Startkwalificatie funest

“Het CPB: ‘Jongeren met een mbo 3-diploma in ons cohort hebben nog vaker een baan’ dan jongeren met alleen een startkwalificatie. Eerst maar eens een einde maken aan het grootste probleem: geen jongere van school zonder startkwalificatie.” De laatste zinnen van Frank Kalshoven in zijn wekelijkse column in de Volkskrant van zaterdag 17 februari. Kalshoven reageert op een rapport van het Centraal Planbureau waarin verslag wordt gedaan van het wedervaren van de ‘jaargang MBO 2006’. Uit dit onderzoek blijkt dat eenvijfde geen diploma heeft behaald en eenvijfde een mbo 2 diploma en dus een startkwalificatie. Zonder diploma kom je heel lastig aan het werk en met mbo 2 houdt het ook niet over, aldus het rapport.

graduation-995042_1920

Illustratie: pixabay.com

Terecht maakt Kalshoven zich druk om die jeugdigen die het mbo zonder diploma verlaten. Zou het daarbij helpen om als doel te stellen dat geen jongere van school mag zonder startkwalificatie? Als het stellen van het doel het probleem zou oplossen, dan zou het probleem al opgelost moeten zijn. Het beleid van de overheid is immers: niemand van school zonder startkwalificatie. Precies dat wat Kalshoven adviseert.

Als je op startkwalificaties wordt afgerekend, dan ga je op startkwalificaties sturen. Voor een groot deel van de jeugdigen is dit geen probleem, ze halen dat zonder al te veel problemen en veelal zelfs op hun sloffen. Voor een klein deel, eenvijfde van mbo-leerlingen, is dit wel een probleem. Dat probleem zou wel eens kunnen zijn dat zij het niveau niet hebben om een startkwalificatie te halen.

Op basis van het CPB-rapport beschrijft Kalshoven deze groep wat nader. In die groep: “zijn de mbo-instromers die niet direct van het voortgezet onderwijs kwamen oververtegenwoordigd. De schoolloopbaan van deze jongeren liep in het primair en voortgezet onderwijs al niet op rolletjes, en het mbo slaagt er maar bij een deel van de studenten in dit te repareren.” Inzet gericht op een ‘hopeloze missie’? Als alle inzet erop erop is gericht om iets te laten halen wat ze niet kunnen halen, is die inzet dan niet gericht op een ‘faalervaring’?

Zou juist het doel niet het probleem zijn? Zou het helpen als we het doel anders formuleren? Als het doel van al het onderwijs is om jeugdigen een bij hen passende plek te laten vinden in de samenleving? Niet een diploma maar een passende plek in de samenleving? Zou dat tot tot meer ‘maatschappelijk rendement’ leiden? Belangrijker, zou dat tot meer geluk leiden voor de betreffende mensen?

“Het criterium ‘startkwalificatie’ doet z’n werk aardig,” zo luidt de titel van Kalshovens column. Voor het grootste deel van de jeugdigen gaat dit op, alleen voor de meest kwetsbaren niet. Zou voor deze jeugdigen niet gelden: ‘startkwalificatie funest’?

Democratisch experiment

“De versplintering van de gemeenteraad in steeds meer fracties biedt een kans tot vernieuwing en daarmee tot andere vormen van overleg, samenwerking en coalitievorming.” De eerste zin van een artikel van Hans Bekkers bij Binnenlandsbestuur. Dit is de conclusie uit een rapport dat de bestuurskundigen Paul Frissen en Martin Schulz schreven in opdracht van de provincie Overijssel. De beide onderzoekers concluderen dat het: “systeem van politiek bedrijven via gedisciplineerde coalitievorming met strakke binding (…) door de versplintering van het politieke landschap in steeds meer en kleinere fracties ‘lastiger (wordt), zo niet onmogelijk’. Daarom is een nieuwe, verruimende politiek nodig.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Foto: Wikimedia Commons

Bij het lezen van dit artikel moest ik denken aan het boek Counter-Democracy. Politics in an age of distrust van de Fransman Pierre Rosanvallon dat ik momenteel aan het lezen ben. Voor Rosanvallon is democratie veel meer dan ‘verkiezingen’. Democratie versterkt door op hoofdlijnen drie vormen van tegen-democratie: waakzaamheid, aanklacht en beoordeling. Waakzaamheid in de vorm van bijvoorbeeld de pers of actiegroepen die de volksvertegenwoordigers kritisch volgen en beslissingen beïnvloeden. Gebeurt er iets dat niet door de beugel kan, dan wordt de verantwoordelijke voor die keuze aangeklaagd, Halbe Zijlstra kan erover meepraten. Als laatste beoordeling, beoordeling door onderzoek en evaluatie maar ook door de verantwoordelijke voor de rechter te dagen. De Urgenda-zaak is een mooi voorbeeld hiervan. Vormen van tegen-democratie die de democratie versterken maar die risico’s inhouden.

Ik moest denken aan die tegen-democratie toen ik het artikel van Bekkers en de uitspraken van Frissen en Schulz las. Zou de aanwezigheid van deze inmiddels sterke tegen-democratische krachten ook gebruikt kunnen worden voor een gedurfder experiment? Een experiment met een andere vorm van democratische vertegenwoordiging, namelijk loting van volksvertegenwoordigers en dus maximale ‘versplintering’? Volksvertegenwoordiging als een democratische plicht. Het loten van raadsleden gecombineerd met de verkiezing van de burgemeester? Een burgemeester die via zijn uitverkiezing het mandaat krijgt om zijn beleid uit te voeren maar daarvoor wel de middelen en de goedkeuring van de gelote raadsleden moet verkrijgen? Raadsleden die zonder last en ruggespraak hun werk kunnen doen en niet bezig hoeven te zijn met hun herverkiezing. De kans dat ze voor een volgende termijn worden geloot is immers bijzonder klein.

Het kiezen van de bestuurlijk verantwoordelijke en het loten van de controlerende en regelgevende macht, zouden we een dergelijk experiment aandurven?

Perspectief

“Historici en politici die bezweren dat men misdaden primair in de context van de tijd moeten plaatsen? Bewaar me. Het kwaad zit in mensen, niet in de tijd.” De afsluitende woorden van een artikel van Sytze Faber in Trouw. Historici die oproepen om het “héle verhaal” te vertellen “dat relativeert lekker.” Politici die selectief winkelen in het verleden: “Baudet en Wilders houden ons het Nederland uit de negentiende eeuw als voorbeeld voor. Ongenoemd blijft dat de helft van de bevolking toen in armoede en drek leefde.” Die Turkije oproepen: “dat het erkent dat het in 1915 genocide heeft gepleegd op Armeniërs,” en ondertussen de Jan Pieterszoon Coen blijven verdedigen Banda: “Rutte vond het helemaal niks, Buma verordonneerde zelfs: “Handen af van J.P. Coen!”” 

Huns_by_Rochegrosse

Illustratie: Wikipedia

Nu ben ik zo’n historicus die beweert dat je zaken in hun tijd moet beoordelen en niet met hedendaagse kennis, normen en opvattingen. Die het hele verhaal wil bekijken. Zo’n historicus die zaken in perspectief bekijkt waardoor er vaak zeer veel grijstonen blijken te zitten tussen zwart en wit. Dan is het uitmoorden van Banda door Coen nog steeds een afschuwelijke moordpartij, maar dan blijkt dat Coen niet de enige was die moordde voor gewin. Het uitmoorden van steden en gebieden die ‘dwars’ lagen kwam vaak voor. De Mongolen werden er bekend door. Plunder en roof vormden eeuwenlang het salaris van de soldaat. Hoe moeten we het bombardement van de Duitsers op Rotterdam zien en de geallieerde equivalenten op Duitse steden zoals de vernietiging van Dresden of de twee atoombommen? Wie herinnert zich nog de uitspraak: “It became necessary to destroy the town to save it?  Sterker nog, het komt nu nog steeds voor. Neem de sancties tegen Noord-Korea of gebeurtenissen in Syrië en Jemen. Je zou dan ook met Faber kunnen concluderen dat het kwaad in mensen zit en niet in de tijd. Is die conclusie trouwens niet het toppunt van ‘lekker relativeren’?

Faber heeft een punt voor wat betreft de politici die het verleden gebruiken ter meerdere eer en glorie van hun doelen in het heden. Iets wat Faber trouwens ook doet als hij de ondergang van het Nederlandse koopvaardijschip Van Imhoff beschrijft. Dat schip werd in 1942 getroffen door een Japanse torpedo waarbij 400 Duitsers die in het ruim zaten opgesloten, de dood vonden. Het grootste deel van de bemanning wist wel te overleven. “Volkerenmoord. Nederlandse kabinetten stopten de zaak diep in de doofpot,” aldus met veel gevoel voor theater. Een afschuwelijk voorval, maar is volkerenmoord niet erg overdreven? Zouden de achtereenvolgende kabinetten bekend zijn met dit voorval en het bewust in een ‘doofpot’ hebben gestopt?

Doel, middel en mens

Vandaag nogmaals een prikker met statushouders als aanleiding. Gisteren vroeg ik me af of je van ‘falen’ kunt spreken als er mensen in het algemeen en statushouders in het bijzonder, gebruik maken van de bijstand. In het Commentaar in de Volkskrant borduurt Sander van Walsum voort op ‘inburgering’ van statushouders. Voor hem is het duidelijk: “Voormalige vluchtelingen inzetten op plaatsen waar zij in een economische en maatschappelijke behoefte voorzien: dat zou de kern van inburgeren moeten zijn.” Menigeen zal nu JA knikken. Zet statushouders daar in waar er economisch of maatschappelijk behoefte aan is. Goed voor de statushouder en goed voor de economie en de samenleving.

doel

Illustratie: Pixabay

Toch wat kanttekeningen of beter gezegd wat vragen bij deze redenering. Is inburgering geslaagd als iemand een bijdrage levert aan de economie? Betekent dat dan dat iemand die geen betaald werk verricht niet ‘ingeburgerd’ kan zijn? Zijn Nederlanders zonder betaald werk dan ook niet ‘ingeburgerd’?

Een slagje dieper. Mensen inzetten daar waar de economie en de samenleving hen nodig heeft? Wie bepaalt dan wat de economie of de samenleving, waar nodig heeft? Als die ‘wie’ dat voor statushouders kan, bepalen, mag die ‘wie’ dat dan ook voor Nederlanders bepalen? Zoudt u het accepteren als iemand anders voor u gaat bepalen dat u vuilnisman of verpleger moet worden? Dat is, zo betoogt Van Walsum, wat statushouders zouden moeten accepteren.

Verwordt een mens zo niet tot een middel dat kan worden ingezet voor ‘hoger doel’? Een doel dat door anderen wordt bepaald. Zoudt u een middel willen zijn, een middel dat kan worden ingezet? Hoe vrij is een mens als hij een middel is?

Wie faalt er?

Frank Kalshoven besteedt in zijn Het spel en de knikkers aandacht aan een experiment van de gemeente Veldhoven. Een experiment waarbij de begeleiding van statushouders aan private investeerders wordt gelaten. Die zorgen voor de begeleiding en als het hen lukt om de statushouder twee jaar uit de bijstand te houden, dan krijgen ze zes keer het bijstandsbedrag als beloning. Lukt dit niet, dan krijgen ze niets. 

succes

Illustratie: PxHere

Kalshoven schetst drie reacties. Als eerste de ‘schande’ reactie: “Dit is het toppunt van economisering van de samenleving en de afbraak van onze collectieve voorzieningen.” Als tweede de ‘goed zo’ reactie: “Niets werkt zo heilzaam als marktwerking, met sterke financiële prikkels voor investeerders om resultaat te boeken.” En als laatste de afwachtende, onderzoekende’ reactie: “Interessant, vertel verder.” Hij beveelt de derde aan: “Omdat markten en prikkels vaak falen. En omdat de overheid er vaak niet in slaagt te organiseren wat we willen. Marktfalen én overheidsfalen zijn alomtegenwoordig en daarom moeten we, zonder vooroordelen, kijken naar wat werkt.”

Dat zou ook mijn reactie zijn, maar het gaat mij niet om de statushouders en het Veldhovense experiment. Het gaat mij om ‘marktfalen’ of ‘overheidsfalen’. Van ‘falen’, als je het zo wilt noemen, is sprake als een gesteld doel niet wordt gehaald. In deze casus is dat het aan het werk krijgen van een statushouder of wat breder getrokken, een bijstandsgerechtigde. Als je het zo benadert, dan schiet de overheidsbenadering tekort. Immers iedere bijstandsgerechtigde is dan een bewijs van dat falen. In Veldhoven geven ze nu ‘de markt’ de kans. Nu is het niet ondenkbeeldig dat er ook dan nog statushouders zullen zijn die een beroep zullen gaan doen op de bijstand, faalt de markt dan?

Wat moeten we dan doen als zowel de overheid als de markt faalt? Een mix maken? Zal ook die aantonen dat er statushouders zijn die hun weg vinden en anderen die dat niet doen? Zou het aan de doelstelling kunnen liggen? Aan het uit de bijstand krijgen van mensen? Dat er geen sprake is van ‘markftalen’ noch van ‘overheidsfalen’? Moeten we na jaren van ‘bijstand’ en pogingen om mensen eruit te krijgen, niet concluderen dat op de ‘markt’ niet voldoende plekken zijn voor iedereen?

Same zinge

Vastelaovend, ut is weer zoë wiet. Met de ‘ganse stad’ zingen we weer die goeie ouwe liedjes en niet alleen oude, ieder jaar worden er weer nieuwe juweeltjes gemaakt. De beste zijn tijdloze liedjes, liedjes die ‘ut geveul van Vastelaovend’ perfect weergeven. Vasteloavend beter bekend van de ondertitel Sjiengele boem! uit 1950 is zo’n liedje met de legendarische zin: “Zet alle zörg netjes op en ein kesje, heb toch maling aan d’n driét.”

Vastelaovend.jpeg

In andere liedjes kun je de tijdgeest aflezen. De Vastelaovend Disco Dens is er een voorbeeld van uit het discotijdperk met de prachtige openingzin: “Baer is al achenzeventig toere, maar as der bal is zitte veuraan. Nao ein van dreejendertig te loere, want dreej kier ellef det sprik um waal aan.” Dit begeleid door opzwepende discodreun. Het beste voorbeeld is toch De Kiepe van vrouw Fiepe. Een liedje uit 1984 met de emancipatie als thema. Een thema dat nu ineens weer actueel is. Want: “Die kiepe van vrouw Fiepe, maar waat stelle die zich aan want die wille neet miër kakele maar kreije.”

Een bijzondere categorie betreft liedjes handelend over Venlonaere in den vreemde die met Vastelaovend de ‘lokroep’ van de Venlose Vastelaovend niet kunnen weerstaan. Zo is er de prins van 2017, Lex I, die zijn heerschappij ‘bekroonde’ met het liedje Nao ’t Zuuje. Een liedje dat het voor mij nipt aflegt tegen Veur altijd eine Venlonaer uit 1994. De zin “ Ik kreeg ’t haos te kwaod , man wat deej det pien um met Vastelaovend neet in Venlo te zien,” geeft dat gevoel treffend weer. Een gevoel dat alleen nog wordt overtroffen door in de stad te zijn en door ziekte niet mee te kunnen zingen. 

Dan zijn er liedjes die de stad Venlo of delen ervan bezingen. Het eerste waaraan ik dan moet denken is Venlo Stedje van Fons van Grinsven uit 1936. Maar ook In ’t Jaomerdal een lied over de elfjes en feeën die “Dao achter de bovenste Meule. Wao knienkes en inketskes  speule,” ’s avonds bal hebben en de liefde bedrijven. Topper in deze categorie is en blijft echter As de sterre dao baove Straole. het bijzondere aan dit lied zit in het begin van het refrein: As de sterre dao baove Straole, en as de maon dao baove Haerunge hingk.” Een lied dat ook een Nederlands vertaling kent, Als de sterren daarboven stralen. Alleen mist die vertaling precies dat wat het lied bijzonder maakt. Want naast dat die ‘sterren daarboven stralen’, hangen ze ook boven Straelen een Duitse plaats op enkele kilometers van Venlo en de maan hangt boven het Duitse grensdorpje Herungen. Probeer dat maar eens te vertalen.

Ik heb er zin in. “Doezend stumme klinke as ein” zingen de makers van same zinge en dat zal ook deze Vastelaovend weer gebeuren. Achteraf weten we pas welk liedje het lied van 2018 wordt, vooraf kun je alleen maar gokken. ik gok op Geaf ’t Door.

Hiddema, het parlement en de rechter

“Als wij dat debat willen, is het prettig dat je met een rechterlijk vonnis kunt komen. Want die rechter oordeelt niet langs politieke voorkeuren.” Dit zegt de tweede man van het Forum voor Democratie, Theo Hiddema, zo lees ik bij Elsevier. Dat debat zou dan moeten gaan over het al of niet racistisch zijn van uitspraken van leden van het Forum voor democratie. Over die uitspraken en het al of niet racistische karakter ervan wil ik het niet hebben.

Hiddema

Foto: Wikimedia Commons

Waarover wel? Over het alleen willen voeren van een debat over de gedane uitspraken als er een rechterlijke uitspraak ligt. Is dat niet een zeer bijzondere opvatting voor een lid van het parlement? Zijn het niet juist de leden van het parlement die voorop moeten gaan in het voeren van het debat? Kiezen wij de leden van het parlement niet juist om het maatschappelijk debat te voeren, om daarin voor te gaan en vervolgens op basis van dat debat te besluiten of en zo ja hoe er gehandeld moet gaan worden?

Hoeveel vertrouwen heeft het Forum voor Democratie in de democratie als zij pas een debat wil voeren na een rechterlijke uitspraak? Welk nut heeft een debat nog wanneer eerst de rechter om een uitspraak wordt gevraagd?

Wat fundamenteler. Als we de redenering van Hiddema doordenken, pleit hij dan niet gewoon voor een samenleving waarin rechters bepalen wat er moet gebeuren? En zijn redenering helemaal doorvoerend, pleit hij hier voor afschaffing van het parlement? Immers een debat voeren waarvan de uitkomst al vaststaat, de rechter heeft immers ‘zonder politieke voorkeuren’ besloten wat we moeten vinden, lijkt zinloos. Als hij het dan toch zo ziet, waarom stapt Hiddema niet gewoon uit het parlement en probeert het gehele partijprogramma van het Forum via de rechter gerealiseerd te krijgen?

Een laatste vraag aan Hiddema. Wat als de rechter anders oordeelt dan u hoopt? Als de rechter u ongelijk geeft en er geen sprake is van smaad of laster? Als de rechter Ollongren naspreekt en zegt: “De partij van Baudet lijkt geobsedeerd te zijn door één van de weinige taboes …, het praten over rassen in het politieke debat?”  Wat doet u dan? Beschuldigt u dan, in navolging van Wilders, de rechters van het hebben van ‘politieke voorkeuren? Van het behoren tot het ‘elite-kartel’ dat het volk eronder houdt?

Oude wijn

Politiek Nederland is al een paar weken in de ban van de ‘Wet Dijkstra’. Het initiatiefvoorstel van D66-kamerlid Pia Dijkstra over de orgaandonatie. Het voorstel waardoor iedereen donor is tenzij je aangeeft het niet te willen zijn. “In feite hebben de nabestaanden dus het laatste woord, alhoewel ze geen vetorecht hebben.” De cruciale zin uit de brief waarmee Dijkstra haar collega’s probeert te overtuigen van haar goede bedoelingen en vooral van de noodzaak van deze wet. Een bijzondere zin.

wine-1574493__340

Foto: Pixabay.com

Bijzonder omdat deze wet, volgens de initiatiefnemer, nodig is om ervoor te zorgen dat er voldoende donoren zijn. Voldoende zodat er niemand hoeft te ‘creperen’ op de wachtlijst. Alleen de Eerste kamer moet nog instemmen met de wet en omdat die Kamer er deze weken over spreekt, berichten de media er volop over.

Voldoende donoren is het doel, een doel dat ook met deze nieuwe wet al twijfelachtig is, zoals ik me vorige week afvroeg. Twijfel die door deze passage alleen maar toeneemt. ‘Nabestaanden’ impliceert dat het meer dan één persoon kan zijn. Stel dat die van mening verschillen, naar wie wordt dan geluisterd? Welke ‘nabestaande’ geeft dan de doorslag?

Wat verandert er door deze nieuwe wet nu werkelijk? In de oude situatie had je je geregistreerd of niet en in beide gevallen werden de nabestaanden gevraagd of ze akkoord waren met donatie van organen. De nabestaanden hadden ‘dus het laatste woord’. In de nieuwe situatie hebben de nabestaanden nog steeds het laatste woord. Wat verandert er?

Wat is nu überhaupt het nut van een donorregistratie? Waarom iets registreren als de keuze van de persoon vervolgens ook maar een mening is? Een mening die vervolgens minder zwaar weegt dan die van de nabestaanden?

Een wetsvoorstel waar politiek Nederland de afgelopen jaren veel tijd en energie aan heeft gespendeerd en wat is er veranderd? Een gevalletje van ‘luchtverplaatsing’ of beter nog: oude wijn in nieuwe zakken? Zonde van de tijd en energie. Of zie ik het verkeerd?

Inburgeringsexamen

Het rijbewijs, dat was in mijn jeugdige jaren het bewijs dat je erbij hoorde. Bij de ‘onafhankelijke’ mensen van de wereld die zomaar ergens naar toe konden gaan als er maar een weg naar toe liep. Natuurlijk moest je dan wel een auto hebben, want met een rijbewijs alleen kun je niet rijden.

Rijbewijs_1928

Foto: Wikimedia Commons

Om zo’n bewijs te krijgen moet je het rijexamen met goed gevolg afleggen en dat bestaat uit een theorie- en een praktijkdeel. Bij het theoriedeel leer je de regels en in het praktijkdeel moet je die toepassen. Als ik me goed herinner heb ik een keer of drie, vier examen moeten afleggen alvorens ik het begeerde papiertje bezat. Vooral de eerste keer staat mij nog goed bij. Op een mooi tijdstip zo rond tien uur moest ik me melden. Ik was er helemaal klaar voor alleen het weer niet, zeer dichte mist en daarop werd mijn examen verplaatst naar een andere dag. Op die dag werd ik rond vijf uur verwacht, na een zware schooldag, werd dat geen succes. De tweede poging maakte ik een fout en ook de derde poging ging in twee keer omdat sneeuw met ijzel maakten dat ook die poging moest worden verplaatst. Maar uiteindelijk kreeg ik het begeerde bewijs en toen ik het papiertje in bezit had, kon ik zo instappen en rijden. Ik hoorde erbij.

Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur las dat minister Koolmees van Sociale Zaken heeft besloten om het eindgesprek over de arbeidsmarkt te schrappen uit het inburgeringsexamen. Niet om inhoudelijke redenen, maar omdat er te weinig examinatoren zijn. Je kunt je afvragen of dat eindgesprek dan wel belangrijk was als je het ook zonder kunt? Waarom is het ooit onderdeel geworden van het examen als het niet zo belangrijk is?

Als dat onderdeel niet zo belangrijk is, zouden er dan nog meer onderdelen zijn die niet zo belangrijk zijn? Het examen kent ook een onderdeel Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Een onderdeel waar vragen worden gesteld en de kandidaat moet kiezen uit een aantal mogelijke antwoorden. Vragen zoals: Is Nederland vaak droog of nat? Volgens de toets is ‘nat’ het goede antwoord terwijl het aantal uren zonder regen het aantal met regen ver overschrijdt. Of de vraag hoelang de Nederlandse staat al bestaat, vijftig of vierhonderd jaar? Dit terwijl het koninkrijk der Nederlanden in 2014 haar tweehonderdjarig bestaan vierde. Daarvoor bestond er geen centraal gezag en dus geen Nederlandse staat.

Sterker nog en daarom moest ik aan het rijbewijs en het rijexamen denken, als je het inburgeringsexamen met goed gevolg aflegt en je hebt het diploma, ben je dan ingeburgerd? Ben je dan Nederlander? Hoor je er dan echt bij?

Van de muis en de olifant

“De situatie in Afrin is vreselijk, maar een veroordeling zal niets oplossen. Het klinkt misschien prachtig maar de moraal werkt hier contraproductief. Wij zijn een muis die praat tegen een olifant. Erdogan veroordelen zou geen effect hebben. Militair maken Erdogan en Rusland daar de dienst uit.” En uitspraak van Arend Jan Boekestijn in de Volkskrant. Boekestijn geeft de Minister van Buitenlandse Zaken Zijlstra gelijk dat hij Turkije niet scherp veroordeelt. Immers: “Er zit achter dat iedereen met Erdogan in gesprek wil blijven in de hoop hem te bewegen om niet nog meer gebied te bestoken. Het helpt dan niet als je hem eerst veroordeelt. Dat is een diplomatieke wet. Als de VS en de EU vanuit een moreel standpunt zeggen: wij veroordelen dit, dan heb je geen enkele invloed meer op Erdogan.”

mouse-1974360_960_720

Foto: pixabay.com

Een muis die een olifant aanspreekt, ja waarom zou die olifant luisteren? Eén tikje met zijn slurf en de muis ligt een paar honderd meter verderop. Eén poot van de olifant op de muis en de muis is een dooie muis. Waarom zou de olifant in een gesprek de muis wel serieus nemen als het weet dat de muis toch niet van zich afbijt als de olifant zich misdraagt? Waarom zou het Turkije van Erdogan zonder een veroordeling wel naar ons luisteren en verdere gebieden meer binnenvallen?

Boekestijn iets verderop in het artikel: “Ik heb het gevoel dat Erdogan weer een betere relatie met Nederland wil. Turkije heeft namelijk belangrijke economische handelsbetrekkingen met Nederland, er wonen veel Turken in ons land en bovendien heeft Erdogan bondgenoten nodig. Zijn buitenlandse politiek in het Midden-Oosten is namelijk vastgelopen nu Assad aan de winnende hand is.” De olifant die de muis nodig heeft? Als die olifant bondgenoten nodig heeft, zou hij zich dan niet anders, meer ‘muiselijk’ moeten gaan gedragen? Als dat zo is, zou de muis dan geen ‘eisen’ kunnen stellen, harde voorwaarden waaraan de olifant moet voldoen voordat hij van de diensten en de steun van de muis gebruik kan maken? Het citaat lezen kun je je zelfs afvragen of de muis aan het groeien is en de olifant aan het krimpen?

Wat fundamenteler. Zou de muis niet duidelijk moeten aangeven dat een bondgenootschap met de olifant er niet inzit zolang die olifant zijn ‘eigen kinderen’ terroriseert en opsluit omdat ze vragen stellen en zijn handelen ter discussie stellen?