Een westerse droom

In de Volkskrant een interessante ingezonden brief van Armand Leenaers naar aanleiding van een artikel van Arie Elshout in dezelfde krant. Volgens Leenaers constateert Elshout terecht : “dat door toedoen van de Russische president Poetin de geschiedenis terug is in Europa.” Hij verhaalt vervolgens van neutrale bufferstaten die na de val van Napoleon in 1815 door de toenmalige grootmachten in het leven werden geroepen. Als eerste het Verenigd koninkrijk der Nederlanden: “Door toedoen van een autoritaire vorst ging dat niet lang goed (1815-1830).” Als tweede het bufferstaatje Moresnet: “een ministaatje met kaarsrechte grenzen ten zuiden van Vaals, gelegen rond een rijke zinkgroeve waar zowel koning Willem I als zijn Pruisische evenknie op aasden. België trok uiteindelijk in 1920 aan het langste eind.” Daarom geen gekonkel immers: “Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, moet het erop aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Dit verwijst naar het zelfbeschikkingsrecht. Naast ‘zelfbeschikkingsrecht’ is ‘territoriale integriteit’ een tweede argument dat wordt gebruikt. De territoriale integriteit van Oekraïne mag niet worden aangetast aldus premier Rutte.

Het voormalige Joegoslavië en haar deelrepublieken. Kosovo en Vojvodina waren autonome gebieden binnen de deelrepubliek Servië. Bron: WikimediaCommons

Iets meer en recentere geschiedenis. 1992, het jaar van het Deense voetbalzomersprookje. In de halve finale van het Europees kampioenschap versloegen de Denen het Nederlands elftal. Dit gebeurde na verlenging met strafschoppen. De grote Marco van Basten, de held van het Nederlandse voetbalzomersprookje van vier jaar eerder, miste een strafschop. In de finale werd wereldkampioen Duitsland met 2-0 verslagen waarmee de Denen Europees kampioen werden. Wat het sprookje nog sprookjesachtiger maakte, was dat de Deense spelers vlak voor de start van het toernooi van ‘het strand werden geplukt’ omdat ze pas een week voor de start van het toernooi in Zweden wisten dat ze mee mochten doen. In 1991 plaatste de waarschijnlijk talentvolste generatie Joegoslavische voetballers zich namelijk ten kosten van de Denen voor dat Europees kampioenschap. De Joegoslaven, met in hun midden Zvonimir Boban en Robert Prosinečki die zes jaar later ten kosten van het Nederlands elftal derde werden op het Wereld Kampioenschap van 1998 en Dragan Stojković de Maradonna van de Balkan en nog meer bijzondere voetbaltalenten, werden uitgesloten van deelname en vervangen door de Denen. In het jaar voor dat kampioenschap, op 25 juni 1991, scheidden twee opstandige deelrepublieken, Slovenië en Kroatië zich zeer tegen de zin van de centrale regering in Belgrado af van Joegoslavië. Op 23 december 1991 erkende de Duitse regering als eerste de twee landen, in januari 1992 gevolgd door de andere landen van de Europese Gemeenschap. De Duitsers beriepen zich hierbij op het zelfbeschikkingsrecht van landen[1]. Een bijzondere redenering omdat Slovenië en Kroatië pas ‘ land’ werden nadat ze door andere landen werden erkend. De afscheiding van Slovenië en Kroatië tastte de territoriale integriteit van Joegoslavië aan. In dit geval werd zelfbeschikking van deelrepublieken van een land belangrijker gevonden dan de territoriale integriteit van het hele land. Het geweld waarmee de federale Joegoslavische regering het uiteenvallen van het land wilde voorkomen, was aanleiding om de Joegoslavische voetballers te weren van het Europees Kampioenschap.

Het voormalige Joegoslavië viel daarop met veel geweld steeds verder uit elkaar. De tot nu toe laatste ‘splinter’ die onafhankelijk werd, was Kosovo, een deel van de voormalig Joegoslavische republiek Servië. De Albanese UÇK militie onder leiding van Ibrahim Rugova verzette zich tegen de centrale Servische regering. Dat verzet ging gepaard met geweld en dat werd door de Servische regering onder leiding van Slobodan Milošević beantwoord met keihard geweld. Die harde aanpak was een doorn in het oog van de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. De VS haalden de UÇK van de ‘terreurlijst’ en uiteindelijk greep de NAVO in en bombardeerde doelen in Servië. Dit ondanks dat geen van de landen van deze defensieve verdragsorganisatie werd aangevallen of bedreigd, zonder instemming van de Verenigde Naties en zeer tegen het zere been van Rusland. Dit leidde ertoe dat Kosovo uiteindelijk onder beheer van de Verenigde Naties kwam. Op 17 februari 2008 riep het Kosovaarse parlement vervolgens de onafhankelijkheid uit. Die is door ongeveer de helft van de landen erkend[2]. Zelfs een viertal landen binnen de Europese Unie hebben de onafhankelijkheid niet erkend. Ook in dit geval tastte de afscheiding van Kosovo de territoriale integriteit van Servië aan. Die integriteit werd ook door de NAVO bombardementen geweld aangedaan. Ook hier vonden de VS en het gros van de landen van de Europese Unie de zelfbeschikking van de bewoners van het gebied Kosovo belangrijker dan de territoriale integriteit van Servië. Rusland maakte in deze precies de omgekeerde afweging en woog de territoriale integriteit van Servië zwaarder dan de zelfbeschikking van de Kosovaren. Rusland bezat echter niet de macht om dit te voorkomen.

Spanje was en is een van de landen van de Europese Unie die de onafhankelijkheid van Kosovo niet heeft erkend. En daarmee zijn we in 2017 aanbeland. In 2017 hield de regionale overheid van de Catalonië een referendum over het uitroepen van de onafhankelijke Catalaanse Republiek. De Spaanse overheid verzette zich fel tegen dit referendum en verbood het. Van de 42% van de stemmers die op kwamen dagen, stemde 90% voor onafhankelijkheid. Op 27 oktober 2017 werd de Catalaanse Republiek uitgeroepen waarop de Spaanse regering reageerde door het zelfbestuur van de regio op te schorten en een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de voltallige Catalaanse regioregering en andere actief bij het referendum betrokken personen. Tot op heden is die ‘Catalaanse Republiek’ door geen enkel land erkend, zelfs niet door Duitsland dat in 1991 het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Hier woog de territoriale integriteit zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van de Catalanen. Het niet erkennen van Kosovo door Spanje zou zomaar eens als reden kunnen hebben dat de Spaanse overheid vreesde dat erkenning voor Spaanse regio’s zoals Catalonië maar ook het Baskenland aanleiding zou kunnen zijn om hun vinger op te steken en te zeggen: als zij, dan wij ook!

Nu hebben twee gebieden hun onafhankelijkheid uitgeroepen en die worden door Rusland erkend. En daarmee kom ik bij de uitspraak van Leenaers dat: Als Europa zijn eigen waarden serieus neemt, (…) het erop (moet) aansturen dat de Oekraïners hun eigen toekomst kunnen bepalen.” Een redenering geheel in lijn met de Duitse regering in 1991 die ook het zelfbeschikkingsrecht van landen zo belangrijk vond. Rusland beoordeelt nu dat het zelfbeschikkingsrecht van de veelal Russische bewoners van deze gebieden zwaarder weegt dan de territoriale integriteit van Oekraïne. Het Westen weegt nu juist de territoriale integriteit van Oekraïne zwaarder dan het zelfbeschikkingsrecht van een deelgebied.  

‘Zelfbeschikkingsrecht’ en ‘territoriale integriteit’ zijn gelegenheidsargumenten die al naar gelang het eigen inzicht en vooral het eigen belang worden gebruikt om dat inzicht en belang goed te praten. En dat belang en inzicht draait om macht. “Wij zijn niet bereid om weer a la negentiende eeuw te gaan spreken over invloedssferen en de soevereiniteit van landen niet meer te respecteren,” sprak PvdA-Kamerlid Kati Piri bij Buitenhof. Daarmee zegt ze in feite dat Rusland ouderwets is en het Westen modern. Elshout deed dat in de Volkskrant ook door te zeggen dat door Rusland de geschiedenis terug is. Die invloedssferen zijn, en ook de geschiedenis is, nooit weggeweest. Het draaide altijd al en draait nog steeds om macht en dus om invloedsferen. En aan die van de Verenigde Staten en het Westen wordt flink geknibbeld. Niet vreemd want na de val van de Berlijnse muur en de instorting van de Sovjet Unie was er één dominante macht en één wereldwijde invloedsfeer, die van de Verenigde Staten en de rest van het Westen liftte mee op die macht.

Dat Piri het niet wil hebben over invloedssferen en dat Elshout beweert dat de geschiedenis weg was, wijst erop dat zij die Amerikaanse en in het verlengde Westerse macht en invloedssfeer zo vanzelfsprekend vonden dat ze haar niet meer zagen. Jonathan Holslag vat die westerse macht in zijn boek Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 kort samen: “Het buitenlands beleid van het Westen was een en al tegenstrijdigheid.”  Om te vervolgen met wat voorbeelden: “Het Westen droeg uit dat het de democratie wilde bevorderen, maar de crises in Haïti en veel Afrikaanse landen lieten zien dat het Westen niet bereid was tot langdurige, uitgebreide steun om die democratie een kans te geven. Zo namen in de jaren negentig de bedragen die voor ontwikkelingshulp werden uitgetrokken af. Dat was een eerste tegenstrijdigheid. Een tweede was dat de westerse regeringen hadden beloofd de mondiale markt een menselijker gezicht te geven. Daar was weinig van terecht gekomen. En hun strijd om maatschappelijk verantwoord en milieuvriendelijk te werken was met veel minder inzet gevoerd dan hun streven om bindende regels op te leggen aan het liberaliseren van de handel en de kapitaalmarkten. Een volgende tegenstrijdigheid was dat het Westen zich wel de rol van wereldleider aanmat, maar steeds vaker alleen op afstand bij dingen betrokken was en zich steeds vaker op langeafstandsraketten en sancties verliet, in plaats van waarachtig engagement ter plaatse, ook al vergde dat offers. Het Westen bekeek de wereld vooral via de lenzen van satellieten en spionagevliegtuigen en had veel minder belangstelling voor diepgaande inzichten in de historische ontwikkelingen, maatschappelijke structuren en economische realiteiten van een land.[3]

De rest van de wereld zag die macht en invloedssfeer maar al te goed. Zij hadden ‘last’ van die invloedssfeer en van de grillen van de ‘machthebbers’. Landen die via de lenzen van die satellieten en spionagevliegtuigen werden beloerd en de kans liepen om te worden, en in sommige gevallen zelfs werkelijk werden, beschoten met die langeafstandsraketten. Sindsdien zijn er andere landen die werken aan hun macht en invloedssfeer om juist die westerse en vooral Amerikaanse macht en raketten op afstand te houden. Landen zoals China en Rusland, maar ook Turkije, Iran en Saoedi-Arabië. Het zijn niet de geschiedenis en de invloedssferen die terug zijn in het heden, het is het Westen dat na een mooie droom over een idyllische en utopische wereld terug is in de werkelijkheid. De werkelijkheid van macht en invloedssferen.


[1] https://duitslandinstituut.nl/artikel/2948/de-duitse-erkenning-van-kroatie-en-slovenie

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Internationale_erkenning_van_de_onafhankelijkheid_van_Kosovo

[3] Jonathan Holslag, Van Muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989, pagina 133-134.

Perspectief

Op 24 juni 1812 stak la Grande Armée onder leiding van Napoleon, die zichzelf tot keizer had gekroond, een leger van 610.000 man de rivier de Memel over en viel Tsaristisch Rusland binnen. Een bijzondere veldtocht omdat de tegenstander niet leek te willen vechten. Die trok zich alleen maar terug maar vernielde op die terugweg wel alles wat de invallers zouden kunnen gebruikte: de tactiek van de verschroeide aarde met als doel om de tegenstander zich te laten doodlopen in de onmetelijkheid van het Russische achterland. Terugtrekken, het grote gevecht ontwijken maar wel de strijd aan gaan met kleine eenheden. Op 14 september 1812 bereikte het leger de vrijwel verlaten stad Moskou. De Grande Armée was inmiddels gedecimeerd tot een derde zonder dat er slag was geleverd met de vijand. In de stad was echter niets eet- en bruikbaars te vinden. Daarom verliet Napoleon en zijn leger op 20 oktober 1812 de stad en maakte rechtsomkeer. En dat letterlijk want de Russen, onder leiding van Maarschalk Koetoezov dwong hen precies dezelfde route te volgen. Een route waar niets eet- en bruikbaars te vinden was. Pas toen de Grande Armée uitgeput, hongerend en nog verder gedecimeerd de rivier Berezina bereikte, gingen de Russen de slag aan. Een slag die ze wonnen en waarbij ze hun tegenstanders alles afnamen, ook hun kleren waardoor er velen stierven door bevriezing. Over deze tocht zijn veel boeken geschreven. Zo staat het Russisch perspectief centraal in Oorlog en Vrede van Tolstoi. Voor muziekliefhebbers, de Overture 1812  van Tsjaikovski handelt er ook over.

Op één jaar en twee dagen na 130 jaar later, op 22 juni 1941 de langste dag van het jaar, tenminste op het noordelijk halfrond, zette een legermacht van zo’n 3,7 miljoen soldaten zich in beweging en viel de Sovjet Unie binnen. Het grootste deel van de soldaten was afkomstig uit nazi-Duitsland maar ook bondgenoten Italië, Hongarije, Roemenië en Finland leverden een bijdrage. Operatie Barbarossa startte en verliep in het begin zeer succesvol. Dat was voor een flink deel te danken aan de slechte staat van voorbereiding van de Sovjets. Soldaten die zonder wapens naar het front werden gestuurd, slechte communicatie en een hergroepering van troepen direct voorafgaand aan de inval. In korte tijd werden grote gebieden veroverd en dat zorgde voor problemen. De bevoorradingslijnen werden steeds langer en het veroverde gebied moest beheerst worden en dat beheersen betekende dat er soldaten achter moesten blijven om het gebied te bezetten. Uiteindelijk liep de operatie in december 1941 vast op de zich stug verdedigende en steeds beter georganiseerde Sovjettroepen en de invallende winter. In tegenstelling tot Napoleon haalden ze Moskou niet. Een winter waarop de Duitse troepen niet gekleed waren.

20 maart 2003, de zon stond op het punt om de Evenaar te passeren en de lente aan te kondigen op hetzelfde noordelijk halfrond. Op die dag zetten bijna 310.000 soldaten zich in beweging om Irak binnen te vallen om Saddam Hoessein uit het zadel te wippen. Operatie Iraqi Freedom lukte, een kleine twintig dagen later, op 9 april 2003, viel Bagdad in handen van de onder Amerikaanse leiding staande troepen. Dat betekende echter niet dat de strijd was gestreden. Het bezette gebied moest worden gecontroleerd en beheerst. Dat vergde tussen de 100.000 en 176.000 Amerikaanse troepen aangevuld met meer dan miljoen agenten en soldaten van Iraakse origine. Dat bleek een opdracht van een andere orde. Een orde waar we, en vooral de inwoners van Irak, nu nog steeds de gevolgen van ondervinden.

Al een paar maanden zijn de ogen gericht op de Oekraïne, of beter gezegd op de Russische troepenbewegingen in de buurt van het land. Rusland heeft, als ik de nieuwsberichten mag geloven, zo’n 100.000 tot 150.000 soldaten verzameld aan de grens met Oekraïne en nog eens 30.000 Russische soldaten oefenen in Belarus samen met het hun collega’s uit dat land. Leiders van diverse landen maken zich grote zorgen en sommige waarschuwen dat een oorlog voor de deur staat. “Op dit moment ben ik ervan overtuigd dat hij de beslissing heeft genomen, we hebben reden om dat te geloven,” aldus de Amerikaanse president Biden. 180.000 soldaten zijn er veel maar toch. Oekraïne stelt er 200.000 soldaten tegenover. Gelijk spel zou je zeggen. Maar evenveel soldaten is geen garantie voor succes. Dat ondervond Saddam in 2003. Betere bewapening bij de tegenstander en geringe motivatie onder zijn troepen beslechtten het pleit in zijn nadeel. Als ik de experts mag geloven dan zijn de Russen beter bewapend. Hoe het met de moraal aan beide kanten is, weet ik niet. Wel lijken mij die 180.000 man erg weinig om eerst oorlog te voeren en vervolgens het veroverde gebied te controleren. Een gebied waar ruim 40 miljoen mensen wonen.

De illusie van het autonome individu

“Hoe vinden wij deze nieuwe grond als individu dat de basis dient te zijn voor een nieuw wij?”  Die vraagt stelt Tom Ribbens zich in een artikel bij Joop. Ribbens maakt zich, zoals velen druk om de manier waarop de overheid de coronapandemie bestrijdt. Een bijzonder artikel.

Bron: Pxhere

Ribbens: “Als we dan kijken naar het gemak waarmee we vanuit een grote angst voor ziekte en dood onze individualiteit loslaten en laten manipuleren door de overheid, lijkt het alsof we onszelf meer dan ooit zijn kwijtgeraakt in een technocratisch en manipulerend systeem dat het van ons mensen aan het overnemen is.” Gelukkig worden: “Steeds meer mensen (…) zich bewust van deze situatie en komen in verzet, terwijl een grote groep het nog steeds normaal vindt om hun vrijheid op te geven voor een gevoel van veiligheid, dat geen enkele wetenschappelijk en feitelijke grond meer heeft.” Ik vraag me af waarop Ribbens zich baseert dat ‘een grote groep’ het normaal vindt en dat ze dat doen voor een ‘gevoel van veiligheid’, maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de manier waarop Ribbens naar dat ‘nieuwe wij’ wil zoeken. Hij zoekt het wij in het ik: “Op de eerste plaats door naar binnen te gaan. Door het aankijken van onze grootste angsten, namelijk die van de dood en de angst om uit de groep te vallen.” Want, zo gaat hij verder: “Deze beide, vaak onbewuste angsten zorgen ervoor dat we onszelf als individu loslaten, de redding buiten onszelf zoeken en daardoor makkelijk te manipuleren zijn.”  En: “Onze angsten, maar ook ons lijden zijn de ingang om contact te maken met dat deel, waar onze werkelijke individualiteit begint, namelijk onze essentie, ons geestelijk deel.”  

Ribbens gaat via het individu op zoek naar de groep. Een groep als een verzameling individuen die bewust voor de groep kiezen. “Het mooie is dat in die diepere grond van onze essentie we allen verbonden zijn met elkaar ook al zijn we verschillend. Dat maakt dat dit wij zo sterk en gelijkwaardig is en niet discriminerend of polariserend. Vanuit dit nieuwe wij zullen nieuwe vormen ontstaan, nieuwe vormen van leiderschap en samenwerking, een nieuwe democratie, veel dichter bij de mensen om wie het gaat dan nu het geval is.”  De komende gemeenteraadsverkiezingen bieden, zo betoogt Ribbens een kans om te: “laten zien dat we ons niet langer laten manipuleren en opkomen voor onze grondrechten als autonoom individu.”

Ribbens stelt het individu centraal en toont daarmee een ware neoliberaal. In het neoliberale kapitalisme staat het autonome individu dat opkomt voor zichzelf immers centraal. Bijzonder omdat hij zich daar juist tegen lijkt te verzetten als hij de manier: “hoe wij omgaan met de natuur, met dieren, met natuurlijke grondstoffen en wij de aarde niet respecteren naar de grote intrinsieke waarde die zij in zich draagt. Maar vanuit ons kapitalistisch systeem ermee omgaan als een gebruiksvoorwerp voor onze eigen macht, om geld te verdienen, rijk te worden.”

Begint het wij niet juist bij het je realiseren dat een autonoom individu een illusie is? Zeker in onze moderne samenleving.

Identiteit, imago en de Transgenderwet

De regering werkt aan een vereenvoudiging van de Transgenderwet en rond die nieuwe wet wordt flink gediscussieerd door voor- en tegenstanders. “Het meest gehoorde argument is dat mannelijke verkrachters zich straks toegang kunnen verschaffen tot vrouwen-wc’s en -kleedkamers.”  Zo lees ik in een artikel van Valentijn de Hingh bij De Correspondent. De discussie draait om zelfidentificatie en de gevolgen hiervan. Ik moest daarbij denken aan een cursus public relations die ik ooit heb gevolgd.

File:Klingon (1305760507).jpg - Wikimedia Commons
Een Klingon. Bron: WikimediaCommons

Het was daar dat ik voor het eerst kennis maakte met het begrip ‘identiteit’. Het kwam in de titel voor van een boek van C.B.M van Riel. Een boek met als titel Identiteit en Imago. Een inleiding in de corporatie communication. Wat ik me nog van het boek herinnerde was dat ‘identiteit’ dat is wat je zelf vind dat je bent en ‘imago’ is hoe anderen je waarnemen. Maar om het zeker te weten zocht ik het boek. Dat moest ergens op de vliering in een doos of kist liggen. En even later stond ik met het boek in mijn handen op zoek naar de betekenis van de twee begrippen. Van Riel: “Imago en identiteit zijn veelvuldig gebruikte begrippen geworden als het gaat om het vaststellen van de communicatiestrategie van een onderneming. Geleidelijk aan is het algemeen geaccepteerd dat imago ‘het beeld is van een organisatie in de perceptie van de doelgroepen’, terwijl identiteit veelal wordt geassocieerd met ‘de wijze waarop het bedrijf zich profileert ten opzichte van haar doelgroepen. [1]Mijn herinnering had mij niet in de steek gelaten. ‘Identiteit is wat je wilt zijn’ en die ‘je’ kan ook een bedrijf zijn. Dit sluit aan bij de definitie die de Van Dale geeft: “eigen karakter van een persoon of groep.” [2] In het huidige tijdsgewricht lijkt het erop dat ‘identiteit’ de betekenis die Van Riel aan ‘imago’ geeft, heeft aangenomen.

Tegenwoordig ‘struikel’ je erover en kun je, bij wijze van spreken, geen krant meer openslaan, geen tv -programma meer bekijken of geen blog meer lezen of het gaat over identiteit: de ‘Nederlandse identiteit’, de ‘moslim-identiteit’, de ‘lhbti-identiteit’ waarbij ieder letter toch weer net een andere ‘identiteit’ heeft en het nog wordt bemoeilijkt door de huidskleur, de sekse, gender, leeftijd, religie  enzovoorts. Of zoals Seada Nourhussen het in een artikel bij OneWorld zegt: “In-ter-sec-tio-na-li-teit.” En dat “klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch, [3] vervolgt Nourhussen om vervolgens uit te leggen dat: “Intersectionaliteit (…) de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen,” erkent. En ter verduidelijking: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse). Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is. Om systematische ongelijkheid te bestrijden moeten we alle assen van onze identiteit erkennen. Een rechtvaardige wereld bereik je namelijk niet door het ene onrecht te scheiden van het andere.

Als we naar het identiteitsbegrip van Van Riel en Nourhussen kijken, dan lijken beiden het over iets anders te hebben. Van ‘wat je zelf vindt dat je bent’ naar een verzameling van kenmerken waaraan ‘privileges’ die meer of minder ‘privilege’ opleveren, hangen. Als ik het op mezelf betrekt dan zou ik mijn identiteit op Van Riels manier als volgt beschrijven: “Ik ben een energieke creatieve vrijdenkende historicus met een zeer brede maatschappelijke interesse en een drive om de wereld te verbeteren. Te verbeteren door mensen los te laten komen van vaste denkpatronen en zo fungeer ik als luis in de pels. Ik kom met onconventionele, creatieve, goed onderbouwde en beargumenteerde plannen, ideeën voor de problemen van vandaag, gericht op de uitdagingen van morgen en goed geworteld in het verleden. Voor mij is het glas altijd vol. Ik schrijf stukjes op mijn eigen site.” Op basis van Nourhussens intersectionele manier van denken over identiteit ziet de beschrijving van mijn identiteit er heel anders uit: “Ik ben een hetero man met een blanke huidskleur. Ik ben cis-gender. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben theoretisch opgeleid en als zzp’er actief is in overheidsland.”  Twee compleet verschillende omschrijvingen. Met de ‘Van Riel’ omschrijving zou je moeite hebben om mij te herkennen in een rij bij een kassa. Dat lukt met de ‘Nourhussen’ omschrijving beter. Terwijl als je met mij in gesprek zou willen gaan de ‘Van Riel’ omschrijving een veel beter beeld geeft wat je te wachten staat.

Het begrip ‘zelfidentificatie’ komt daarmee overeen met Van Riels identiteitsbegrip. Je identiteit is jouw kijk op jezelf en die kan niemand je afnemen. Niemand kan zeggen dat het niet klopt. Dus als ik als blanke cis-gender hetero man mezelf omschrijf als lesbische, vrouwelijke Klingon, dan ben ik dat voor mezelf. Voor degenen onder mijn lezers die het niet weten, Klingons zijn de humanoïde bewoners van de planeet Kronos. Tenminste, in de serie Star Trek[4]. Ze staan bekend om hun strijdlust en moed en hebben een uitgesproken en geribbeld voorhoofd. Als ik je dat vertel, denk je vast dat ik niet goed spoor. Je ziet immers iemand die voldoet aan de Nourhussen identiteitsbeschrijving die ik hierboven van mezelf gaf. En met dat niet overeenstemmen met mijn beschrijven van mezelf en jouw waarneming van mij, komen we bij imago. Want jouw waarneming van mij, is het imago dat jij aan mij toekent.

Van de Klingons naar het wetsvoorstel dat is gebaseerd op het begrip zelfidentificatie. Als iemand zich als vrouw identificeert, dan kan deze persoon zich als vrouw registreren in de basisregistratie personen ook al heeft de persoon de geslachtskenmerken van een man. Tot zover niets bijzonders. Dat wordt het wel als je kijkt naar de gevolgen. Een trans persoon die zich als vrouw identificeert en als vrouw geregistreerd staat, kan dan gebruik maken van de bijvoorbeeld toiletten of kleedkamer voor vrouwen.

Je imago, het beeld dat anderen van jou hebben, is anders dan je identiteit, het beeld dat jij van jezelf hebt. Precies daar gaat het voor wat betreft de gevolgen van de nieuwe wet knellen. De Hingh spreekt met D66 Kamerlid Lisa van Ginneken. Volgens Van Ginneken is het in de opening genoemde belangrijkste argument tegen het wetsvoorstel ridicuul. Immers: “‘Een mannelijke verkrachter kan ook nu al een jurk aantrekken en binnenlopen. Bovendien weten we helaas ook dat ruim driekwart van de verkrachters bekenden zijn van het slachtoffer. Dus dat relativeert het risico dat je loopt in een kleedkamer toch ook al een beetje.”  Volgens Van Ginneken is het: “gewoon een juridische administratieve kwestie in onze samenleving die we op moeten lossen. Het onderliggende thema is hier niet transgender, maar discriminatie. Deze wet kan het leven van mensen echt heel veel beter maken. Dat horen wetten te doen.” Dat een kwaadwillende nu ook een jurk aan kan trekken, een dameskleedkamer kan binnenlopen en daar iemand kan verkrachten, valt niet te ontkennen. Sterker nog, het aantrekken van die jurk is waarschijnlijk niet eens noodzakelijk. Dus Van Ginneken heeft gelijk dat deze wet een juridisch administratieve kwestie is en dat het onderliggende thema discriminatie is? 

Dat is helemaal de vraag. Inderdaad is die ‘kleedkamerverkrachting’ vergezocht. Maar zit daar de werkelijke zorg? Wat zou de zorg achter de zorg kunnen zijn? Ondanks mijn ervaring met jaren Vastelaovend vieren dat menig vrouw er geen enkele moeite mee heeft om in hoge nood het herentoilet te gebruiken, kan ik me de onrust en het ongemak van een transpersoon die zich als vrouw identificeert om een herentoilet of kleedkamer binnen te lopen, goed voorstellen. Je ziet jezelf als anders dan de andere bezoekers van die ruimte en dat geeft ongemak. Dat deze persoon dit ongemak niet heeft bij het binnengaan van een dameskleedkamer of -toilet kan ik me ook goed voorstellen. Je ziet jezelf dan als gelijk aan de andere bezoekers.

Maar hoe zit het met die andere bezoekers van de dameskleedkamer of het damestoilet? Wat nemen die waar? Stel die transpersoon die zich als vrouw identificeert, maar nog steeds de geslachtskenmerken van een man heeft, loopt die kleedkamer met vrouwen binnen en kleed zich uit tot alleen zijn evakostuum rest. De andere aanwezige vrouwen nemen een persoon in adamskostuum waar. Dan kan ik me de onrust het ongemak van die aanwezige vrouwen zeer goed voorstellen.

“Dankzij deze wet verbeter je met één letter je leven.” Aldus de titel van De Hinghs artikel. Het wetsvoorstel ruilt het ongemak van de een, de trans persoon, in tegen het ongemak van de ander, de vrouw. Het weegt het ongemak van een zich als vrouw identificerende de trans persoon die zich in een mannenkleedkamer moet omkleden zwaarder dan het ongemak van de vrouwen die zich in een kleedkamer met een zich vrouw voelende, maar in bezit van een mannelijk geslacht zijnde, trans persoon moeten omkleden. Een verbetering voor de ene groep die door een andere groep als verslechtering wordt ervaren. Dit maakt het een lastig en niet op te lossen dilemma waar toch een keuze in gemaakt moet worden. Over het gewicht van de twee ongemakken kun je van mening verschillen. Beide perspectieven hebben waarde en moeten in de afweging worden meegenomen. Daar zou het gesprek dan ook over moeten gaan. Alleen gebeurt dat niet door er een juridisch administratieve kwestie van te maken. Het is een morele kwestie waarbij het niet helpt om ‘discriminatie’ te roepen.


[1] Riel, van C.B.M. van, Identiteit en imago, pagina 30

[2] https://www.vandale.n

[3] https://www.oneworld.nl/lezen/column/kruispunten/

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Klingon_(Star_Trek)

Mensen en dierenrechten

In de Volkskrant een uitgebreid artikel van Jurriën Hamer waarin hij verslag doet van zijn innerlijke verscheurdheid waaraan op 1 januari van dit jaar een einde kwam. Met ingang van dit jaar eet hij geen vlees meer en hoeft zich dus niet ‘schuldig’ te voelen, zoals hij het zelf noemt. Het ‘geknaag’ in zijn hoofd begon toen hij filosofie ging studeren: “Tussen de filosofiestudenten, en later de promovendi, zaten heel wat vegetariërs die haarfijn uit konden leggen waarom vlees eten immoreel is. Hebben dieren geen rechten? En waarom hield ik ook alweer vast aan een antropocentrisch wereldbeeld? Ik kon die argumenten moeilijk weerleggen en wauwelde iets over dat dieren in het wild toch ook niet zielig zijn, en die we toch ook elkaar laten opeten. Ik kon mezelf niet eens overtuigen.” De twee interessante vragen die zijn vegetarisch medestudenten stelde, intrigeert mij.

Code of Hammurabi, king of Babylon, 1792 - 50 BCE (5) | Flickr
De Codex Hammurabi. Bron: Flickr

‘Hebben dieren geen rechten?’ Aan deze vraag gaat een andere vraag vooraf. Een vraag die niet wordt gesteld omdat we het antwoord dat we erop geven als vanzelfsprekend beschouwen. Die vraag is namelijk: hebben mensen rechten? Voor ons westerlingen is het antwoord op die vraag zo evident. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.” Aldus de Amerikaanse Declaration of Independence. De ‘Creator’ heeft iedere mens rechten gegeven. De Franse revolutionairen schreven in 1789 iets soortgelijks. Soortgelijks maar toch net iets anders in de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen. Zij beriepen zich namelijk niet op een ‘Creator’, maar op de natuur en spreken van “les droits naturels, inaliénables et sacrés de l’homme,” natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens. De Amerikanen hebben de rechten gekregen van god, de Fransen van de natuur.

Rechten die van god komen, zijn zo oud als het monotheïsme. Het geloof dat er één god is. Monotheïsme is een vrij recente menselijke ‘uitvinding’. De mens heeft millennia lang meerdere ‘goden’ aanbeden of gevreesd. Het leven en alles wat er in gebeurde, werd gezien als een strijd tussen die verschillende goden en de mens was een pion in het spel tussen de goden. Zo’n vier millennia geleden ontstonden ‘geloven met maar één god’. Het jodendom is de oudste nog bestaande variant ervan. In een meer goden, of polytheïstische, samenleving is het lastig om rechten aan die goden te ontlenen. Iedere god speelde immers zijn eigen spel met eigen regels. Met maar één machtige alles bepalende god werd het mogelijk om er gezag aan te ontlenen. In andere delen van de wereld, zonder zo’n monotheïstische religie (China en Japan) zagen de heersers zich niet als eerste vertegenwoordiger, maar als god zelf en dat maakte hun wil wet. In ons deel van de wereld beriepen heersers en koningen zich op god en zagen zich als gods eerste vertegenwoordiger.

Het beroep op de ‘natuurlijke rechten’ is recenter. Het is een uitvloeisel van de Verlichting. Mensen die zelf op zoek gingen hoe de wereld in elkaar zit en hierbij vertrouwden op hun eigen rede en niet op de dogma’s en autoriteit. Dogma’s en autoriteit van vooral het geloof. Zo ontdekte Newton de zwaartekracht door de ‘val van de appel’ en stond hij aan de basis van de klassieke mechanica. En analoog aan de wet van de zwaartekracht zouden er ook natuurwetten voor de inrichting van een samenleving: de natuurlijke rechten van de mens.

De vraag: ‘hebben dieren dan geen rechten?’ past in de ‘natuurrechten’ traditie. Immers als de natuur mensen rechten geeft, waarom dan niet ook aan de koe, het varken en de olifant? De mens is immers ook maar gewoon een dier. De natuur kan immers niet zo selectief zijn. Dat probleem heb je niet als je je op een god beroept. Niets staat goden immers in de weg om te selecteren en hiërarchie aan te brengen tussen alle schepsels. Het antwoord of dieren rechten hebben staat of valt met de vraag of mensen van nature rechten hebben.

Daarvoor naar de tweede vraag die de medestudenten stelden: ‘waarom zo’n antropocentrisch wereldbeeld?’ Een wereldbeeld waarin de mens centraal staat. De wereld achter die vraag is dat de natuur niet selectief kan zijn. Dus als mensen van nature rechten hebben dan hebben dieren die ook. Het ‘niet-antropocentrisch wereldbeeld’ van Hamers medestudenten biedt echter nog een andere optie. De optie dat de natuur geen rechten geeft. Niet aan mensen en ook niet aan dieren.

Daarmee kom ik op een derde variant waarop de mens zich bij het formuleren van zijn rechten kan beroepen en dat is zichzelf. Zichzelf niet als individu maar als groep. Rechten zijn afspraken die wij mensen maken zodat we een redelijk betrouwbare en voorspelbare samenleving krijgen. De eerste bekende wetboeken ontstonden ook zo’n vier millennia geleden. De bekendste, maar niet de oudste is, de Codex Hammurabi van rond 1750 voor onze jaartelling. Dat beiden, wetten en monotheïstische religies, in dezelfde periode ontstonden, zal geen toeval zijn. Zowel, wetten en monotheïstische godsdiensten zijn bedoeld om mensen te binden om er een groep van te maken. Het zijn verhalen om mensen te binden. Verhalen met regels hoe te handelen binnen de groep. Iets wat bij het groter worden van de groep belangrijk is en in die periode werden de rijken groter. Die wetten werden opgesteld door de heerser.

De Amerikanen en Fransen stelden hun verklaringen op zonder zo’n heerser. Die hadden ze immers net de deur gewezen. Ze moesten het zonder heerser doen. Daarbij deden ze respectievelijk een beroep op de ‘Creator’ en de natuur, maar wat er echt gebeurde was dat ze elkaar rechten toekenden. Ze hadden eigenlijk moeten zeggen: ‘wij mensen hier verzameld, zien onszelf als gelijk en kennen elkaar de volgende rechten toe.’ Door die rechten goddelijk en ‘self-evident’ of ‘natuurlijke en onvervreemdbaar’ te verklaren, worden deze rechten eeuwig en onveranderlijk gemaakt en tot de hoogste morele standaard verklaard. Vanuit god en de natuur kun je niet meer tot een andere conclusie komen terwijl een groep mensen in een andere tijd en setting tot andere rechten zou kunnen komen.

Terug naar die eerste vraag. De denkwijze dat de mens zichzelf deze rechten heeft gegeven, betekent nee als antwoord op de vraag ‘hebben dieren dan geen rechten?’ Nee, dieren hebben geen rechten. Ze krijgen pas rechten als mensen hen die rechten geven.

Ongelijk gelijk of gelijk ongelijk?

“In België zijn negentien beschermende criteria tegen discriminatie, als deze gecombineerd worden in reeksen van één of meer kenmerken komt daar een niet meer uit te spreken aantal (121 triljoen) uit.[1] Aan deze passage uit het boek Reset van Mark Elchardus, nee dat boek handelt niet over het ‘the great reset’ waartegen menigeen tegenwoordig te hoop loopt, maar over identiteit, gemeenschap en democratie zoals de ondertitel van het boek luidt, moest ik denken bij het lezen van een artikel op de site De Kanttekening. In dat artikel staat de vraag of het pas aangetreden kabinet wel ‘divers genoeg’ is centraal.

architectuur, vliegtuig, vliegtuig, reflectie, voertuig, luchtvaart, vlucht, Verenigde Staten van Amerika, chicago, artwork, interessante plaatsen, Verenigde Staten, kunst, passagiersvliegtuig, spiegel, stralen, koepel, gespiegeld, glimmend, glans, mirroring, Jet vliegtuig, De boon van Chicago, aardatmosfeer
Bron: Pxhere

Kantekeningpanellid Anuska Soekhradj geeft, wellicht onbewust aan waar afspiegeling spaak loopt. “Nee, ik voel mij niet echt meer vertegenwoordigd door dit nieuwe kabinet. Het is mooi dat Franc Weerwind een Surinaamse achtergrond heeft, maar hij is behoorlijk verkaasd. Ook komt hij niet uit de Randstad, waar de meeste mensen met een multiculturele achtergrond vandaan komen, maar uit Almere.” Dat zijn al heel wat kenmerken waaraan gespiegeld moet worden. Geografie’ compliceert het nog veel meer. Weerwind komt uit Almere en niet uit de Randstad. Nu bestaat die Randstad uit verschillende steden en dorpen en in die steden en dorpen wonen mensen die er geboren en getogen zijn, maar er wonen ook mensen die van elders komen.“ Daarnaast is de diversiteit beperkt. Waar zijn de Aziaten? Waar de Brazilianen? En waar de Hindoestanen?” vraagt Soekhradj zich af. En ik vraag me dan weer af of ‘Braziliaan’ of ‘Aziaat’ dan specifiek genoeg is. Een Vietnamees verschilt immers van een Tadzjiek terwijl het beiden Aziaten zijn. En voelt een Vietnamees uit Hanoi zich vertegenwoordigd door een landgenoot uit Ho Chi Minhstad? Soekhradj brengt nog iets anders in: “De VVD vertegenwoordigt de rijken. De meeste Nederlanders, wit en zwart, vallen niet in die groep.” In zijn boek Reset formuleert Elchardus het nog wat scherper: “Er is in onze samenleving een vrij grote groep die bijzonder specifiek is wat betreft zijn wijze van denken, voelen en doen, de laaggeschoolden. Zij blijven echter het meest onzichtbaar.[2]

Ik moest aan de berekening[3] van Elchardus denken omdat die het probleem van afspiegeling duidelijk maakt. Nu komen niet alle combinaties voor, maar als we het naar de Nederlandse situatie verplaatsen zijn er in ieder geval veel meer dan 150 (het aantal Kamerzetels) combinaties van kenmerken van ‘identiteiten’. Dat wordt lastig afspiegelen. Zeker omdat bij het kenmerk ‘religie’ niet het JA of NEE van belang is maar katholiek, moslim, hindoe enzovoort. En als je ‘geografie’ waar Soekhradj op wijst, meetelt, loopt het helemaal spaak. Nederland kent net zoveel ‘identiteiten’ die afgespiegeld moeten worden als dat het inwoners heeft. Gelukkig zijn dat er minder dan Elchardus’ rekensom, het zijn er nog altijd veel meer dan dat er zetels in de Tweede Kamer zijn.

Volgens Elchardus wordt dit roepen om ‘afspiegeling veroorzaakt door wat hij noemt, het kleine identiteitsstreven of identitair particularisme dat: “wordt geboren uit het streven naar emancipatie en gelijkheid. … De oorsprong van het kleine identiteitsstreven is de evidente eis dat onze samenleving de waarden respecteert die zij hoog in vaandel draagt.[4] Afspiegeling stelt ons huidige principe van democratische vertegenwoordiging radicaal ter discussie. Dat huidige systeem gaat uit van gelijkheid van burgers en omdat, zoals Elchardus het omschrijft: “burgers gelijk zijn, is politieke vertegenwoordiging niet aan particuliere eigenschappen gebonden. Daarom worden in volwaardige democratieën enkel burgerschap en leeftijdsvereisten gesteld om stemgerechtigd te zijn en zich kandidaat te kunnen stellen.[5]

Daarmee kom ik bij iets bijzonders. Onze huidige vertegenwoordigende democratie gaat uit van gelijkheid: iedere mens is gelijk en telt op eenzelfde manier. Dat niet iedereen gelijke kansen heeft, doet niets aan dit principe af. De aanhangers van afspiegeling willen de kansenongelijkheid aanpakken en daar vinden ze mij aan hun zijde. Bij hun streven naar afspiegeling vinden ze mij niet aan hun zijde. Iedere gekozen volksvertegenwoordiger, vertegenwoordigt het hele volk. Zo maakt onze democratie ons, qua identiteit ongelijke burgers, gelijk door elk van de 150 Kamerleden ons allemaal te laten vertegenwoordigen. Gelijkheid nastreven via een afgespiegeld parlement, maakt de gelijken (onze volksvertegenwoordigers) ongelijk omdat volksvertegenwoordigers dan niet het hele volk vertegenwoordigen maar slecht de groep waarvan zij de afspiegeling zijn. De ‘gelijken’ worden ongelijk terwijl er niets verandert aan de ongelijke kansen.


[1] Marc Elchardus, Reset. Over identiteit gemeenschap en democratie, pagina 128

[2] Idem, pagina 127

[3] Voor de niet wiskundigen  onder ons. Die 121 triljoen is de uitkomst van 19x18x17x16x15x14x13x12x11x10x9x8x7x6x5x4x3x2x1.

[4] Idem, pagina 121

[5] Idem, pagina 126

Geachte Volkskrantredactie,

Toen ik uw zaterdageditie van 22 januari 2022 opensloeg, werd ik onaangenaam verrast. U besteedt vijf pagina’s aan Michel Reijinga de drijvende kracht achter Nederland in Verzet. In vijf pagina’s wordt een beeld opgeroepen van een soort Pietje Bel die de strijd met de overheid heeft aangebonden. Een man van, zo komt uit het artikel naar voren, twaalf ambachten, dertien ongelukken. Die, zo zegt hij in het artikel, van zijn psycholoog het label anti-autoriteitsstoornis kreeg en advies om: “mijn woede een plekje te geven omdat ik het systeem toch niet zou kunnen veranderen. Tijdens mijn burn-out ben ik tot de conclusie gekomen dat ik er gelukkiger van word om precies het tegenovergestelde te doen.”

06-00-1955_13373 Bibliotheek | Agentschap van De Volkskrant … | Flickr
Bron: Flickr

Iemand die als een vorm van therapie anderen oproept tot verzet tegen de overheid maar wel profiteert van de verworvenheden die door die overheid zijn opgebouwd. Want hij leeft van een ziektewetuitkering: “Toevallig had ik vlak voor mijn operatie een maandje bij een meubelwinkel gewerkt, waardoor ik een beroep kon doen op het UWV. Daardoor kan ik nu al mijn tijd aan het verzet besteden.” Iemand die, zo lees ik: In zijn toespraken en op sociale media (…) uitlatingen (doet) die naadloos aansluiten op het discours van zijn nieuwe, radicaal rechtse vrienden. The Great Reset, de tribunalen – het komt ­allemaal voorbij. Die: “Tijdens een toespraak op het Haagse Malieveld (..) op(riep) tot een minuut stilte voor ‘onze Belgische medestrijder’ Jürgen Conings, de bewapende militair die jacht maakte op viroloog Marc Van Ranst en uiteindelijk zelfmoord pleegde. En toen Max van den B. onlangs werd gearresteerd omdat hij met een fakkel voor het huis van Sigrid Kaag was gaan staan, schreef Reijinga in de Telegram-groep van Nederland in Verzet: ‘Max is een topper en moet snel vrij.’” Iemand voor wie het doel alle middelen heiligt.

In uw artikel komt Pim Fortuyn voorbij waarvan Reijinga een groot bewonderaar is. De grote les die politiek en media trokken uit het succes van Fortuyn was dat men niet wist wat er onder de bevolking speelde. Dat men moest ‘luisteren naar het volk’ en dat ‘het volk’ ook aan het woord moest komen. ‘Het volk’ spiegelde dit en riep dat er naar ‘haar mening’ geluisterd moest worden en dat het ook in de media aan het woord moest komen want hoe kun je anders weten wat er onder het volk leeft. Resultaat hiervan is dat een krant als de Volkskrant zo’n twintig jaar later vijf pagina’s besteedt aan deze man.

Mijn onaangename verrastheid betreft niet hetgeen Reijinga allemaal beweert. Die berichten in verschillende soorten en maten zie ik dagelijks voorbij komen. Sterker nog, in de Tweede Kamer zitten volksvertegenwoordigers die precies hetzelfde roepen. “De Volkskrant is een journalistieke organisatie die zich tot taak stelt lezers onafhankelijk, zorgvuldig en zo veelzijdig mogelijk te informeren. Daarmee wil zij gestalte geven aan het in Nederland geldende grondrecht van vrijheid van meningsuiting, informatieverwerving, -vermenigvuldiging en verstrekking, zoals onder meer vastgelegd in de grondwet en internationale verdragen.” Zo schrijft u in uw redactiestatuut. Dat u uw lezers zo ‘onafhankelijk, zorgvuldig en veelzijdig mogelijk’ wilt informeren is een nobel streven. Ja, we kennen het recht om vrij je mening te uiten, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Aan dat recht moeten we niet tornen. Bij mijn weten kennen we echter geen plicht voor media om ieder mening te publiceren. Zou een medium dat de Grondwet op een dergelijke manier in haar statuut noemt, zich niet moeten afvragen of zij een podium geeft aan iemand wiens woorden van alle kanten zagen en knagen aan onze democratie en rechtsstaat? Een podium zonder ook maar één kritische vraag? Er bestaat geen recht om gehoord te worden. Dat zou impliceren dat anderen de plicht hebben om te luisteren. Gelukkig bestaat die plicht niet. Lezers informeren over deze meningen kan ook op een andere manier dan iemand zo op het schild te hijsen.

Alles van waarde is weerloos

“er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
als het hart van de tijd
als het hart van de tijd”
 Zo dicht Lucebert in De zeer oude zingt.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van, Ezrah Bakker in Trouw. In het artikel bespreekt hij het plan om met ingang van 2025 de kinderopvang gratis te maken. “Het Centraal Planbureau (CPB) kwam vorig jaar bij het doorrekenen van het scenario van vier dagen gratis voor werkenden én niet-werkenden op een bedrag van 5,5 miljard extra. Hiervan bestond 2,3 miljard uit wat ouders op dat moment zelf uitgaven en nog eens 3,2 miljard voor het te verwachten extra gebruik dankzij deze gratis voorziening. Een fors bedrag: meer dan 1 procent van ons bbp zou dan naar kinderopvang gaan.” Dit zou dan het equivalent van 7500 extra fulltime werkenden opleveren. Veel te veel geld per baan, bovendien profiteren precies de verkeerde mensen ervan: “ Dat zijn de hogere inkomens, vooral de ‘randstedelijke powerkoppels’, die hiermee honderden euro’s per jaar gaan besparen. Voor de lagere inkomens levert het geen voordeel op, daar had men al gratis kinderopvang.” Het gaat mij er nu niet om of het een goed of slecht idee is om kinderopvang gratis te maken voor iedereen. Het gaat mij om de logica achter die 1% van het bbp die dan naar de kinderopvang zou gaan.

Als de kinderopvang gratis wordt, dan bestaat 1% van het bbp uit kinderopvang. Als je ervoor kiest om je kind niet naar de opvang te doen maar er zelf voor te zorgen, dan draagt het niet bij aan het bbp. Je keuze wordt dan niet in geld uitgedrukt. Als ik iemand betaal om mijn kind op te vangen, creëer ik economische waarde, doe ik het zelf dan is het economisch waardeloos. Sterker nog, dan word ik met een scheef oog aangekeken omdat ik in die tijd ook had kunnen werken en dat werk zou dan wel weer bijdragen aan het bbp. Bijzonder dat eenzelfde activiteit de ene keer wel en de andere keer niet mee wordt gerekend voor het bbp. Stel we tellen het zelf opvangen van een kind wel mee bij het bepalen van het bbp? Wat zouden we dan nog meer moeten meetellen? Als eerste natuurlijk al die andere uren in een dag dat ouders hun kinderen zelf opvangen. Dan zou ook alle vrijwilligerswerk mee moeten tellen. Dan zou mantelzorg mee moeten worden gerekend. Dat zou betekenen dat het bbp flink zou toenemen: onze economie zou flink groeien zonder dat er werkelijk iets veranderde.

Wat zou het betekenen als we daar allemaal een economische waarde aan verbinden? Wat zou het betekenen als er een geldelijke waarde wordt gehangen aan mijn activiteit als trainer/coach van het pupillenteam van de Mustangs? Dat zou betekenen dat er een waarde wordt gegeven aan de lach op het gezicht van een van die pupillen als ze de bal het veld in slaan, als ze een mooie vangbal maken of iemand uittikken. Die lach en dat groeiende zelfvertrouwen zijn de ‘beloningen’ waarvoor ik het doe. Als daar een geldbedrag aan wordt gehangen dan wordt die lach, om met Lucebert te spreken, ‘aan alles gelijk’. Die lach wordt dan gelijk aan een brood, fiets of nog erger een ‘juichpak’ van de inmiddels alweer vergeten Roy Donders. Gelijk aan omdat ze qua prijs die eraan wordt gehangen, vergeleken kunnen worden. De lach zou dan twee ‘juichpakken’ waard kunnen zijn.

Wordt zo het waardevolle niet waardeloos en krijgt het waardeloze zo niet waarde? Om die reden kijk ik met argusogen naar overheden die aan de slag zijn met vrijwilligers- en mantelzorgersbeleid. Dergelijk beleid herbergt het risico dat de economische logica het over gaat nemen. De economische logica is dat het in waarde moet groeien en dus dat iemand mij gaat vertellen dat ik beter ‘vrijwillig’ iets anders kan gaan doen omdat dat andere meer ‘waarde’ vertegenwoordigt.

In defence of democracy

Op de site van GroenLinks reflecteert de leider van die partij, Jesse Klaver, op de ontwikkelingen in Nederland een jaar na de bestorming van het Capitool in de Verenigde Staten. Hij stelt zich de vraag: “Hoe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?”  Een interessante vraag.

Hij ziet een partij in onze volksvertegenwoordiging die oproept tot het omverwerpen van onze democratie. Die partij is het Forum voor Democratie. Klaver: “Door te zeggen dat ‘het regime ten val’ gebracht moet worden, impliceert FvD dat we de democratische verkiezingsuitslag naast ons neer moeten leggen. Niet alleen een specifieke regel moet worden gewijzigd, het hele stelsel van democratische besluitvorming moet overboord. … Ze roept op tot de oprichting van nieuwe tribunalen. Tot nieuwe rechtbanken, die niet langer de regels van onze rechtsstaat volgen. Maar die achteraf, op basis van andere uitgangspunten bepalen wat legaal en illegaal is. Ook hier richt hun aanklacht zich niet tegen een specifieke regel. Ook hier wordt de remedie niet gezocht binnen ons democratische systeem. De hele rechtsstaat wordt ongeldig verklaard en moet worden vervangen.”

In een eerdere Prikker concludeerde ik hetzelfde als Klaver nu schrijft. Voor wat betreft de vraag met betrekking tot de bescherming van onze democratie, komt Klaver met meer dan Kamervoorzitter Bergkamp die een gesprek met de fractievoorzitters wilde voeren over de omgangsvormen in de Tweede Kamer. Klaver komt tot de volgende ‘beschermingsconstructies: “Door tegengeluid te geven. Door grenzen te trekken. Door niet alleen geschokt te reageren op incidenten, maar het monster in het gezicht te kijken en te zien voor wat het is: een doelbewuste en stelselmatige bedreiging van de maatschappelijke vrede.” Als tweede: “Door hard te zijn tegen politici met een gevaarlijke agenda. Door hen het woord te ontnemen als de plenaire zaal van het parlement gebruikt wordt om de rechtsstaat te ondermijnen.” Ten derde: “Door van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken voor een aanval op de democratie.” En als laatste door: “zacht te zijn voor elkaar. Door het ‘wij’ zo groot mogelijk te maken. Door onderling het gesprek te blijven zoeken en mensen met oprechte vragen en twijfels niet in het kamp van populisten te duwen. Door een krachtig verbond te vormen, van goedwillende burgers.” Laten we die verdedigingslinie eens nader beschouwen.

Tegengeluid geven en in de Kamer bij ondermijnende uitspraken het woord ontnemen. Nu is juist de Kamer een plek om dat tegengeluid te geven. Een mooi voorbeeld van hoe dat kan, gaf Pieter Omtzigt in een Kamerdebat in november toen hij FvD Kamerlid Van Meijeren aansprak op een van zijn uitspraken in een betoog. Een betoog dat aanleidingen bood voor meer van deze gesprekken dan de ene die Omtzigt koos. Omtzigt sprak Van Meijeren aan op de suggestie dat er sprake was van landverraad door de drie aanwezige bewindspersonen. Na een paar simpele vragen, bleek er sprake van ‘gebakken lucht’. Omtzigts voorbeeld vraagt om consequente navolging en de Kamervoorzitter moet dit faciliteren. Of beter nog, de Kamervoorzitter had dit gesprek moeten voeren. Bij een dergelijke beschuldiging moet de Kamervoorzitter vragen naar ‘man en paard’. Worden die niet genoemd dan eist de voorzitter die uitspraak terug te nemen. Bij weigering zou verwijdering uit de vergadering dienen te volgen en bij herhaling, schorsing voor langere tijd.

Als zijn collega Pepijn van Houwelingen in de Kamer roept dat er tribunalen komen, dan verwacht ik niet dat dat woord in de Kamer wordt verboden. Dan verwacht ik een voorzitter en als die het nalaat Kamerleden die vragen welk bijzonder misdrijf er is gepleegd dat het niet via de normale rechtsgang kan worden bestraft? Wat er zo bijzonder is aan dat misdrijf? Wat er schort aan ons rechtssysteem dat er een bijzondere rechtbank moet worden opgericht? Helaas gebeurt dat niet.

Een dergelijke werkwijze mogen we ook verwachten van de media. Als de leider van het FvD in een Zwitserse krant zegt dat in een goede samenleving: “there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” En vervolgens zegt: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Dat hij terug wil naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.”  Dan verwacht ik dat de betreffende journalist, of een andere die het leest, Baudet vraagt of hij terug wil naar die achttiende eeuw? Of hij zich realiseert dat de gewone mensen in die tijd niet in die bourgeoisie te vinden waren? Of hij terug wil naar de elitaire en door de adel gedomineerde samenleving van de achttiende eeuw en dus het gros van de inwoners van het land het stemrecht wil ontnemen? Of hij de democratie wil afschaffen? Hoe dit streven zich verhoudt tot zijn strijd tegen de huidige elite die hij ‘het kartel’ noemt?

Dan komen we er echter niet met: “van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken,” zoals Klaver aandraagt. Dan moeten we de ‘wij, ‘waar Klaver over spreekt niet alleen zo groot mogelijk maken maar ook zo sterk mogelijk. En daarmee kom ik bij een gat in Klavers verdedigingslinie. Een gat waarop Martha Nussbaum in haar boek Not for Profit uit 2011 wees: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).” Dat gat bestaat uit een hartstochtelijk pleidooi voor onderwijs gericht op het versterken van die democratische vaardigheden. Een pleidooi om het onderwijs te richten op het aanleren van vaardigheden die nodig zijn om, zoals Nussbaum schrijft, de democratie levend te houden in plaats van het opleiden van ‘bruikbare machines’ voor de ‘economie’. Het zou zomaar kunnen dat dergelijk onderwijs ook leidt tot ‘zelflerende en denkende machines’ waarvan naast de democratie ook onze samenleving en zelfs de economie profijt hebben.

De koe, de horens en de staart

Volgende week staat het nieuwe kabinet op het bordes en dat is voor veel ‘stukjesschrijvers’ en programmamakers aanleiding om nog wat tips mee te geven. Ook Geert Laugs, directeur van Compassion in World Farming een actie groep die opkomt voor: “het welzijn van koeien, kippen, varkens en alle andere dieren die gehouden worden voor hun vlees, melk of eieren,” en streeft naar: “diervriendelijkere, duurzame en gezonde veehouderij: voor dieren, mensen en de aarde,” is er zo een. In een artikel in Joop verzucht hij: “Hopelijk zal dit de nieuwe minister van Landbouw, Henk Staghouwer, helpen de boeren in beweging te krijgen. Dat hij zich eerder onomwonden uitsprak voor eerlijke voedselprijzen, waarbij de gangbare productie zwaarder wordt belast ten gunste van biologisch boeren, is een goed teken.”  Hij wil, om bij de veehouderij te blijven, de koe bij de horens vatten. Laten we die ‘koe’ eens bekijken.

Schotse Hooglander | wikipedia: Een Schotse hooglander is ee… | Flickr
Bron: Flickr

Laugs: “De kans die zich nu voordoet om te komen tot een veehouderij die gezond is voor dieren, mensen en de aarde, heeft lang op zich laten wachten. We moeten haar niet voorbij laten gaan.” Hij geeft de nieuwe minister drie adviezen. Zo moet er worden geaccepteerd dat de veestapel kleiner moet en als: “een industrieel veebedrijf natuur in de buurt beschadigt door te hoge stikstofuitstoot, vervang het dan door natuur of door een dier- en milieuvriendelijk, natuurinclusief bedrijf met een goed verdienmodel voor de boer.”  Zijn derde, hij geeft het als eerste, advies luidt: “Laat het idee los dat de Nederlandse veehouderij met iedereen op de wereldmarkt op prijs moet kunnen concurreren. We hebben allemaal gezien tot welke problemen dat leidt. Zorg in plaats daarvan voor duurzame productie van goed en gezond voedsel voor de eigen regio.” Dat klinkt alleszins redelijk. Toch maakt hij zich zorgen. Zijn grootste zorg is: “het convenant met alle stakeholders dat het kabinet over dierenwelzijn wil afsluiten. De meningsverschillen zijn immers groot en de (na de dieren) grootste groep stakeholders (de boeren en de agrarische lobby) trapt doorgaans op de rem.”

Toch moet ik weer aan de Ever Given denken waarover mijn laatste Prikker van 2021 handelde. Over het de wereld over slepen van allerlei zaken en de daarmee gepaard gaande problemen. En dat onze keuze voor goedkoop en slechte kwaliteit dit in stand houdt. Ik moest hieraan denken omdat Laugs het advies geeft om, en nu vat ik het in mijn woorden samen, niet te kiezen voor de laagste prijs, maar voor kwaliteit. Een keuze die precies past in mijn betoog. Laugs richt zich tot de nieuwe minister en over diens hoofd tot de agrarische sector in Nederland. 

Daarmee kom ik bij ‘the inconvenent truth’ om de titel van die vorige Prikker aan te halen. Vat Laugs de koe wel bij de horens? Laugs wil de boeren in beweging krijgen en legt daarmee het probleem bij de producent. Ligt het grotere probleem niet bij de consument? De producten (goed, duurzaam, gezond en lokaal) waar hij om vraagt, zijn er nu al. Alleen worden ze door maar een klein deel van de mensen gekocht. De rest koopt gewoon de goedkope bulk bij de Appie en de Van Eerdjes. Wie koopt een biefstuk van € 50 per kilo bij de scharrelslager als je bij de Appie een regulier biefstuk kunt kopen voor € 25 per kilo? Als we vijftig jaar teruggaan in de tijd, dan komen we uit bij een situatie waarbij er vooral voor de eigen regio werd geteeld. Toen gaf het gemiddelde huishouden bijna 25% van het inkomen uit aan voeding. Nu ligt dat in de buurt van de 10%.

Om naar de door Laugs gewenste situatie te groeien, moeten die 10% flink omhoog. Voor een groot deel van de mensen kan dat niet, die geven in de huidige situatie op koopjes jacht in de supers ouderwetse percentages van hun inkomen uit aan voedsel. Die kunnen die hogere prijzen niet betalen. Van het deel dat de prijzen wel kan betalen, doet een klein deel dat al en de rest geeft het geld liever uit aan een tweede vakantie. Hoe gaat Laughs die mensen in de ‘eigen regio’ zo ver krijgen dat ze meer voor die duurzame, gezonde in eigen regio geproduceerde landbouwproducten gaan betalen? Met: “gangbare productie zwaarder (belasten) ten gunste van biologisch boeren,” wordt de groep die procentueel gezien het meest van het inkomen aan voeding uitgeeft, getroffen zonder dat hen een alternatief wordt geboden.

Staat Laugs niet aan de staart te trekken? Moet hij zich niet richten tot de nieuwe staatssecretaris van fiscaliteit en de consument?