Economische schade door discriminatie?

Arbeidsmarktdiscriminatie stond de afgelopen week weer hoog op de ‘media-agenda’. De oorzaak: een reportage van het tv-programma Radar waaruit bleek dat bijna de helft van de arbeidsbemiddelaars meewerken aan discriminatie op afkomst. In zijn Het spel en de knikkers in de Volkskrant, gaat Frank Kalshoven in op de economische kant van de zaak: “Als we weten wat discriminatie kost en hoe die kosten veroorzaakt worden, kunnen we scherper nadenken over manieren om die kosten terug te dringen. Het lijkt niet zo gek om te denken dat die kosten gauw in de miljarden lopen. Denk even mee.” Van die oproep van Klashoven maak ik graag gebruik.

coins-1726618_960_720

Illustratie: pixabay.com

Een woord vooraf, ik verafschuw discriminatie. Toch zou de uitkomst van die kostenberekening wel eens heel anders uit kunnen vallen dan Kalshoven denkt. Kalshoven onderscheidt drie groepen gediscrimineerden: mensen die door discriminatie geen werk vinden, mensen die hierdoor werk onder hun opleidingsniveau vinden en mensen die worden gediscrimineerd op hun werk. Deze mensen leiden ‘schade’. Eerste probleem bij het berekenen van de schade is dat het lastig is om aan te tonen dat de situatie van een individu het gevolg is van discriminatie. De schade bestaat uit: inkomensschade, ‘uitkeringsschade’ en psychische schade. En dan de berekening: “Laat honderdduizend mensen geen werk vinden door discriminatie. Stel dat ze zonder discriminatie een modaal salaris bij elkaar zouden werken à 37 duizend euro per jaar. Vermenigvuldig: 3,7 miljard euro per jaar. De orde van grootte van de discriminatiekosten is miljarden per jaar (en tientallen miljarden op langere termijn).”

Vergeet Kalshoven niet iets, en dan bedoel ik niet de psychische en uitkeringskosten? De baan die iemand niet krijgt, of een baan op lager niveau omdat hij wordt gediscrimineerd, gaat naar iemand anders. Die krijgt die € 37.000 per jaar en had die anders niet gekregen. Dan was die persoon werkloos geweest of had wellicht onder zijn niveau gewerkt. Van bijvoorbeeld twintig sollicitanten kan er maar één de functie krijgen en als ze allemaal even geschikt zijn, maakt het dan voor de economie iets uit wie de baan krijgt? Voor A en B maakt het wat uit wie de baan en dus die € 37.000 krijgt, voor de economie telt alleen het getal. Ook voor de ‘uitkeringsschade’ maakt het niets uit, A of B krijgt een uitkering dus de kosten zijn gelijk.

Resteert de psychische schade. Alleen kent ook die psychische schade een keerzijde, psychische problemen betekent namelijk ook werk voor psychologen en therapeuten. Discriminatie is, zoals gezegd, afschuwelijk en moet worden bestreden. Zullen we ons voor de bestrijding ervan toch maar bij de ethische en juridische argumenten houden?

Continuum

“We leven nu in de toekomst (zoals voorspeld in scifi-klassiekers) – is het echt zo somber?” De titel van een artikel in de Volkskrant waarin de volgende vraag centraal staat: “Het is 2018, we leven nú de toekomst van scifi-klassieker Rollerball. En 2019 is het jaar waarin Blade Runner zich afspeelt. Hebben we iets gehad aan al die sombere voorspellingen over ons huidige tijdperk?” Nu heb ik een voorliefde voor sciencefiction films omdat ze iets zeggen over hoe de makers ervan, naar hun eigen tijd kijken. Het is een uitvergroting van iemands kijk op het heden.

Continuum-TV-logo

Illustratie: Wikimedia Commons

De Volkskrant geeft een korte beschrijving van de film Rollerball uit 1975: “Het bedrijfsleven heeft de planeet overgenomen en monopolisten verdelen en heersen. Om het volk rustig te houden, gaan teams elkaar te lijf in het spel rollerball, een soort dodelijke combinatie van American football, stayeren achter een motor en freefighten.” Als we even afzien van het spel rollerball dat in de film een belangrijke rol speelt, is die ‘rollerballwereld’ werkelijkheid geworden? De film geeft geen gedetailleerd beeld van het ‘Rollerball 2018’ dat maakt het lastig om het alledaagse leven van nu te vergelijken met de film. Op een wat abstracter niveau zijn er aardig wat overeenkomsten. Het bedrijfsleven heeft op onze planeet inderdaad een zeer grote vinger in de pap. Je zou kunnen beweren dat in de Verenigde Staten een bedrijf de staat heeft overgenomen. Trouwens Italië heeft daar met Berlusconi ook al de nodige ervaring mee opgedaan. Als we kijken naar de Googles, Facebooks, Apples enzovoorts van deze wereld, zou je dan kunnen verdedigen dat ‘monopolisten verdelen en heersen’? De belangrijkste sporten (de rollerballteams in de film) zijn afhankelijk van zakentycoons.

Voor liefhebbers van het genre, de serie Continuum kent een vergelijkbaar scenario. Deze serie is een paar jaar oud en speelt in 2012 en in 2077. In 2077 hebben bedrijven de regering overgenomen en hebben te maken met een verzetsbeweging die ‘vrijheid’ wil en om die vrijheid te bereiken, geweld gebruikt. Die strijd speelt zich ook af in 2012 omdat de hoofdpersonen terugreizen in de tijd om er in 2077 voordeel van te hebben. Kijk vooral zelf.

Een film uit 1975 en een serie uit 2012. Zo ‘erg’ als Rollerball 2018 schetste, is het nu niet. toch zou je kunnen beweren dat we een heel eind in die richting zijn opgeschoven. Het 2077 uit Continuum is nog een eind weg, ook hiervan kun je zeggen dat we al een eind op weg zijn. Het 2012 uit Continuum lijkt wel verdacht veel op ons heden en met dat 2077 voor ogen, bekijk je het heden toch vanuit een ander perspectief.

Beste Tahir Ramdjan,

Met veel interesse heb ik uw brief in de Volkskrant gelezen. Uw oproep om: “elkaars opiniestukken lezen, ons verdiepen in elkaar, oprechte interesse en empathie tonen naar elkaar,” onderschrijf ik van harte. Als ik u goed begrijp, dan verschilt ons doel niet. Ik streef naar een wereld waarin iedereen gelijkwaardig is en ook op een gelijkwaardige manier wordt behandeld en gelijke kansen heeft. Volgens mij is dat ook uw doel.

beach-14119_640

Foto: Pixabay

Zoals u aangeeft heeft een: “beschaafde dialoog (…) nog nooit slachtoffers, ordeverstoring en leed veroorzaakt.” Die dialoog wil ik met u aangaan. In uw brief signaleert u twee fouten. Over die eerste van die twee fouten wil ik het met u hebben. Zoals u schrijft is voor de wet iedereen gelijk, de wet maakt geen onderscheid. Terecht constateert u dat we er daarmee niet zijn. Dat komt, volgens u, door het: “institutioneel racisme: een onbewust racisme dat zich heeft vastgeroest in ons doen en laten, van zowel witte als donkere mensen.” Door hier de term ‘racisme’ aan te koppelen, geeft u het een zware lading. Een lading die mensen als een oordeel of beter nog een veroordeling kunnen opvatten. Een lading waarvan je je kunt afvragen of die wel terecht is. Bent u bereid om hier op een andere manier, met een ander frame dan het frame van het ‘institutioneel racisme’ naar te kijken? Mag ik een ander ‘frame’ met u delen?

Gelijkwaardig worden behandeld en gelijke kansen krijgen is lastig te realiseren. Volgens mij is het zeer menselijk om mensen die op een punt anders zijn, anders te behandelen en te benaderen. Dat is niet iets van een specifieke kleur mensen, het is iets van alle mensen. Ik ben de eerste om toe gegeven dat die menselijke eigenschap tot maatschappelijk ongewenste resultaten leidt. Als we ons hier allemaal van bewust zijn, dan kunnen we dat ‘menselijke gedrag’ veranderen, ter discussie stellen en zo maatschappelijk wenselijkere resultaten bereiken.

Een frame waarin we hetzelfde constateren, maar er geen oordeel of veroordeling op plakken. Zou zo’n frame tot een constructiever gesprek en tot betere resultaten kunnen leiden? Belangrijker nog, zou zo’n frame een bredere gemeenschappelijke basis bieden om die maatschappelijk ongewenste resultaten aan te pakken? Zou zo’n frame de tweede, door u geconstateerde, fout kunnen voorkomen? De fout dat: “de donkere mens (…) deze machtsstructuren eerder door (heeft), omdat die daar dagelijks feller mee geconfronteerd wordt, en beschuldigt vervolgens de witte mens van racistisch, fout handelen. Maar laatstgenoemde heeft zichzelf nooit als racist gezien. Zijn intuïtieve reactie: terugvechten.”

Creperen op de wachtlijst?

Volgende week stemt de Eerste Kamer over het Donorwetsvoorstel ingediend door D66-kamerlid Pia Dijkstra en deze week spreken de leden van de Eerste Kamer erover. In het Commentaar geeft Volkskrant-redacteur Hans Wansink zijn mening. Het wetsvoorstel behelst dat iedereen automatisch orgaandonor is tenzij de persoon expliciet aangeeft dit niet te willen zijn. Tot nu toe ben je geen donor tenzij je expliciet aangeeft het wel te willen zijn. Met de huidige methode is er een tekort aan donoren en “Daardoor lijden veel patiënten onnodig en sterven mensen die gered kunnen worden.” Dus ontkomen we volgens Wansink niet: “aan de vraag of wij zieke medemensen willen laten creperen op de wachtlijst.” Wansink antwoord is NEE en: “Dan biedt de wet-Dijkstra uitkomst. Die garandeert voldoende donoren.”

donor

Illustratie: Flickr

Nu is dat laatste twijfelachtig. “Het aanbod van organen voor transplantatie zal nooit voldoen om àlle mensen op de wachtlijsten te helpen.” Een uitspraak van de Belgische transplantatie-expert Luc Colenbie op de Belgische site HLN. Het aantal donoren is dan wel hoger, toch sterven er ook in België nog steeds mensen op de wachtlijst. Dus de ‘Wet Dijkstra’ zal het probleem van ‘creperen’ op de wachtlijst niet oplossen.

Is het beeld dat ‘Wansink schetst dat we’ die mensen laten ‘creperen op de wachtlijst’ eigenlijk wel een goed beeld? Ja, er is een wachtlijst voor donororganen. Ja, er gaan mensen dood die wachten op een donororgaan en die mensen lijden. Dat maakt nog niet dat ‘we’ hen ‘laten’ creperen’. Deze mensen hebben een niet of zeer slecht functionerend orgaan en dat kan verholpen worden als er een geschikt donororgaan beschikbaar is. ALS dat orgaan beschikbaar is. Moet er om dat orgaan beschikbaar te krijgen niet iemand sterven? Worden de mensen in de tijd dat ze op die wachtlijst staan niet optimaal verzorgd?

Als we de Belgische cijfers mogen geloven, dan overlijden er ook met de ‘Wet Dijkstra’ nog steeds mensen op de wachtlijst. Als Wansink dat onacceptabel vindt, wat stelt hij dan voor vervolgmaatregelen voor? Sterven op een wachtlijst is triest en zwaar voor de nabestaanden, het is echter onoverkomelijk. Of wil Wansink overgaan tot het doden van geschikte donoren om organen te oogsten zodat de mensen op de wachtlijst niet ‘creperen’?

De daad bij het woord?

“Hij verzet zich tegen de EU-bemoeienis en zegt dat Hongarije geen islamitisch maar op christelijke waarden gedreven land is en dat dat zo moet blijven. Die houding en politiek voor het behoud van de eigen cultuur verdient alle steun en is een voorbeeld voor alle Europese leiders.” Woorden van PVV-leider Geert Wilders gericht aan de Hongaarse premier Orbán, te lezen bij Elsevier. Een Nederlander die een buitenlandse leider bewondert en ten voorbeeld stelt aan de Nederlandse politici en leiders. Het komt vaker voor, toch is er iets dat mij verwondert.  Budapest

Illustratie: Pixabay

Als je je als Nederlander met Turkse, Marokkaanse of andere niet-Nederlandse voorouders, positief uitlaat over de heerser van het land van je voorouders, dan loop je een groot risico om het ‘verzoek’ te krijgen om maar in dat land van je voorouders te gaan wonen. Dat hoort niet, je moet ‘loyaal’ zijn aan Nederland. Dit verwijt komt met name uit een specifieke hoek van het politieke spectrum en in die hoek bevindt zich ook de PVV van Geert Wilders.

Zou PVV-leider Wilders nu de daad bij het woord voegen? Zou hij ervoor kiezen om te ‘verkassen’ naar het Hongarije van Orbán, toevallig ook het moederland van zijn vrouw?

Hoe zou het gesteld zijn met de loyaliteit aan Nederland van PVV-leider Wilders? Belachelijk natuurlijk om deze vragen te stellen. Waarom worden ze dan wel gesteld aan Nederlanders met niet-Nederlandse voorouders? Gelden daar misschien andere ‘normen en waarden’ voor?

Borden en het bos

De overheid en begrijpelijk communiceren, dat is een lastige combinatie. Mensen vragen duidelijkheid en die wringt vaak met juridische vereisten of ‘slagen om de arm’ die een bestuurder wil houden. Bezuinigen wordt  ‘besparen’, sparen heeft immer een positieve betekenis, je legt een appeltje voor de dorst opzij. Weer een ander maakt er ‘ombuigen’ van, een andere richting nemen, ook dat klinkt positief. Tijdens een wandeling door mijn woonplaats Venlo werd mij duidelijk dat overheidscommunicatie ook op een andere manier lastig kan zijn.

Door de borden het bos niet meer zien

Hoe dat mij duidelijk werd? Bekijk de bijgevoegde foto. Op één punt zeven borden die mij iets duidelijk proberen te maken. Laat ik met de borden aan de rechterkant beginnen. Een goede lezer begint bovenaan de bladzijde: “Parkeervakmarkering ontbreekt.” Nu ken ik de situatie in die straat vrij goed en als je goed kijkt, dan zie de parkeervakmarkering.

Op het bord eronder lezen we: “Uitbreiding zone betaald parkeren ingangsdatum 01-01-2018.” Zou het taalkundig gezien niet logischer zijn om beide borden om te wisselen? Dat even terzijde. Zoals gezegd ken ik de situatie vrij goed en de straat waarvoor het bord staat valt al bijna twintig jaar in de betaald-parkeren-zone, dus hoezo uitbreiding? Deze twee borden geven misleidende informatie.

Dan de bordenreeks links, weer van boven naar beneden. Als eerste het bord met de hand en de munt, we gaan dus een betaald-parkeren-zone in. Oké dat begrijp ik. Dan het tweede, we gaan een betaald-parkeren-zone in. Oké, maar dat wisten we toch al, want dat vertelde het bovenste bord ons. Het derde bord. We verlaten een zogenaamde ‘blauwe zone’, een gebied waar je een parkeerschijf voor je voorruit moet leggen en je maximaal twee uur mag parkeren. Mooi dat we dat weten, maar is het niet logisch dat die zone eindigt als we een betaald-parkeren-zone ingaan? Iets wat de bovenste twee borden ons al lieten weten. De ene zone eindigt immers waar de andere begint.

Nu wordt het pas echt interessant, de laatste twee borden. Het vierde bord van boven verbiedt ons om van deze zijde deze straat in te rijden. Het vijfde, onderste, bord: fietsers mogen wel van deze kant de straat in. Als fietser heb je niets met die borden over de parkeersituatie. Als automobilist mag ik van deze zijde de straat niet in rijden, wat moet ik dan met die andere borden? Die borden geven informatie waar ik niets aan heb. Zeven borden waarvan vijf voor Piet Snot. Een gevalletje van door de ‘borden’ het bos niet meer zien?

Morele saus

Dat Turkije buurland Syrië is binnengevallen, zal u niet zijn ontgaan. Turkije wil, zo lees ik bij NRC, een ‘veiligheidszone’ creëren van zo’n dertig kilometer. Onze minister van Buitenlandse Zaken, Halbe Zijlstra zo lees ik bij Elsevier, wil er geen oordeel over vellen, maar wil wel bewijs zien dat het een actie van zelfverdediging is. Kind van de rekening zijn de Koerden en: “De Koerden kennen een lange geschiedenis van verraad,” zoals Arnon Grunberg het in een Voetnoot in de Volkskrant schrijft. Grunberg eindigt met het cynisch definiëren van samenwerken: “degenen helpen die je morgen zal tegenwerken.”

Koerdistan

Illustratie: Wikimedia Commons

De wereldgeschiedenis zit vol van dergelijk verraad. De Koerden zijn hierin niet de enigen. Inderdaad riep, zoals Grunberg schrijft, president Bush de Eerste de Koerden op om in opstand te komen tegen Saddam Hoessein. Toen zij dat deden liet Bush hen aan hun lot en vooral aan Saddams ‘terreur’ over. Trouwens Saddam Hoessein zou, als hij nog leefde, ook een boekje open kunnen doen over ‘helpen en tegenwerken’. Net als buurland Iran en vele andere landen en volkeren. Bekend is ook het verhaal van Osama Bin Laden. De ‘nuttige idioot’ in de strijd in Afghanistan tegen de Sovjet Unie. Alleen zette hij zijn strijd voort tegen zijn oude ‘vrienden’ en leveranciers van trainingen wapens. Dit geheel volgens de definitie van Grunberg.

Nu is ‘konkelen’ en het ‘de-vijand-van-mijn-vijand-is-mijn-vriend-denken’ iets van alle tijden. Wat knelt er dan? Waarom hebben volkeren en landen dan zo’n hekel aan het westen en veel minder aan konkelende Russen, Chinezen of Arabieren? Zou dat te maken kunnen hebben met de morele lading of ‘saus’ die het weten over haar gekonkel gooit? Het refereren aan idealen van vrijheid, democratie en zelfbeschikking? referenties die worden ‘vergeten’ zodra er financieel of enig ander gewin om de hoek komt kijken?

Zou dat het antwoord zijn op de bekende vraag  ‘why do they hate us so much?’ Zou die morele saus ‘maken dat “degene helpen die je morgen zal tegenwerken,” westerse landen zo wordt aangerekend?

Democratie meer dan verkiezingen?

(Z)e wantrouwen ons nog altijd fundamenteel. (…) het (is) nog steeds niet de bedoeling dat wij, de kleine mensen, daadwerkelijk ingaan op het aanbod om mee te doen.” Woorden van Sheila Sitalsing in haar column in de Volkskrant. Sitalsing komt tot deze conclusie op basis van de antwoorden van minister Ollongren. In die brief geeft Ollongren antwoord op vragen gesteld door politieke partijen over de afschaffing van het raadgevend correctief referendum. “Nou daarom. Omdat het kabinet dat vindt. Of juist niet vindt, al naar gelang de vraag.” zo vat Sitalsing de antwoorden samen.

demonstratie

Foto: Flickr

Over de vragen en antwoorden wil ik het niet hebben, ik heb de brief van de minister niet gelezen. Over wantrouwen schreef ik gisteren al en eindigde met de vraag: “Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?”  Wantrouwen in de politiek. Als we Sitalsing mogen geloven, dan is dat wantrouwen wederzijds. Nu het ‘niet mee mogen doen’.

(D)emocratie vereist burgerbetrokkenheid. De overheid heeft legitimatie nodig” Een citaat van Pieter Winsemius in het artikel en een terechte constatering. Winsemius gaat verder: “Vraag in een zaal met honderd man: wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan? Dan gaan zo’n vijftig, zestig handen de lucht in. Vraag je daarna: wie vond het bevredigend, dan blijven er een paar handen over. In de Bijlmer, dat was wel geestig, bleef er een hand over. Dat was de stadsdeelwethouder, die vond dat het wel goed liep.” Herkenbaar? Voor mensen die in de publieke sector werken wel. Besluiten over iets is namelijk keuzes maken en daarbij zullen altijd mensen ontevreden zijn. En mijn ervaringen leren mij dat met name mensen die ontevreden zijn naar inspraakbijeenkomsten komen, het niet eens zijn met iets.

Inspraakavonden en ook dat raadgevend correctief referendum zijn middelen om die burgerbetrokkenheid te organiseren en vorm te geven. Inderdaad is de opkomst bij ‘inspraakavonden’ vaak bedroevend en voorspelbaar. De opkomst bij verkiezingen, vooral voor lagere overheden, laat vaak te wensen over, maar is dat de enige manier om betrokken te zijn bij onze democratie, ze leveren echter nog steeds legitieme vertegenwoordigers op. Vertegenwoordigers die immers volgens de democratische regels zijn gekozen.

De vraag is echter of het slecht is gesteld met die burgerbetrokkenheid? Wat te denken van de vele actiegroepen, de demonstraties, de procedures tegen besluiten van de overheid, het ‘naming and shaming’ van bestuurders en politici die hun bevoegdheden misbruiken, de diverse (digitale) media, de onderzoekers die falend beleid aan de kaak stellen, de (groepen) inwoners die initiatieven nemen waarmee ze politici en bestuurders voor het blok zetten? Zijn dat niet ook tekenen van betrokkenheid bij de democratie? Is de democratie niet veel omvangrijker dan verkiezingen alleen?

Een gezonde dosis wantrouwen

“Van de respondenten geeft 57 procent aan geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek.” Een zin in een artikel bij Binnenlandsbestuur. Het artikel geeft de resultaten van een onderzoek dat door een ander blad en een bedrijf is verricht. Interessant omdat over een kleine twee maanden gemeenteraadsverkiezingen zijn. Ook kent de helft van de respondenten ‘hun’ burgemeester niet, laat staan wethouders. Alarmerend natuurlijk, zeker dat gebrek aan vertrouwen. Dat is reden voor grote zorg.

vertrouwen

Illustratie: Pixabay

Als het parlement of een gemeenteraad het vertrouwen opzegt in een minister of wethouder, dan is het einde oefening voor deze minister of wethouder. Een bestuurder kan niet zonder het vertrouwen van de gekozen volksvertegenwoordigers. Politici die niet worden vertrouwd, winnen geen verkiezingen. Mensen kiezen politici die ze vertrouwen. Vertrouwen is belangrijk in politiek en bestuurlijk Nederland, een gebrek eraan is een probleem.

Of toch niet? Het vertrouwen in een politicus dat een individuele kiezer tijdens verkiezingen uitspreekt, kan best gepaard gaan met wantrouwen in de politiek als geheel. Waarom zouden mensen vertrouwen moeten hebben in de politiek als geheel? Is vertrouwen in politici en bestuurders als een burgemeester essentieel voor het goed functioneren van een democratie?

Als we de politiek en het bestuur zien als de macht, is vertrouwen dan nodig om die macht in te beheersen? Moet macht niet in balans worden gehouden door tegenmacht? Tegenmacht die niet per definitie ‘democratisch’ gekozen hoeft te zijn. Tegenmacht die niet ‘vriendelijk’ hoeft te zijn voor de macht. Zou tegenmacht gebaseerd op wantrouwen die macht beter scherp kunnen houden dan op vertrouwen gebaseerde macht?

Wantrouwende tegenmacht die politici en bestuurder op de huid zit, zou dat niet tot betere resultaten kunnen leiden? Moeten we daarom niet juist blij zijn met die 57 procent die aangeeft geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek? Sterker nog, moeten we ons niet juist zorgen maken dat 43 procent vertrouwen heeft in de lokale politiek? Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?

Hedendaags kolonialisme

Op de site OneWorld kaart Sander Philipse de omgang met het koloniale verleden aan. Volgens Philipse gaat de: “hele discussie (…) dan ook niet echt over het verleden, maar over wat wij nu met dat verleden doen. Straatnamen en standbeelden zijn geen geschiedenislessen, maar eerbetonen die in het heden bestaan. Zij zijn een reflectie van onze prioriteiten, van onze huidige waarden en normen.” Het gaat, volgens Philipse, dus over onze huidige normen en waarden. Daar heeft Philipse een punt, de discussie gaat over onze hedendaagse normen en waarden en hoe die worden geprojecteerd op het verleden. Iets waar ik moeite mee heb zoals ik al eerder schreef.

fabriek

Foto: Pixabay

Philipse wil de discussie over het koloniale systeem voeren. Philipse: “Een koloniaal systeem is niet slechts handel, maar gebouwd op overheersing en uitbuiting, en valt niet te rehabiliteren. De ‘goede delen’ (lees: kapitaalaccumulatie in de Nederlanden) zijn niet te scheiden van de slechte, maar een gevolg ervan. En een echte confrontatie met dat feit zou veel ingrijpender gevolgen hebben voor onze nationale musea: hun collecties zijn bezaaid met objecten van koloniale origine.” Nu is de wereldgeschiedenis bezaaid met ‘kolonialisme’, dat is echt geen Nederlandse en zelfs geen West-Europese uitvinding. Het is iets van alle grote rijken uit de wereldgeschiedenis. Allen bouwden ze een systeem dat niet slechts op handel maar ook op overheersing en uitbuiting was gebaseerd.

Sterker nog, ‘kolonialisme’ is nog steeds zeer actueel. Is de strijd tegen IS werkelijk een strijd tegen terrorisme? Zouden er werkelijk Amerikaanse, Russische en Nederlandse soldaten zijn gestuurd, als er geen olie in de grond zat? Waarom heeft China een groot deel van de haven van Piraeus gekocht? Waarom reageren de Amerikanen en ook onze Nederlandse regering zo mak op de Turkse inval in Noord- Syrië? Zijn de ‘vluchtelingendeals’ die het huidige kabinet wil sluiten met landen, niet ook een vorm van kolonialisme? Zouden de Amerikanen Afghanistan alleen maar zijn binnengevallen om de Taliban te verdrijven en Bin Laden te vangen? Of zou de strategische ligging van het land er iets mee te maken kunnen hebben? Een ligging die eerder de Britten en de Sovjet Unie verleidde tot een inval. Allemaal met pijnlijke afloop.

Als de discussie over straatnamen, standbeelden en het koloniale verleden een reflectie zijn van onze prioriteiten, liggen die prioriteiten dan niet verkeerd? Zou de discussie niet moeten gaan over hedendaags kolonialisme, hedendaagse vormen van slavernij, uitbuiting en overheersing? Lopen we, als we dat niet doen, het risico dat onze kinderen of kleinkinderen ons gaan verwijten dat we, door onze fixatie op het verleden, onze ogen sloten voor de misstanden in onze huidige tijd?