Zorg door de staat

Het voordeel van het verleden is dat het er niet meer is en hoe verder het weg is, hoe minder mensen er, om premier Rutte aan te halen, er nog ‘actieve’ herinneringen aan hebben en ook geen ‘passieve’ herinneringen meer. En hoe langer het geleden is, hoe minder bronnen er zijn om je een beeld te vormen van het leven. Zo moeten we het voor wat betreft het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid en zelfs de geschiedenis van ‘ons soort mensen’ de Homo sapiens, doen met wat botresten, geconserveerde gereedschappen en af en toe een rotsschildering. Met dit als basis proberen archeologen en historici een beeld te schetsen van het toenmalige leven. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het artikel Verbeter de wereld, verander hoe je woont, zorgt en liefhebt (dit boek leert je hoe dat kan) van Lynn Berger bij De Correspondent.

Begijnen. Foto: Wikipedia

Het ontbreken van herinneringen, actief en passief, weinig of geen geschreven bronnen en een danig gebrek aan kennis van het verleden bij het grote publiek, maken het mogelijk om met veel aplomb zaken over het verleden te beweren en ermee weg te komen. Nou, dat laatste in het geval van Berger niet helemaal, of helemaal niet.

Berger schrijft haar artikel als een combinatie van een betoog en een boekbespreking. Een boekbespreking van het boek Alledaags UtopiaWat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven van Kristen R. Ghodsee. Het boek staat, zo schrijft Berger: “vol met mensen die ergens in de afgelopen 2.500 jaar hebben nagedacht over samenlevingen waarin gelijkheid, samenwerking, collectief bezit en een gedeelde verantwoordelijkheid voor de volgende generatie centraal stonden. Om vervolgens hun eigen levens en die van anderen in te richten volgens die ideeën.” Mensen die: “het besef dat de inrichting van ons alledaagse leven innig is verbonden met de inrichting van de maatschappij – en dus met grote maatschappelijke problemen als klimaatverandering en ongelijkheid,” met elkaar gemeen hebben.

Dan maakt het betoog de stap van boekbespreking naar pleidooi: “Ga maar na: doordat in onze samenleving het kerngezin geldt als dé plek waar kinderen worden grootgebracht, ervaren ouders een enorme druk, verwachten partners veel te veel van elkaar, en zijn veel vrouwen niet financieel zelfstandig. Binnen het kerngezin zijn kinderen bovendien overgeleverd aan de grillen van ouders die ze niet hebben uitgekozen. En omdat de kinderen van rijke ouders veel meer kansen krijgen dan die van minderbedeelde ouders, neemt de sociale ongelijkheid eerder toe dan af.”  Daarom: “Wil je de wereld veranderen, dan zul je ook het instituut aan de basis van die wereld moeten veranderen. Namelijk: het kerngezin. Dat kan, want hoewel de manier waarop we nu samenleven, zorgen, wonen en met onze spullen omgaan vanzelfsprekend en onveranderlijk lijkt, is ze dat niet.”

Dus afschaffen dat kerngezin? Nee, dat niet: “Als praktisch utopist wil Ghodsee haar lezers meekrijgen, en dus kiest zij voor een andere term: ‘verruiming’. Ze wil het begrip ‘gezin’ oprekken en uitbreiden, zodat mensen zelf kunnen kiezen hoe en met wie ze kinderen willen grootbrengen, zodat zorgtaken beter worden verdeeld en zodat mensen vrijer, gelijker en gelukkiger kunnen zijn dan ze nu zijn.”  De tip van Berger: “Zit je in een monogame relatie? Zorg dan dat je tijd doorbrengt met je vrienden en dat je partner dat ook doet. Ga niet mee in het evangelie van privébezit maar deel je grasmaaier en je auto met je buren. Laat je kinderen tijd doorbrengen met grootouders, ooms, tantes en vrienden. Breng tijd door met de kinderen van anderen. Zo klein kan het beginnen.” Nu is er niets mis met het delen van grasmaaiers en auto’s. Al is dat voor wat betreft die laatste vaak lastig omdat we die vaak allemaal zo ongeveer op hetzelfde moment nodig hebben.

Er is ook niets mis met historische voorbeelden als perspectief bij hedendaagse keuzes. Zo droomde Plato inderdaad: “ hardop over een republiek waarin kinderen niet in gezinnen werden grootgebracht maar in groepsverband, door speciaal opgeleide verpleegsters.” Als je de huidige praktijk met en de roep om uitbreiding en het ‘gratis maken’ van de kinderopvang kijkt, dan is dat een aardige stap in de richting. Bij het gebruiken van dit voorbeeld is het dan ook weer goed om te vermelden dat in Plato’s ideale republiek de zaken nog een paar stappen verder gaan. In die republiek was voortplanting aan verantwoordelijkheid van de staat. Die moest hiertoe een soort ‘fokprogramma’ opzetten van wie het met wie moest doen. Geen enkel kind zou zijn of haar biologische ouders mogen kennen en omgekeerd.  Dat gaat een stap verder dan het  “groeiend aantal samengestelde gezinnen en queer-gezinnen (dat intussen)(…) vrolijk (laat) zien dat een zorgrelatie prima kan worden ‘ontkoppeld’ van een bloedband.” Het wedervaren van de geadopteerde kinderen uit Sri Lanka laat zien dat een gebrek aan kennis van die bloedband tot problemen kan leiden.

En inderdaad leefden Middeleeuwse begijnen: “niet in gezinnen of kloosters, maar betrokken gezamenlijk begijnhoven in de stad.” En maakte: “Kerk noch echtgenoot (…) de dienst uit, en (…) genoten deze alleenstaande vrouwen (daardoor) relatief veel vrijheid en autonomie.  Nageslacht leverde dit echter niet op. Een samenleving met alleen maar begijnen zal snel uitsterven.

“Pas met de opkomst van het kapitalisme werd het kerngezin de norm: wanneer de staat niet hoeft te betalen voor de zorg voor kinderen (en zieken en ouderen), kunnen de belastingen laag blijven.” En die norm, dat kerngezin, zorgt, zo betoogt Berger, voor problemen: “Ga maar na: doordat in onze samenleving het kerngezin geldt als dé plek waar kinderen worden grootgebracht, ervaren ouders een enorme druk, verwachten partners veel te veel van elkaar, en zijn veel vrouwen niet financieel zelfstandig.” Na dit te hebben gelezen moest ik even slikken en verslikte me bijna.

Slikken omdat overheidszorg voor kinderen en ouderen iets van zeer recente datum is. Die begon in 1873 met Van Houtens Kinderwetje. De ouderen moesten nog tot na WO II op Drees’ Noodwet wachten op ‘staatszorg’ in de vorm van inkomen. Op een door de overheid betaalde poetshulp, zoals nu onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, moesten de ouderen nog veel langer wachten. Staatsondersteuning bij zorg en opvoeding is pas van zeer recente datum en niet iedere staat nam die verantwoordelijkheid en nam die op eenzelfde manier. Daarvoor berustte die ‘zorg’ bij de familie en de gemeenschap waarin men leefde. De Romeinen kenden geen ouderenzorg en in de Republiek noch in het absolute Franse koninkrijk noch in het Chinese keizerrijk bemoeide de staat zich met de zorg voor kinderen. Een heel bijzondere redenering van Berger. 

Verslikken omdat Berger betoogt dat het kerngezin voor die enorme druk zorgt die ouders ervaren, dat ze veel van elkaar verwachten en voor druk om financieel zelfstandig te zijn. Dat kerngezin is al veel ouder dan het streven naar ieders ‘financiële onafhankelijkheid’. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de ‘enorme druk’ van recente datum is en juist wordt veroorzaakt door dat streven naar ‘financiële zelfstandigheid’ en de manier waarop die wordt nagestreefd, allebei een full time baan met twee kinderen die het aan niets mag ontbreken. Door dat streven ontbreekt de tijd om: “je kinderen tijd (te laten) doorbrengen met grootouders, ooms, tantes en vrienden,” omdat die geen tijd ervoor hebben omdat ze moeten werken en ontbreekt het jou om dezelfde reden aan : “tijd door (te brengen) met de kinderen van anderen.” 

Herstelbetalingen

Het eerste wat ik dacht na het lezen het artikel  in de Volkskrant van econoom en beleggingsexpert, Peter M. Wolff was: ‘hopelijk heeft hij meer verstand van beleggen.’ Zijn kennis van de geschiedenis laat te wensen over. Wellicht een gevolg van, zoals hij het zelf schrijft: “het feit dat er slechts summier over deze periode is onderwezen in Nederland.” De periode waarop Wolff doelt is de periode van de trans-Atlantische slavenhandel. In zijn artikel pleit Wolff voor herstelbetaling. Niet in de vorm van een persoonlijke uitkering maar een ontwikkelingsfonds om: “de ontwikkeling, opbouw en heling van en in Suriname en het Caribische deel van het koninkrijk te initiëren,” en om te investeren: “ in het onderwijs in Suriname, in Caribisch Nederland en in Nederland, om het slavernijverleden nou eindelijk de plek te geven die het verdient.”

Volgens Wolff ligt het aan: “het gebrek aan onderwijs en kennisdeling over de echte geschiedenis van Nederland” dat er “binnen de autochtone Nederlandse gemeenschap …  aversie en onbegrip bestaat over het excuus en het slavernijverleden.” Aan welke negatieve gevolgen we dan moeten denken: “Denk hierbij aan hedendaags institutioneel racisme, dat soms moeilijk te bewijzen is. De ‘black tax’ waarbij iemand met een kleurtje twee keer harder zijn best moet doen om hetzelfde te bereiken als een autochtone Nederlander. Denk hierbij aan de kwetsende invloed en polarisatie die de sinterklaasviering met Zwarte Pieten, jaarlijks veroorzaakt binnen de Nederlandse gemeenschap. Denk hierbij aan eerdere voorbeelden van etnische profilering door de politie, de inzet van het omstreden controlesysteem Syri door gemeenten en de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst.” Dat algoritmes die aan de basis liggen van Syri, politie acties en de toeslagenaffaire verkeerd uitwerken en hoe dat kan, daar heb ik al eerder over geschreven. Dit koppelen aan het slavernijverleden is, om Wolff te citeren: “moeilijk te bewijzen.” Bewijzen is tegenwoordig echter van minder belang. Het zeggen is al voldoende om het veel mensen uiteindelijk te laten geloven. Maar hier gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de geringe kennis van de geschiedenis die Wolff de ‘autochtone Nederlander’ verwijt. Door dat gebrek aan onderwijs weet die ‘autochtone Nederlander, zo betoogt Wolff,  niet dat hij: “de eeuwenlange opbrengsten van de slavernij, ook zijn geherinvesteerd in aandelen, vastgoed, infrastructuur en allerlei andere sectoren in Nederland. Al deze financiële injecties hebben ervoor gezorgd dat Nederland zich zo uitmuntend heeft kunnen ontwikkelen tot wat het vandaag is.” Want: “Een niet te verwaarlozen deel ervan is afkomstig van de offers die met het bloed, zweet en tranen van de tot slaaf gemaakten is opgebracht. Die hebben al die eeuwen nooit salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd gekregen. Deze tegoeden zijn aantoonbaar succesvol geherinvesteerd in de Nederlandse samenleving. Zo hebben het koningshuis, De Nederlandsche Bank en andere grootbanken hun opbrengsten uit de slavernij in de Nederlandse maatschappij gestoken. Deze tegoeden vormen heden ten dage nog steeds de basis van het rijke Nederland van vandaag, waar wij allemaal gebruik van maken in de vorm van sociale zekerheden die hieruit voortvloeien.”

Nu even voor Wolff. In dezelfde periode dat de slaven geen: “salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd,” kregen de Nederlandse arbeiders dat ook niet. Tenminste, op salaris na. Dat kregen ze maar daar werkten ze, man, vrouw en kinderen, een uur of zestien per dag, kinderen als ze een jaar of zes waren tussen de twaalf en veertien voor. In al die uren kregen ze net voldoende bijeen om het hoofd boven water te houden. Hadden ze een dag geen werk of waren ze ziek, dan hadden ze geen inkomen en geen eten. Waren ze werkloos dan hadden ze ook geen woning. ‘En pak preugel’ zoals mijn vader het zou noemen, behoorde bij de managementtools. Die woning had de keuterboer en zijn gezin wel al was het vaak niet veel meer dan een plaggenhut. Het harde werken was er ook voor die voorvaderen niet minder om. Het arbeiden van kinderen tot twaalf jaar werd pas in 1874, met het Van Houtens beroemde Kinderwetje afgeschaft. Echter niet voor ieder kind, de kinderen van die keuterboer mochten gewoon verder werken.

Als ze het geluk hadden om oud te worden en niet meer konden werken, dan was er geen pensioen maar armoe, overleven van de bedeling of creperen van ellende. Pas na de Tweede Wereldoorlog met de Noodwet van Drees kreeg je na je 65ste een basispensioentje. Met een gemiddelde levensverwachting voor mannen van 70 en vrouwen van 72 haalden velen, vooral zij die zware arbeid moesten verrichten bijvoorbeeld in de mijnen, nooit hun pensioen. Ziekengeld werd pas in 1929 ingevoerd en vakantie vierde de arbeider in de negentiende eeuw zeker niet, daar had hij geen tijd voor want er moest worden gewerkt. Geleidelijk kwam er tijd voor iets anders omdat de werkdag en de werkweek werden begrensd. Het Kinderwetje was een eerste stap hierin. Tijd alleen maakt nog niet dat je vakantie kunt vieren. Vakantie werd in 1929 in de CAO opgenomen waarbij de werknemer vakantiebonnen kreeg.

De opbrengsten uit de slavernij werden inderdaad geïnvesteerd in vastgoed. In die fraaie grachtenpanden, niet in huizen voor het gewone volk. En nu we het toch over panden hebben. Daar waar je Suriname en de Antillen de woon- en leefomstandigheden van de slavenhouders en de slaven nog met elkaar kunt vergelijken en schande kunt spreken van het verschil, kan dat in Nederland niet. De krotten en plaggenhutten zijn er niet meer. Hier resten alleen de mooie (grachten)panden in de binnensteden. Dit maakt die vergelijking hier onmogelijk. Maar voor wie er een beeld van wil krijgen kan ik de achtste aflevering van Het verhaal van Vlaanderen aanbevelen. In die aflevering wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel krotten er in een Belgische stad stonden en hoeveel mensen er in die krotten woonden.

Waar de opbrengsten zeker niet in werden geïnvesteerd is in die sociale zekerheid waar we, zoals Wolff nu terecht constateert, allemaal gebruik van maken. Die hele sociale zekerheid is van na de afschaffing van de slavernij. Die begon met dat Noodwetje van Drees die in 1947 in werking trad en die in 1957 werd vervangen door de Algemene ouderdomswet. Wat onze gehele sociale zekerheid kenmerkt, is dat deze wordt betaald uit belastingen en premies. De werkenden betalen via die belastingen en premies de AOW van de gepensioneerde, de ww van de werkloze en de bijstand van de bijstandstrekker. Daar komt geen ‘slavengeld’ aan te pas.

Dit laat onverlet dat investeren in de woon- en leefomstandigheden vooral op de Antillen maar ook in Suriname, net zoals trouwens in andere landen waar mensen het minder goed hebben, niet verkeerd is. Dat was ook het idee bij de onafhankelijkheid van Suriname. Het land kreeg na gesteggel over de hoogte ervan 3 ,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp toegezegd. Omgerekend naar nu is dat meer dan € 6,27 miljard. Dat is meer dan het Surinaamse BBP, dat bedroeg in 2022 $ 2,9 miljard. Het Surinaams BBP heeft  tot nu toe in geen enkel jaar de omvang van dat bedrag bereikt.

Dat laat onverlet dat de ongelijke behandeling van onze Bonairiaanse landgenoten die de bijstand die slechts 1/3 bedraagt van de Nederlandse een schande is die moet worden aangepakt. Net zoals de pensioenproblemen van Surinamers om een rechtvaardige oplossing schreeuwen. Dat iemand ‘met een kleurtje’ twee maal zo hard zijn of haar best moet doen, moet aanleiding zijn om hier wat aan te doen. Daarbij maakt het niet uit of die ‘een erfenis is van het slavernijverleden’ zoals Wolff betoogt of dat er sprake is van ‘nieuwkomers nadeel’ zoals ik het eerder heb genoemd.

En ja, ook investeren in het (geschiedenis)onderwijs is een goed idee. Daarbij zou het niet verkeerd zijn, te investeren in het volledige historische beeld. Daarbij hoort de trans-Atlantische slavenhandel en de behandeling van slaven maar daar horen zeker ook de woon- leef-, en werkomstandigheden van voorouders in Nederland bij die ik hierboven in het kort heb geschetst. Daar hoort ook het ontstaan van onze democratie bij. Toevallig las ik in dezelfde Volkskrant een artikel van Remieg Aerts over het ontstaan van het modern koningschap en de rol van Thorbecke hierin. Immers met de Grondwet van 1848 werd het koningschap ceremonieel. Daarvoor was de koning het hoofd van de regering en sturend en dwingend. Die sturende en dwingende koning: “leidde bijna tot een staatsbankroet, fnuikte de civil society en maakte het land slecht bestuurbaar. De koningen voerden een niet-omschreven ‘opperbestuur’ over de koloniën,” aldus Aerts. Daar waar de koning voor 1848 boven de wet stond, werd hij met die Grondwet van 1848 gebonden in de wet. Gebonden in die ceremoniële rol terwijl de macht bij het parlement, de vertegenwoordiging van het volk, kwam te liggen. Vrij snel na de aanname van de Grondwet van 1848 werd de slavernij afgeschaft. Dit ondanks het gegeven dat het overgrote deel van het volk, onder andere die arbeiders en keuterboeren, geen enkele invloed op hun vertegenwoordiging had. Zij hadden geen kiesrecht omdat ze geen of niet voldoende belasting betaalden.

Bestudering van de geschiedenis laat  een veel ander beeld zien dan Wolff in zijn artikel schetst. Zou de ‘aversie en het onbegrip over het excuus en het slavernijverleden’ niet ook worden veroorzaakt door de karikatuur die mensen als Wolff van de geschiedenis maken? Voor mij geldt dat in ieder geval wel.

De toekomsten

“Wie bepaalt voor toekomstige generaties hoe hun wereld eruit komt te zien? Moeten die daar zelf niet over meebeslissen? En hoe dan? Want als je nog niet geboren bent, is het lastig meepraten.” Die vragen staan centraal in een interview dat Eva Rovers bij De Correspondent heeft met Roman Krznaric. Een interview met bijzondere redeneringen.

Neem bijvoorbeeld de volgende passage: “Die miljoenen en miljoenen mensen hebben nog geen stem en kunnen dus niet zelf voor hun rechten opkomen, maar zullen wel de gevolgen ervaren van de keuzes die wij vandaag maken.” Die ‘miljoenen en miljoenen mensen’ dat zijn de nog ongeborenen. Logisch dat ze geen stem hebben. Ze zijn er niet, nog niet, net zoals de ‘miljoenen en miljoenen’ die ons vooraf gingen er ook niet meer zijn. Rechten zijn vooral bedoeld om de omgang tussen de levenden te organiseren. Bij rechten in het nu voor iemand die over honderd jaar geboren wordt, kan ik me niets voorstellen. Zij die er nog niet zijn mee laten beslissen, is onmogelijk. Je weet immers niet wie het zijn en hoe ze eventueel denken. Bovendien leidt dit ertoe dat de belangen van de werkelijk levenden ondergesneeuwd raken. De huidige inwoners van het gebied dat nu Nederland heet, zijn waarschijnlijk grof in de minderheid.

Echt bijzonder wordt het als Krznaric het heeft over een denkoefening: “Ik nam ze mee in een denkoefening: doe je ogen dicht en neem een kind in gedachten dat je dierbaar is. Doe een stap naar voren en probeer je dat kind voor te stellen als het 20 jaar oud is. Nog een stap, stel het kind voor als het 40 is, misschien inmiddels zelf kinderen heeft. Bij de laatste stap is dat kind 90 jaar oud. Toen vroeg ik ze om aan een landschap te denken dat hen dierbaar was. Een rivier waar ze als kind in gezwommen hadden, de weilanden waar ze opgegroeid zijn. Mijn laatste vraag is om dan in gedachten naast die 90-jarige persoon te gaan staan en samen uit het raam te kijken. Hoe ziet dat geliefde landschap er dan uit? In welke staat bevindt het zich? Het was ongelooflijk om te zien wat dat deed met mensen, hoeveel mensen moesten huilen.’”  Dat wil ik best aannemen. Ook wil ik best aannemen dat die oefening bij het gros van de mensen eenzelfde soort beeld oproept. Maar wat leert ons de antwoorden op die ene vraag en de beelden die het oproept? Een toekomstbeeld bestaat uit veel meer dan het antwoord op die ene vraag. Het bestaat uit antwoorden op heel veel vragen en al die vragen roepen beelden op en dan wordt het lastig want die antwoorden en beelden kunnen zelfs voor een individu al met elkaar schuren laat staan voor alle mensen.

Vraag een zeventigjarig eens naar dat landschap en die rivier waarin werd gezwommen ( (als die persoon dat al durfde omdat open water in die tijd erg vervuild was). Vraag hem vervolgens ook eens wat hij zou willen missen van hetgeen er sindsdien is veranderd hij had willen inleveren om dat landschap te behouden? Laat ik mijn eigen voorbeeld geven. Ik ben nog geen zeventig dit even terzijde. Mijn jeugd viel samen met schaalvergroting van de landbouw. Het gemengd bedrijf van mijn vader was acht hectare groot met maximaal zestien melkkoeien en ongeveer tien stuks jongvee, zestien varkens en een kip of vierhonderd. Die laatsten gingen er als eerste uit want met fl. 0,12 per ei kon je niets verdienen. Voor de jongere generaties onder de lezers dat is € 0,05 en dat is ongeveer de prijs die de boer nu ook voor z’n ei krijgt. In mijn jonge jaren eind jaren zestig, gaf het gemiddelde gezin 25% van de inkomsten uit een voedsel. Bijna niemand ging op vakantie en als men ging dan naar de camping drie dorpen verderop. De tv begon net aan zijn opmars waarbij we het moesten doen met een handvol zenders. Een handvol omdat we aan de Duitse grens woonden en België niet ver weg was. Van Internet en een computer hadden we nog nooit gehoord en de telefoon van bakeliet hing in de gang en die was niet voor mij als kind bedoeld. Gestookt werd er op kolen want het gas zat nog in de Groningse bodem. Gestookt werd er trouwens alleen maar in de keuken want daar stond het kolengestookt fornuis, en in de woonkamer. Nu naar dat mooie uitzicht in mijn hoofd. Dat uitzicht bestond uit twee boerderijen in een open landschap. Daar ligt nu een woonwijk waar zo’n duizend mensen wonen. Mijn idylle behouden had betekend dat er elders woningen gebouwd hadden moeten worden wat waarschijnlijk ten koste van de idylle van iemand anders was gegaan. Of ten kosten van die duizend mensen die er kwamen te wonen. Maar behoud van die idylle zal waarschijnlijk ook hebben betekend dat we nu veel meer dan de huidige gemiddelde 11% van ons inkomen aan voedsel uit zouden geven. Als je dit gedachte-experiment tot in het uiterste doorvoert, dan ga je uiteindelijk ‘Lucy’ verwijten dat haar generatie of laten we het makkelijk maken haar soort de Australopithecus afarensis uit de boom kwam en rechtop is gaan lopen.

  Net zoals de generaties voor ons, moeten huidige en toekomstige generaties een afweging maken tussen de mensen die nu leven en ‘mogelijke toekomstige mensen’. En net zoals de jonge generaties van nu, zullen de toekomstige jonge generaties de vorige generaties bekritiseren om de gemaakte keuzes. Dit omdat ze met de kennis van dan, in het huidige nu andere keuzes hadden moeten maken. De toekomst is per definitie onkenbaar want vanuit het heden zijn er zeer vele toekomsten mogelijk. Welke het is geworden beschrijven historici achteraf in hun boeken.

Plagen en de geschiedenis van de mens

Het verhaal van het verleden kan op vele verschillende manieren worden verteld. Boeiend en levendig maar ook saai en feitelijk. Daarmee wil ik niet zeggen dat de boeiende en levendige geschiedenisvertellers een loopje met de feiten nemen. Verre van dat zelf. Ze weten die feiten te omlijsten met een boeiend en levendig verhaal. Nog altijd staan mij twee voorbeelden van deze uitersten voor de geest. Ik moest hieraan denken na het lezen van Een geschiedenis van de wereld in acht plagen  van Jonathan Kennedy.

Van allebei heb ik een voorbeeld uit mijn tijd als student geschiedenis. De docent ene gaf sociaal economische geschiedenis, leerzaam en feitelijk maar oersaai. Daar kwam bij dat zijn verhaal in niets verschilde van het boek (door hem geschreven) dat je erbij moest lezen. De andere docent vertelde op basis van feiten een boeiend en levendig verhaal over Duitsland tussen 1870 en de Tweede Wereldoorlog. Bij het verhaal zat je, bij wijze van spreken, in een Münchener Bierkeller en kon je het bier en de Bratwurst ruiken.

Eigen foto

Want ja, hoe vertel je het verhaal van de geschiedenis? Geef je een feitelijk opsomming van de gebeurtenissen dan krijg je ‘754 Bonifatius bij Dokkum vermoord, 800 Karel de Grote wordt tot keizer van het Heilig Roomse Rijk gekroond. 1600 slag bij Nieuwpoort.’ Klopt allemaal, maar wat weet je anders dan deze feiten over het verleden? Wie was Bonifatius? Wat deed hij in Dokkum? Waarom werd hij vermoord? Wat betekende deze moord? Allemaal interessante vragen waarop je dan geen antwoord krijgt. Dat wordt anders als je de geschiedenis van de achtste eeuw verteld aan de hand van het leven en werk van Bonifatius. Dan begint het verhaal bijna een halve eeuw eerder met de geboorte van Wynfrith ergens tussen 672 en 675. Een goede burgerlijke stand ontbrak in die tijd. Dan begint het verhaal met het overlijden van zijn vader toen hij een jaar of zeven was en het klooster inging. Dit, naar het schijnt, tegen de wil van zijn vader wat hem neerzet als een koppig persoon. Naar het schijnt omdat de informatie hierover alleen van Wynfrith zelf komt en mensen hebben nogal de neiging om zichzelf beter voor te doen. En zo gaat het verhaal verder totdat hij op zeer hoge leeftijd naar Friesland ging om de Friezen dan eindelijk te bekeren. Of, en dat is een andere variant, om toch als martelaar voor het geloof te sterven. Wat zijn doel ook was, het was een win-win voor hem. In beide gevallen zou hij de geschiedenisboeken halen en dus ‘eeuwige roem’.

De laatste manier van het vertellen van het verleden blijft je beter bij. Dat is ook het succes achter de tv-series ´Het Verhaal van Nederland’ en nu ‘Vlaanderen’. De geschiedenis wordt dan het verhaal van grote mannen en vrouwen. Deze manier van vertellen levert boeiende verhalen maar je loopt het risico dat je iets mist. Iets dat kan verklaren waarom deze persoon zo groot is geworden. Neem Alexander de Grote. De grote veroveraar die het machtige Perzische Rijk omverwierp en tot in het huidige India oprukte. Een geschiedenis over zijn leven begint meestal met zijn vader Philippus II koning van Macedonië en diens verovering van het grootste deel van de Helleense wereld. Staten die door een eeuw van onderlinge gevechten verzwakt waren. Een eeuw die begon met de Peloponnesische Oorlogen tussen Sparta en Athene beiden gesteund door bondgenoten. Na de dood van zijn vader begint Alexander aan zijn veroveringstocht die hem dus tot de Indus voert. Wat missen we dan in deze geschiedschrijving?

Want ja, de Peloponnesische Oorlogen hadden de Griekse staten verzwakt. In de Tweede Peloponnesische Oorlog (431-404 voor onze jaartelling) versloeg Sparta Athene uiteindelijk. Kennedy: “De plattelandsbevolking van Attica ontvluchtte haar woningen en trok zich terug achter de stadswallen van Athene. Vanuit militair oogpunt was dat slim: de Spartanen beschikten over een machtig leger, zodat de Atheners hen liever niet op het slagveld tegemoet traden, Ze wachtten liever tot de vijand zijn geduld zou verliezen en naar huis zou keren, waarna ze hun sterke marine wilden gebruiken om de oorlog te winnen.”  Helaas had die keuze een negatief bijeffect waar de Atheners niet op hadden en ook niet op konden hebben gerekend: “De stad raakte overvol en de hygiënische omstandigheden verslechterden. Het duurde niet lang of er brak een verwoestende infectieziekte uit, die tussen de jaren 430 en 426 v.Chr. meermaals oplaaide.[1] Welke infectieziekte precies is niet meer te achterhalen maar op basis van de beschreven symptomen tyfus en pokken. Gevolg van deze verwoestende epidemieën was dat in die periode: “ongeveer een kwart tot een derde van alle manschappen om het leven (kwam), maar de pest beperkte de militaire kracht van Athene nog decennialang doordat er minder jongens overbleven om als volwassen soldaat te dienen, evenals minder vrouwen die zulke jongens konden baren.[2]  Maar nog belangrijker hun leider Perikles stierf aan de plaag en na zijn dood kozen de Atheners voor een offensieve strategie die hen uiteindelijk fataal werd.

In Kennedys boek spelen ziekten en plagen en hun verwekkers de hoofdrol. Hij beschrijft er acht die het lot van de mensheid mee hebben bepaald. Als eerste de Paleolitische plagen zoals Kennedy ze noemt. De eerste daarvan leverde de Homo sapiens op als enige mensensoort. Dit terwijl er in de eerste 250.000 jaar van het bestaan van onze soort nog verschillende andere mensensoorten naast ons bestonden. Soorten zoals de kleine Flores mens, de Denisova mens en de meeste bekende, de neanderthaler mens die allemaal zijn verdwenen. Behalve als de roman Ze zijn er nog van Venlose schrijver Fons Wijers op waarheid berust en er ergens in de Karpaten en wellicht ook elders nog een groep neaderthalers leeft die zich hebben aangepast om niet op te vallen. Nu zijn ‘ze’ er nog maar dan op een andere manier. In ons DNA zijn nog sporen te vinden van die andere mensensoorten die samen met ons op deze aardkloot rondliepen. Terug naar Kennedy.

De meest gangbare verklaring voor ons overleven is de verklaring dat we intelligenter waren, daarom noemen we onze soort ook de ‘denkende’ of ‘slimme’ mens. We zouden in tegenstelling tot die andere mensensoorten, beschikken over: “het unieke vermogen om taal en kunst te gebruiken om er ideeën mee uit te drukken en uit te wisselen. Doordat we beter samenwerken en  effectiever handelen dan de grotere, sterkere neanderthalers en andere mensensoorten die niet over deze vaardigheden beschikten.[3] Je kunt hierin het betoog van Yuval Noah Harari in zijn  boek Sapiens in herkennen. ‘Ook gij Ballonnendoorprikker’, kunnen jullie nu Julius Caesar parafraserend, zeggen. En inderdaad heb ook ik dit verhaal verkondigd, verwijzend naar Harari. Nu zou dat met die kunst wel eens anders kunnen liggen net zoals met dat verschil in ‘slimheid’. Daar komen de ziekten en plagen om de hoek kijken de manier waarop de verschillende mensensoorten zich erop aanpasten.

Het zal alle nationalisten teleurstellen, we komen allemaal ‘out of Africa’. Alleen lukte het onze soort die eerste kwartmiljoen jaar niet om, afgezien van een tijdelijke klein uitstapje, werkelijk verder te komen dan Afrika. Dit terwijl de neanderthaler vooral in Europa rondhing en de Denisova mens de Aziatische hoogvlaktes bevolkte. Dat ‘wij’ maar ook ‘zij’ niet verder kwamen was, zo betoogt Kennedy, het gevolg ziekten en plagen: ”Ziekteverwekkers die bij de Homo sapiens relatief onschuldige symptomen opriepen konden de neaderthalers fataal worden, en omgekeerd. Hierdoor trokken ziekteverwekkers een ‘onzichtbaare grens: het was voor Homo sapiens onmogelijk uit Afrika te migreren, omdat ze dan vroeg of laat op neaderthalers met hun infectieziekten zouden stuiten, en hetzelfde gold voor de neanderthalers wanneer zij naar het zuiden trokken.[4] Hoe hebben onze voorouders dan toch Afrika kunnen verlaten?

Het antwoord op die vraag is eenvoudiger maar ook lastiger dan gedacht: “door met de neanderthalers nageslacht te gaan produceren. Voortplanting met een andere nauw verwante soort vormt een onbedoelde vorm van biohacking: het levert onmiddellijk een soort genetische varianten op die al aan de nieuwe omgeving zijn aangepast.[5] En nu het lastige deel: dat zou dan toch ook voor de neanderthalers gelden, waarom zijn die dan uitgestorven en niet Afrika ingetrokken? Dat komt door het klimaat. “de laatste ijstijd , … maakte het voor de neanderthalers moeilijk om te overleven.” Dit maakte dat er maar weinig van waren “Schattingen van de omvang van hun populatie lopen uiteen van tussen de vijf- en zevenduizend zielen- alles behalve omvangrijk als je bedenkt dat ze waren verspreid over een leefgebied dat zich uitstrekte van de Atlantische Oceaan tot in Siberië.” Dit had tot gevolg dat hun genoom beperkt was: ‘Uit analyse van het DNA van een vrouwelijke neanderthaler die vijftigduizend jaar geleden leefde in het Altajgebergte, blijkt dat haar ouders elkaars halfbroer en halfzus waren  en dat parende nauwe verwanten eerder regel dan uitzondering vormden..” In Afrika, waar de Homo sapiens leefden, was het klimaat veel vriendelijker, was er meer eten en dat zorgde voor een veel grotere populatie van tussen de 120.00 en 325.000 individuen. Maar belangrijker: “hun genoom vertoonde viermaal zoveel diversiteit. Hierdoor zullen ze veel weerbaarder zijn geweest tegen infectieziekten die de neanderthalers bij zich droegen.[6]

Van daaruit trekt Kennedy door de geschiedenis van de mensheid en maakt aannemelijk dat ‘plagen’ en dus bacteriën en virussen wel eens een belangrijkere rol kunnen hebben gespeeld dan sterke mannen. Zo roeide Euraziatische infectieziekten de inheemse Amerikaanse bevolking nagenoeg uit. Dat maakte het koloniseren ervan een stuk makkelijker. Daar waar plagen de Europeanen in de Nieuwe wereld hielpen, belemmerden ze hen gedurende heel lange tijd om vaste grond onder de voeten te krijgen in tropisch Afrika. De gele koorts en vooral malaria bleken lange tijd een onneembare horde, ‘onzihtbare grens’ voor de Europeaan. Die twee plagen speelden, zo laat Kennedy zien, ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Trans-Atlantische slavenhandel.

Met Een geschiedenis van de wereld in zeven plagen is Kennedy erin geslaagd om ook zonder ‘grote mannen of vrouwen’ als hoofdrolspelers een boeiende en levendige geschiedenis te schrijven. Een geschiedenis die eindigt met de recente Covid 19 pandemie. Een geschiedenis met die groten als figuranten.


[1] Jonathan Kennedy, Een geschiedenis van de wereld in acht plagen, pagina 82

[2] Idem pagina 86-87

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 46

[5] Idem, pagina 47

[6] Idem, pagina 49-50

Irak, democratie en de rechter

In een artikel in de Volkskrant doet Jenne Jan Holtland verslag van de huidige situatie in Irak in een artikel met als kop: “Vroeger hadden we één Saddam, nu hebben we er duizend.” In dit artikel komt Ahmed Salah, een winkelier aan het woord die tien jaar in Duitsland heeft gewoond, aan het woord. Hij legt een relatie tussen democratie en het opleidingsniveau: “Democratie werkt alleen als de bevolking hoogopgeleid is’. Als je zoals in Europa goed onderwijs hebt genoten, weet je hoe je met vrijheid moet omgaan. Hier kunnen mensen dat niet.”  Als je kijkt naar democratische landen, dan zijn dat veelal landen met een hoog opgeleide bevolking. Dus heeft Salah een punt?

Bron: Wikipedia

Als we de uitspraak vanuit de logica bekijken dan is de vraag of er sprake van correlatie of van een causaal verband van belang. Waarbij het bij een causaal verband de vraag is of onderwijs de oorzaak is van democratie of democratie de oorzaak van onderwijs. Nu ben ik wel van de logica maar in dit geval kies ik toch voor een andere benadering. Een benadering die past bij een historicus, namelijk een kort historisch onderzoek aan de hand van de casus Nederland.

De Nederlandse democratie is van recente datum. Pas in de Grondwet van 1848 werd het koningschap vooral ceremonieel en werd de macht verdeeld tussen de regering, de Kamers en de rechterlijke macht. Van een echte democratie was ook toen nog geen sprake. Slechts een beperkt deel van de bevolking kon stemmen bij verkiezingen. De helft, de vrouwen, vielen op voorhand al af en van de mannelijke helft mocht alleen dat deel stemmen dat voldoende belasting betaalde. Tot 1880 was dat niet meer dan 12% van het mannelijke deel van de bevolking van 25 jaar en ouder. Pas met de Grondwetswijziging van 1917 kregen alle mannen van 25 jaar en ouder het kiesrecht en in 1919 volgde het algemeen kiesrecht en mochten ook vrouwen van 25 jaar en ouder stemmen. In die tijd was dat ongeveer helft van de bevolking. Sinds dat moment is Nederland een democratie met algemeen kiesrecht.

In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was de Nederlandse bevolking verre van hoog opgeleid. Tot het Kinderwetje van Van Houten van 1873 werkte de overgrote meerderheid van de kinderen al vanaf een jaar of zes mee op het land of in de fabriek. Van Houtens wetje verbood dat laatste voor kinderen jonger dan 12 jaar, het eerste bleef nog steeds toegestaan en dat betrof het gros van de kinderen. Niet werken betekende niet dat kinderen automatisch onderwijs genoten hoger opgeleid werden. Pas in 1901 werd de leerplicht ingevoerd voor kinderen tussen de 6 en 12 jaar. Leerplicht betekende echter niet dat ze hoger opgeleid raakten. Daarvoor is zes jaar te kort en na die zes jaar lagere school moest het overgrote deel gewoon weer aan het werk. Een vervolgopleiding was maar voor weinigen weggelegd. In 1901 volgden ongeveer 13.400 kinderen een vorm van voortgezet onderwijs en in 1950-1951 volgen slechts 211.200 kinderen een vorm van voortgezet onderwijs[1]. Dit terwijl een jaargroep uit ongeveer 160.000 kinderen bestond[2]. Pas na de Leerplicht wet van 1969 werd het volgen van voortgezet onderwijs standaard praktijk en daarbij moet worden aangetekend dat het gros een praktijkopleiding volgde zoals de Lager technische school, de huishoudschool of de lagere landbouwschool.

Nederland werd een democratie op een moment dat de bevolking niet tot laag opgeleid was. Meer dan zes jaar lagere school had. Dit zal in andere westerse democratieën niet anders zijn geweest. Zelfs die lager en niet opgeleiden wisten met hun vrijheid om te gaan. Voor een democratie is een hoog opleidingsniveau dus niet nodig. Het zou zomaar kunnen dat de gemiddelde Irakees aan het begin van deze eeuw een veel hogere opleiding had genoten dan de gemiddelde Nederlander een eeuw eerder. Dus als het opleidingsniveau voorwaarde zou zijn voor het slagen van democratie, dan stond Irak er veel beter voor.

Dat het in Irak niet is gelukt, heeft niets met het opleidingsniveau te maken. De reden de Amerikaanse poging om Irak te democratiseren is verworden tot ‘duizend Saddams’ moet elders worden gezocht. Die moet worden gezocht in twee basisvoorwaarden voor een succesvolle democratie. Als eerste een goed functionerende rechtstaat. Een rechtstaat die haar burgers met wetten beschermt tegen elkaar en die garandeert dat de overheid de rechten van de burgers respecteert. Een rechtstaat die, zoals in de Urgenda-zaak, de overheid op haar vingers tikt. Als tweede een functionerende overheid die basisdiensten van een behoorlijk niveau levert. Nederland kende beiden voordat het een democratie werd. In Irak ontbraken ze. De functionerende rechtstaat omdat Irak die nooit had gekend en de functionerende overheid omdat de Amerikanen die bewust hebben afgebroken toen ze besloten om het overheidsapparaat te ontbinden en te ontdoen van alle invloeden van het oude Ba’ath regime.

Het is niet voor niets dat antiliberalen zoals Orban, de PIS leiders van Polen en Erdogan, maar ook de VS onder Trump, de rechterlijke macht onder controle willen krijgen.


[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/37220

[2]https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/bevolkingspiramide

Geschiedenisonderwijs

Als je over geschiedenis schrijft, dan heb je mijn belangstelling. Dus toen ik bij Trouw een artikel zag met als titel “Het vak geschiedenis is kreupel, dus meer geschiedenis helpt niet,” van lerarenopleider Bas van der Meijden moest ik verder lezen. “De roep om meer aandacht voor het schoolvak geschiedenis klinkt luid, zeker na de verschijning van het rapport-Bussemaker over de kennis ten aanzien van Nederlands-Indië.” Zo begint Van der Meijden zijn betoog. Maar het is maar de vraag of hiermee het probleem, het geconstateerde gebrek aan historische kennis en vaardigheden, wordt opgelost, zo betoogt hij. Want: “Het schoolvak kent namelijk twee hardnekkige problemen waaraan niet of nauwelijks wordt gewerkt.” Een artikel dat veel duidelijk maakt en dat vraagt om een andere benadering van het geschiedenisonderwijs en het doel wat je ermee wilt bereiken.

Het eerste probleem is dat: “ het ontbreken van wat ‘cumulatieve didactiek‘ heet. Bij een taal zorgt de taaldidactiek ervoor dat eenmaal verworven kennis en vaardigheden telkens terugkomen en nieuwe stof daarmee wordt verbonden, zodat het diep wordt verankerd in het langetermijngeheugen. Een vak als geschiedenis mist een dergelijke opbouw.” Je leert over Bonifatius die in 754 in Dokkum werd vermoord, krijgt er een vraag over op je proefwerk en daarna komt het nooit meer terug en dus vergeet je het.

Het tweede probleem: “ bij het geschiedenis­onderwijs (gaat het) uiteindelijk niet om historische kennis en vaardigheden, maar om hoe die ons kunnen helpen bij het beantwoorden van de vraag wie wij zijn en willen zijn, en in wat voor een wereld wij leven en willen leven.” Maar: “ Dat kan alleen als er in het onderwijs sprake is van een didactiek die daarop gericht is, en die leerlingen in toenemende mate leert om geschiedenis op zo’n bestaansverhelderende manier te gebruiken. Maar van een dergelijke didactiek is in het huidige geschiedenisonderwijs niet of nauwelijks sprake, ook niet aan de lerarenopleidingen.”

Twee bijzondere problemen die in mijn ogen samenhangen en wel zo dat er eigenlijk sprake is van maar één probleem en dat is het ontbreken van die cumulatieve didactiek. Probleem is de manier waarop het geschiedenisonderwijs wordt aangeboden in het basis- en voortgezet onderwijs. Het wordt, en dat lijkt logisch, chronologisch aangeboden. We beginnen bij de Egyptenaren en Babyloniërs en gaan dan via de Grieken en Romeinen naar Middeleeuwen tot we uiteindelijk in het heden belanden. Hoe dichter bij het heden, hoe meer aandacht. Van de tien tijdvakken handelen er 6 over de laatste 500 jaar. De 1.000 jaar daarvoor moeten het doen met twee tijdvakken en alles wat daarvoor kwam ook met twee. Aan hetzelfde euvel leidt ook de poster Tien keer meer geschiedenis van The Black Archives. “Over bepaalde cruciale onderdelen uit de geschiedenis leer je niet of nauwelijks op school. Terwijl ze onmisbaar zijn als je onze samenleving en de wereld van vandaag wil begrijpen. In onze geschiedenislessen gaat veel aandacht uit naar Nederlandse en Europese geschiedenis. Wat moeten we weten over ontwikkelingen in andere delen van de wereld?” Dus via die poster kun je daar wat meer over te weten komen. Helaas verwijst die wel erg veel naar Wikipedia.

Die chronologische behandeling van de geschiedenis lijkt logisch, maar dat betekent wel dat je maar één keer gedurende je middelbareschooltijd iets hoort over Karel de Grote of Julius Caesar. Namelijk als de tijd dat zij leefden wordt behandeld. Geen ‘cumulatieve didactiek’ dus terwijl die wel belangrijk is. Bovendien mis je daardoor ook het belangrijkste van de geschiedenis, namelijk het inzicht in het gedrag en handelen van mensen en dat is het tweede probleem van Van der Meijden het gebrek aan ‘bestaansverheldering’.

Beide problemen worden aangepakt als in het geschiedenisonderwijs niet de chronologie maar de thematiek centraal zou staan. Thema’s die een rol spelen in het leven van de mens van toen en nu. Thema’s zoals ‘de innovatieve mens’ waarin de hulpmiddelen die de mens heeft ontwikkeld en de plek en de rol die ze in het leven spelen centraal staan, van de vuistbijl tot de nanotechnologie. Of de ‘verhalenmens’ over de rol die verhalen, zoals onder andere religies, in het leven van de mens spelen. Of ‘de mens als rijkenbouwer’ waarbij wordt bekeken hoe een succesvol rijk ontstaat en ook weer onherroepelijk vervalt. De ‘mens als handelaar’ waarbij aandacht is voor de economie. De ‘mens als mensenbezitter, waarbij aan bod komt hoe de mens zijn medemens ge- en misbruikt voor eigen doelen waarbij slavernij, feodalisme en Marx’ klassenstrijd aan bod komt. De ‘mens als dierenmens’ waarbij de omgang van de mens met dieren wordt behandeld.

Zo zijn er nog wel meer thema’s te verzinnen. Thema’s die een rol spelen en speelden in iedere periode en door ze te benadrukken kun je laten zien welke ontwikkeling (of niet) we als mensheid doormaken. Dan zullen we zien dat kolonialisme iets van alle tijden, ook de onze, is. Want hoe moeten we de Chinese nieuwe zijderoute anders noemen? Of de Amerikaanse bemoeienissen in het Midden Oosten? Dan zullen we zien dat er er niet één periode van groei van imperia is, maar dat dit eigen is aan de mensheid sinds die zich vestigde in steden.

Dan worden Julius Caesar en Karel de Grote vaker behandeld en wordt er ‘cumulatieve didactiek’ aangebracht. Iedere keer dat ze voorbij komen, word je herinnerd aan wat je al eerder over die persoon en die tijd hebt gehoord. Ook het probleem van ‘bestaansverheldering’ wordt dan aangepakt omdat dan echt duidelijk wordt wie wij zijn en/of willen zijn.

Bregmans glazen bol

Wat zou het fijn zijn als we nu al wisten dat we in de ogen van onze verre nazaten iets doen wat barbaars of moreel verwerpelijks is. Dan zouden we kunnen ‘handelen met voorkennis’. Op de beurs is dat verboden maar als het gaat om het toekomstig rapportcijfer voor goed gedrag dan zou het heel mooi zijn als we zouden weten wat in de toekomst als goed gedrag wordt gezien. Gelukkig voorziet Rutger Bregman ons van een morele glazen bol in de vorm van, om de titel van zijn artikel bij De Correspondent aan te halen: “Zes tekenen dat je aan de verkeerde kant van de geschiedenis staat.”  

Je hoeft geen specialist te zijn want die zes tekenen zijn voor iedereen die ze wil zien, makkelijk te herkennen. Laten we ze eens na lopen. Als eerste hebben we de signalen dat iets verkeerd is allang gehoord. Bregman: “ Het is niet dat een stelletje activisten aan het einde van de achttiende eeuw ineens, voor het eerst in de geschiedenis, bedacht dat er misschien iets mis kon zijn met de slavernij. Die geluiden klonken al eeuwen, maar waren nooit uitgegroeid tot een beweging.” Als tweede omdat we het: “normaal, natuurlijk en noodzakelijk vinden” Slavernij was er al altijd en: “sommige mensen waren ‘van nature’ slaaf, en als je de slavernij verbood dan zou de economie instorten.” Als derde als: “mensen wegduiken voor onprettige feiten.” Feiten zoals: “Wie een goedkoop T-shirt aanschaft denkt liever niet aan een sweatshop in Bangladesh, en wie naar Ibiza vliegt denkt liever niet aan de stijgende zeespiegel, brandende oerbossen en miljoenen klimaatvluchtelingen.” Een vierde teken zijn: “de boze reacties die morele pioniers oproepen.” Als vijfde als we moeite hebben om het aan onze kinderen uit te leggen. Want kinderen hebben: “Juist omdat ze nog niet ‘volwassen’ zijn (…) een uniek talent om onze hypocrisie bloot te leggen.” Het zesde en laatste teken omdat: “We vermoeden dat toekomstige generaties het barbaars zullen vinden.”

Bregman gebruikt die zes tekenen om aan te tonen dat het eten van vlees moreel verwerpelijk is. Daar gaat het mij nu niet om. Het gaat mij er ook niet om dat Bregman zijn betoog onderbouwt door het ‘morele gezag’ dat hij aan voorouders toekent vanwege hun strijd tegen iets anders, laat afstralen op zijn betoog om geen vlees te eten. Zo aten enkele van zijn helden in de strijd tegen slavernij geen vlees. Als het moreel kompas in het ene geval goed stond, dan zal dat ook wel voor dat andere geval gelden. Maar als moreel goed in het ene ook tot moreel goed in het andere leidt, dan zou dat ook de andere kant op werken. Moreel fout in het ene en dus ook in het andere.  

Het gaat mij om die zes tekenen. Met die tekenen kun je alle kanten op. Je kunt er alles wat we nu doen als barbaars mee betitelen. Je kunt ermee bijvoorbeeld zowel abortus als ook een abortusverbod moreel barbaars noemen. Je kunt ermee verdedigen dat het enige recht van vrouwen het aanrecht is maar ook dat iedereen gelijke rechten heeft. En maakt bij nadere beschouwing het zesde teken de andere vijf niet overbodig? Immers als we nu al ‘vermoeden’ dat onze verre nazaten het barbaars zullen vinden, vinden we dat dan nu niet ook al barbaars? Zouden we er dan nu niet ook meteen iets aan doen? Het voelt immers niet goed om jezelf als barbaar te zien. Barbaren dat zijn altijd anderen. Voor de Grieken was iedere niet Griek een barbaar. De Romeinen zagen het min of meer hetzelfde. Wat uiteindelijk ‘de goede kant van de geschiedenis’ is, hangt daarmee helemaal af van je wereldbeeld.

Ook Bregmans glazen bol biedt geen garantie op een goed rapportcijfer voor ‘goed gedrag’ in de toekomst.

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21

De nobele wilde

“Natuurlijk staan we nu, in het antropoceen, voor andere uitdagingen dan de jagers-verzamelaars. Maar zij wisten in veel opzichten vergelijkbare uitdagingen millennialang het hoofd te bieden. Hun geheim? Alle ruimte geven aan de intrinsiek androgyne kern van de mens. Dat maakt ons optimaal wendbaar en innovatief. Dat geheim ligt nu ook weer binnen ons handbereik.” De afsluitende alinea van een artikel van Laurens Buijs bij De Correspondent. Die ‘zij’ waar Buijs over spreekt, zijn onze voorouders die leefden als jager-verzamelaars. Onze voorouders die, zo betoogt Buijs, leefden in een gelijkwaardige samenleving waarin ze geen verschil maakten tussen man en vrouw als voorbeeld. Dat onze huidige samenleving qua gelijkwaardigheid diverse verbeterpunten kent, staat voor mij buiten kijf. Maar de ‘nobele wilde’ als voorbeeld?

Jacht Klopjacht Stone Age - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Bij mij gaan de alarmbellen rinkelen als het verleden ons ten voorbeeld wordt gesteld. Dat belooft meestal niet veel goeds. Meestal wordt het verleden dan gebruikt, of beter misbruikt, om doelen in het heden te bereiken. Politici die terug willen naar de jaren vijftig, zoals Wilders of nog verder terug naar de achttiende eeuw, zoals Baudet, willen dat meestal om mensen uit te sluiten. ‘Jullie kleur, religie of iets anders was er toen niet, dus jullie horen er niet bij’. Dit is bij Buijs niet het geval.

Laten we het betoog van Buijs eens volgen. Buijs gaat, zoals hij het noemt: “op zoek naar de nodige nuance,” in het maatschappelijk debat over gender, omdat, zo betoogt hij: “want denken in tegenstellingen in gender en seksualiteit beperkt ons allemaal.” Daarom zoekt hij naar: “de stand van de wetenschap als het over gender gaat.” En dat onderzoek, zo betoogt hij: “laat zien dat de mens in de kern androgyn is: elke man is ook vrouwelijk, en elke vrouw is ook mannelijk. Dat maakt genderfluïditeit voor iedereen relevant, of we nou zelf lhbt’er of cisgender heteroseksueel zijn.”  En zo komt hij uit bij de jager-verzamelaars, die een veel gelijkwaardigere samenleving hadden en volgens Buijs kwam dat door de androgyne kern van de mens. Die androgyne kern werd naar de achtergrond gedrongen, zo betoogt hij, na de neolithische revolutie, de uitvinding van de landbouw. Want toen: “werden de rollen steeds meer langs de lijnen van gender verdeeld. Mannen namen de fysieke taken op zich, terwijl de vrouwen zich gingen toeleggen op zorgen en opvoeden. Zij leefden niet langer in grote beweeglijke groepen samen, maar steeds meer in klein familieverband met een vader, een moeder en kinderen. Zo ontstond het kerngezin, en daarmee de heteronorm.” En nu moeten we dus weer terug naar die androgyne kern die ons ‘optimaal wendbaar en innovatief’ maakt.

Een groep jager-verzamelaars bestond uit een beperkt aantal mensen, meestal tussen de 25 en de 50 mannen, vrouwen en kinderen. Als we kijken naar hun dagelijkse leven, dan waren er slechts een beperkt aantal taken die moesten worden vervuld en al die taken waren behoorlijk arbeidsintensief. Het jagen gebeurde met het grootste deel van de groep. Het hert, laat staan de mammoet kon alleen worden gevangen door met z’n allen samen te werken. En alleen door allemaal bessen te plukken en noten te verzamelen, kon er voldoende worden verzameld voor de hele groep. Bovendien was iedereen nodig om de belangrijke zaken steeds mee te verhuizen. Dus inderdaad qua rol was de groep gelijkwaardig. Zou dat door het ‘geheim van Buijs’ die androgyne kern van de mens komen of een resultaat zijn van noodzaak?

Gelijkwaardig wil echter niet zeggen dat er geen hiërarchie was in de groep. Die zal er zeker zijn geweest. Als we kijken naar onze meest naaste diersoorten, de mensapen. Ook die kennen een hiërarchie en een hiërarchie duidt op machtsverschillen. En dat is nu nog steeds zo. Zet een groep willekeurige mensen bij elkaar en er ontstaat een soort hiërarchie en ook een strijd om de ‘bovenste plek’ in die hiërarchie en gekonkel om die plek te bemachtigen. Vrouwen verschillen daarin niet zoveel of vrijwel niet van mannen. Ook vrouwen doen aan hiërarchie. Kijk gewoon naar een willekeurige schoolklas en je kunt het zien. Of als je meer van de TV bent, kijk naar al die ‘real life’ tv-programma’s als Big Brother en Expeditie Robinson. Ook daar zie je dit gedrag. Dit is menselijk, niet mannelijk en niet iets van sinds de eerste agrarische revolutie.

Dan die neolithische revolutie. Die vroeg om andere zaken en maakte ook andere zaken mogelijk. Om met dat laatste te beginnen. Die revolutie maakte het mogelijk en zelfs aanlokkelijk om meer kinderen te krijgen. Mogelijk omdat het kind niet steeds meegesleept hoefde te worden om er toezicht op te hebben. Het werd hierdoor makkelijker om extra kinderen te krijgen. Makkelijker en belonend omdat ieder kind dat overleefde een extra paar handen betekende en die handen maakten meer werk mogelijk. En als er dan toch iemand in de buurt moet blijven om een oogje in het zijl te houden, dan is het toch handiger omdat iemand te laten zijn die de kleinsten gelijk kan zogen. Hieruit is inderdaad het moderne kerngezin gegroeid alleen gingen daar nog vele eeuwen en zelfs millennia overheen want dat ‘kerngezin’ was onderdeel van een band waar ook grootouders en broers en zussen deel van uitmaakten. Een band die weer onderdeel was van een extended family, een grootfamilie of clan. Ook de keuzes die onze voorvaderen de eerste boeren maakten, kenden een praktische reden en geen op ideologie of op macht gebaseerde reden.

Dat die praktische keuze uiteindelijk hebben geleid tot een samenleving waarin mannen de baas spelen, is wat anders. Nu laat de geschiedenis zien dat er ook vrouwen zijn die de baas spelen, neem Hatsjepsoet, Nefertiti, Cleopatra of de Chinese Keizerinnen Wu Zeitan en Cixi, de Engelse koninginnen Mary, Elizabeth I en II (de huidige) en Victoria, de Russische Tsarina’s Elizabeth en Catharina. Om daaraan een einde te maken is het echter niet nodig om je gelijk in het verleden te gaan zoeken en dat verleden te buigen naar de theorie waarmee je je strijd in het heden voert.

Van uithoek tot hoeksteen

“De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.” Zo schreef ik de Prikker met als titel Trots op je land. Die volgende Prikker is nu. Hoe die vergetelheid eruit zag? “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1] Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet.

Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan het ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waarnaar Peter Frankonpan zijn bekende werk De zijderoutes heeft genoemd. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld. Met de val van Rome en het afzetten van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476, kwam daaraan weer een einde.

File:Slag bij Vlaardingen.JPG
Het naspelen van de slag bij Vlaardingen. De slag die Dirk III in zijn voordeel besliste. Foto: ErfgoedZH

De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken, omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer veel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In het jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake en zelfs ‘Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland Dirk III behaalde, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West)-Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht was iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de donkere slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijde route. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to their north Italian Neighbors. Also by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, notably weaving of woolen cloth, but markets for this cloth were very limited at first.[5]Zo beschrijven Palmer en Colton in hun A History of the Modern World het Europa dat zich weer langzaam aansloot bij het centrum van de wereld.

Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.” Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[6] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabricaten uit eigen streek anderzijds[7].”

De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noordwest Europa. Zo zie je maar weer dat de winnaars de geschiedenis bepalen want voor de Friezen, die al in de Romeinse tijd een belangrijke macht waren in het gebied dat grensde aan de Noord- en de Waddenzee, restte slechts een bijrol in de ‘trotse’ geschiedenis van het koninkrijk Nederland. De Graaf van Holland was echter niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[8]aldus Palmer en Colton in hun A history of the Modern World over de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders.  Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden. Niets gezamenlijks.

In het begin van de zestiende eeuw werd het onrustig in het gebied van die zeventien provinciën. Trouwens ook in een groot deel van de rest van West-Europa. Drie ontwikkelingen kwamen samen. De eerste ontwikkeling heb ik hierboven al genoemd: de aantrekkende handel en het streven om de tussenhandel uit te schakelen. De handel en de ermee gepaard gaande nijverheid zoals de wol en lakennijverheid zorgde voor toenemende rijkdom waardoor er in steden een rijke burgerlijke bovenklasse ontstond. Een bovenklasse die de oude adel qua rijkdom in haar schaduw stelde. De tweede ontwikkeling: centraliseringsdrang van de vorsten en koningen. De strijd om de macht. Een strijd tussen de vorst, de hoge adel en die rijke burgerlijke bovenklasse. Vorsten die de macht naar zich toe wilde trekken stootten op verzet van de hoge adel en die burgerlijke bovenklasse. Wie er aan het langste eind trok, dat verschilde per gebied. De derde ontwikkeling die een rol speelde was het geloof.

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn toen nog 93 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dat is tenminste het populaire verhaal, alleen is niet te achterhalen of het ook werkelijk is gebeurd. Wel zeker is dat Luther op die dag zijn 93 stellingen verspreidde en dat daarmee een belangrijke stap werd gezet in wat we nu de Reformatie noemen. Later werden er nog twee stellingen een toegevoegd. Met die stellingen bond Luther de strijd aan met de kerk en vooral de paus. De strijd draaide vooral om de aflaten, kwijtscheldingen van straffen voor zonden. Die straffen zouden eerst moeten worden ondergaan voordat de zonde wordt vergeven. Met een aflaat was de zonde zonder straf vergeven. De kerk en de paus gebruikten aflaten om de kerkelijke kas te spekken. Een doorn in het oog van Luther. De paus antwoordde door Luther te excommuniceren. Achteraf kunnen we constateren en concluderen dat dit het welbekende lont in het kruitvat was. Dat kruitvat explodeerde en leidde tot een godsdienstoorlog die pas in 1648 met de Vrede van Westfalen werd beëindigd en naar sommigen menen eindigde die oorlog pas aan het einde van de zeventiende eeuw.

Die religieuze perikelen vermengden zich met de strijd tussen de vorst en zijn ‘onderknuppels’ en steden. Wilde je als ‘onderknuppel’ van je vorst af en zocht je naar ‘de zegen van boven’, dan werd je ‘protestants’. Die ‘godsdienstoorlog’ kun je zien als het laatste hoofdstuk in de investituurstrijd tussen de paus en de vorst met betrekking tot wereldlijke zaken. Door de reformatie kreeg een vorst de mogelijkheid om een ander ‘geloof’ te kiezen en met dat geloof ook de volledige macht op zijn grondgebied. Voor wie een ietwat geromantiseerd beeld wil krijgen van de periode van de godsdienstoorlogen en de vermenging van het politieke en religieuze, kan ik de trilogie van Hillary Mantel over het leven van Thomas Cromwell aanbevelen[9]. Die strijd om centralisatie, modernisering, het recht, het vormgeven van verantwoordelijkheid en de strijd tussen de vorst en de kerk, speelde al vanaf het begin van de elfde eeuw en kent eigenlijk eenzelfde oorzaak als waarom er op Indië werd gevaren: het uitschakelen van de tussenpersoon. En de strijd van die ‘tussenpersoon’ om de positie te behouden. En culmineerde in de zestiende eeuw tot die godsdienstoorlog waarbij het dus veel meer draaide om macht dan om het geloof.

In de Lage Landen, die 17 provinciën waar de handel sterk ontwikkeld was, trok die burgerlijke bovenklasse in de zeven noordelijke provincies de macht naar zich toe. In de Zuidelijke 10 provinciën lag dat anders . Daar overwon de kracht van de Spaanse vorst. De Noordelijke zeven provinciën verenigden zich en ontwikkelden wat Fukuyama verantwoordelijk bestuur noemt. Er ontwikkelde zich: “zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur (…), terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[10]” Dit gebeurde, zo betoogt Fukuyama, op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat, de vorst, dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Nu viel het in die Republiek der Zeven Verenigende Nederlanden wel mee met die ‘gecentraliseerde staat’, of moeten we zeggen dat het tegen viel. Ja, die zeven provinciën waren verenigend in die Republiek. De Republiek blonk veel meer uit in ‘sterke lokale gemeenschappen’ met vooral ‘verantwoordelijk bestuur’. Als we de Republiek met iets hedendaags moeten vergelijken, dan komt de Europese Unie nog het meest in de buurt. Iedere ‘provincie’ kende eigen regels en bestuurlijke verhoudingen en zelfs in steden en gebieden binnen provincies waren er grote verschillen. Schöffer c.s. beschrijven het als volgt: “terwijl overal elders centralisatie en vorstenmacht zich schenen door te zetten, kende de Republiek dankzij de federatieve opbouw een sterke spreiding van macht en gezag. … Zelfs zaken van buitenlandse politiek en defensie – in het buitenland gewoonlijk de uitsluitende bevoegdheid van de vorst en zijn raadgevers – konden in de Republiek in stadhuizen en boerenhofsteden worden besproken en daarna in commissies of grotere vergaderingen beslist. Het stelsel is dan ook alleen te begrijpen wanneer het van ónderaf’ wordt beschreven: uitgaande van de stad, ambtsheerlijkheid (de bestuurseenheid op het platteland) of waterschap. Van die basis uit werden enerzijds afgevaardigden gestuurd naar gewestelijke en landelijke vergaderingen en waren anderzijds de directe bestuurscontacten met de bevolking het sterkst.[11] Alleen voor wat betreft de verdediging tegen het buitenland trokken de provincies samen op.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd die vergeten uithoek een machtige hoeksteen in de wereld. Voor nu rest slechts de verwondering dat die Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo’n belangrijke rol vervult in het verhaal waar de Nederlander volgens menigeen ‘trots’ op moet zijn. Trots op een verleden dat staatkundig gezien moderner is dan het ‘koninklijke heden’.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[6] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[7] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[8] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[9] De trilogie begint met Wolfhall gevolgd door Het boek Henry en wordt afgesloten met De spiegel & het licht.

[10] Idem, pagina 383 – 384

[11] I. Schöffer c.s. De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 184