Godsdienstideologie

Mensen mogen van alles vinden, maar ik mag ook zeggen dat de islam niet onder de grondwettelijke vrijheid zou mogen vallen.”

Een uitspraak van Geert Wilders zo valt te lezen bij Elsevier. De islam zou volgens Wilders verboden moeten worden omdat het geen religie is maar een ideologie. Als ik het goed begrijp wil Wilders eerst vastleggen dat de islam geen religie is, maar een ideologie. Als het dan een ideologie is, dan moet die ideologie vervolgens worden verboden. Kun je een ideologie wel verbieden? Is er een verschil tussen een ideologie en een religie?

MarxFoto: Wikimedia Commons

Een religie of godsdienst is: “het geheel van plechtigheden en leerstellingen van een godsverering.” Kijken we naar de betekenis van ideologie dan lezen we in de Van Dale: “het geheel van beginselen en denkbeelden van een stelsel.” Aan de ene kant ‘plechtigheden en leerstellingen’ en aan de andere kant ‘beginselen en denkbeelden’. Een ideologie wordt ook wel eens een ‘leer’ genoemd. Zo wordt het Marxisme ook wel de leer van Marx genoemd en die leer heeft leerstellingen. Het christendom is gebaseerd op de leer van Christus. Beiden beroepen zich op iets bovenmenselijks. Marx op een ‘wetmatigheid’ in de geschiedenis, het christendom op een groot en onkenbaar iets genaamd god. Beiden beroepen zich op iets ‘bovenmenselijks’ waar je in gelooft of niet. Een marxist gelooft in de geschiedkundige wetmatigheid, een christen in god. Beiden zijn overtuigingen om het leven te bezien of een levensovertuiging de: “beginselen waarnaar je je leven inricht.”

Als we onze grondwet erop naslaan dan lezen we in artikel 6 eerste lid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.” Beschermt de grondwet hiermee niet ook levensovertuigingen die Wilders ideologie noemt? Zijn religie en ideologie niet twee zijden van dezelfde medaille?

Begrensd door grenzen

In Dagblad de Limburger van zaterdag 16 september schrijft Johan van de Beek over radicalisering. In zijn column citeert hij uit een brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van twee jaar geleden over radicalisering:

“De aanpak van radicalisering en gewelddadig jihadisme is een van de belangrijkste thema’s in het internationale en nationale veiligheidsbeleid. de rijksoverheid werkt intensief aan de versterking van de aanpak van radicalisering en jihadisme. Gemeenten hebben bij uitstek een belangrijke rol in de integrale aanpak.”

Deze week bleek dat veel kleine gemeenten weinig aan voorkoming van radicalisering en gewelddadig jihadisme doen.

terrorismebestrijdingFoto: Pixabay

Waarom deze gemeenten er niets aan doen? “Die krijgen geen ‘signalen’ en denken dan dat er ook niets is. Het kan ook zijn dat de gemeenten het niet zien, zegt de inspectie.” Van de Beek ziet andere oorzaken: “ze zien het wel maar doen net alsof het niet bestaat (in de hoop dat het weggaat), ze hebben mensen aangenomen die het niet zien omdat ze niet weten waar ze moeten kijken of hebben mensen aangenomen die het zien maar met houtje-touwtjeoplossingen een probleem proberen aan te pakken waar ze zelf onderdeel van zijn.” Een forse conclusie of moet ik zeggen beschuldiging? Mensen die bewust niet ingrijpen en zelfs onderdeel van het probleem zijn, “ambtenaren die geen flauw benul hebben.”

Zou het niet nog wat anders kunnen zijn? Zou het kunnen dat de VNG het verkeerd heeft gezien? Dat die ‘bij uitstek belangrijke rol in de integrale aanpak’ van gemeenten niet zo belangrijk is? Al eerder vroeg ik me af of het uitgangspunt achter het zorgbeleid dat er vanuit gaat dat de gemeente de meest nabije overheid is en dat die meest nabije overheid het beste de zorg voor mensen kan organiseren, een aanname is. Zou het kunnen dat de belangrijke rol die de gemeenten voor zichzelf zien en waarin het rijk hen bijvalt, een aanname is?

Gemeenten zijn gebonden aan de grenzen van hun grondgebied, mensen niet. Mensen trekken vrijelijk van de ene naar de andere plek en via de digitale snelweg ‘flitsen’ ze nog sneller en verder over de aardbol. Zou het kunnen dat gemeenten, door hun gebondenheid aan hun grenzen juist niet de ‘bij uitstek een belangrijke rol’ kunnen spelen die ze claimen? Worden ze niet begrensd door hun grenzen?

Leeg Europa

  “… het goede willen, ook voor mensen die niet tot de eigen stam of etnische groep behoren. Zijn vijanden kunnen vergeven of in staat zijn de spons te vegen over andermans fouten. Elke mens als individu respecteren, ook zwaar mentaal gehandicapten. De behoeften van de naasten voorrang geven op de eigen behoeften. Alle mensen als gelijkwaardig behandelen, dus ook vrouwen en andersgelovigen.”

Dat zijn volgens Juliaan van Acker de centrale, op de ethiek van het jodendom en het christendom gebaseerde, waarden van ‘onze Europese beschaving. “Wie zich aan deze waarden niet kan aanpassen, hoort niet thuis in Europa,” aldus van Acker bij TPO. Laten we die centrale ethiek eens wat nader bestuderen.

st martinus

Illustratie: Wikimedia Commons

In Europa lopen veel mensen rond die het goede willen. Het vervelende met het goede is dat dit per persoon kan verschillen. Eind 2015 schreef ik in een prikker met als titel Het Goede Doel waarin ik aandacht besteedde aan mensen en stromingen die zich beroepen op het goede. Ik stelde daar de vraag: “Beroepen de jihadisten, als meest vergaande vorm van moslimfundamentalisme, zich ook niet op het goede en dus rechtvaardige? Al zullen er niet veel andere mensen zijn die dit ‘goede’ als goed beoordelen.” 

Willen Europeanen werkelijk het goede voor mensen die niet tot de eigen stam of etnische groep behoren? Lijkt het er niet meer op dat velen in Europa mensen die niet tot de eigen stam of etnische groep behoren het allerbeste toewensen zolang ze maar niet in Europa en vooral niet in Nederland zijn? Daarbij lijkt het niets uit te maken of ze zich aan ‘deze waarden’ van Van Acker willen aanpassen. Wordt dat zelfs niet regeringsbeleid van het kabinet dat nu wordt geformeerd? De vier betrokken partijen willen immers meer Turkijedeals.

Is met een spons over andermans fouten vegen moeilijk? Ja, als die fout van een ander je schade heeft berokkent, dan kan het lastig of pijnlijk zijn. Maar wordt het niet pas echt lastig als je met die spons over je eigen fouten moet vegen? Hoeveel mensen draaien niet om de hete brei van de eigen fouten heen? In de politiek zijn er vele voorbeelden van te vinden. Neem de Teevendeal of de Van Rey-affaire om er eens twee te noemen.

Hoeveel Sint Martinussen lopen er rond? U weet wel de Romeinse soldaat die, volgens de overleveringen, zijn mantel doorsneed en de helft aan een arme medemens gaf. Zouden er niet veel meer ‘heiligen’ moeten zijn als Sint Martinus’ gedrag ingeburgerd zou zijn? Of anders gesteld, zou er een ‘heilige’ zijn als dit normaal gedrag was?

Beste meneer Van Acker, als aanhanger van de christelijke ethiek kent u vast de uitdrukking ‘hij die zonder zonde is werpe de eerste steen.’ Zou Europa niet een lege vlakte zijn als eenieder die de ethiek van u niet praktiseerde het continent zou moeten verlaten.

Radicaal

Radicalisering houdt de gemoederen flink bezig. Met name kleinere gemeenten doen er niets aan, die denken ervan gevrijwaard te blijven, zo valt te lezen in de Volkskrant. Een expert, een voormalig geradicaliseerde meldt in dezelfde krant dat de-radicalisering afdwingen niet werkt. En in Amsterdam werd een ambtenaar ontslagen, zat de burgemeester in het ‘beklaagdenbankje’ en gaat men geen gebruik meer maken van ‘gederadicaliseerden’ bij het voorkomen van radicalisering.

copernicus

Foto: Wikimedia Commons

Laten we eens wat dieper in radicalisering duiken en waar beter te beginnen dan in de Van Dale. Een radicaal is

“iemand die vergaande hervormingen wil,”

aldus het woorden boek. Nu hoor je politici vaker over hervormingen en de ene wil daarin verder gaan dan de andere. Als je praat over flexibilisering van de arbeidsmarkt dan zal iemand van de SP een VVD-er of D66-er radicaal vinden. Omgekeerd wellicht ook wel. Een lid van de SGP of de ChristenUnie vindt D66 om andere redenen radicaal, denk bijvoorbeeld aan onderwerpen als euthanasie, abortus en het gebruik van embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden. Of de gezondheidszorg, nationaliseren zegt de SP, ‘aan de markt overlaten’  roepen D66 en de VVD.

Ik begin me af te vragen of ik niet ook radicaal ben? Of de gemeente dan ook iets aan mij zou moeten doen? Een pleidooi voor bijvoorbeeld een basisinkomen is voor velen radicaal.  Je moet immers werken voor je geld. Of het idee dat je al deel uitmaakt van, en participeert in de samenleving door er gewoon te zijn, de politieke goegemeente denkt daar anders over. In zijn tijd was Copernicus ook een radicaal, net als Galilei. Zou niet iedereen op een of andere manier radicaal zijn?

Is radicalisme werkelijk een of het probleem? Of is geweld en gewelddadigheid het probleem?

Wat als …

Een paar dagen geleden schreef ik een prikker met als titel Democratische oorlog. Dit naar aanleiding van een artikel van Sietse Bruggeling in de Volkskrant. Bruggeling schreef over automatische en autonome gevechtssystemen die zouden kunnen helpen om de levens van onschuldigen te sparen en onnodige vernietiging van zaken te voorkomen. Bruggeling reageerde op mijn prikker, iets wat ik zeer op prijs stel. Dit biedt namelijk de mogelijkheid om met elkaar in gesprek te gaan en zo samen verder te komen.

dromen

Illustratie: Pixabay

Bruggeling sloot zijn reactie af met de volgende woorden: “En we moeten ook wel rekening houden met horrorscenario’s. Ik vind ook echt dat we goed moeten discussiëren over het onderwerp, want ze kunnen in potentie levens redden, maar dat is nu natuurlijk nog onduidelijk. Maar dan moeten we wel praten over feiten en niet over vergezochte fantasieën.” Inderdaad moeten we de feiten niet uit het oog verliezen. Die dienen een belangrijke plek in te nemen, dat ben ik met Bruggeling eens en heb ik hem ook geantwoord.

Zouden echter die fantasieën niet ook een plek moeten krijgen in het gesprek over kunstmatige intelligentie, want daar heb je het over als je het over autonome wapens hebt? Zijn fantasieën immers niet een van de motoren achter de technische ontwikkeling? Zijn er niet vele voorbeelden van fantasieën die uiteindelijk werkelijkheid zijn geworden? Neem vliegen, dat was eeuwenlang een fantasie, nu is het werkelijkheid. Of het bezoeken van de maan? Direct spreken met mensen aan de andere kant van de wereld? Allemaal ooit een fantasie, nu werkelijkheid.

Zouden niet zowel de ‘hemelse’ als de ‘helse’ fantasieën een plek moeten krijgen in het gesprek? Zou het proberen te achterhalen wat de cruciale factoren zouden kunnen zijn in het bereiken van zowel de ‘hemelse’ als de ‘helse’ fantasieën, ons niet verder helpen juist bij het bereiken van de ‘hemel’ en het voorkomen van de ‘hel’?

Profiteurs

Het is weer feest bij de PvdA, want de baantjescarrousel draait weer eens harder dan ooit tevoren!”

Als voormalig Kamerlid heb je het maar lastig. Zeker oud-Kamerleden van PvdA-signatuur moeten het ontgelden. Jeroen Recourt heeft na zijn Kamerlid emplooi gevonden. Hij is voorzitter geworden van het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam en hij treedt toe tot de Raad van Advies van de Nederlandse Mediatorsvereniging.

roeptoeterFoto: Flickr

“ Jeroen Recourt is slechts de volgende in wat ongetwijfeld een nog veel langere rij aan PvdA-profiteurs gaat worden.” Dat is tenminste de verwachting, of eigenlijk een mening verpakt in een verwachting, van Tim Engelbart bij De Dagelijkse Standaard. Recourt krijgt vervolgens nog het verwijt mee dat hij: “de zoveelste PvdA’er (is) die zijn Kamerlidmaatschap heeft kunnen inzetten om voornamelijk zijn eigen carrière vooruit te helpen.” Iets wat we volgens Engelbart al: “zagen (…) met andere mislukte PvdA’ers: Ahmed Marcouch (burgemeester), Roos Vermeij (top van een pensioenfonds), Martijn van Dam (top van de NPO) en zelfs de assistent van Jeroen Dijsselbloem (top van een ministerie): allen zijn zij linkse sociaal-democraten in naam, maar rechtse graaiers in werkelijkheid.” Zo dat klinkt als een (populistische) klok, die kunnen die ‘sociaal-democraten, maar in werkelijkheid rechtse graaiers’ zich in hun zak steken.

Laat ik, nadat het geluid van de ronkende zinnen is verstomd, een vraag hebben voor Engelbart. In Nederland klinkt de roep om Kamerleden geen privileges meer te geven voor wat betreft uitkeringen, steeds luider. Voormalig Kamerleden en politiek-bestuurders, en daar hebben we het hierover, zouden niet anders moeten worden behandeld dan andere werklozen. Niet eindeloos lang recht hebben op een uitkering zonder dat er een wezenlijke prestatie tegenover staat. Nee, zo snel mogelijk ander werk vinden.

Wat  verwacht Engelbart nu eigenlijk? Als ze werk vinden zijn het profiteurs van de ‘baantjescarroussel’ van het ‘partijkartel’. Vinden ze geen werk dan zijn het profiteurs en uitvreters die van hun luxe uitkering genieten op kosten van de belastingbetaler. Het is nooit goed of het deugd niet, zou mijn moeder zeggen. Of gewoon een gevalletje ‘roeptoeteren’ van Engelbart?

‘Parlementaire geschiedenis’

Het Rotterdams kunstinstituut Witte de With houdt de gemoederen flink bezig. Het instituut is, zo wordt beweerd, naar de straat waaraan het ligt, de Witte de Withstraat in Rotterdam genoemd. Die straat is weer genoemd naar een Nederlandse zeeman uit de zeventiende eeuw. Witte de With schijnt een zeer streng kapitein te zijn geweest voor zijn manschappen en als alle ‘kapiteins’ uit die tijd heeft hij ook in ‘de Oost’ zijn sporen (van vernieling, plundering en moord) nagelaten. Voor die tijd was zo’n staat van dienst niets bijzonders en voldoende om in de negentiende en twintigste eeuw als ‘zeeheld’ een straat naar je vernoemd te krijgen.

witte de with

Foto: Wikipedia

Kijkend door onze eenentwintigste eeuwse bril worden deze daden wat ‘anders’ beoordeeld. Een groep activisten, stel te vraag:

“How will this institution start to undo itself?”

Een bijzondere vraag, want wat vragen ze van het instituut? ‘To undo’ is ‘tenietdoen, ongedaan maken, of ‘losmaken’. Wat moet het instituut ongedaan maken? De zeventiende eeuwse daden van Witte de With? Dat lijkt me lastig voor een instituut in de eenentwintigste eeuw. Zelfs de eigen culturele uitingen van het instituut kunnen niet ongedaan worden gemaakt. Het instituut kan zich ‘losmaken’ door een andere naam te kiezen zoals het wil gaan doen. Al kun je je afvragen in hoeverre het zich los kan maken van haar eigen resultaten uit het verleden.

Die naamswijziging geeft ook meteen weer aanleiding tot discussie. Bij Elsevier vindt Gertjan van Schoonhoven het: “krankzinnig, zeker uit democratisch oogpunt,” dat het instituut haar naam wijzigt onder druk van een brief van deze groep activisten. Volgens Van Schoonhoven is het verleden iets van ons allemaal en niet alleen van activisten. Omdat het instituut bovendien met publiek geld wordt gefinancierd, is de naamgeving ook een publieke zaak:

“Dus gemeenteraad, dus parlement: doe jullie werk.” 

Op de redeneringen van de activistische briefschrijvers, net als op de wetenschappelijke onderbouwing ervan, is veel aan te merken. Redeneringen ‘witte superioriteit’ die niet verworpen kunnen worden, immers door ze te verwerpen bevestig je ze. Sterker nog, dat doe je al door er alleen vraagtekens bij te plaatsen. Op een wat grove manier plaats Van Schoonhoven deze kanttekeningen.

Volgens Van Schoonhoven gaat het hier om de “vraag hoe Nederland om moet gaan met andere, kritische opvattingen over het eigen koloniale verleden.” Het beantwoorden van die vraag: “mag geen onderonsje zijn van kunstenaars en activisten die vinden dat zij alléén recht van spreken hebben.”  Wat dit laatste aangaat heeft hij gelijk. Maar gaat hij niet de mist in met zijn oproep aan de gemeenteraad en het parlement? Gaat de Rotterdamse gemeenteraad over de naam van een onafhankelijk cultureel instituut dat zij subsidieert? Gaat het parlement over de geschiedenis en de manier waarop die wordt beoordeeld? De geschiedenis bij wet vastgelegd? Dat zou het begrip ‘parlementaire geschiedenis’ een heel andere betekenis geven.

Democratische oorlog

Robots die zich tegen de mens keren, robots die de wereld overnemen, het zijn scenario’s waarover al decennia sciencefictionfilms worden gemaakt. In essentie verschillen blockbusters als Terminator en The Matrix weinig van het verhaal van de Golem die al in de vroege Talmoed opduikt.” 

De openingszinnen van een artikel van Sietse Bruggeling in de Volkskrant. Volgens Bruggeling worden de gevaren van automatische en autonome gevechtssystemen schromelijk overdreven. 

terminator

Foto: Flickr

Dergelijke wapens kunnen juist helpen om levens van onschuldigen te sparen en vernietiging te voorkomen. Als het ons lukt daarover een intelligente discussie te voeren, zonder fabels en horrorverhalen, kunnen autonome en onbemande systemen ons helpen te bereiken wat we met z’n allen zo graag willen: minder oorlogsslachtoffers.”  De discussie daarover moeten we nu voeren, want: “We hebben nu een kans om democratisch te bepalen wat onze toekomstige manier van oorlogvoeren gaat worden. Die moeten we niet laten voorbijgaan door ons te verliezen in sciencefiction-scenario’s.” 

Zou bij het voeren van die intelligente discussie niet juist ook met de horrorscenario’s rekening moeten worden gehouden? Een kenmerk van techniek is dat deze niet goed of slecht is. Techniek kan voor goede of slechte doeleinden worden aangewend. Dat er haken en ogen aan autonome gevechtssystemen zitten lijkt Bruggeling zich ook te realiseren: “Hoe voorkomen we dat deze wapens in verkeerde handen vallen of worden gehackt? En als we zelflerende wapens willen, nog weer een stap verder in het automatiseringsproces, van wie moeten ze dan leren?” Terechte vragen waar er nog een paar aan kunnen worden toegevoegd. Hoe kunnen we voorkomen dat kwaadwillenden zelf dergelijke wapens ontwikkelen? Met name de vraag van wie de zelflerende wapens moeten leren is een interessante. Als de geschiedenis iets laat zien dan is het dat ‘zelflerende apparaten (mensen) niet alleen leren van goede voorbeelden. Zou dat bij zelflerende machines ook kunnen gebeuren?

Een bijzonder probleem in de redenering van Bruggeling levert het op zich nobele streven om democratisch bepalen wat de toekomstige manier van oorlogvoeren is. Stoten we daar niet op een probleem? Hoe bepaal je iets democratisch terwijl zeer veel landen niet democratisch zijn? Zelfs al waren alle landen democratieën, zou een land dat een oorlog dreigt te verliezen, zich aan de gemaakte afspraken houden? Immers, als de hele wereld democratisch zou zijn, zouden er dan nog oorlogen worden gevoerd?

Demonen in het hoofd

Zou ik me zorgen moeten maken? Waarover? Zou jullie wedervraag kunnen zijn, Zou ik me zorgen moeten maken dat ik doordraai en de verbinding met de realiteit verlies? Dat ik in woorden steeds wilder om me heen ga slaan? Waarom? Zouden jullie me vervolgens kunnen vragen. Wel omdat ik net als Bert Brussen een eigen site ben begonnen om mijn schrijfsels op te publiceren en als ik de schrijfsels van Brussen lees, dan maak ik me ernstig zorgen om zijn mentale vermogens, om zijn geestelijke gesteldheid. Zou dat een gevolg zijn van het beginnen van een site om schrijfsels te publiceren?

demonen hieronumus Bosch

Illustratie: Wikipedia

“Dit keer is het natuurlijk ‘slechts’ een bekladding met verf, heus zo erg nog niet als een kogel, maar het moet toch ultieme voldoening geven om te weten dat jullie met die anonieme, moralistische hetzestukjes in die ‘kwaliteitscourant’ van jullie ook écht kunnen bereiken wat jullie willen: haatzaaien. Andersdenkenden de mond snoeren. Onderdrukken. Macht uitoefenen. Controle houden. De maatschappij naar je hand zetten.”

Zo schrijft Brussen op zijn site TPO. De ‘jullie’ waar Brussen het over heeft is de NRC. Die krant heeft kritiek op het optreden van kamerlid Baudet. Baudets voordeur is beklad door actievoerder en de NRC is net als de Volkskrant hiervan de schuldige. Deze kranten ‘demoniseren’  Baudet, net zoals ze met Pim Fortuyn hebben gedaan (en we weten  waartoe dat heeft geleid, zo suggereert Brussen).

Laat ik voorop stellen, de woorden van Baudet moeten met woorden worden bestreden niet met verf op zijn voordeur, dreigementen of geweld. Laat de beide kranten nu juist dat doen, ruimte geven aan mensen om elkaar met woorden te bestrijden. Niet om, in dit geval, Baudet de mond te snoeren, maar om hem van repliek te dienen. Om zijn ideeën ter discussie te stellen en op zijn ideeën valt het nodige af te dingen.

Net zoals er wat valt af te dingen op het verwijt dat, in dit geval de NRC, andersdenkenden de mond snoert, ze onderdrukt, macht uitoefent, controle houdt en de maatschappij naar haar handen zet. Als de NRC desnoods samen met de Volkskrant, dat zou doen, dan zouden ze het toch wel heel slecht doen. Baudet haalt, net als Wilders met elke (lavendel)scheet die hij laat het nieuws. Sites als TPO van Bert Brussen en De Dagelijkse Standaard, reageren daar weer zeer verheugd op. Hoezo zet de NRC dan de maatschappij naar haar hand.

Gelukkig is verlies van je mentale vermogens en je geestelijke gezondheid geen gevolg van het hebben van een site om je schrijfsels op te publiceren. Net zoals er ook geen verband is tussen het bieden van weerwoord aan Baudet en de verf op zijn deur. Zou er niet eerder een verband tussen demonen in het hoofd en het smeren van verf op iemands deur of het opschrijven van verwijten zoals Brussen ze debiteert?

Groot in kleinheid

Formule 1-coureur Max Verstappen heeft een rechtszaak gewonnen tegen de online-supermarkt Picnic, zo valt in menig krant te lezen. Picnic maakte een parodie op een spotje van de Jumbo. In het Jumbo spotje bezorgt Verstappen met zijn formule1-bolide boodschappen voor Jumbo. Jumbo wil hiermee waarschijnlijk de nadruk leggen op hun snelle service. In picnics parodie gaat iemand die op Verstappen lijkt en gekleed gaat in een racepak met een klein Picnic-autootje rustig rijdend de boodschappen bezorgen met als moto:

“Als je op tijd bent, dan hoef je niet te racen.” 

Jumbo nam geen aanstoot aan de parodie en liet het passeren. Immers wie geschoren wordt moet stilzitten. Verstappen kon de parodie niet waarderen en spande een rechtszaak aan omdat zijn portretrecht was aangetast. Hierin heeft de rechter Verstappen gelijk gegeven.

knippen

Foto: Pixabay

Nu ben ik geen rechter en ook geen kenner van het portretrecht. Het vonnis roept toch wat vragen bij mij op. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: hoe zit het dan met het portretrecht van de man in het Picnic-spotje? Dat hij hetzelfde postuur heeft, dezelfde haarkleur en hetzelfde silhouet, wat kan hij daar aan doen? Wordt die man door dit vonnis niet in zijn portretrecht aangetast? Want wordt hij zo niet ingeperkt in zijn mogelijkheden om iets met zijn portret te doen? Wat zou er zijn gebeurd als deze man Verstappen had aangeklaagd? Je zou immers met evenveel recht van spreken kunnen claimen dat Verstappen inbreuk heeft gemaakt op het portretrecht van deze man door in de Jumbo-reclame op te treden.

Of de Picnic-man iets heeft overgehouden aan zijn optreden weet ik niet. Veel kan het niet zijn want het spotje schijnt maar tweehonderd euro te hebben gekost. Dat is waarschijnlijk minder dan dat de lucht in een van de banden van Verstappens formule 1-bolide kost en Verstappen zal er niet eens voor zijn bed uit komen. Of Verstappen een groot coureur wordt die vele races en kampioenschappen wint, moeten we afwachten. Kunnen we nu wel al concluderen dat Verstappen groot is in zijn kleinheid?