De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
“Dit is nou het stemvee. Dit zijn ze nou, de mensen die door Rutte met zijn staf behendig over de heide worden gevoerd. Dit zijn nou die volwassenen die willens en wetens, ondanks een goede opvoeding en opleiding, niet eens de moeite willen nemen om uit te zoeken hoe het werkelijk zit.” Woorden van jou, YorienvdH, bij Opiniez. Wie dat stemvee zijn: “De grijze kopjes die net na de Tweede Wereldoorlog werden geboren, in een tijd van wederopbouw en welvaart, van emancipatie en technologie.”
Wat ze volgens u hebben gedaan? Nou ze hebben: “zich zonder noemenswaardige tegenwerking vrijwillig een federaal Europa in laten rommelen, de ouwetjes die niet geloven dat onze democratie en de vrijheid van meningsuiting door Ollongren (‘Wat een leuke vrouw is dat, hè’) worden ondermijnd, die niet warm of koud worden van het feit dat de soevereiniteit van dit land stelselmatig wordt leeggezogen, dat de kosten voor EU en klimaat buitenproportioneel zullen stijgen en hun pensioenen weldra worden ingekrompen.”
Vooraf even iets, beste YorienvdH. Al is mijn ‘kopje grijs’, ik ben niet van net na de oorlog, maar van zo’n twintig jaar later. Toch even iets over de ‘grijze kopjes’ die u bedoelt. Om te beginnen die ‘grijze kopjes’ werden geboren in een tijd van wederopbouw, de welvaart was voor velen toen nog ver te zoeken. Het was de tijd dat de Nederlandse regering dacht dat het beter was als flink wat mensen zouden emigreren omdat er in Nederland teveel zouden zijn om ooit welvaart te bereiken.
Het was ook de tijd dat het ‘Europese project’ zijn aanvang nam. Daar hadden zij nog geen invloed op. Zij zaten in de luiers of speelden met ‘knikker of bal.’ Hun ouders, met de ervaringen van vijf jaar oorlog en bezetting in het achterhoofd, hadden daar wel invloed op en die steunden dat met een overweldigende meerderheid. Zo werd er een proefreferendum, ja toen al, gehouden in Delft en Bolsward. De vraag luidde: “wenst u een VERENIGD EUROPA onder een EUROPESE OVERHEID met een DEMOCRATISCHE VERTEGENWOORDIGING te omschrijven in een EUROPESE GRONDWET?” De uitkomst van deze proef: meer dan driekwart van de kiesgerechtigden kwam opdagen en in Delft antwoordden 93% en in Bolsward 96,6% met JA. Die twee plaatsen zullen niet representatief zijn geweest voor ‘gansch het land’, toch zegt die uitkomst iets. Die ‘grijze kopjes’ erfden de EEG van hun ouders. Ouders die hen ook vertelden over die ‘rendementen’.
En beste YorienvdH, op een ander belangrijk moment, zo ten tijde van het verdrag van Maastricht in 1993 toen de Europese Unie het levenslicht zag, waren de kinderen van die ‘grijze kopjes’ al op een leeftijd dat ze konden stemmen. Neem uzelf, op uw site geeft u aan dat u: “In 1991 (…) een interessante wereld binnen(stapte) (Politie Groningen) en daar schreef (u) persberichten, journalistieke artikelen, nota’s, en hielp actief mee aan de fusie tussen gemeentepolitie en rijkspolitie.” U behoorde toen ook al tot het kiezersvolk. Kiezersvolk dat bij de verkiezingen van 1989 in totaal 134 zetels bezorgde aan vier partijen die instemden met de Europese koers. En na dat verdrag in 1994 verzamelden dezelfde vier partijen nog 126 zetels. Zou je daar niet uit mogen concluderen dat de kiezer de Europese koers vrij massaal steunde? Sterker nog, het zou zomaar kunnen dat u toen ook op een van die vier partijen stemde.
Ja maar, zult u zeggen, die lieten zich net als die ‘grijze kopjes’ nu: “vrijwillig (…) ringeloren door politiek en mainstream media.” De “makke lammetjes van ons land.” Zij hadden in die tijd immers geen internet en moesten het vooral doen met de ‘mainstream’ kranten. Kranten die werden gedomineerd door de “gevestigde partijen.” En die: “zullen in Den Haag en Brussel toch wel weten wat goed voor ons is.”
Ik ben de eerste om toe te geven dat er toen best ook ‘makke lammetjes’ zullen zijn geweest. Die waren er zeker, net zoals er nu ‘makke lammetjes’ zijn. Al denk ik dat ze niet alleen te vinden zijn bij de voorstanders van Europese samenwerking. Ze zijn er ook aan de geheel andere kant van het spectrum, de felle strijders voor een ‘onafhankelijk Nederland’. Ook daar kunt u ‘makke lammetjes’ vinden die blind achter praatjes van een ‘charismatische leider’ aanhollen. Die blind achter de meest bizarre meningen en complottheorieën die op het internet worden gedebiteerd als waarheden aanhollen.
Direct na de Tweede Wereldoorlog had iedere politieke stroming een eigen krant en dat leverde flinke polemiek op. Trouwens, het is maar helemaal de vraag of de overvloedig beschikbare informatie van tegenwoordig ook tot betere en beter beargumenteerde meningen van mensen leidt. Want als er tegenwoordig iets niet wordt ondermijnd dan is het wel de vrijheid van meningsuiting. Tegenwoordig kan iedereen heel snel en makkelijk zijn ‘waarheid’ uitventen via de niet ‘mainstream media’.
Een prachtig verhaal om die ‘grijze kopjes’ weg te zetten als naïevelingen en hen de schuld in de schoenen te schuiven van ‘Europa’. Of het in buurt komt van de werkelijkheid waag ik zeer te betwijfelen. ‘Grijze kopjes’ die in Engeland trouwens van het tegenovergestelde worden beschuldigd, daar hebben ze de Brexit veroorzaakt.
Recentelijk bekeek ik de twee seizoenen van de serie Colony. Aan die serie moest ik denken toen ik in de Volkskrant het verslag las van de bijeenkomst van de ‘grootste politieke jongerenvereniging’ van Nederland, de JFDV. Waarom ik aan die serie moest denken volgt later. Eerst de serie in het kort.
De wereld zoals wij die nu kennen bestaat sinds ongeveer een jaar niet meer. Buitenaardse wezens hebben de zaak overgenomen. Hiertoe hebben zij de wereld in ‘blokken’ verdeeld. De ‘Blokken’ worden van elkaar gescheiden door, Trump zou er blij mee zijn, heel hoge en brede muren. Ieder ‘blok’ wordt bestuurd door collaborerende mensen. De collaborateurs noemen de buitenaardse wezens ‘HOSTS’, een wat vreemde benoeming omdat ze eigenlijk gasten zijn. Belangrijkste taak van de collaborateurs is voldoende werklui leveren voor ‘The Factory’, de fabriek. Die fabriek ligt niet op de aarde en er is nog nooit iemand van teruggekeerd. In een aflevering krijg je er een kleine glimp van en dat ziet er niet best uit. Ieder blok doet dit op zijn eigen manier. De eerste twee seizoenen spelen zich voornamelijk af in het ‘blok’ Los Angeles. In het spotlicht staat een gezin (man, vrouw, twee zonen en een dochtertje). De jongste zoon is door toeval in een ander blok terecht gekomen. De man is een oud FBI agent die de slachting onder zijn collega’s heeft overleefd en zich met smokkel bezighoudt. Dat loopt fout en om zijn gezin te redden gaat hij voor de ‘bezetter’ werken. Zijn vrouw werkt voor het verzet en dat zorgt natuurlijk voor de nodige hachelijke momenten.
LA TAPISSERIE DE L’APOCALYPSE uit 1375. Te bewonderen in Angers. Bron: eigen foto
Naast, als dat nodig is, brute repressie en die wordt steeds meer nodig, proberen de collaborateurs van het blok Los Angeles de inwoners rustig te houden door middel van …. godsdienst. Die godsdienst heet ‘the Greatest Day’ en bevat succesvolle ingrediënten van de oude wereldgodsdiensten. Als belangrijkste, het geloof in een nieuwe, betere wereld na deze wereld. Die betere wereld breekt uit na ‘de grootste dag’ en als je hierin gelooft en goed je best doet, dan sta je aan de goede kant op die ‘grootste dag’. Godsdienst bedoeld om mensen te indoctrineren en mak te houden. Dit geheel volgens het oude adagium van de pastoor en de fabrieksdirecteur: ‘hou jij ze arm, dan houd ik ze dom’.
Bij het lezen van het verslag van de bijeenkomst van de ‘Baudet-jongeren’ moest ik denken aan ‘The Greatest Day’. Een bijeenkomst met als slogan: “Boreaal genieten bij de grootste jongerenorganisatie van Nederland.” Plagerig een dubieus label dat anderen op je plakken, gebruiken als een soort ‘logo’ voor jezelf. Precies zoals voetbalsupporters doen: word je uitgescholden voor ‘boer’ of ‘jood’, noem je dan ‘boer’ of ‘jood’.
“Natuurlijk zijn er mensen die het met ons oneens zijn. Mensen die ons fascisten noemen, nazi’s en héél erg fout. Dat zijn de stormtroepen van de gevestigde orde. Ze leren ons dat de Nederlander niet bestaat, dat onze geschiedenis slecht is, dat we een onaflosbare erfschuld dragen waarvoor onze wereld tot een einde moet komen. Via de angst voor sociale isolatie dwingen zij ons apathisch in te stemmen met onze eigen afschaffing.” Aldus Freek Jansen de voorzitter van de JFVD. Dat klinkt eerder als een ‘verzetsstrijder’ dan een ‘predikant’. Al snel wordt het wat religieuzer: “De kracht is uit ons maatschappelijk lichaam gegaan. We zijn moreel verzwakt. Alles wat ons sterk maakt, breken we af… Het is de moraal van een zwakke bevolking, een bevolking die schaapachtig toekijkt terwijl de gevestigde machten hen in de hoek drijft. Een moraal waarin we alleen nog worden omgeven door alles wat zwak is en hulp behoeft en niet wat ons gezamenlijk verder brengt.” Net als zijn ‘messias’ Baudet ziet Jansen dat het bergafwaarts gaat. Een beschaving die ten onder gaat, dergelijk ‘apocalyptisch denken’ is onderdeel van vele religies.
Jansen gaat verder: “Wij gaan onze beschaving redden van de dreigende ondergang. Want wat hard lijkt voor sommigen, is noodzakelijk voor ons allemaal. We hebben doorzettingskracht nodig, discipline, overwinningsdrang, ja, zelfs overheersingsdrang .” ‘Geloof in ons, wij weten het.’ Dan scheidt een andere JFVD-er Massimo Etalle het kaf van het koren als hij hun club ziet als : “een gemeenschap die sterker is in geest, sterker in daad en vooral sterker in eenheid.” Die gemeenschap zal het goed hebben na ‘The Greatest Day’ want: “Winnen doen we immers niet voor de verliezers, maar voor onszelf. Ons doel is niet de emancipatie van het individu, maar de emancipatie van ons, als gemeenschap. Zodat we samen weer tot grootse dingen in staat zijn.” Als aanhanger van Baudet behoor je tot de uitverkorenen van die meebogen naar het ‘paradijs’. En de ‘ongelovigen’? Die kunnen hun borst al vast nat maken. Zij doen er niet meer toe.
“Deze eeuw wordt onze eeuw, de eeuw van de wedergeboorte.” Zo betoogt Jansen. Dan breekt het ‘gods koninkrijk’, of in dit geval dat van Baudet, aan. Afsluitend adviseert de ‘profeet’ Baudet zijn volgers hoe tot die tijd te handelen. Ze moeten: “een ecosysteem bouwen waarin mensen die het grotendeels met ons eens zijn op belangrijke posten terechtkomen in het onderwijs, bij de rechterlijke macht, op redacties van kranten. Jullie moeten het dominante beeld doen kantelen. Het kan. Ik denk zelfs dat het vrij eenvoudig kan.”
Net als ‘The Greatest Day’ wordt er door Baudet en de zijnen vrolijk in verschillende religies ‘gewinkeld’ op zoek naar uitspraken, redeneringen en metaforen die bij hun doel passen. Vervolgens wordt het onderbouwd met loze kreten en de uitroep dat het allemaal zo gaat gebeuren “Omdat we fucking awesome zijn.”
Het tweede seizoen van Colony lijkt niet zo goed te eindigen voor de aanhangers van ‘The Greatest Day’. Ze worden verzameld om te worden ‘overplaatst’ naar een ander blok. Een blok waar meer voedsel is en het leven beter is, zo wordt de gelovigen verteld. Dat andere blok is echter ‘The Factory’. Lijkt omdat dit, zoals bij een serie gebruikelijk, een van de clifhangers is. Als we naar het doel van Baudet kijken, naar de wereld na zijn ‘Greatest Day’ dan is dat de ‘wedergeboorte van iets ouds. Welk ouds? Daar heeft Baudet zelf al een antwoord op gegeven in een Zwitserse krant. Hij wil terug naar iets wat op ‘The Factory’ lijkt: de bourgeois samenleving van de ‘ordinary people.’ Een uitspraak waarbij ik eerder al de nodige kanttekeningen heb geplaatst.
Opmerkelijk dat mensen, zoals de JFVD, die zo begaan zijn met de ‘echte’ geschiedenis van Nederland en die zo strijden tegen de ‘elite’ zo weinig kennis van de geschiedenis hebben dat ze blij worden van een ‘bourgeois samenleving’. Laten we ons troosten met de gedachte dat Christus nog steeds niet is wedergekeerd om het koninkrijk gods op aarde te vestigen. Dat al die andere ‘voorspellers’ met religieuze inslag er steevast naast zaten. Wikipedia geeft een lange lijst van voorspellers en momenten. Of die lijst klopt weet ik niet, maar al is maar de helft waar, dan zou de aarde deze eeuw alleen al verschillende keren zijn vergaan. De enigen die zijn ‘vergaan’ zijn bijna al die voorspellers.
Zucht … . Dat is wat ik dacht toen ik een bijdrage van Jan van Zanen, de voorzitter van de VNG, de club van Nederlandse gemeenten, op de site Binnenlandsbestuur las. Van Zanen pleit voor uitbreiding van de gemeentelijke mogelijkheid om belasting te innen. Die mogelijkheid is nu erg beperkt. Gemeenten zijn voor het overgrote deel van het geld dat zij nodig hebben, afhankelijk van het Rijk. Van Zanen pleit voor grotere zelfstandigheid zowel in handelen als in financiën. Een pleidooi waar wat voor is te zeggen, ook tegen, maar daar gaat het mij nu niet om.
Het gaat mij om de volgende zin: “Juist omdat gemeenten dicht bij de inwoners staan, kunnen wij maatwerk leveren en efficiënter werken. Dat doen we graag, voor onze inwoners.” Een zin waarop tegenwoordig hele ‘werelden’ worden gebouwd.
De zin bevat misschien ergens een kern van waarheid, maar welke? De gemeente staat het dichtst bij de inwoners? Fysiek is het gebouw van de Belastingdienst voor mij dichterbij. Trouwens ook voor wat betreft contacten heb ik meer met de ‘blauwe enveloppe’. In mijn gedachten zijn de wereld en Europa dichterbij. In mijn dagelijkse leven zijn mijn familie en vrienden het dichtst bij mij. Voor veel mensen is de gemeente, net als iedere andere overheid, een ver-van-hun-bed-show. Draait het in het leven in het algemeen en in de zorg voor mensen niet veeleer om nabij in plaats van dichtbij? Om houding in plaats van geografie?
Of zit de kern in ‘dichtbij en maatwerk kunnen leveren’? Maar klopt dat wel? Is het werkelijk zo dat je ‘dichtbij’ het beste maatwerk kunt leveren? Als ik kijk naar zeer veel jeugdigen dan levert Mac Donalds voor hen prachtig maatwerk. Veel passender dan de ‘frietkot’ om de hoek. Die eigenaar van die ‘frietkot’ woont bij zijn zaak. De Mac wordt aangestuurd vanuit Chicago.
Zou die kern kunnen zitten in het ‘dichtbij efficiënter kunnen werken’? Een mooie bewering alleen vraag ik me af hoe je dichtbij iedereen een open hartoperatie efficiënt kunt organiseren? Het lijkt mij dat je zoiets efficiënter op een grotere schaal kunt organiseren. Zou de organisatieschaal niet af moeten hangen van het probleem?
Daar komt bij dat je grote en kleine gemeenten hebt. Amsterdam is groter dan Vlieland. Als het werkelijk zo is dat gemeenten, een kleinere schaal dan rijk of provincie, beter en efficiënter maatwerk kunnen leveren. Zou je dan logisch redenerend niet ook kunnen zeggen dat de schaal ‘Amsterdam’ te groot is en dat we allemaal naar de schaal ‘Vlieland’ moeten?
Een zin die alle kenmerken vertoont van wat Alessandro Baricco in zijn laatste boek The Game een ‘snelwaarheid’ noemt. Een: “waarheid die om naar de oppervlakte van de wereld te komen – dat wil zeggen, om begrijpelijk te worden voor de meeste mensen, en ieders aandacht te krijgen – zichzelf een aerodynamisch design heeft aangemeten, waarbij ze onderweg aan nauwkeurigheid en precisie inboette, maar wel aan beknoptheid en snelheid won.” En ‘snelwaarheid’ is ‘van horen zeggen’ waar verpakt in een mooi verhaal, ‘storytelling’. “Storytelling is niet iets wat de realiteit verpakt, of vermomt, of verfraait: het is iets dat deel uitmaakt van de realiteit, het is een deel van alle dingen die zijn.” Om het kort en in eigen woorden te zeggen: een mooi verhaal dat ‘waarder’ lijkt te worden naarmate het vaker wordt verteld.
Bij TPO gaat SP-kamerlid Ronald van Raak helemaal los. Hij heeft het gemunt op ‘externen’ die worden ingehuurd door de overheid: “Bij sommige ministeries wordt in plaats van de afgesproken tien procent bijna 20 procent van de totale personeelskosten uitgegeven aan externe medewerkers. Bij gemeenten is de inhuur van externen in vijf jaar eveneens verdubbeld tot gemiddeld 20 procent, in een aantal provincies is dat zelfs opgelopen tot meer dan 30 procent. In dit land kan geen verandering worden doorgevoerd of consultancy bureaus zetten hun voet tussen de deur.”
Japanse duizendknoop overwoekert oude trein in Beekbergen. Bron: wikipedia
Hij moest, toen hij dit las, denken aan de bijna onuitroeibare uitheemse plant de Japanse duizendknoop: “Je kunt hem uit de grond trekken, je kunt er gif op loslaten, je kunt hem in de brand steken, helpen doet het allemaal niet. Met zijn sterke wortels en woekerende stengels duikt hij telkens weer op en verdringt hij alle andere planten.” Ook voor de oplossing keek hij naar die plant: “Het beste lijkt nog het consequent maaien en afvoeren van de plant.” De ‘maaimachine’ die hij voorstelt is een wet die zijn eerdere ‘norm’ van 10% uitgaven aan externen tot wet verheft. Het geld dat daarmee wordt bespaard: “kunnen we investeren in het aannemen en opleiden van goede eigen medewerkers. Een wet die een einde moet maken aan de woeker van de consultancy.”
Laten we die plant even links liggen en concentreren we ons op de overheid. Van Raak gooit alles op één hoop als je wat dieper in de materie duikt, dan zit er een wereld van verschil tussen de ene en de andere ‘extern ingehuurde’. Inderdaad zijn er dure consultants van dure bureaus voor ICT-projecten. En inderdaad meneer Van Raak: “ze krijgen vaak torenhoge vergoedingen, ook als hun projecten volledig blijken te falen.” De vraag is echter waarom deze projecten vastlopen? Zou dat falen misschien ook wat met de complexiteit van de overheid in het algemeen en ‘waaiende politieke winden’ in het bijzonder, te maken kunnen hebben? Met de ‘politieke bemoeienis’ tot in detail waarvoor Van Raaks partijgenoot en collega Van Dijk pleit. In het bedrijfsleven gaan ICT-projecten trouwens ook vaak niet zoals ze zijn bedoeld. Zie Facebook en recentelijk Youtube.
Er zijn ook ZZP’ers die worden ingehuurd om een zieke of zwangere ambtenaar tijdelijk te vervangen. Dan heb je een bijzondere categorie, de externe die via een payroller binnenkomt op een reguliere functie. Die wordt niet meteen in dienst genomen, maar moet het eerste jaar via die payroll constructie bewijzen of hij zijn vaste aanstelling wel waard is. En dan heb je natuurlijk de poetsers en kantinemedewerkers. Oh, nee dat is geen inhuur, daar hebben we een dienst van gemaakt die wordt ‘ingekocht’. Dan zijn er reorganisaties die overheden verlammen omdat ze goede krachten wegjagen en de rest apathisch maken. Inhuur is dan de oplossing om de ‘gaten te vullen.’ En er wordt wat ‘gereorganiseerd’ in overheidsland: van afdelingen, naar sectoren en dan naar de, tegenwoordig populaire, domeinen.
Een bijzondere categorie zijn de ‘probleemonderzoekers’. Die worden om verschillende redenen ingehuurd. Soms, waarschijnlijk de minst gebruikte reden, omdat er daadwerkelijk behoefte is om iets nader te onderzoeken. Wat vaker komt het voor dat bestuur en/of politiek geen besluit durven te nemen en daarom tijd kopen door ‘de zaak’ nogmaals door een externe te laten onderzoeken. Meestal hebben de eigen ambtenaren het dan al goed van alle kanten bekeken.
Een bijzondere reden die de laatste jaren vaker voor lijkt te komen is dat een bestuurder een advies in een bepaalde (politieke) richting wil, een richting die de eigen onafhankelijke ambtenaren met redenen niet voorstellen. En je kunt een ambtenaar niet dwingen om een advies in een bepaalde richting te geven. Deze bestuurders zoeken eigenlijk een veredelde, excusé le mot, ‘tiep-miep’ die precies doet wat zij zeggen.
Als laatste een reden die een speciale alinea waard is. ‘De overheid moet kleiner’. Een opdracht die zich vaak vertaald in x fte die moeten worden geschrapt. Wat er niet bij wordt gezegd en waartoe bestuurders en politici, op een enkele uitzondering na ook niet toe bereid zijn, is erbij aan te geven welke taken er dan worden weggestreept. Resultaat van zo’n operatie is dat de achterblijvers het werk niet afkrijgen, de bestuurder zijn ‘belangrijke klus’ wel gedaan wil hebben en dan is … inhuren de oplossing. Even terzijde, het moeten schrappen van fte’s op de loonlijst leidt soms tot heel bijzondere keuzes. Bijvoorbeeld door een vermindering van fte te bereiken door een dienst buiten de deur te zetten. Fte-taakstelling gehaald zonder ook maar een cent kostenbesparing waarvoor het eigenlijk was bedoeld. Sterker nog, de kosten stijgen dan vaak.
Wat ik hiermee wil zeggen is dat de ‘ingehuurde’, ‘de inhuurder’ niet kan dwingen om in te huren. Het initiatief om in te huren gaat, anders dan Van Raak beweert, uit van de ‘inhuurder’. Die heeft een reden waarom hij inhuurt. Die redenen zijn soms goed en soms niet, maar altijd op initiatief van de ‘inhuurder’. Van Raak wil dit nu met een ‘wettelijk vastgelegd percentage’ bestrijden. Zou dat helpen of zouden Van Raak en zijn collega’s de hand niet veeleer in eigen boezem moeten steken en kijken naar de keuzes die ze zelf maken?
Trouwens, die Japanse duizendknoop is bewust ooit door iemand naar hier gehaald. Of toen de ‘woekerkwaliteiten’ bekend waren, is mij niet duidelijk. Wel werd me, naar enig zoekwerk, een oplossing aangeboden die de plant wel ‘met wortel en tak’ uitroeit: het varken: ”Ze eten het bovengrondse deel van de plant op maar ze eten ook de wortel die ze uit de grond wroeten.” Als we de metafoor doorzetten, zijn de bestuurders en politici dan de ‘varkens’?
In de Volkskrant een uitgebreid artikel over alles wat er al dan niet mis is bij het UWV. SP-Kamerlid Jasper van Dijk hierover: “Alles wat van de overheid is, moet door het parlement gecontroleerd kunnen worden. Dit soort semipublieke organisaties, die we op afstand hebben gezet, zijn één grote mislukking.’ De Kamer stuurt niet te veel, eerder te weinig. We zitten als parlement met onze handen op de rug naar zo’n zbo (zelfstandig bestuursorgaan) te kijken. Als het misgaat kunnen we vrij weinig doen.” Hierbij moest ik denken aan de wereld waarin ik werk, de wereld die het ‘sociale domein’ wordt genoemd in het algemeen en de zorg voor de jeugd in het bijzonder.
Dat wat we nu het sociaal domein noemen kent een lange traditie van nieuwe wetten, systeem veranderingen enzovoorts. De jeugdhulp is daar een bijzonder voorbeeld van. “Ze waren in de jaren negentig het sluitstuk van een reorganisatie van de jeugdhulpverlening die ruim twintig jaar eerder van start was gegaan. Ze moesten een eind maken aan de versnipperde en weinig effectieve hulpverlening. (… ).” Wat moet er op de plaats van die puntjes staan? Het antwoord komt zo, eerst nog iets verder terug in de geschiedenis. Begin jaren zeventig was de jeugdhulp in Nederland sterk verzuild en verkokerd en wordt ernstig getwijfeld aan de inhoud en het effect van de hulp en opvang. Daarom werd er in 1974 een werkgroep opgericht die hiernaar onderzoek deed en op basis van dat onderzoek een advies uitbracht. De werkgroep adviseerde in 1984: “Zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’.” Dat klinkt heel 2019 maar werd al in de jaren tachtig van de vorige eeuw geroepen in een onderzoek naar de toenmalige jeugdzorg. Een onderzoek dat leidde tot een nieuwe wet voor de jeugdzorg. Inmiddels zijn we al weer enkele wetten en wetswijzigingen verder maar ‘vijf keer zo’ hebben we nog steeds niet bereikt.
Op de plek van (…) staat op die plek de volgende zin: “Dat lukte maar ten dele. Amper vijftien jaar na hun oprichting worden de Bureaus Jeugdzorg alweer opgedoekt of fors afgeslankt. ” Die amper vijftien jaar later, was het 2012 en inmiddels ziet de ‘jeugdzorgwereld’ er al weer heel anders uit. De memorie van toelichting bij de Wet op de jeugdzorg zag de volgende rol en positie voor het Bureau Jeugdzorg: “Het in het wetsvoorstel geregelde bureau jeugdzorg zal op basis van degelijk en zonodig multidisciplinair onderzoek de problemen van een jeugdige analyseren en die jeugdzorg indiceren die een antwoord kan bieden op de problemen. Daarbij treedt het bureau buiten de sfeer van de huidige jeugdhulpverlening, omdat ook bezien wordt of de zorg geboden moet worden door de geestelijke gezondheidszorg, de zorg voor verstandelijk gehandicapten of binnen het regime van een justitiële jeugdinrichting. Het bureau jeugdzorg dat onafhankelijk van zorgaanbieders werkt, zal objectief bezien waar jeugdigen met (complexe) problematiek het beste geholpen kunnen worden. Ook zal de geïntegreerde toegang, gekoppeld aan het recht op jeugdzorg en het integrale hulpverleningsplan, de huidige problematiek van «moeilijk plaatsbare» jeugdigen voorkomen.”
Dat werd geen onverdeeld succes. “Daarbij veroorzaken de indicatiestellingen dubbele wachttijden; eerst moet men wachten op de indicatie en daarna op de juiste hulp.” Dit concludeerde de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010 in haar eindverslag. “De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk,” zo is te lezen in het eindverslag. En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordings-druk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” Ook de gefragmenteerde wettelijke grondslagen en financiering was een aanleiding voor deze decentralisatie. Daarmee zijn we weer op hetzelfde punt aanbeland als in de jaren tachtig. Alleen heeft de wetgever nu de verantwoordelijkheid naar de gemeenten geschoven. Het moet worden gezegd dat, met name grote gemeenten, daar ook zelf om hebben gevraagd.
De Kamerwerkgroep concludeerde dus dat de versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door … verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen.
Geen nood de wet bevat de oplossing: gemeentelijke samenwerking. Dit geheel indachtig het Belgische devies ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands: eendracht maakt macht, al lijkt een deel van de Belgen en vooral Vlamingen daar anders over te denken. Alhoewel oplossing, het wat en hoe van die samenwerking wordt niet verder beschreven. Zijn gemeenten werkelijk eendrachtig en maken ze macht? De wetgever wil dat gemeenten maatwerk leveren. Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Wat in de ene plaats werkt, werkt elders niet dus moet er worden gezocht naar die aanpak die past bij de ‘couleur locale’. Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen gemeenten elkaar? Werken gemeenten samen of maken zij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?
Als we nu kijken hoe gemeenten de hulp organiseren dan zien we dat ‘wijkteams’ een belangrijke rol vervullen. Die moeten bepalen welke ondersteuning of hulp er nodig is en, soms wel en soms niet, zelf hulp bieden. Die moeten hetzelfde doen als werd beoogd met de bureaus jeugdzorg uit de jaren negentig. Lopen we niet de kans dat een onderzoek over een jaar of tien hetzelfde concludeert als de twee voorgangers en weer adviseert om ‘zo-zo-zo-zo-zo’ te gaan werken?
Om de kans daarop te verkleinen is het aan te raden om het vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. In deel twee van De gekleurde wereld doe ik dit met de ‘kleurentheorie’ van veranderkundige Léon de Caluwe.
Daarom een korte uitleg van de ‘kleurentheorie’. Voor degenen die er alles van willen weten, lees het boek Leren veranderen. Een handboek voor veranderkunde van Léon de Caluwé en Hans Vermaak. Voor wie iets minder tijd heeft lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren van De Caluwé. De kleuren staan voor manieren waarop mensen in de wereld staan en die manier heeft gevolgen voor hun handelen en dus ook voor de manier waarop ze naar veranderen kijken.
Geeldrukdenken: ‘gele’ mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen win-win situaties kunt creëren, coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed), als je ‘de neuzen’ kunt richten.
Blauwdrukdenken: ‘blauwe’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object), die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd.
Rooddrukdenken: ‘rode’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt,. Bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt.
Groendrukdenken: ‘groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen en de eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam) ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien, te leren, te kunnen. Als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Het gaat om ideeën, om mensen (met hun motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen.
Witdrukdenken: ‘witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is. Als het betekenis toevoegt, de eigen energie van mensen laat komen. Als je de dynamiek/complexiteit wilt zien, eventuele blokkades wegneemt en symbolen en rituelen gebruikt.
Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win, compromis toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. Win-win en al die termen zijn, volgens De Caluwé en Vermaak, die passen bij Geeldrukdenken. De andere kant van politiek is dat er verantwoording afgelegd moet worden en blauwdruk is uitermate geschikt voor het afleggen van verantwoording.
Als we kijken naar de filosofie achter de huidige Jeugdwet uit 2015 en ook de Wet maatschappelijke ondersteuning uit hetzelfde jaar dan zien we een vijftal opgaven: als eerste normaliseren: problemen (ook bij het opvoeden en opgroeien) horen bij het leven. Dat je daarbij hulp vraagt en krijgt van je naasten is normaal en alleen als je er samen niet uitkomt, dan roep je de hulp in van iemand, een professional, met specifieke kennis en vaardigheden. Er wordt uitgegaan van de kracht van het individu en in het verlengde daarvan de kracht van de samenleving. Centraal hierbij staat wat je wel kunt. Die professional moet hierbij niet worden gehinderd door overbodige bureaucratie. Hij is immers de professional die weet wat er moet gebeuren en daarop moeten we vertrouwen. En als laatste moet die professionele hulp dichtbij zijn.
Kijken we met de ‘kleuren bril’ van De Caluwé naar deze opgave, dan hangt het succes af van de mensen die het echte werk moeten doen, die professionals. Door ruimte te geven aan deze professionals en hen te ondersteuning en begeleiding bij het ‘leren’ te bieden, verandert die werkelijkheid langzaam. De verandering moet van onderop komen. In de theorie van De Caluwé vraagt deze opgave een om ‘groene, witte’ aansturing. Als we kijken hoe deze opgave wordt ingevuld dan zien we bestuurlijke drukte. Aan overlegtafels en bestuurlijke overleggen schuren de gemeente- en zorgbestuurders lans elkaar en wordt richting gegeven aan de gewenste verandering. Die richting wordt vertaald in processen, procedures en in producten die vervolgens worden ingekocht. ‘Geel, blauwe’ aansturing.
Een geel- blauwe benadering van een groen- witte opgave. John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt het begrip rationele irrationaliteit en omschrijft dit begrip als volgt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook rationeel’ of is er sprake van rationele irrationaliteit?
De afgelopen vijftig jaar was een periode met, zoals we zagen veel ‘politieke sturing’. En dat is precies waar Van Dijk in de casus UWV om vraagt. Trouwens ook in de zorg voor de jeugd wordt er alweer gevraagd om ‘politieke sturing’, om ‘betere’ wettelijke kaders. Ondanks al die sturing is ‘zo-zo-zo-zo-zo-zo’ nog steeds niet bereikt. Zou meer ‘Haagse bemoeienis’ dit keer wel werken? Of zou het gebrek aan succes niet kunnen liggen aan verkeerde aansturing? Zou de oplossing niet kunnen liggen in juist minder ‘politiek’ en ‘politieke bemoeienis’?
Dat is lastig voor Van Dijk en zijn collega’s. Mensen met een geel en blauw denkkader spelen volgens De Caluwé een heel andere wedstrijd. Daar waar het bij rood, groen en wit draait om harmonie, om samen resultaat bereiken en niemand achterlaten. Staat in gele en blauwe wereld winnen centraal. Bekennen dat ‘jouw aansturing’ het probleem is, is toegeven dat je verliest. En verliezen ligt heel zwaar in een ‘gele’ of ‘blauwe’ omgeving.
Voor Sid Lukkassen valt de uitkomst van de Europese verkiezingen zeer zwaar, zo is te lezen bij TPO. Hij kan niet begrijpen hoe een partij die: “bijna niemand vertegenwoordigt – hooguit wat laatste strohalmen aan zorg- en cultuurkartels en een baantjeslobby binnen het bestuurlijke circuit,” de grootste kan worden. Enige verklaring die hij kan vinden, en daarvoor gaat hij te raden bij de film The Matrix: “is dat het leeuwendeel van de stemmers onder de bindende invloed staat van blue pill media. Zij geloven wat de mainstream media hen voorschotelen letterlijk en hebben geen behoefte om zich buiten de mainstream media te informeren. Omdat dit zo’n knus en overzichtelijk wereldbeeld oplevert kijken zij weg van wat zich op straat afspeelt.”
Als ze immers zouden zien wat er in de ‘werkelijke wereld’ gebeurt, als ze de ‘red pill’ zouden slikken, dan zouden ze massaal op zijn lieveling Baudet stemmen. Want in die ‘red pill’ werkelijkheid zie je: “vele gewelddadige video’s. … Deze week kwam er weer een langs. Een groep, volgens de commentators migranten, rende een jongen achterna. Ze vloerden hem en stampten vervolgens op zijn hoofd, met waarschijnlijk de dood tot gevolg.”
Beste Meneer Lukkassen, ik woon niet in: “een poepdure wijk (…) – waar eigenlijk alleen chief audits en hedgefunds-managers de huizenprijzen kunnen betalen – dan kom je nauwelijks met dergelijke types in aanraking. Dan kun je lekker soppen bij Jesse Klaver, want jijzelf zal niet worden verkracht en jouw jongere broertje zal niet worden afgetuigd.” Het lijkt mij trouwens sterk dat die op Klaver zullen stemmen, dat terzijde. En inderdaad zie ik ‘dergelijke filmpjes’ niet omdat ik me verre van het ‘riool van de sociale media’ probeer te houden. Dat wil echter niet zeggen dat ik niet weet dat dergelijke zaken gebeuren. Trouwens niet alleen met ‘volgens commentators migranten’ als dader. Hoe betrouwbaar zijn die ‘commentators’ trouwens? En hoe herken je een ‘migrant’? En ja, ik weet ook dat de politie niet altijd adequaat handelt. Om daarvan op de hoogte te zijn, hoef je echt niet door ‘riolen van de sociale media’ te kruipen. Dergelijk gedrag is van alle tijden en van alle ‘kleuren’ mensen.
Zo werd in mijn jeugd, ruim veertig jaar geleden, ook gepest, getreiterd en gevochten. Op school braken er geregeld vechtpartijen uit en als het op school niet kon dan volgden de gevleugelde woorden: ‘wacht maar, om half vier’. Vaak gebeurde er ‘om half vier’ niets, soms wel. Het waren steevast dezelfde groepen die elkaar bij een kermis in een dorp de koppen in sloegen. Het werd alleen niet gefilmd.
Trouwens niet alleen in mijn jeugd. Zo las ik voor mijn leeslijst Nederlands het boek Het jaar 1901 van Louis Paul Boon. een boek met als ondertitel: verhalen naar de politiearchieven der stad Aalst. Een soort ‘jaarkroniek’ van de politiearchieven van de Belgische stad Aalst over het jaar 1901. Een opsomming van familiedrama’s, diefstallen, dronkenschap, vechtpartijen, aanrandingen. Eigenlijk alles wat er nu ook nog gebeurt, maar dan zonder ‘migranten’. Alhoewel, ‘zonder migranten’. De ‘migranten’ kwamen toen van de omliggende streek naar de industriestad Aalst. Ook laat het boek zien dat de politie toen ook niet altijd ‘adequaat’ handelde, dat is ook iets van alle tijden.
Beste meneer Lukkassen u baseert uw visie op de samenleving op de uitspraak: “Het enige dat Arabieren respecteren, is absolute skull crushing military defeat. Daarna valt er pas met ze te praten.” Inderdaad zijn er mensen, ook weer van alle kleuren, die het ‘hard moeten hebben’ voordat ze hun gedrag veranderen. Daarvoor hebben we, de niet altijd adequaat reagerende, politie en justitie. Om dat te zien, hoef je geen ‘red pill’ te hebben geslikt. Ik zie heel veel mensen van alle kleuren die er samen het beste van willen maken. En daarvoor hoef je echt geen ‘blue pill’ te hebben geslikt. Misschien ziet u dat ook als u stopt met het slikken van de ‘red pill’?
Mijn woonplaats Venlo kreeg een prominente plek in de verkiezingscampagne voor het Europese Parlement. Deze keer niet omdat de in deze gemeente geboren Wilders zo’n belangrijke rol speelde. Of misschien toch omdat de partijen die Venlo als voorbeeld gebruikten, de VVD en het FdV, stemmen wilden afpakken van Wilders? Ik denk het niet. Nee, ik denk dat het met de grensligging van Venlo te maken had en het vele vrachtverkeer dat via ‘logistiek knooppunt Venlo’ het land inkomt en uitgaat.
Zo wil het FvD weer een stevige grensbewaking invoeren om te voorkomen dat ‘migranten via Venlo ons land binnenkomen’. De VVD wil hetzelfde, voorkomen dat migranten ons land binnenkomen, maar wil Venlo ‘verplaatsten’ naar Lesbos en Lampedusa’.
Fliegerhorst Venlo september 1944. Bron: Wikipedia
Ook wil het FvD, of tenminste een deel van die partij waartoe in ieder geval leider Baudet behoort, dat Nederland de complete Europese Unie verlaat. Bij die ideeën gaan mijn gedachten terug naar mijn jeugd. Toen stonden de douaniers aan de grenzen van Venlo. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.
Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen.
Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd (1980) en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens?
Ik weet niet of het toeval is, maar ook deze week las ik een bericht over de atlas der gemeente. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Als jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken.
Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbeker Seen. Voor degenen die geen Duits begrijpen, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.
Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijdt vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een halfmiljoen inwoners, een van de grootste binnenhavens en op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoner groter dan … . Een gebied met nu twee clubs in de Bundesliga. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. het aantal clubs in de Bundesliga groeit dan met vier (1. FC Köln, Borussia Dortmund, Bayer Leverkusen en Schalke 04 waarvan er twee zich hebben geplaatst voor de Champions League).
Een gebied met veel inwoners waar naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens.
Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en Baudets grenshek. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn twee softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart.
Vandaag mogen we naar de stembus om onze vertegenwoordigers in het Europees parlement te kiezen. Bij Joop een schrijven van drie personen, Sara Murawski, Geert Ritsema en Remine Alberts, die namens de SP ons in dat parlement willen vertegenwoordigen. De drie, maken zich zorgen over de, in hun en ook mijn ogen, te ver doorgeschoten marktwerking. Zij pleiten: “voor een nieuw Europees verdrag, waarin de interne markt begrensd wordt, nationale staten en de lokale democratie weer meer zeggenschap krijgen over de economie, en sociale rechten en het milieu altijd voorrang krijgen op de vrije markt. Want daar waar de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan, delven mensen, dieren en het milieu het onderspit – ook in onze prachtstad.” Die stad is hun woonplaats Amsterdam. Toch is er op hun redenering het nodige aan te merken.
“De steeds verdergaande economische integratie in de EU zorgt ervoor dat de sociale ongelijkheid tussen mensen groeit doordat overheden en gemeentes steeds minder ruimte hebben om in te grijpen in de markt.” Aldus de drie. Inderdaad zien we in Europa verdergaande economische integratie en toenemende sociale ongelijkheid. Dat betekent echter niet dat er ook een causaal verband is tussen die twee gebeurtenissen. Dat, zoals zij beweren, die integratie die ongelijkheid veroorzaakt. Een voorbeeld, de Verenigde Staten zijn altijd al een geïntegreerde economie en ook daar neemt de ongelijkheid toe. Als het verband van de drie opgeld doet, dan zouden de VS economisch moeten ‘desintegreren’ om de economische ongelijkheid te verkleinen. Het vreemde is dan wel dat het land in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog veel ‘gelijker’ was dan nu en dat de ongelijkheid sindsdien toeneemt zonder verdere integratie.
Inderdaad delven mensen, dieren en het milieu het onderspit als de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan. Meer zeggenschap voor nationale staten en lokale democratie is volgens de drie de oplossing. Het verleggen van de zeggenschap van Europa naar land en lokaal, zoals drie beweren, is geen oplossing hiervoor. Die kleinere schaal is echter geen ‘garantie’ tegen ongebreidelde marktwerking. Ook kleine democratieën kunnen ten prooi vallen aan het neoliberale economische denken. Sterker nog, zou de door de SP-ers bepleiten ‘versnippering’ werkelijk effectief kunnen optreden tegen de de Googles, Facebooken maar ook de Shells, Volkswagens en Morgan Stanleys van deze wereld?
“Of het nu gaat om de post, het spoor of onze energiebedrijven, al deze zaken zijn onder druk van de liberaliseringsmachine die Brussel is geworden geprivatiseerd – met alle gevolgen van dien.” Beste SP-ers, liberaliseren is wat anders dan privatiseren. Liberaliseren betekent het openstellen van een markt voor andere partijen. De keuze om een staatsbedrijf te privatiseren, staat daar los van. Die keuze wordt niet in Europa gemaakt, maar in Nederland. Andere landen binnen dezelfde EU zijn nog steeds eigenaar van energiebedrijven. Zo is het Zweedse Vattenfall voor 100% eigendom van de Zweedse overheid en is de Franse staat nog steeds de trotse bezitter van spoorbedrijf SNCF, net als trouwens de Nederlandse staat eigenaar is van de NS.
De drie gaan verder: “Hetzelfde geldt voor belangrijke dienstverlening die gemeentes organiseren voor hun inwoners: het aangaan van lange-termijn relaties met bijvoorbeeld een betrouwbare thuiszorginstelling of een schoonmaakbedrijf is er niet meer bij, omdat gemeentes verplicht zijn om aan te besteden. Dit is vaak echter helemaal niet in het belang van de mensen die afhankelijk zijn van deze instellingen en juist behoefte hebben aan stabiliteit en een langdurige relatie. Zo pakt goedkoop vaak uit als duurkoop, ten koste van de meest kwetsbaren.” Ook hier is het niet de Europese Unie die de keuze maakt om van bijvoorbeeld de thuiszorg of de zorg voor de jeugd een markt te maken. Die keuze maken de gemeenten zelf. Maar als je de keuze maakt om er een markt van te maken, dan gelden ook de Europese regels voor de markt. Neem bijvoorbeeld de zorg voor de jeugd waar we in Nederland een ‘markt’ van hebben gemaakt. Binnen de EU laat ons buurland Duitsland zien dat het ook anders kan. De zorg voor de jeugd is daar belegd bij het Jugendamt, een onderdeel van de Kommunalverwaltung en dus een overheidsdienst.
Beste SP-ers, zoals gezegd deel ik jullie zorgen over de doorgeschoten marktwerking. De Europese Unie is hiervan echter niet de oorzaak nog een hinderpaal bij het oplossen ervan. De oorzaak is te vinden in de hoofden van jullie, de politici die namens ons de keuzes moeten maken. Jullie kunnen andere keuzes maken, in gemeente en provincie en het Europese Parlement maar vooral in de Nederlandse Staten Generaal. Want de belangrijkste en grootste invloed loopt nog altijd via onze regering. Sterker nog, het is niet Europa dat het landsbeleid bepaalt maar het zijn de landsregeringen die het Europese beleid bepalen.
“Nederland is in hoog tempo bezig de zeggenschap over de eigen essentiële belangen over te hevelen naar een EU zonder democratisch mandaat. De gevolgen daarvan zijn verstrekkend. Dit schrijft Kees de Lange in een artikel bij Opiniez. Volgens de Lange worden er systematisch bevoegdheden overgedragen naar de Europese Unie en hierdoor wordt de Nederlandse soevereiniteit uitgehold.
De Lange vraagt zich af hoe dit kon gebeuren en in die zoektocht komt hij bij de Grondwetswijziging van 1953. Bij die wijziging werd het Nederlands recht ondergeschikt gemaakt aan internationaal recht. En dit leidt er nu, volgens De Lange toe dat: “de eigen soevereiniteit en de soevereiniteit van de eigen bevolking als basis van onze samenleving worden verkwanseld en hoe bijna zonder enige diepgaande discussie standaard gehandeld wordt, niet tegen de sinds 1953 strikte letter, maar wel tegen de geest van onze eigen Grondwet.” Dit is tegen het zere been van De Lange immers: “verandering in soevereiniteit (kan) dan en slechts dan plaatsvinden indien met instemming van de burgers.” En die burger wordt gepasseerd: “Het verkwanselen van de directe belangen van de Nederlandse burger zonder diezelfde burger zelfs maar te raadplegen is een politieke wanvertoning en een democratische doodzonde van de eerste orde.” Zo, die kunnen onze politici in hun zak steken.
Alhoewel. Is het wel zo dat ‘het volk’ niet geraadpleegd is? Als je een referendum als enige manier ziet om ‘het volk’ te raadplegen, dan is dat slechts twee keer gebeurd. Een eerste keer over de ‘Europese grondwet’ en een tweede keer over een associatieverdrag met de Oekraïne. Zowel de ‘Grondwet’ als het associatieverdrag bevatte geen overdracht van soevereiniteit, er werden dus geen ‘belangen verkwanseld’. De ‘Grondwet’ was niets meer dan een bundeling van al gemaakte afspraken en de bevoegdheid om een associatieverdrag te sluiten, had de EU al.
Als we kijken naar alle overdrachten van welke bevoegdheid dan ook, dan zijn die genomen volgende in Nederland geldende regels van het spel. Neem de Grondwetswijziging van 1953, die is twee keer in de Tweede Kamer behandeld en aangenomen. Tussen die twee behandelingen in zaten verkiezingen waar ‘het volk’ zich kon uitspreken.
‘Ja, maar dan moet het volk wel weten dat dit staat te gebeuren’, zou je kunnen tegenwerpen en het is maar helemaal de vraag of ‘het volk’ het allemaal wel wist. Als we de beeldvorming van de laatste jaren bezien, dan rijst er een beeld op van ‘gekonkel in achterkamertjes’ waar wordt besloten om Nederland steeds verder Europa in te ‘rommelen’.
Een beeld dat het tegenwoordig goed doet, maar gebeurde het ook zo? Europa en verdere Europese integratie was vast niet het ‘belangrijkste’ verkiezingsthema. Dat de politieke partijen er niet open over waren, is bezijden de waarheid. “De Europese gemeenschappen worden uitgebreid met Groot-Brittannië, Ierland, Noorwegen en Denemarken en andere demokratische Europese landen die de doelstellingen van de E.E.G. onderschrijven. De uitbreiding van de E.E.G. met Groot-Brittannië zal niet ten koste gaan van de steun aan arme landen.” Zo valt te lezen in het verkiezingsprogramma van de PvdA in 1967. En het VVD-programma voor de verkiezingen van hetzelfde jaar lezen we het volgende: “Dit streven brengt mee, dat in de nabije toekomst de E.E.G. met andere Europese landen zal moeten worden uitgebreid. De komende Europese Gemeenschap zal zowel naar binnen als naar buiten een liberale politiek moeten voeren.” In 1989 lezen we in het PvdA-programma het volgende: “Nederland heeft ook verantwoordelijkheden en belangen in internationaal verband. Nederlandse burgers zullen hoe langer hoe meer EG-burgers en wellicht op den duur zelfs burgers van een groter civiel Europa worden.” En in het programma van het CDA voor de verkiezingen van 1989 lezen we: “Eén aspect verdient nog bijzondere aandacht omdat het de politieke agenda in toenemende mate zal bepalen. Het betreft de eenwording van de Europese markt tegen 1992. Deze heeft een belangrijke signaalfunctie: ‘signaal’ omdat reeds eerder belangrijke stappen zullen zijn gezet, terwijl uiteraard niet alle beslissingen en maatregelen in 1992 zullen zijn afgerond. Niettemin zal ook Nederland de gevolgen van ‘Europa 1992’ voelen: de gemaakte afspraken zullen het nationale beleid beïnvloeden.”
Deze partijen hebben jarenlang de verkiezingen gewonnen en kregen samen vaak bijna driekwart van alle stemmen. Kun je dan volhouden dat er sprake was van ‘gerommel in achterkamertjes’? Dat er soevereiniteit werd overgedragen zonder instemming van ‘het volk’?
“En laten wij concluderen dat de regeldruk onder Frans Timmermans gewoon verder is toegenomen.” Met die zin sluit Rutger van den Noort zijn artikel op de site Opiniezover de Europese regeldruk en de rol van Frans Timmermans daarin, af. De Europese Commissie wilde ‘dereguleren’ en Timmermans kreeg de taak daarvoor te zorgen.
“In de periode-Timmermans kwamen er van 2015 tot en met 2018 5268 EU-regels bij,” schrijft Van den Noort. Dat zijn er minder dan de vier jaar ervoor maar, zo constateert: “De teller had op een negatief aantal nieuwe wetten moeten staan. Voor iedere goede ingediende wet zouden een paar andere wetten moeten zijn vervallen. Met een ‘wegstreepwet’ had je gemakkelijk een hele serie andere wetten kunnen liquideren. Maar dat is niet gebeurd.” En hij concludeert: “Nu we bijna vijf jaar later het net ophalen, zien we dat er niets van terecht is gekomen.”
Nu is de EU hierop geen uitzondering en dat constateert Van der Noort ook. Ook in Nederland zijn er: “ 1000 regelingen bijgekomen de laatste tien jaar” En ook in de VS: “dan zien we dat er vorig jaar weliswaar een piek van 442 nieuwe wetten bijkwam, maar dat de trend al jaren dalend is. Zo lag het aantal nieuwe wetten in de jaren ‘80 nog op 600 per jaar.” Een dalende trend, maar als je die vergelijkt met de 1000 in tien jaar in Nederland, dan zijn het er in een jaar nog altijd ruim vier keer zoveel. En dat in een land dat geregeld door ‘politieke twisten’ is verlamd.
Nu kun je je afvragen of je moet streven naar minder regels. Ja, regelvermindering klinkt leuk en het scoort goed in de publieke opinie. Maar toch. Eens even luisteren naar de Zuid Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. In zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme behandelt hij ook de regeldruk. Op pagina 220 stelt hij een interessante vraag: “In het begin van de jaren negentig publiceerde het in Hongkong gevestigde Engelstalige zakenblad Far Eastern Economic Review een speciaal nummer over Zuid Korea. In een van de artikelen verbaasde het blad zich over het feit dat hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent per jaar was gegroeid. Hoe was het mogelijk? Hoe kan een land met een zo verstikkend stelsel van regelgeving zo snel groeien?”
Gelukkig beantwoordt hij de vraag in de volgende pagina’s. Zijn eerste verklaring: “… in een land dat snel groeit en waar zich voortdurend nieuwe zakelijke kansen aandienen, weerhoudt zelfs de rompslomp van 299 vergunningen zakenmensen er niet van een nieuw project op te starten. Wanneer er daarentegen weinig valt te verdienen als de zaak eenmaal rond is, zullen zelfs 29 vergunningen te veel zijn.” Dus als we er maar voor zorgen dat het aan het einde loont, belemmeren regels niet.
Chang gaat verder: “ Een belangrijke reden waarom sommige landen waar het bedrijfsleven zwaar gereguleerd is het economisch heel goed hebben gedaan, is dat veel regels in feite goed zijn voor bedrijven.” Dat lijkt helemaal in strijd met de algemene opvatting dat reguleren belemmert. Gelukkig verduidelijkt Chang zich: “regulering (kan) bedrijven (…) helpen door te voorkomen dat ze de basis van hun voortbestaan op lange termijn ondermijnen.” Denk bijvoorbeeld aan milieumaatregelen die uitputting of vernieling van de omgeving voorkomen zoals regels tegen overbevissing. Maar ook regels tegen kinderarbeid of te agressieve verkoop van leningen. En zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te noemen van regels die helpen.
“Veel regulering helpt de gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen,” zo betoogt Chang. Ik zou aanvullend hierop willen zeggen: ‘zo helpt regulering ook om mensen tegen bedrijven en elkaar te beschermen, terwijl andere regels ons dwingen om dingen te doen waardoor onze samenleving ook op termijn leefbaar te houden.’ En daarom, om met Chang af te sluiten: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.”