‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

‘Leeuwenkoning Baudet 2’

“I’ve said that many times.” Het antwoord van Thierry Baudet op de vraag van een Zwitserse journalist of hij “the leading intellectual in the Netherlands,” is. Natuurlijk mag iemand dat van zichzelf vinden en het ook zeggen. Laten we Baudets betoog eens volgen.

Bron: Wikimedia Commons

Baudet zet zich af tegen alle partijen want die zijn: “all representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” Baudet maakt hier wel een erg grote karikatuur van het liberalisme en gaat volledig voorbij aan grote liberale denkers die de wel degelijk grenzen stelden aan maximale individuele vrijheid. Mill begrensde die al door eraan toe te voegen dan de vrijheid van de één begrensd wordt door evenveel vrijheid voor alle anderen. De liberaal en denker over rechtvaardigheid John Rawls voegde er zijn twee beginselen van rechtvaardigheid aan toe: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Tot zover de karikatuur. In deze zinnen zegt Baudet nog meer. Hij zet zich af tegen maximale gelijkheid van mensen. Beweert hij hier dat, om Orwells Animal Farm te citeren: “some animals are more equal than others”? Hij streeft niet die maximale gelijkheid na, maar een ingebedde mens die ‘zijn eigen vrijheid goed begrijpt’. Een ‘ingebedde mens die een leidende elite nodig heeft want: “society needs an elite that leads the way.” Dat hij zelf vindt dat hij tot die elite behoort, mag al blijken het antwoord op de vraag uit het interview waarmee ik begon. 

Maar een elite? Mogen we hieruit afleiden dat hij een nieuwe elite wil met hem als ‘leeuwenkoning’ om een eerdere Prikker aan te halen? Dat ‘het volk’ zich daarna weer moet schikken in ‘volgzaamheid’? ‘Het volk’ is dus alleen maar even nodig om de ‘oude elite’ die er volgens Baudet niets van begrijpt, weg te werken. En daarna ‘le roi est mort, vive le Roi lion’? Op die eerdere Prikker kom ik later nog terug.

Even terug naar dat ‘equilibrium’ die: “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’.” Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Daarvoor grijpt hij terug in de geschiedenis: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Baudet wil terug naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” 

Bron: Wikipedia

Pardon! de bourgeoisie waren de ‘ordinary people’? De bourgeois manier van leven was voorbehouden aan een heel klein deel van de mensen. Even een korte geschiedenis van het begrip bourgeoisie. Dit begrip ontstond in de Middeleeuwen en bestond uit de middenklasse van handelaren en gildemeesters uit de steden. Bij middenklasse moeten we ons iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig onder verstaan. De middenklasse bestond uit de mensen die minder aanzien hadden dan de adel, maar meer dan het gepeupel waartoe de overgrote meerderheid behoorden. Ze stonden midden tussen die twee standen of klassen in. Qua financiën stonden ze aan de top. In de steden vocht deze klasse voor zeggenschap voor de burgers van een stad tegen de landheer. Nu moeten we ons ook bij het begrip stadsburger iets anders voorstellen dan we er tegenwoordig bij denken. Niet iedere inwoner van de stad had rechten als burger. Nee deze rechten waren voorbehouden aan … de bourgeoisie. Het gewone volk daar hadden ze geen eieren mee, dat moest zich schikken in haar armetierige lot. De bourgeoisie bestond dus uit de rijke handelaren, bankiers en vanaf de negentiende eeuw de fabriekseigenaren. Wil Baudet terug naar deze standmaatschappij? Laat zijn aanhangers zich dan realiseren dat die ‘ordinary people’ waarover Baudet het heeft, de miljonairs fair bezoeken en in de quote 500 staan.. 

Een belangrijk begrip in Baudets denken is oikofobie. Baudet beantwoordt de vraag of oikofobie: “denying or hating your own culture,” is met “yes”. Baudet verwijt dat: “under the influence of cultural Marxism, which started in the 1920s and became dominant in the 60s, intellectuals, politicians, artists, academics, journalists and, as such, the entire elite of our society have been bewitched by that idea.” Cultuurmarxisme een prachtige term waar Baudet en andere aanhangers ervan, alles onderstoppen wat ze niet aanstaat. Als dit oikofobie is dan vraag ik me af waar Baudet tegen vecht. Zouden er werkelijk zoveel mensen zijn die hun eigen cultuur ontkennen en haten? 

Het lijkt erop dat iedereen die denkt dat een cultuur fluïde is en in de loop van de tijd verandert in de ogen van Baudet aan oikofobie leidt. En daarmee kom ik bij de eerste prikker met als titel ‘Leeuwenkoning Baudet’ en vooral bij de zin van Popper die erin centraal stond: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Waardoor het, in ieder geval voor mij, duidelijk wordt dat Baudets denken een van de twee vormen van historicisme is. De vorm die het ideaal in het verleden zoekt en ernaar terug verlangt. 

En, zoals Popper concludeerde leidt historicisme in extremis tot totalitarisme. Met zijn betoog over de bourgeoisie wordt duidelijk hoe Baudet de wereld ziet. Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden. Heeft dat niet een zweem van totalitarisme?

Denken over economie (deel 1)

Zoals in twee eerdere twee prikkers toegezegd, een reeks over economisch denken. Dat doe ik aan de hand van belangrijke denkers over economie en het kapitalisme uit de moderne geschiedenis. Deze behandeling is niet uitputtend. Er zijn meer denkers die zich in de moderne tijd over de economie hebben gebogen en ook in de pre-moderne tijd werd er al over de economie nagedacht.

De economische wetenschap is een bijzondere soort wetenschap. Een bijzonder soort wetenschap waarvan een van haar beoefenaren, de Koreaan Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme zegt dat het (pagina 16): ”…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering, zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” Een bijzondere uitspraak voor een econoom omdat veel van zijn vakgenoten het juist doen voorkomen dat het anders ligt. Zij schermen met ingewikkelde wiskundige modellen waarover ik al eerder schreef.   

Eigen foto

In de economie staan menselijke beslissingen centraal. Beslissingen van ons allemaal individueel maar vooral beslissingen van diegenen die de regels kunnen bepalen. Beslissingen leiden niet altijd tot de gewenste resultaten. En zoals bij alle beslissingen zijn, en waren, er ook andere keuzes mogelijk. Andere keuzes die tot andere gewenste of ongewenste resultaten leiden. Bij het nemen van die beslissingen worden wij mensen en dus ook degenen die de regels bepalen, geleid door onze visie op de werkelijk. Niet iedereen is zich bewust van zijn visie op de werkelijkheid. Bij dit weten hoort kennis hebben van het verleden, de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt en de achtergronden bij die keuzes. Hierbij moeten we die keuzes proberen te zien met de ogen van mensen uit die tijd. Daarbij is inzicht in het denken over onze economie en het kapitalisme onontbeerlijk. 

Het klassiek economisch denken

Als we het over economie en het kapitalisme hebben dan kunnen we niet om Adam Smith en John Stuart Mill heen. Bij het schrijven over Smith baseer ik me voornamelijk op De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy. 

Adam Smith schreef over de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van eerst één product of productsoort en in toenemende mate zelfs alleen maar een deel van een product. Smith gebruikt het voorbeeld van de speld. Een speldenmaker kan er slechts een beperkt aantal per dag maken. Door het werk te verdelen in kleinere stappen, een persoon knipt de draad, een tweede maakt de speldenknop, de derde zet de knop op de speld en een vierde slijpt de punt, kunnen er veel meer dan vier keer zoveel spelden worden gemaakt. Deze specialisering leidt tot een toename van de totale productie. Het surplus wordt verkocht op de markt. Met het geld dat daarmee wordt verkregen, kunnen producten worden gekocht. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaalt niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hun het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith (de Utopie van de vrije markt pagina 181): “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigenbelang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.” Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. 

Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen belang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt tot het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden dus een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkende John Stewart Mill, een andere bekende klassiek liberaal, dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid (zie J.S. Mill, Over de vrijheid pagina 126-127) Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.” Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belasting ontwijker die zegt alles binnen de bestaande wet- en regelgeving te doen (en daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook) en aan de andere kant Mill die de ontwijken zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen.  Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt  van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen. 

Eigen foto

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. We zullen later zien dat deze vooronderstelling bij de neoliberalen dogma’s worden. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein en was Mill een filosoof en politiek theoreticus. 

Mill was, in navolging van zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn. Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Het Bruto Binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.  Utilitarisme kan niet zonder een instantie die ervoor zorgt dat die stappen worden gezet die het meeste geluk of genot brengen. 

Dit denken bevat de kiem van politiek gericht op meer solidariteit en bekommering om elkaar. Die bekommering om elkaar, die solidariteit  met elkaar kreeg een grote boost door een andere denker en groot kenner van het kapitalisme: Karl Marx. Marx beschreef de werking van het kapitalisme en de ‘gebreken’ ervan. Die gebreken kwamen in de loop van de negentiende eeuw aan het licht. In een volgende deel staat Marx centraal.

‘Alternatieve, krachtige’ liberalen

“Een voorstander van een zo groot mogelijke vrijheid op economisch en cultureel gebied, van een zo gering mogelijke overheidsbemoeienis,”

De betekenis die de Van Dale geeft aan het woord liberaal. Zo helder als deze definitie is de politieke betekenis van liberaal niet. Centraal in deze definitie staat het begrip vrijheid en zoals Isaiah Berlin in zijn boek Twee opvattingen over vrijheid liet zien kun je vrij zijn ‘van’ (negatieve vrijheid) en vrij zijn ‘om’ (positieve vrijheid).

liberaal

Illustratie: Liberale verkiezingsaffiche, 1958 | Campaign poster, Belgi… | Flickr

Vrij ‘van’ dwang en inmenging door anderen waaronder een overheid. Vrij ‘om’ dat te doen wat iemand wil. Iemand kan vrij zijn van dwang en inmenging maar toch niet vrij om dat te doen wat hij of zij wil. Zo kan het hem of haar aan de middelen (geld, voedsel) ontbreken om dat te doen wat hij wil. Dat zijn zoals Berlin schrijft: “twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” 

Vanwaar deze uitwijding over het liberalisme en vooral vrijheid? Omdat het verkiezingsprogramma van Leefbaar Rotterdam (LR) samen met het Forum voor Democratie (FvD) komende gemeenteraadsverkiezingen de slogan: “het krachtvoer voor echte liberalen,” draagt, zo is bij de NOS te lezen.

Wie zijn die ‘echte’ liberalen’ die de beide partijen van krachtvoer willen voorzien? En hoe ziet dat krachtvoer eruit? Daarvoor zou het programma moeten worden bestudeerd. Het jammere is dat dit nog niet te vinden is op het Net. Wel al enige eerste punten. Zo zijn straten ‘voor veel mensen onherkenbaar. Er zit geen groenteboer meer maar wel een Marokkaanse slager. Om daar wat aan te doen moet er een vestigingswet komen. Een wat? Een wet die het mogelijk moet maken om die Marokkaanse slager te weren, zo valt te lezen bij De Dagelijkse Standaard.

Krachtig ‘voer’ maar wat is er liberaal aan? Hoe bevordert dit idee de vrijheid op economisch en cultureel gebied? Wordt de Marokkaanse slager zo niet belemmerd in zijn economische mogelijkheden? Worden de Marokkaanse slager en zijn klanten niet belemmerd in hun culturele vrijheid? Verkleint het niet de vrijheid ‘van’ dwang en inmenging, de negatieve vrijheid? Om over de positieve vrijheid, de vrijheid ‘om’ maar te zwijgen.

Er zijn politici die er ‘Alternatieve feiten’ op na houden. Zouden LR en het FvD er een nog onbekende ‘alternatieve’ versie van het liberalisme op na houden? Een versie die de vrijheid vergroot door ze te verkleinen?

Grote verhalen

Gastcolumnist Kiza Magedane somt in zijn column in de Volkskrant een hele waslijst aan ‘ziekten’ op waaraan ‘wij’, de Nederlandse samenleving volgens diverse ‘meningenmensen’ zouden leiden. “Naast occidentofobie is Nederland aan nog meer dure sociale diagnoses rijk. Xenofobie, islamofobie, oikofobie, nanoracisme, cultuurmarxisme, homofobie, seksime, om maar een paar te noemen,” aldus Magedane. Vervolgens stelt hij zijn eigen diagnose: “De werkelijke ziekte waar wij misschien aan lijden is het einde van grote verhalen om al die verschillen in de Nederlandse samenleving te verbinden.” Een gebrek aan verbindende verhalen, dat klinkt mooi, als ‘we’ maar verhalen hebben die ‘ons allen’ verbinden.

Sandel

Wat waren dan die grote verhalen die ons allen verbonden waaraan een einde is gekomen? Waren dat de ‘socialistische veren’ die Wim Kok ooit heeft afgeschud. Hadden die veren niet te maken met concurrerende liberale en confessionele veren? Waren er naast die socialistische veren niet ook concurrerende communistische veren van verschillend pluimage? Waren er niet ook verschillende soorten liberale veren? En bestonden die confessionele veren niet uit katholieke en protestante die ook nog in verschillende ‘facties’ uiteen vielen. Kortom een ‘strijd’ tussen concurrerende, verbindende verhalen die voor een verdeelde samenleving zorgden.

Die verdeeldheid ligt inderdaad achter ons, die slag is voor nu gewonnen door het liberale markt verhaal waarin de vrijheid van het individu centraal staat. Dit beschrijft de filosoof Michael J. Sandel in zijn boek Politiek en moraal. Filosofie voor het publieke debat. Sandel behandelt de Amerikaanse situatie en constateert een schreeuwend gebrek aan inhoudelijk debat. Een debat waarbij waarden en normen centraal staan. In die ‘liberale vrijheid’ is het streven naar neutraliteit van de overheid: “De regering moet niet door middel van beleid of wetten een bepaalde opvatting van het goede leven onderschrijven: ze moet in plaats daarvan zorgen voor een neutraal raamwerk van rechten waarbinnen de burgers hun eigen waarden en doelen kunnen kiezen.” De politicus en bestuurder dient zijn waarden en opvattingen thuis te laten als hij naar zijn werk gaat wat voor technocratisch debat en beleid zorgt, waarin mensen zich niet herkennen. Een van de gevolgen hiervan is dat de rechter wordt ingeschakeld om normatieve uitspraken te doen, die eigenlijk aan de politici zijn. Iets dat Magedane ook in Nederland constateert:“Helaas zijn er nog geen concrete medicijnen tegen de geobserveerde sociale ziektes. Juridisering lijkt de enige uitweg.” Zou Sandels analyse van een ontbrekend inhoudelijk debat, ook op Nederland van toepassing zijn?

Ach, die arme geschiedenis

Zit u goed? Als dat niet zo is, ga dan even goed zitten voor u de volgende zin leest. “Onze samenleving vindt haar oorsprong in de joods-christelijke traditie, het humanisme, de Verlichting en het liberalisme, fundamenten die hebben geleid tot een vrije en tolerante samenleving.” De openingszin van een artikel op de opiniesite Jalta van VVD-kamerlid Malik Azmani. U weet wel het kamerlid dat het VVD-vluchtelingenbeleid van ‘opvang in de regio’ verzon. Een prachtige ronkende openingszin joods, christelijk, humanisme, Verlichting, liberalisme die de fundamenten van onze vrije en tolerante samenleving vormden. Haast te mooi om waar te zijn. Haast te mooi of gewoon te mooi?

kantIllustratie: Emaze

Neem dat joods-christelijke, Azmani is niet de enige die deze woorden tegenwoordig achter elkaar zet alsof ze bij elkaar horen. Toch dachten christenen daar eeuwen lang, eigenlijk nog tot kort geleden, anders over. De Europese christelijk geschiedenis loopt nu niet over van enthousiasme voor joden. Van buitensluiting, via progoms tot systematische vernietiging in gaskamers. Ook onderling waren die christenen niet altijd, of eigenlijk bijna nooit, goede vrienden. Denk maar eens aan de godsdienstoorlogen.

De Verlichting en het christendom en ook het jodendom, ook geen gelukkige combinatie. Verlichte denkers zetten zich juist af tegen voorgekookte waarheden van een religie. Zij moedigden mensen, in tegenstelling tot de dominees en priesters, juist aan tot zelfstandig denken en zoeken naar de waarheid. Gebruik de rede en kom tot de waarheid, zo zou je het kort kunnen samenvatten. Dat is trouwens ook in het kort de samenvatting van het humanisme. Ook dat zette zich juist af tegen het ‘bovennatuurlijke’ geloof en ging daar verder waar klassieke denkers waren opgehouden, of beter gezegd verdrongen door christelijke denkers. Nee, die vrije en tolerante samenleving is er eerder ondanks, dan dankzij het christendom gekomen.

Dan het liberalisme, welk liberalisme bedoelt hij? Zou een negentiende-eeuwse liberaal zich herkennen in de VVD-variant van nu? Een eeuw geleden was de liberaal Pieter Cort van der Linden premier, hij zou de huidige ‘liberale’ premier Rutte waarschijnlijk bestrijden. Zou Azmani weten dat het socialisme en zelfs het communisme ‘kinderen’ zijn van het liberalisme? En hoewel ze onderling flink van mening konden verschillen en elkaar de koppen in konden slaan, waren de confessionelen toch hun belangrijkste tegenstanders.

Beste meneer Azmani, achter die mooie ronkende zin zit veel meer dan u denkt. De werkelijkheid achter de combinatie van deze woorden is heel anders, heel wat minder mooi dan u hier suggereert. Maar ja wie maalt daar om. Het is geschiedenis en die kun je te pas en te onpas gebruiken om je eigen waarheid te creëren. Daarin staat u niet alleen.

Als historicus rest mij te verzuchten: ach, die arme geschiedenis.

Bange liberalen

Met de kamerverkiezingen in aantocht, presenteren de politieke partijen hun plannen en ideeën. Voor een stukjesschrijver zijn dat gouden tijden. Vorige week verscheen het verkiezingsprogramma van de VVD. Op pagina 21 in de paragraaf Integratie, de volgende zin: “Onze kernwaarden mogen niet onder druk komen te staan door aanvallen vanuit islamitisch- extremistische hoek. Daarom willen we haatpredikers van binnen en buiten de Europese Unie weren uit Nederland.” Een interessante zin die om verduidelijking vraagt.

extremisme

Foto: aff.skynetblogs.be

Wat zijn die ‘kernwaarden’ die niet onder druk mogen komen te staan? In het programma wordt heel vaak verwezen naar ‘onze waarden’ en komt het woord kernwaarden twee keer voor, maar wat die waarden zijn, wordt niet duidelijk. Hoe moet ik nu als ‘potentiële kiezer’ beoordelen of de VVD het over dezelfde waarden heeft als waaraan ik denk? Als die niet overeenkomen, dan is er geen sprake van ‘onze waarden’.

Dan het tweede deel van de zin, dat de waarden niet onder druk mogen komen te staan vanuit islamitisch-extremistische hoek. Is dat de enige hoek van waaruit de kernwaarden onder druk kunnen of worden gezet? Of zijn er ook andere hoeken? Zoals door aanvallen vanuit christenlijk-extremistische, facistisch-extremistische of wilderiaans-extremistische hoek en zijn die wel toegestaan? Zouden kernwaarden niet ook onder druk kunnen komen te staan door aanvallen vanuit gematigde hoek?

Zijn die kernwaarden de grondwettelijke vrijheden? Bedoelt de VVD hier bijvoorbeeld de gelijke rechten voor homo’s en hetero’s waarnaar in de inleiding wordt verwezen? Dan is het goed om te weten dat die waarde net als vele andere bejubelde vrijheden, juist zijn ontstaan door het onder druk zetten van eertijdse kernwaarden. Zou een zich liberaal noemende partij niet juist moeten vertrouwen op de kracht, de vrijheden, van de liberale democratie? Zou zij ‘druk op die waarden door aanvallen’ van welke extremisten dan ook niet met vertrouwen tegemoet moeten zien? Vertrouwen dat is gebaseerd op de kracht van die vrijheden?

Ruttes liberalisme

Het verleden is een mooie winkel om snoepjes uit te plukken die in de eigen kraam te pas komen. Het afschuiven van alle ellende op ‘links’ is tegenwoordig een favoriete bezigheid. Links heeft de ‘gastarbeiders’ naar Nederland gehaald, was de uitvinder van het multiculturalisme, de verzorgingsstaat, de afbraak ervan en nog veel meer. Dit terwijl links nooit een meerderheid heeft gehad. Die politiek werd in die tijd gesteund door de overgrote meerderheid van de bevolking en de politieke partijen. Zo ook historicus Geerten Walink in de Volkskrant: “Links’ staat sindsdien juist voor gelijkheid en democratie – tot aan de guillotine en het strafkamp aan toe – en ‘rechts’ staat voor monarchie en aristocratie en de handhaving van de bestaande orde. Zelfs het nationalisme is een van oorsprong linkse hobby: het was het antwoord van 19de-eeuwse radicalen en liberalen op de traditionele standen- en klassenmaatschappij.”

01 Mr.P.W.A. Cort. van der Linden  Min. Pres. en Min. v. Binnenl. Zaken 1913

Foto: www.geheugenvannederland.nl

Zo omschreven bestaat er geen ‘rechts’ meer. Ja, we hebben een monarchie en nog iets wat op aristocratie lijkt, maar dat is slap aftreksel, een karikatuur van wat het ooit was? Er is geen partij in Nederland die pleit voor het invoeren van de absolute monarchie en het weer invoeren van de feodale, aristocratische standenmaatschappij. Die de individuele vrijheid wil afschaffen, behalve dan een enkele partij voor moslims.

Laten we het eens omdraaien en met de ogen van iemand uit het verleden naar het heden kijken. Het huidige kabinet van VVD en PvdA, zich liberaal en sociaal-democratisch noemend, heeft de afgelopen jaren flink hervormd. De arbeidsmarkt is ‘geflexibiliseerd, de zorg(kosten) zijn ‘beheersbaar’ gemaakt’, via ‘rulings’ hoeven multinationals bijna geen belasting te betalen, banken zijn ‘gered’ ten koste van de belastingbetaler en vervolgens nogmaals ten koste van de Griek, uitkeringsgerechtigden moeten een ‘tegenprestatie’ leveren. Hoe zou iemand uit het verleden naar deze ‘prestaties kijken?

Zou die iemand dan het volgende kunnen concluderen: “Men is getuige geweest van beursmanoeuvres waardoor in korte jaren speculanten miljoenen samenraapten. … Men heeft gezien hoe industrieëlen en planters door lage lonen, door armoede en ellende van duizenden arbeiders tot machtige kapitalisten zijn geworden. Op zulke wijze wordt in onzen tijd (…) het gevoel onrecht geprikkeld en levend gehouden.” Vast een uitspraak van een socialist, Karl Marx bijvoorbeeld. Nee, dit schreef Cort van der Linden, de laatste liberale premier voor Rutte. De man waarmee premier Rutte verwantschap voelt. Zou Cort van der Linden die verwantschap ook voelen of zou hij, zoals Rutger Bregman en Jesse Frederik in hun boekje Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers schrijven: “zich omdraaien in zijn graf bij het zien van Ruttes liberalisme”?  

Economie volgens Van Klaveren (7 van 7)

Vandaag het zevende en laatste deel uit de reeks van artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

Alles van waarde is weerloos

“Klaver (Jesse Klaver) stelt dat veel wat van waarde is geen prijs heeft, en noemt vrije tijd, kunst en zeggenschap als voorbeelden. Maar alles heeft een prijs. Ook de genoemde zaken. Dit is echter helemaal niet negatief. De wetenschap dat ook deze zaken zijn uit te drukken in geld maakt dat ze onderdeel zijn van de vrije markt. En daarmee bereikbaar voor iedereen,” zo schrijft Van Klaveren. Omdat iets een prijs heeft, wordt het voor iedereen bereikbaar? Wat zou de zorgbehoevende oude man van 93 met alleen AOW van wie de huishoudelijke hulp net is wegbezuinigd daarvan vinden? Die hulp heeft nu een prijs, alleen is die van dien aard dat die hulp voor hem onbereikbaar is en daarom vervuilt zijn huis. Wat zou de alleenstaande werkende moeder ervan vinden, die moet stoppen met werken omdat de kinderopvang voor haar onbetaalbaar is?

LucebertIllustratie: www.creatov.nl

Worden deze zaken, juist doordat de markt er een prijs aanhangt, voor mensen onbetaalbaar? En geldt datzelfde niet ook voor kunst? Wie zou er nog naar een concert van het Concertgebouworkest kunnen gaan, als de kaartprijs aan de markt werd overgelaten? Om alle kosten, onder andere de salarissen van de muzikanten, te kunnen betalen zouden de kaartjes zo duur worden dat slechts weinigen het zouden kunnen betalen. Of die kosten moeten omlaag en de muzikanten moeten voor een hongerloontje spelen.

Wellicht vindt Van Klaveren hongerloontjes geen probleem. “… voedsel, kleding en meer recent: telefonie en internet. Allemaal gereguleerd door de tucht van de vrije markt. En in alle gevallen voldoende concurrentie met meer keuzevrijheid en fors dalende kosten voor de individuele consument. Dat is het ware gezicht van economische vrijheid.” De consument profiteert, de werknemer is het slachtoffer en laat dat in de meeste gevallen dezelfde persoon zijn. Die goedkope kleding wordt gemaakt in dubieuze naaiateliers in onder andere Bangladesh en onder omstandigheden waaronder Van Klaveren niet zou willen werken: lange dagen, slecht geventileerde en brandgevaarlijke gebouwen enzovoorts. Zaken die in Nederland verboden zijn omdat de wetgever hier terecht strenge eisen stelt aan de arbeidsomstandigheden. De productie is daar naar toegegaan omdat Nederlandse arbeid ‘te duur’ werd bevonden en vervolgens werkloos werd of tegen een lager salaris elders aan de slag kon. Goedkoop voedsel omdat de producent ervan, de boer en tuinder, wordt uitgeknepen om de winsten van de aandeelhouders van de grote supermarktketens en inkoopcombinaties zo hoog mogelijk te houden.

Lage prijzen voor telefonie en internet? Is het niet terecht dat door de investeringen die de overheden in de ontwikkeling van internet en mobiele telefonie hebben gedaan, de lagere prijs ten goede komt aan de investeerder in casu de belastingbetaler?  En met de belastingen zijn we bij een derde rol van de mens in de huidige samenleving. De ‘Panamapapers’ bevestigden nogmaals dat belasting ontwijken een sport is van de rijken en de grote (en niet alleen multinationale) bedrijven. Bevestigde omdat dit al bekend was en zelfs Warren Buffet zelf al zei dat hij het vreemd vond dat hij minder belasting hoeft te betalen dan zijn secretaresse. En als het grote geld (Buffet) geen of weinig belastingen betaalt, moet het kleine geld (de secretaresse) meer opbrengen. Extra wrang wordt het, als die belastingbetaler op mag draaien voor bijvoorbeeld het falen van de banken. Zou Van Klaveren zich wel eens afvragen hoe het komt dat de heel ver geliberaliseerde markt faalde? Een advies aan hem en alle andere vrije marktadepten, lees het boek Wat als de markt faalt van John Cassidy eens.

Tot slot

Ik begon met de hoop uit te spreken dat Van Klaveren niet representatief is voor politici in het algemeen en de andere 149 kamerleden in het bijzonder. Ik vrees echter dat Van Klaveren redelijk representatief is voor het economische denken onder politici, bestuurders en wellicht ook ‘gewone’ mensen. In kranten en opinie-websites van allerlei pluimage kom je, aan het denken van Van Klaveren, verwante redeneringen tegen. Dat is niet vreemd na een neoliberale indoctrinatie (of hersenspoeling) van ruim dertig jaar.

Dat een bepaalde manier van denken populair is en vele aanhangers kent, wil echter nog niet zeggen dat het denken de waarheid is, de enig juiste manier. Zeker in de sociale wetenschappen, en economie is een sociale wetenschap, is waar en juist subjectief. Of om John Stuart Mill te citeren: “Het begin van alle wijsheid of verheffing komt en moet van individuen komen; meestal eerst van één individu.” Alleen moeten die individuen de ruimte krijgen om hun wijsheid te berde te brengen. Dat zou in het huidig tijdsgewricht van de vele digitale en analoge media geen probleem moeten zijn. Of juist wel, want om die wijsheid te horen of lezen, moet ze wel de ander bereiken. Dan moeten we voorkomen dat deze eeuw, zoals Pieter Derks vreest, de meest saaie van de eeuw wordt. Dan moeten de Bol.coms van deze wereld, om Derks te parafraseren, aan een algoritme werken dat ons niet almaar hetzelfde pad op stuurt (‘lezers van dit boek, lazen ook), maar juist naar alternatieve paden. Dan moeten mensen (veel meer) open staan voor andere manieren van denken, dan moeten ze nieuwsgierig zijn en in elkaar geïnteresseerd. Geen meningen debiteren, maar vragen stellen. Zelfs als het zo logisch klinkt en helemaal in je straatje past. Sterker nog, juist dan is jezelf bevragen aan te bevelen.

Dit is een zevende artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde te lezen.

Economie volgens Van Klaveren (6 van 7)

Vandaag het zesde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

Welvaart en Armoede 

Inkomen en dan vooral nationaal inkomen zegt niets over welvaart of armoede in een land. Als een klein deel van de inwoners het inkomen verdelen en de rest heeft bijna niets, dan zal er geen sprake zijn van welvaart, wel van armoede. Het is dus ook belangrijk om te kijken hoe het inkomen, maar ook het vermogen wordt verdeeld over de inwoners van een land.

Armoede

illustratie: eunmask.wordpress.com

Het boek Capital in the Twenty-first Century van de Franse econoom Thomas Piketty plaatste inkomens- en vooral vermogensongelijkheid op de agenda. Meteen werd er geroepen dat het in Nederland wel meeviel met die ongelijkheid. Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) heeft de vermogensopbouw voor 2014 goed en beeldend in beeld gebracht en hieruit blijkt dat er ook in Nederland sprake is van grote vermogensverschillen en dat die -verschillen toenemen. Zo bezit 1,67% van de huishoudens 35% van het vermogen.

Nu wil een scheve verdeling van het vermogen niet meteen zeggen dat er sprake is van armoede, hooguit relatieve armoede ten opzichte van mensen in je omgeving. Er is meer, aan de onderkant groeit de armoede dit terwijl Van Klaverens neoliberale economische vrijheid, hoog in het vaandel stond en staat. Van Klaverens redenering dat armoedebestrijding en welvaartsvergroting het beste kan op de vrije markt, lijkt niet te werken. De ‘trickle down economics’, zoals de redenering achter dit denken wordt genoemd, werkt niet. Deze redenering gaat als volgt: zorg dat de vrije markt zijn werk kan doen en dat ondernemers succesvol en rijk kunnen worden.

Tot zover stemde theorie nog overeen met de praktijk. Die ondernemers pakken een groot stuk van de koek, maar zorgen er ook voor dat de koek groter wordt. Hier knelt het al, inderdaad pakken sommige ondernemers een groot (steeds groter) stuk van een koek die wel groeit, maar toch veel minder dan hij deed voordat dit beleid werd ingezet.

Waar het helemaal gaat knellen is het laatste deel van de redenering. Die luidt: omdat de totale koek groeit, zullen ook de armen profiteren. Hun deel van de koek groeit wellicht niet, maar omdat de koek groeit, gaan ze er toch op vooruit. De koek blijkt echter maar weinig te groeien en de groei die er is, wordt door de rijken ingepikt. Sterker nog, zij nemen ook nog een deel van de oude koek van de armen. Het grote verschil tussen geld en water is, dat water, als er niet wordt ingegrepen, naar beneden sijpelt. Geld niet, dat sijpelt naar boven.

Dit is een zesde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het vijfde te lezen.