… en dingen die voorbij gaan

Na Juliaan van Acker die zoals ik vorige week schreef, de brand van de Notre Dame beschouwt als een ‘ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving, ziet ook Sid Lukkassen bij ThePostOnline een bijzondere betekenis in die toevallige brand: “Dit is een turning point voor West-Europa.”

Bron: Wikipedia

Dat klinkt nogal dramatisch, of zoals Lukkassen het zelf noemt hyperbolisch maar hij legt het uit. “Ik doel op de scheppende levensdrift van een cultuur, de levensfelheid, het bezielende genie. En dat deze creativiteit in elke levensfase van een beschaving op een eigen wijze tot uiting komt. Als een cultuur enkel nog dat kan bewenen wat verloren is gegaan, maar niet meer in staat is om iets van gelijke waarde, kracht en uitstraling terug te scheppen, dan is het klaar.” En daarmee zijn we bij de kern van zijn betoog. Volgens Lukkassen wordt er tegenwoordig niets meer van waarde geschapen: “Wij moderne mensen beschikken over techniek die honderd keer geavanceerder is dan wat de middeleeuwer had, en tóch kiezen wij ervoor om te leven in een wereld van plastic en beton. Waarom? Het is volslagen debiel. En dan de luchtkwaliteit in veel grote steden. Een warme droge lucht, die te lang binnenskamers is gehouden bij de slecht geventileerde gebouwen van de bureaucratie – een lucht die geurt naar machineolie en zweet. Dat is de wasem van Brussel. Waarom omringen we ons met lelijke gebouwen en onfrisse lucht – is het masochisme?” Nee die middeleeuwer deed het veel beter. “De middeleeuwer leefde in een lemen hut maar begreep de waarde van sacraliteit, van vervoering: hij bouwde schrijnen met majestueuze standbeelden en ramen van schitterend glas-in-lood. Hij onttrok zich aan zijn modderige ondergrond en schiep een plaats die hem in contact stelde met het transcendente.”  

Gelukkig is er hoop en staan we op een keerpunt zo betoogt Lukkassen: “Er is geen gegronde reden waarom de esthetische kunsten zich de huidige postmoderne lelijkheidcultus laten welgevallen; ik zie niet in waarom de scheppende kracht van onze cultuur vandaag uitgeput zou zijn – waarom we niet verder komen dan grijze betonconstructies en vergulde drollen..” We staan dus voor de keuze, gaan we door met het bouwen van lelijkheid of ‘voeden we onze scheppende kracht met de historie’, om Lukkassens woorden te gebruiken.

Dat er tegenwoordig veel lelijks wordt gebouwd, kan ik alleen maar beamen. Rij maar eens over willekeurig welke snelweg en bekijk de ‘dozen’ die er staan. Nee, daar is schoonheid ver, of liever gezegd tevergeefs te zoeken. Of neem willekeurig welke Vinex locatie of nieuwbouwwijk. Ook daar is schoonheid de welbekende speld in een hooiberg. Toch is er het nodige af te dingen op Lukkassens betoog.

  Dat de Notre Dame er na zo’n achthonderdvijftig jaar nog staat, maakt het een monumentaal pand. Dat wil echter niet zeggen dat de kerk als monument is gebouwd. Prestige en nut, dat zijn de twee redenen waarom nu monumentale gebouwen ooit zijn gebouwd. Niet om er na achthonderd, zoals de Notre Dame of na tweeduizend zoals bijvoorbeeld het Colosseum in Rome of het Pont du Gare bij Nimes, nog te staan. Het prestige dat je tegenwoordig als stad hebt met de hoogste wolkenkrabber of een op een andere manier bijzonder gebouw zoals een museum, gaf een bijzondere kerk je stad, maar vooral jou als bisschop of landheer, in de Middeleeuwen. Om die reden is de Notre Dame gebouwd, als prestigeproject waarin ook kerkdiensten werden gehouden. Het gebouw moest afstralen op bouwheer Maurice de Sully, de bisschop van Parijs. 

“Het is het beste om zowel de historie in ere te houden als om zélf te creëren in het heden. Het is eigen aan onze decadente tijd dat beide dimensies niet in harmonie zijn,” schrijft Lukkassen. Om de kerk te kunnen bouwen, moest De Sully eerst een monumentale kerk uit de vierde eeuw op die plek afbreken. Als De Sully zich aan dit adagium had gehouden, dan had de Notre Dame er nooit gestaan. Dan was de historie in ere gehouden en had de Sint-Stefanuskathedraal er wellicht nog gestaan.

Van al die prestige objecten van vroeger, hebben er slechts een gering aantal de tand des tijds doorstaan. Brand, oorlog maar ook en vooral nutteloosheid en nieuwe ‘prestigezoekers’ zijn er de oorzaak van dat veel bijzondere gebouwen er nu niet meer zijn.  Je zou zelfs een theorie kunnen poneren dat de reden dat de Notre Dame er nog staat, erin is gelegen dat het katholicisme sinds de Middeleeuwen flink aan belang heeft ingeboet. Had het katholicisme nog steeds dezelfde centrale plek als in de tijd van de bouw, dan zou er tussen toen en nu vast wel een bisschop of landheer zijn geweest die de kerk had gesloopt om er een nieuwe, nog grootsere te laten bouwen. 

Bron Wikimedia Commons

Wij kunnen zoveel, maar hebben onze Europese eigenwaarde verloren – de trots is weg: de scheppende kracht wordt niet gevoed door appreciatie voor onze geschiedenis.” Zo betoogt Lukkassen. Is het werkelijk zo somber met ons gesteld als Lukkassen beweert? Zou het niet kunnen dat er ook tegenwoordig monumentale panden worden gebouwd? ‘Zelf gecreëerd’ zoals Lukkassen het noemt? Alleen weten we nu nog niet dat ze ‘monumentaal’ zijn, wellicht weten de kleinkinderen van onze kleinkinderen dat. Van alles wat er nu is gebouwd, staat dan nog maar een klein deel overeind. Al die ‘lemen hutten’ van de Middeleeuwers staan er nu niet meer en zo zullen die ‘dozen’ en ‘vinex locaties’ er over honderd jaar ook niet meer staan, net als een flink deel van die wolkenkrabbers. Het kleine deel van de gebouwen dat men in de tijd tussen nu en dan de moeite van het behouden waard vindt en vooral dat een nuttige functie vervult zoals wellicht het Sidney Opera House of het Guggenheim in bijvoorbeeld Bilbao. Maar vast ook enkele gebouwen die nu niet eens opvallen. 

Trouwens, kan die scheppende kracht niet alleen maar zijn werk doen als er geregeld wat geschiedenis wordt vernietigd? Immers niet alle geschiedenis is monumentaal en het ‘uitwissen’ van die geschiedenis maakt ruimte voor de toekomst. Alleen de geschiedenis, de oude gebouwen die een plek in de harten van de mensen verovert, wordt monumentaal de rest is … voorbijgaand. 

Patriotisme en een tweede stuk vlaai

“De brand van de Notre-Dame kunnen we zien als een ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving.” Dit beweert Juliaan van Acker bij ThePostOnline. Ja, dezelfde persoon die, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, beweert dat democratie een protestants-christelijke uitvinding is. Volgens emeritus hoogleraar Van Acker komt dat omdat: “Het ontbreekt aan trots, aan verbondenheid, aan verantwoordelijkheidsgevoel.”

Bron: wikipedia

Van Acker constateert dat we nog niets kunnen zeggen over de oorzaak om er vervolgens op los te speculeren. Van Acker: “Het ligt voor de hand dat de arbeiders uitermate voorzichtig moeten zijn met hun gereedschap en bij het verlaten van de werf alles goed moeten controleren. De werfleider moet een extra inspectieronde doen en het eerste uur na het vertrek van de arbeiders de werf extra in de gaten houden. De aannemer moet ervoor zorgen dat de hele nacht door er bewaking is, vooral omdat het hier gaat om een gebouw van onschatbare waarde en een icoon van de Europese cultuur. De burgemeester moet de brandweer opdracht geven om elke dag na te gaan of de aannemer zich aan de afspraken houdt.” Zo zou het volgens Van Acker moeten, maar dat is niet gebeurd omdat de juiste motivatie ontbrak: “motivatie (heeft) alles te maken (…) met trots, met verbondenheid, met zich verantwoordelijk te voelen voor de erfenis van onze voorouders en misschien ook wel met respect voor de religieuze gevoelens van de miljoenen mensen die ons zijn voorgegaan en van diegenen voor wie de Notre-Dame een geliefde plek is voor bezinning en gebed.” En die ontbreekt, zo concludeert Van Acker. 

Volgens Van Acker kunnen we de brand: “zien als een ijkpunt voor de aftakeling van de Europese beschaving. Het is niet meer ons Europa. De Fransen mogen geen Fransen meer zijn. President Macron zegt dat de Fransen nu samen de kathedraal weer moeten opbouwen, maar zijn politiek ondermijnt juist het gevoel Fransman te zijn. Alle grenzen moeten open. Iedereen is welkom. Dat alles in naam van de portemonnee, want wat is de Europese Unie meer dan een economische macht? Het is niet alleen de Notre-Dame die vernietigd wordt, maar de vervuilde lucht door het autoverkeer in de steden, tast alle monumenten aan. Niemand voelt zich daarvoor verantwoordelijk. De hebzucht en het consumentisme tast alles aan, ook de ziel van de Europeaan.”

Gelukkig biedt Van Acker ook de oplossing voor dit gebrek aan verbondenheid. “De oplossing voor het gebrek aan verbondenheid en verantwoordelijkheidsgevoel ligt in het patriotisme. Elk land moet een eenheid vormen van mensen die een cultuur, een geschiedenis en, – ik durf ook te beweren-, een religie met elkaar delen. Dus geen multiculturele samenleving, geen Europese Unie, maar een Europese Confederatie van landen die hun eigenheid, hun tradities en hun geloof koesteren.”

En daarmee zijn we aanbeland bij de echte schuldigen. De anders- en ongelovigen want die passen niet bij die eenheid van godsdienst. Maar wie zijn dan in Nederland die ‘andersgelovigen’? Zijn dat de protestanten of katholieken? De remonstranten, de wederdopers, de oud katholieken? De hindoes, boeddhisten, moslims of joden? Wie hoort er niet bij? Welk verhaal vertelt dan die gedeelde geschiedenis? Is dat het verhaal van de Hollandse of Zeeuwse kooplui die de wereld introkken en gebieden veroverden, handel monopoliseerden en slaven vervoerden? Of is dat het verhaal van de nu binnenlands ‘koloniale gebieden’ Limburg en delen van Brabant? Welke cultuur wordt er gedeeld. Is dat het zuinige protestantse koekje bij de koffie of thee of het tweede royale stuk vlaai in Limburg?

Of de Franse burgemeester de brandweer onvoldoende liet controleren, de opzichter goed toezag, de bewakers goed bewaakten en de arbeidslui goed en zorgvuldig werkten, weet ik niet. Ik ga er vanuit dat er ook in Frankrijk regels voor zijn en dat die regels naar eer en geweten worden nageleefd. Dat ook Franse werklui kwaliteit willen leveren. Dus dat die motivatie wel in orde is. Al dit kan echter niet voorkomen dat er een ongelukje gebeurt. Dat er bijvoorbeeld kortsluiting ontstaat en daardoor eeuwenoude en zeer droge balken vlam vatten. 

Dat hebzucht en consumentisme de ‘ziel van de Europeaan’ aantasten, zou best voor een deel waar kunnen zijn. Je kunt je echter wel de vraag stellen of die ‘hebzucht’ niet een gevolg is van de cultuur. De socioloog Max Weber zag Van Ackers geliefde protestantisme aan de basis staan van het kapitalisme. In zijn boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme betoogt Weber dat de protestantse ethiek van hard werken de ontwikkeling van de vrije markt juist heeft bevorderd. Om het cru te zeggen, leefden de protestanten om te werken. Luiheid is immers des duivels oorkussen. Alhoewel cru, tegenwoordig lijkt deze opvatting algemeen aanvaard. En die vrije markt heeft geleid tot het consumentisme. Als Weber gelijk heeft, dan is Van Acker een homeopaat die het consumentisme wil bestrijden door het bloot te stellen aan de ‘ziektekiem’: het protestantisme. Dat veroorzaakt echter geen brand in een kathedraal. Daar is toch echt vuur voor nodig.

Trouwens, met dat ‘patriotisme’ die verbondenheid en het verantwoordelijkheidsgevoel van de Fransen lijkt het wel snor te zitten. Een paar dagen na de brand is er al zo’n miljard euro verzameld voor de renovatie.

Verdwalen tussen de kruispunten

In-ter-sec-tio-na-li-teit. Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” De eerste zin van een artikel van Seada Nourhussen bij Oneworld. “ Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse).Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken. 

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. 

Bron: Wikipedia

Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft dan de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel; “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  

Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. 

Hoeveel zin heeft het om alle energie te verspillen aan indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.

Zou dat ‘ontmoeten’ niet veel makkelijker worden als er niet wordt verdeeld maar verbonden? Als er niet gezocht wordt naar verschillen, naar die kleine stukje, maar naar het geheel? Dat geheel heet mens en het streven wat al die verschillende groepjes delen is dat ze gelijk willen worden behandeld en gelijke kansen willen hebben in de wereld. Als dat de gemeenschappelijke deler is, waarom dan eerst verdelen en vervolgens elkaar proberen te vinden op kruispunten? Dan kan alle energie worden gericht om dat doel van een betere wereld te bereiken. 

“Daarom is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen,” schrijft Nourhussen. Ik denk inderdaad dat het cruciaal is. Cruciaal om ermee te stoppen zodat we niet verdwalen tussen de kruispunten, maar elkaar vinden in het geheel.

Zwarte mis

“Het nazisme en het communisme zijn producten van het moderne Westen. En dat geldt ook voor de radicale islam, al wordt dat laatste ontkent door zowel de aanhangers daarvan als de westerse publieke opinie.”  De eerste zin op pagina 102 van de paragraaf Terreur en de westerse traditie van het boek Zwarte Mis. Apocalyptische religie en moderne utopieën geschreven door de filosoof John Gray. Aan die zin moest ik denken na de gebeurtenissen in Christchurch in Nieuw Zeeland. 

Eigen foto

Aan die zin moest ik denken toen ik de reacties van Elsevier-lezers las op de stelling van de dag “Moskeeën moeten worden beschermd tegen aanslagen”. Reacties zoals van ene Thomas Jolly: “Wie kaatst kan de bal verwachten… nee dus!” Of van Joey France: “De vraag is begrijpelijk gezien de onmenselijke daad en de ermee samengaande emoties. Maar zijn de moslims niet zelf de aanleiding? Overal waar deze “religie” zich aandient is de sociale rust finaal afgelopen en is integratie met de plaatselijke bevolking verboden, tot en met dreiging met de doodstraf. Toch niet zo raar dat de “andere kant” ook zijn gekken heeft lopen. Neen op de stelling.” Of Vero Truth: “Dit soort aanslagen was, hoe verschrikkelijk ook, te verwachten. Wie haat zaait zoals de moslimextremisten krijgt op een gegeven moment een reactie. Nu niet gaan piepen. Extra bescherming voor moskeeën lijkt me niet nodig.” Reacties gebaseerd op ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’. Waarbij het onderscheid is gebaseerd op godsdienst en waar iedere daad van iemand met de godsdienst van ‘ZIJ’ een daad is van de hele groep. 

Ik moest denken aan die zin en het betoog van Gray toen ik een artikel van Han van der Horst bij Joop las. Van der Horst concludeert dat: “Branton Tarrant (de schutter van Christchurch) is niet zomaar een monster. Hij is ons monster.” Ons monster want: “Het is de resultante van het populistische vertoog dat het maatschappelijk denken in het Europa van deze eeuw zo verontreinigt. Tarrant is gegrepen door de ideologie die zondebokken aanwijst in plaats van dat zij oplossingen biedt voor de vele maatschappelijke kwalen in onze maatschappijen.” De schutter die ook denkt in ‘WIJ’ en ‘ZIJ’ en die ‘ZIJ’ als een bedreiging ziet. ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’ kenmerkt ook het wereldbeeld van IS en Al Qaida. 

Gray onderbouwt die eerste zin door de oorsprong van het denken van de vader van de radicale islam, Sayid Qutb, te bestuderen. Gray: “Qutbs idee van een revolutionaire voorhoede die zich volledig zou wijden aan de omverwerping van corrupte islamitische regimes en het stichten van een samenleving zonder formele machtsstructuren, ontleent niets aan de islamitische theologie en zeer veel aan Lenin. Qutb beeld van revolutionair geweld als een zuiverende kracht heeft meer gemeen met de denkbeelden van de jakobijnen dan met die van de twaalfde-eeuwse Hasjisjin.” Qutb en daarmee de politieke islam als een verre nazaat van de Franse revolutie.

Volgens Gray is het gebruik van geweld om een nieuwe wereld te scheppen geen erfenis uit de zevende eeuw, maar haakt het aan bij het modere Westen. “Het gebruik van de term ‘islamofascisme’ verduistert het zicht op de veel verder rijdende schatplicht van de radicale islam aan het westerse denken. het waren niet alleen de fascisten die geloofden dat geweld een nieuwe samenleving kon voorbrengen. Dat geloofden Lenin en Bakoenin ook, en de radicale islam zou dan ook net zo goed ‘islamoleninisme’ of ‘islamoanarchisme’ genoemd kunnen worden.” De grootste verwantschap ziet Gray echter met: “de non-liberale theorie van de volkssouvereiniteit die werd uitgedragen door Rousseau, en die tijdens de Franse Terreur door Robespierre in praktijk werd gebracht; de radicale islam zou dan ook het best omschreven kunnen worden als ‘islamojakobinisme.” 

Het ‘martelaarschap’ door het plegen van zelfmoordaanslagen, kent volgens Gray geen islamitische wortels: “De Hasjisjin richtten zich op het vermoorden van heersers die naar hun mening waren afgeweken van het rechte pad van de islam, maar geloofden niet dat terreur kon worden aangewend ter vervolmaking van de mensheid, en al evenmin beschouwden ze het plegen van zelfmoordaanslagen als teken van persoonlijke zuivering.” Het is, volgens Gray een recente ‘uitvinding’ met westerse wortels. Een ‘uitvinding’ van de voorganger van Ayatolla Khomeini, Ali Shariati die: “beriep zich op een idee van existentiële keuze die is ontleend aan Nietsche.”

Volgens Gray is de radicale islam: “een moderne ideologie, maar ook een millennialistische beweging met islamitische wortels.” Millennialisme, het geloof in de komst van …  is een kenmerk van monotheïstische godsdiensten. Bin Laden maakte hier, volgens Gray, gebruik van door zich te profileren als ‘profeet-leider. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, ging hierin nog een stap verder en riep het kalifaat uit en zichzelf tot kalief.  

Tot zover de radicale islam. Nu het Westen dat zich, zo schrijft Gray en als je de politieke en publieke opinie mag geloven dan heeft hij gelijk, definieert: “in termen van liberale democratie en mensenrechten.” Door deze definitie te gebruiken lijkt het alsof: “de totalitaire bewegingen van de vorige eeuw geen deel uitmaakten van het Westen.”  Volgens Gray een misvatting want die vormden: “ in werkelijkheid juist een hernieuwing van enkele van de oudste westerse tradities.” Welke tradities? Gray: “als er ‘iets’ is wat ‘het Westen’ definieert, dan is dat het nastreven van een verlossing in de geschiedenis. Datgene waarin de westerse beschaving zich onderscheidt van alle andere wordt niet zozeer gevormd door haar tradities van democratie en verdraagzaamheid, als wel door haar historisch teleologie, dat wil zeggen: door haar geloof dat de geschiedenis een inherent doel of bestemming heeft.” Dit geloof heeft tot vernietigende oorlogen en verschrikkelijke misdaden in concentratiekampen en goelags geleid. 

Nu zijn dergelijke massamoorden niet specifiek westers. In vroeger tijden werden er vaker wreedheden begaan en massa’s mensen vermoord. Dzengis Khan wist wat dat betreft ook van wanten. Wel specifiek voor het moderne Westen is volgens Gray: “de bepalende rol van het geloof dat geweld de wereld kan redden.” Dit specifiek westerse tintje heeft de radicale islam overgenomen. Dat is niet zo vreemd omdat het Westen en de islam elkaar al sinds de zevende eeuw beïnvloeden.

Zou de echte scheiding tussen ‘WIJ’ tegen “ZIJ” niet worden gevormd door het ‘geloof’ dat geweld de wereld kan redden?Schutter Tarrant deelt het geloof dat geweld de wereld kan redden met zijn tegenstrevers de radicale islamieten. Zij hangen de ‘zwarte mis’ aan om de titel van Gray’s boek te gebruiken. Zij hangen apocalyptische religies aan en jagen utopische visioenen na. Ik hoop dat ik met velen het geloof deel dat geweld de wereld niet redt.

Beste Tanya Hoogwerf

Bij toeval stootte ik op uw schrijven op de site Opiniez alwaar u zich druk maakt over een islamitische begraafplaats in Rotterdam. Ik begrijp dat u zich grote zorgen maakt over: “Ongewenste buitenlandse financiering” van deze begraafplaats want: “Wat ermee wordt gekocht is macht en invloed. Dat zal onvermijdelijk zorgen voor een grotere afstand tot de Nederlandse samenleving en de deur verder openen voor een nog sterkere groei van het salafisme in Nederland.” Na het lezen van uw schrijven moet mij toch wat van het hart.

Bron: jacqueline macou via Pixabay

Laten we bij het begin beginnen, uw eerste zin: “Nederland is een land met een joods-christelijke cultuur.” Joods en christelijk, twee woorden die vaak in combinatie worden genoemd met het woord cultuur. Bedoelt u hiermee de afkeer van het joodse die eeuwenlang een belangrijk onderdeel van de christelijke cultuur vormde? Trouwens, onderling wisten die christenen elkaar ook goed uit te moorden. Nee, ik krijg geen positieve gevoelens bij ‘joods-christelijke cultuur’.

Dan uw tweede alinea: “Weinig andere godsdiensten eisen namelijk zoveel – openbare – ruimte op. Waar anderen gebruikmaken van de vrijheid van godsdienst door een plek voor zichzelf achter de voordeur te creëren om hun geloof te belijden, is dat nooit genoeg voor de Dawah-isten van de politieke islam. Zij willen dat de islam zich manifesteert in de buitenruimte, binnen openbare instellingen en in het meest extreme geval binnen de overheid en de rechtspraak.” Pardon? Als ik door Nederland wandel dan zie ik allerlei openbare manifestaties van christelijke aard. Is het ‘achter de voordeur’ zitten van die andere godsdiensten een bewuste keuze? Ook zie ik het christelijk geloof terug bij allerlei officiële zaken. Neem de gelofte die gekozen politici afleggen en de aanhef bij iedere wet. 

Over naar die begraafplaats. De: “Joodse begraafplaatsen (die) al honderden jaren oud zijn (de eerste is gesticht in 1612) en (die) dus onderdeel zijn van onze geschiedenis en deel uitmaken van de joods-christelijke cultuur,” zijn geen probleem voor u, voor mij trouwens ook niet. Een islamitische begraafplaats hoort daar, zo begrijp ik u, niet bij. Toch wonen er islamieten met dezelfde rechten en plichten. U weet wel de “scheiding tussen kerk en staat,” die de overheid moet handhaven, die geldt ook voor islamieten. Ik begrijp dat u hen dezelfde rechten als anderen wilt ontzeggen, namelijk een laatste rustplaats vinden op een kerkhof van de eigen religie. Zij moeten maar een plek vinden op: “de eeuwige plaatsen die nu al beschikbaar zijn op diverse begraafplaatsen in de stad.”

Even een vraagje tussendoor. Hoe lang duurt het voordat islamieten wel tot de Nederlandse cultuur behoren en eigen begraafplaatsen mogen hebben? 

Geen eigen islamitische begraafplaats want: “Anders dreigt Rotterdam met zijn al ruim 45 islamitische instellingen en moskeeën in de stad, nóg een stuk islamitischer te worden.” Hebt u al eens geteld hoeveel christelijk instellingen en kerken uw stad rijk is? Geen eigen omdat: “dit een project is waarbij weer volstrekt duidelijk is dat het geld gaat kosten en waar volstrekt onduidelijk is waar dat geld vandaan gaat komen.” En met dat geld koopt die ‘buitenlandse partij’ invloed en macht. Immers: “De missie van grote charitatieve instellingen uit Arabische landen is bedoeld om de positie van de islam in westerse landen te verstevigen.”

Kent u de geschiedenis een beetje? Zo’n honderdvijftig jaar geleden waren betogen als de uwe ook al te horen. Alleen dan gericht tegen katholieken. Die gehoorzaamden immers een ‘vreemde macht’ die in het Vaticaan huist. Een vreemde macht die haar invloed probeerde te vergroten en die niet te vertrouwen was. Daarmee waren ook alle katholieken niet te vertrouwen. Bovendien zou het niet lang duren dan zouden de katholieken een meerderheid gaan vormen. Ze fokten immers als konijnen. En over ‘missie’ gesproken, wist u dat ook uw geliefde christelijke kerken de missie bedrijven? Vroeger werden er paters, broeders en zendelingen de wereld ingestuurd. Allemaal gingen ze op pad om het woord van hun god te verkondigen en de positie van hun deel van het christelijke geloof te versterken. Daarin verschillen zij in niets van die islamitische charitatieve instellingen. 

Beste mevrouw Hoogwerf,  als u werkelijk ‘buitenlandse invloed’ wilt voorkomen, waarom stelt u dan niet voor om die begraafplaats uit de gemeentelijke kas te bekostigen? 


Zwijgen over de ander

Integratie van ‘nieuwkomers’ in de Nederlandse samenleving is een belangrijk item en onderwerp van menig discussie. Van die nieuwkomer wordt verwacht dat hij zich aanpast en gaat ‘doen als wij doen’. Het inburgeringsexamen is erop gericht om de nieuwkomer te leren hoe wij hier doen en handelen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij deelneemt aan het verenigingsleven, contact zoekt met anderen in dit land en actief wordt in zijn buurt. In die discussie wordt benadrukt dat die nieuwkomer anders is en afwijkt van ‘de norm’. Is al die nadruk op dat inburgeren en het ‘worden zoals wij’, als al duidelijk is wie die wij zijn, wel verstandig? 

Eigen foto

Ik stel die vraag omdat ik halverwege het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst van de socioloog Richard Sennett ben. Hoe het ‘afloopt’ kan ik jullie nog niet vertellen. Dat komt vast nog wel een keer. Zo ongeveer op de helft, op pagina 182, constateert Sennett iets waarbij ik aan het Nederlandse beleid over integratie en inburgering moest denken. Sennett: “Meer in het algemeen kun je zeggen dat gemengde gemeenschappen alleen goed functioneren als het bewustzijn van de Ander niet al te zeer op de voorgrond staat. Als het door een bepaalde gebeurtenis wel op de voorgrond komt te staan, wordt de last van het anders-zijn sterker gevoeld en kan het wantrouwen intreden.” 

Zwijgzaamheid baart vertrouwen, aandacht versterkt wantrouwen, constateert Sennett. Dat ergens de nadruk op leggen betekent dat het gaat opvallen, klinkt niet vreemd in de oren. Als de nadruk wordt gelegd op die ‘roze olifant’ al is het maar door te zeggen dat je er niet op moet letten, ga je er juist op letten. Zou Sennett een punt hebben? 

Als dat zo is, zouden we dan met al die aandacht en nadruk op inburgering en integratie niet juist het paard achter de wagen spannen? Door erop te hameren, worden we ons bewust van het ‘anders’ zijn van de nieuwkomer. Leidt dit beleid er niet toe dat verschillen worden uitvergroot? Zou dat dan niet alleen voor de nieuwkomer gelden maar ook voor ‘niet nieuwkomers’ die ‘anders’ zijn dan de norm?

Zwijgzaamheid baart vertrouwen,” schrijft Sennett. Zwijgzaamheid en wat hij het “oppervlakkig ritueel” noemt: “Je vraagt de buurman hoe het met hem gaat, ook als je het niet zo nodig hoeft te weten. Je doet het als teken van erkenning.” Zullen we het eens gaan doen: zwijgen over de ‘ander’ en oppervlakkige gesprekken met elkaar voeren?

Wat was en IS (deel 4)

Vandaag het vierde en laatste deel in de serie Wat was en IS. Wilt u eerst de andere delen lezen? klik hier voor deel 1, deel 2 en deel 3.

Devaluatie van onze waarden

Naast het gesol in het Midden-Oosten is er nog iets wat kan hebben bijgedragen aan de opkomst van op de islam geïnspireerd terrorisme. Het Westen met als leider de Verenigde Staten zag en verkocht zich als de verspreider van vrijheid, mensenrechten en democratie. Van een open en transparante samenleving. Tot zover de theorie. In de praktijk werden en worden regimes en dictators ondersteund die zich aan die mensenrechten en de democratische waarden weinig gelegen laten. Neem bijvoorbeeld de ‘beste bondgenoot’ van de VS in het Midden-Oosten: Saoedi-Arabië. Een autoritair koninkrijk waar het met de vrijheden slecht is gesteld, waar aan slavernij verwante praktijken nog redelijk gebruikelijk zijn en waar tegenstanders het risico lopen om ‘na een kleine onenigheid’ van de aardbodem te verdwijnen. Een land dat door het Westen gesanctioneerd een ander land, Jemen, naar de middeleeuwen bombardeert. In de praktijk werden er ook, zoals met Allende in Chili gebeurde, democratisch gekozen regeringen afgezet en vervangen door (militaire) dictaturen. Die praktijk staat in redelijk contrast met het beeld dat het Westen van zichzelf heeft en anderen zien dat ook.

Bron: Flickr

Zoals gezegd is ‘sollen’ eigen aan macht. Je ‘solt’ voor je eigen gewin omdat je de macht hebt om te ‘sollen’ en dat verantwoord je door te wijzen op je eigen superioriteit. Je ‘solt’ om de democratie te bevorderen en de mensenrechten te beschermen. Maar hoe aantrekkelijk worden die waarden als je kind wordt gedood door die ‘hellfire’ bij de buren? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als je man of ouders worden omschreven als ‘collaterale damage’? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als ‘regimes’ worden ondersteund die lak hebben aan die waarden? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als internationaal recht met voeten wordt getreden, zoals de VS in Guantanamo Bay en Abu Ghraib? Wat is de morele aantrekkingskracht van zo’n samenleving? Hoeveel waarde zal er aan mensenrechten worden gehecht als landen die ze met woorden prediken ze door hun daden met voeten treden?

Op nog een tweede manier devalueert het Westen haar waarden. Dat gebeurt door de manier waarop het Westen reageert op terrorisme. Wijlen Johan Cruijff deed een legendarische uitspraak over Italië als voetballand en Italiaanse clubs: “Ze kennen niet van je winnen, maar jij ken wel van ze verliezen.” Die uitspraak gaat ook op voor terroristen. Terroristen vormen, zo beweert Beatrice de Graaf in haar DWDD-college terecht, geen existentiële bedreiging voor onze open, inclusieve samenleving. Zij kunnen niet van ons winnen. Wij kunnen wel van hen verliezen. Een vrije, open, inclusieve samenleving is het beste wapen tegen terrorisme. Terroristen kunnen die samenleving niet afbreken, dat kunnen we alleen zelf doen. Wordt de kracht niet ondermijnt als gezagsdragers de plegers van deze aanslagen bestempelen als idioten, barbaren en griezels, door er beesten van te maken? Als mensen worden ‘ontmenselijkt’ want als het geen mensen zijn, hebben ze ook geen mensenrechten en hoeven we ze niet als mensen te behandelen. Wordt de kracht van de samenleving niet juist ondermijnt door deze vrijheden te beperken? Zeker als deze beperkingen steeds dezelfde mensen treffen. Mensen die met daden en woorden ‘buiten de samenleving’ worden geplaatst.

Hoe prettig wordt een samenleving waarin leidende politici delen van de bevolking in een hoek plaatsen alleen op basis van hun religie? Hoe makkelijk worden mensen door de oorlogsretoriek in de ‘hoek’ en buiten de samenleving geplaatst en als vijanden te bestempelen en te behandelen? Door ze te ontmenselijken? Zou het niet de kracht van een open, inclusieve samenleving moeten zijn, om juist mensen als mensen te zien en te behandelen? Hoe open en inclusief is de Nederlandse samenleving nog? Welk samen is er in een samenleving als de ene helft door de andere niet als mens wordt gezien en vice versa?

“Een situatie waarin handelen uit rationeel eigen belang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Dat is rationele irrationaliteit volgens de journalist John Cassidy. Hij gebruikt dit begrip in zijn boek Wat als de markt faalt (pagina 159) om de economische situatie vóór de bankencrisis te beschrijven. Als we het economische weglaten en we passen het op de politiek toe, dan is rationale irrationaliteit: ‘een situatie waarin op rationeel eigen belang gebaseerde politieke handelen leidt tot irrationele en inferieure resultaten. Alle stappen die worden gezet kunnen als rationeel worden gezien als er sprake is van een oorlog. En omdat het oorlogsframe wordt gebruikt, lijken de maatregelen rationeel. Maar is het resultaat ook rationeel? De ‘War on Terror’ als een vorm van rationele irrationaliteit?

Ook al deze acties in de ‘oorlog tegen terrorisme’ hebben gevolgen. Maatregelen die onze open, vrije en inclusieve samenleving beperken, verzwakken ons verweer tegen terreur en terrorisme omdat ze bijdragen aan polarisatie en verdeeldheid. Wat belangrijker is door het nemen van maatregelen die de waarden van een open, vrije en inclusieve samenleving verzwakken, straalt die samenleving angst uit. Die angst maakt terrorisme tot een nog aantrekkelijker alternatief voor de, zoals De Graaf ze noemt, ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Die angst geeft hen meer macht. 

Eigen foto

Conclusie

Daarmee ben ik aan het einde van mijn beschrijving van de wereld waarin terrorisme dat zich baseert op de islam kon ontstaan. Het is, zoals gezegd, geen antwoord op de vraag hoe IS is ontstaan. Voor een antwoord op die vraag is veel diepgaander onderzoek nodig. Wel kunnen we concluderen dat de geschiedenis bol staat van ‘gesol’ door de machtigen. De onmachtigen reageren op dit gesol, zij moeten zich hiertoe verhouden. De machtigen passen vervolgens hun gesol weer aan die reactie aan.

Aan het einde van dit artikel moet ik denken aan het boek  De Mars der Dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam van historica Barbara Tuchman. Tuchman opent met de volgende alinea (pagina 12): “Een verschijnsel dat we overal en altijd in de geschiedenis tegenkomen is dat regeringen een beleid volgen dat tegen hun eigen belang indruist. Het lijkt alsof de mens van besturen een magerder vertoning maakt dan van elke andere bedrijvigheid. Wijsheid, die men zou kunnen omschrijven als het uitoefenen van een oordeel op basis van ervaring, gezond verstand en beschikbare informatie, is hier ver te zoeken en wordt vaker in de wind geslagen dan eigenlijk zou mogen. Hoe komt het dat hoogwaardigheidsbekleders zo vaak handelen in strijd met wat de rede of het welbegrepen eigenbelang hun influistert? Waarom lijkt het gezond verstand het zo menigmaal af te laten weten?” Om bij haar titel aan te haken: waarom handelen bestuurders zo dwaas? Voor Tuchman is er sprake van dwaasheid als de gevoerde politiek aan drie criteria voldoet. Als eerste moet de gevoerde politiek destijds ook als averechts zijn onderkend en niet pas achteraf. Het tweede criterium is dat er geschikte alternatieve gedragslijnen beschikbaar moesten zijn. Het laatste criterium is dat het de politiek van een groep moet zijn geweest en niet van een individuele heerser. Een politiek die langer heeft geduurd dan een politieke levensduur. De ‘War on terror’ lijkt te voldoen aan alle drie de criteria. Tijd voor herbezinning?

Ik hoop dat de dochter van onze vrienden nu een beter beeld heeft bij het informatie verzamelen, wegen en ordenen en dat verwerken in een betoog met kop en staart. Ik hoop dat ze er ook van opsteekt dat menselijk gedrag door de eeuwen heen vrij constant is en dat we door het verleden te bestuderen veel over dat gedrag kunnen leren en dus veel over onszelf.


Wat was en IS (deel 2)

Vandaag deel 2 in de serie Wat was en IS. Deel 1 nog niet gelezen? Klik dan hier.

Het gesol gaat door 

Zelf gedaan, maar daarmee was Iran nog niet verlost van het gesol. In de jaren tachtig van de vorige eeuw vocht Irak een bloedige oorlog uit met de nieuwe islamitische republiek Iran. Het Irak van Saddam Hoessein wilde van de chaos na de Iraanse revolutie gebruik maken en viel op 22 september 1980 Iran aan met als doel de Iraanse olievelden te veroveren. In deze oorlog kon Irak op steun van het Westen en de Arabische golfstaten rekenen. Ze waren die nieuwe islamitische republiek liever kwijt dan rijk omdat het een bedreiging vormde voor de koninkrijken, emiraten en de oliestroom naar het westen. De seculiere Saddam leek minder gevaarlijk en kon op flinke financieel steun in de vorm van leningen rekenen. Irak kocht hiervoor moderne westerse wapens zoals Franse Mirage vliegtuigen. Dit met medeweten en ondersteuning van de westerse landen. De oorlog werd geen succes voor Irak en eindigde op 20 juli 1988 met een wapenstilstand. Irak had zich flink in de schulden gestoken en moest die afbetalen. Daarvoor had het medewerking van de andere olieproducerende landen binnen de OPEC nodig. En juist buurman en belangrijke ‘oorlogsfinancier’ Koeweit, produceerde veel meer olie dan het volgens de afspraken mocht. Meer aanbod zorgt voor lagere prijzen en door die lagere prijzen kwam Irak in betalingsproblemen. Daar kwam bij dat Koeweit, volgens Irak, oliebronnen aan de Iraakse zijde van hun gezamenlijke grens had aangeboord. Onderhandelingen hierover liepen uiteindelijk op niets uit. En met Irak komen we bij een derde belangrijk moment.

Operatie Desert Storm. Bron Wikimedia Commons

Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen en na een paar uur was de weerstand van het Koeweitse leger gebroken. Saddam Hoesein verklaarde daarop dat Koeweit een Iraakse provincie was. De Verenigde Naties (VN) veroordeelden de inval en bezetting, legde Irak sancties op en stelde een ultimatum in. Vóór 15 januari 1991 moest Irak zich onvoorwaardelijk terugtrekken uit Koeweit. Het gesol in het Midden-Oosten ging hiermee een nieuwe fase in.

Saoedie-Arabië schrok van de Iraakse inval in Koeweit en was bevreesd het volgende slachtoffer te worden van de Iraakse agressie. Het land vroeg daarop bescherming van de Verenigde Staten onder leiding van president George Bush sr. Die kwam in de vorm van schepen, vliegtuigen en ruim 500.000 soldaten met hun materieel. In hoeverre de angst van de Saoediërs gerechtvaardigd was, is twijfelachtig. Irak beschikte wel over een groot leger, maar was na de lange oorlog met Iran behoorlijk uitgeput. Bovendien beschikte Saoedie-Arabië over een moderne bij de Verenigde Staten ingekochte, luchtmacht. Een luchtmacht waartegen de Irakezen het zwaar zouden hebben. Argumenten voor het zenden van Amerikaanse troepen waren onder andere de massa-vernietigingswapens die Irak had, mosterdgas en Antrax. Tijdens de oorlog met Iran had Irak de middelen en techniek om deze wapens te maken, via het westen (onder andere Nederland) gekregen. Een ander argument betrof een verhaal dat de Irakezen pas geboren kindjes uit couveuses haalden, ze op de grond wierpen en ze lieten sterven. Dit verhaal leidde tot grote verontwaardiging onder de Amerikanen. Het bleek later uit een ‘koninklijke’ Koeweitse duim te zijn gezogen. Irak wilde niet aan het ultimatum voldoen en twee dagen na het verlopen ervan werd begonnen met het bombarderen van de Iraakse troepen, de commando- en infrastructuur. Op 24 februari 1991 volgde een grondoffensief en op 27 februari waren de Irakezen verdreven uit Koeweit. De VN namen een resolutie aan waaraan Irak moest voldoen. Die omvatte wapeninspecties om die massa-vernietigingswapens op te sporen, economische sancties en in het noorden en zuiden werd een no-flyzone ingesteld voor de Iraakse luchtmacht. Dit moest voorkomen dat Saddam Hoessein wraak zou nemen op de Koerden in het noorden en de sjiieten in het Zuiden. Die waren, aangemoedigd door de VS, in opstand gekomen maar veel te zwak om Saddams leger te verslaan. Saddam bleef verzwakt in het zadel en dat tot ongenoegen van ook veel gezaghebbende Amerikanen. Die hadden liever gezien dat Saddam zou zijn verdreven. Het VN mandaat stond dit echter niet toe.

War on terror

Die onvrede etterde nog vele jaren door. Etter in diverse vormen zoals aanvullende sancties voor Irak, een verbod om olie te verkopen behalve dan als het geld aan voedsel werd besteed. De zoektocht naar die massa-vernietigingswapens leverde niets op. In 1998 beëindigde Irak die inspecties eenzijdig en wees de inspecteurs het land uit. De VS gesteund door Groot-Brittannië (VK) bombardeerden daarop plekken waarvan zij dachten dat er mogelijk massa-vernietigingswapens waren opgeslagen.

Daarmee komen we bij de aanslagen van 11 september 2001 en ‘war on Terror’. In Buitenhof van 27 maart 2016 sprak Paul Witteman met David van Reybrouck en Willem Schinkel over de aanslagen in Brussel. Onvermijdelijk ging het in dit gesprek ook over de ‘oorlog tegen het terrorisme’. Het frame gemunt door voormalig president George Bush van de Verenigde Staten. De aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon werden al meteen een ‘act of war’, een oorlogsdaad, genoemd. De NAVO activeerde artikel 5: een gewapende aanval tegen een lid, is een aanval tegen allen. Aangezien de NAVO een militair bondgenootschap is, zit je meteen in het militaire. Zo ontstond een dynamiek gebaseerd op oorlog en dan kom je al snel bij een ‘oorlog tegen terrorisme’. Dat is daarvan een rationeel gevolg. 

Aanslag op de Twin Towers 9 september 2001. bron: Flickr

Eenmaal in de oorlogsratio wordt er gebombardeerd, worden er troepen gestuurd naar landen en ben je ‘voor of tegen ons’. Ben je voor ‘ons’ dan krijg je wapens en steun, ook al zou ’je’ onder normale omstandigheden geen vriend van ons zijn. Maar een vijand van ‘onze’ vijand, is een vriend. Ben je tegen ‘ons’ dan krijg je, afhankelijk van je sterkte, te maken met sancties en internationale uitsluiting, zoals Iran en Noord-Korea, met bombardementen en drone-aanvallen. De echt ongelukkigen worden getroffen door een volledige oorlog, zoals Afghanistan en Irak. In dat laatste geval geheel ten onrechte omdat er geen sprake was van banden tussen Al Qaida en het Irak van Saddam Hoessein. Maar stond daar niet nog een rekening open? Het verwijt dat de eerste president Bush kreeg dat het karwei niet was afgemaakt.

Eenmaal in oorlog elimineer je, mogelijke, vijanden. Dan is een drone die een ‘hellfire’ door de brievenbus’ schiet om iemand uit te schakelen een passende actie. Ook al ‘sneuvelt’ de hele familie en de buren van die ‘vijand’. Dat wordt ‘collateral damage’ genoemd en is acceptabel. Ze ‘sneuvelen’ en dat klinkt minder ernstig dan dat ze worden vermoord. En dan worden aanslagen zoals die in Brussel en Parijs ‘aanvallen of attacks‘ genoemd.

Eenmaal in oorlog kun je alleen maar terug als je hebt gewonnen of verloren. Een oorlog is traditioneel een gewapende strijd tussen volken of staten. Daar is bij de ‘oorlog tegen terrorisme’ geen sprake van. Een oorlog kent een duidelijk eindpunt, de overwinning van een partij of een bestand waarmee het conflict wordt bevroren. Zou het mogelijk zijn om terrorisme te overwinnen? IS kan worden verslagen, maar is daarmee het terrorisme verslagen? Of iets beperkter, het jihadistisch terrorisme? De Britse filosoof John Gray noemt, in zijn boek Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën een oorlog om het terrorisme uit te roeien een waandenkbeeld. Een frame dat tegenwoordig door zo ongeveer iedereen wordt gebruikt. Wanneer eindigt deze oorlog? Omdat dit niet duidelijk is:“Geef je jezelf kennelijk een mandaat tot permanent ogenschijnlijk eindeloos geweld”, zoals Willem Schinkel het in Buitenhof noemde. En niet alleen eindeloos geweld, ook een reden om eindeloos nieuwe ‘preventieve’ bevoegdheden te vragen. Steeds meer ‘bevoegdheden’ die onze vrijheden beperken.

Die aanslagen van 11 september 2001 creëerden voor de VS, nu onder leiding van president George W. Bush jr. (de zoon van), een gelegenheid om weer tegen Irak in actie te komen. Het bewerkte andere landen en kreeg de VN veiligheidsraad zover om een resolutie aan te nemen die Irak een laatste kans bood om inspecties toe te staan. Zou het dat niet doen dan zouden er ‘serious consequences’ volgen. Wat die waren was niet duidelijk. Schoorvoetend ging Irak hiermee akkoord, maar het ging de VS en het VK te langzaam. Op 20 maart 2003 vielen zij aan. De aanval werd onderbouwd met als argument dat:

  • Irak massa-vernietigingswapens bezat. Na de oorlog bleken die er, zoals de inspecteurs ook al hadden geconstateerd, niet te zijn. Dit ondanks een ronkende presentatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, voor de Verenigde Naties. 
  • Irak het internationaal terrorisme zou steunen, met name Al Qaida. Nu zal Irak best enkele verzetsorganisatie, die door de betreffende landen als terroristisch werden beschouwd, hebben gesteund. Internationaal terrorisme is echter een groot woord dat het doet lijken alsof er sprake is van een groot internationaal netwerk. Dat Saddam Al Qaida zou steunen, lijkt heel ver gezocht. Hiervoor werden ook geen harde bewijzen geleverd. Sterker nog, Colin Powell gaf later toe dat er geen bewijzen waren.
  • hij zijn bevolking zou onderdrukken en vermoorden. Een goede reden maar waarom dan alleen Saddam? Assad van Syrië, Mubarak van Egypte, de koning van Saoedie-Arabië en zo zijn er meer die hun bevolking onderdrukten en indien nodig vermoorden.
  • Saddam Hoessein het zelfmoordterrorisme tegen Israeliërs steunde door de nabestaanden van de zelfmoordenaar financieel te ondersteunen. Niet leuk natuurlijk, maar daarin was Irak niet de enige en om dat als een casus bello te zien, is wel erg zwaar.
  • Irak negeerde keer op keer resoluties van de VN veiligheidsraad. Iets waar meer landen, waaronder Israel, een handje van hadden. 

Militair werd die oorlog een groot succes, Irak werd verslagen en het regime van Saddam Hoessein werd grondig verwijderd. Alle regeringsfunctionarissen van de Baath partij met inbegrip van politie-agenten, onderwijzend personeel aan universiteiten en scholen, verpleegkundigen en artsen werden ontslagen en het leger werd ontbonden.

Morgen deel 3 in deze reeks.


Wat was en IS (deel 1)

De dochter van vrienden van ons, moet een studie kiezen. Omdat zij het vak geschiedenis leuk vindt, denkt zij erover om geschiedenis te gaan studeren. Maar wat kun je er later mee worden? Daarom ging zij in gesprek met de historicus achter de Ballonnendoorprikker. Nu kun je allerlei beroepen gaan noemen zoals geschiedenisleraar, ambtenaar of zoiets. Belangrijker is de vraag wat je leert tijdens de studie en bij de studie geschiedenis is dat informatie verzamelen, wegen en ordenen en dit verwerken in een betoog met kop en staart. ‘Oh, dus jij kunt vertellen hoe IS is ontstaan?’ vroeg de meid. Een vraag die een vriend mij een paar jaar geleden al eens stelde in een andere vorm. Een interessante vraag die ik niet kan beantwoorden want ik was niet bij de oprichting van IS. Wat ik in de komende vier Prikkers wel probeer is een schets te geven van de wereld waarin IS en terrorisme dat zich beroept op de islam kon ontstaan en hoe er vervolgens op werd en wordt gereageerd.

Het jihadistisch terrorisme, kent een lange voorgeschiedenis met een duidelijk markatiepunt. Een punt waarna ‘war on terror’ het dominante politieke frame werd: de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon van 11 september 2011. Beatrice de Graaf noemt in haar  DWDD college met goede redenen het jaar 1979 als beginpunt. In dat jaar kwam in Iran Ayatollah Khomeini aan de macht. Iran werd een islamitische republiek. Khomeini bood de wereld en dan vooral de islamitische wereld een alternatief in de tot dan toe redelijk bipolaire wereldorde met aan de ene kant de Verenigde Staten als kapitalistische supermacht en aan de andere kant de Sovjet Unie als communistische supermacht. Hij zei eigenlijk: beste islamitische broeders, we kunnen het ook zelf.

‘Beginpunten’ zijn lastig voor een historicus. Lastig omdat er ook een tijd voor dat punt is en zonder die tijd voor dat punt, was het er nooit gekomen. Om dat beginpunt te verklaren zal een historicus daarom ook altijd de aanloop ernaar beschrijven. Die aanloop moet immers verklaren hoe het tot dat beginpunt kwam. In deze Prikker volg ik Beatrice de Graaf. De oprichting van de islamitische republiek onder Khomeini was een bijzonder moment. Niet omdat Iran een islamitische republiek werd. Landen met een sterk islamitische inslag waren er immers al. Neem alleen al het Saoedische koninkrijk. Wat nieuw was aan Iran was dat het land het Westen, de Amerikanen, buiten de deur zette, zonder dat het een beroep deed op of werd ondersteund door de andere wereldmacht, de Sovjet-Unie. Maar zoals een goed historicus betaamt eerst wat aan dat keerpunt vooraf ging.

Codex Hammurabi. Bron: Wikimedia Commons

De aanloop

De afgelopen tijd staat de term ‘zijderoute’ steeds vaker in de krant. Steevast volgt er dan een verhandeling over China dat spoorlijnen aanlegt en havens opkoopt op de route tussen de Chinese zee en de de Noordzee. Wellicht moet je bij zijderoute denken aan Marco Polo, de Venetiaanse ontdekkingsreiziger die door onbekende gebieden reisde, gebieden zoals China, Perzië en India en die verhalen op schrift stelde. Hij volgde de ‘zijderoute’. Met zijn boek opende hij de Europese ogen voor dat andere deel van de wereld. Twaalfhonderd jaar eerder zou zijn boek weinig indruk hebben gemaakt op de inwoners van het Romeinse rijk. Die waren op de hoogte van het bestaan van China, Perzië en India en van de producten die vanuit die gebieden kwamen. Het Romeinse rijk aan de ene kant en het Chinese rijk onder de Han-dynastie aan de andere kant waren de twee motoren waartussen driftig werd gehandeld. Centraal tussen die twee motoren lag Centraal-Azië. Kennis die langzaam verloren ging na de instorting van het Romeinse rijk.

Als de gemiddelde Westerling nu aan het Midden-Oosten en Centraal-Azië denkt dan is dat vaak in negatieve termen. Het risico is redelijk groot dat, in navolging van een Tweede-Kamerlid, het woord achterlijk valt of barbaars. Toch was dit gebied eeuwen, nee millennia lang het centrum van de wereld. Het gebied waar de eerste steden ontstonden en waar twee wereldgodsdiensten hun oorsprong vinden. Het gebied waar het schrift is ontstaan en waar de eerste verhalen zijn opgetekend. Het gebied waar de eerste wetten, de codex Hammurabi bijvoorbeeld, en de eerste verhalen op schrift zijn gesteld. Maar vooral, lag het gebied centraal tussen de dichtstbevolkte gebieden van de wereld. China, India en het Middellandse Zeegebied en dus op een ideale plek om te profiteren van de handel tussen deze gebieden. Die gunstige ligging maakte het natuurlijk ook aantrekkelijk voor anderen om het te veroveren en er de baas te spelen. Alle grote Euraziatische rijken hebben dat dan ook geprobeerd en als het gebied zelf geen sterk rijk kende, dan lukte dat. Had het een sterk rijk, dan probeerde dat rijk het omliggende gebied te beheersen. In zijn boek De Zijderoutes geeft de historicus Peter Frankonpan een beschrijving van drie millennia geschiedenis van dit gebied. Het gebied vervult ook een grote rol in Jonathan Holslags boek Vrede en Oorlog. Een wereldgeschiedenis.

Eeuwenlang dus het centrum van de wereld. Vanaf het einde van de Middeleeuwen begon dat langzaam te veranderen. Spaanse en Portugese zeelieden voeren om Afrika heen en gingen rechtstreeks naar India, Zuidoost Azië, China en Japan en gingen de specerijen en de zijde zelf halen. Later volgden de Hollanders en Engelsen. Met hun grote en sterk bewapende schepen wisten zij in De Oost handelsposten te stichten en zo Centraal-Azië letterlijk te omzeilen. De eerste paar eeuwen viel de schade nog mee. De handel met Europa was niet van zo’n groot belang voor de Centraal Aziatische rijken. Het grote verlies was immers al geleden na de instorting van het Romeinse rijk. 

Dat werd anders toen de Europeanen handel gingen monopoliseren door gebied te koloniseren en het tot hun exclusieve handelsdomein te benoemen: alle import naar en export van het gebied moest via het koloniserende land. Lijkt dat niet een beetje op de handelwijze van de Chinezen nu? Naast de Engelsen, Fransen en Nederlanders moet hierbij ook tsaristisch Rusland worden genoemd. Dat land koloniseerde steeds meer Centraal Aziatisch gebied en zocht zo een weg naar de producten uit China en India en een afzetmarkt voor hun eigen producten. Het Midden-Oosten en Centraal Azië raakten hun centrale positie kwijt en kwamen steeds meer aan de periferie van de wereld te liggen. Het werd een gebied waar de machtige Europese rijken, vooral Engeland, Frankrijk en Rusland hun invloed deden gelden en waar laatkomer Duitsland een voet tussen de deur probeerde te krijgen. Het gebied verarmde verder en was speelbal van de grote Europese mogendheden. Dat werd nog versterkt na de vondst van grote olievelden in het gebied, als eerste in Perzië, het huidige Iran. 

Zo ging het voort ook tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een van de bondgenoten aan de kant van de keizerrijken Duitsland en Oostenrijk, was het Ottomaanse rijk. Een rijk dat geen schim meer was van zijn vroegere zelf toen het grote delen van Zuid- en Oost Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten omvatte. Geen schim meer, omdat de Europese machten al een paar eeuwen hapjes en happen uit het rijk namen. De strijdende partijen probeerden het elkaar lastig te maken en zetten de bevolking van het Midden-Oosten en Centraal- Azië tegen de ander op. Dit door bijvoorbeeld beloften te doen over toekomstige zelfstandigheid. Het Ottomaanse rijk overleefde de oorlog niet en dat gaf de winnaars Frankrijk en Engeland de kans om delen van het rijk onder zich te verdelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog herhaalde zich het spel van toezeggingen en beloften door Engelsen en Duitsers. Het einde van die oorlog betekende het einde van de Duitse bemoeienis in het gebied en een flinke verzwakking van de Engelse en Franse. Zij werden echter vervangen door de twee nieuwe supermachten, de Verenigde Staten aan de ene kant en de Sovjet Unie aan de andere kant. De Amerikaanse bemoeienis concentreerde zich in eerste instantie vooral op Perzië (Iran) mede om te voorkomen dat de Sovjet Unie via dat land de belangrijke Perzische Golf bereikte. Het ‘gesol’ ging dus verder want, zoals ik in De Schaduw van Baudet al schreef, is ‘sollen’ de corebusiness van machtigen. Daarmee zijn we aangekomen bij het door Beatrice de Graaf geformuleerde beginpunt van terrorisme dat zich op de islam beroept. De, in de ogen van de voormalige Sjah en zijn Amerikaanse beschermheren ‘terroristische’, aanhangers van Khomeini grepen in 1979 de macht zonder steun van de Sovjet Unie. Ze deden het zelf. Ze verjoegen de Sjah en de Amerikanen. 

Morgen gaan we hier verder.

Fraternité

Na liberté en egalité zoals beloofd een Prikker over het laatste woord van het Franse en Haïtiaanse devies. Het woord fraternité in het Nederlands vertaald als broederschap. Het sluitstuk van het devies en in mijn ogen het woord dat vrijheid en gelijkwaardigheid moet verbinden. Liberté sloot ik af met de opmerking dat alle politieke partijen zoeken naar een evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Egalité met de constatering dat een prettige samenleving er een is waar de economische ongelijkheid niet te groot is. Twee keer zoeken naar een evenwicht en dat evenwicht moet worden gevonden in het woord broederschap. Of, zoals ik het zie, rechtvaardigheid.

Rechtvaardigheid en Voorzienigheid. Bron: Picryl

Vandale geeft twee betekenissen bij het woord rechtvaardigheid. 1. in overeenstemming met het recht (handelend), en 2. billijk, eerlijk. Deze twee betekenissen kunnen op gespannen voet staan met elkaar. Zijn wetten altijd eerlijk en billijk? Nog niet zolang geleden kenden de Verenigde Staten wetten die nadelig waren voor Afro-Amerikanen. In vele landen is een huwelijk van mensen van hetzelfde geslacht bij wet verboden. Sterker nog, ook homoseksualiteit is in vele landen verboden. Nederland kende tot de jaren vijftig wetgeving die vrouwen handelingsonbekwaam verklaarde. Nu vinden we dat met onze Nederlandse bril op niet billijk of eerlijk. 

Voor mijn betoog is de tweede betekenis van het begrip, eerlijk en billijk, van belang. Daarop moet een antwoord worden gegeven en als dat antwoord is gegeven en de samenleving en haar wetten daarop is ingericht, dan vallen de eerste en tweede betekenis samen. In vroeger eeuwen werd de rechtvaardigheid van bovenaf opgelegd door koning of keizer en door god bekrachtigd.

In deze Prikker ga ik in op het denken over rechtvaardigheid. Ik doe dit vooral aan de hand van het boek Rechtvaardigheid van de politiek wetenschapper Michael J. Sandel. Sandel weet in dit boek op een heldere wijze en gelardeerd met voorbeelden, de dilemma’s rond het denken over rechtvaardigheid en de belangrijkste stromingen die hierin een rol spelen, te schetsen. Sandel onderscheidt drie benaderingen van rechtvaardigheid. Als eerste een benadering die ervan uitgaat dat iets rechtvaardig is als het totale welzijn ermee wordt gemaximaliseerd, deze stroming wordt utilitarisme genoemd. Een tweede benadering verbindt rechtvaardigheid aan deugdzaamheid en een goede manier van leven. De laatste een stroming die rechtvaardigheid koppelt aan vrijheid.

Hoofdpersoon in dit verhaal is korporaal Marcus Lutrell. Lutrell leidde een groep special forces op een missie in Afghanistan. Die missie liep gruwelijk fout en Lutrell was de enige van zijn team die het overleefde. De film Lone Survivor is gebaseerd op de ervaringen van Lutrell. In het kort het verhaal van Lutrell en dus het plot van de film. Lutrell en zijn groep, in totaal vier personen, worden op pad gestuurd om een hoge talibanleider te volgen en aan te houden. Zij signaleren de leider in een dorpje in een valei. De talibanleider is niet alleen, hij wordt omringd door een grote groep strijders. Lutrell en zijn groep observeren het dorp vanaf een berg die uitziet over de valei waarin het dorpje ligt. Alles gaat goed totdat er een kudde schapen begeleid door twee mannen en jongen van veertien dwars door hun posities loopt. Lutrells groep neemt de drie herders gevangen. Dat leidt tot problemen. Wat moeten ze doen met de twee herders? Ze zien drie mogelijkheden: de herders meenemen, de herders vrijlaten of ze doodmaken. Ze meenemen op hun missie gaat niet omdat ze daarvoor een man van hun groep moeten opofferen. Als ze de herders vrijlaten dan lopen ze het risico dat de herders de taliban waarschuwen en komt hun missie in gevaar. De laatste optie, het doden van de herders, is ook al zoiets. Mag je onschuldige mensen doden? De stemmen staken tussen doden en vrijlaten en omdat Lutrell de hoogste in rang is geeft zijn stem de doorslag en worden de herders vrijgelaten. Dit leidt tot de dood van de drie collega’s van Lutrell en nog 16 andere Amerikanen die hen in een helikopter probeerden te redden. Hoeveel Taliban erbij omkwamen is niet bekend, in de film waren het er heel veel want ze vielen bij bosjes. Lutrell had achteraf spijt van zijn beslissing: had ik de drie maar gedood, dat had veel levens gespaard.

Illustratie: Flickr

Met die redenering van Lutrell komen we bij de eerste stroming in het denken over rechtvaardigheid, het utilitarisme. De ‘uitvinder’ van deze manier van denken en deze stroming is Jeremy Bentham. Het utilitarisme stelt, om Sandel (pagina 75) te citeren:”… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. De liberale rechtvaardigheidsdenker Rawls beschrijft utilitarisme in zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid als volgt (pagina 70):”… het goede wordt onafhankelijk van het juiste gedefinieerd, en daarna wordt het juiste gedefinieerd als datgene wat het goede maximaliseert.” Kern van de utilitaristische benadering is dat een verdeling rechtvaardig is als die zorgt voor het grootste totale geluk. Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. Als we dit voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. Lutrell telt achteraf de doden en concludeert dat de keuze om de herders te doden maar tot drie doden had geleid tegen de 19 Amerikanen en vele talibanstrijders nu. Al denk ik dat Lutrell die laatste niet meetelt. 

Het optellen van geluk lijkt makkelijk. Maar toch, hoe vergelijk je het geluk of de pijn van het ene met het andere. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Brengt een kopje koffie iedereen trouwens evenveel geluk? En dan hebben we het alleen nog maar over een kopje koffie. Hoe meet ik het geluk van dat kopje koffie met een kopje thee of met het kopen van een nieuwe blouse, met een knuffel van mijn dochter, de homerun van mijn zoon? Met andere woorden wat is de gemeenschappelijke munteenheid van geluk en hoe bepalen we hoeveel geluk een activiteit brengt? Dat is een zeer lastige vraag.

Foto: Flickr

Economen lossen dit op door alles een geldelijke waarde te geven. Het geluk van het kopje koffie is de prijs die je ervoor betaalt. Het totale ‘geluk’ van de samenleving is daarmee gelijk aan het bruto binnenlands product (bbp). Voor producten is dat eenvoudig: prijs maal hoeveelheid. Voor diensten wordt dit al wat lastiger. Bovendien gaat dit denken ervan uit dat geluk en het hebben van geld hetzelfde zijn en dat meer geld dus ook meer geluk betekent. Geluk wordt in deze benadering gelijk gesteld met zoveel mogelijk inkomen voor de totale samenleving. Groei van het bbp betekent dan ook een toename van het totale geluk en is daarmee nastrevenswaardig. Door geld en de groei van het bbp te gebruiken wordt een belangrijk probleem van het utilitarisme opgelost. Al is het de vraag of er werkelijk sprake is van een oplossing. Zeker omdat veel zaken die geluk brengen niet worden meegewogen en geteld. De knuffel van mijn dochter telt bijvoorbeeld niet. Maar ook gelijksoortige activiteiten worden verschillend gewogen. Als ik mijn kinderen thuis opvoed, dan wordt dit niet in geld uitgedrukt en telt het niet mee bij het bbp. Breng ik ze naar een kinderopvang, die voor een deel dezelfde activiteit vervult, dan telt het wel mee. Zo ook de zorg voor mijn hulpbehoevende buurman, als ik dat gewoon als buurman doe dan heet het mantelzorg en heeft het geen economische waarde, doe ik het als medewerker van een zorginstelling, dan weer wel. Het cement van onze samenleving, de zorg voor elkaar en dat wat wij vrijwillig voor elkaar doen, telt niet mee. Zouden al die vrijwilligers stoppen dan zou dat kunnen leiden tot een forse toename van het aantal ongelukkige mensen en zo tot een stijging van de zorgkosten als dat al dit werk door professionals gedaan gaat worden. Op die manieren gaat het ineens wel meetellen. Rutger Claassen ziet deze tekortkoming in zijn boek Het huis van de vrijheid vanuit een geheel andere invalshoek als hij kijk naar de verdeling tussen werk en vrije tijd. Hij komt daarbij tot de conclusie dat (pagina 183):”Veel van wat wij in onze vrije tijd doen (..) noodzakelijk (is), en dus eigenlijk arbeid. Met alle activiteiten die nodig zijn om ons huishouden draaiende te houden en onszelf de nodige verzorging te geven (eten, drinken, slapen) zijn we heel wat uren zoet. Die uren worden niet als ‘arbeid’ beschouwd in het kader van een officiële baan, maar dat is eigenlijk ten onrechte.” Zijn geld en het bbp-denken daarmee niet gemankeerde maatstaven voor het wegen van geluk en pech en dus voor het bepalen van rechtvaardigheid? Probleem voor het utilitarisme is dat er geen andere maatstaven zijn.

Dan maar terug naar geluk als maatstaf zoals in Bhutan? Ook dat kan problemen opleveren. Sandel geeft een voorbeeld waarmee Bentham (pagina 45) speelde:” een plan ter verbetering van het ‘bestuur over de armen’. … Benthams uitgangspunt was dat de confrontatie met bedelaars op straat het geluk van voorbijgangers op twee manieren vermindert. Bij teerhartige zielen veroorzaakt de aanblik van een bedelaar de pijn van het medeleven, bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat. Daarom stelde Bentham voor om bedelaars van de straat te verwijderen en ze in een werkhuis op te sluiten.” Het juiste is voor Bentham het totale geluk en als dat groter is als we de bedelaars in werkhuizen opsluiten alwaar ze met het werk dat ze verrichten hun kost en inwoning betalen dan is juist om ze in die werkhuizen op te sluiten. Ook al betekent dit een toename van het ongeluk van de bedelaars. De redenering van Bentham voelt toch ongemakkelijk. Mensen die niets hebben gedaan opsluiten en verplicht tewerk stellen zien als juist, dat kan niet goed zijn? Dit bezwaar raakt de stroming die rechtvaardigheid verbindt aan de goede manier van leven.

Daarmee komen we bij de tweede stroming in het denken over rechtvaardigheid. De stroming die rechtvaardigheid met het goede verbindt. Daar waar Bentham eerst het goede bepaalde en vervolgens alles wat het goede vergroot juist is, vallen voor deze denkers over rechtvaardigheid het goede en het juiste samen: het goede doen is het juiste.

Clint Eastwood als the Good in de film The Good, the bad and the Ugly. Bron: Flickr

Terug naar Lutrell. Zijn verhaal bevat twee momenten waarop er wordt geredeneerd vanuit het rechtvaardigheid als het goede doen. Als eerste als Lutrell het besluit neemt om de herders te laten lopen. Het voelde voor Lutrell niet goed om mensen te vermoorden die, tenminste voor zover Lutrell kon overzien, niets verkeerd hadden gedaan. Het goed en dus juiste om te doen was de herders te laten gaan. Immers hoe rechtvaardig je het doden van onschuldige mensen? Met ‘zij hadden ons kunnen verraden en dan …’ hoef je bij een rechter niet aan te komen. Dit is waarom het ook zo moeilijk is om iemand te veroordelen voor terrorisme als er nog niets is gebeurd. Het tweede moment komt aan het einde van de film. De zwaar gewonde Lutrell is op de vlucht voor de taliban en wordt gevonden door een Afghaanse dorpeling. Die dorpeling neemt hem mee naar zijn dorp en verzorgt zijn wonden. De taliban ontdekt dat en de leider stuurt een boodschapper naar het dorp met de boodschap: lever die Amerikaan uit of we komen hem, desnoods met geweld, halen. De Afghaan en zijn mede dorpelingen twijfelen geen moment. Zij hebben Lutrell als gast opgenomen in hun dorp en gastvrijheid betekent dat je je gast beschermt tegen gevaren. Daarop voegt de taliban de daad bij het woord en bestormt het dorp met grof geweld. De dorpelingen verdedigen zich en worden uiteindelijk geholpen door Amerikaanse troepen. De Afghaan had hen geïnformeerd dat zij een gewonde collega verzorgden. Ook voor deze Afghaan en zijn dorp vallen het goede en het juiste samen.

Twee voorbeelden van rechtvaardigheid, broederschap, als dat doen wat goed is. Mooi denk je nu, dan weten we nu hoe je broederschap moet invullen: het goede doen. Maar is dat goede wel altijd het juiste om te doen? Zo makkelijk is het niet. Want wie bepaalt wat goed en daarmee ook wat fout is? Wat de ene persoon of groep goed vindt, kan voor een andere groep fout zijn. Het christendom, net als de meeste andere religies, is een stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede. Alleen zijn er veel heilige oorlogen door christenen gevoerd. Oorlogen waarbij het doden van andersgelovigen werd gesanctioneerd omdat god het wilde en god wil toch het goede? De taliban in Lutrells geschiedenis zouden hun acties zomaar kunnen rechtvaardigen met een beroep op de wil van god of in hun geval allah. 

Het zijn echter niet alleen godsdiensten die menen een abonnement te hebben op het goede. Neem bijvoorbeeld het stalinisme, het nationaal-socialisme of het facisme. Ook stromingen die rechtvaardigheid verbinden met het goede. Alles wat de heilstaat dichterbij bracht werd gezien als goed. Ook als dat betekende dat zes miljoen koelakken, joden of wie dan ook moesten worden uitgehongerd of vermoord. Trouwens alle ‘ismen’ hebben de neiging om te willen bepalen wat het goede is. Het nationalisme ziet alles wat het land vooruit helpt als goed. Een individualist vindt alles goed wat hem vooruit helpt.  

“Omdat het zich alleen bekommert om de som van alle genoegen, kan het de belangen van de individuele mens negeren.” Met deze korte zin (pagina 47) geeft Sandel een tweede punt van kritiek op de utilitaristische manier van denken. Het utilitarisme kijkt naar het totale geluk, niet naar hoe dat tot stand is gekomen. Alleen het totale geluk is van belang en als we het geluk van het totaal maximeren door 100 mensen in een donkere kelder op te sluiten, dan is dat een gerechtvaardigde manier van handelen als hun pijn minder is dan het genot van de rest. Een cru voorbeeld van deze manier van redeneren: als we kijken naar hoe de nationaal-socialisten onze joodse medemensen behandelden, dan is dat volgens het utilitarisme gerechtvaardigd als het geluk dat mensen hieraan beleven maar groter is dan de pijn van onze joodse medemens. Maar ook in veel minder crue vorm, als het grootste inkomen mogelijk is op een manier dat één persoon al het inkomen verwerft en de rest van de bevolking niets heeft, dan is dat volgens de utilitarist rechtvaardig. Of in Lutrells betoog achteraf: drie doden is minder dan … . Ook de stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede loopt grote kans op het buiten beeld raken van de individuele mens. 

Foto: Wikimedia Commons

Deze kritiek, die aandacht vraagt voor het individu, wordt geleverd door de stroming die rechtmatigheid verbindt aan vrijheid. Denkers die rechtvaardigheid aan vrijheid koppelen, vullen het goede en het juiste op een andere manier in. Zij concentreren zich op het juiste en bemoeien zich niet met het goede, dat laten zij liever over aan het individu. Het juiste is voor deze denkers de vrijheid van het individu, die moet zo groot mogelijk zijn. Daarover zijn ze het eens, waar ze het niet over eens zijn, is de manier waarop die vrijheid wordt verkregen men vooral de rol die de overheid daarin moet spelen. In Liberté heb ik Berlin al aangehaald en zijn twee opvattingen over vrijheid, de positieve en de negatieve. Deze twee opvattingen bepalen ook de manier waarop rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers de rol van de overheid zien in het vergroten van die vrijheid. Aanhangers van het negatieve vrijheidsbegrip zien dan geen andere rol voor de overheid dan het wegnemen van deze externe obstakels. De overheid is er voor de openbare orde en veiligheidsrol. De neoliberale en libertaire denkers behoren tot deze richting, zij zien de vrije markt waarop vrije individuen met elkaar tot overeenstemming komen als het middel om te komen tot een rechtvaardige verdeling. Verdeling op de markt is, volgens deze denkers, rechtvaardig juist vanwege de keuzevrijheid van het individu. 

Aan de andere kant van het spectrum van rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers bevinden zich de aanhangers van het positieve vrijheidsbegrip. Eigenlijk is de andere kant van het spectrum niet de juiste benaming. De aanhangers van het positieve vrijheidsdenken zijn niet gekant tegen de negatieve vrijheidsbenadering, zij willen meer en zien een belangrijke rol voor de overheid bij het realiseren van dat meer. Claassen omschrijft dit als volgt (pagina 25-26): “Ook zonder externe obstakels kunnen mensen nog steeds onvrij zijn. Echte vrijheid veronderstelt dat wij, om Berlins uitdrukking te gebruiken, ‘onze eigen meesters zijn’. … wij hebben zelf de controle en bepalen zelf hoe wij willen handelen.” De overheid  heeft de taak om ervoor te zorgen dat wij die vrijheid kunnen pakken. De overheid moet voor goed onderwijs zorgen, ervoor zorgen dat hindernissen voor mensen met beperkingen worden weggenomen, dat armoede wordt weggenomen. De mensen moeten innerlijk vrij, of autonoom worden zodat ze op de markt keuzes kunnen maken in hun eigen belang vanuit een positie van kracht en niet van zwakte. Aan zowel de invulling van rechtvaardigheid door het te koppelen aan negatieve als aan positieve vrijheid had Lutrell niets gehad.

De Amerikaanse filosoof John Rawls heeft de theoretische onderbouwing voor deze stroming geleverd met zijn belangrijke werk Een theorie van rechtvaardigheid. Rawls denken is gebaseerd op de theorie van het sociale contract, de afspraken tussen de mensen van een samenleving over hoe met elkaar om te gaan en hoe de samenleving te besturen. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandeling, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard (pagina 321): “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Eigen foto

Door deze beginselen bij alle keuzemogelijkheden om een samenleving in te richten rationeel toe te passen, wordt volgens Rawls een rechtvaardige keuze gemaakt en ontstaat een rechtvaardige samenleving. Critici verwijten Rawls dat een rechtvaardig ingerichte samenleving niet automatisch leidt tot rechtvaardigheid. De belangrijkste critici de econoom Amartya Sen, onder andere in zijn boek The Idea of Justice, en de filosofe Martha Nussbaum, onder andere in haar boek Mogelijkheden scheppen pleiten voor meer, namelijk voor een minimum niveau aan mogelijkheden. Zij noemen hun denken de ‘capability approach’. In het Nederlands de vermogensbenadering. Zij gaan ervan uit dat een mens om volwaardig te kunnen functioneren over bepaalde minimale set aan vermogens moet beschikken. Nussbaum formuleert de volgende tien (pagina 57-59):

1. Leven: In staat zijn om een menselijk leven van normale duur tot het einde toe te leiden, om niet voortijdig te sterven voordat het je tijd is of voordat je leven zo gereduceerd is dat het niet meer de moeite waard is geleefd te worden.

2. Lichamelijke gezondheid: In staat zijn om een goede gezondheid te hebben, inclusief gezondheid met betrekking tot voortplanting. In staat zijn voedsel en onderdak te verwerven.

3. Lichamelijke onschendbaarheid: In staat zijn om je vrijelijk van de ene plek naar de andere te verplaatsen, en om gevrijwaard te zijn van tegen de persoon gericht geweld, inclusief seksueel en huiselijk geweld. Gelegenheid hebben tot seksuele bevrediging en keuzes in zake voortplanting. 

4. Zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken: In staat zijn om de zintuigen te gebruiken, te fantaseren, te denken en te redeneren en deze dingen te doen op een ‘waarlijk menselijke’ wijze die wordt geïnspireerd en gecultiveerd door adequaat onderricht, onder andere in – maar in geen geval beperkt tot – lezen, schrijven, en elementair rekenkundig en natuurwetenschappelijk onderricht. Het vermogen verbeeldingskracht en denken te gebruiken in verbinding met ervaringen en het voortbrengen van werken en evenementen naar eigen keuze, religieuze, literaire, muzikale enzovoort. Het vermogen je geest te gebruiken op een manier die beschermd wordt door waarborgen voor vrijheid van meningsuiting met betrekking tot politieke en kunstzinnige expressie, en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen aangename ervaringen te beleven en niet-heilzame pijn te vermijden.

5. Gevoelens: In staat zijn om gehecht te zijn aan dingen buiten onszelf, om hen lief te hebbende ons liefhebben en zich om ons bekommeren, om te rouwen bij hun afwezigheid; in het algemeen om te beminnen, verdriet te hebben en verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te beleven. In staat zijn om niet in je emotionele ontwikkeling te worden geremd door overweldigende zorgen en angsten.

6. Praktische rede: In staat zijn om een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houden met kritische bezinning op de planning van je leven. Dit impliceert het voorzien in waarborgen voor gewetensvrijheid en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houdende een kritische bezinning op je eigen levensplannen.

7. Sociale verbanden: In staat zijn om met en voor anderen te leven, andere mensen te erkennen en zich om hen te bekommeren, om mee te kunnen doen aan diverse vormen van sociale interactie, en om je te verplaatsen in de situatie van een ander. … Kunnen beschikken over de maatschappelijke grondslagen die je wapenen tegen vernedering en in staat stellen tot zelfrespect; het vermogen te worden behandeld als een waardig wezen wiens waarde gelijk is aan die van anderen. Dit impliceert voorzieningen voor uitsluiting van discriminatie op basis van ras, geslacht, seksuele oriëntatie, etniciteit, kaste, religie en nationale herkomst.

8. Andere biologische soorten: In staat zijn om te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur.

9. Spel: In staat zijn om te lachen, te spelen en te genieten van recreatieve activiteiten.

10. Vormgeving van eigen omgeving: Politiek: daadwerkelijk kunnen participeren in politieke keuzes die je leven sturen. In staat zijn tot uitoefening van het recht op politieke participatie, bescherming van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. En materieel: in staat zijn eigendom te verwerven (zowel onroerende als roerende goederen) en om eigendomsrechten hebben op gelijke voet met anderen. In staat zijn tot daadwerkelijke uitoefening van het recht om werk te zoeken op gelijke voet met anderen, om gevrijwaard te blijven van ongegronde inspectie en inbeslagneming. Op de werkplek arbeid kunnen verrichten als een menselijk wezen dat praktische reden beoefent en zinvolle relaties van wederzijdse erkenning aangaat met ander werkenden.

Voor Nussbaum, Sen en hun volgers moet de overheid een bepaald minimaal niveau garanderen op al deze vermogens. Een prettige samenleving voor iedereen is een samenleving met een goed evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Een samenleving met maximale negatieve gelijkwaardigheid, gelijke rechten voor iedereen. En een samenleving waarin de positieve gelijkwaardigheid, de gelijkwaardigheid om iets te doen, zo is ingevuld dat iedereen in voldoende mate kan meedoen, een samenleving zonder marginaliteit. Broederschap, rechtvaardigheid, vervult een belangrijke rol bij het zoeken naar dat evenwicht. Hierbij maakt het nogal wat uit welke visie op rechtvaardigheid hierbij leidend is. 

Kiezen we als samenleving voor Bentham en zijn utilitarisme dan lopen we het risico dat vrijheid en gelijkheid onder druk kunnen komen te staan. Het individu is immers niet van belang, het gaat om het collectief. Hetzelfde risico lopen we als we kiezen voor een vorm van het goede. Immers ook hierbij is het doel niet het individu maar de samenleving en daarbij kan het individu het onderspit delven. Aan de andere kant van het spectrum betekent het kiezen voor rechtvaardigheid gebaseerd op maximale negatieve vrijheid, maximaal kiezen voor het individu. Hierbij lopen we het risico op maximale strijd tussen die individuen en op grote ongelijkheid tussen mensen. Rawls, Nussbaum en Sen in het verlengde hiervan bieden een goede tussenweg door vanuit de behoeften van het individu te kijken naar wat dat voor de inrichting van de samenleving betekent. Rawls stopt bij die inrichting in de hoop of verwachting dat er zo vanzelf een rechtvaardige samenleving ontstaat. Een samenleving waar vrijheid en gelijkheid via broederschap worden verbonden. Nussbaum en Sen gaan verder en verwachten dat de overheid binnen dat raamwerk, die inrichting, de taak heeft om om ervoor te zorgen dat iedereen een bepaald minimaal niveau van vermogens heeft. 

Foto: Pixabay

Als we naar de Nederlandse samenleving kijken, dan hebben we een Rawlsiaans raamwerk gecreëerd en zien we dat een dergelijk raamwerk niet voldoende lijkt, zoals ik in Egalité probeerde aan te tonen. In de politiek gaat het vooral over het minimale vermogensniveau van Nussbaum en Sen. De ene partij wil hierin geen of zo min mogelijk actie ondernemen, de andere juist zoveel mogelijk. De vermogens van Nussbaum en Sen bieden een manier om rechtvaardigheid en dus broederschap zo vorm te geven dat er een goed evenwicht ontstaat tussen de beide vormen van vrijheid én een prettige verdeling (on)gelijkheid. Een mogelijkheid om Liberté en egalité te verbinden door fraternité.

Ik wens jullie veel broederschap voor 2019 en verder.