Uitgelicht

Wendbare democratie

“In een land van minderheden zijn coalities levensnoodzaak. Willen partijen met vaak tegengestelde opvattingen op allerlei punten kunnen samenwerken, dan moet iedereen water bij de wijn doen. Compromissen zijn onvermijdelijk en vergen veel woorden.” Dit is het antwoord van Marc Chavannes bij De Correspondent op de vraag waarom we in Nederland regeerakkoorden hebben. Volgens Chavannes is: “de invloed van het volk op de inhoud van regeerakkoorden (…) reëel en verdedigbaar, maar niet bijster groot en allerminst direct.”  Een antwoord met een kern van waarheid, Kunnen we ons ‘land van minderheden’ ook anders besturen?

File:Nederlandse Democratie v1.0.png
Ons huidige 170 jaar ouder staatsbestel. Bron: WikimediaCommons

Eerst even terug in de tijd. Onze Grondwet stamt uit een tijd waarin het gros van het volk nog niet mocht stemmen. Om te kunnen stemmen moest je voldoende belasting betalen. Als je ’s morgens om 8 uur in Amsterdam vertrok dan mocht je hopen om voor vijven in Utrecht aan te komen. Onderwijs, zelfs de lagere school, was voor het gros van de jeugd niet weggelegd. De gemiddelde levensverwachting van de man lag toen rond de 38 en voor vrouwen rond de 40. Vrouwen werden ook toen al ouder. Gemiddeld want als je geboren werd, was de kans groot dat je de twintig niet haalde. Sterker nog, 3 op de tien baby’s haalden het eerste levensjaar niet.

Ons huidige politieke stelsel stamt uit 1848. Toen werd de huidige Grondwet met daarin onze parlementaire democratie, opgesteld onder leiding van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke. Nu werd er al veel langer gepoogd om de toen geldende Grondwet te wijzigen maar dat stuitte steeds op verzet van koning Willem II die bang was dat zijn macht werd ingeperkt. In 1848 lukte het. In dat jaar stond de Europese orde die na de nederlaag van Napoleon was ontstaan, onder zeer grote druk van opstandige volkeren die de macht eisten. Bang om zijn positie en wellicht zijn hoofd te verliezen, accepteerde Willem II in 1848 de huidige Grondwet die het koningschap symbolisch maakte. Daarom werd hij, zoals hij het zelf gezegd schijnt te hebben, in één nacht van conservatief tot liberaal.

Dat ‘volk’ dat de macht moest krijgen, bestond echter vooral uit de gegoede burgerij, niet uit de keuterboer of de glasblazer in de glasfabriek, die betaalden geen of te weinig belasting om te mogen stemmen. Onze democratie is niet opgezet om het gehele volk de macht te geven. Ze is opgezet om de machtigen, die gegoede burgerij, de macht te laten krijgen en behouden. Te krijgen van de koning die tot dan naar eigen goeddunken ministers benoemde. die macht moest worden gebroken en dat deed Thorbecke door die macht bij naar het parlement te trekken waarin die gegoede burgerij was vertegenwoordigd. Die indirecte manier paste bij die tijd omdat de belangen van ‘het volk’ niet zoveel uiteenliepen. Geen dictatuur van het proletariaat, waar Marx in die tijd voor pleitte, maar een ‘dictatuur van de fabrieksdirecteuren’.    

Nu zijn we 150 jaar verder. Hebben we algemeen kiesrecht. Rijdt er om de 10 minuten een trein van Amsterdam naar Utrecht die er een halfuurtje over doet. En via Zoom of Teams doe je er maar een paar seconden over om iemand aan de andere kant van de wereld in de ogen te kunnen kijken. Nu is ongeveer 40% van de bevolking hoger opgeleid. En zitten we nog steeds met een systeem dat het een kleine groep mogelijk maakt om door een meerderheid gewenste veranderingen tegen te houden. Je hoeft alleen maar onmisbaar te zijn om een regering te vormen.

Als we werkelijk transparantie willen met betrekking tot het regeerakkoord, dan moeten we de regering kiezen op basis van een programma. Of beter gezegd, de premier en die moet een meerderheid van de kiezers achter zich hebben. Dan weten we wat we na de verkiezingen kunnen verwachten omdat er voor de verkiezingen is ‘geformeerd’. Op deze manier wordt er op open en transparante manier met grote betrokkenheid van de kiezers, een meerderheid gecreëerd in dit land van minderheden.

Alleen moeten we daarvoor de Grondwet veranderen. En de Grondwet veranderen is nog lastiger. Dat moet volgens een procedure die het bijna onmogelijk maakt om er iets wezenlijks aan te veranderen. Twee keer behandelen in de Tweede Kamer, eerst met een normale meerderheid en na verkiezingen met een twee derde meerderheid. Met een dergelijke procedure is het wijzigen van bijvoorbeeld artikel 23 onmogelijk. Daarom hangen we nog aan een 170 jaar oud bestel vast. Tijd voor een Grondwetgevende vergadering om te komen tot een bij de huidige tijd passende Grondwet. Dan kunnen we daar meteen in opnemen dat er iedere 25 jaar zo’n Grondwetgevende vergadering wordt gehouden. Dat geeft iedere generatie de kans om de bestuurlijke orde aan te passen aan de eisen van de tijd. Zo maken we onze democratie veel wendbaarder dan zij nu is.

Uitgelicht

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Terroristen, Soleimani en Trump

Afgelopen maandag keek ik weer eens naar De Wereld Draait Door. De dood van de Iraanse generaal Soleimani werd uitgebreid besproken. In dat gesprek viel mij iets op. Iets wat in alle berichtgeving over deze zaak opvalt. Wat mij opviel? De onevenwichtigheid in woordgebruik waarmee er wordt gesproken.

Bron: cosmoschronicle.com

Een voorbeeld. Generaal Soleimani wordt met alle gemak ‘in en in slecht’ neer gezet. Hij is een ‘terrorist’ en het ‘meesterbrein’ achter veel terroristische aanslagen. Als we kijken wat er is gebeurd dan zien we een daad van terreur uitgevoerd in opdracht van de president van de Verenigde Staten. Terreur is volgens de Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Een vorm van terrorisme dus. Dat is, volgens dezelfde Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Er wordt een generaal van het Iraanse leger vermoord of geliquideerd want een andere benaming is er niet voor het doden van iemand zonder dat er een rechter aan te pas is gekomen. Een moord die is bedoeld om een regering en/of een bevolking onder druk te zetten. In dit geval zelfs twee regeringen, die van Iran en Irak. En misschien zelfs drie bevolkingen, naast het Iraanse en Iraakse ook het Amerikaanse. Met andere woorden: georganiseerd politiek geweld. Ik hoor niemand die de Amerikaanse actie bestempelt als terrorisme. Als er met medeweten en medewerking van Irak was geprobeerd om Soleimani te arresteren om hem voor de rechter te brengen en hij was gedood omdat hij zich hier gewelddadig tegen verzet had, dan was het een ander verhaal.

Sterker nog, in een ander televisieprogramma, het nieuwe programma Op1 horen we de Nederlandse minister van defensie Bijleveld verklaren dat ze ‘er begrip voor heeft dat de liquidatie is gebeurd.’ Een Nederlandse minister die begrip heeft voor terreur, voor een terroristische daad geïnitieerd door de Amerikaanse president! Dit terwijl de Nederlandse regering, zo is in artikel 90 van de Nederlandse Grondwet vastgelegd, de ontwikkeling van de  internationale rechtsorde  moet bevorderen. Als ‘begrip hebben’ voor een liquidatie door een land (de Verenigde Staten)van een regeringsfunctionaris van een ander land (Iran) op het grondgebied van een derde land (Irak) zonder medeweten en goedkeuring van dat derde land de ‘ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert’, wat is die ‘internationale rechtsorde’ dan anders dan het recht van de sterkste? Als de Nederlandse regering de grondwet serieus neemt dan zou ze de Amerikaanse president aanspreken op het schenden van de international rechtsorde. Dan zou ze schande spreken van deze terreur daad. Jammer, want hierdoor komt onze rechtstaat en democratie in een verkeerd daglicht te staan en verzwakken we onze kracht. 

Er is meer onevenwichtigheid.  Die Soleimani was geen heilig boontje. Hij zal best verantwoordelijk zijn voor de nodige doden in Iran en erbuiten. Dat zijn de huidige Amerikaanse president en zijn voorgangers ook. Zo startte zijn voorganger Bush op onrechtmatige gronden en met leugens als onderbouwing een oorlog tegen Irak. Een oorlog met zeer veel doden tot gevolg. Een oorlog die aan de basis ligt van de huidige chaos in Irak. Als dat maakt dat Soleimani ‘terrorist’ mag worden genoemd, hoe moeten we Trump en zijn voorgangers dan bestempelen?

Ja, Iran probeert zijn invloed in de omringende landen te vergroten en er bevriende mensen aan de macht te krijgen. Hierin speelde Soleimani een belangrijke rol. Als we de huidige berichten mogen geloven dan was hij het meesterbrein eracht. Hij zou zelfs achter de oprichting van Hezbollah en Hamas zitten. Dat lijkt me wel erg veel eer voor de man. Dat Iran zich‘bemoeit’ met de ‘binnenlandse aangelegenheden’ in andere landen staat buiten kijf. Bijvoorbeeld Libanon, Syrië, Irak en Jemen. Maar waarin verschilt het land daarin van Rusland, de Verenigde Staten, Saoedi -Arabië, Turkije en zelfs Nederland? Je ‘bemoeien’ met andere landen en daar je ‘invloed’ vergroten is het streven van de buitenlandse politiek van alle landen. En bij dat streven worden ook wel eens groepen in een land gesteund die op minder goede voet staan met de regering van dat land.  Zo heeft Orban van Hongarije warme banden met Wilders. Waarom zou Iran geen buitenlandse politiek bedrijven en de Verenigde Staten en alle andere landen wel?

‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

Nederland en/in Europa

“Nederland is in hoog tempo bezig de zeggenschap over de eigen essentiële belangen over te hevelen naar een EU zonder democratisch mandaat. De gevolgen daarvan zijn verstrekkend. Dit schrijft Kees de Lange in een artikel bij Opiniez. Volgens de Lange worden er systematisch bevoegdheden overgedragen naar de Europese Unie en hierdoor wordt de Nederlandse soevereiniteit uitgehold. 

Bron: Pixabay

De Lange vraagt zich af hoe dit kon gebeuren en in die zoektocht komt hij bij de Grondwetswijziging van 1953. Bij die wijziging werd het Nederlands recht ondergeschikt gemaakt aan internationaal recht. En dit leidt er nu, volgens De Lange toe dat: “de eigen soevereiniteit en de soevereiniteit van de eigen bevolking als basis van onze samenleving worden verkwanseld en hoe bijna zonder enige diepgaande discussie standaard gehandeld wordt, niet tegen de sinds 1953 strikte letter, maar wel tegen de geest van onze eigen Grondwet.” Dit is tegen het zere been van De Lange immers: “verandering in soevereiniteit (kan) dan en slechts dan plaatsvinden indien met instemming van de burgers.” En die burger wordt gepasseerd: “Het verkwanselen van de directe belangen van de Nederlandse burger zonder diezelfde burger zelfs maar te raadplegen is een politieke wanvertoning en een democratische doodzonde van de eerste orde.” Zo, die kunnen onze politici in hun zak steken.  

Alhoewel. Is het wel zo dat ‘het volk’ niet geraadpleegd is? Als je een referendum als enige manier ziet om ‘het volk’ te raadplegen, dan is dat slechts twee keer gebeurd. Een eerste keer over de ‘Europese grondwet’ en een tweede keer over een associatieverdrag met de Oekraïne. Zowel de ‘Grondwet’ als het associatieverdrag bevatte geen overdracht van soevereiniteit, er werden dus geen ‘belangen verkwanseld’. De ‘Grondwet’ was niets meer dan een bundeling van al gemaakte afspraken en de bevoegdheid om een associatieverdrag te sluiten, had de EU al.

Als we kijken naar alle overdrachten van welke bevoegdheid dan ook, dan zijn die genomen volgende in Nederland geldende regels van het spel. Neem de Grondwetswijziging van 1953, die is twee keer in de Tweede Kamer behandeld en aangenomen. Tussen die twee behandelingen in zaten verkiezingen waar ‘het volk’  zich kon uitspreken. 

‘Ja, maar dan moet het volk wel weten dat dit staat te gebeuren’, zou je kunnen tegenwerpen en het is maar helemaal de vraag of ‘het volk’ het allemaal wel wist. Als we de beeldvorming van de laatste jaren bezien, dan rijst er een beeld op van ‘gekonkel in achterkamertjes’ waar wordt besloten om Nederland steeds verder Europa in te ‘rommelen’.  

Een beeld dat het tegenwoordig goed doet, maar gebeurde het ook zo? Europa en verdere Europese integratie was vast niet het ‘belangrijkste’ verkiezingsthema. Dat de politieke partijen er niet open over waren, is bezijden de waarheid. “De Europese gemeenschappen worden uitgebreid met Groot-Brittannië, Ierland, Noorwegen en Denemarken en andere demokratische Europese landen die de doelstellingen van de E.E.G. onderschrijven. De uitbreiding van de E.E.G. met Groot-Brittannië zal niet ten koste gaan van de steun aan arme landen.” Zo valt te lezen in het verkiezingsprogramma van de PvdA in 1967. En het VVD-programma voor de verkiezingen van hetzelfde jaar lezen we het volgende: “Dit streven brengt mee, dat in de nabije toekomst de E.E.G. met andere Europese landen zal moeten worden uitgebreid. De komende Europese Gemeenschap zal zowel naar binnen als naar buiten een liberale politiek moeten voeren.” In 1989 lezen we in het PvdA-programma het volgende: “Nederland heeft ook verantwoordelijkheden en belangen in internationaal verband. Nederlandse burgers zullen hoe langer hoe meer EG-burgers en wellicht op den duur zelfs burgers van een groter civiel Europa worden.” En in het programma van het CDA voor de verkiezingen van 1989 lezen we: “Eén aspect verdient nog bijzondere aandacht omdat het de politieke agenda in toenemende mate zal bepalen. Het betreft de eenwording van de Europese markt tegen 1992. Deze heeft een belangrijke signaalfunctie: ‘signaal’ omdat reeds eerder belangrijke stappen zullen zijn gezet, terwijl uiteraard niet alle beslissingen en maatregelen in 1992 zullen zijn afgerond. Niettemin zal ook Nederland de gevolgen van ‘Europa 1992’ voelen: de gemaakte afspraken zullen het nationale beleid beïnvloeden.” 

Deze partijen hebben jarenlang de verkiezingen gewonnen en kregen samen vaak bijna driekwart van alle stemmen. Kun je dan volhouden dat er sprake was van ‘gerommel in achterkamertjes’? Dat er soevereiniteit werd overgedragen zonder instemming van ‘het volk’? 


In der Beschränkung zeigt sich der Meister

“De bevordering van emancipatie van LHBTI en mensen met een beperking is belangrijk en door verschillende maatschappelijke groeperingen onder de aandacht gebracht. Er worden verschillende maatregelen tegen discriminatie genomen zoals de aanvulling van artikel 1 van de Grondwet tegen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid en een beperking.” 

Een van de zaken waar het pas gestarte kabinet mee aan de slag gaat, dat staat tenminste in het regeerakkoord.

discriminatie

Foto: Flickr

Goed dat de gelijke behandeling van mensen en het voorkomen van discriminatie van mensen op grond van hun sexualiteit of eventuele beperking ter hand wordt genomen. Artikel 1 van de Grondwet luidt nu: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Als ik het goed begrijp, worden seksuele voorkeur en beperking aan dit lijstje toegevoegd. Toch een kritische noot hierbij. Niet bij het doel, maar het middel dat het kabinet wil inzetten, het aanpassen van dit artikel.

Wordt het artikel in de Grondwet sterker door er nieuwe categorieën aan toe te voegen? Waar eindigt het toevoegen van categorieën? Hoe zit het met ouderen, jeugdigen, mensen met flaporen, grote neuzen, dikke derrières? Moeten die ook aan het lijstje worden toegevoegd? Gebeurt er door het toevoegen van groepen en categorieën niet iets bijzonders, namelijk dat juist de nadruk wordt gelegd op deze groepen en categorieën? Worden zij zo niet ongelijk behandeld terwijl juist gelijke behandeling het doel is?

Zou het niet veel sterker zijn om, als de Grondwet toch moet worden gewijzigd, de gehele laatste zin weg kunnen laten en het artikel beperken tot ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld”? Maakt dat het artikel niet veel sterker omdat het precies dat zegt wat we bedoelen, namelijk dat iedereen in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld. Dat ongelijke behandeling niet mag? En als er dan echt toch een tweede zin moet zijn, zou die dan niet beperkt moeten worden tot ‘Discriminatie op welke grond dan ook, is niet toegestaan’?

Een kort maar krachtig artikel. Zou dat niet een beter middel zijn om dat doel te bereiken. Of om een Duits spreekwoord aan te halen dat het nog beter uitdrukt:

In der Beschränkung zeigt sich der Meister.

Godsdienstideologie

Mensen mogen van alles vinden, maar ik mag ook zeggen dat de islam niet onder de grondwettelijke vrijheid zou mogen vallen.”

Een uitspraak van Geert Wilders zo valt te lezen bij Elsevier. De islam zou volgens Wilders verboden moeten worden omdat het geen religie is maar een ideologie. Als ik het goed begrijp wil Wilders eerst vastleggen dat de islam geen religie is, maar een ideologie. Als het dan een ideologie is, dan moet die ideologie vervolgens worden verboden. Kun je een ideologie wel verbieden? Is er een verschil tussen een ideologie en een religie?

MarxFoto: Wikimedia Commons

Een religie of godsdienst is: “het geheel van plechtigheden en leerstellingen van een godsverering.” Kijken we naar de betekenis van ideologie dan lezen we in de Van Dale: “het geheel van beginselen en denkbeelden van een stelsel.” Aan de ene kant ‘plechtigheden en leerstellingen’ en aan de andere kant ‘beginselen en denkbeelden’. Een ideologie wordt ook wel eens een ‘leer’ genoemd. Zo wordt het Marxisme ook wel de leer van Marx genoemd en die leer heeft leerstellingen. Het christendom is gebaseerd op de leer van Christus. Beiden beroepen zich op iets bovenmenselijks. Marx op een ‘wetmatigheid’ in de geschiedenis, het christendom op een groot en onkenbaar iets genaamd god. Beiden beroepen zich op iets ‘bovenmenselijks’ waar je in gelooft of niet. Een marxist gelooft in de geschiedkundige wetmatigheid, een christen in god. Beiden zijn overtuigingen om het leven te bezien of een levensovertuiging de: “beginselen waarnaar je je leven inricht.”

Als we onze grondwet erop naslaan dan lezen we in artikel 6 eerste lid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.” Beschermt de grondwet hiermee niet ook levensovertuigingen die Wilders ideologie noemt? Zijn religie en ideologie niet twee zijden van dezelfde medaille?

‘Vrije kwestie’

De vier partijen die onderhandelen over een nieuw kabinet lijken het eens te zijn over de medisch, ethische kwesties. Dat valt tenminste op te maken uit de berichtgeving in het AD. Het uitlekken van dit compromis zorgt weer voor enige ruzie tussen de partijen, maar daar wil ik het niet over hebben. In de Volkskrant wordt oud-Kamervoorzitter Frans Weisglas gevraagd naar zijn mening. Weisglas:

“…dit is een goede zaak, zeker als het gaat om voltooid leven. Daarover moet een diepgaande maatschappelijke discussie worden gevoerd. Het is echt een vrije kwestie waarover ieder individueel Kamerlid moet stemmen.”

bruggen slaan

Foto:  1024 × 683 – flickr.com 

Een vrije kwestie waarbij ieder Kamerlid het hart moet volgen en stemmen naar wat dat ingeeft. Weisglas heeft groot gelijk dat het goed is dat dit een vrije kwestie is. Toch wringt er iets in de uitspraak van Weisglas. Betekent iets benoemen tot een vrije kwestie niet ook automatische dat er ‘onvrije’ kwesties zijn? Kwesties waarbij Kamerleden niet individueel mogen stemmen en mogen doen wat het hart hen ingeeft?

Hoe verhouden zich ‘onvrije’ kwesties tot de Grondwet? Die regelt immers in artikel 67 lid 3 dat haar leden stemmen zonder ‘last’. Dat houdt in dat de Kamerleden vrij zijn om bij de stemming hun geweten te volgen, dat niemand hen kan opdragen een bepaald standpunt in te nemen of een bepaalde keuze te maken. De Grondwet maakt hiermee alle kwesties vrij en verbiedt ‘onvrije’ kwesties. Hoe serieus nemen onze volksvertegenwoordigers hun werk als ze zich een last op laten leggen?

Een proefproces beginnen tegen bijvoorbeeld het komende regeerakkoord? Oh nee, in Nederland is het niet mogelijk om je in een proces te beroepen om de Grondwet. Zou dat iets voor de Kamer zijn om wel mogelijk te maken?

Ibrahim in Nederlands gevang

Vandaag is het le Quatorze Juillet, de Franse nationale feestdag. Op deze dag in 1789 bestormde een woedende menigte Parijzenaars de Bastille, de Parijse gevangenis. Die bestorming leidde de Franse revolutie in. De revolutie van liberté, egalité, fraternité of op z’n Nederlands vrijheid, gelijkheid en broederschap. Begrippen die hun vertaling kregen in de universele verklaring van de rechten van de mens en die werden vertaald in de grondwet, ook de Nederlandse.

Bastille

Illustratie: Wikipedia

Aan die grondwet moest ik denken toen ik in de Volkskrant een bericht las over de uitzetting van criminele vreemdelingen. “Criminele vreemdeling wordt maar zelden uitgezet, rechters bemoeilijken intrekken verblijfsstatus,” zo luidt de kop boven het artikel. In deze krant ook het verhaal van de zevenentwintig jarige Ibrahim uit Gouda die na vierentwintig jaar in Nederland te hebben gewoond, wordt uitgezet vanwege een roofoverval en een zware mishandeling. Het is de laatste jaren regeringsbeleid om criminele vreemdelingen sneller uit te zetten. Alleen werkt de rechter, zo valt in het artikel te lezen, niet mee. Het Europese hof heeft in een uitspraak bepaald dat de overheid moet: “motiveren dat een vreemdeling een ‘daadwerkelijk en actueel gevaar’ vormt. Een veroordeling op zich is (…) onvoldoende bewijs.” Menigeen zal nu denken, waar bemoeit die Europese rechter zich mee, uitzetten die criminelen! Advocaten denken daar anders over, die: “ betwijfelen of het zinvol is verblijfsvergunningen in te trekken als vreemdelingen al tientallen jaren in Nederland zijn. In de praktijk verdwijnen zij dan vaak hier in de illegaliteit.”

Ik moest, zoals gezegd, aan de Nederlandse grondwet denken toen ik dit las en dan vooral aan artikel 1“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Wordt de criminele Ibrahim met een Marokkaans paspoort gelijk behandeld met de criminele Henk die dezelfde feiten heeft gepleegd en in het bezit is van een Nederlands paspoort? Henk kan niet het land worden uitgezet, zoals nu wel met Ibrahim dreigt te gebeuren. Moet Ibrahim niet, net als Henk, gewoon het Nederlandse gevang in?

Jammer voor Ibrahim dat hij zich bij het gerecht niet kan beroepen op de grondwet, dat is in Nederland immers onmogelijk. Hij wordt ongelijk behandeld en daarmee gediscrimineerd.