Fraternité

Na liberté en egalité zoals beloofd een Prikker over het laatste woord van het Franse en Haïtiaanse devies. Het woord fraternité in het Nederlands vertaald als broederschap. Het sluitstuk van het devies en in mijn ogen het woord dat vrijheid en gelijkwaardigheid moet verbinden. Liberté sloot ik af met de opmerking dat alle politieke partijen zoeken naar een evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Egalité met de constatering dat een prettige samenleving er een is waar de economische ongelijkheid niet te groot is. Twee keer zoeken naar een evenwicht en dat evenwicht moet worden gevonden in het woord broederschap. Of, zoals ik het zie, rechtvaardigheid.

Rechtvaardigheid en Voorzienigheid. Bron: Picryl

Vandale geeft twee betekenissen bij het woord rechtvaardigheid. 1. in overeenstemming met het recht (handelend), en 2. billijk, eerlijk. Deze twee betekenissen kunnen op gespannen voet staan met elkaar. Zijn wetten altijd eerlijk en billijk? Nog niet zolang geleden kenden de Verenigde Staten wetten die nadelig waren voor Afro-Amerikanen. In vele landen is een huwelijk van mensen van hetzelfde geslacht bij wet verboden. Sterker nog, ook homoseksualiteit is in vele landen verboden. Nederland kende tot de jaren vijftig wetgeving die vrouwen handelingsonbekwaam verklaarde. Nu vinden we dat met onze Nederlandse bril op niet billijk of eerlijk. 

Voor mijn betoog is de tweede betekenis van het begrip, eerlijk en billijk, van belang. Daarop moet een antwoord worden gegeven en als dat antwoord is gegeven en de samenleving en haar wetten daarop is ingericht, dan vallen de eerste en tweede betekenis samen. In vroeger eeuwen werd de rechtvaardigheid van bovenaf opgelegd door koning of keizer en door god bekrachtigd.

In deze Prikker ga ik in op het denken over rechtvaardigheid. Ik doe dit vooral aan de hand van het boek Rechtvaardigheid van de politiek wetenschapper Michael J. Sandel. Sandel weet in dit boek op een heldere wijze en gelardeerd met voorbeelden, de dilemma’s rond het denken over rechtvaardigheid en de belangrijkste stromingen die hierin een rol spelen, te schetsen. Sandel onderscheidt drie benaderingen van rechtvaardigheid. Als eerste een benadering die ervan uitgaat dat iets rechtvaardig is als het totale welzijn ermee wordt gemaximaliseerd, deze stroming wordt utilitarisme genoemd. Een tweede benadering verbindt rechtvaardigheid aan deugdzaamheid en een goede manier van leven. De laatste een stroming die rechtvaardigheid koppelt aan vrijheid.

Hoofdpersoon in dit verhaal is korporaal Marcus Lutrell. Lutrell leidde een groep special forces op een missie in Afghanistan. Die missie liep gruwelijk fout en Lutrell was de enige van zijn team die het overleefde. De film Lone Survivor is gebaseerd op de ervaringen van Lutrell. In het kort het verhaal van Lutrell en dus het plot van de film. Lutrell en zijn groep, in totaal vier personen, worden op pad gestuurd om een hoge talibanleider te volgen en aan te houden. Zij signaleren de leider in een dorpje in een valei. De talibanleider is niet alleen, hij wordt omringd door een grote groep strijders. Lutrell en zijn groep observeren het dorp vanaf een berg die uitziet over de valei waarin het dorpje ligt. Alles gaat goed totdat er een kudde schapen begeleid door twee mannen en jongen van veertien dwars door hun posities loopt. Lutrells groep neemt de drie herders gevangen. Dat leidt tot problemen. Wat moeten ze doen met de twee herders? Ze zien drie mogelijkheden: de herders meenemen, de herders vrijlaten of ze doodmaken. Ze meenemen op hun missie gaat niet omdat ze daarvoor een man van hun groep moeten opofferen. Als ze de herders vrijlaten dan lopen ze het risico dat de herders de taliban waarschuwen en komt hun missie in gevaar. De laatste optie, het doden van de herders, is ook al zoiets. Mag je onschuldige mensen doden? De stemmen staken tussen doden en vrijlaten en omdat Lutrell de hoogste in rang is geeft zijn stem de doorslag en worden de herders vrijgelaten. Dit leidt tot de dood van de drie collega’s van Lutrell en nog 16 andere Amerikanen die hen in een helikopter probeerden te redden. Hoeveel Taliban erbij omkwamen is niet bekend, in de film waren het er heel veel want ze vielen bij bosjes. Lutrell had achteraf spijt van zijn beslissing: had ik de drie maar gedood, dat had veel levens gespaard.

Illustratie: Flickr

Met die redenering van Lutrell komen we bij de eerste stroming in het denken over rechtvaardigheid, het utilitarisme. De ‘uitvinder’ van deze manier van denken en deze stroming is Jeremy Bentham. Het utilitarisme stelt, om Sandel (pagina 75) te citeren:”… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. De liberale rechtvaardigheidsdenker Rawls beschrijft utilitarisme in zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid als volgt (pagina 70):”… het goede wordt onafhankelijk van het juiste gedefinieerd, en daarna wordt het juiste gedefinieerd als datgene wat het goede maximaliseert.” Kern van de utilitaristische benadering is dat een verdeling rechtvaardig is als die zorgt voor het grootste totale geluk. Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. Als we dit voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. Lutrell telt achteraf de doden en concludeert dat de keuze om de herders te doden maar tot drie doden had geleid tegen de 19 Amerikanen en vele talibanstrijders nu. Al denk ik dat Lutrell die laatste niet meetelt. 

Het optellen van geluk lijkt makkelijk. Maar toch, hoe vergelijk je het geluk of de pijn van het ene met het andere. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Brengt een kopje koffie iedereen trouwens evenveel geluk? En dan hebben we het alleen nog maar over een kopje koffie. Hoe meet ik het geluk van dat kopje koffie met een kopje thee of met het kopen van een nieuwe blouse, met een knuffel van mijn dochter, de homerun van mijn zoon? Met andere woorden wat is de gemeenschappelijke munteenheid van geluk en hoe bepalen we hoeveel geluk een activiteit brengt? Dat is een zeer lastige vraag.

Foto: Flickr

Economen lossen dit op door alles een geldelijke waarde te geven. Het geluk van het kopje koffie is de prijs die je ervoor betaalt. Het totale ‘geluk’ van de samenleving is daarmee gelijk aan het bruto binnenlands product (bbp). Voor producten is dat eenvoudig: prijs maal hoeveelheid. Voor diensten wordt dit al wat lastiger. Bovendien gaat dit denken ervan uit dat geluk en het hebben van geld hetzelfde zijn en dat meer geld dus ook meer geluk betekent. Geluk wordt in deze benadering gelijk gesteld met zoveel mogelijk inkomen voor de totale samenleving. Groei van het bbp betekent dan ook een toename van het totale geluk en is daarmee nastrevenswaardig. Door geld en de groei van het bbp te gebruiken wordt een belangrijk probleem van het utilitarisme opgelost. Al is het de vraag of er werkelijk sprake is van een oplossing. Zeker omdat veel zaken die geluk brengen niet worden meegewogen en geteld. De knuffel van mijn dochter telt bijvoorbeeld niet. Maar ook gelijksoortige activiteiten worden verschillend gewogen. Als ik mijn kinderen thuis opvoed, dan wordt dit niet in geld uitgedrukt en telt het niet mee bij het bbp. Breng ik ze naar een kinderopvang, die voor een deel dezelfde activiteit vervult, dan telt het wel mee. Zo ook de zorg voor mijn hulpbehoevende buurman, als ik dat gewoon als buurman doe dan heet het mantelzorg en heeft het geen economische waarde, doe ik het als medewerker van een zorginstelling, dan weer wel. Het cement van onze samenleving, de zorg voor elkaar en dat wat wij vrijwillig voor elkaar doen, telt niet mee. Zouden al die vrijwilligers stoppen dan zou dat kunnen leiden tot een forse toename van het aantal ongelukkige mensen en zo tot een stijging van de zorgkosten als dat al dit werk door professionals gedaan gaat worden. Op die manieren gaat het ineens wel meetellen. Rutger Claassen ziet deze tekortkoming in zijn boek Het huis van de vrijheid vanuit een geheel andere invalshoek als hij kijk naar de verdeling tussen werk en vrije tijd. Hij komt daarbij tot de conclusie dat (pagina 183):”Veel van wat wij in onze vrije tijd doen (..) noodzakelijk (is), en dus eigenlijk arbeid. Met alle activiteiten die nodig zijn om ons huishouden draaiende te houden en onszelf de nodige verzorging te geven (eten, drinken, slapen) zijn we heel wat uren zoet. Die uren worden niet als ‘arbeid’ beschouwd in het kader van een officiële baan, maar dat is eigenlijk ten onrechte.” Zijn geld en het bbp-denken daarmee niet gemankeerde maatstaven voor het wegen van geluk en pech en dus voor het bepalen van rechtvaardigheid? Probleem voor het utilitarisme is dat er geen andere maatstaven zijn.

Dan maar terug naar geluk als maatstaf zoals in Bhutan? Ook dat kan problemen opleveren. Sandel geeft een voorbeeld waarmee Bentham (pagina 45) speelde:” een plan ter verbetering van het ‘bestuur over de armen’. … Benthams uitgangspunt was dat de confrontatie met bedelaars op straat het geluk van voorbijgangers op twee manieren vermindert. Bij teerhartige zielen veroorzaakt de aanblik van een bedelaar de pijn van het medeleven, bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat. Daarom stelde Bentham voor om bedelaars van de straat te verwijderen en ze in een werkhuis op te sluiten.” Het juiste is voor Bentham het totale geluk en als dat groter is als we de bedelaars in werkhuizen opsluiten alwaar ze met het werk dat ze verrichten hun kost en inwoning betalen dan is juist om ze in die werkhuizen op te sluiten. Ook al betekent dit een toename van het ongeluk van de bedelaars. De redenering van Bentham voelt toch ongemakkelijk. Mensen die niets hebben gedaan opsluiten en verplicht tewerk stellen zien als juist, dat kan niet goed zijn? Dit bezwaar raakt de stroming die rechtvaardigheid verbindt aan de goede manier van leven.

Daarmee komen we bij de tweede stroming in het denken over rechtvaardigheid. De stroming die rechtvaardigheid met het goede verbindt. Daar waar Bentham eerst het goede bepaalde en vervolgens alles wat het goede vergroot juist is, vallen voor deze denkers over rechtvaardigheid het goede en het juiste samen: het goede doen is het juiste.

Clint Eastwood als the Good in de film The Good, the bad and the Ugly. Bron: Flickr

Terug naar Lutrell. Zijn verhaal bevat twee momenten waarop er wordt geredeneerd vanuit het rechtvaardigheid als het goede doen. Als eerste als Lutrell het besluit neemt om de herders te laten lopen. Het voelde voor Lutrell niet goed om mensen te vermoorden die, tenminste voor zover Lutrell kon overzien, niets verkeerd hadden gedaan. Het goed en dus juiste om te doen was de herders te laten gaan. Immers hoe rechtvaardig je het doden van onschuldige mensen? Met ‘zij hadden ons kunnen verraden en dan …’ hoef je bij een rechter niet aan te komen. Dit is waarom het ook zo moeilijk is om iemand te veroordelen voor terrorisme als er nog niets is gebeurd. Het tweede moment komt aan het einde van de film. De zwaar gewonde Lutrell is op de vlucht voor de taliban en wordt gevonden door een Afghaanse dorpeling. Die dorpeling neemt hem mee naar zijn dorp en verzorgt zijn wonden. De taliban ontdekt dat en de leider stuurt een boodschapper naar het dorp met de boodschap: lever die Amerikaan uit of we komen hem, desnoods met geweld, halen. De Afghaan en zijn mede dorpelingen twijfelen geen moment. Zij hebben Lutrell als gast opgenomen in hun dorp en gastvrijheid betekent dat je je gast beschermt tegen gevaren. Daarop voegt de taliban de daad bij het woord en bestormt het dorp met grof geweld. De dorpelingen verdedigen zich en worden uiteindelijk geholpen door Amerikaanse troepen. De Afghaan had hen geïnformeerd dat zij een gewonde collega verzorgden. Ook voor deze Afghaan en zijn dorp vallen het goede en het juiste samen.

Twee voorbeelden van rechtvaardigheid, broederschap, als dat doen wat goed is. Mooi denk je nu, dan weten we nu hoe je broederschap moet invullen: het goede doen. Maar is dat goede wel altijd het juiste om te doen? Zo makkelijk is het niet. Want wie bepaalt wat goed en daarmee ook wat fout is? Wat de ene persoon of groep goed vindt, kan voor een andere groep fout zijn. Het christendom, net als de meeste andere religies, is een stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede. Alleen zijn er veel heilige oorlogen door christenen gevoerd. Oorlogen waarbij het doden van andersgelovigen werd gesanctioneerd omdat god het wilde en god wil toch het goede? De taliban in Lutrells geschiedenis zouden hun acties zomaar kunnen rechtvaardigen met een beroep op de wil van god of in hun geval allah. 

Het zijn echter niet alleen godsdiensten die menen een abonnement te hebben op het goede. Neem bijvoorbeeld het stalinisme, het nationaal-socialisme of het facisme. Ook stromingen die rechtvaardigheid verbinden met het goede. Alles wat de heilstaat dichterbij bracht werd gezien als goed. Ook als dat betekende dat zes miljoen koelakken, joden of wie dan ook moesten worden uitgehongerd of vermoord. Trouwens alle ‘ismen’ hebben de neiging om te willen bepalen wat het goede is. Het nationalisme ziet alles wat het land vooruit helpt als goed. Een individualist vindt alles goed wat hem vooruit helpt.  

“Omdat het zich alleen bekommert om de som van alle genoegen, kan het de belangen van de individuele mens negeren.” Met deze korte zin (pagina 47) geeft Sandel een tweede punt van kritiek op de utilitaristische manier van denken. Het utilitarisme kijkt naar het totale geluk, niet naar hoe dat tot stand is gekomen. Alleen het totale geluk is van belang en als we het geluk van het totaal maximeren door 100 mensen in een donkere kelder op te sluiten, dan is dat een gerechtvaardigde manier van handelen als hun pijn minder is dan het genot van de rest. Een cru voorbeeld van deze manier van redeneren: als we kijken naar hoe de nationaal-socialisten onze joodse medemensen behandelden, dan is dat volgens het utilitarisme gerechtvaardigd als het geluk dat mensen hieraan beleven maar groter is dan de pijn van onze joodse medemens. Maar ook in veel minder crue vorm, als het grootste inkomen mogelijk is op een manier dat één persoon al het inkomen verwerft en de rest van de bevolking niets heeft, dan is dat volgens de utilitarist rechtvaardig. Of in Lutrells betoog achteraf: drie doden is minder dan … . Ook de stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede loopt grote kans op het buiten beeld raken van de individuele mens. 

Foto: Wikimedia Commons

Deze kritiek, die aandacht vraagt voor het individu, wordt geleverd door de stroming die rechtmatigheid verbindt aan vrijheid. Denkers die rechtvaardigheid aan vrijheid koppelen, vullen het goede en het juiste op een andere manier in. Zij concentreren zich op het juiste en bemoeien zich niet met het goede, dat laten zij liever over aan het individu. Het juiste is voor deze denkers de vrijheid van het individu, die moet zo groot mogelijk zijn. Daarover zijn ze het eens, waar ze het niet over eens zijn, is de manier waarop die vrijheid wordt verkregen men vooral de rol die de overheid daarin moet spelen. In Liberté heb ik Berlin al aangehaald en zijn twee opvattingen over vrijheid, de positieve en de negatieve. Deze twee opvattingen bepalen ook de manier waarop rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers de rol van de overheid zien in het vergroten van die vrijheid. Aanhangers van het negatieve vrijheidsbegrip zien dan geen andere rol voor de overheid dan het wegnemen van deze externe obstakels. De overheid is er voor de openbare orde en veiligheidsrol. De neoliberale en libertaire denkers behoren tot deze richting, zij zien de vrije markt waarop vrije individuen met elkaar tot overeenstemming komen als het middel om te komen tot een rechtvaardige verdeling. Verdeling op de markt is, volgens deze denkers, rechtvaardig juist vanwege de keuzevrijheid van het individu. 

Aan de andere kant van het spectrum van rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers bevinden zich de aanhangers van het positieve vrijheidsbegrip. Eigenlijk is de andere kant van het spectrum niet de juiste benaming. De aanhangers van het positieve vrijheidsdenken zijn niet gekant tegen de negatieve vrijheidsbenadering, zij willen meer en zien een belangrijke rol voor de overheid bij het realiseren van dat meer. Claassen omschrijft dit als volgt (pagina 25-26): “Ook zonder externe obstakels kunnen mensen nog steeds onvrij zijn. Echte vrijheid veronderstelt dat wij, om Berlins uitdrukking te gebruiken, ‘onze eigen meesters zijn’. … wij hebben zelf de controle en bepalen zelf hoe wij willen handelen.” De overheid  heeft de taak om ervoor te zorgen dat wij die vrijheid kunnen pakken. De overheid moet voor goed onderwijs zorgen, ervoor zorgen dat hindernissen voor mensen met beperkingen worden weggenomen, dat armoede wordt weggenomen. De mensen moeten innerlijk vrij, of autonoom worden zodat ze op de markt keuzes kunnen maken in hun eigen belang vanuit een positie van kracht en niet van zwakte. Aan zowel de invulling van rechtvaardigheid door het te koppelen aan negatieve als aan positieve vrijheid had Lutrell niets gehad.

De Amerikaanse filosoof John Rawls heeft de theoretische onderbouwing voor deze stroming geleverd met zijn belangrijke werk Een theorie van rechtvaardigheid. Rawls denken is gebaseerd op de theorie van het sociale contract, de afspraken tussen de mensen van een samenleving over hoe met elkaar om te gaan en hoe de samenleving te besturen. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandeling, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard (pagina 321): “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Eigen foto

Door deze beginselen bij alle keuzemogelijkheden om een samenleving in te richten rationeel toe te passen, wordt volgens Rawls een rechtvaardige keuze gemaakt en ontstaat een rechtvaardige samenleving. Critici verwijten Rawls dat een rechtvaardig ingerichte samenleving niet automatisch leidt tot rechtvaardigheid. De belangrijkste critici de econoom Amartya Sen, onder andere in zijn boek The Idea of Justice, en de filosofe Martha Nussbaum, onder andere in haar boek Mogelijkheden scheppen pleiten voor meer, namelijk voor een minimum niveau aan mogelijkheden. Zij noemen hun denken de ‘capability approach’. In het Nederlands de vermogensbenadering. Zij gaan ervan uit dat een mens om volwaardig te kunnen functioneren over bepaalde minimale set aan vermogens moet beschikken. Nussbaum formuleert de volgende tien (pagina 57-59):

1. Leven: In staat zijn om een menselijk leven van normale duur tot het einde toe te leiden, om niet voortijdig te sterven voordat het je tijd is of voordat je leven zo gereduceerd is dat het niet meer de moeite waard is geleefd te worden.

2. Lichamelijke gezondheid: In staat zijn om een goede gezondheid te hebben, inclusief gezondheid met betrekking tot voortplanting. In staat zijn voedsel en onderdak te verwerven.

3. Lichamelijke onschendbaarheid: In staat zijn om je vrijelijk van de ene plek naar de andere te verplaatsen, en om gevrijwaard te zijn van tegen de persoon gericht geweld, inclusief seksueel en huiselijk geweld. Gelegenheid hebben tot seksuele bevrediging en keuzes in zake voortplanting. 

4. Zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken: In staat zijn om de zintuigen te gebruiken, te fantaseren, te denken en te redeneren en deze dingen te doen op een ‘waarlijk menselijke’ wijze die wordt geïnspireerd en gecultiveerd door adequaat onderricht, onder andere in – maar in geen geval beperkt tot – lezen, schrijven, en elementair rekenkundig en natuurwetenschappelijk onderricht. Het vermogen verbeeldingskracht en denken te gebruiken in verbinding met ervaringen en het voortbrengen van werken en evenementen naar eigen keuze, religieuze, literaire, muzikale enzovoort. Het vermogen je geest te gebruiken op een manier die beschermd wordt door waarborgen voor vrijheid van meningsuiting met betrekking tot politieke en kunstzinnige expressie, en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen aangename ervaringen te beleven en niet-heilzame pijn te vermijden.

5. Gevoelens: In staat zijn om gehecht te zijn aan dingen buiten onszelf, om hen lief te hebbende ons liefhebben en zich om ons bekommeren, om te rouwen bij hun afwezigheid; in het algemeen om te beminnen, verdriet te hebben en verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te beleven. In staat zijn om niet in je emotionele ontwikkeling te worden geremd door overweldigende zorgen en angsten.

6. Praktische rede: In staat zijn om een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houden met kritische bezinning op de planning van je leven. Dit impliceert het voorzien in waarborgen voor gewetensvrijheid en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houdende een kritische bezinning op je eigen levensplannen.

7. Sociale verbanden: In staat zijn om met en voor anderen te leven, andere mensen te erkennen en zich om hen te bekommeren, om mee te kunnen doen aan diverse vormen van sociale interactie, en om je te verplaatsen in de situatie van een ander. … Kunnen beschikken over de maatschappelijke grondslagen die je wapenen tegen vernedering en in staat stellen tot zelfrespect; het vermogen te worden behandeld als een waardig wezen wiens waarde gelijk is aan die van anderen. Dit impliceert voorzieningen voor uitsluiting van discriminatie op basis van ras, geslacht, seksuele oriëntatie, etniciteit, kaste, religie en nationale herkomst.

8. Andere biologische soorten: In staat zijn om te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur.

9. Spel: In staat zijn om te lachen, te spelen en te genieten van recreatieve activiteiten.

10. Vormgeving van eigen omgeving: Politiek: daadwerkelijk kunnen participeren in politieke keuzes die je leven sturen. In staat zijn tot uitoefening van het recht op politieke participatie, bescherming van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. En materieel: in staat zijn eigendom te verwerven (zowel onroerende als roerende goederen) en om eigendomsrechten hebben op gelijke voet met anderen. In staat zijn tot daadwerkelijke uitoefening van het recht om werk te zoeken op gelijke voet met anderen, om gevrijwaard te blijven van ongegronde inspectie en inbeslagneming. Op de werkplek arbeid kunnen verrichten als een menselijk wezen dat praktische reden beoefent en zinvolle relaties van wederzijdse erkenning aangaat met ander werkenden.

Voor Nussbaum, Sen en hun volgers moet de overheid een bepaald minimaal niveau garanderen op al deze vermogens. Een prettige samenleving voor iedereen is een samenleving met een goed evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Een samenleving met maximale negatieve gelijkwaardigheid, gelijke rechten voor iedereen. En een samenleving waarin de positieve gelijkwaardigheid, de gelijkwaardigheid om iets te doen, zo is ingevuld dat iedereen in voldoende mate kan meedoen, een samenleving zonder marginaliteit. Broederschap, rechtvaardigheid, vervult een belangrijke rol bij het zoeken naar dat evenwicht. Hierbij maakt het nogal wat uit welke visie op rechtvaardigheid hierbij leidend is. 

Kiezen we als samenleving voor Bentham en zijn utilitarisme dan lopen we het risico dat vrijheid en gelijkheid onder druk kunnen komen te staan. Het individu is immers niet van belang, het gaat om het collectief. Hetzelfde risico lopen we als we kiezen voor een vorm van het goede. Immers ook hierbij is het doel niet het individu maar de samenleving en daarbij kan het individu het onderspit delven. Aan de andere kant van het spectrum betekent het kiezen voor rechtvaardigheid gebaseerd op maximale negatieve vrijheid, maximaal kiezen voor het individu. Hierbij lopen we het risico op maximale strijd tussen die individuen en op grote ongelijkheid tussen mensen. Rawls, Nussbaum en Sen in het verlengde hiervan bieden een goede tussenweg door vanuit de behoeften van het individu te kijken naar wat dat voor de inrichting van de samenleving betekent. Rawls stopt bij die inrichting in de hoop of verwachting dat er zo vanzelf een rechtvaardige samenleving ontstaat. Een samenleving waar vrijheid en gelijkheid via broederschap worden verbonden. Nussbaum en Sen gaan verder en verwachten dat de overheid binnen dat raamwerk, die inrichting, de taak heeft om om ervoor te zorgen dat iedereen een bepaald minimaal niveau van vermogens heeft. 

Foto: Pixabay

Als we naar de Nederlandse samenleving kijken, dan hebben we een Rawlsiaans raamwerk gecreëerd en zien we dat een dergelijk raamwerk niet voldoende lijkt, zoals ik in Egalité probeerde aan te tonen. In de politiek gaat het vooral over het minimale vermogensniveau van Nussbaum en Sen. De ene partij wil hierin geen of zo min mogelijk actie ondernemen, de andere juist zoveel mogelijk. De vermogens van Nussbaum en Sen bieden een manier om rechtvaardigheid en dus broederschap zo vorm te geven dat er een goed evenwicht ontstaat tussen de beide vormen van vrijheid én een prettige verdeling (on)gelijkheid. Een mogelijkheid om Liberté en egalité te verbinden door fraternité.

Ik wens jullie veel broederschap voor 2019 en verder. 



De schaduw van Baudet

Het Forum voor Democratie vertelt een ‘prachtige versie’ van de geschiedenis van Nederland. Je moet het Baudet nageven, op een bombastische wijze weet hij dat verhaal te vertellen. Een verhaal van ‘grootsheid’ dat bedoeld lijkt om mensen ‘trots’ te laten zijn op Nederland. Omdat verhalen mensen binden en het leven zin geven zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, is het goed om dat verhaal eens te bestuderen. Zeker omdat de vertellers van verhalen over een verleden van ‘grootsheid’ en ‘trots’ vaak een bedoeling in het heden hebben. 

Baudet vertelt een prachtig verhaal waaraan toch enkele paragrafen en zelfs complete hoofdstukken ontbreken. Slavenhandel bijvoorbeeld en de moordpartijen van Coen in de Oost. Die zouden toch zeker een plekje mogen krijgen. Want als je de VOC en Coen noemt, dan moet je het complete verhaal vertellen. Niet dat Nederland hierin afweek van de mores in die tijd. Neem de Mongolen van Dzjengis, die stonden erom bekend dat zij hen die verzet boden uitmoordden. Werkte je mee dan kon je op hun welwillendheid rekenen. Nee, het uitmoorden van mensen die zich tegen je verzetten, was redelijk gebruikelijk in die tijd. Oorlogen waren voor de overwonnenen geen pretje. Plunderen, roven en het ondertussen verkrachten en vermoorden leverde het soldij voor de soldaten. Die leefden van het veroverde land. Dat iets gebruikelijk was, wil echter niet zeggen dat we het bij de beschrijving van de geschiedenis niet hoeven te vermelden. Wat hij er ook bij vergeet te vertellen is dat die ‘grootse geschiedenis van die Gouden Eeuw’ het resultaat is van immigratie vanuit het huidige België, vanuit Frankrijk en Spanje en op ‘seizoensarbeiders’ voor de landbouw en scheepvaart vanuit de Duitse landen.

Foto: Pixabay

Wat Baudet voor het gemak vergeet, is dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. 

Die hertekening van ‘grenzen’ was niet de eerste en zeker ook niet de laatste wijziging van grenzen. In kaart en animatie is te zien hoe grenzen in Europa door de tijd veranderden. Voor Baudet en andere ‘trotse’ Nederlanders er is zelfs een animatie die zo’n vierduizend jaar teruggaat. Dit is trouwens niet iets wat specifiek Europees is, ook in Azië, en zelfs in Afrika en Amerika schoven grenzen. 

Als we het over schuivende grenzen hebben dan is Baudets nationale geschiedenis van Coen en de VOC, maar één van de verhalen die je kunt vertellen. Een verhaal met een sterk Hollandse inslag. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’ de Pruisen moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Illustratie: Wikipedia

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden.  

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Dat Baudet dit er niet bij vertelt is logisch. Het past niet in het verhaal dat hij wil vertellen. Het verhaal van die trotse koppige Nederlander die zijn mannetje staat in de wereld en die niet met zich laat sollen. Want met die trotse Nederlander werd wel degelijk gesold. Ook de laatste keren dat er werd gesold, komt in het trotste verhaal van Baudet niet naar voren. Aan de Duitse bezetting na een oorlog van vijf dagen, de jodenvervolging en de dekolonisatie besteedt hij geen aandacht.

Sollen dat is wat de ‘Powers that Be’ doen met degenen die niet bij die Powers horen. Dat is een constante in de geschiedenis. Alleen wie die ‘Powers’ zijn, verandert door de jaren heen. In 1815 waren dat Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Dat laatste land hoorde er voor het eerst bij. Terwijl ze toen op het toppunt van hun macht stonden, zouden de Oostenrijkers nu willen dat ze erbij hoorden. In één eeuw schopten de Oostenrijkers het van hero naar zero. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het land opgedeeld, gedecimeerd en gedegradeerd tot niet eens een B-land. Die status had het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden al in 1815.

Illustratie: Pixabay

Sollen daar helpt het vertellen van verhalen over je trotse verleden niet tegen. Die ‘rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’ om de waarschuwing bij beleggingsproducten aan te halen. Dat ‘trotse’ verleden is hooguit een schaduw en een schaduw wordt groter als de zon ondergaat. Tegenwoordig lijken we anders te denken over het verschuiven van grenzen. Voor onze huidige politici zijn landsgrenzen heilig. Die mogen niet ter discussie worden gesteld en het ene land mag zeker geen stukje van het andere inpikken. Zie bijvoorbeeld de Russische annexatie van de Krim. Die wordt niet getolereerd. Alhoewel heilige grenzen? Zijn die niet alleen heilig als het de huidige ‘Powers that Be’ uitkomt? Want hoe heilig waren de Servische landsgrenzen of een paar jaar eerder de Joegoslavische en de grenzen van de Sovjet Unie? Die landen mochten zomaar uit elkaar vallen en er mochten nieuwe landen ontstaan. De oude grenzen waren niet zo heilig. Je zou kunnen tegenwerpen dat er hier geen sprake is van het ene land, dat grondgebied van een andere land bezet omdat er ‘nieuwe’ landen ontstonden. De Rus kan dan weer tegenwerpen dat die inwoners van de Krim per referendum kozen voor aansluiting bij Rusland. Een keuze die de Venlonaren in 1839 niet kregen. 

Wat nu is zegt niets over de toekomst. Dat is ook wat de verschuivende grenzen uit het verleden laten zien. Is het nu ‘voor eeuwig’ vaststellen van grenzen niet een poging om ons ‘heden’ voor de toekomst vast te leggen? Een manier om het heden te vereeuwigen? Erger nog, zijn trotste verhalen, zoals dat van Baudet, niet pogingen om het verleden ook de toekomst te laten zijn? Een verleden dat bij nadere bestudering helemaal niet zo ‘groots en geweldig’ was als Baudet het laat klinken. Is ‘terug naar het verleden’  geen motie van wantrouwen aan de broek van onze kinderen en kleinkinderen? Ontzeggen wij hen daarmee niet het recht op hun eigen ‘verhalen’?

Wij geven de wereld door aan onze kinderen en kleinkinderen. Dat doorgeven doen we met ons verhaal. Zou dat verhaal er niet een van mogelijkheden moeten zijn? Een verhaal waarin het verleden een belangrijke maar duidelijk andere rol moet spelen dan het verhaal van Baudet. Geen verhaal van ‘trots op’ of ‘grootsheid’ van het verleden, maar een verhaal waarin we leren van het verleden door er patronen in het menselijk gedrag in te herkennen. Patronen zoals het sollen door de ‘Powers that Be’, het misbruiken van het verleden voor politiek gewin. 

Of over de rol van migratie in de geschiedenis. Immers zonder migratie had Baudet zijn trotse verhaal niet kunnen vertellen. Sterker nog, dan hadden we nog steeds rondgelopen op de vlakten van het huidige Oost-Afrika. Nou ja we, hooguit een heel klein deel van de huidige mensheid want veel plek was er niet naast alle andere dieren. Heeft juist die migratie de mens gemaakt tot wat hij is? Een wezen dat grenzen verlegt? 

Illustratie: Wikipedia

Wat zeker niet mag ontbreken zijn verhalen over de rol die macht speelt en wat macht met mensen doet. Verhalen over mensen die macht moeten ondergaan. Mensen waarmee wordt gesold. Verhalen over economische macht van het ene land over het andere. Dus verhalen over de rol van imperialisme en kolonialisme van de oude Egyptenaren tot nu. Want imperialisme en kolonialisme zijn er zo ongeveer sinds de mens zich voor het eerst vestigde in steden. 

Maar vooral ook verhalen over de economische macht van de ene mens over anderen. Dus verhalen over de rol van slavernij en feodalisme vroeger en nu en de manieren waarop onze voorvaderen zich hiertegen teweer stelden. Welke manieren succes hadden en welke niet. manieren zoals de meent. Commons in het Engels en vooral bekend door het artikel The Tragedy of the Commons van Gareth Hardin. Gronden, bos of wateren nabij een dorp waarvan iedereen gebruik mocht maken. Een ouderwets systeem dat ervoor zorgde dat de keuterboeren konden overleven. Een systeem waarbij ieder zijn deel kreeg en dat onderhevig was aan regels die ook door de eigenaar van de grond, de landheer, werden gerespecteerd. 

Een interessante casus over wat mensen samen kunnen bereiken en ook hoe dat teloor kan gaan. Hardin redeneerde als volgt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Hardin zag onze voorvaderen met een huidige economische bril. Een bril van concurrentie en streven naar winst en die winst kan al zijn dat je iets meer hebt dan je buurman. In werkelijkheid heeft het systeem van de meent eeuwenlang zeer goed gefunctioneerd zonder dat het tot uitputting van die gronden leidde. De keuterboeren, onze voorvaderen dachten helemaal niet aan winst en groei. Zij dachten aan samen overleven. 

Hardin heeft gelijk dat hebzucht de meent vernietigde, alleen niet de hebzucht van de keuterboertjes, maar de hebzucht van de landheren. Het systeem van de meent functioneerde eeuwenlang omdat niemand het kon veranderen, de keuterboeren niet en ook de landheer niet. Dat veranderde met het steeds democratischer worden van het landsbestuur. Het parlement kreeg wetgevende macht en kon het gewoonterecht van de meent wel wijzigen. En wie zaten er in het parlement? De landheren en die grepen in de 18e en begin 19e eeuw hun kans. Vooral de Engelse situatie is zeer goed gedocumenteerd. In Engeland nam het parlement ‘Acts of Enclosure’ aan. Wetten die de landheer het recht gaven om zijn land te omheinen en zo af te schermen voor gebruik door anderen. Zo’n omheinde meent betekende het einde voor de keuterboeren. Die konden niet meer overleven.

Illustratie: Flickr

Met het verhaal van de meent kunnen we nu en in de toekomst naar de wereld kijken. Je zou de meent kunnen zien als een ‘basisinkomen’ avant la lettre. Als een manier om naar patenten te kijken of naar (belasting)wetgeving voor het bedrijfsleven. Maar ook een manier om naar de rol van belangengroepen en parlementen te kijken en vooral als waarschuwing dat niet alle belangen een ‘groep’ hebben die gehoord en vertegenwoordigd is. 

Hardin met zijn Tragedy of the Commons, maar ook Baudet met zijn verhaal over het ‘grootse en trotse Nederland’ zien, geven een voorbeeld van de rol die verhalen spelen in het denken van mensen. Verhalen die mensen binden. Maar laten ze niet ook zien dat het goed is om die verhalen te onderzoeken, ter discussie te stellen en er andere verhalen tegenover te stellen? Verhalen die ook weer onderzocht en bediscussieerd moeten worden? Dat het voor de huidige mens, net als zijn Afrikaanse voorvaderen, goed is om zijn grenzen te verleggen, nieuwsgierig tet zijn en ‘migrant’ in denken te zijn?


Rijstepap met kaneel

Mijn moeders authentieke rijstepap met wat kaneel. Pap gemaakt van melk van onze eigen koeien en dus lekker romig. Hieraan moest ik denken toen ik het artikel van Munganyende Hélène Christelle bij de Correspondent las.

Foto: Max Pixel

“Afrikaanse millennials zoals ik willen altijd meer weten over traditionele Afrikaanse kunst en cultuur, het erfgoed dat mede onze identiteit vormt. Over een deel van dat erfgoed ontstaat nu discussie. Zo heb ik moeite met de herkomst van de Afrikaanse waxstof, gemaakt in Helmond, vanwege de koloniale wortels. Maar mijn moeder vindt het prachtig.” De opening van haar artikel waarin de de prachtige gekleurde stoffen die in Afrika worden gedragen, centraal staan. Alleen blijken die stoffen vaak een Helmondse herkomst te hebben. Haar generatie: “gaat daarvoor op zoek naar een authenticiteit die de kenniskloof die we overhielden aan kolonisatie en migratie, kan dichten. Ons eigen verhaal van Afrika.” 

Zoeken naar authenticiteit, maar wat is echt authentiek? Is er wel iets echt authentiek? Zo zijn de Helmondse stoffen ooit geïnspireerd op Javaanse batiks. En als je in de geschiedenis van de batiks duikt dan verlaat je Java ook weer voor het vasteland van Azië. Munganyende sprak voor haar artikel met de vanuit Parijs naar Dakar verhuisde ontwerpster Sarah Diouf. “Diouf maakt haar ontwerpen niet in de felle kleuren die je van Afrikaanse mode en waxprint zou verwachten, maar juist in zachte bruintinten, verwijzend naar de invloed van bogolan of ‘modderdoek’ uit Mali. Dioufs kleding viel deze zomer in de smaak bij niemand minder dan Beyoncé, die een foto op haar Instagram postte in een complete Tongoro-outfit.” Hoe authentiek is het verhaal van een dergelijke outfit? Hoe Afrikaans is die? Hoe Authentiek is die?

Is niet alles wat er momenteel is een resultaat van vermenging van zaken die er vroeger waren? Ook die outfit ontworpen door Diouf. Neem een werk van Mondriaan of Esscher, die zijn in hun stijl herkenbaar en dus kun je ervan zeggen dat ze authentiek zijn. Tegelijkertijd kun je je afvragen of Mondriaan en Esscher hun werk wel zouden hebben kunnen maken zonder Van Gogh en Rembrandt. En zou die echte Rembrandt er wel kunnen zijn zonder het werk van eerdere schilders. Zo kunnen we teruggaan tot de grotschilderingen van Lascaux en wellicht nog verder. 

Moeten we niet juist blij zijn met de vermenging van zaken? Zorgt dat niet juist voor kleur in de wereld? Ik ben blij dat ik van mijn moeders rijstepap heb kunnen genieten. Die was er echter nooit geweest zonder rijst en kaneel.

Beste meneer Bor,

Ik las uw artikel bij Opiniez waarin u betoogt dat rechts het debat beter zonder links kan voeren. Volgens u heeft dat geen zin omdat: “Op alle bovengenoemde onderwerpen domineert zonder uitzondering het linkse narratief. De hoeders van het linkse gedachtegoed hebben een beschermende laag eromheen weten te leggen, zodat het niet besmet kan worden door andere invloeden. Daar omheen ligt een agressieve schil die iedere poging daartoe afslaat door middel van sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld.” De onderwerpen waar u over spreekt zijn immigratie, integratie, islam, de EU, cultuur en klimaat. Er moet mij na het lezen van uw artikel toch wat van het hart.

Breda_Juttemis.jpg

foto: Wikipedia, de vrije encyclopedie

Als eerste geeft u een beschrijving van de positie van links en rechts op deze thema’s: “Zonder op voorhand aan te geven wat de betere zienswijze is.” In die opzet bent u, wat mij betreft, niet geslaagd. Er zal best iemand zijn die vindt dat “immigratie (…) altijd goed is, dat “de EU (…) een prachtig streven (is) waar we alles aan moeten geven” of dat “alle culturen (…)g elijk” zijn en dat “we (…) één overkoepelende cultuur nodig (hebben), gelijkheid boven alles.” Door dit dé standpunten van links te noemen, maakt u een karikatuur van de werkelijkheid.

Dan moet mij als volger van de media toch van het hart dat uw ‘rechtse’ standpunten zeer veel aandacht krijgen. Niet alleen op de site waar uw artikel is geplaatst en op sites als De Dagelijkse Standaard, TPO en Geenstijl, ook uit de Telegraaf, het AD en Elsevier stijgt uw ‘rechtse’ geluid op. En zelfs in de als ‘links’ bestempelde de Volkskrant wordt plek ingeruimd om uw rechtse geluid te brengen. Denk bijvoorbeeld aan de column van Derk Jan Eppink die nu lijsttrekker van het Forum voor Democratie wordt bij de Europese verkiezingen. Hoe ‘dominant’ is dan dat linkse narratief?

Vervolgens wilt u de discussie pas aangaan als “als de rechterzijde net zo sterk is als de linkerzijde en niet eerder.”  Als we kijken naar de politiek dan is die linkerzijde flink in de minderheid. Uw rechtse standpunten zijn te horen bij het gros van de partijen in de Kamer, Van PVV en Forum voor Democratie tot het CDA en de PvdA en op sommige terreinen zelfs de SP.

Als laatste het “graag met modder gooien naar serieuze wetenschappers” die een ander standpunt hebben. Nu kan ik me op de sites en in de media die uw rechtse standpunten vertegenwoordigen, vele voorbeelden herinneren van wetenschappers die een lading modder over zich heen kregen. Neem alleen al het artikel van uzelf waarnaar u verwijst en waarin u een andere wetenschapper afserveert omdat hij vraagtekens zet bij het werk van uw ‘held’. Of van bijvoorbeeld uw Opiniez-collega Johannes Vervloed in zijn schrijven over het IPCC: “Er zitten allerlei ‘geleerden’ in, natuurwetenschappers, maar ook andere beroepen.”  Om vervolgens jullie andere collega natuurkundige Kees de Lange te scharen onder de: “Echte natuurkundigen.” 

Over al deze onderwerpen en ook andere, wil ik graag het gesprek met u aangaan. Daarvoor hoeven we niet te wachten tot  links en rechts ‘even sterk’ zijn. Dat is wachten tot Sint Juttemis 

 

#denkzelfna

Ik wilde me er dit jaar verre van houden. Waarvan? Van het schrijven van een stukje over zwarte piet. Dat gaat me ook lukken want dit stukje gaat niet over zwarte piet, maar over de rechtszaak naar aanleiding van ‘de slag bij Dokkum’. Of beter nog om een stukje dat Jan Gajentaan erover publiceerde bij Opiniez. Als je, zoals de Ballonnendoorprikker, kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak wilt stellen, dan moet je er iets van zeggen.

Demonstratie_op_het_Binnenhof_in_Den_Haag_tegen_de_komst_van_de_centrumpartij_in_de_Tweede_Kamer._In_beeld_een_groot_spa_-_SFA007001062

Foto: Wikipedia

Dat Gajentaan boos is dat zijn heldin Jenny Douwes en haar kornuiten een stevige straf krijgen opgelegd, is tot daaraan toe. Ook mag je vinden dat de rechter de plank mis heeft geslagen. Maar met zijn betoog ligt het wat anders. “Het is duidelijk dat de bezorgdheid van de alleenstaande moeder Jenny Douwes ordeverstoringen tijdens de intocht in Dokkum betrof, uitgelokt door burgemeester Marga Waanders die zich het vuur uit de sloffen liep om de agressieve links-identitairen van KOZP naar Dokkum te halen, nadat deze al de landelijke intochten van Meppel en Maassluis grondig hadden verpest en die van Gouda in een veldslag hadden veranderd.”  En iets verderop: “Ik kan niet anders dan droevig constateren dat de rechterlijke macht volledig van het padje is in Nederland. Want natuurlijk gaat dit niet over de vrijheid van demonstratie of meningsuiting, het gaat om de bescherming van kinderen en hun recht op een ongestoord feest!.” En in de afsluitende alinea: “… de agressieve activisten die al jaren niets in de weg gelegd wordt en die zelfs de rode loper krijgen uitgerold door burgemeesters en in de media ….” 

Een wel zeer bijzondere onderbouwing. Douwes en haar ‘helden’ worden vervolgd omdat ze een kinderfeest beschermen, want dat moet ongestoord door kunnen gaan. Burgemeesters die allerlei partijen uitlokken om te komen demonstreren en zich daarvoor het vuur uit de sloffen lopen en nog erger ‘de rode loper uitrollen.’ En die activisten wordt niets in de weg gelegd. Het lijkt wel een complot.

Maar als die activisten niets in de weg wordt gelegd, hoe komt het dan dat de intochten in Meppel en Maasluis grondig werden verstoord en het in Gouda op een ‘veldslag’ uitliep? Hoe kan het dan dat er ‘activisten’ door de politie werden opgepakt? Dan heb ik zeker gedroomd toen ik diverse Haagse politici begrip hoorde tonen voor de intenties achter de actie van Douwes? Als burgemeesters rode lopers uitleggen, hoe komt het dan dat de demonstranten bijna altijd ergens in een hoekje worden wegegemoffeld?

“De Nederlandse bevolking laat zich niet langer in de hoek zetten door een lawaaierige minderheid. Desnoods worden we allemaal #blokkeerfriezen,” zo sluit Gajentaan af. Nu ontbeer ik zijn gave om voor de Nederlandse bevolking te spreken, maar als Nederlander kan ik alleen maar zeggen dat ik me niet door zo’n baarlijke nonsens om de tuin laat leiden. En ik voeg eraan toe dat iedereen het recht heeft om zijn mening te uiten en te demonstreren. Demonstreren bij een ‘kinderfeest’, maar ook bij een moskee, door daar te gaan barbecuen. Dat recht heb je, of je het ook moet doen, is een andere zaak. Ik beveel iedereen aan, #denkzelfna.

Probleemwijk en integratie

De plannetjes van VVD-fractievoorzitter Dijkhoff om misdrijven in probleemwijken harder te bestraffen, zijn door iedereen inclusief het kabinet, naar de prullenbak gewezen. Doel van Dijkhoff was, zo lees ik in de Volkskrant: “mensen in probleemwijken ‘zo vrij maken als we allemaal horen te zijn’. Niet alleen moet criminaliteit daar strenger gestraft worden, ook wil Dijkhoff afdwingen dat jonge kinderen die onvoldoende Nederlands leren al op vroege leeftijd naar de kinderopvang gaan en taalles krijgen. Ouders die niet meewerken moeten gekort worden op uitkeringen en bijstand.” Behoorlijk dwingend voor liberalen die normaal gesproken individuele vrijheid hoog in het vaandel hebben staan. 

Dijkhoff

Foto: Wikimedia Commons

Het siert Dijkhoff dat hij zich druk maakt om mensen in probleemwijken, mensen die het moeilijk hebben. Bijzonder is dat hij alleen denkt in termen van straf. Dubbele straf voor de crimineel, korten op de bijstand. Hoe draagt dit bij aan het bestrijden van de problemen van de mensen in die wijken? Als hij ‘onvoldoende Nederlands’ wil bestrijden, zou verhogen van de bijstand bij het volgen van taalles dan niet kunnen helpen? Of het verdubbelen van de bijstand in probleemwijken? Zou daardoor de noodzaak om te vervallen tot criminaliteit niet af kunnen nemen?

Premier Mark Rutte wil wel gaan bekijken of Nederland iets kan leren van de aanpak in andere landen om integratie te bevorderen, ‘zolang dat rechtsstatelijk kan’.” Wordt hier gezegd dat problemen in wijken hun oorzaak vinden in de integratie van mensen in die wijk?

Bijzonder aan de ‘probleemwijken’ is dat bijna iedereen die voldoende middelen heeft om elders een plek te vinden, de wijk verlaat. Zouden economische omstandigheden niet ook een rol spelen? Zou dan een gebrek aan voldoende inkomen niet ook een belangrijke rol spelen? Als we zien dat Mohammed met dezelfde papieren als Max minder kans maakt op eenzelfde baan, zou er dan niet iets anders moeten gebeuren? Sterker, zou er dan niet iemand anders ‘gestraft’ moeten worden dan de bijstandstrekker die zijn kind niet naar de peuterspeelzaal doet? Of nog beter ‘verleid’ moeten worden?

Gooit Rutte hier niet het plannetje van Dijkhoff in de ‘prullenbak’ en neemt hij gelijktijdig de redenering erachter over? Heeft Dijkhoff zo niet de slag om het plannetje verloren, maar de oorlog om de ideeën erachter gewonnen?

Beste dokter

Bij Opiniez is Jan Gajentaan in een fictief gesprek met zijn dokter. Op de vraag wat het probleem is, antwoordt Gajentaan: “Er vormen zich parallelle samenlevingen … Je hebt niet meer het gevoel dat we één geheel zijn. In de jaren zestig en zeventig gaven we af op de burgerlijke jaren vijftig, die ik overigens zelf niet heb meegemaakt. Maar als ik nu foto’s van de jaren vijftig zie, lijkt het of het een tijdperk was van harmonie en levensvreugde. De mensen hadden het niet breed, maar ze waren niet zo verdeeld en wantrouwend als nu.” Ach die heerlijke stabiele jaren vijftig waarin de mensen in harmonie en plezier leefden. Wie zou daar niet naar terug willen?

40993123261_f2b78fef1b_b

Foto: Flickr

Die jaren vol levensvreugde onder de donkere schaduw van ‘ de bom’. De bom die bijna viel door de Koreaanse oorlog, de onrust in Oost-Duitsland in 1953, De Suez-crisis in 1956 al viel die ‘gelukkig’ samen met de Hongaarse opstand zodat de ‘Russen’ daar hun handen vol aan hadden. De jaren van dekolonisatie-oorlogen in onder andere Vietnam en Algerije.

Die gezellige jaren vijftig waarin de mensen zo harmonieus met elkaar sportten, muziek maakten en boodschappen deden. Maar dan wel in ‘eigen kring’ om een term uit de leer van de gereformeerde politicus Abraham Kuyper te gebruiken. En die eigen kring was de eigen ‘godsdienst’. Zo gezellig dat zelfs de duiven apart moesten vliegen en er bijna de ‘sociale doodstraf’ stond op het kopen van een brood bij een bakker uit een ‘andere kring’. 

Die harmonieuze jaren waarin de Nederlandse bisschoppen een mandement (een herderlijk schrijven) uitbrachten waarin zij hun ‘schaapjes’ verboden om lid te zijn van alles wat ook maar naar socialisme riekte. Wie niet gehoorzaamde kwam niet meer in aanmerking voor de sacramenten en kon zijn plek in de hemel wel vergeten. 

Of zoals zoals Lijphart in zijn klassieke werk Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, concludeerde: “Om de stabiliteit van de Nederlandse democratie in de periode 1917-1967 te verklaren kunnen we geen beroep doen op een sterk nationaal saamhorigheidsgevoel,” 

De dokter van Gajentaan adviseert: “Meneer Gajentaan, graag drie maal daags deze kalmeringsmiddelen innemen. Ik voeg er een middel aan toe, dat er voor zorgt dat u de werkelijkheid wat vrolijker bekijkt dan zoals deze eigenlijk is. De publieke omroep kunt u beter een tijdje vermijden, net als Twitter. Dan komt u de komende maanden wel door. Komt u daarna gerust weer eens langs!”. 

‘Uit uw blik begrijp ik dat u ook iets wilt zeggen meneer de Ballonnendoorprikker, is dat zo,’ vraagt de dokter. ‘Wel dokter, als ik meneer Gajentaan zo aanhoor, dan zou ik hem willen adviseren zich eens meer te verdiepen in het verleden. Wat verder te kijken dan de foto’s. Misschien dat hij het heden dan wat beter in perspectief kan plaatsen.’

Stijd der culturen

Sid Lukkassen betoogt bij ThePostOnline dat: “De existentiële uitdaging voor het Westen (…) niet (komt)  vanuit jihadisten. Die komt vanuit de subtiele culturele en demografische invloeden die worden toegepast vanuit de moslimgemeenschap om islamieten steeds rechter in de leer te duwen, wat gepaard gaat met een desecularisering en islamisering.”  Want er is in Europa en ook in Nederland een strijd aan de gang tussen culturen en: “een strijd tussen culturen is een strijd om welke cultuur zal voortbestaan.” Om die strijd te kunnen aangaan moet er: “een Leidcultuur op expliciet Europese leest worden gedefinieerd die ook beleidsmatig consequent moet worden uitgerold, opgelegd en afgedwongen.” Een bijzonder betoog.

Unknown

Foto: Flickr

De meeste ‘strijders’ tegen de islam hebben ook weinig op met Europa, dus zal het nog een flinke strijd worden om die Europese Leidcultuur te bepalen. Dit roept meteen ook de vraag op aan wie de ‘eer’ toekomt om mee te mogen bouwen aan die ‘Leidcultuur. Hoe groot is de kans dat het komen tot die Leidcultuur een lijdensweg wordt? Dat even terzijde.

Wat bijzonder is in zijn betoog is dat die andere cultuur in de strijd van Lukkassen maar één kant op lijkt te kunnen gaan, namelijk die van ‘desecularisering en islamisering’ veroorzaakt door: subtiele culturele en demografische invloeden die worden toegepast vanuit de moslimgemeenschap om islamieten steeds rechter in de leer te duwen.” Bijzonder omdat dit inhoudt dat de islam na Mohammed seculierder is geworden. Als dat niet was gebeurd, dan zou de islamitische cultuur nu niet in de richting van de echte leer van Mohammed geduwd hoeven te worden.

Dat er een seculiere of seculierdere versie van de islamistische cultuur mogelijk was, erkent Lukkassen als hij onderzoek aanhaalt: “dat de latere generaties militanter met hun geloof omgaan dan de gastarbeiders. Gek is dat niet want het Turkije van toen was meer seculier dan het hedendaagse Turkije.” Als de islamitische cultuur al eens eerder seculierder is geworden, zou dat nu of in de toekomst dan niet weer kunnen gebeuren? 

Zouden er dan niet ook nog andere mogelijkheden zijn om die ‘strijd der culturen’, als die er al is, aan te gaan? 

 

#geenvrouwopstraat, ookgeenman

“Wie de geschiedenis niet kent is gedoemd ze te herhalen,” een bekende uitspraak die we te danken hebben aan de Spaans-Amerikaanse schrijver, dichter en filosoof George Santayana. Het kennen van de geschiedenis is echter geen garantie dat ze niet wordt herhaald. Sterker nog, er zijn mensen die de geschiedenis willen herhalen om haar recht te zetten. Bregje Hofstede Correspondent Nieuw Feminisme bij De Correspondent lijkt zo iemand.

In een artikel doet zij verslag van een actie van haar actiegroep #meervrouwopstraat: “Om die scheve verhouding aan te kaarten, plakten we als symbolische eerste zet een E achter het bordje van De Dam om er een Dame van te maken, en waaierden vervolgens uit om Serafina en Jansie, Raden Adjeng Kartini, Suze Groeneweg, Beyoncé en acht andere vrouwen een plek te geven. Bij bewustwording begint het.” Want wat blijkt: “88 procent van de naar een mens genoemde straten in Amsterdam heeft een mannennaam.” Er niets mis met bewustwording alleen zullen er weinig  mensen zijn die zich er niet van bewust zijn dat de koek nog steeds niet eerlijk is verdeeld tussen man en vrouw. Sterker nog, ook binnen die groepen is de koek niet eerlijk verdeeld. 

Dan moeten er heel veel straten worden aangelegd om die scheefheid recht te trekken zo schreef ik haar. Alle straten die de komende jaren worden aangelegd moeten dan een ‘vrouwennaam’ krijgen. Als dat de bedoeling is ben je dan niet net zo eenzijdig bezig als onze voorouders? Hoe eerlijk ben je in het heden als je nu alle straten naar vrouwen gaat noemen? Er worden dan geen straten meer vernoemd naar recente ‘mannen’ die ook iets bijzonders hebben betekend. Zouden toekomstige ‘gelijkheidstrijders’ dan niet kunnen concluderen dat mannen in deze tijd ernstig werden gediscrimineerd? 

Gelukkig ziet Hofstede een alternatief: “Een mogelijkheid die weinig genoemd is tot nu toe: het meerendeel van de straten is helemaal niet naar een mens genoemd. Er zijn nogal wat eiken-, linden- en acacialanen, bijvoorbeeld. Wil je dus de bestaande mensennamen houden maar meer aandacht hebben voor tot nu toe vergeten mensen (met name vrouwen), dan zijn er veel opties.” Als die gelijkheid dan toch moet worden bereikt, is er nog een andere optie. Laten we dan alle straten die naar personen zijn vernoemd een andere naam geven. Hoeft er niet over gediscussieerd te worden of een persoon wel ‘voldoende’ heeft gedaan om een straatnaam te verdienen. Lopen we niet het risico dat onze nakomelingen ons over honderd jaar beschuldigen van het vereren van de verkeerde. En mannen, vrouwen, LHBTQIA en van welke kleur ook, worden gelijk behandeld en kunnen aanspraak maken op procentueel gezien evenveel straten, namelijk NUL.

Holland, Michigan

Toen ik Willem Melchings pleidooi in de Volkskrant voor een ‘Leitkultur’ las, moest ik denken aan Holland in Amerikaanse staat Michigan. In die plaats ‘spelen’ ze het Nederland uit vroeger jaren na compleet met bouwstijl, klederdracht en tulpenfestival. Een stadje gesticht door naar de Verenigde Staten geëmigreerde Hollanders.

Dutch_Dancers,_Holland,_Michigan_(81444)

Illustratie; Wikimedia Commons

Volgens Melching is die ‘Leitkultur’ nodig omdat een multiculturele samenleving: “op termijn hun samenhang verliezen door het ontbreken van gemeenschappelijke waarden en normen.”  Volgens Melching zou die ‘Leitkultur’ moeten bestaan uit: “kernwaarden die sinds 1945 typerend zijn voor de Europese politieke cultuur. Om de belangrijkste te noemen: democratie en tolerantie, scheiding van kerk en staat, gelijkwaardigheid van vrouwen en seksuele minderheden.” Volgens Melching zijn Canada en de Verenigde Staten voorbeelden van landen die hier heel goed in slagen. Een op het eerste gezicht logisch betoog. Maar hoe zit het met met het tweede gezicht? 

Als we naar de kernwaarden van Melchings ‘Leitkultur’ kijken dan valt op dat die allemaal zijn verwerkt in onze wet- en regelgeving. Alleen op het gebied van de scheiding tussen kerk en staat is er nog wat werk aan de winkel. Als die kernwaarden een voorwaarde voor een succesvolle multiculturele samenleving en voor een succesvolle inburgering van nieuwkomers, waarom spreken zovelen dan van een mislukking? Zou het dan misschien aan het overbrengen van die kernwaarden op nieuwkomers liggen? Dan zou de inburgeringscursus anders moeten. 

Zou het gevoel van ‘mislukken’ een andere oorzaak hebben? Zou dat gevoel van mislukken niet een gevolg kunnen zijn van het nooit kunnen voltooien van de ‘inburgering’? Wat zou het met iemand doen die de inburgeringscursus heeft gevolgd, het inburgeringsexamen heeft gehaald, de participatieverklaring in het bijzijn van de burgemeester heeft ondertekend en betaald werk heeft en maar één koekje bij de thee of koffie serveert en dan nog steeds te horen krijgt dat hij een buitenlander is en er niet bijhoort? 

Zonder die ‘leitkultur’: “zullen de nieuwkomers zich opsluiten in zelf gecreëerde getto’s.” aldus Melching, die zich baseert op een theorie van de Duits-Syrische politicoloog Bassam Tibi. Nu zijn ook de Verenigde Staten ook niet vrij van gebieden waar mensen met eenzelfde land van herkomst samenklonteren, daarom mijn gedachte aan Holland in Michigan. Het is daarom maar de vraag of een ‘Leitkultur’ dat hier gaat voorkomen.

Die ‘Hollanders’ in Michigan horen er nu bij met behoud van hun eigen ‘oud Hollandse cultuur’ en hun stadje is toeristische attractie. Zo zie je maar dat een ghetto ook tot iets moois kan uitgroeien.