (hier de wensdenken) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel want beiden zijn in deze vergelijking rationeel in die zin dat er beide stromingen denken gebruiken.

Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld13. Volgens de rationalisten bevat de werkelijkheid een inherente redelijke en logische structuur. Die structuur kun je ontdekken via het denken ontdekken en onthullen. Volgens empiristen is de werkelijkheid alleen te kennen door ze waar te nemen. Volgens empiristen leert de mens alleen door ervaring. Voor beiden is wat te zeggen, maar beiden hebben ook zo hun zwakheden.

Tomáš Sedláček geeft het zwakke punt van het rationalisme in de sociale wetenschappen als volgt weer: “De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is er geen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.”14 Maar dit denken in systemen en ‘wiskundige’ modellen kent volgens Sedláček gebreken: “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”15 In de sociale wetenschappen, en economie is een sociale wetenschap, wordt: “de praktijk (…) beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.”16 Hij vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt:“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.”17 Ondanks die gebreken maken economen, net zoals andere sociale wetenschappers, gebruik van modellen. Sinds het ontstaan van de economie als wetenschap zijn er verschillende ‘modellen’ ontwikkeld. Modellen die ondanks hun gebreken, toch worden gebruikt en die zich in hoofden van mensen vast zetten. Hieronder een ‘ geschiedenis van de economische modellen.

De klassieke economie

Smith wordt wel de vader van de economie genoemd. Hij staat aan de basis van wat de klassieke economie wordt genoemd. Smith beschrijft als eerste in de moderne tijd de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van slechts een klein deel van een product. Deze specialisatie leidt tot een toename van de totale productie, mensen produceren zo meer dan hun dagelijkse levensbehoeften en gebruiken. Het surplus verkoopt hij op de markt en daarmee koopt hij andere goederen en diensten. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaald niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hen het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”18 Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen bang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkent de John Stewart Mill dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid. Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.”19Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belastingontwijker dat zegt alles binnen de bestaande wet en regelgeving te doen – daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook – en aan de andere kant Mill die de ontwijker zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen. Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.”20Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen.

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties van de vrije markt en de mogelijkheden van de vrije mens als individu en als samenleving. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein21 en was Mill een filosoof en politiek theoreticus.

Mill was, met zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn.22 Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Bruto binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.

En ook tot nieuwe vormen van solidariteit, niet meteen want eerst moeten de ‘gebreken’ van het nieuwe systeem aan het licht komen. De ‘gebreken’ van het kapitalisme die in de loop van de negentiende eeuw aan het licht kwamen, heeft Karl Marx goed beschreven in Das Kapital. Bezit en vermogen (kapitaal) hoopt zich op bij steeds minder mensen en de grote massa (het proletariaat) verpauperde en leefde onder erbarmelijke omstandigheden en moest dagelijks vechten om te overleven. Dit vechten betekende zeer lange werkdagen ook voor kinderen voor weinig geld en bij ziekte of een bedrijfsongeval vielen de inkomsten meteen weg.

De economie volgens Marx

Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Die beschrijving stelt de positie van de arbeider centraal en laat zien dat het kapitalisme een strijd is tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen.

Marx’s denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelde partijen die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). Het toenmalige kapitalisme was in zijn ogen ontstaan uit de strijdt tussen het feodalisme en vroege kapitalisme, De strijd in Marx’s zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat). En net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje moeten leggen tegen de kracht van de arbeiders en dan zou het de socialistische samenleving zijn bereikt. De vrije concurrentie moest immer onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen.23 Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. Zoals in het vorige hoofdstuk al aangeven geloofde ook neoliberalen in een einde aan de geschiedenis, alleen een ander einde.

Marx was tevens de eerste die verder nadacht over de rol van het geld. Geld werd tot Marx vooral gezien als een ruilmiddel bedoeld om het ruilen te vergemakkelijken. Hij zag de eigenstandige macht van geld, geld als vermogen. Marx: “Wat door het geld van mij is, wat ik kan betalen, dat wij zeggen wat het geld kan kopen, dat ben ik, de bezitter van het geld zelf. Hoe groter de macht van het geld, des te groter mijn eigen macht. de eigenschappen van het geld zijn de eigenschappen en essentieel vermogens van mij – de bezitter van het geld. Wat ik ben en wat ik kan hangt dus allerminst af van mijn individualiteit.”24 Deze eigenstandige macht van het geld speelt nu een zeer belangrijke rol. Tegenwoordig lijkt iets pas waarde te hebben en lijkt iets pas te bestaan en de moeite van het behouden waarde als het in geld is uit te drukken. Zo hebben bedrijven pas belangstelling getoond voor het verminderen van de uitstoot van kooldioxide sinds er wordt gewerkt met verhandelbare quota voor de uitstoot.

De industriëlen ‘verzamelde’ de proletariërs in grote aantallen in en rond de fabriekssteden. Of, zoals Andreas Malm betoogt, was het precies omgekeerd: in de steden verzamelde paupers op zoek naar werk en dus trokken de fabrieken naar de steden25. Hoe het ook zij, de macht van industriëlen leidde tot haar tegenmacht: politieke bewegingen en vakbonden die opkwamen voor de belangen en de emancipatie van de arbeiders. Ook enkele grootindustriëlen zagen dat er iets moest gebeuren, zij het vanuit een andere invalshoek. Om hun afzet te laten groeien en daarmee de mogelijkheden op winst, hadden zij nieuwe consumenten nodig en de arbeiders zouden dit kunnen worden. Voorwaarde hiervoor was dat zij een redelijk inkomen konden verwerven en in betere omstandigheden zouden leven. Zij gaven hieraan handen en voeten door fatsoenlijke huisvesting te verzorgen (met goede voorwaarden voor hygiene) en redelijke salarissen en zo hun arbeiders aan hen te binden. Daarbij werden vaak wel eisen gesteld op bijvoorbeeld drankgebruik.26 De druk vanuit (en vaak ook de angst voor) de arbeidsbeweging en ook door de voorbeelden vanuit enkele ondernemers, ontkwamen de regeringen er niet aan om wetten op te stellen die aan de belangen en eisen van de arbeiders tegemoet kwamen.

Dit leidde vanaf het eind van de negentiende eeuw tot een groeiend stelsel van sociale wetgeving. De eerste wetten betroffen vaak verboden zoals het al eerder genoemde verbod op kinderarbeid, maar ook het verbod op slavernij past in dit rijtje. Daarna volgden wet en regelgeving met betrekking tot huisvesting en hygiëne (denk hierbij aan het aanleggen van riolering) en arbeidstijden. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met sociale zekerheidswetgeving, wetgeving die inkomen garandeerde bij onder meer ouderdom, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ook wetgeving die werknemers beschermt bij ontslag. Een stelsel dat zijn hoogtepunt bereikte eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien staat dit stelsel onder druk. Die druk deed zich het eerste gevoelen bij de inkomensregelingen. Die zijn drastisch versoberd en de mogelijkheden om er gebruik van de te maken zijn drastisch beperkt. Maar ook andere regelingen staan onderdruk en zijn beperkt. Denk hierbij aan de bescherming bij ontslag, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de intrede van uitzendkrachten en Zelfstandigen Zonder Personeel. Ook hier wordt de afbraak verkocht door deze in een positief frame te zetten: het heet modernisering en flexibilisering. Wie wil er immers ouderwets en start zijn.

Het keynesianisme

Maar eerst nog even terug in de geschiedenis van de economische wetenschappen. De klassieke economen en de angst voor het marxisme hebben het denken over economie en samenleving tot de jaren dertig van de twintigste eeuw beheerst en gedomineerd. De grote economische depressie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bood de klassieke economen een uitdaging die ze niet opgelost kregen. De werkelijkheid paste niet in de toekomstmodellen van de klassieke economen en vroeg om een andere aanpak. Daar waar de klassieke economen en ook de marxisten ervan uitgaan dat de toekomst zich ontwikkeld volgens vooropgezette te kennen route, is de toekomst volgens John Maynard Keynes onkenbaar en onvoorspelbaar. Effecten van keuzes zijn in de ogen van Keynes maar in beperkte mate te voorspellen. Keynes:“In de regel hebben we slechts een zeer vaag idee van de rechtstreekse gevolgen van ons handelen.”27Handelen dat, als we het op economische beslissingen betrekken, vaak een eenmalig karakter heeft en moeten worden genomen in omstandigheden die afwijken van wat normaal gangbaar is.

De werkelijkheid knelde flink met de vooronderstellingen van de klassieke economen. De eerste vooronderstelling, de mens kiest en besluit rationeel, schoot hij aan flarden op basis van zijn ervaringen als belegger, een activiteit waarin hij redelijk succesvol was. Het was en is niet de ratio die op de mens als deelnemer op de markt regeert maar de emotie en het sentiment: “De markt zal onderworpen zijn aan golven van optimistische en pessimistische sentimenten, die enerzijds onredelijk zijn en, maar die tegelijkertijd in zekere zin wel legitiem zijn, aangezien er geen solide basis is waarop een rationele berekening kan worden gemaakt.”28 Vanuit die ervaring had hij geleerd dat succesvol beleggen een gevolg is van de anderen te slim af zijn en veel minder van door rationeel te kiezen. Het gaat er bij beleggen volgens hem om “de massa te slim af te zijn en het slechte, of gedevalueerde, muntstuk door te schuiven naar een andere knaap.”29Als we vertalen naar de de markt van gebundelde hypotheken dan zien we dat de waardevolle bundels in handen zijn gebleven van de banken en dat de overheden de ‘bagger’ hebben overgenomen, dit in hoop deze in de toekomst weer te kunnen verkopen. Keynes benaderde de economie dus veel meer vanuit de psychologie en wat later de speltheorie is gaan heten.30

Ook de tweede vooronderstelling, dat al die rationale keuzes op de markt zouden leiden tot een voor de samenleving beste resultaat, staat daarmee op losse schroeven. Met een treffend voorbeeld wist hij ook het ‘welbegrepen eigenbelang’ van de slager, bakker of brouwer van Smith aan de kaak te stellen. Keynes deed dit aan de hand van een voorbeeld. India bezat begin twintigste eeuw vrijwel het monopolie op de handel in jute. En zoals altijd zijn er dan ondernemers die meer willen verdienen en daarom de kwaliteit stiekem verminderen. Ze bieden jute aan die minder lang meegaat. Volgens Smith zou het eigenbelang van de ‘slager’ ervoor zorgen dat de de ‘fraudeurs’ door de afnemers gestraft zouden worden omdat die zouden weglopen. Keynes zag in de praktijk een andere mogelijkheid: de andere producenten apen de fraudeurs na omdat ze marktaandeel verliezen: “Terwijl vervalsing duidelijk ingaat tegen het belang van de handel als geheel, is het niettemin in het belang van elke individu om eraan mee te doen.”31Ook in dit geval, een voorbeeld van een prisoner’s dilemma waarover ik het in het vorige hoofdstuk had, pleitte Keynes voor overheidsingrijpen via wetgeving.

Het is daarom niet meer dan logisch dat ook de derde vooronderstelling, de overheid moet niet ingrijpen, door Keynes naar de prullenbak werd verwezen. Dat blijkt al uit zijn pleidooi voor wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van jute maar wordt nog duidelijker aan de hand van zijn analyse en voorgestelde aanpak van de economische depressie. Volgens de klassieke economen wordt een crisis bestreden door loonsverlaging aan de ene kant en aan de andere kant door grotere besparingen die via renteverlagingen ondernemers er vanzelf toe zouden aanzetten om weer te investeren. Het eerste zou leiden tot een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt, het tweede tot een nieuw evenwicht op de financiële markten. Dit allemaal door de onvolprezen ‘onzichtbare hand’. Die hand liet het echter af weten. Waar de klassieke economen vanuit hun ideologische standpunten hun oude mantra bleven herhalen en met name de vakbonden ervan beschuldigden de lonen hoog te houden en zo de vrije markt te verstoren, keek Keynes naar wat er werkelijk aan de hand was en kwam met alternatieven. Keynes zag een uitval van de vraag en die leidde tot minder investeringen. Het verlagen van de lonen leidde tot nog verdere terugval van de vraag en zo ontstond een neerwaartse spiraal. Op grond van wat hij zag en hoe hij dit duidde pleitte hij voor direct overheidsingrijpen. Omdat de markt niet investeert, zou de overheid het zelf moeten doen. Met Keynes als belangrijkste adviseur zette de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt zijn omvangrijke ‘New Deal’ programma op. Dit bestond uit forse investeringen in de energievoorziening en de infrastructuur. Investeringen die mensen werk boden en via die weg tot toenemende vraag en zo tot het weer toenemen van investeringen door de marktpartijen. Hoe succesvol de New Deal is, zullen we nooit precies weten omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en die zorgde voor een heel andere dynamiek. Ook in andere landen werd over een keynesiaanse aanpak nagedacht. De Duitse crisisaanpak van investeringen in autowegen en de wapenindustrie vertoont ook keynesiaanse trekken.

Keynes en zijn denken heeft de westerse wereld gedomineerd in de periode vanaf de Tweede wereldoorlog tot begin jaren zeventig van de afgelopen eeuw. Samen met Amerikaan Harry Dexter White stond hij aan de wieg van het Bretton Woods stelsel. Een stelsel dat voor de uitdaging stond om, zoals Rodrik het beschrijft:” … allow enough international discipline and progress toward trade liberalization to ensure vibrant world commerce, but give plenty of space for governments to response to social en economic needs at home.”32 Een stelsel van vaste wisselkoersen waarbij alleen de Amerikaans dollar aan het goud werd gekoppeld, de overige munten werd gekoppeld aan de dollar en waren daardoor in waarde gegarandeerd. Omdat Amerika veruit de dominantste economie hadden met een flinke voorsprong op alle andere, was dit een tijd die tijd passend systeem. Een tweede onderdeel van de afspraken betrof de handel exclusief de agrarische sector, bekend onder de naam General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Deze afspraken werd in diverse rondes aangepast aan de eisen van de tijd. Ter ondersteuning van landen in ontwikkeling of in crisis werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank for Reconstruction and Development (nu deel van de Wereldbank) opgericht. Internationale instituties met eigen bevoegdheden en macht om los van welk land dan ook te opereren. Hiermee regelden de industriële westerse landen financiële en handelsrelaties.

Het door Keynes en White ontworpen systeem ondersteunde de economische wederopbouw na de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Het bood landen ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. Het systeem functioneerde tot midden jaren zeventig en zorgde voor flinke groei van de economieën van de westerse landen33. Toch liep het Bretton Woods systeem vast en achteraf bezien in het eigen succes. Het paste in een tijd waarin één land economisch met kop en schouders boven de rest uitstak, de Verenigde Staten waarvan de munt aan het goud was gekoppeld en dat over het grootste deel van de financiële reserves beschikte. Dit was de spil waarop het systeem draaide. Toen in de jaren zestig de economie van de andere landen weer op toeren kwamen, leidde dit tot druk op de dollar omdat de reserves van de Europese landen en Japan nu die van de Verenigde Staten overtroffen en ook de economieën van deze landen sterker groeiden wat leidde tot ontevredenheid bij deze landen met de rol van de Verenigde Staten als wereldbankier. Uiteindelijk stond of viel het systeem met de bereidheid van andere landen om dollars aan te houden als reserve. Deze bereidheid verminderde door de grote uitgaven van de Verenigde Staten (Vietnamoorlog en het sociale programma the Great Society van president Johnson) waarvoor extra dollars werden bijgedrukt. Daarop wisselden steeds meer landen hun dollarvoorraden in tegen goud en koppelden hun munten los van de dollar. In 1971 beëindigde president Nixon van de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van de dollar voor goud en ontstond het systeem van zwevende wisselkoersen. Dit betekende het einde van het bouwwerk van Keynes en White.

Dit was het begin van het einde van het keynesianisme als leidende economische stroming. Die leidende positie werd verder aangetast door de economische crisis van eind jaren zeventig. Een crisis waar het ‘wondermiddel’ van Keynes uit de jaren dertig, overheidsinvesteringen in tijden van crisis, niet werkte. De economie stagneerde en er was sprake van flinke inflatie (samengevoegd tot stagflatie). Die inflatie zorgde vervolgens weer voor loonsverhogingen om de gestegen prijzen te compenseren en dus de koopkracht op peil te houden. Extra overheidsinvesteringen wakkerden de inflatie aan, zorgden voor opwaartse druk op de lonen en zo tot vermindering van investeringen door het bedrijfsleven. Het keynesianisme bood hiervoor geen oplossing. Zijn succesvolle methode om de economie te stimuleren bij vraaguitval, is door zijn navolgers tot een soort dogma verheven. Een aanpak die in iedere crisis toepasbaar is. Wellicht zou Keynes, indien hij nog had geleefd, wel met oplossingen zijn gekomen. De kern van zijn denken bestond eruit om te kijken naar wat er aan de hand is en daar een praktische oplossing bij zoeken.

Neoliberalisme

Daarmee komen we bij het neoliberalisme, het ‘model’ dat de afgelopen vijftig jaar het denken over economie en de samenleving heeft gedomineerd. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen: “Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.34 Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.”35 Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt. Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtegoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt: ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”36 Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af. De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen. Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.

Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten.37 Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaalsocialisme en fascisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie en dat het streven naar democratische vormen van socialisme niet mogelijk is:“That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable, but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not believe it until the connection has been laid bare in all its aspects.”38En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.

De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheid daarnaast en tweede manier om naar vrijheid te kijken, een vorm die hij ‘positieve vrijheid’ noemt. Hierbij staat het antwoord op een andere vraag centraal: “Wat of wie, is de bron van beheersing of inmenging die kan bepalen dat iemand dit doet in plaats van dat, of zó en niet anders.”39 Dit is de socialistische vlag van Hayek, daar is vrijheid: “… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .”40 Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om:“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”41

Twee verschillende interpretaties die inderdaad niet allebei volledig te bevredigen zijn. De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methods of guiding economic activity.”42 En dan moeten we denken aan: “… the provision of the signposts on the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.”43 In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.”44

Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogd krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelend, het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. John Gray verwoordt de misser van Hayek als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.”45 Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen.

De belangrijkste navolger en meest invloedrijke denker van het neoliberalisme was Milton Friedman. Friedman was verbonden aan de Universiteit van Chicago die kan worden beschouwd als de bakermat en het middelpunt van het neoliberale denken. Daar waar Keynes beweerde dat vraaguitval de reden was van de Grote Depressie in de jaren dertig en dat deze met overheidsinvesteringen kon worden bestreden, kwam Friedman tot een heel ander analyse en oplossingsrichting. Volgens Friedman was het een gewone financiële schok die werd verergerd door de krimp van de geldhoeveelheid die erop volgde. Deze krimp werd veroorzaakt door verkeerd beleid van de directeuren van de Federal Reserve (Fed) het stelsel van centrale banken in de Verenigde Staten. Het was dus de overheid die faalde en niet de vrije markt. Wat opvalt, ondanks hun totaal verschillende analyse van de Grote Depressie, is dat zowel Keynes als Friedman het eens leken over de oplossing: meer geld in de economie en dat de overheid hiervoor moest zorgen. Alleen over de manier waarop verschilden de beide heren. Keynes wilde dat de overheid zou investeren in zaken die de economie zouden versterken. Friedman wilde dit doen daar de geldvoorraad te vergroten zodat de particuliere sector zou investeren. In de jaren dertig is uiteindelijk de Keynes oplossing gekozen. Bij het aanpakken van de crisis van 2007 en verder, is gekozen voor de Friedman oplossing. Hierop kom ik later nog terug.

Friedman was een fel tegenstander van overheidsingrijpen in de economie ook niet als niet ingrijpen tot ernstige ellende leidde of ontwrichtend voor de maatschappij was. Markten komen immers op den duur (korte of lange termijn) altijd weer tot een evenwicht, de negatieve gevolgen moesten zo lang het duurde maar verdragen worden. Keynes zou hem hebben geantwoord met zijn beroemde woorden:“De lange termijn is een misleidende gids in de maatschappelijke werkelijkheid. Op lange termijn zijn we allemaal dood.”46 Friedman was de grote pleitbezorger van het monetarisme dat een grote rol toekent aan het geld in de economie. Vergroting van de geldvoorraad zou inflatie veroorzaken daarom pleitten de monetaristen ervoor dat de centrale bank de geldhoeveelheid met een vooraf bepaald maximumpercentage mocht groeien, dit percentage moest worden gerelateerd een de reële economie en diende vooraf te worden bepaald. Er bestond volgens hem een nauwe en stabiele relatie bestaat tussen prijsinflatie en de geldhoeveelheid. Geld vervult voor de monetaristen een centrale rol in de economie. Friedman zag het gevaar van een ongereguleerd financieel systeem. Regulering of het versterken van de bevoegdheden van de centrale bank zag hij echter niet als oplossing. De oplossing zag hij in een permanente groei van de geldvoorraad. Dit door deze met tussen de 3 en 5% per jaar te laten groeien. Het liefst zag hij dit als enige wettelijke opdracht voor de Fed.

Via Friedman en zijn collegas van de Universiteit van Chicago kreeg het neoliberalisme steeds meer de overhand in het economisch denken en handelen. De Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Tatcher waren grote bewonderaars van Friedman en Hayek en via deze twee politici werd het neoliberalisme mainstream en verspreide het zich verder over de wereld. Diverse landen hebben sinds begin jaren zeventig ervaringen opgedaan met de neoliberale aanpak. Als eerste Chili na de coupe van Pinochet. Na de val van de Berlijnse muur werd de neoliberale aanpak het handelsmerk van het internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Landen in financiële nood konden via deze instellingen kredieten krijgen maar moesten in ruil hun economie ‘uitleveren’ aan de vrije markt47.

Friedman behoorde tot de kring ronde Amerikaanse schrijfster en denker Ayn Rand. Rand is de schrijfster van het op de bijbel na meest verkochte boek in de Verenigde Staten, de roman Atlas Shrugged uit 1957. In zijn boek De Utopie van de vrije markt noemt Hans Achterhuis dit boek de utopie van het kapitalisme. Dit denken kenmerkt zich door een kleine rol voor de overheid, zo min mogelijk belemmeringen voor het bedrijfsleven en zo min mogelijke belastingen. In kern is het neoliberale denken samen te vatten in drie woorden waarvan er twee toevallig ook nog eens de titel vormen van een van de boeken van Friedman. Friedmans boek is getiteld Capitalism and Freedom het neoliberale denken is samen te vatten met kapitalisme is vrijheid. Daar waar marxisten de socialistische samenleving als eindtijd van de geschiedenis zien, is dit voor veel neoliberalen het kapitalisme gecombineerd met de liberale democratie. Toen de Berlijnse muur viel, zagen zij dit dan ook als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van het ideologisch denken omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de liberale-vrije-markt samenleving, er was immers geen ideologisch alternatief meer. Dit was de strekking van het boek The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama uit 1992.

In die kringen rond Ayn Rand vertoefde ook Alan Greenspan, de latere president van de Fed. Greenspan heeft het denken van Friedman in die rol in de praktijk gebracht. Toezicht op de financiële wereld verslapte, alleen de groei van de geldvoorraad was belangrijk. Greenspan deed dit door de rente te verlagen, een manier om de geldvoorraad te vergroten. Lage rentetarieven van de centrale bank maakt immers dat banken goedkoop aan geld kunnen komen en dit weer als lening in de markt uit te zetten. Door de crisis die in 2007 inzette heeft het neoliberale denken een flinke deuk opgelopen. De overheden moesten flink ingrijpen om met name de bankensector overeind te houden en overheidsingrijpen past niet in het neoliberale denken, zeker niet in financiële sector. Ondanks deze deuken is het dit moment nog steeds de dominante economische filosofie en ligt het ten grondslag aan vele beleidskeuzes.

Libertarisme

De crisis van 2007 bracht het neoliberale bouwwerk aan het wankelen. Het zichtbare verzet kwam van de kant die wilde herverdelen. De 99 procent kwam in verzet tegen de 1 procent meest vermogenden. De Occupy-beweging kreeg en trok de aandacht. Wat de deelnemers bond, was hun woede tegen de hebzucht van de grote financiële instellingen. Die werden gezien als de belangrijkste oorzaken van de financiële crisis waarin de wereld sinds 2008 terecht is gekomen. De Occupy-beweging werd gevoed door een sterk gevoel van onbehagen over de bestaande economische ongelijkheid, de afbraak van sociale en economische verworvenheden en de (vermeende) onzichtbare macht van het multinationale bedrijfsleven over de politieke besluitvorming. Tot woede van de demonstranten werden de banken die de crisis hadden veroorzaakt, gered ten koste van de gewone man. Dit werd kort verwoord met de slogan: ‘Banks get bailed out, we get sold out’. Over de oorzaken was men het binnen de occupy-beweging eens, waar het naar toe moest, wat het doel van de protesten was, bleef vooral vaag.

Naast dit zichtbare verzet tegen de neoliberale wereldorde van Occupy, was er een andere groep die een andere dan de neoliberale wereldorde wilde. Deze groep bleef en blijft nog steeds, vooral onder de radar. Het is echter wel de groep die steeds meer macht en invloed verwerft. Marlène Benquet en Théo Bourgeron noemen deze groep ‘Alt Finance’. Een groep die bestaat uit de hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen. In hun boek Alt Finance betogen de auteurs op een overtuigende manier (onder andere door het volgen van het geldspoor), dat deze bedrijfstak de neoliberale wereldorde wil afbreken. Ze willen een nieuwe wereldorde een libertaire.

Libertarisme is: “een politieke filosofie die de nadruk legt op individuele vrijheid, vrijwillige associatie en beperkte of geen overheidsinterventie in zowel persoonlijke als economische aangelegenheden. Het pleit voor minimale tot geen overheidsbemoeienis in het leven van burgers en bevordert persoonlijke vrijheid en autonomie.” De overheid moet zich volgens de libertariers beperken tot het beschermen van de individuele rechten. Die zijn heilig: “Libertariërs geloven in de primaire rol van individuele rechten, waaronder het recht op leven, vrijheid en eigendom. Deze rechten worden gezien als inherent en niet “verleend” door een of andere overheid.” Volgens de libertaire leer is iedereen vrij om zijn leven te leiden zoals de persoon zelf wil. De enige beperking hierbij is dat een ander geen schade mag worden gedaan en dat die ander dezelfde rechten heeft.48 “Het unieke kenmerk van het libertarisme is dat het een ethische benadering van vrijheid verdedigt zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor het algemeen belang,” aldus Benquet en Bourgeron. Want: “In tegenstelling tot liberalen en neoliberalen, die een consequentialistische benadering hanteren, hebben libertariërs een deontologische benadering van vrijheid: de vrijheid om te accumuleren is op zichzelf al een wenselijk resultaat.”49

Een politiek filosofische stroming die de nadruk legt op de vrijheid van het individu waarbij de rol van de overheid zo klein mogelijk is. Deze stroming heeft belangrijke raakvlakken met het objectivisme van Ayn Rand. Het libertarisme put daarmee uit eenzelfde bron als het neoliberalisme, maar is nog wat extremer. De rol van de mens als burger bestaat voor het libertarisme eigenlijk niet. De mens is consument en de markt is de democratie. Of om de voormalig Britse premier Thatcher aan te halen: ‘who is society? There is no such thing’. Weg van het WIJ en naar het IK, de op zichzelf aangewezen mens. Een IK die de andere IKKEN in toenemende mate met wantrouwen bejegend. Eigenlijk een strijd van allen tegen allen om Hobbes te parafraseren, maar dan zonder fysiek geweld. Zo is wantrouwen de basis geworden van onze samenleving terwijl een democratie floreert bij vertrouwen.

In hun onderzoek naar de Brexit kwamen Benquet en Bourgeron het libertaire denken op het spoor door het volgen van de geldstromen: wie betaalden de campagnes voor en tegen de Brexit. Tot hun verrassing werden de beide campagnes vooral betaald door de financiële sector. Brexit: “was het gevolg van een economische tegenstelling tussen twee facties van de Britse financiële sector, die uitgroeide tot een institutioneel en politiek conflict.”50 Een strijd tussen de gevestigde financiële sector, die zij First Wave finance noemen en die vooral bestaat uit banken, verzekeraars, institutionele beleggers, goederen handelaren, aan de ene kant en de nieuwe financiële partijen, die zij Second Wave Finance noemen en die bestaat uit hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen.

De First Wave partijen wilden het Verenigd Koninkrijk in de Europese Unie houden. Dit deel van de Britse financiële sector had mee aan de wieg gestaan van het neoliberale bouwwerk dat die Unie was geworden. Hun werkwijze: “wordt gekenmerkt door publieke oproepen tot sparen, waarbij spaargelden worden ingezameld door particuliere spaarinstellingen en voor korte periodes worden belegd in aandelen die op beursgenoteerde markten worden verworven.” Zij hadden veel te verliezen bij een Brexit. Dit deel roerde zich stevig in het debat over een Brexit. De werkwijze van Second Wave partijen: ‘wordt gekenmerkt door spelers die particulier kapitaal (afkomstig van vermogende particulieren en andere professionele beleggers) investeren in niet-beursgenoteerde activa; op middellange termijn nemen deze spelers actief de controle over deze activa over.51

Belangrijk verschil tussen de twee is de sterke betrokkenheid van de oprichter in het opereren en welvaren van Second Wave Finance. Deze staken eigen geld in de Leave campagne terwijl de First Wave partijen vooral bedrijfsgeld investeerden. De financiers van de Leave campagne bleven veel meer op de achtergrond. Ze spraken zich niet zelf uit, ze lieten dat aan anderen over. Waarom ze uit de Europese Unie wilden? Ze: “hoopten de vrije hand te krijgen om te investeren zoals zij dat wilden en zich te ontdoen van de financiële regelgeving van Brussel, die zij te restrictief vonden.”52 Want ze zagen zich: “Geconfronteerd met een neoliberaal politiek regime dat niet langer de institutionele regelingen beschermde die zij nodig achtten om hun winsten te laten stijgen,” En omdat ze de regels binnen de Unie niet gewijzigd kregen: “vonden de financiële actoren van de tweede golf een mogelijke uitweg: een verandering van politiek regime.”53 Die verandering van politiek regime werd de Brexit.

Sinds die Brexit wordt de roep om een verandering van institutionele regeling ook binnen de Europese Unie de steeds sterker. Ook sloten andere partijen en dan vooral de grote techbedrijven en dan vooral techbedrijven die draaien op data, zich bij die roep aan. Alessandro Baricco beschrijft de tech-ondernemers in zijn boek The Game. Hij onderzoekt als een soort archeoloog de ontstaansgeschiedenis van de nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de hele digitale revolutie. Hij gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië waar een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was,” zich had verzameld. Zij wilden een andere wereld. “Het waren mensen op de vlucht. Ze probeerden te ontsnappen aan de eeuw die de gruwelijkste in de geschiedenis van de mensheid was geweest, en die niemand had gespaard.” Wat die gruwelijke eeuw kenmerkte? “De obsessie met grenzen, de verafgoding van alle mogelijke scheidslijnen, de drang om de wereld in te delen in beschermde zones die niet met aldaar in contact stonden.“54 Een wereld die werd gedomineerd door ideologie. Zij wilden geen ideologie maar waren in de kern bijzonder ideologisch. Ze predikten het anarchisme en de meeste van hen een zeer bijzondere vorm van anarchisme, het libertarisme.

Ook bij hun pogingen om tot die libertaire samenleving te komen, blijven de aanjagers ervan, uitzonderingen zoals Elon Musk daargelaten, het liefst in de schaduw. Overheden en vooral de Europese Unie hinderen hen daarbij. De EU omdat deze, geheel volgens de neoliberale wereldorde, ernaar streeft om via de markt het algemeen belang te bevorderen en dat algemeen belang (kwaliteitsregels voor producten, regels ter bescherming van de burger en de consument) hindert deze ondernemers. Daarom laten ze via denktanks en door hen gefinancierde actiegroepen roepen dat de regels ‘verstikkend’ zijn en ‘innovatie belemmeren’. Ze doen dat met toenemend succes. En de ironie, de grootste slachtoffers van het niet reguleren zijn precies de mensen die voor het karretje worden gespannen. Die worden getriggerd met de boodschap dat die regels hun vrijheid belemmeren. Ze laten anderen het werk opknappen en die anderen zijn vooral mensen die juist het meeste belang hebben bij herverdeling. Want het libertaire beleid: “versterkt de financialisering van samenlevingen, waardoor de kloof tussen arm en rijk groter wordt.”55

Benquet en Bourgenon laten zien dat al die denktanks één netwerk vormen met de naam Atlas Foudation: “Ongeveer 400 denktanks zijn lid van de Atlas Foundation, waarvan de meeste Anglo-Amerikaans zijn. Ze vormen een politiek samenhangend geheel dat gekenmerkt wordt door zijn libertarisme en zijn banden met alt-right in de Verenigde Staten en met radicale groeperingen binnen de Britse Conservatieve Partij… De meest emblematische leden van dit netwerk in de Verenigde Staten zijn het Cato Institute, gefinancierd door de gebroeders Koch, miljardairs in fossiele brandstoffen die bekend staan om hun ontkenning van klimaatverandering en hun libertarische opvattingen, en de Heritage Foundation, eveneens een klimaatveranderingsontkennende, libertarische en neoconservatieve groep.”56 De Heritage Foundation is de grondlegger van Project 2025. Een in 2022 opgesteld plan om na de toen nog onzekere verkiezingswinst van een republikeinse president de overheid vol te stoppen met aanhangers van het libertaire gedachtegoed. Een in de basis autoritair plan omdat het ervan uitgaat dat een president na zijn verkiezing boven de wet staat. Na zijn inauguratie is de huidige president Trump dit plan aan het uitvoeren. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning

Benquet en Bourgeron betogen dat Het nieuwe politieke regime van accumulatie (…) zich (heeft) gehuld in het kleed van het libertaire economische denken, maar is autoritair in zijn politieke en sociale optreden.”57 Ze noemen dit het libertair autoritair regime. Een regime dat: “vijandig (staat) tegenover elke herverdeling van rijkdom en gebruikt onderdrukking van sociale bewegingen, beperking van burgerlijke vrijheden en beperkingen op openbare demonstraties en toespraken als belangrijkste middelen om de sociale orde te handhaven.”58 En als we nu om ons heen kijken, dan is dat precies wat er gebeurt. Trump voert op een autoritaire manier Project 2025 uit. Rechten van mensen (legaal of illegaal) worden met voeten getreden. Het leger wordt tegen de eigen burgers ingezet. Onwelgevallige stemmen wordt het zwijgen opgelegd door hen te (laten) ontslaan of door te dreigen met een rechtszaak. We zien het ook in Nederland. Hier staat het recht om te demonstreren onder druk. Worden moties, wetsvoorstellen en amendementen ingediend die strijdig zijn met onze grondrechten. Worden de bevoegdheden van opsporingsinstantie om te grasduinen in privégegevens steeds groter. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning en dan vooral de laatste vorm: roof. Roof, want dat is het als de machtigen hun macht gebruiken om hun rijkdom verder te vergroten ten koste van de onmachtigen.

Afsluitend

Deze Prikker schets de geschiedenis van manieren waarop de mens zaken verwerft die nodig zijn om te overleven. De laatste drie eeuwen is de nadruk daarbij steeds meer komen te liggen op verwerven via de markt. Daarbij zien we een permanente strijd tussen de kapitaalkrachtigen en de rest. Om in Occupy termen te spreken: de strijd tussen de 1% en de 99%. In die strijd spelen ideeën een belangrijke rol. Ideeën in de zin van theorieën of modellen die de werkelijkheid moeten verklaren. Nadeel van theorieën en modellen in de sociale wetenschappen is dat ze de werkelijkheid versimpelen en beïnvloeden. Sinds eind jaren zeventig is hierbij de nadruk komen te liggen op de vrije markt als dé manier van verwerven. Dat zou zowel voor het individu als voor de samenleving het beste opleveren: als iedereen zijn eigen belang nastreeft dan moet de som van die eigenbelangen wel het optimale maatschappelijke belang zijn. Zo is de opvatting van het neoliberale denken. De werkelijkheid laat echter zien dat veertig jaar neoliberaal beleid hebben geleid tot erosie van het algemeen belang. De laatste vijftien tot twintig wordt het libertaire denken steeds dominanter. Dit denken lost het probleem van eroderend algemeen belang op door het irrelevant te maken. Individuele verwerving van (zoveel mogelijk) kapitaal is het enige wat telt. De aanhangers van dit denken, de kapitaalkrachtige individuen van het Second Wave Finance en de Tech Bro’s, verstoppen hun denken onder de vlag van vrijheid. Een valse vlag waaraan het volgende deel gewijd zal zijn. Bij het vormgeven van beleid zullen we hier rekening mee moeten houden. Gelukkig kunnen we daarbij ons voordeel doen met ervaringen uit het verleden. Die bieden niet automatisch ‘rendementen voor de toekomst’. Die ervaringen laten echter wel zien dat het anders kan. Dat herverdeling mogelijk is.

1 Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

2 Yuval Noah Harar, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

3 Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

4 Lees Marcel Mauss, Over de gift

5 Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92

6 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 48-49

7 Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten,pagina 414-415

8Idem pagina 415-419

9 Hier baseer ik me op de bespreking van dit artikel in John Cassidy, Wat als de Markt Faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 166-167. Voor het origineel artikel zie: Garrett Hardin, “ The Tragedy of the Commons” Science 162 (1968): 1244.

10 R.R. Palmer, Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 428

11 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

12 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

13 Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad. de zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218

14 Idem, pagina 209

15 Idem, pagina 213 (Sedláček benadrukt in dit citaat twee woorden die hij cursiveert. Ik cursiveer citaten en om de nadruk van Sedláček te behouden schrijf ik deze woorden normaal).

16 Idem, pagina 344

17 Idem, pagina 346

18 Bij het beschrijven van het denken van Adam Smith heb ik gebruik gemaakt van De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy.

19 John Stewart Mill, Over vrijheid. Pagina126

20 Idem, pagina 127

21 The Theory of Maral Sentiments., een boek dat handelt over ethiek en waarin hij de handelende mens als meer dan een egoïstisch wezen ziet.

22 Bertrand Russell, Geschiedenis van de Westerse Filosofie. Vanuit de politieke en sociale omstandigheden van de Griekse Oudheid tot in de twintigste eeuw. Pagina 803 – 804. Zie ook Hans Achterhuis, pagina 189

23 Idem, pagina 811 – 819

24“ Geciteerd bij Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 198

25 Zie: Andreas Malm,Fossil Capital. The Rise of Steam Power an the Roots of Global Warming

26 Philips is hiervan een goed Nederlands voorbeeld. In Engeland is lord Lever (nu onderdeel van Unilever) hiervan een voorbeeld.

27“ Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 191

28 Geciteerd bij Cassidy, pagina 190

29 Geciteerd bij John Cassidy pagina 192

30 Speltheorie is een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat. De speltheorie biedt een raamwerk waarbinnen strategische interactie tussen ‘spelers’ bestudeerd wordt. Met behulp van modellen wordt geprobeerd de onderliggende interactie van ‘spelers’ die beslissingen nemen te begrijpen. (bron: Wikipedia)

31 Geciteerd bij John Cassidy, pagina 194

32 Dani Rodrik,The Globalization Paradox. Democracy and the Future of the World Economy, pagina 69

33 Angus Maddison, Ontwikkelingsfasen van het kapitalisme pagina67

34 Frans Pollux, Het Gelijk van Heisenberg, pagina 15 – 16. De vete druk is overgenomen van Pollux

35 http:/ http://www.volkskrant.nl/recensies/van-sciencefiction-valt-te-leren~a1021420/

36 Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 52

37 Collectivisten zijn voor Hayek alle stromingen die in groepen denken in plaats van in individuen. Het omvat daarmee onder andere het communisme, het socialisme, het facisme en het nationaal-socialisme.

38 Friedrich A. Hayek, The road to Serfdom. Text and Documents. The definitive Edition, pagina 82

39 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, pagina 11.

40 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Editionpagina 77

41 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, Berlin, pagina 75

42 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Edition, pagina 85 – 86

43 Idem, pagina 87

44 Idem, pagina 88

45 John Gray, Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën pagina131

46 Geciteerd bij Hans Achterhuis,De utopie van de vrije markt, pagina pagina 214

47 Idem, pagina 239 – 252

48 Bron: https://libertairperspectief.nl/over-het-libertarisme/

49 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 107 (eigen vertaling)

50 Idem, pagina 10 (eigen vertaling)

51 Idem, pagina 39 (eigen vertaling)

52 Idem, pagina 44 (eigen vertaling)

53 Idem, pagina 65 (eigen vertaling)

54 Alessandro Baricco, The Game, pagina 98

55 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 131 (eigen vertaling)

56 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 104-105 (eigen vertaling)

57 Idem, pagina 107 (eigen vertaling)

58 Idem, pagina 9 (eigen vertaling)

Uitgelicht

Election Files 10: solidariteit

Na de VVD, de SP en de BBB bespreek ik in dit tiende deel van de reeks Election Files het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA, een programma met de titel: Een nieuwe start voor Nederland.1 Solidariteit staat centraal in dat programma: “Bij alles wat we voorstellen is solidariteit ons kompas.”2 Volgens de partij moet het anders. De partij wil: “een Nieuwe Verzorgingsstaat, gericht op de kwaliteit van ons bestaan.” Ze wil een samenleving: “waarin we succes niet langer afmeten aan de waarde die je onttrekt, maar aan de bijdrage die je levert aan de samenleving. Waar niet de winst van de een, maar de vooruitgang van ons allen telt.” Dat vraagt, zo betoogt de partij: “om een andere politiek. Wij kiezen voor een politiek gericht op het algemeen belang. De verdeeldheid van de afgelopen jaren leidde vooral tot stilstand. Deelbelangen werden goed beschermd, ten koste van ons allemaal. Het is tijd dat we het weer samen doen.” Ze geeft daarbij al aan dat dit: “niet van vandaag op morgen (is) geregeld.” De partij wil: “geen beloften doen die we niet kunnen waarmaken,” en zet daarbij in op Samen, want: “als we het samen doen, kunnen we ver komen.”3 En als je schrijft dat je gaat voor solidariteit, dan is het niet meer dan normaal om het programma te beoordelen op solidariteit. Zoals ook bij de vorige besprekingen van verkiezingsprogramma’s begin ik met de conclusie.

Conclusie

Van de programma’s die ik tot nu toe heb besproken is dit het dikste: bijna 170 pagina’s. Het dikste wil echter niet automatisch zeggen dat het de meeste tekst bevat. Verre van dat. Door de lettergrootte bevat iedere pagina van Een nieuwe start voor Nederland weinig tekst. Tekst die bovendien makkelijk en over het algemeen in korte zinnen is geschreven. Van de programma’s die ik tot nu toe heb besproken, is dit het meest leesbare en duidelijke programma. In het programma staan vijf beloftes centraal. Dat zijn achtereenvolgens in mijn woorden: de woningbouw, het milieu, het inkomen van mensen, leiderschap gericht op vrijheid en democratie en als laatste goed werkende publieke dienstverlening. Die vijf beloftes lopen als een rode draad door het programma. In de inleiding worden ze genoemd. Daarna worden de vijf beloftes op hoofdlijnen uitgewerkt. Als je niet het hele programma wilt doornemen, kun je hierna ophouden. Want wat nog volgt is per belofte de beleidsonderwerpen bij die belofte en de maatregelen die de partij voorstelt. Het koste me enige tijd om die logica uit te zoeken. Dat lag vooral aan de inhoudsopgave. Die past, in mijn ogen, niet bij de opbouw van het programma.

Solidariteit staat centraal in het programma. Wat het lastig maakt om te beoordelen of het programma ook werkelijk solidair is, is dat het begrip niet is gedefinieerd. Wat is solidariteit voor GroenLinks-PvdA? Na het lezen van het programma lijkt het erop alsof de partij solidariteit invult als een-zijn met hen die het moeilijk hebben. Maatregelen moeten vooral deze mensen ten goede komen.

Net zoals in de tot nu toe besproken verkiezingsprogramma’s, is het zwakke punt van Een nieuwe start voor Nederland de analyse. De partij hanteert, zo wordt op enkele punten duidelijk, het begrip brede welvaart. “Brede Welvaart gaat over hoe mensen hun leven en de kwaliteit van hun leefomgeving ervaren,” aldus het rapport Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2025 van het CBS. In dat rapport beschrijft en ‘meet’ het CBS de huidige brede welvaart in Nederland en bekijkt wat er nodig is om het huidige niveau ook in de toekomst te handhaven en de gevolgen van onze keuzes voor mensen elders.4 In de basis een interessante manier om de wereld te bekijken en te analyseren wat er op welke terreinen nodig is om in de toekomst tot een haalbaar niveau van brede welvaart te komen. Bij voorkeur geldt die haalbaarheid voor de wereld als geheel, want pas dan is er sprake van echt wereldwijde solidariteit. Dat bekijken moet dan wel tot een gesprek leiden waarbij de vraag: ‘wat is dan het goede niveau van brede welvaart?’ centraal staat. Dit ontbreekt in Een nieuwe start voor Nederland. Zonder goede analyse van het probleem en haar oorzaken is het lastig om overtuigend te laten zien dat de maatregelen die je voorstelt de beste oplossing bieden. Bij de verschillende beloftes ontbreekt die duidelijke analyse in meer of mindere mate. Dat wil niet zeggen dat ze niet is gemaakt. Het wil wel zeggen dat ze niet duidelijk in het programma staat. Het begrip brede welvaart had zo’n basis voor een analyse kunnen bieden.

Solidariteit

Solidariteit; iedereen zal beelden en gevoelens hebben bij het woord. De vraag is of dat dezelfde beelden zijn, en daar stuiten we op een probleem. Hoewel het woord solidariteit 169 keer voorkomt in het programma wordt het niet gedefinieerd. Dat is een gemis want een: “gevoel van een-zijn met anderen,” zoals de Van Dale het definieert, kun je op zeer verschillende manieren invullen. Zo kun je een gevoel van een-zijn bijvoorbeeld met zwervers invullen zoals de Pauluskerk in Rotterdam. Je kunt het ook invullen op de manier van Jeremy Bentham, een van de grote denkers achter het utilitarisme, een stroming die welzijn invult als zoveel mogelijk geluk. Bentham stelde voor hen van de straat te halen en in werkhuizen op te sluiten. Zijn motivering: “Bij teerhartige zielen veroorzaakt de aanblik van een bedelaar de pijn van het medeleven, bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat.”5

Het gemis aan een definitie leidt ertoe dat de lezer moet zoeken naar de invulling van GroenLinks-PvdA. Vier van de vijf beloftes die worden gedaan geven daar wel een beeld van. De vijfde belofte komt later aan de orde. Zo is volgens de partij: “wonen (…) een recht, geen verdienmodel voor speculanten.” Wordt de klimaatcrisis aangepakt en wordt daarbij niemand losgelaten, iets dat we doen: “voor onszelf en onze kinderen.” Is het tijd dat mensen voor hun werk: “een goed loon en fijne werkomstandigheden krijgen. En tijd dat grote vermogens ook echt bijdragen.” En zitten, zo betoogt de partij: “Zij die voor ons de basis mogelijk maken zitten vandaag in de knel, de werkdruk is te hoog, hun inkomen te laag en private investeerders maken winst met wat van ons allemaal is. Zij zijn solidair met ons, dus wij met hen. Samen maken we de basis weer op orde.” 6 Dit wijst erop dat solidair wordt ingevuld als een-zijn met hen die het moeilijk hebben. Dat haakt aan bij filosoof John Rawls, die betoogt dat: “Sociale en economische ongelijkheden (…) zo (dienen) te worden geordend dat ze: het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden.”7 Ik schrok wel een beetje van dat ‘ons en hen’. Daar lijkt de partij te zeggen dat de mensen waarmee ze solidair wil zijn niet bij ‘ons’ en dus in dit geval Groenlinks-PvdA horen. Ik hoop niet dat het zo is bedoeld. Solidariteit dus met mensen die het minder hebben.

Waarom een nieuwe start

Geheel in lijn met de titel van het programma wil GroenLinks-PvdA een nieuwe start maken. Volgens de partij moet die nieuwe start mogelijk zijn: “als we de sociale meerderheid in ons land verenigen.” Die sociale meerderheid dat zijn: “ Iedereen die aan het werk gaat om Nederland draaiende te houden, en alle vrijwilligers die zorgen voor levendige sportclubs en schone wijken. Het zijn al die mensen die samen hun successen willen vieren, en elkaar helpen wanneer dat nodig is.”8 Zo ongeveer iedereen dus. En als iedereen wil, dan kan er inderdaad veel veranderen. Maar waarom moet het veranderen? En daarmee kom ik op het zwakke punt van alle programma’s die ik tot nu toe heb besproken en dat is de analyse. De partij constateert dat steeds meer mensen moeite hebben om de touwtjes aan elkaar te knopen: “de verzorgingsstaat (werd) uitgehold en (…) mensen (werden) wijsgemaakt dat succes een keuze is, en achterblijven je eigen schuld. Dat in het onderwijs de taak van de leraar wordt verzwaard en: “niet ieder kind de aandacht kan krijgen die het verdient.” Dit zorgde ervoor dat: “Wie het zich kan veroorloven, (…) private bijlessen in(koopt). Wie dat niet kan betalen, blijft achter. Zo groeit de kansenongelijkheid.” Dat de: “natuur (…) aan het kortste eind (trekt), en onze gezondheid (…) daaronder (lijdt). Dat op het gebied van migratie de oplossingen uitblijven, en: “De misstanden in sectoren met veel arbeidsmigranten (voort)duren (…) en het asielsysteem (…) volledig vast(loopt), terwijl: “Ondertussen (…) mensen tegen elkaar (worden) opgezet.” Dat: “Het bejubelde Nederlandse volkshuisvestingbeleid (…) omwille van snel gewin (werd) afgebroken,” waardoor: “Starters werden veroordeeld tot torenhoge huren, of (…) ineens (moesten) concurreren met hedgefondsen als zij een woning wilden kopen .” En dat: “op het internationale toneel (…) het recht van de sterkste steeds meer de boventoon (voert)” waarbij:“ In het buitenland en dichterbij huis (…) de aanval (werd) ingezet op onze vrijheid en democratie, en (…) mensen tegen elkaar (werden) opgezet.” Wat ontbreekt is een analyse: wat zijn hiervan de oorzaken? Dat: “Opeenvolgende kabinetten kozen voor marktwerking in plaats van solidariteit,” 9 en dat de markt in plaats van de mens centraal is komen te staan, is een wel heel magere analyse. Of dat: politici die uithalen naar rechters, journalisten, wetenschappers en burgemeesters, en die bevolkingsgroepen wegzetten.” 10 de democratie onder druk zetten, mag dan wel een grote kern van waarheid bevatten, als analyse voor maatregelen is het erg mager. Daarvoor wil je op z’n minst weten waarom mensen daar gevoelig voor zijn en welke omstandigheden aan die gevoeligheid bijdragen. Zonder goede analyse van het probleem en haar oorzaken is het lastig om overtuigend te laten zien dat de maatregelen die je voorstelt de beste oplossing bieden. Bij de verschillende beloftes ontbreekt die duidelijke analyse in meer of mindere mate. Dat wil niet zeggen dat ze niet is gemaakt. Het wil wel zeggen dat ze niet duidelijk in het programma staat.

Meer huizen om in te wonen

Een huis is veel meer dan een dak boven je hoofd. Het is de plek waar je samenkomt met vrienden en familie, en waar je tot rust komt na een lange dag. Voor veel mensen, en zeker voor starters, is zo’n plek verder weg dan ooit.” Een, naar het mij lijkt, redelijk feitelijke constatering. Een probleem dus. GroenLinks-PvdA wil dat aanpakken: “Met het grootste investeringsprogramma in decennia.” Concreter geformuleerd wil de partij: “ ruim 100.000 woningen per jaar bouwen.” Nu heb ik dat cijfer al eerder gehoord. Dat is ook de ambitie van het huidige kabinet en volgens mij van alle partijen waarvan ik tot dusverre de programma’s heb besproken.

Zoals de partij schrijft is het: “de afgelopen jaren te vaak bij woorden gebleven.” De partij wil dat doorbreken: “met de grootste vernieuwing van het woonbeleid sinds de jaren negentig, toen de overheid uit de volkshuisvesting stapte. Wij maken de markt nu juist minder dominant. Bouwen wordt niet alleen in woord maar ook in daad een publieke taak. … We brengen de regie op grond weer in publieke handen, zodat we samen bepalen hoe ons landschap eruitziet in plaats van speculanten die uit zijn op winst.”11De centrale rol hierin is weggelegd voor de ‘Woningbouwcorporaties Nieuwe Stijl’, die gaan bouwen voor een veel grotere groep: ongeveer twee derde van Nederland. Ook wil de partij dat de overheid weer: “actief grond (opkoopt) zodat grond weer in publieke handen komt,” en: “moeten de intensieve veehouderij en verloederde bedrijventerreinen plaatsmaken voor woningen en komt er een bouwstimulans zodat grondeigenaren sneller gaan bouwen.”12

Centraal in de plannen van GroenLinks-PvdA staat een Wet versnelling woningbouw die er moet komen: “Daarin nemen we maatregelen om meer grond beschikbaar te stellen voor woningbouw en de stikstofimpasse te doorbreken. Ook gaan we procedures voor woningbouw verkorten en vereenvoudigen.”13 En met die stikstofimpasse zijn we bij een belangrijk probleem. Maar daar waar de VVD spreekt over: “op korte termijn concrete resultaten boeken om te voorkomen dat de bouw van woningen en wegen langer stilligt”,14 en zich daarbij inzet op een: “generieke stikstofreductie door te sturen op emissies waarbij alle sectoren evenredig bijdragen,” 15 en het dan aan de partijen laat om die generieke korting te realiseren. Waar de BBB het probleem wil oplossen door normen te verhogen. Daar trekt GroenLinks-PvdA het initiatief naar de overheid. Die gaat sturen door te kiezen voor: “een kleinere veestapel, en zo nodig met dwingende maatregelen als stok achter de deur. Rondom natuurgebieden als de Veluwe en de Peel starten we direct met het uitkopen van intensieve veehouders zodat binnen een half jaar de vergunningverlening voor woningbouw weer loopt.”16 Je kunt het er niet mee eens zijn maar als je snel woningen wilt bouwen, dan is de kans op succes groter als je niet van anderen afhankelijk bent. En dat is de overheid veel minder met deze maatregelen.

Het tweede deel, het verkorten en vereenvoudigen van procedures, is een ander verhaal. Die procedures zijn in het leven geroepen om mensen, die vinden dat een besluit nadelige gevolgen voor hen heeft, de gelegenheid te geven om de overheid tot een aanpassing van dat besluit te dwingen of de geleden schade op een of andere manier te vergoeden. Die procedure kent nu verschillende stappen. Dat begint met een bezwaarschrift tegen het genomen besluit. Een bezwaarschrift dien je in bij het bestuursorgaan dat dit besluit heeft genomen. Met een bezwaar vraag je het bestuursorgaan het besluit te heroverwegen. Het bestuursorgaan doet dit aan de hand van een advies van een bezwaren commissie Ben je dan nog niet tevreden tevreden, dan kun je in beroep gaan bij de bestuursrechter. Ben je ook niet tevreden met diens besluit dan kun je in hoger beroep bij de afdeling bestuursrecht van de Raad van State. De stap bezwaar maken kan in sommige gevallen worden overgeslagen. Deze procedure kun je verkorten door de termijnen waarbinnen er een uitspraak moet zijn op je bezwaar of beroep te verkorten. Dan is er wel meer personeel nodig om de bezwaar- en beroepschriften te behandelen. Een andere manier – die stelt de VVD voor – is: “dat bezwaren vaker gelijk naar de Raad van State gaan, zodat procedures niet gestapeld worden.”17 Dat betekent dan wel dat Raad van State meer menskracht moet krijgen, want zij dient meer zaken te behandelen. Dan worden namelijk ook zaken die eerder in het traject tot een oplossing hadden kunnen komen, aan de Raad van State voorgelegd. Dat snelle procedures meer menskracht vergen onderkent GroenLinks-PvdA, want: “ Gemeenten en de Raad van State krijgen meer capaciteit om bezwaar- en beroepsprocedures versneld te behandelen.” Of het daarbij gaat helpen om: “woningzoekenden (…) inspraak in procedures,” 18 te geven, is de vraag. Meer partijen in een procedure, maakt de procedure er meestal niet eenvoudiger op. Bovendien handelt zo’n procedure over mensen die zich benadeelt voelen door een besluit. Een woningzoekende behoort niet tot de benadeelden. Sterker nog, die heeft juist voordeel van het door het bestuursorgaan genomen besluit.

Dan naar solidariteit. Als we de maatregelen die GroenLinks-PvdA voorstelt bekijken, dan richten die zich vooral op sociale huur. Om de Woningcorporaties Nieuwe Stijl meer investeringsruimte te geven, hoeven zij geen winstbelasting te betalen. Ook wil de partij dat: “het Rijk gunstige leningen verstrekken voor de bouw van extra betaalbare huurwoningen. Dat zijn bijvoorbeeld leningen met een lage rente van 1% voor een deel van de bouwkosten.” Dit zijn woningen met een huur tot en met € 700 per maand. En voor huurwoningen met een huurprijs tot en met € 1.200 per maand, wil de partij: “ zorgen voor extra investeringsruimte door gunstige leningen voor de bouw.”19 Komt er, als het aan GroenLinks-PvdA ligt: “Een einde aan de uitverkoop betaalbare woningen.”20 Legt de partij de verantwoordelijkheid voor een goed geïsoleerde en duurzame woning: “waar die hoort: bij de verhuurder.” Woningcorporaties krijgen daarvoor: “voldoende financiering om zo snel mogelijk alle corporatiewoningen te verduurzamen.” Geeft: “Een uitgefaseerd energielabel (…)huurders recht op een tochtkorting die via de huurcommissie kan worden opgeëist. Enkel glas wordt erkend als gebrek, zodat huurders recht krijgen op verbetering of huurverlaging.”21 En gaat: “De overheid gaat flink investeren in een grootschalig isolatie-offensief. In tochtige huizen zonder dubbel glas wonen gezinnen die ‘s winters kiezen tussen verwarming of eten. Dáár beginnen we. We boeken tijdswinst en drukken kosten door gelijksoortige huizen tegelijk aan te pakken. Door langjarig marktcapaciteit in te kopen geven we de techniek- en installatiebranche zekerheid en zijn we verzekerd van voldoende capaciteit.” Die inzet wil de partij het eerste richten op: “Oude wijken en dorpen met veel sociale huur.”22 Veel inzet is gericht op de minst en minder (financieel)draagkrachtigen in onze samenleving; met mensen die het minder hebben. Dat geldt zeker voor mensen die dak- of thuisloos zijn. De partij wil ervoor zorgen: “ dat mensen allereerst een dak boven het hoofd krijgen (Housing First). We zorgen voor voldoende voorzieningen en begeleiding zodat mensen weer zelfstandig kunnen wonen, en kunnen blijven wonen.”23 Je kunt hier spreken van solidariteit. Er is veel te zeggen voor de richting die GroenLinks-PvdA kiest. “ We hebben het eerder gedaan,”24 schrijft de partij en dat klopt. De richting die wordt gekozen grijpt terug op een keuze die aan het begin van de vorige eeuw ook werd gemaakt. In een andere tijd met andere verhoudingen. Dat alleen maakt echter nog niet dat het nu ook de juiste keuze is. Wat in het programma ontbreekt is de uitleg erbij: waarom is deze keuze op dit moment de weg is die we moeten gaan? Daarnaast kennen de plannen een achilleshiel. Daar kom ik later op terug omdat die meerdere terreinen raakt.

Samen strijden voor een groene toekomst

Over naar de tweede belofte, die betreft het klimaat en ons leefmilieu. Het hierboven al genoemde isolatie-offensief maakt deel uit van deze belofte maar was ook daar relevant. Volgens GroenLinks-PvdA is de Nederlandse natuur prachtig: “Maar onze natuur en het klimaat staan onder enorme druk. Door landbouwgif en overbemesting hebben we de slechtste waterkwaliteit van Europa. Door PFAS kunnen we op steeds minder plekken zwemmen, of groenten uit eigen moestuin eten. Veel vliegbewegingen zorgen voor vieze lucht en geluidsoverlast.” Het wrange hierbij is dat: “grote vervuilers grote winsten (maken),” maar dat: “Mens en natuur (…) de prijs,” 25 betalen. De partij wil dit veranderen. De partij wil: “Versneld naar een klimaatneutraal Nederland.”26

Daarbij moet tempo worden gemaakt, zo is te lezen, en: “Dat kan je niet alleen aan de markt overlaten.” Daarbij wil de partij: “fors (investeren) in het uitbreiden van het elektriciteitsnet,” en: “in schone en betaalbare energie uit wind-op-zee.” Dat moet zorgen voor: “goedkope energie,” en zo: “de energierekening betaalbaar,” houden: “en (…) onze industrie competitieveren duurzamer.” 27 Bij dat tempo maken moet de grote vervuilers worden aangepakt: “Grote vervuilende bedrijven gaan eerlijk belasting betalen over vervuilende uitstoot” en fossiele subsidies worden afgebouwd. Daarnaast verdienen: “De omwonenden van Schiphol (…) een betere gezondheid en minder overlast,” en komt er: een verbod op de kankerverwekkende stof PFAS en op het gebruik van landbouwgif.” Ook worden: “Grote vervuilers die de wet overtreden” aangepakt en gaan: “Megastallen (…) verdwijnen en er komt een einde aan de industriële veehouderij.” In plaats van industriële landbouw kiest de partij voor: “circulaire landbouw, waarbij we landbouw aanpassen op wat het land aankan. Dat betekent minder dieren per hectare en strenge regels voor schadelijke bestrijdingsmiddelen. Dat beschermt de gezondheid van omwonenden en garandeert dat ons eten ook echt gezond is.” 28

De partij legt hier een duidelijke visie op de landbouw. Een visie waarbij: “Prioriteit (wordt gegeven) aan natuurherstel,” Voor wat betreft het stikstof probleem wil de partij dat bereiken door: “piekbelasters gericht uit te kopen, te verplaatsen, of te begeleiden naar een vorm van landbouw die minder druk legt op de omgeving.” Daar is de partij: “bereid tot gedwongen uitkoop,” dit: “Als stok achter de deur.” 29 Hierbij moeten: “Sectoren die voor het overgrote deel produceren voor de export, (…) als eerste krimpen.” Ter ondersteuning krijgen boeren: “een eerlijke vergoeding voor het landschapsbeheer, bijvoorbeeld als ze werken met teeltvrije zones, kruidenrijk grasland, natuurvriendelijke oevers, water- en CO₂-opslag, weidevogelbeheer of landschapselementen.” Overheden gaan daarvoor: “langjarige contracten aan met boeren.” Voor het andere deel van de boterham van de boer, de prijs voor hun product, is de boer aan de markt overgeleverd. Daar is zo betoogt GroenLinks-PvdA: “De keten aan zet.” Overheidsbemoeienis blijft beperkt tot het aanmoedigen tot: “langjarige afspraken (…) tussen boeren en afnemers met kostendekkende vergoedingen.”30 Voor wat solidariteit betreft, is ‘aanmoedigen’ bij prijsafspraken een lichte vorm van solidariteit. De grote supermarktketens kopen in op wereldschaal en daarbij is de prijs een belangrijke factor. Een duurdere circulaire Nederlandse aardappel wordt dan makkelijk vervangen door een industriële uit een ander land.

En nu ik het toch heb over solidariteit. Hoe solidair zijn de maatregelen die GroenLinks-PvdA voorstelt? “Mensen die moeite hebben met het betalen van de energierekening helpen we als eerst.” Ook worden: “de nettarieven (verlaagd), en (…) (mensen geholpen) met het isoleren van hun woning en het plaatsen van zonnepanelen zodat de energierekening daalt.” En als je gehuurd woont en je huisbaas wil je woning niet verduurzamen dan krijg je: “korting op de huur.” Ook wil de partij: “het openbaar vervoer aantrekkelijker (maken) door de introductie van een Klimaatticket, waarmee iedereen voor 59 euro per maand onbeperkt met het ov kan reizen in daluren.” 31 Maatregelen die zich richten op mensen in moeilijke omstandigheden. Dat getuigt van solidariteit.

Een inkomen waarmee je vooruit komt

De derde belofte betreft de sociale zekerheid. De basis hiervoor moet: “de economie en arbeidsmarkt van morgen,” zijn. Dat moet: “een sterke, schone en sociale economie,” worden. Hiertoe worden de: “handen ineen(geslagen) met de sociale partners, het onderwijs en de regio’s om te komen tot een ‘werk-ontwikkel-aanpak’.” Een aanpak waarin afspraken worden gemaakt: “om mensen op te leiden, vitaal te houden en innovatief te werken. Zo kunnen we mensen inzetten waar we ze het hardst nodig hebben, zoals voor de klas, aan het bed en in uniform.” Hiervoor wordt een: “Toekomstfonds van 25 miljard euro,” ingericht om: “de economie een impuls (te geven) door te investeren in een duurzame, innovatieve industrie, wetenschap, onderzoek en nieuwe spoorlijnen.”32 Hierbij: “moeten (we) als Nederland keuzes maken over wat voor economie we willen hebben.” GroenLinks-PvdA kiest: “voor goed betaalde banen in de sectoren van de toekomst.” Dat betekent: “afscheid van bedrijven die hier alleen kunnen bestaan door belastingvoordelen en uitbuiting van werknemers.”33 Dit houdt in dat: “Alleen werkgevers die een volwaardig loon betalen en personeel humaan behandelen hebben een plek in de Nederlandse economie.” Dat betekent: “ stoppen met regelingen, zoals de landbouwvrijstelling, die laagbetaalde arbeid subsidiëren, en verbieden schimmige constructies die tot uitbuiting leiden.”

Zo’n basis is mooi, maar hoe wordt de koek verdeeld? GroenLinks-PvdA zet in op: “ zeker werk, gelijke kansen, en een vangnet wanneer het leven tegenzit.” Ze wil een samenleving: “Waar we armoede niet accepteren als onvermijdelijk, maar bestrijden als onrecht. Waar we niemand door het ijs laten zakken, en waarin we weer vooruit kunnen. Niet ieder voor zich, maar samen.” 34 Daartoe wil de partij een: “Groot Loonakkoord met de vakbonden en werkgevers,” sluiten waarin: “afspraken (worden gemaakt) over hogere lonen, in ruil voor investeringen in infrastructuur, onderzoek en technologie.” Ook gaat: “Het minimumloon (…) fors omhoog,” en stijgen: “de AOW en andere uitkeringen (…)mee, en we strijden tegen armoede.” Daar staat tegenover dat er: “een einde (komt) aan speciale belastingkortingen voor de rijkste Nederlanders en aandeelhouders van multinationals.” 35 Belastingontwijking wordt aangepakt. De hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot de energie en openbaar vervoer en maatregelen met betrekking tot de zorg die hieronder worden behandeld, dragen bij aan het verdelen van de koek ten faveure van mensen aan de onderkant van het inkomensgebouw. Maatregelen die ten goede komen aan de kwetsbaarste mensen. Uiteindelijk wil de partij: “toeslagen stap voor stap overbodig (maken): met gratis kinderopvang, lagere zorgpremies en hogere inkomens.” 36 Ook wordt: “de positie van werkenden met een onzeker contract of laag inkomen,”37 versterkt. Hoe ze dat willen doen, dat wordt er niet bij verteld. Maatregelen die getuigen van solidariteit met mensen in moeilijke omstandigheden. De partij kiest er daarbij voor om de solidariteit vorm te geven binnen het huidige sociale stelsel.

Hier wreekt zich het gebrek aan analyse. Dit alles moet ertoe leiden dat: “de concentratie van vermogen en daarmee de invloed van een kleine groep op onze economie en maatschappij (afneemt). Die te grote invloed van die kleine groep leidt tot: “een oneerlijke economie, maar ook tot minder brede welvaart.” De partij gelooft erin: “dat een eerlijke verdeling zorgt voor gelijkmatige groei, sterke instituties en hoger vertrouwen van burgers in de staat.” 38 Ook dit klinkt mooi. Maar waarop is dat geloof gebaseerd? Wat is een gelijkmatige groei? Waarom moet er worden gegroeid? Is de economie oneerlijk of zijn de machtsverhoudingen oneerlijk? Vragen waarop de partij wellicht antwoorden heeft maar die ik niet in het programma lees. Die had kunnen onderbouwen waarom de oplossing binnen het stelsel wordt gezocht en niet in een nieuw stelsel op basis van bijvoorbeeld een basisinkomen. Dan zou er echt sprake zijn van een nieuwe start. Een idee dat ook het komen tot: “Een simpeler en eerlijker belastingstelsel,” makkelijker zou maken en: “Progressieve belastingen,” 39in te voeren en te verdedigen. Een stelsel waarbij de sterkste schouders echt de zwaarste lasten dragen. Een basisinkomen waarmee tevens een begin wordt gemaakt met het creëren van een ander ‘samen’. Een ‘samen’ gebaseerd op het heden en niet op het, cultuurhistorisch verleden waarop de partijen te rechterzijde het ‘samen’ baseren.

Leiderschap dat Nederland beschermt

De vierde belofte behelst veiligheid en vrijheid. Hier wil de Groenlinks-PvdA: “een samenleving waar mensen naar elkaar omkijken, niet alleen in Nederland maar ook over de grenzen heen. GroenLinks-PvdA maakt de keuzes die nodig zijn voor rechtvaardigheid, democratie en solidariteit, zowel dichtbij huis als wereldwijd. Samen met Europa garanderen we onze autonomie in een onzekere wereld.”40 Voor de partij betekent dit dat Nederland zich houdt: “aan de van democratie, rechtsstaat en nieuwe NAVO-norm en groeien toe mensenrechten. De uitgaven aan naar de afspraak om 3,5% van het bbp ontwikkelingssamenwerking gaan uit te geven aan defensie.” Daarbij wordt de overheid: “medeaandeelhouder van defensiebedrijven, zodat de winsten terugvloeien naar de samenleving.” De partij wil: “de samenwerking binnen en buiten Europa versterken,” door: “extra middelen beschikbaar (te stellen) voor diplomatie,” om: “sneller en effectiever op te komen voor de verdediging van democratie, rechtsstaat en mensenrechten.” Ook binnen Nederland wil de partij: “ onze democratische rechtsstaat met kracht verdedigen tegen aanvallen van extremen,” de partij kiest daarbij voor: “een sterke rechtspraak, vrije pers en stevige democratische controle.” Naast het collectieve veilig en vrij, zet de partij ook in op individuele: “Je overal veilig voelen is daarbij essentieel: op straat, in het uitgaansleven, op het werk, tijdens demonstraties en thuis achter de voordeur.” De partij strijdt daarom: “tegen alle vormen van discriminatie, seksisme en geweld tegen vrouwen, waaronder femicide.” Terecht constateert de partij dat: “Haat (niet) begint (…) bij het bekladden van een synagoge of moskee, of met het verbranden van een regenboogvlag,” maar: “met woorden.” Daarom wil de partij ook inzetten op: “preventie en dialoog.”41

Wereldwijd vult GroenLinks-PvdA rechtvaardigheid, democratie en solidariteit in door het: “intensiveren,” van het: “Nederlandse beleid ten aanzien van democratie-ondersteuning binnen en buiten Europa.” Dat houdt onder andere in het uitdragen van: “de universaliteit van mensenrechten actief (…) door op te komen voor minderheden en een feministisch buitenlandbeleid te voeren.” Niet de hele wereld is democratisch daarom pleit de partij voor transparantie: “in de afwegingen die we maken in samenwerking met bijvoorbeeld autocratische staten.” Concreet wil de partij de Palestijnse staat erkennen, voorkomen dat Iran kernwapens krijgt.42 De groei van de defensie uitgaven naar 3,5% van het bruto binnenlands product wordt hierbij niet ter discussie gesteld.

Binnen de Europese Unie pleit de partij voor: “Een duurzaam, krachtig en innovatief Europa.” Verder wil de partij de Unie hervormen: “bij voorkeur binnen huidige verdragen. Dat betekent minder veto’s op Europees belasting- en buitenlandbeleid en versterking van het Europees Parlement als medewetgever en controleur van de Commissie. Corruptie, fraude, buitenlandse beïnvloeding en ondoorzichtige lobby’s moeten stevig worden aangepakt.” De partij wil de Europese afhankelijkheid van veel goederen, waaronder die van big tech verminderen. En, niet onbelangrijk, de partij pleit voor strengheid: “tegen ondermijnende lidstaten. De Europese Unie is een waardengemeenschap van democratische rechtsstaten. Die waardengemeenschap verdedigen we met hand en tand. Lidstaten die democratie en rechtsstaat ondermijnen, kunnen dus rekenen op sancties.” 43 Een belangrijk punt want, om een voorbeeld te noemen, een autocratisch Hongarije ondermijnt ook de Nederlandse democratie zoals Tom Theuns in zijn boek Protecting Democray in Europa aantoont. Om de de woorden waarmee hij zijn betoog afsluit aan te halen: “However unpalatable, EU member states cannot both permit a frankly autocratic state to continue to be an member of the Union and at the same time pretend to be committed to democracy.”44

Via de wereld en Europa, naar Nederland“GroenLinks-PvdA gelooft dat we alleen vrij kunnen zijn met een sterke democratische rechtsstaat,” met die woorden opent het hoofdstuk Democratie, rechtsstaat en gelijke rechten. Maar: “dat fundament staat onder druk.” Onder druk van en door: “politici die uithalen naar rechters, journalisten, wetenschappers en burgemeesters, en die bevolkingsgroepen wegzetten. Die democratie steeds vaker uitleggen als enkel de wil van de meerderheid, terwijl het beschermen van minderheden en mensenrechten juist een onmisbaar onderdeel zijn van de democratie.” Maar ook onder druk door: “een overheid die burgers niet beschermt, maar verpulvert, zoals bij de toeslagenaffaire, de gaswinning in Groningen en fouten bij de IND en het UWV.”45 Zoals ik aan het begin van deze bespreking al schreef bevat de bewering over politici die uithalen naar andere pijlers onder onze democratie een grote kern van waarheid bevatten. En alle maatregelen die de partij voorstelt, zoals een controleerbare en transparante overheid, geen discriminerende algoritmen en systemen, meer ondersteuning voor de Tweede Kamer en geen politieke dubbelfuncties46 hebben allemaal hun nut.

Dat GroenLinks-PvdA de democratie wil beschermen, is een teken van solidariteit. Want alleen een een democratie heeft iedereen invloed op het beleid. Maar of daarmee de druk op de die democratische rechtsstaat minder wordt, is de vraag. Als zoals bleek uit een reportage van de NOS in juni 2024 op de vraag of leiders gekozen moeten worden antwoordde een jeugdige: “het liefst wel gekozen. Maar stel het gaat helemaal mis dan is dat wel een optie,” antwoord en blijkt dat een grote groep jongeren democratie niet belangrijk vindt en autoritaire bestuursmodellen aantrekkelijk vindt omdat die, in tegenstelling tot een democratie, snel resultaten bereiken, dan gaan deze middelen niet helpen. Dan is er iets anders nodig. Als een groot deel van de mensen zich niet realiseert dat een autocratie ‘aanschaffen’ zo is gebeurd maar ‘afschaffen’ een heel ander verhaal is, dan is er iets anders nodig. Als die grote groep zich niet realiseert dat het ‘aanschaffen’ van een democratie een zeer lastig verhaal is, een verhaal waar we eeuwen over hebben gedaan, dan is er meer nodig.

De basis op orde, een land dat werkt voor iedereen

De laatste belofte betreft de publieke voorzieningen, politie, justitie, onderwijs, zorg. “De overheid moet weer naast mensen gaan staan – met vertrouwen, in plaats van controle, en publieke voorzieningen in eigen hand houden,” 47zo is te lezen. De partij wil investeren in: “schone lucht, gezonde voeding op school, goede huisvesting en toegankelijke zorg in elke wijk. Ook investeren we in gratis kinderopvang en extra ondersteuning op scholen met veel achterstanden.” Ook wordt er geïnvesteerd in: “de plekken waar mensen samen komen, zoals de sportvereniging, de school, het buurthuis, de bibliotheek en het zwembad.” Daarbij wordt er gestreden tegen: “commerciële investeerders en private equity die de huisartsenzorg, welzijnswerk en de kinderopvang overnemen en tegen detacheringsbureaus die leraren wegkapen op scholen.”48 Deze ‘belofte’ staat vol met mooie maatregelen van: “ Rijke schooldagen,” met: “Naast het reguliere onderwijsprogramma (…) ook (…) lessen in sport, dans, cultuur, techniek en natuur,” tot: “kleinere klassen.” Van: “een gezonde lunch op scholen,” tot: “brede brugklasbonus, en helpen leraren om les te geven aan leerlingen met verschillende achtergronden,” en: “Goed onderwijs door bevoegde leraren.” En nog veel meer. En op het gebied van zorg van: “investeren in het terugdringen van de lange wachtlijsten in de ggz,” tot “Zorg dichtbij in de regio,” ingevuld via: “We gaan de verschraling van zorgvoorzieningen actief tegen en zetten in op het behoud van streekziekenhuizen.” En van: “ Zorg draait om vertrouwen en continuïteit – daar horen vaste zorgteams bij,” tot: “Medisch specialisten komen in loondienst en er komt een maximum aan het salaris dat je kunt verdienen.” 49 Qua solidariteit zit het wel goed op dit punt. Maar …

Achilleshiel

En daarmee kom ik bij de achilleshiel. Publieke kinderopvang betekent dat er meer pedagogisch medewerkers nodig zijn. Lessen in sport, dans, cultuur, techniek en natuur moeten door iemand gegeven worden. Extra ondersteuning waar nodig moet door iemand geboden worden. ‘Kleinere klassen’ betekent meer leraren. (V)erbeterde arbeidsomstandigheden en betere begeleiding na afstuderen,” en sneller een vast contract kan wellicht helpen om ervoor te zorgen dat minder dan: “Eén op de vijf startende docenten (…) na vijf jaar het onderwijs,” 50verlaat, maar is dat voldoende? Met het: “ aantrekkelijker (maken) voor huisartsen om een praktijk te beginnen of praktijkhouder te blijven,” zou je het praktijkhouderschap interessanter kunnen maken, als daar het probleem ligt. Maar je hebt niet ineens meer huisartsen mee. (I)nvesteren in het terugdringen van de lange wachtlijsten in de ggz,” en de, “zorgen dat mensen met een complexe hulpvraag eerder worden geholpen,” vergt menskracht. (D)e toegankelijkheid voor chronisch zieken, onverzekerden en mensen met een kleine beurs,” verbeteren kan ik alleen maar toejuichen. Het vraagt echter wel om extra menskracht. Een ambulance die je op tijd moet: “bereiken om je naar een ziekenhuis in de buurt te brengen,” en het tegengaan van: “de verschraling van zorgvoorzieningen actief tegen en zetten in op het behoud van streekziekenhuizen,” vraagt menskracht. “Digitale zorg kan (dan) van toegevoegde waarde zijn wanneer het de kwaliteit verbetert, patiënten meer regie geeft en zorgverleners ontlast,” maar is dat voldoende om het gebrek aan menskracht te vervangen?51 Ik kondigde deze achilleshiel al aan bij de bespreking van de eerste belofte, de woningbelofte. Want door: “Door langjarig marktcapaciteit in te kopen, kun je, “de techniek- en installatiebranche zekerheid ,” willen geven, om: “ verzekerd (te zijn) van voldoende capaciteit,”52 is menskracht nodig. De capaciteit die: “Gemeenten en de Raad van State (erbij) krijgen meer capaciteit om bezwaar- en beroepsprocedures versneld te behandelen,”53 moet er wel eerst zijn. Die 100.00 woningen moeten wel gebouwd worden. Die circulaire, niet industriële landbouw vraagt om – om de SP aan te halen – meer boeren. De: “3,5% van het bbp uit te geven aan defensie,”54 die wordt vertaald in tankdivisies, patriot-systemen, straaljagers, rijden en vliegen zich niet vanzelf. Daarvoor is menskracht nodig. Net zoals voor het: “verhogen (van)de capaciteit van de politie.”55

Je kunt dan wel, zoals de partij schrijft: “slimmer (gaan) werken door te investeren in innovatie en digitalisering waar dat kan.” En zo de productiviteit te verhogen: “waardoor we mensen vrijspelen voor sectoren waar de tekorten groot zijn, zoals de in de technieksector, de bouw- en installatiesector, de kinderopvang, het onderwijs en de zorg,” en: investeren in om-, her- en bijscholing, en in zij-instroom, dat garandeert niet dat er voldoende personeel met de juiste kwaliteiten is. Niet iedereen is in de wieg gelegd voor de zorg of het onderwijs, en met twee linker handen is het lastig ‘installeren’. “De toepassingen van AI ontwikkelen zich (misschien dan wel) razendsnel,”56 ervaringen uit het verleden leren echter dat innovatie zelden tot minder vraag naar menskracht leidt. De door stoom aangedreven weefgetouwen leidde niet tot minder arbeiders in de fabrieken maar tot ‘inloopkasten’ vol met kleding met daarin jassen voor ieder seizoen in in iedere kleur en voor iedere mode gril. Voeg daarbij de vergrijzing waardoor er ieder jaar meer mensen de arbeidsmarkt verlaten dan er toetreden en waardoor : “het percentage 65‑plussers naar 24,4 procent ouderen (stijgt) in 2035. Tot 2040 zet de vergrijzing nog door, tot 25,1 procent ouderen in 2040,” 57 Of: “actieve sturing op een gemiddeld migratiesaldo van 40.000 tot 60.000 per jaar,” waarbij er wordt gericht op: ‘arbeidsmigratie voor werkgevers die bijdragen aan onze brede welvaart mogelijk maken,”58 hier een oplossing biedt, is de vraag. Nederland is niet het enige land dat vergrijst. Ook hier ontbreekt een heldere analyse van hoe zaken op elkaar ingrijpen en waarom de voorgestelde maatregelen wel de juiste oplossing zijn.

1 https://groenlinkspvda.nl/wp-content/uploads/2025/08/Conceptverkiezingsprogramma-GroenLinks-PvdA-2025.pdf

2Een nieuwe start voor Nederland, pagina 5

3Idem, pagina 10-11

4CBS, Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2025, pagina

5Michael J. Sandel, Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze?, Pagina 45

6Een nieuwe start voor Nederland, pagina 12-13

7John Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, pagina 321

8Een nieuwe start voor Nederland, pagina 14

9Idem, pagina 9-10

10Idem, pagina 111-112

11Idem, pagina 17

12Idem, pagina 18

13Idem, pagina 38

14Sterker uit de storm, pagina 9

15Idem, pagina 16

16Een nieuwe start voor Nederland, pagina 38

17Sterker uit de storm, pagina 72

18Een nieuwe start voor Nederland, pagina 39

19Idem, pagina 45

20Idem, pagina 40

21Idem, pagina 41

22Idem, pagina 54

23Idem, pagina 43

24Idem, pagina 17

25Idem, pagina 21

26Idem, pagina 50

27Idem, pagina 22

28Idem, pagina 22-23

29Idem, pagina 57

30Idem, pagina 57-58

31Idem, pagina 22

32Idem, pagina 26-27

33Idem, pagina 67-68

34Idem, pagina 25

35Idem, pagina 26

36Idem, pagina 80

37Idem, pagina 81

38Idem, pagina 68-69

39Idem, pagina 165

40Idem, pagina 28

41Idem, pagina 30-31

42Idem, pagina 86-87

43Idem, pagina 90-91

44Tom Theun, Protecting Democracy in Europe. Pluralism, Autocracy and the Future of the EU, pagina 198

45Een nieuwe start voor Nederland, pagina 111-112

46Idem pagina 112-116

47Idem pagina 33

48Idem, pagina 33-34

49Idem, pagina 127-141

50Idem, pagina 132

51Idem, pagina 138-139

52Idem, pagina 54

53Idem, pagina 39

54Idem, pagina 30

55Idem, pagina 104

56Idem, pagina 70

57https://longreads.cbs.nl/regionale-prognose-2022/vergrijzing/

58Idem, pagina 97

Uitgelicht

Election files 7: de storm van de VVD

Als eerste partij presenteerde de VVD haar verkiezingsprogramma voor de komende verkiezing van de Tweede Kamer. In de serie Election files besteed ik aandacht aan de verkiezingsprogramma’s. De VVD heeft hierbij de primeur. Ik moet zeggen een bijzonder programma geschreven in ronkende taal. Dat begint al met de titel: Sterker uit de storm1. Maar wat wil de partij? En vooral hoe verhoudt hetgeen de partij schrijft zich tot haar daden? Hoe verhouden de plannen zich tot haar optreden de afgelopen jaren? De inleidende alinea van het programma sluit af met de woorden: “Vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en sociale rechtvaardigheid vormen de rotsvaste bouwstenen van onze maatschappij. Deze liberale waarden zijn niet alleen in het verleden van belang geweest om ons prachtige land op te bouwen en vorm te geven. De liberale waarden vormen absolute voorwaarden om de vrijheid van het individu te beschermen, en onze unieke kwaliteiten te behouden en verder te ontwikkelen.”2Laat ik het programma en het acteren van de partij eens langs die ‘rotsvaste bouwstenen’ leggen en kijken hoe het zich ertoe verhoudt. Ik moest denken aan het nummer Honesty van Billy Joel:But if you look for truthfullness, You might just as well be blind it always seems to be so hard to give. ‘Honnesty’ is such a lonely word, everyone is so untrue.”

Een behoorlijk lange analyse Daarom begin ik met de conclusie. Als we het VVD-programma naast de ‘rotsvaste bouwstenen’ zoals de VVD ze noemt Vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en sociale rechtvaardigheid van onze maatschappij leggen? Dan zien we dat verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid met de mond worden beleden maar dat de daden uit het verleden en de plannen voor de toekomst iets anders laten zien. Dan zie je dat voor de VVD, om Orwell te parafraseren ‘sommige dieren gelijker zijn dan anderen’. Dan zie je ook dat de partij die zegt op te komen voor de ‘hardwerkende Nederlander’, maar heel weinig mensen echt hard vindt werken. Dan zien we dat de partij vrijheid vooral wil invullen met het verbieden van onwelgevallige stemmen en weinig vertrouwen lijkt te hebben in de kracht van onze democratie. Dan zien we dat de partij onze rechtsstaat wil veranderen van rule of law naar rule by law. De partij stelt verschillende zaken voor die de positie van de burger en dan vooral de burger met een kleine portemonnee ten opzichte van de overheid verzwakken. Dan zien we dat de VVD verantwoordelijkheid vooral ontwijkt. Slechts één keer in het hele document schemert er iets door met betrekking tot de eigen rol. Dit terwijl de partij sinds 2010 de dominante machtsfactor is en van de laatste 40 jaar er 33 deel uitmaakte van de regering. Dit knelt vooral als de partij spreekt over de huizenmarkt. Maar bijvoorbeeld ook als het gaat over deregulering en veiligheid. Dan zie je vooral een programma met een groot gebrek aan inzicht en analyse. Inzicht en analyse waarbij de blik ook automatisch op het eigen handelen zou moeten worden gericht. Dit roept, om Einstein in vragende zin aan te halen, de vraag op: kun je een probleem oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt? Dat laat ik aan de kiezer.

Ik begin bij de titel: Sterker uit de storm. We zitten kennelijk in eens storm, maar wat die storm is, wordt niet duidelijk gemaakt. Het wooord storm komt in totaal drie keer voor in het 81 pagina’s tellende document, op de titelpagina, in de inhoudsopgave en één keer in de tekst. Op pagina drie als afsluiting van de inleiding waar de titel min of meer wordt herhaald met de woorden: “Wij zijn er klaar voor om sterker uit de storm te komen.” 3 Het wordt aan ons, de lezer, gelaten om te achterhalen waaruit die storm bestaat. De de vijf ‘missies’ die de partij formuleert geven een richting van waaruit de ‘storm’ waait. Daarvoor naar de titels van de missies, inhoudelijk kom ik er later in deze Prikker op terug. De eerste missie draagt als titel Radicale economische groei . De tweede: Werken moet lonen en een huis voor iedereen die werkt. De derde is getiteld: De grootste investering ooit in onze veiligheid. De vierde draagt de titel: Orde op zaken voor een vrij en veilig Nederland. De vijfde en laatste missie is: Een sterker Nederland door een kleine overheid. De overheid is dus te groot, we hebben onze veiligheid laten verslonzen, werk loont niet en de economie groet niet. Daar is de afgelopen jaren dus de klad in gekomen. Laat de VVD nu de partij zijn die van de afgelopen 40 jaar er 33 in de regering zat. Geen enkele partij komt daar ook maar in de buurt. Van de laatste vijftien jaar, leverde de partij er veertien de premier. Als het stormt op die gebieden, dan is de VVD een van de hoofdverantwoordelijke voor de storm. Hierover wordt in het programma met geen woord gerept. De partij legt in dit boekwerk geen enkele verantwoording af over haar grote bijdrage aan het bestuur van Nederland in de afgelopen jaren. Geen enkele reflectie op het eigen handelen. De partij sprak en spreekt vaak over ‘verantwoordelijkheid nemen’ en verwijt andere partijen dat die dat niet doen. Bij verantwoordelijkheid nemen hoort onlosmakelijk verantwoording afleggen over wat je met die verantwoordelijkheid hebt gedaan.

Van de titel naar de eerste zin van het programma: “De VVD staat al sinds haar oprichting pal voor het belang van een sterke en stabiele liberale democratie en een sterke en stabiele rechtsstaat.”4 Hoe verhoudt het stappen in een regering met een ‘rechtsstatelijke verklaring’ als basis. Een verklaring die vervolgens door alle ondertekenaars, ook de VVD, met voeten werd getreden. Hoe verhoudt zich dit tot het noodrecht dat de partij wilde gebruiken om haar eigen bestuurlijke onmacht aan te pakken. Hoe verhoudt zich dit tot het streven van de partij om het demonstratierecht te beperken. Ze wil, zoals ze schrijf: “een scherper onderscheid (maken) tussen (vreedzame) demonstraties en ordeverstorende acties. … Daartoe moderniseren we de wet op de openbare manifestaties en zetten we camera’s met gezichtsherkenning in. Er komt een verbod op gezichtsbedekkende kleding en we stellen het blokkeren van vitale infrastructuur strafbaar.” 5Maar wanneer verstoort iets de orde? En wat is ‘vitale infrastructuur’ die niet geblokkeerd mag worden? Hoe verhoudt zich dit tot de discriminerende motie die VVD-Kamerlid Bente Becker indiende en de regering opriep: “om gegevens over culturele en religieuze normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden, bijvoorbeeld door het SCP te vragen dit (periodiek) te onderzoeken.” Hoe verhoudt zich dit tot het onderscheid dat de partij maakt tussen mensen Hoe verhoudt zich dit tot haar plan om: “ Statushouders die op azc’s verblijven (…) pas in aanmerking (te laten komen) voor andere vormen van huisvesting op het moment dat zij zowel in woord als in daad achter de Nederlandse waarden staan.6 Wat zijn die waarden waarop wordt getoetst? Waarom wordt alleen deze groep hierop getoetst? Dat is onderscheid maken op oneigenlijke grond. Dat is discriminatie en daarmee in strijd met onze Grondwet. Ook het afnemen van Nederlanderschap bij mensen met een dubbele nationaliteit bij misdrijven waarop meer dan vijf jaar gevangenisstraf staat, is discrimineren. Als laatste: “Daarom schaffen wij de wettelijke taakstelling van gemeenten om statushouders te moeten huisvesten af, en stellen wij een verbod op voorrang voor statushouders in.” 7 Nu is de partij hiermee al een eind op weg want ze stemden in met een amendement dat het statushouders onmogelijk maakt om urgentie te verkrijgen bij het vinden van een huurwoning, ook al voldoet die persoon aan de criteria. Het staat daarmee in een wetsvoorstel waarmee de Tweede Kamer op de laatste dag voor het reces instemde en dat nu ter vaststelling bij de Eerste kamer ligt. Voortrekken suggereert dat iedereen een gelijke uitgangssituatie heeft. Dat is met statushouders niet het geval. Die hebben een achterstand en die achterstand wordt nog groter omdat ze bij het aannemen van het wetsvoorstel op geen enkele manier urgentie meer kunnen krijgen. Om Orwells Animal Farm te parafraseren: het lijkt erop dat sommige dieren bij de VVD gelijker zijn dan anderen.

“Radicale economische groei”, de titel van de eerste missie. Daar is het tijd voor, zo is te lezen. (O)mdat groei simpelweg goed is. Groei is verbonden met vrijwel alles wat het leven mooi maakt: kansen om er wat van te maken en vrijheid om het leven vorm te geven zoals jij dat wilt.” 8 Een wel heel beperkte kijk op het leven want dat bestaat niet alleen maar uit groei. Zoals iedereen die ooit heeft geleefd al heeft ervaren en iedereen die leeft gaat ervaren, is het leven eindig. Het groeit niet alleen maar door. Het sterft. En wat is dan ‘radicale groei’? Het enige in het leven wat radicaal groeit, zijn kankercellen. Die groeien zo radicaal dat ze het leven waarin ze groeien vernietigen. Het leven bestaat niet alleen uit groei en groei is ook niet ‘simpelweg goed’. Als dat voor het leven geldt, zou dat dan niet ook voor de economie gelden? Het programma van de VVD ademt economie. Economie is alles en daar moeten we alles voor doen. Het moet groeien en wel radicaal want: “Het alternatief is een keuze voor verval. Voor afbraak. Voor een lege portemonnee.”9 En dat moeten we natuurlijk niet willen. Dat er een hele wereld ligt tussen de ‘radicale groei’ van de VVD en die ‘lege portemonnee’ en ‘verval’ lijkt de partij te ontgaan. Maar met welk doel moeten we een ‘volle portemonnee hebben? Wat is het doel van die groei? Die wordt in het hele document niet beantwoord: groeien om te groeien. “Op de gevel van een pand aan onze eeuwenoude hoofdstedelijke binnenstad prijkt de leus: ‘De cost gaet voor de baet uyt’. In modern Nederlands: er moet eerst geïnvesteerd worden, voordat er geld verdiend kan worden. Dat bewustzijn moeten we weer van stal halen.” zo is te lezen. Maar waar die ‘baet’ uit bestaat, behalve dan dat: “ook toekomstige generaties in een rijk land opgroeien”10, wordt niet duidelijk. Een land is rijk als het een ‘volle portemonnee heeft.

Wel duidelijk is dat de VVD vol inzet op ondernemers. Want: “Wij kiezen voor groei door pal te staan voor de ondernemer. Het stimuleren van groei bestaat uit grote keuzes en kleine maatregelen.” 11 Een grote keuze waaraan hierbij geen aandacht wordt besteed, is de beschikbaarheid van voldoende personeel. Dat wordt wel gezien als een probleem waar het bedrijfsleven mee kampt, maar wordt niet geboden. Ja, de: “Kennismigrantenregeling wordt toptalentregeling,” want: “Om groei en innovatie te realiseren hebben we soms naast alle knappe koppen in Nederland ook toptalent uit het buitenland nodig.” Om dat te bereiken blijft “de 27%-regeling in stand en scherpen (we) de toelatingseisen aan, bijvoorbeeld via een aanvullende opleidingseis.” 12 De logistieke schuren, de tuinderskassen en slachterijen staan niet te wachten op ‘knappe koppen’, maar op ‘handige handjes’. Daarover geen woord. Trouwens ook niet over het leren van de Nederlandse taal. Dit terwijl: “ De Nederlandse taal spreken (…)cruciaal (is) om vol mee te doen in onze samenleving.” 13 Dat lijkt alleen te gelden voor een waar een andere groep migranten, de asielmigranten.

De ondernemer moet vooral worden geholpen door flink te snijden in ‘overbodige regelgeving want: “Een kapper die papieren moet invullen, kan minder mensen knippen op een dag. Een horecabaas die kosten maakt om aan regelgeving te voldoen, moet de prijs van zijn eten verhogen.” Welke ‘overbodige regels’ er geschrapt moeten worden is minder duidelijk. Daarom wil de partij: “een meetbare doelstelling om het aantal onnodige regels te verminderen,” 14 hanteren. Ook hier wordt weer vooral naar anderen gekeken. In dit geval de gemeenten: “Ondernemers krijgen vaak te maken met een stortvloed aan regels vanuit de gemeente. Wij grijpen daarom in als gemeenten doorschieten in hun regeldrift.” 15

Wat er ontbreekt is waar die regels vandaan komen. Regels komen niet uit het niets. Onze samenleving is gericht op het voorkomen van risico’s. Daarvoor worden al die regels opgesteld. Om te voorkomen dat het zonlicht je tuin niet meer kan bereiken, zijn er regels om je buurmans bouwzucht te beperken. Iets waar de VVD een einde aan wil maken want, zo is te lezen: “Voor de meeste kleine verbouwingen is straks geen vergunning meer nodig. Zo krijgen mensen meer ruimte en vrijheid om hun huis aan te passen aan hun leven, zonder onnodige regels.” 16 Waarbij je meteen de vraag kunt stellen wat ‘ klein’ is. Wat ook op dit punt ontbreekt is zelfreflectie. “De VVD kiest voor een kleine en krachtige overheid met lage belastingen en zonder overbodige regels. Tegelijkertijd moet die overheid de juiste randvoorwaarden creëren zodat de economie kan groeien. … De VVD is voor afschaffing van regels die ondernemers hinderen. … Naast merkbaar minder en betere regels is de VVD voor een slimmere uitvoering van die regels.”17 En: “Ook willen we de regeldruk verminderen, bijvoorbeeld door bij nieuwe regels al vroeg te toetsen of mkb’ers er niet te veel last van hebben. … Verdere vermindering en vereenvoudiging van regelgeving. Voor veel ondernemers zijn er nog altijd te veel regels en regeldruk. We komen met een meetbaar doel om regelgeving te verminderen.” 18Nee, dit staat niet in Sterker uit de storm. Dit schreef de partij respectievelijk in haar verkiezingsprogramma’s van 2012 en 2021. Het staat nu dus weer bijna letterlijk in het verkiezingsprogramma. De VVD heeft sinds 2010 onafgebroken geregeerd. Wat heeft de partij op dit gebied bereikt? Als we dan nu in een storm zitten, hoe moeten we dan de stuurmanskunsten van de VVD beoordelen? Een streven naar minder regels moet beginnen met een een gesprek over risico’s. Dat ontbreekt in dit VVD programma en het ontbreekt al jaren. De VVD presenteert al jaren dezelfde oplossing en kan, ondanks haar ongeveer structurele regeringsdeelname, geen resultaten overleggen. Dat geeft ze zelf toe want volgens de partij zitten we in een storm. Bij een pleidooi om regels te schrappen hoort een kanttekening dat dit risico’s met zich mee brengt. Dus de: “regelvrije zones, waar tijdelijk en gecontroleerd wet- en regelgeving kan worden opgeschort om innovatie te bevorderen,” die de partij wil, brengen risico’s met zich mee. Om die risico’s te beperken biedt de partij: “de juiste juridische grondslag.” 19 Dus regels om de risico’s van minder regels te beperken. Helaas ontbreekt het eerlijke gesprek over de toenemende risico’s van minder regels.

En dan toch even over de belemmering van regels en bureaucratie voor het bedrijfsleven. Het betoog van de VVD is dat minder regels bedrijven de vrijheid geven om te ondernemen. In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme besteedt de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hier ook aandacht aan. Chang: “Het hart van het kapitalistische stelsel is het bedrijfsleven. Daar worden dingen geproduceerd, banen geschapen en nieuwe technologieën uitgevonden. Zonder een bloeiend bedrijfsleven is er geen economische dynamiek. Wat goed is voor bedrijven is daarom goed voor de nationale economie. Vooral gezien de toenemende internationale concurrentie in een globaliserende wereld zullen landen die het opzetten en besturen van bedrijven moeilijk maken of die bedrijven ongewenste dingen laten doen, investeringen en banen verliezen en uiteindelijk achteropraken. De overheid moet het bedrijfsleven de maximale mate van vrijheid geven.”20 Nu wil het geval dat er landen zijn die flink groeien en toch worden gekenmerkt door veel regels en bureaucratie. India en China worden op dit moment niet gekenmerkt door hun geringe bureaucratie en ook in China is de regelgeving zeer fors, in het land is nog geen vrije kapitaalmarkt. Of neem het land van Chang, Zuid-Korea, ook een sterk gereguleerd land. Chang haalt zelf een voorbeeld aan waarbij een bedrijf 299 vergunningen moet hebben van 199 instanties om een fabriek neer te zetten en toch komt dezefabriek er. Chang geeft ook een plausibele verklaring hiervan: “Dus in een land dat snel groeit en waar zich voortdurend nieuwe zakelijke kansen aandienen, weerhoudt zelfs de rompslomp van 299 vergunningen zakenmensen er niet van een nieuw project op te starten. Wanneer er daarentegen weinig valt te verdienen als de zaak eenmaal rond is, zullen zelfs 29 vergunningen onoverkomelijk lijken.” 21 Daar komt bij dat regelgeving in het belang van het bedrijf zelf kan zijn. Bureaucratie zorgt voor een gelijk speelveld en draagt bij aan een fatsoenlijke behandeling van personeel. Dat hier zelfs in het, volgens de VVD, overbureaucratische Nederland niet alles goed gaat, laat de bijvoorbeeld de behandeling van de schoonmakers door de fitnessstudio Saints & Stars zien. Die behandeling verdiende geen sterren en was verre van heilig. Dit is maar een zeer recent voorbeeld in een lange lijst van aspergetelers tot slachterijen. Die slechte behandeling van mensen is schandelijk en moet worden gestraft. Het is ook schadelijk voor bedrijven die zich wel aan de regels houden.

Over naar de tweede missie: Werken moet lonen en een huis voor iedereen die werkt. Die laatste twee woorden roepen bij mij meteen de vraag op of iemand die niet werkt, niet in aanmerking komt voor een huis? Is het bevorderen: “van voldoende woongelegenheid,” voor mensen die niet werken, geen: “voorwerp van zorg der overheid,” zoals onze Grondwet in het tweede lid van artikel 22 stelt? Volgens de VVD is Nederland: “gebouwd op de belofte dat hard werken een mooie toekomst oplevert: een eigen huis, een auto voor de deur, een mooi pensioen en wat achterlaten voor de kinderen.” 22Hier lijkt de VVD haar eigen belofte op te dringen aan Nederland. Ons land is gebouwd op de afspraken die in de Grondwet zijn gemaakt en die bevat geen enkel artikel dat een dergelijke belofte doet. Die kent alleen de belofte van artikel 19 eerste lid dat de: “Bevordering van voldoende werkgelegenheid (…)voorwerp van zorg der overheid,” is. Geen eigen koophuis laat staan een auto en wat achterlaten voor de kinderen. Voor wat betreft de oudedagsvoorziening ligt dat wat anders. Die is een zorg van de overheid op grond van artikel 20 van de Grondwet. Ook doet de partij het voorkomen alsof ze een buitenstaander is: “Wij Nederlanders weten dat werken bij het leven hoort. ‘Voor niks gaat de zon op’. ‘Handen uit de mouwen’. ‘De schouders eronder’. Het is een mentaliteit die minstens zo Nederlands is als klompen en kaas, en door heel ons land herkend wordt. Behalve op het Binnenhof, lijkt het soms wel.” En iets verderop: “Vroeger kon je met een diploma op zak en een vaste baan een huis kopen. Vandaag is dat voor steeds meer mensen onhaalbaar. Je doet alles goed: je volgt een opleiding, je werkt, je spaart en toch is een betaalbaar huis buiten bereik. Een gemiddeld koophuis kost inmiddels meer dan 470.000 euro. Tegelijkertijd verdwijnt het aanbod aan huurwoningen, omdat de overheid de woningmarkt heeft dichtgeregeld. En terwijl de politiek blijft praten, worden er te weinig huizen gebouwd en neemt het aanbod aan huurwoningen af. Terwijl een eigen huis de weg is naar een vrij bestaan.”23 En wat verderop is te lezen: “ Het is bijna onmogelijk een goede en betaalbare huurwoning te vinden. De overheid heeft de afgelopen jaren de ene na de andere huurwet ingevoerd, maar het resultaat is problematisch: er worden te weinig nieuwe huurwoningen gebouwd.” 24 Dit zegt de partij die 33 van de afgelopen 40 jaar deel uitmaakt van de regering. De partij die, afgezien van het afgelopen jaar, sinds 2010 de machtigste partij was. Die om het zo te zeggen de ‘huismeester’ van het Binnenhof is. Dit zegt de partij die in 2010 het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu afschafte. Een ministerie dat in het begin van de twintigste eeuw werd opgericht om aan de schrijnende huisvesting van het gros van de bevolking een einde te maken. Dat kon wel naar de provincies. Zegt de partij waarvan lid Stef Blok als minister er prat op ging dat hij ‘de eerste VVD’er was die een heel ministerie deed verdwijnen’.25 Die na zijn aftreden in 2017 beweerde dat de woningmarkt als een zonnetje draaide en het woningbeleid af was.’26 Zegt de partij waarbij gedurende haar regeringsverantwoordelijkheid sinds 2010 de woningprijzen zijn gestegen van gemiddeld € 240.00 naar € 470.000. Geen enkele zelfreflectie laat staan schuldbekentenis. Want als je in 2017 beweert dat het woningbeleid af is en in 2025 constateert dat het in een storm zit die is veroorzaakt door de ene na de andere huurwet en je hebt sinds die tijd aan de knoppen gezeten, dan heb je toch wat uit te leggen. Helaas geen mea culpa zelfs geen enkele zelfreflectie.

Wel grote beloftes zoals: “Wij zien het niet alleen als onze taak, maar als onze plicht om ervoor te zorgen dat iedereen een thuis kan bemachtigen. Niet alleen de lucky ones, maar ook starters, singles, studenten, gezinnen en middeninkomens.” 27 Dat kan alleen als de prijzen van woningen flink kelderen of de lonen fors stijgen. Grote woorden zoals: “We gaan weer koopwoningen bouwen, zodat die eigen plek onder de zon voor iedereen te bereiken is. Regels, procedures en bezwaren zullen linksom of rechtsom moeten wijken.”28 Je kunt wel willen: “schrappen, schrappen, schrappen. In regels, in procedures en in bureaucratie,” en willen kiezen voor: “woningzoekenden in plaats van vleermuizen en beroepsbezwaarmakers,”29 dat klinkt stoer en over het schrappen van regels heb ik hierboven al geschreven. De meeste bezwaren tegen bouwplannen komen niet van ‘beroepsbezwaarmakers’, maar van omwonenden die zich ergens zorgen over maken, wordt voor het gemak vergeten. Dat die bezwaarmakers vervolgens minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden, laten we even passeren. Dat wie de klacht indient voor de inhoudelijke beoordeling door de rechter niet uitmaakt, wordt voor het gemak vergeten. Maar vooral dat het probleem vooral wordt veroorzaakt door het bestuurlijke onvermogen van de successievelijke regeringen waarvan de VVD de belangrijkste schakel was, dat wordt niet genoemd. Nee, met de VVD komt de daadkracht die ervoor zorgt dat alles weer kan. En dan vooral het onvermogen om de stikstofproblematiek aan te pakken. Een vraagstuk dat al sinds het begin van de eeuw speelt en waar daadkracht bij het aanpakken ervan ten ene malen ontbreekt. Nee, de VVD is hiervoor niet de enige verantwoordelijke partij. Verantwoordelijk is ze echter wel. Op dit onderwerp was ‘de storm’ al van mijlen ver te zien. De VVD-kapitein van het schip van staat ondernam onvoldoende tot geen actie om van koers te veranderen. Ook hier weer geen enkele vorm van zelfreflectie.

“Met deze verkiezingen staat Nederland op een tweesprong. Gaat Nederland linksaf, dan zullen werkende Nederlanders onvoldoende ruimte krijgen om zelf hun leven te leiden. … Gaat Nederland rechtsaf, dan gaat werken weer lonen en krijgen mensen die bijdragen meer ruimte, waardering en vooruitgang.” 30 Al weer ver doorgevoerde vereenvoudiging van de werkelijkheid: er zijn maar twee mogelijkheden aan de ene kant een karikatuur van het standpunt van .. . ja van wie eigenlijk? Of beter een stropop. En aan de andere kant een karikatuur van het eigen VVD-gelijk. De VVD zet werkenden op één,” zo is te lezen, “Omdat zij Nederland draaiende houden.” Daarom moet: “ Wie werkt (…) beloond worden door er meer op vooruit te gaan dan mensen die niet willen werken.” Daarom, zo is te lezen, wordt: “in een Koopkrachtwet vast(gelegd) dat werkenden er ieder jaar in koopkracht méér op vooruit moeten gaan dan niet-werkenden. Het wordt verplicht dat het kabinet regelt dat werkenden op één staan en dat werken in dit land beloond wordt.” 31 Op heel slinkse wijze wordt op deze manier iedereen die om een of andere reden niet werkt, weggezet als iemand die niet WIL werken. Het is inderdaad niet meer dan terecht dat iemand die werkt meer wordt beloond dan iemand die niet wil werken. Veel, zo niet het gros, van de uitkeringsgerechtigden wil echter wel werken. Hun wil wordt niet beloond. Sterker nog. Het gros van de werkenden moet vrezen want: “Om werken meer te laten lonen willen we af van de doorgeslagen nivellering via toeslagen, aftrekposten en heffingskortingen. De kosten van kinderopvang en de afbouwende kinderopvangtoeslag kan er zelfs toe leiden dat een extra dag werken niks of bijna niks oplevert.”32 Bijzonder want in de verkiezingscampagne van 2023 waarschuwde VVD-leider Yeşilgöz er nog voor dat afschaffen van de toeslagen niet zo simpel was: “Als je kijkt op dit moment, hoeveel Nederlanders afhankelijk zijn van die toeslagen, ik meen ongeveer twee derde van alle Nederlanders, dan weet je dat we dat niet morgen hebben geregeld.” En het klopt dat ongeveer twee derde van de huishoudens een toeslag ontvangt. En ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar ik denk dat die andere een derde gebruik maakt van aftrekposten en dan vooral de hypotheekrenteaftrek. ‘Gelukkig’ voor deze groep: “ blijft de huidige dertig-jaarstermijn van de hypotheekrenteaftrek behouden.” 33 Gelukkig hoeven we niet te kiezen tussen de stropop en de karikatuur die de VVD ons schetst.

Dan de derde missie: De grootste investering in veiligheid. Dat hoofdstuk begint met: “‘Een volk dat zijn verdediging verwaarloost, zet zijn vrijheid op het spel’.” een spreuk op een school op de plek waar generaal Winkelman op 15 mei 1940 de capitulatie tekende. De partij constateert: “Het is echter een zin met een diepere betekenis, die decennia later nog steeds bij iedereen zou moeten doorklinken. ‘Zou’, want de politiek lijkt niet te hebben geleerd van het verleden.” De tekst vervolgt met: “Te vaak regeert in de Nederlandse politiek nog de naïviteit of de drang tot activisme.” 34 De VVD vervulde de afgelopen veertig jaar de partij die eerst een belangrijke en sinds 2010 de centrale rol vervulde in ‘de politiek’. Hierover geen enkel woord. Geen enkele reflectie op de eigen rol en handelen in dat ‘verwaarlozen’. Geen enkele reflectie op het niet laten doorklinken van die diepere betekenis in dat handelen. Geen enkele reflectie op de eigen naïviteit en drang tot activisme. Of waren dat, zoals het programma wil laten doorschemeren ‘anderen’, mensen die ‘linksaf’ kiezen. Even voor de VVD’ ‘links’ heeft in Nederland nooit een meerderheid van de stemmen behaald. Zelfs het meest linkse kabinet ooit, het kabinet Den Uyl, was voor steun afhankelijk van partijen die later zijn opgegaan in het CDA. Een tijd waarin Nederland meer dan 2% van het BBP uitgaf aan defensie en gedurende de regeerperiode van dit kabinet nam dat percentage toe35. “Om ons land en onze krijgsmacht de zekerheid voor de lange termijn te geven die zij verdient, leggen we de geldende NAVO-norm van 3,5% als streefcijfer ook vast in de wet. Stelt de NAVO een hogere norm, dan willen we dat de wettelijke verplichting ook weer verhoogd wordt.”36 Met die 3,5% werd bijna Kamerbreed ingestemd. Dat nu claimen als een eigen verdienste is bijzonder. Zeker gezien de rol die voormalig VVD-leider Rutte in zijn rol als premier jarenlang speelde. Ook hier weer geen reflectie.

Bijzonder bij deze missie is dat de partij in een spagaat ligt: “Europese landen moeten samen sterker worden op het wereldtoneel. We kunnen niet langer verwachten dat de VS altijd ingrijpen of dat China een betrouwbare handelspartner blijft. Dat vraagt om een EU die levert op handel en economische veiligheid, en om hechtere samenwerking tussen Europese NAVO-landen. Europa moet zich ontwikkelen tot een derde geopolitieke macht naast de VS en China.”37 En: “Om Rusland beter af te schrikken moeten Europese landen samen in staat zijn om grootschalige operaties uit te voeren. Voor Nederland vraagt dit om forse investeringen in het Duits-Nederlandse Legerkorps.”38 En als je dan toch bezig bent, neem de Polen dan ook meteen mee want voordat de Russen in Duitsland zijn, moeten ze eerst door Polen. Dus vol inzetten op Europa! Nee, toch niet: “We willen geen Europees Leger: de Tweede Kamer besluit altijd of onze krijgsmacht ergens wordt ingezet. Het gaat hier immers over onze eigen mensen.” 39 En daarmee blijft de huidige houtje-touwtje samenwerking waarbij iedere regering haar eigen afweging maakt, bestaan en is van echt samenwerken en samen optrekken geen sprake. Dit leidt niet tot: “Nederland sterker maken met een sterk Europa,” 40 wat de VVD zegt na te streven. Maar geldt op het gebied van defensie niet het zelfde als op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Daar plaats de VVD: “vraagtekens bij de effectiviteit van 27 verschillende ontwikkelingsprogramma’s in de EU.” Hier stelt de VVD voor om: “ontwikkelingssamenwerking in de toekomst zoveel mogelijk via de EU,” te laten gaan: “We zetten vol in op een gezamenlijke Europese aanpak, waarbij de EU Global Gateway wordt uitgebouwd tot een krachtig, realistisch alternatief voor Chinese projecten zoals het ‘Belt and Road Initiative’.” 41

Over naar: Orde op zaken voor een vrij en veilig Nederland. De vierde missie. “Op Koningsdag en Bevrijdingsdag vieren we ons Nederlanderschap en onze vrijheid. We struinen over rommelmarkten, eten tompoucen of drinken een biertje op bevrijdingsfestivals. Maar het Nederlanderschap is veel meer dan deze, soms wat cliché, tradities.” Gelukkig maar want ik heb niets met Koningsdags, rommelmarkten en tompoucen. Toch ben ik een Nederlander. Dat meerdere is, zo betoogt de VVD: “een set van waarden die diep verankerd liggen in wie we zijn. Vrijheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid. Dat zijn geen vage concepten die je nog van maatschappijleer kent, maar de bouwstenen van onze samenleving.” Maar: “Toch lijken geluiden in onze samenleving die waarden steeds vaker te relativeren. Alsof het ongemakkelijk is om trots te zijn op ons land. Alsof het fout of verkeerd is om te spreken over vrije waarden en beschaving.” 42 Dan toch even. Je uitspreken over vrijheid, verdraagzaamheid en verantwoordelijkheid kan heel goed zonder ‘trots te zijn op Nederland’. Want waarom zou ik ‘trots’ moeten zijn op Nederland? Waarom moet ik trots zijn op , om voormalig premier Balkenende aan te halen, ‘ die VOC-mentaliteit’? Waarom moet ik trots zijn op de schilderijen van Rembrandt, de microscopen van Van Leeuwenhoek, de Nobelprijs van Crutzen of de machines van ASML? Zaken waaraan ik part nog deel heb.

Daarmee kom ik bij de kop boven de inleiding van de missie: “Onze democratische rechtsorde en vrije waarden zijn het beschermen waard.” Daar ben ik het helemaal mee eens. Alleen blijken die rechtsorde en waarden bij de VVD niet in goede handen. De ‘rechtsstatelijke verklaring’, de motie Becker, de onmogelijkheid voor statushouders om urgentie te krijgen voor een woning, het willen beperken van het demonstratierecht. Allemaal voorbeelden van knibbelen aan onze ‘vrije waarde’ zoals verwoord in onze Grondwet. ‘Regels, procedures en bezwaren’ die ‘linksom of rechtsom moeten wijken,’ zijn een aanslag op onze rechtsstaat. Als je vindt dat regels hinderen, moet je ze op de koninklijke weg intrekken. “We verhogen de griffierechten fors voor bezwaarprocedures tegen woningbouw, om onnodige vertragingstactieken en beroepsprocedures te ontmoedigen,”43 betekent een hogere drempel voor mensen die vinden dat ze onrechtvaardig door de overheid worden behandeld. Het recht wordt daarmee alleen voor de bezittende klasse. Of toch niet, de partij wil de “Toegang tot het recht verbeteren.” Alleen ziet de partij daar slechts een zeer beperkte rol voor de overheid bij weggelegd: “Daarom steunen we initiatieven om de sociale advocatuur via de beroepsopleiding aantrekkelijker te maken voor jonge advocaten, stimuleren we samenwerking tussen advocaten en vinden we dat de commerciële advocatuur een bijdrage moet leveren aan de sociale advocatuur.” 44Anderen moeten het probleem van de te lage vergoeding die een sociaal advocaat voor een zaak krijgt, oplossen. Een hoger tarief of een belasting op commerciële advocatuur, niets van dat alles. En bijna aan het einde van het programma is te lezen dat er te vaak wordt geprocedeerd: tegen bouwplannen alleen met als doel om deze plannen te vertragen. Daarom beperken we wanneer mensen belanghebbende zijn en kunnen procederen, willen we dat bezwaren vaker gelijk naar de Raad van State gaan, zodat procedures niet gestapeld worden en schrappen we de overvloed aan bouwregels waar nu tegen geprocedeerd kan worden.”45 Maatregelen waarmee de mogelijkheden van de burger om te ageren tegen overheidsbesluiten, wordt beperkt.

Daar blijft het niet bij. “De opkomst van radicale politieke en religieuze stromingen vormt een bedreiging voor onze vrije samenleving. Stromingen als het politiek salafisme propageren een intolerant gedachtegoed dat haaks staat op onze democratische rechtsstaat.” De VVD wil deze radicalisering tegen gaan. Op zich een nobel streven. Alleen de manier waarop getuigt niet van vertrouwen in juist de kernwaarden van onze democratie en rechtsstaat: “De VVD wil dat de overheid alle juridische ruimte benut, en waar nodig verruimt, om organisaties die een radicale, antidemocratische ideologie verspreiden te kunnen verbieden.” 46 Kenmerk van een democratie is een open discussie tussen verschillende ideeën en opvattingen. Daarin past het verbieden van ideeën niet en dat is wat je doet als je organisaties verbiedt om hun ideeën. Ideeën en opvattingen bestrijdt je met betere ideeën en opvattingen maar vooral met daden die laten zien dat een democratische rechtsstaat tot betere resultaten voor mensen leidt dan niet-democratische. En ja, als iemand moord voor zijn ideeën dan treedt de rechtsstaat op. Daarvoor hoeft niets extra’s te worden geregeld want dat is al geregeld in ons Wetboek van strafrecht. Ik vraag me trouwens af hoe al die maatregelen zich verhouden tot: “De vrijheid om jezelf te zijn, je uit te spreken en je leven te leiden zoals je dit zelf wil.” 47 Bij jezelf zijn kan ook horen je radicaal uit te spreken. Je verzetten tegen slavernij of tegen kinderarbeid was ooit radicaal. Het als zwarte vrouw in de bus niet opstaan voor een blanke, zoals Rosa Parks deed, was in de Verenigde Staten ooit radicaal. Je nu inzetten voor een basisinkomen is radicaal, het is immers een verregaande of ingrijpende hervorming van het bestaande en dat is zoals de Van Dale radicaal definieert. Het inzetten van de staatsmacht tegen ideeën getuigt niet van vertrouwen in de democratie en de rechtsstaat.

De VVD wil ook dat het luiden van de kerkklokken verboden kan worden. En toevallig of niet, op het moment dat ik dit schrijf luidt de klok van de Venlose Sint-Martinus basiliek en gezien het tijdstip zal dat voor een begrafenis zijn. Nee, ze noemen de kerkklokken niet en die bedoelen ze ook niet, maar als ze dat zo zouden schrijven, dan stond het hele land op haar achterste benen. “We willen regelen dat (versterkte) gebedsoproepen kunnen worden verboden als deze de openbare orde verstoren, integratie tegenwerken of niet kunnen rekenen op draagvlak in de omgeving. Als dit niet voldoende effect sorteert verbieden we de versterkte gebedsoproep.” De partij heeft hier duidelijk de islamitische gebedsoproep op het oog maar een kerkklok is ook een versterkte gebedsoproep. Realiseert de partij zich dat een besluit één vorm van versterkte gebedsoproep als verstoring van de openbare orde te noemen, dat dit dan ook geldt voor alle versterkte gebedsoproepen. Dat zal de partij niet bedoelen. Deze maatregel is specifiek gericht of moslims en dat maakt het discriminerend.

De VVD lijkt van een rule of law samenleving naar een rule by law samenleving te verschuiven. Van een samenleving waarbij het recht voor iedereen geldt, ook voor de overheid, een samenleving waar burgers hun recht kunnen bepleiten voor een onafhankelijke rechter als de overheid een beslissing neemt die voor hen nadelig uitpakt, naar een samenleving waar de wet voor de burger geldt en besluiten aan hem worden opgelegd zonder dat een rechter daar nog iets van kan vinden. Zover gaan de voorstellen die de VVD doet niet of nog niet, maar met de hier genoemde voorstellen slaat de VVD wel die richting in.

De laatste missie: Een sterker Nederland door een kleinere overheid. Die missie begint, zoals alle vier de andere, met een ronkend stukje tekst: “Terwijl Nederland vooruit moet, loopt het land vast in regels en procedures. Door een overdaad aan beleidsstukken, regels, procedures, richtlijnen en juridische hoepels en een gebrek aan aandacht voor mensen, hebben we nu een overheid die overal over gaat, maar op weinig levert. De lijst voorbeelden is lang en lijkt eindeloos. Een vergunning voor bijvoorbeeld de uitbreiding van het stroomnet kost nu gemiddeld acht jaar. De bouw van huizen wordt steevast vertraagd door procedures. Zo’n 20% van de zorgmedewerkers geeft aan meer dan de helft van de tijd met administratie bezig te zijn. En zo zijn er nog talloze voorbeelden te noemen van een overheid die zichzelf en de samenleving aan een ketting van wetten, regels en procedures heeft gelegd.” Daarom moeten we: “het heft in handen nemen en onze overheid en dringend onze wet- en regelgeving moderniseren. Onze overheid moet kleiner, effectiever en moderner. Met de hoogste standaarden. Met wetten en regels die werken voor Nederland. Alleen daarmee kunnen we als land weer boven onszelf uitstijgen. … Terwijl we in de zorg nu al vijftigduizend mensen tekortkomen, is het aantal ambtenaren in vijf jaar toegenomen met bijna 70.000, waarvan 30.000 bij de Rijksoverheid.” Je kunt er bijna niet tegen zijn en zou ervoor op de partij stemmen. Maar … dit schrijft de partij die, zoals gezegd 33 van de afgelopen 40 jaar in de regering zat en die van de laatste 15 jaar er 14 de premier leverde en dus als kapitein op het schip stond. In al die jaren is dit niet gelukt en zoals ik hierboven al schreef, stond het ook in eerdere verkiezingsprogramma’s. Bijzonder is dat er hier wel sprake is van enige zelfreflectie: “We zien dat de Tweede Kamer, dus ook de VVD, in de afgelopen vijftien jaar de overheid te vaak te ingewikkeld heeft gemaakt. Door meer regels te eisen, door te kiezen voor rapportageplichten in plaats van goed toezicht, door steeds weer extra moties en onderzoeken aan te vragen. … We kunnen alleen een moderne en effectieve overheid terugkrijgen als de politiek haar regelzucht temt, de overheid kleiner gemaakt wordt en er strak op gestuurd wordt.” 48 Enige zelfreflectie maar nog steeds geen analyse.

Voor de oplossing wordt de blik al weer snel gericht op een ander. De partij wil de opdracht geven aan: “alle departementen om per kabinetsperiode aantoonbaar wet- en regelgeving te schrappen of te versimpelen. Elke kabinetsperiode levert elk departement dus een lijst van regels aan die geschrapt kan worden.” Dit doet mij denken aan de opdracht die we ooit kregen bij een kleine gemeente en die ik sindsdien bij veel gemeenten voorbij zag komen. Die opdracht luidde: maak een lijst met mogelijke bezuinigingen. Daarop leverden we als management de complete begroting in. Je kunt namelijk overal op bezuinigen alleen dat heeft gevolgen. Die maakten we daarbij ook duidelijk. Zo kun je ook alle wetten schrappen. We hebben als mensheid immers duizenden jaren overleefd zonder de huidige stapel wet- en regelgeving. Alleen een wet schrappen heeft gevolgen. Iedere wet is aangenomen met een bepaald doel of effect voor ogen. Dat doel of effect kan zijn iets positiefs bereiken of iets negatiefs voorkomen. Veel van de Nederlandse wetgeving van de afgelopen dertig tot veertig jaar is gericht op iets voorkomen. Voormalig raadsheer bij de Hoge Raad Ybo Buruma beschrijft die verandering in een korte zin: “In de risicosamenleving maken de zorgen over overmatig overheidsoptreden van de overheid plaats voor zorgen om het tekortschieten van de overheid.” En volgens Buruma leven we sinds ruim dertig jaar in een risicosamenleving. Hij volgt hierin de socioloog Ulrich Beck die het begrip risicosamenleving muntte. Ik schreef er hierboven ook al over. Kenmerk van een risicosamenleving is dat: Er wordt gedaan of ongelukken en gevaren uitzonderingen zijn, maar deze maken deel uit van normale bedrijfsvoering.” En: “Die benadering resoneert bij de persoonlijke ervaringen van diverse slachtoffers. Slachtofferschap lijkt steeds meer te worden beschouwd als een inbreuk op menselijke waardigheid: geen pech maar onrecht omdat risico’s onvoldoende zijn onderkend.”49 Als de VVD werkelijk minder regels wil, dan moet het gesprek daar over gaan. Dat gesprek voert de VVD niet.

En daarmee kom ik bij het volgende punt. Hoe wil de partij dat bereiken? Minder ambtenaren door focus op kerntaken: we stellen een strenge norm dat maximaal één op de vier medewerkers bij de Rijksoverheid mag werken in overheadfuncties. Nu is dat nog de helft. Met de operatie effectieve overheid zorgen we ervoor dat er flink minder ambtenaren nodig zijn.” 50 Defensie is duidelijk een kerntaak en de plannen van de partij daar zorgen ervoor dat de overheid in ieder geval niet kleiner wordt want er komen: “100.000 militairen en reservisten,” 51 bij. Helaas wordt niet duidelijk gemaakt wat die kerntaken zijn en al helemaal niet wat er dan gaat gebeuren met zaken die niet tot de kerntaken behoren. Dat zou ik, en jullie wellicht ook, toch graag voor de verkiezingen willen weten.

De VVD wil: “een overheid naar het model van Singapore. We kiezen voor toptalent, werken datagedreven en vergelijken effectiviteit met andere landen. AI kan zorgen voor een revolutie bij de overheid, maar dan moet de overheid wel om leren gaan met techniek.” Data gedreven werken dat klinkt mooi. Maar data zijn niets meer en niets minder dan een berg gegevens. Wat data gedreven werken volgens de VVD is, wordt niet uitgelegd. Daarom zocht ik wat verder. Data gedreven werken is, zo is in het het rapport Data gedreven werken van het ministerie van Justitie en Veiligheid te lezen: werken op basis van feiten uit de samenleving, die verzameld worden in de vorm van data, geanalyseerd worden naar informatie, samen met domeinkennis op de juist manier geïnterpreteerd worden naar bruikbare inzichten, en om op basis van deze inzichten een zo geïnformeerd mogelijk besluit te nemen wat een hogere waarde geeft voor de samenleving.” 52 Data gedreven werken begint bij verzamelde gegevens terwijl het beginpunt een maatschappelijke opgave zou moeten zijn. Om die aan te pakken wordt een hypothese opgesteld, een onderbouwde verklarende redenering. Dan wordt er beredeneerd welke informatie iets kan zeggen over de hypothese. Pas dan worden data gezocht die iets kunnen zeggen over de informatie. Als dat er ligt en de hypothese lijkt te kloppen, pas dan kun je bekijken welke maatregelen je kunt nemen om de maatschappelijke opgave in de gewenste richting te sturen. Dit even terzijde.

Waar het mij om gaat is dat die ‘feiten uit de samenleving’ verzameld moeten worden. Die ontstaan niet spontaan. Als je wilt weten hoe lang een vraag op een antwoord wacht, moet je de datum van binnenkomst en de datum van beantwoording registreren. Wil je het gemiddelde van een groep vragen weten, dan moet je dat voor alle vragen doen. Als je wilt weten waarom het zo lang duurt, moet je nog weer meer informatie verzamelen. Zo ontstaat de bureaucratie waartegen zo wordt geschopt. Als je jezelf wilt vergelijken, zoals de VVD dat Nederland doet met andere landen, dan moet je daarvoor gegevens verzamelen. Alleen zegt het niets als je een Nederlandse en Singaporese aanvraag voor een bouwvergunning met elkaar vergelijkt omdat er met die vergunningen waarschijnlijk heel andere zaken worden geregeld. Data verzamelen zich niet vanzelf. Ze interpreteren zich ook niet vanzelf en AI kan daarbij helpen maar de ervaringen leren dat het resultaat sterk afhangt van de data waarmee AI is getraind. Daarnaast wil de VVD: “Ministeries (…) regelmatig verspillingsaudits (laten) doen,” al dan niet: “op verzoek van de Tweede Kamer. Deze audits kijken of hetzelfde werk door minder mensen gedaan kan worden, of uitgaven wel echt nodig zijn en of projecten niet afgebouwd kunnen worden,” 53 zo is te lezen. Audits vragen weer om gegevens die moeten worden bijgehouden en om mensen om ze uit te voeren. Mensen die behoren tot die overhead.

Als laatste een wel heel bijzondere. “Geen feitenvrij beleid.” Met onder dat kopje de volgende tekst: “We bedrijven geen politiek vanuit de onderbuik. Integratiebeleid moet gebaseerd zijn op feiten. Daarom is sociaal cultureel onderzoek onder de gehele bevolking een belangrijke basis voor het beleid om bepaalde maatschappelijke problemen aan te pakken. Of het nu gaat om radicalisering, hooliganisme, extreemrechts of integratieproblematiek: we moeten weten wat er speelt en wat aanknopingspunten zijn voor oplossingen.” 54 Ik viel van mijn stoel van verbazing maar het staat echt in het verkiezingsprogramma van de VVD. De partij die ‘nareis op nareis’ opblies tot mythische proporties. Het waren er duizenden aldus VVD-leider Dilan Yeşilgöz terwijl het om nog geen 200 aanvragen per jaar gaat waarvan er gemiddeld 70 worden toegekend. Over feitenvrij beleid gesproken. De partij die samen met drie anderen een regeerakkoord schreef met daarinhet plan om de mede door de eigen partij gecreëerde chaos bij het behandelen van asielaanvragen en de huisvesting van asielzoekers en statushouders aan te pakken met noodwetgeving omdat, zoals de premier van het kabinet het verwoordde, ‘mensen een asielcrisis ervaren.’ Over onderbuik gesproken. Je moet maar durven.

1Sterker uit de storm is te vinden op: https://www.vvd.nl/sterker-uit-de-storm/

2Sterker uit de storm, pagina 2

3Idem, pagina 3

4Idem, pagina 2

5Idem, pagina 52

6Idem, pagina 58

7Idem, pagina 63

8Idem, pagina 8

9Idem, pagina 9

10Idem, pagina 10

11Idem, pagina 8

12Idem, pagina 11

13Idem, pagina 58

14Idem, pagina 12

15Idem, pagina 12-13

16Idem, pagina 12-13

17Niet doorschuiven maar aanpakken, pagina 10-12

18Samen aan de slag, Pagina 12

19Sterker uit de storm, pagina 33

20Ha-Joon Chang, 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, pagina 214

21Idem, pagina 221

22Sterker uit de storm, pagina 27

23Idem, pagina 27

24Idem, pagina 34

25https://fd.nl/economie-politiek/1221025/stef-blok-ik-ben-de-eerste-vvd-er-die-een-heel-ministerie-heeft-doen-verdwijnen-wej1cag5s0uI

26https://woningmarktcijfers.staanhier.nl/blog/2019/11/30/middenhuur-verdiept-de-kloof-op-de-woningmarkt/

27Sterker door de storm, pagina 28

28Idem, pagina 26

29Idem, pagina 32

30Idem, pagina 28

31Idem, pagina 29

32Idem, pagina 29

33Idem, pagina 34

34Idem, pagina 37

35https://marineschepen.nl/dossiers/defensie-uitgaven-BBP.html

36Idem, pagina 39

37Idem, pagina 38

38Idem, pagina 41

39Idem, pagina 40

40Idem, pagina 43

41Idem. Pagina 43

42Idem, pagina 50

43Idem, pagina 33

44Idem, pagina 57

45Idem, pagina 72

46Idem, pagina 59

47Idem, pagina 50

48Idem, pagina 68

49 Ybo Buruma,de onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025, pagina 341

50Sterker uit de storm, pagina 70

51Idem, pagina 39

52Ministerie van Justitie en Veiligheid, Data gedreven werken. Wat er voor nodig is, pagina 9

53Sterker uit de storm, pagina 70-71

54Idem, pagina 60

Uitgelicht

This machine greens itself

“Even meegelezen met je artikel, interessant, dank voor het delen. Meneer Quivooy heeft echter wel een goed punt. Bitcoin mining kan Ethiopie wel degelijk op een goede manier vooruit helpen, mits de overheid het daar natuurlijk op de juiste manier inzet. De kunst is om dat nationaal- of systeemtechnisch te bekijken. Dat vraagt een flink onderzoek.” De reactie van Bert Bosman op mijn recente prikker waarin ik crypto vergeleek met de second cousin to Harvey the Rabbit. Om de titel van die Prikker aan te halen. Bij het bericht een link naar een filmpje met als titel “This Machine Greens” – Bitcoin and the future of clean energy.” Benieuwd of ik iets had gemist, bekeek ik de film.

bron: valori.it

De film begint met de uitspraak dat beschaving gemeten kan worden aan de hand van het energiegebruik. En, zo wordt terecht opgevoerd, de zon geeft ons veel meer energie dan we gebruiken. Dus om stappen te maken moeten we meer van die energie kunnen ‘vangen’ en naar de juiste plek transporteren. De mens zette hierin de eerste grote stap met het onder controle krijgen van vuur. Die stap maakte het, zo wordt terecht in de film betoogd, mogelijk dat onze hersens groeiden. Vervolgens gebruikten we dieren, wind, water enzovoorts als energiebron en daarmee hield het niet op. Zoals een van de sprekers in de film terecht zegt, als we geen externe energiebronnen meer konden gebruiken, of zoals die man het zegt, de stroom uitzetten, dan sterft het overgrote deel van de mensheid binnen een week en de rest de week erna. Hij sluit af met de woorden: “Energy is everyting.”

Vervolgens maakt de film een bijzondere ‘afslag’ in een deel met als subtitel: “Money is energy.” Dit wordt, zo betogen de makers, aangetoond door onze voorouders, die veel tijd en energie stopten in het maken van grote stenen (het Micronesische eiland Yap) en schelpen die als geld functioneerden. Die tijd en energie waren, zo betogen de makers, het bewijs van hun waarde. En van daaruit wordt de stap gemaakt naar goud. Ook het delven van goud kost veel tijd en energie. Hoeveel tijd en energie laat de Discovery serie Gold Rush zien. Die stenen, schelpen en goud maakten het mogelijk om waarde te transporteren, aldus de filmmakers.

De gebruikswaarde van die stenen, schelpen en het goud is nihil. Je kunt er hooguit een schelpenpad mee maken of een kunstenaar kan ze gebruiken voor een kunstwerk. In dat geval zit de waarde niet in de schelpen maar in de ‘gek’ die het kunstwerk koopt. Die Micronesische stenen zou je als molensteen kunnen gebruiken of als veel te zwaar wiel van een wagen en de gebruikswaarde van goud is pas recentelijk, sinds het wordt gebruikt in elektronica wat gestegen. Die stenen, schelpen en het goud ontlenen hun waarde alleen aan het vertrouwen van de mensen die het gebruiken, Het vertrouwen dat ik voor die ‘drie schelpen een mand krijg. Dat bepaalt de waarde en niet de energie die het kost om ze te maken. Zo kan de energie die erin wordt gestopt niet de recente stijging tot recordhoogten van de goudprijs verklaren.

De Bitcoin, vraagt ook heel veel energie om te ‘mijnen’. En daarmee kom ik bij de bijzondere logica van de filmmakers. Als alle teckels honden zijn, wil dat nog niet zeggen dat alle honden teckels zijn. De stenen, schelpen en het goud kostten veel energie en daarom vertegenwoordigen ze veel waarde, zo betogen de makers van de film. Bitcoin kost ook veel energie maar dat wil nog niet zeggen dat het veel waarde heeft. Of nog anders, een meubelmaker stopt ook veel tijd en energie in de kast die hij of zij maakt, zou dat dan ook geld zijn? De waarde van een Bitcoin in het verhaal dat je gelooft of niet, niet in de energie. Terecht constateren de makers dat die stenen, schelpen en later het goud ons veel energie kostten maar, zoals ik hier betoog, zit de waarde niet in de energie maar in het vertrouwen. Voor dat vertrouwen is iets wat veel energie heeft gekost niet nodig. Ook een brief met daarop een verklaring van de schrijver voldeed, zo bleek vanaf de dertiende eeuw. Dat maakte uiteindelijk dat iemand de zijn staaf goud meer dan één keer kon uitgeven. Dit heeft zich uiteindelijk zover ontwikkeld dat goud helemaal niet meer nodig is. Sterker nog, zelfs een papiertje (geldbiljet) is niet meer nodig. Je hoeft je plastic kaart alleen maar voor de scanner te houden. Geld kost hierdoor steeds minder energie.

De film maakt een tweede bijzondere wending. Terecht constateren de makers van de film dat sinds de klimaatconferentie van Rio in 1992 de pogingen om de energievoorziening te verschonen, tekort zijn geschoten net als pogingen om de uitstoot van koolstofdioxide te beperken. En daar gaat de Bitcoin verandering in brengen, aldus de makers. Niet van bovenaf, zoals tot nu toe, maar van onderop. Want om geld te verdienen, zoeken de Bitcoin mijnwerkers naar goedkope en schone energie die nodig is om het tij te keren. En dan volgen voorbeelden. Zo gebruiken de mijnwerkers in El Salvador energie opgewekt vanuit een vulkaan. Bitcoin maakt die investering mogelijk, aldus de makers. Mogelijk omdat er een constante hoeveelheid energie nodig is en voor de energiecentrale dus gegarandeerde afname. Of het afvangen van methaan bij de productie van olie en gas om daarmee elektriciteit op te wekken. En zo gaat de film nog even verder. Porté van het verhaal: Bitcoin zorgt voor een schonere wereld. “Bitcoin should be celebrated,” aldus een spreker in de film. Je zou het gaan geloven. Bijna dan.

Bijna, want die hele berg energie wordt gebruikt voor iets waarvan de gebruikswaarde nul komma nul is. Voor een second cousin to Harvey the Rabbit’. De elektriciteit van waterkrachtcentrales die de Ethiopische Bitcoinboys gebruiken, kan ook worden gebruiktom elektrisch op te koken of voor andere zaken van waarde. Dat geldt ook voor de energie van die met die methaan wordt opgewekt. En als het om uitstoot van koolstofdioxide gaat, zou je er ook voor kunnen kiezen om die olie of gas in de grond te laten zitten. Als je de markt eruit haalt, dan kun je die centrale bij die vulkaan ook bouwen en de energie naar plekken transporteren waar ze gebruikt wordt. Daarvoor is Bitcoin niet nodig. Er wordt inderdaad behoorlijk ‘gegreened’ om dat woord uit de titel te gebruiken. Maar dan wel greenwashing: “het zich groener of maatschappelijk verantwoordelijker voordoen dan een bedrijf of organisatie daadwerkelijk is. Men doet alsof men weloverwogen met het milieu en/of andere maatschappelijke thema’s omgaat, maar dit blijkt vaak niet meer dan ‘een likje verf’ te zijn.1

1 Zie Wikipedia

Uitgelicht

Soevereiniteit terugwinnen of uitoefenen?

Als de vraag is hoe we de neoliberale wereldorde achter ons kunnen laten, dan is terugwinnen van nationale soevereiniteit inderdaad waar het om draait. Ironisch, omdat veel brexiteers geen benul hadden wat ze met die soevereiniteit wilden. Maar zelfs dan hebben de Britten nu tenminste de democratische mogelijkheid om die soevereiniteit te gebruiken om de noden van burgers te lenigen. Wat meer is dan je van de lidstaten van de EU kunt zeggen.” Woorden van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck in een interview dat Ewald Engelen met hem heeft bij De Groene Amsterdammer. Moeten we soevereiniteit terugwinnen?

Volgens Streeck, zo is te lezen: “staan we op een kruispunt. Of we leggen ons neer bij de valse noodzakelijkheden van de neoliberale globalisten en gaan voort op het pad dat naar een wereldregering voert,” of: “we keren terug op onze schreden en leggen ons oor te luisteren bij wijze denkers uit het interbellum, zoals de Hongaars-Oostenrijkse antropoloog Karl Polanyi en de Britse econoom John Maynard Keynes, die snapten dat er geen alternatief bestaat voor de natiestaat en betoogden dat het kapitalisme daaraan moest worden aangepast in plaats van de natiestaat aan het kapitalisme.”

Het betoog van Streeck sluit aan bij The Glabalization Paradox waar politiek econoom Dani Rodrik in zijn gelijknamige boek over schrijft. In dat boek schetst Rodrik ‘The Political Trilemma of the World Economy’ beschrijft de spanning tussen de natiestaat, (hyper)globalisatie en democratie. De economie van landen zijn via de wereldmarkt steeds meer met elkaar verbonden. Handel levert welvaart op en hoe minder kosten ermee zijn gemoeid (handelsbelemmeringen), hoe meer welvaart het oplevert. Daarom worden er diverse vrijhandelsverdragen afgesloten. Hoe meer van dergelijke afspraken en hoe opener een land zich hierin opstelt, hoe aantrekkelijker het is voor bedrijven. Rodrik noemt dit hyperglobalization. Een nieuwe vorm van globalisatie waarbij het managen van de binnenlandse economie ondergeschikt is aan de internationale handel en de kapitaalmarkt. De keerzijde hiervan is dat de welvaart die een gevolg is van deze vrijhandel, scheef wordt verdeeld. De rijkste 1% profiteert, terwijl het grootste deel van de bevolking van een land er de nadelen van ondervindt. Die nadelen zijn minder werk, lagere salarissen, afbrokkelende sociale zekerheid en grotere onzekerheid voor werknemers. Door diezelfde internationale handelsverdragen nemen de mogelijkheden van landen om mensen te beschermen af. Dit terwijl die landen onder democratische druk worden gezet door haar bevolking om die bescherming wel te leveren en aan de andere kant door de multinationals onder druk worden gezet om nog meer belemmeringen weg te nemen. Dit zou opgelost kunnen worden door een democratische wereldregering maar dat is voorlopig een utopie. Dan blijft de natiestaat als enige over om de gewone burger tegen de de zich globaliserende economie te beschermen1. Denkend vanuit de systeemwereld lijkt dat inderdaad de enige oplossing en dan is ‘soevereiniteit terugwinnen’. Dan is bevoegdheden terughalen en barrières opwerpen tegen de ‘boze buitenwereld’ een logische keuze. Dat is de keuze die Trump maakt met zijn tarievenpolitiek. Dat ligt ook aan de basis van het geroep op een ‘Nexit’.

In dezelfde systeemwereld betekenen deze keuzes dat het leven duurder wordt. De markt werkt er minder efficiënt door en dat vertaalt zich in hogere kosten. Dat duurdere leven staat op gespannen voet met het doel waarvoor de ‘soevereiniteit’ wordt teruggewonnen: de bescherming van de burgers. Er wordt soevereiniteit teruggehaald om de burgers uit de gure wind van de globalisatie te halen en dat doe je door ze in de gure wind van stijgende prijzen te zetten. Om die laatste wind af te zwakken, zijn aanvullende maatregelen nodig. Maatregelen die de koek herverdelen van rijk naar arm. Zo raken we van de regen in de drup. Kunnen we op een andere manier ons ‘leven’ terugwinnen opdie neoliberale wereldorde’?

Wat als we het ‘systeemdenken’ laten voor wat het is en naar de mensenwereld kijken? Mensen hebben behoeften. Ze moeten eten en drinken, willen graag veiligheid en zo zijn er nog veel meer. Je kunt er, in navolging van Maslow, piramides van bouwen. De afgelopen vijftig jaar is de markt de manier geworden waar mensen bevrediging voor hun behoeften zoeken. Ze kopen er hun eten en drinken net als energie, kleding en vervoersmogelijkheden. Ze kopen er bijvoorbeeld hun ‘veiligheid’ bij Verisure en ‘gezondheid’ bij Prescan. Overal is een markt van gemaakt en dat heeft ervoor gezorgd dat het bruto binnenlands product stevig is gegroeid. En die groei hebben we nodig om dit allemaal te kunnen blijven betalen.

De markt is echter niet de enige manier voor mensen om in hun behoeften te voorzien. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning 6 manieren om in je behoeften te voorzien. De zes manieren waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Die manieren zijn achtereenvolgens:

1 de individuele productie: dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt.

2 de huishouding: de gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden. Hierbij moeten we het huishouden niet eng opvatten, het huishouden kon bestaan uit het dorp, de clan de groep. Ook de groep die gebruik maakt van de meent (dus de gemene gronden) kan worden gezien als een huishouden.

3 toedeling: de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

4 schenking: met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. de relatie wordt verzwaard.

5 handel: kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie.

6 roof: de laatste vorm waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwang-arbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof2.

Neoliberalen zien de markt als de enige en ook perfecte manier van toe-eigening of verwerving. Het neoliberalisme ziet de mens als een homo-economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met andere mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Helaas blijkt, dat zien we nu dat die ‘perfecte samenleving’ voor het grootste deel van ons, verre van perfect is.

Streeck wil de markt breken door soevereiniteit te ‘nationaliseren’. Door een krachtige nationale overheid die de mogelijkheid heeft om de markt de wil op te leggen. Zou het versterken van de andere manieren waarop we in onze behoeften kunnen voorzien ook een optie kunnen zijn? En dan vooral van de tweede manier, het huishouden maar dan wel het huishouden als groep, dorp of clan of om het in moderne termen te gieten, als gemeenschap. Door nieuwe ‘meenten’, gemeenschappelijke samenwerkingsverbanden in het leven te roepen of door oude weer tot leven te wekken? Nieuwe ‘meenten’ waarmee we ons onafhankelijk maken van de markt en de grote bedrijven die daar de scepter zwaaien. De manier waarop onze voorouders de stroom, gas en watervoorziening vormgaven. Die richtten daarvoor gemeentelijke bedrijven op die ervoor zorgden dat iedereen in de gemeente deze producten tegen dezelfde voorwaarden kreeg. Door bijvoorbeeld energie-, zorg- en voedselcoöperaties op te richten. Door via broodfondsen ons met elkaar te verzekeren tegen tegenslag. Door deze en andere zaken te regelen in corporaties waar alle deelnemers lid van zijn en in mee kunnen beslissen en die corporatie kan ook een gemeente zijn. Door veel meer gemeenschap te worden en minder consument. Door meer wij en minder ik

Door niet de soevereiniteit terugwinnen, maar deze uit te oefenen.

1 Dani Rodrik, The Globalization Paradox. Democracy and the Future of World Economy, pagina 200-205

2 Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412.

Uitgelicht

Crypto: second cousin to Harvey the Rabit

‘Alles van waarde is weerloos’. Een regel uit een gedicht van Lucebert. Ik moest eraan denken toen ik in de Volkskrant een artikel van Bram Vermeulen las over ‘crypto-mijnen’ in Ethiopië. In het artikel speelt de uit het Noord-Hollandse Wormeerveer komende Nick Quivooy de hoofdrol. Ik moest aan Lucebert denken en aan het boek Slow Down van de Japanse filosoof Kohei Saito. In dat boek spreekt Saito over het verschil tussen use value, gebruikerswaarde en value de geldelijke waarde van zaken.

Twintig cryptobedrijven uit vier continenten zijn in een zoektocht naar goedkope stroom in Ethiopië neergestreken. Chinezen, Russen, Amerikanen, Venezolanen, Nederlanders. Ze komen in een lange traditie van avonturiers op zoek naar fortuin in Afrika. Moderne David Livingstones. ‘Ethiopië is hot. Trending in de cryptowereld’, zegt Quivooy. ‘We betalen hier nog geen 10 procent van de prijs in Nederland.’ In zijn universum, planeet bitcoin, is goedkope stroom kassa.” Aldus het artikel. En iets verder het contrast: “In Ethiopië heeft de helft van de inwoners geen stroom aan huis.” En: “Twintig miljoen Ethiopiërs hebben dringend voedselhulp nodig, als gevolg van de conflicten binnen en over de grenzen. Miljoenen anderen zijn ontheemd en zitten door het stopzetten van USAID door de regering-Trump ook zonder hulp.”

Maar, aldus Quivooy zichzelf een veer in zijn achterste stekend: “Ik ben wel van mening dat de infrastructuur die we opbouwen juist kan bijdragen aan het aanleggen van stroom. Ook voor de bevolking.”En hij is niet de enige: “Bitcoin: een duurzame oplossing voor minder Amerikaanse ontwikkelingshulp voor Ethiopië.’ Een voormalig Irak-veteraan uit de VS, Robert Luft, neemt het woord. ‘We zijn ons er allemaal van bewust dat de ontwikkelingshulp uit rijke landen wordt gestopt. Bitcoin kan een katalysator zijn, een kans voor Ethiopië en andere Afrikaanse landen om hun natuurlijke bronnen in geld om te zetten. Dit moet gebeuren. Dit is het moment voor bitcoin.’”

Use value, gebruikswaarde, zo spreekt Saito Karl Marx na: ‘”Indicates the quality in something – for example, air or water- that satisfies a human need of desire.” Wat is de gebruikswaarde van crypto’s zoals de bitcoin? Ik kan het niet eten of drinken. Ik kan er geen huis mee bouwen. Ik kan me er niet aan warmen. Ik kan me geen probleem voorstellen waarvoor het een oplossing is. Het is, zo lees ik ook in het artikel: “een geloof, een ideologie.” En net zoals alle geloven is het, om de al genoemde Marx aan te halen, opium van het volk. Het is iets dat de mens zelf heeft gecreëerd. Maar daar waar een geloof tot doel heeft de mens in een roes te brengen om het aardse leven draaglijk te maken of om Marx te parafraseren, om de ‘arbeidersklasse dom te houden zodat ze zich makkelijk laat uitbuiten’, zie ik niet dat de crypto een dergelijke capaciteit heeft. Zelfs al betaalmiddel is het uiterst gemankeerd. Daar waar de Euro ook een fysieke vorm heeft die je in je ‘overlevingspakket’ kunt stoppen om drie dagen te overleven, zoals het huidige kabinet ons adviseert, lukt dat met een bitcoin niet. Bij stroomuitval, zoals recent in Spanje en Portugal, heb je niets aan je ‘crypto -wallet’. Crypto’s: “don’t exist outside a market economy,” ze worden alleen: “Measured in money. They’re based on calculating the ‘value’ of commodities,”om Sato beschrijving van value aan te halen1. Bitcoin is: “a phantom, an apperition. Second cousin to Harvey the Rabbit,” om een quote van Andy Dufresne gespeeld door Tim Robbins uit de film The Shawshank Redemption, aan te halen.

Maar die achterneef van Harvey het konijn verbruikte in 2023: “volgens de Cambridge Bitcoin Electricity Consumption Index (CBECI) tussen de 80 en 120 TWh (terawattuur) doorheen. Dat is omgerekend maximaal 120 miljoen kWh. Vergelijkbaar met wat ons eigen landje of een land als Argentinië in een heel jaar verbruikt aan elektriciteit!2En dat is een: “een doelbewuste ontwerpkeuze. Het is een feature, niet een bug,” zo is te lezen op de site Bitcoin.nl. Die elektriciteit is nodig om ingewikkelde puzzels op te lossen. Die elektriciteit kan ook voor iets met nut, met use value, gebruikt worden. In het geval van Ethiopië bijvoorbeeld de helft van de bevolking die nog niet op het elektriciteitsnet is aangesloten ermee van stroom voorzien, zodat ze op stroom kunnen koken en niet meer op hout.

Maar dat niet alleen. Om die puzzels op te kunnen lossen zijn computers nodig. In het geval van Quivooy: “de veertienhonderd computers die onder een dak van golfplaten staan te puffen in een walm van warme lucht.”In die computers zitten kostbare grondstoffen verwerkt zoals goud, platina en palladium. Computers en dus ook grondstoffen die ook voor iets anders dan het oplossen van puzzeltjes, iets met nut of use value gebruikt kunnen worden.

Bitcoin is geen ‘katalysator’ en ook geen ‘kans’ voor Ethiopië, noch voor enig ander land. Het is een zeer kostbaar en energieverslindend speeltje ter bevrediging van een ‘kriebel’ van een enkeling. Het is nog minder dan die containers vol met ‘hebbedingetjes’ die Ali-express en al die andere Chinese webwinkels, deze kant op sturen omdat wij heel graag in een paar tellen onze ‘shopbehoefte’ willen bevredigen. Minder omdat je die ‘hebbedingetjes’ tenminste nog even vast kunt houden. Even, voordat ze van ellende uiteen vallen. Net zoals met die containers met hebbedingetjes’ zijn crypto munten zoals bitcoin iets waar we als mensheid snel mee moeten stoppen. Het levert niets op. Het levert ‘value’ zonder ‘use’ voor enkelen op tegen zeer grote kosten. Een goed elektriciteitsnetwerk aanleggen in Ethiopië kan veel beter zonder de verspillende crypto mijnbouw.

1Kohei Saito, Slow Down. How Degrowth Communism Can Save the Earth, pagina 157

2Bron: https://www.anwb.nl/energie/energieverbruik/hoeveel-stroom-verbruikt-bitcoins-minen

Uitgelicht

Weer wereldkampioen worden

“Nederland was ooit de wereldkampioen in weg- en waterbouw dankzij de Zuiderzee- en Deltawerken.” Dit schrijft Peter de Waard in een column in de Volkskrant. “Maar die glorietijd is allang voorbij,” Zo kreeg: “ProRail geen enkele inschrijving (…) op de aanbesteding van de vernieuwing van de economisch zo belangrijke Betuweroute. Aannemers vinden het spoorproject te complex en te risicovol. De enige oplossing is het project nu maar in stukjes op te knippen en die allemaal apart uit te gaan besteden.”De oorzaak: “Overheden werden steeds handiger in het tegen elkaar uit spelen van aannemers bij aanbestedingen. Nu haken ze massaal af.” Zou dat werkelijk te oorzaak zijn?

De Oosterschelde dam. Bron: Flickr

Even een stukje geschiedenis. Net zoals we de burgerlijke stand aan Napoleon te danken hebben, is ook Rijkswaterstaat een product van de ‘kleine keizer’. In 1798, toen Lodewijk Napoleon, de jongere broer van Napoleon, koning van Nederland was, richtte hij het Bureau voor de Waterstaat op. Dit bureau kreeg als belangrijkste taken de aanleg, beheer en onderhoud van rivieren, kanalen, waterkeringen en polders. Die naam bleef bestaan tot 1848 toen de organisatie werd hernoemd tot Rijkswaterstaat. Die taak werd in de loop van de negentiende eeuw uitgebreid tot het ontwikkelen van het spoornet en de aanleg en het onderhoud van wegen en bruggen. Tussen 1820 en 1880 was de organisatie zelfs Rijksbouwmeester en dus verantwoordelijk voor het ontwerpen van overheidsgebouwen en andere gebouwen met een openbare functie.

Dat Nederland ‘wereldkampioen in weg- en waterbouw’ was, zoals De Waard schrijft, was de verdienste van Rijkswaterstaat. De dienst was het kenniscentrum voor weg- en waterbouw. De organisatie was, zoals ze het zelf schrijven: “allesbepalend in infrastructurele werken.” Dat is de organisatie allang niet meer want vanaf de jaren zeventig verandert de rol van de organisatie van: “van bouwer naar beheerder en van maker naar manager.” Dat houdt in dat: “De regie van een project, zoals het aanleggen of onderhouden van een weg of viaduct, (…) in handen (blijft) van Rijkswaterstaat. De uitvoering daarentegen is zo veel mogelijk in handen van de markt.1

Gevolg hiervan is dat de organisatie geen kenniscentrum meer is en de kennis is vervlogen. Die is nu versnipperd over architectenbureaus, bureaus van bouwkundigen, aannemers en andere bedrijven die hier een rol in spelen. En aangezien deze bedrijven zich ook beperken tot hun ‘kerntaken’ zijn dat veel verschillende organisaties tot en met zzp-ers en uitzendbureaus voor goedkoop personeel toe.

De Waard: “Als zich maar één gegadigde meldt is dat slecht voor de concurrentie en innovatie. En als niemand zich meer meldt, zal moeten worden uitgeweken naar het buitenland, met het risico dat Nederland zijn kennis op het gebied van weg- en waterbouw kwijtraakt. Bouwbedrijven zouden de durf moeten tonen zich in te schrijven bij aanbestedingen. En overheden moeten beseffen dat in de uiteindelijke prijs ook de risico’s zijn ingecalculeerd.”Of zou het helpen om Rijkswaterstaat weer tot dat kennisinstituut te maken en van beheerder en manager weer bouwer en maker? In het verleden werkte dat heel goed en was Nederland ‘wereldkampioen’.

1 Alle informatie over de geschiedenis en het heden van Rijkswaterstaat is afkomstig van de site van de organisatie https://www.rijkswaterstaat.nl/over-ons/onze-organisatie/onze-historie

Take Back Control

Op LinkedIn stootte ik op een bericht van Ewoud Engelen. Een bijzonder bericht naar aanleiding van een interview dat hij had gedaan met de Duitse socioloog Wolfgang Streeck. Het bericht eindigt met de woorden: “En dus wordt het tijd to take back control” De slogan waarmee Boris Johnson zijn Brexit-campagne voerde. Een bijzonder bericht met een wel erg bijzondere manier van redeneren. Een manier waarbij ik moest denken aan het ‘nostalgisch nationalisme’.

In het boek betoogt Streeck dat het tijdperk van de hyperglobalisering met de terugtocht van de VS (duidelijk zichtbaar onder Trump) ten einde is en dat de Europese elites er goed aan doen te erkennen dat hun poging om de natiestaat te vervangen door iets anders (van government naar governance) mislukt is. En altijd al (always already) tot mislukken gedoemd was.”Aldus Engelen en hij vervolgt met: “Niet alleen leidt governance per definitie tot slecht bestuur omdat centraal beleid nooit rekening kan houden met lokale verschillen. … Ook gaat het rucksichtslos voorbij aan de cultureel-historische geworteldheid van burgers. Er bestaan geen Europese burgers. Er bestaan alleen Duitse, Nederlandse en Franse burgers.” Daarom: “zullen er op Brexit onvermijdelijk andere exits volgen en kan alleen op het niveau van de aloude natiestaat democratische politiek gevoerd worden die het mogelijk maakt om uit de greep van het Anglofone kapitalisme te ontsnappen.” En daarvoor biedt: ‘Trump …) een uitmuntende mogelijkheid. Helaas zijn de Brusselse technocraten gespeend van ieder realiteitsbesef en zijn ze gaan geloven in hun pipedream van global governance en in hun eigen voortreffelijkheid, zoals de reacties op Trumps vredesvoorstellen voor Oekraïne overduidelijk illustreren.” Tot zover Engelen.

Nu is er van alles mis met het Anglofone kapitalisme, zoals Engelen het noemt. Ook is er veel aan te merken op de manier waarop de Europese Unie nu functioneert en op de ‘Brusselse technocraten’ die geloven in ‘hun pipedream’. Maar, als centraal Europees beleid nooit rekening kan houden met lokale verschillen, geldt dat dan niet ook voor centraal Nederlands, of Duits beleid en voor centraal beleid in de Verenigde Staten of in India? Sterker nog, het centrale beleid van de gemeente Venlo, kan nooit rekening houden met de specifieke situatie van de bewoners van de kern ’t Ven. Moet ’t Ven dan maar een aparte gemeente worden? Dat zal het door Engelen geconstateerde probleem ook niet oplossen. Centraal beleid van ’t Ven kan nooit rekening houden met de bewoners van de Genraydelweg om maar een (dwars)straat te noemen. Als dit een reden is voor andere ‘exits’ dan zouden dat ook ‘exits’ uit Nederland, Limburg, Venlo, ’t Ven kunnen zijn. Aan die ‘exits’ komt dan pas een einde als iedereen zijn eigen land vormt.

Dan de cultureel-historische geworteldheid van burgers’. Die is ook binnen Nederland divers. Zo zijn er velen achter de Hollandse waterlinie die niets hebben met het cultuur-historische fenomeen Vastelaovend. Mijn vorige prikker toonde dit duidelijk aan. Voor ‘cultureel-historische geworteldheid’ geldt hetzelfde als voor het ‘rekening houden met lokale verschillen’. Van achter de Hollandse waterlinie is mijn geworteldheid met zoals zij het noemen carnaval zuiderlijk. Dat ik spreek en schrijf over Vastelaovend maakt het voor ‘zuiderlingen’ duidelijk dat die geworteldheid Limburgs is. Dat in die vorige Prikker het nummer As de sterre dao baove Staole een rol speelt, maakt duidelijk dat die ‘geworteldheid’ niet Limburgs maar Venloos is. Met Vastelaovend en ons dialect als basis voel ik me meer verwant met Keulen dan met Amsterdam. Als ‘geworteldheid’ basis is van je burgerschap en die niet Europees is, zoals Engelen beweert, dan kun je je ook afvragen of die ‘Nederlands’ is. Als het kleinere, zoals Engelen betoogt, boven het grotere gaat, dan gaat het allerkleinste boven alles. Als ik naar mezelf kijk, dan voel ik me Venloos, Limburgs, Nederlands, Europees en wereldburger. Voor mij sluit het ene het andere niet uit. Op al die niveaus kan democratische politiek worden bedreven. Niet alleen op nationaal niveau.

Terecht bekritiseert Engelen de ‘eigen voortreffelijkheid van de Brusselse technocraten. Het zijn echter niet alleen de ‘Brusselse technocraten’, ook de Nederlandse, Duitse et cetera bestuurders zwelgen in de ‘eigen voortreffelijkheid’ en in het verlengde van die laatsten zwelgt Engelen. Of de natiestaat de enige schaal is: “om uit de greep van het Anglofone kapitalisme te ontsnappen,” is zeer twijfelachtig. Het is zeer te betwijfelen of de Googles en Meta’s, zich laten intomen door Nederlandse besluiten. Als ze dat niet doen, rest alleen hen verbieden en eigen Nederlandse alternatieven ontwikkelen. Als ieder land deze weg volgt dan eindigen we op economisch gebied op z’n Noord-Koreaans. De vraag is of we dan beter af zijn.

Engelen heeft wat dit betreft veel gemeen met Baudet en Wilders. Alle drie verheerlijken zij de natie, zwelgen bij een cultuur-historisch bijeengeraapt verhaal en verlangen terug naar een verleden dat er nooit was, nostalgisch nationalisme. Want wanneer was die tijd dat ‘wij de controle hadden’? Was dat in de door Balkenende verheerlijkte VOC-tijd toen de Amsterdamse Heren Zeventien1 de dienst uitmaakten? Was dat in de bourgeoistijd van de achttiende eeuw die Baudet zo verheerlijkt toen de adel in Europa regeerde en de opvolgers van de Heren Zeventien in Nederland? Of was dat de jaren vijftig van de vorige eeuw toen de kerken de dienst uitmaakten waarnaar Wilders terugverlangt?

1 De zeventien bewindvoerders van de Verenigde Oost-Indische Compagnie

Eerlijk volgens Yesilgöz

Verelendung, een door Karl Marx gemunt begrip waarmee hij de voortdurende verslechtering van de positie van de proletarische klasse bedoelde. Het is het derde in een reeks van vijf stadia van de ondergang van het kapitalisme. Ik moest hieraan denken toen ik VVD-leider Yesilgöz haar plan met de titel De Agenda voor Werkend Nederland[1] hoordepresenteren. Een plan met als ondertitel Omdat het eerlijker moet. Een bijzonder plan, waarbij ik dus aan Verelendung moest denken.

Bron: Flickr

Eerst even Marx en zijn vijf stadia. In het eerste stadium, de concentratie wet, vindt een concentratie van bedrijven. Bedrijven nemen andere over waardoor er steeds minder maar wel steeds grotere bedrijven ontstaan. In het tweede stadium, de accumulatie wet, proberen de overgebleven bedrijven hun bedrijf te laten groeien door te concurreren met de andere overgebleven grote bedrijven. Door die hevige concurrentie verslechtert de positie van de arbeider, het derde stadium, de Verelendung. Het steeds slechter behandelen van de arbeiders lost de problemen van de bedrijven niet op. Uiteindelijk worden arbeiders ontslagen en wordt de sociale ellende nog verder vergroot en zitten we in het vierde stadium, de crisistheorie. En als die crisissen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen, zitten we in het laatste stadium, de ineenstorting van de kapitalistische maatschappij. Nu is Marx een groot wetenschapper een kundige beschrijver en duider van wat hij in zijn tijd zag gebeuren. Met zijn sociale en economische analyse van de negentiende-eeuwse samenleving was niet veel mis. Dat geldt niet voor zijn vermogen om de toekomst te voorspellen. Maar terug naar de VVD.

Ik moest aan Verelendung, verpaupering in goed Nederlands, denken bij het lezen van De Agenda voor Werkend Nederland.  Het plan is, zo is op de site te lezen: “het startschot van de VVD om de middenklasse weer op één, twee én drie te zetten. Een fundamenteel andere waardering van werkende mensen en ondernemers. Een fundamentele keuze om aan de kant te staan van iedereen die iets wil opbouwen en vooruit wil komen.” De middenklasse staat dus centraal. (W)erken moet lonen,” aldus de partij. Wat gaat de partij doen om werken te laten lonen? Twee concrete voorstellen die wat de VVD betreft al in 2026 in moeten gaan. Als eerste de energiebelasting met € 750 miljoen verlagen. Dat is mooi maar niet alleen voor de middeninkomens. Als tweede gaat de toeslag voor kinderopvang fors omhoog. De eerste is een generieke maatregel waar iedereen van profiteert ongeacht de hoogte van het inkomen. Van de tweede maatregel profiteren alleen mensen met kinderen die deze kinderen naar de opvang doen. Heb je geen kinderen dan kost die maatregel je alleen maar geld. Die toeslag moet immers ergens van worden betaald en zoals de VVD terecht constateert, dragen de middeninkomens het grootste deel van de belastinginkomsten. Iemand met een middeninkomen zonder kinderen zal er door deze maatregel op achteruit gaan. Als het doel is om de middeninkomens erop vooruit te laten gaan zijn dit niet de meest effectieve maatregelen. Er is meer.

Bij een goede bestudering van het boekwerk valt op dat de ‘hardwerkende Nederlander’ vooral een ondernemer is. Zo wil de partij een ‘ondernemersakkoord’ waarvoor ze: “Met de machete door het regelwoud” wil gaan. Mogen belastingen voor bedrijven niet omhoog. Wil de partij de salarisdoorbetaling van bij ziekte van die hardwerkende Nederlander met een middeninkomen, verlagen van twee naar één jaar.[2]

“We willen in een koopkrachtwet vastleggen dat werkenden er altijd meer op vooruit gaan dan niet-werkenden,” zo is te lezen op de website. Een bijzondere maatregel. De VVD wil de (midden)inkomens vooruit helpen door, als de lonen stijgen, de mensen met een uitkering er minder op vooruit te laten gaan dan de stijging van de lonen. Voor de werkende met een al dan niet middeninkomen betekent deze wet helemaal niets. Die krijgt geen extra geld in de beurs en aan het lonend zijn van zijn werk, verandert niets. Wat de VVD in haar plan doet, is de positie van de middeninkomens afzetten tegen mensen die het slechter hebben: mensen met een uitkering. De VVD zoekt de ‘verbetering’ van de middeninkomens in een verslechtering van de positie van mensen met een uitkering. De partij wil mensen met een middeninkomen tevreden houden door deze mensen erop te wijzen dat anderen het nog slechter hebben.

Op een slinkse wijze probeert de partij zo een groep buiten beeld te houden en dat is de groep van mensen met hoge inkomens en grote vermogens. Die profiteren net als iedere andere Nederlander maar wellicht nog wat meer dan iedere andere Nederlander, mee van goedkopere energie en meer kinderopvangtoeslag. Voor deze groep gaat werken nog meer lonen. ‘Omdat het eerlijker moet’ legt de VVD de rekening bij mensen met een uitkering.


[1] Het gehele plan is te vinden via de volgende webpagina https://www.vvd.nl/nieuws/agenda-voor-werkend-nederland/

[2] De Agenda voor Werkend Nederland, pagina 32 – 37